*de blauwe maan* _Een serie leesboeken voor het basisonderwijs_ Geschreven en gellustreerd door =tonke dragt= eerste deel *dit is joost* waar woon je, joost? hier is mijn huis. ik woon er met mijn oma. en met de poes. de poes heet pijl. oma is heel lief en goed. ze heeft sterren op haar hoed. *dit is de tuin* dit is de tuin om het huis van joost. er is gras in de tuin. er is gras in de tuin om het huis van joost. er staat een boom op het gras. er staat een boom op het gras in de tuin om het huis van joost. er zijn vogels in de boom. er zijn vogels in de boom op het gras in de tuin om het huis van joost. pijl de poes kijkt naar de vogels. pijl de poes kijkt naar de vogels in de boom op het gras in de tuin om het huis van joost. *in de tuin* pijl de poes kijkt naar de vogels. maar de boom is hoog. hij kan er niet bij. en als pijl in de boom klimt? dan vliegen de vogels weg. pijl de poes ruikt aan de bloemen. er zijn veel bloemen in de tuin. bij het hek staat een roos. die roos is rood. *versje* ben je boos? pluk een roos. zet hem op je hoed. dan ben je gauw weer goed. kijk nou eens wat joost doet. hij zet een roos op zijn hoed! wat gek, wat mal, wat dwaas! een roos hoort in een vaas. *naar de markt* als je door het hek gaat, kom je op de weg. die weg gaat naar het dorp. oma gaat vaak naar het dorp. ze zet haar hoed op, haar hoed met sterren. ze pakt haar mand. zo gaat ze naar de markt. joost gaat mee. ze lopen op de weg. in het dorp is de markt. op de markt is het erg druk. er is veel te zien. en je kunt er veel kopen. *weer naar huis* dan gaan ze weer naar huis, oma en joost. joost draagt de mand. die is nu vol. pijl zit op het hek. hij is blij dat ze er weer zijn. ze gaan het huis in. oma maakt de mand leeg. en kijk, nu zit pijl er in. *op het dak* op een dag speelt joost in de tuin. waar is pijl de poes? pijl zit in de dakgoot. pijl! pijl! roept joost. maar pijl komt niet. hij likt zijn poot. joost denkt: als pijl op het dak kan, kan ik het ook. joost klimt op de ton. hij klimt langs de pijp. zo komt hij bij de dakgoot. hij gaat nog hoger dan pijl. tot boven op het dak. wat hoog is hij nu! hij kan ver zien. hij ziet het bos en de weg. *joost mag niet op het dak* oma komt de tuin in. joost! roept ze. joost! ze kijkt rond. waar is hij? ze roept nog eens. joost, waar zit je? hier oma! roept joost. op het dak. nu ziet oma hem. maar joost, zegt ze. straks val je nog! kom vlug omlaag! ik val heus niet, oma, zegt joost. ik zit hier fijn. maar oma zegt: kom van dat dak af! meteen! joost klimt omlaag. dat mag je nooit meer doen, zegt oma. waarom niet? vraagt joost. pijl zit ook op het dak. pijl klimt heel goed, zegt oma. pijl is een poes. jij bent geen poes, joost. jij mag niet op het dak. nooit meer! *in de boom* de boom is ook hoog, nog hoger dan het dak. joost klimt in de boom. de vogels zijn bang. ze vliegen weg. joost zit op een dikke tak. dat is nog niet hoog genoeg. hij klimt hoger, nog hoger. dan zit hij op een dunne tak. als oma dat eens zag! maar oma is er niet. ze is naar de markt. joost kijkt omlaag. hij kan heel ver zien. hij kijkt omhoog. daar ziet hij een nest. zal hij daar naar toe klimmen? *joost mag niet in de boom* daar komt oma aan, over de weg. ze heeft haar mand aan de arm. eerst ziet ze joost niet. maar pijl staat onder de boom. en hij zegt: miauw! en de vogels vliegen om het huis. oma kijkt naar de boom. joost! roept ze boos. maar ze is ook bang. ze zet haar mand neer. joost, zegt ze, kom de boom uit. ik hou me goed vast, zegt joost. die tak is veel te dun, zegt oma. straks breekt hij. kom hier, joost. joost klimt omlaag. de tak kraakt. de vogels zijn blij. ze vliegen gauw weer naar de boom. *joost zegt:* ik kan erg goed klimmen. ik zal heus niet vallen. ik mag het dak niet op. ik mag de boom niet in. waarom niet, oma? *oma zegt:* je kunt spelen in de tuin. je mag zitten op het hek, boven op het hek. waarom wil je nog hoger? *joost zegt:* dan kan ik veel zien. ik ben zo graag hoog, oma. ik wou dat ik een vogel was. dan zou ik in en boom wonen, en vliegen. *oma zegt:* vliegen? wil je weg vliegen van mij? dat mag je niet, joost. nu nog niet, pas later. *joost zegt:* later? mag ik later wl vliegen? wanneer dan? en hoe? hoe kun je vliegen? *oma zegt niets.