*FLORA MAGICA* DE PLANT IN DE TOOVERWERELD DOOR IS.~ TEIRLINCK MCMXXX `DE SIKKEL', KRUISHOFSTRAAT 223, ANTWERPEN *EEN WOORD VOORAF* Deze _Flora magica_ hangt innig samen met mijn vorig plant- loristisch werk _Flora diabolica,_ in 1924 (te Antwerpen bij `De Sikkel') verschenen. Tooveraars en Tooveressen en Waarzeggers behooren immers tot een zelfde domein en staan onder de heer- schappij van den Duivel. _Flora magica_ vormt het _4"e" deel_ van mijn plantloristische Studin: het _1"e" deel_^^ is, zooals men weet: _De Plant -- een levend, bezield, handelend Wezen;_ het _2"e" deel: Planten- kultus;_ het _3"e" deel: Flora diabolica._ Ik schik het hier gebezigde materiaal als volgt: A. _MAGISCHE PLANTEN:_ I. _Heksenwoonsten; Heksenvergaderingen._ II. _Heksenvoedsel; Heksenhuisraad en -gerief._ III. _Echte Heksenplanten._ IV. _Planten met bekende Heksen of Toovenaars in verband._ V. _Speciale schadelijke Heksenwerken in verband met de Plantlore._ VI. _Andere meestal onschadelijke Heksenwerken in verband met de Plantlore._ VII. _Heksenschepsels._ VIII. _Botanomancie._ B. _ANTIMAGISCHE PLANTEN._ Deze _Flora magica_ vormt een _afzonderlijk geheel_ evenals de drie vorige deelen. Moge zij bij bevoegden en geleerden een gunstig onthaal genieten! IS.~ TEIRLINCK. Brussel, 1926. | | ^(1)^ In dit 1"e" deel geef ik mijn _Classificatie van de Plantlore._ | *A. MAGISCHE PLANTEN I. Heksenwoonsten; Heksenvergaderingen.* a. *Heksenwoonsten.* Heksen wonen of vergaderen zich (natuurlijk 's nachts) in, op, onder of bij sommige Planten. In 't volksgeloof wordt er vaak gesproken van Heksenwouden waarin zij met voorliefde vertoeven. _Grimm (K.~ u.~ H.~, n"r" 15) gewaagt van een Heksenwoud; daar woonde een Heks, die kinderen opat. In de Kaiserkronik (12"e" eeuw, cf.~ Hermann, D.M.~ 66) wordt een vrouw uitgescholden en haar toegeroepen: `Du soltest pillecher d ze holze varn, ^_(1)_^ Dann die megede hie bewarn; Du bist ain unholde.' Sommigen hebben het woord Heks(e) gebracht tot `hac "=" Wald, Hain', mnl.~ haghe, ahd.~ hagzissa, hagazussa, hagsus; ags.~ hagtesse, mnl.~ haghetisse `En- de sijn duvele, haghetissen (var.~ haghetessen) ende varende vrouwen' leest men in Natuerkunde van 't Heelal, 716, mnl.~ hexe, dat volgens Herrmann is `Hage Dise "=" Waldweib, oder bei dem zweiten Teile... altengl.~ tesu, Schade, Frevel, tesvian verderben "=" Waldfrevlerin, Feldschade'. Doch die etymologie is onzeker, evenals al de andere die werden voorgesteld. Vgl.~ Herrmann, l.~ c.~; Franck-van Wijk i.v.~ heks; Vercoullie; Mnl.~ Wdb.~ i.v.~ haghetisse, hexe; Simrock (Edda): `Hage-Idisse'; Kleinpaul, Fremdw.~, p.~ 99: `Hexe, eins mit dem Namen der alten Hexenmeisterin Hekate'. De Noorsche Volva is een Woudheks: zij verschijnt aan Hedin en rijdt op een Wolf, dien zij met slangen als toomen bedwingt (Soens-Jacobs, Handb.~ Germ.~ Godenleer, 186)._ Zij wonen bij voorkeur in oude Boomen en Tronken. Als deze, door storm bewogen, kraken, dan zijn het Heksen die wee- nen, zegt men in Lombardi (Gub.~ I, 111). In zulke oude Boomen verschuilen zij zich tusschen Hout en Schors (Perger, 5). Ook bepaalde Boomen worden door Tooveressen bewoond en gezocht. _Wilg. ^(2)^ Men kent het mooie Vlaamsche sprookje van de Tooveres, die in een Wilgetronk langs den weg woont en er altijd zingt: `Zondag-Maandag, | | ^(1)^ D.i.~ gij zoudt beter ten woude varen, dan hier de maagden te bewaren, | gij zijt een `unholde' (nl.~ een heks: z.~ dit w.~ b.v.~ bij Weigand). | | | ^(2)^ Salix-soorten, vooral de hoogstammige S.~ alba L.~, die men dikwijls langs | beken en weiden tot Knotwilgen verminkt. | Zondag-Maandag!'. Een bultenaar die voorbijgaat, zingt het na, doch verlengt het deuntje: `Zondag-Maandag-Dijsendag, Zondag-Maandag-Dijsendag!' De Tooveres vindt haar liedje aldus schooner en, tot belooning, neemt ze de bult van den voorbijganger weg en legt ze naast haar in den Wilg. In 't naar-huis- keeren komt de nu flinkgeworden bultenaar een anderen tegen en verhaalt hem 't wondere geval. De tweede gaat ook naar den Wilgetronk, waar de Tooveres nu zonder ophouden zingt: `Zondag-maandag-dijsendag!' De bultenaar ver- lengt het deuntje: `Zondag-maandag-dijsendag-goensdag!' Doch de Tooveres vindt dat haar liedje te lang en leelijker geworden is en, tot straf, hecht ze de bult van den eerste vr de borst van den tweede, die nu twee bulten moet dragen! (Aldus te Zegelsem, Oost-Vl.~; cf.~ Is.~ Teirlinck, Folkl.~ flam.~ I, 115-116). -- Ook in Duitschland beweert het volk dat in oude Wilgen Heksen wonen. (Rel.~ u.~ Bohnh 360). -- In Bohemen (Bidschouwerkreise) was een huisgezin, waarvan de moeder -- ongetwijfeld eene Heks -- iederen nacht haar lichaam verliet en in eenen Wilg naast de beek ging spoken. Toen de man dat heksenspel gewaar werd, velde hij den Wilg en zijne vrouw stierf op dat zelfde oogenblik als ware zij door eene zicht doorgesneden. (Mannh.~ Bk.~ 69). Linde. ^_(1)_^ "*" Te Vosselare-bij-Nevele (Oost-Vl.~) stond een overoude Linde; uit den dikken stam ontschoot een jongere Linde onder dewelke 's nachts een oude vrouw -- een Heks! -- spon en door alle soorten van zonderling gedierte was omringd. (Wolff, D.~ S.~ n"r" 61; Perger 289). Olm. ^_(2)_^ De Bergolm heet hier en daar in Duitschland Heksenolm (`Hexen-Ulme'; Salomon-Voss). Den. ^_(3)_^ Op een grooten Denneboom bij Gmnd (Duitschl.~) zat de Heks Dull en wou bagel over de streek schudden; doch klokkengelui verhinderde dat Heksenwerk (Panzer, I, 20; Perger, 341). Vlier. ^_(4)_^ Twee Heksen zochten een Vlier op; zij begroeven er muizen en vliegen -- voortgeteeld door hun vleezige gemeenschap met den duivel. (Bekker, IV, 222). Marentak. ^_(5)_^ Heksen brengen deze half-schuimplant voort en bewonen ze: in de omstreek van Belfort (Fr.~) noemt men baar daarom Heksennest. (`Ni d'jenatche'; Roll.~ VI, 233). In Oostenrijk heet men Heksennest de door Zwammen voortgebrachte veeltwijgige, bezemvormige uitwassen op Berk^_(6)_^ en Den^_(7)_^: een Heks woont in zulke nesten en zij broedt er stormen. (Knortz, 8)._ b. *Heksen worden Planten.* Niet alleen zoeken Heksen zekere Planten tot hun woonst of | | ^(1)^ Tilia-soorten. | | | ^(2)^ Ulmus montana With. | | | ^(3)^ Abies pectinata D C. | | | ^(4)^ Sambucus nigra L. | | | ^(5)^ Viscum album L. | | | ^(6)^ De Zwam heet Exoascus betulae Fuckel. | | | ^(7)^ De Zwam heet Aecidium elatinum Alb.