* *joost vraagt:* wanneer mag ik vliegen, oma? *oma zegt:* als de maan blauw is, joost. kom mee, naar binnen. *spelletje* alle vogels vliegen. (dat is waar) alle bloemen vliegen. (dat is niet waar) alle vissen vliegen (dat is ...) alle vliegen vliegen (dat is ...) alle bomen vliegen. (dat is ...) *wanneer is de maan blauw?* joost mag pas vliegen als de maan blauw is. hoe kan dat nou? wanneer is de maan blauw? joost weet het niet. hij vraagt het aan oma: wanneer is de maan blauw? maar oma wil het niet zeggen. joost vraagt het aan pijl: wanneer is de maan blauw? blauw? miauw. miauw! zegt pijl. de maan is niet blauw, maar geel. net als mijn ogen. *de maan is niet blauw* nee, zegt de roos in de tuin. de maan is rood, net als ik. de maan is niet blauw, zeggen de bloemen. de maan is rood als de roos in de tuin. de maan is wit, zingen de vogels. de maan is geel, zegt pijl de poes. de maan is groen, zegt het gras, net als ik. de maan is geel, miauwt pijl, net als mijn ogen, geel als de zon. *joost droomt* voordat joost naar bed gaat, kijkt hij uit het raam. hij ziet de maan. nee, de maan is niet blauw. joost slaapt in en hij droomt. hij droomt van pijl de poes en de vogels. hij droomt van de bloemen en het gras. wat zeggen ze? wat zingen ze? een twee drie! rood wit blauw. een twee drie! blauw! een twee drie! nooit nooit nooit is de maan blauw! *op een nacht* op een nacht kan joost niet slapen. hij hoort iets! het is donker. het raam staat open. joost hoort iets, buiten. is het de wind? is het een vogel? joost kruipt onder dekens. waar is oma? oma slaapt. maar pijl de poes slaapt niet. hij springt op het bed. joost gaat zitten. nu is hij niet bang meer. hij gaat zijn bed uit. hij kijkt uit het raam. hij ziet de maan. en de maan is blauw. *de maan is blauw* joost kijkt naar buiten. er vliegt een vogel langs de maan. er vliegt een grote vogel langs de maan. de blauwe maan. de maan is blauw! zegt joost. kan ik nu vliegen, pijl? blauw, mauw, zegt pijl de poes. je kunt niet vliegen, joost. je hebt geen vleugels. oma komt de kamer in. wat is er, joost? vraagt ze. waarom lig je niet in bed? oma, de maan! zegt joost. kijk naar de maan. maar de maan is weg. er is een wolk voor, een dikke wolk. nu is het heel donker buiten. oma zegt: gauw in bed, joost. je moet nou heus gaan slapen. ze dekt joost toe. slaap lekker. *het ei* het is morgen. de vogels zingen: de zon is geel. de maan is blauw. het gras is groen en nat van dauw. wat ligt daar op het gras? midden in de tuin? joost rent er naar toe. het is een ei, een heel groot ei. een groot blauw ei. oma, kom eens! roept joost. er ligt een ei in de tuin. en het is niet eens pasen. joost raapt het ei op. pas op, zegt oma, breek het niet. het is een mooi ei. hier, doe het maar in mijn mand. pijl de poes kijkt boos. in die mand ligt hij zo graag. nu kan dat niet meer. *tik! tik! tikke tikke tik!* tik! tik! tikke tikke tik! wie doet dat? het komt uit de mand. pijl zit er bij. weg pijl! roept joost. kom niet aan mijn ei. pas op dat het niet breekt. tikke tikke tik! er tikt iets in het ei! krak! zegt het ei! het ei barst en het breekt. er kruipt een vogel uit. een vreemde vogel. een mooie vogel, zegt joost blij. nee pijl, weg poes, jij niet er bij. deze vogel is van mij. een rare vogel, dat denkt pijl, die vogel uit het blauwe ei. een rare vogel! zijn kop is veel te groot. zijn vleugels zijn veel te klein. en hij is kaal. joost geeft hem brood. de vogel heeft een grote bek. hij eet veel. *de vogel groeit* oma heeft een kooi. de vogel kan er net in. ze hangt de