~ et Schw. | werkplaats; maar zij (evenals sommige Toovenaars) vervormen zich wel eens in Gewassen en vereenzelvigen er zich mee. _Een Toovenaar, terzelfdertijd wildstrooper, uit Aargau, is op strooptocht en ziet den boschwachter afkomen; hij verandert zich in een nederliggenden Boomstam; de boschwachter zet zich op dezen Boom, reinigt zijn tabakspijp met zijn mes (of pijpenpriem) en steekt daarna dit in den stam, waar hij het, als uit vergetelheid, laat steken; daarna neemt de wilddief zijn gedaante terug en lijdt groote smart, veroorzaakt door het mes (of den priem) dat hem diep in den kop blijft steken. (Rocholz, Aargaus.~ II, 147; Mannh.~ Bk.~, 67). Toovenaars worden Vlierboomen. ^_(1)_^ (Teirl.~ Plantl.~ 87). -- Te Labruguire (dp.~ Tarn, Fr.~) beschouwt men de lage Vlier^_(2)_^, als een Toovenaar: wanneer de boeren een beest hebben dat door de wormziekte wordt aangetast, gaan zij bij een Hadikstruik, wringen een handvol Bladeren van de Plant tusschen hunne handen, maken een groote buiging en zeggen: `adouisis, monsu l'aoussi, si n trass pas tous bers de moun brbnier, vous coupi la gambo, may lou py', d.~ i.~: `goeden dag, mijnheer de Hadik, indien gij niet neemt al de wormen uit mijn wormenier, snijd ik uw been en uwen voet af'. (Roll.~ IV, 290) Evenals de Vlier denkt men de Jeneverboom een bezield, menschgelijkend wezen te zijn: vor een `Kranabetboom' (naam van Jeneverboom) moet men den hoed afnemen, doch voor een `Hollerboschen' (Vlierstruik) moet men knielen, zegt men in Zwitserland en in Stiermarken. (Marzell, 19). De Alpische Grasanjelier^_(3)_^ heet in de Dolomieten Heks van den Schlern, `Schlernhexe', omdat men ze veel vindt op dezen prachtigen, veelbezochten uitzichtsberg. (Pritzel u.~ Jess.~). De Veld- Kruisdistel^_(4)_^ heeft, bij Salomon-Voss, den naam van `Steppen- hexe': naar Russisch `Burian' "=" Steppenheks, omdat de stekelige Plant uit het steppenzand wordt losgerukt door den wind en met hem heksachtig rondwalst. (Leunis, p.~ 247). In Indi heet een Mostaardsoort (Sinapis racemosa) asuri (of suri) Heks of Duivelin. (Gub.~ I, 108)._ c. *Heksen-lichaamsdeelen uit Hout.* In Tirol is er een verbreide sage die beweert dat de Heksen- ribben van Elzen- ^(5)^ of Hazelhout^(6)^ zijn. _Een jongen zit op eenen Boom, ontwaart een hoop Heksen die eene van baar welke in 't midden staat, aan stukken rijten en, spelend, de brokken in de hoogte werpen; de jongen gelukt er in eene rib te vangen en houdt ze bij | | ^(1)^ Sambucus nigra L. | | | ^(2)^ Sambucus ebulus L. | | | ^(3)^ Armerla alpina Willd. | | | ^(4)^ Eryngium campestre L. | | | ^(5)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(6)^ Corylus avellana L. | zich. Vor de Heksen vertrekken, zoeken zij de stukken op en steken ermee het stukgereten lichaam opnieuw samen: doch zij vinden de door den jongen opge- vangen rib niet, kiezen er eene van Elzenhout en maken daarna de doode weer levendig. (Zs.~ f.~ d.~ Myth.~ II, 178, 20; Zingerle, Sagen 337, 586; Mannh.~ Bk.~ 116) Mannhardt vergelijkt met den ivoren schouder van den Griekschen Pelops. Een variante, ook uit Tirol, is bekend: Een knecht bespiedt een in 't zelfde huis dienende meid gedurende den 1"e" Meinacht; ziet dat zij met zekere zalf een kachelgaffel (Ofengabel) besmeert; hoort dat zij zegt: `Overal boven en nergens aan!' en langs den schoorsteen wegvliegt. Na haar vertrek wil de knecht haar nadoen: hij bestrijkt met de rest van de zalf een aan zulke gaffel gelijkend voorwerp, spreekt evenwel de woorden verkeerd uit: `Overal aan en nergens boven!', zoodat hij onderweg tegen alles stoot en botst. Met gaten in den kop komt hij eindelijk op het Heksendans-plein aan, ziet dat de meid er door Too- veressen geslacht wordt, gebraden en gegeten. Men werpt hem eene rib toe, doch hij eet ze niet op, steekt ze in zijnen zak. De Heksen maken zich tot het vertrek gereed; de nog overige beenderen worden vergaderd en weder levendig; doch men ondervindt dat ene rib ontbreekt en men vervaardigt er eene uit Hazelhout. Eenigen tijd later vertelt de knecht aan de meid het gebeurde: zij valt dood op den grond. (I.~ A.~ Heyl, Volkssagen, Gebruche und Meinungen aus Tyrol. Brixen, 1897). "*" Vlaamsche varianten dezer sage zijn ook bekend; doch zonder de toevoe- ging van het maken eener rib uit Hout._ d. *Heksenvergaderingen.* 1. Planten waarin, waaronder, waarbij of waarop de Heksen zich vergaderen. Heksen komen samen in of bij niet bepaalde Boomen. _"*" De Sint-Annaboom van de rune van Samson. Andr Van Hasselt (Emancipation, 1836, n"r" 263) zegt dat bij de rune van Samson, op het toppunt van de rots tegenover Namche en naast de Maas (prov.~ Namen), een oude Boom stond, nl.~ de Sint-Annaboom. Op St.~ Jansnacht, op Goeden-Vrijdagnacht en in de Heilige Nachten kwamen er de Heksen te zamen en zongen en dansten errond. (Wolff, N.~ S n"r" 419). "*" Heksen vergaderen in een Woud bij Hesdin en bedriegen er een voorbij- komenden vioolspeler (Berthoud, Chr.~ et Tr.~ de la Fl.~, 159; Wolff, N.~ S.~ n"r" 189) ; naar een Zuid-Oostvlaandersche sage gebeurt het in een Woud tusschen Opbrakel en Nederbrakel (Wolff, n"r" 383); te Wezemaal (Brab.~) gebeurde 't in 't Larenbosch (DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ I, 15)._ Heksen verzamelen zich op Grasweiden en dansen er. _Z.~ beneden g.~ Heksenringen._ Er zijn ook wel bepaalde Boomen, in wier kruin zij hun nach- telijk Heksenspel spelen. Ik noem: den Eik, de Linde, den Beuk, den Populier, den Els, den Pereboom, den Notelaar, den Doorn, den Hazelaar, de Vlier en den uitlandschen Judasboom. _Eik. ^_(1)_^ In Bovenfranken (Duitschl.~) wiegelden en schommelden, gedurende den Walpurgisnacht, de Heksen op eenen Eik. Op zekere plaats wou men eens zulken Hekseneik vellen; doch zijn hout bleek zoo hard te zijn dat al de gebruikte werktuigen stomp werden; eindelijk gelukte het aan eenen smid het ijzer van eene bijl zoo hard te temperen dat de Eik ermee kon gehouwen worden; doch de Boom scheen steeds te willen vallen naar den kant waar de eigenaar die 't vellen bevolen had, stond; bij het avondluiden boorde men een zoo schrikkelijk onderaardsch gedruisch dat de bezitter van den Eik, vol angst en schrik, wegliep en daarop erg ziek werd; eerst na verloop van zeven dagen wierp een hevige storm den Eik ten gronde. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ 8-9; Perger, 295). "*" Een parallelische bijna identische sage vertelde men mij toen ik kind was, in het Zuiden van Oost-Vl.