kooi aan een haak. zo kan pijl er niet bij. joost voert de vogel elke dag. de vogel eet en eet en eet. miauw! zegt pijl. je vergeet mij toch niet? nee hoor, zegt joost. hier is je melk, pijl. de vogel groeit. zijn vleugels worden groter. en hij is niet meer kaal. hij is nu vol dons, geel dons, net als een kuiken. een lieve vogel, zegt joost. maar hij is te groot voor de kooi. zijn bek steekt er uit. en zijn staart ook. een lieve vogel? een rre vogel, denkt pijl. en ik ben een lieve poes. jij bent een lieve poes, zegt joost. als je maar niet aan de kooi komt. *de vogel groeit nog meer* oma zet haar hoed op, haar hoed met sterren. kom joost, we gaan naar het dorp. we gaan samen naar de markt. daar kopen we een grote kooi. de vogel groeit. hij is heel mooi. zijn veren worden rood en geel, rood als de roos en geel als de zon. zijn vleugels worden groot. zijn staart is lang en hangt uit de kooi. deze kooi is ook te klein, zegt joost. wat groeit die vogel. hoe groot zal hij wel worden! die vogel eet te veel, denkt pijl. hij is net zo groot als ik. dat is toch te gek, een vogel die net zo groot is als een poes. *weer een nieuwe kooi* joost gaat weer naar het dorp. hij gaat met oma naar de markt. ze moeten weer een kooi kopen. een grote kooi, zegt joost. voor mijn vogel. de koopman laat hem een kooi zien. die is te klein, zegt joost. deze kooi dan? vraagt de koopman. nee, zegt joost. hij wijst. die kooi wil ik hebben. de koopman kijkt naar oma. dat is de grootste kooi die ik heb! oma lacht en zegt: die is net goed voor ons. nou, nou, zegt de koopman. moet daar n vogel in? dat moet wel een reus van een vogel zijn. *een reus van een vogel* de vogel slaat met zijn vleugels. hij slaat tegen de tralies van de kooi. deze kooi is ook weer te klein. de tralies breken. de vogel is te groot voor elke kooi. hij is rood als een roos en geel als de zon. pijl is bang voor de vogel. dat beest is veel te groot, denkt hij. hij is net zo groot als joost. en hij groeit maar door. straks barst hij nog uit het huis. de vogel zit in de kamer. hij is geel als de zon en rood als een roos. *de vogel huilt* de vogel zit voor het raam. hij kijkt naar buiten. hij kijkt naar de vogels in de boom. hij kijkt naar de vogels in de lucht. hij kijkt met grote ogen. en in elk oog komt een traan. waarom huil je, mijn vogel? vraagt joost. wil je brood? wil je water? maar de vogel zegt niets. hij kijkt uit het raam. hij kijkt naar de zon en naar de blauwe lucht. de vogel wil naar buiten, zegt oma. maar als hij buiten komt, vliegt hij weg! dan vliegt hij vast weg, zegt joost. de kamer is toch groot genoeg. een vogel wil vliegen, zegt oma. een vogel wil vrij zijn. joost denkt na. het is heel naar, als je niet naar buiten mag. dat weet hij best. *de vogel vliegt weg* joost kijkt naar de vogel. ga maar, zegt hij. hij doet het raam open. de vogel kan er haast niet door. joost helpt hem, en dan klimt hij er zelf ook uit. de vogel loopt over het gras. hij klapt met zijn vleugels. hij strekt zijn hals. hij klapt nog eens met zijn vleugels. hij gaat omhoog, hij vliegt weg. hij vliegt weg door de lucht. hij vliegt omhoog naar de zon. joost kijkt hem na. hij kijkt tot hij de vogel niet meer ziet. *joost en pijl* de vogel is weg. joost huilt. pijl komt naar hem toe. huil niet, zegt hij, ik ben er nog. joost droogt zijn ogen af. hij aait de poes en zegt: ja pijl. jij zult nooit weg vliegen. maar een vogel heeft vleugels. een vogel wil vrij zijn. dan spelen ze samen in de tuin. oma kijkt naar ze, door het raam. ze lacht. miauw, wat nou? zegt pijl. ik hoor iets. wie fluit daar? het is de vogel! roept joost. *de vogel komt terug* ja, de vogel komt terug. hij daalt neer op het gras. wat is hij toch groot, denkt pijl. en hij loopt hard weg, het huis in. de vogel kijkt joost aan. voor het eerst praat hij. hij zegt: dat was fijn. mijn vleugels zijn goed. ja? zegt joost. ik wou dat ik kon vliegen. dat kan best, zegt de vogel. klim maar op mijn rug. oma komt de tuin in. ze zegt: ik ben blij dat je er weer bent, vogel. o oma, zegt joost, ik mag vliegen! met de vogel. op zijn rug. toe oma, mag het? het kan heus geen kwaad, zegt de vogel. u hoeft niet bang te zijn. goed dan, zegt oma, maar niet te lang. klim maar op zijn rug, joost. joost doet wat ze zegt. zit je goed? vraagt de vogel. nou en of, zegt joost. hou je vast, zegt de vogel. dan ga ik omhoog. *joost vliegt!