~ (te Zegelsem). Z.~ Teirl.~ Plantl 12-13: de Toove- resseneik van den Roschbosch. Ook in Engeland zegt men dat de Heksen zich onder eenen Eik vergaderen. (This.~, 57). `Jarnwidr' is een Eikenwoud, beweert Perger (264), en de `Jarnwidiur' of Noorsche Toovervrouwen, waarvan Gylfaginning, 12, spreekt bewonen dat Eikenwoud. Naar Simrock, Edda, 284, is dt verkeerd: `Yarnwidr' is eigenlijk een IJzerwoud. Linde. ^_(2)_^ "*" De Lindeboom van Hanurit: de Tooveres Clara Goessen, geboortig van Straatsburg heeft met den duivel Roelandt geboeleerd onder eene Linde te Hanurit (Cannaert, 243-4; De Cock en Teirl.~, Br.~ S.~ I.~ 11); doch waar eigenlijk die plaats Hanurit te zoeken is, weet ik niet: misschien is 't een inge- beelde naam. "*" De Dikke Linde te Bussegem (gehucht van Vllerzele, Oost-Vl.~): Te Bussegem staat een oude vermaarde Linde, de Dikke Linde genaamd; Heksen en Spoken houden hier hunne nachtelijke vergaderingen; gaat men er zeven keeren rond, al zeggende: `hedde mij niet, pakt mij!' dan verschijnt er een veulen. Een werkman ging op eenen Zomernacht in de nabijheid van de Dikke Linde zijn Koren pikken; eensklaps rolde er vor hem een veulen. (Pennoen, 1880, 79; Volksk.~ IV, 15). "*" De Heksenlinde te Loveren (gehucht van Westerhoven, Nd-Brab.~): In het midden van Loveren stond, nog in 't begin der 19"e" eeuw, een oude, groote en breedgekruinde Linde; iederen avond en nacht kwamen er een menigte katten: 't waren zonder twijfel Heksen, die er raasden en speelden en dansten. (Panken, N.~ Br.~ S.~; VL, V, 17). | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Tilia grandfolia Ehrh.~ en T.~ parvifolia Ehrh. | "*" De Linde van Auwegem (bij Dendermonde): er kwamen 's nachts katten (Heksen) die er muziek maakten. (Perger, 289). Ook in Engeland (This.~ 57) vereenigen zich de Heksen onder Lindeboomen. Beuk. ^_(1)_^ "*" De Tieltjesjacht in 't Beukenwoud bij Diest (Brab.~). In dit woud, zoo vertelde men, stond een kasteel met drie torens; de torentoppen zag men boven de Beuken uitsteken, doch niemand was bij dit kasteel geraakt en had het van dichtbij gezien. Iederen nacht, na klokslag twaalf, hoorde men boven het Bosch als 't gedruisch van een sterken vloed; dat duurde 3-4 minuten; daarna verward geroep; dan, boven het kasteel, getier en gezang, eindelijk allerschoonste muziek. Dat spel duurde tot en uur. Op een nacht besloten twintig sterke mannen naar dat tooverkasteel te trekken. Ze bleven verscheiden dagen weg. Na zes dagen gegaan te hebben, kwamen ze op den koer van 't kasteel: overal lagen er doodsbeenderen van menschen en peerden. Toen 't middernacht werd, steeg boven hunne hoofden een helsch lawijt; 't verdween in een van de zalen van het kasteel. De mannen slopen binnen: honderden schoone meisjes en vrouwen, allerkostelijkst gekleed, zongen er en dansten hen tegen. Een van de mannen werd bang en sprak: `Heere Jezus, sta ons bij!' En nauw was dat gezegd, of ze stonden in een smallen gang, omringd van leelijke oude wijven, alle met een bessemstok: ze vervloekten de mannen en vlogen weg. De Heksen bleven verjaagd uit het Beukenwoud, want eens dat zij in hunnen dans verhinderd worden, mogen ze geen vergaderingen gedurende zeven maal zeven jaar bijwonen. De menschen van Diest en omstreken, heeten die Heksenvergaderingen: de Tieltjesjacht of ook soms den Heksendans. (Hage- lander, I, 102, II, 11, DC en Teirl.