* nu vliegt joost. hij kijkt naar zijn huis. wat klein lijkt het nu. hij wuift naar oma, in de tuin. hoera! roept hij. tot straks! hou je goed vast, zegt de vogel. ze gaan nog hoger. ze vliegen over de weg en over het dorp. ga ik niet te vlug? vraagt de vogel. o nee, zegt joost. hij is niet bang. het is fijn, hoog in de lucht. hij voelt de wind, hij voelt de zon. nooit was hij zo blij als nu. nu vliegt hij, met de vogel. die mooie vogel, geel en rood. *versje* o, als ik vliegen kon, dan vloog ik naar de zon. en als de zon zou onder gaan, dan zou ik niet naar huis toe gaan, want dan zie ik de sterren staan, de sterren en de blauwe maan. o, als ik vliegen kon! *even rusten* ze vliegen een heel eind, de vogel en joost. nu moet ik even rusten, zegt de vogel. hij strijkt neer op een tak, een dikke tak van een heel grote boom. daar zitten ze een poosje. ziezo, zegt de vogel. nu gaan we naar huis. nu al? roept joost. ja, zegt de vogel, het is al laat. ik wil niet vliegen in het donker. en jij moet op tijd naar bed. h nee, zegt joost. ik wil verder, vogel. kun je niet naar de maan vliegen? als je naar de maan wilt, moet je maar gaan lopen, zegt de vogel. en dat zal je oma vast niet goed vinden. kom, we gaan terug. naar huis. naar je oma en pijl de poes. *wanneer komen ze terug?* oma staat voor het huis. ze kijkt naar de lucht. ze wacht op joost. pijl staat naast haar. nou, nou, miauwt hij. dat is ook wat. nou is joost gaan vliegen met die vogel. hij liever dan ik. ik vind het maar niks. ze komen nu vast gauw terug, zegt oma. zie jij ze al, pijl? ik zie ze niet vliegen, zegt pijl. nee, ik niet. hoe laat is het? het is tijd om te gaan eten. ik wacht nog even, zegt oma. tot joost en de vogel terug zijn. hoe lang duurt dat nog? bromt pijl. komt hij wel terug, die rare vogel? dat moet je niet zeggen, pijl, zegt oma. het is een lieve vogel. ze kijkt weer naar de lucht. komen ze nog niet? *weer thuis* oma wuift. daar komt de vogel aan, met joost op zijn rug. hij daalt neer in de tuin. joost klimt van zijn rug. hij rent naar oma toe en roept: hier zijn we weer! hier zijn ze weer, miauwt pijl. nou gaan we eten. ja, zegt oma blij. kom mee, naar binnen. jij ook, vogel. jij hoort er ook bij. ik wil graag bij u blijven, zegt de vogel. maar ik ben te groot om binnen te zitten. dan breng ik je buiten eten, zegt oma. en je kunt slapen onder de boom. of op het dak, zegt pijl. daar zit je best. en je bent een lieve vogel. joost lacht. hij aait pijl en hij aait de vogel. dan gaat hij met oma het huis in. pijl gaat ook mee naar binnen. de vogel strijkt zijn veren glad. na een poosje brengt oma hem zijn eten. de vogel eet alles op. hij kijkt naar het huis. daar zijn de lampen aan. het wordt donker. de vogel vliegt op. hij gaat zitten op het dak. boven op het dak van het huis van joost. *naar bed* joost zit op zijn bed. hij praat met pijl. hoor eens pijl, zegt hij. weet je nog wat oma zei? als de maan blauw is, kun je vliegen. jij zei dat ik niet vliegen kon. maar dat is niet waar. eerst werd de maan blauw. en toen lag het ei in de tuin. uit het ei kwam de vogel. en ik kan vliegen op zijn rug. miauw, zegt pijl, dat is zo. jij kunt vliegen, joost. maar nu moet je gaan slapen, zegt oma. onder de dekens, joost. het is nacht. in het huis is het heel stil. joost slaapt, oma slaapt, pijl slaapt. op het dak zit de vogel, met zijn kop in veren. hij slaapt ook. wanneer zou de maan wr blauw zijn?