~ Br.~ S.~ I.~ 17-18). Populier. ^_(2)_^ "*" De Kanadaboom te Denderleeuw: 't Is lang geleden, vor de deur van 't huis van Koster De Proost stond een hooge Kanadaboom; iederen nacht hoorde men erin wonderbaar schoone muziek. Op den duur verveelde dat den Koster, op eenen nacht opende hij zijn kamervenster en schoot, met zijn geweer In de takken van den Tooverpopulier; maar de muziek duurde voort, luider dan eerst. 's Anderendaags gaf de pastoor hem den raad het geweer met gewijd zout te laden; de koster deed het en schoot opnieuw in de takken den volgenden nacht; schielijk hield de muziek op en een gouden keten viel op den grond. De koster raapte ze op en ging er mee den dag daarna naar Aalst bij eenen goudsmid. `Vriend, zegde de Aalstenaar verschrikt en zeer bleek, zeg mij toch waar gij die keten gehaald hebt?' De koster zei hem alles. De keten was die van de vrouw van den goudsmid: 't schot had haar in den hals getroffen en ze lag halfdood in haar bed! Aldus in de Dendervallei. (Volksk.~ I.~ 154; DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ 11-12). "*" De Populier te St Job (Ukkel, Brab.~). Te St.~ Job, langs den Beekkant, hoorde men, alle nachten op klokslag twaalf, schoone muziek in eenen grooten Populier: 't waren Tooveressen die op den Boom zongen, speelden en dansten. Een man had de stoutheid zijn venster open te doen en nieuwsgierig naar den | | ^(1)^ Fagus silvatica L. | | | ^(2)^ Populus canadensis Michaux. | Populler te kijken; in eens kreeg hij een felle kaaksmeet en de venster sloeg toe. (DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ I, 12-13). Z.~ Panken N.~ Br.~ S.~ n"r" 70. Els. ^_(1)_^ Men geloofde in Duitschland dat de Heksen zich bij deze spookachtigea Boom ophielden. (Prahn, 133). Pereboom. ^_(2)_^ Bij Pereboomen kwamen de Heksen bijeen. (This 57). Notelaar. ^_(3)_^ De Napolitaansche Tooveressen hielden hunne vergaderingen onder den grooten Notelaar van Benevent. (Grimm, D.~ M.~, This.~ 58); Bodin, De Magorum d"ae"monomania, Strasb.~ 1591, 104 vvgg.~, Pipernus, P.~, De Nuce Maga Beneventana, in: De magicia affectibus, Neapel 1634; Bolte, J.~, Der Nuszbaum von Bennent in: Zeitschr.~ Ver.~ f.~ Volksk.~ 19 (1909), 312-314; Leland, Etruscan Roman Remains, 1892, 152; Gubern.~ Myth.~ des Pl.~ II (1889), 290 v.~, Pitr, Usi e Costumi, III, 1889, 290 v.~; enz. -- Te Bologna (Ital.~) beschouwt men den Notelaaar als een Heks(enboom): de Heksen komen er, op St.~ Jansnacht, en doen er hun boos en dierlijk Heksenwerk. (This.~ 58, Gubern.~ II, 248; Rehl.~ u.~ Bohnh.~ 221). Doorn. ^_(4)_^ "*" De Doornstruik in De Vondelen (wijk van Denderhoutem (Brab.~): De Heksen verzamelen zich in Doornstruiken na deze eerst in een schoone herberg of in een prachtig kasteel veranderd te hebben. Een man, Brewie geheeten, keert, op eenen nacht, van Aalst terug naar Denderhouthem. In de wijk De Vondelen ziet hij een schoone dreef en op het einde een schoone herberg. Dreef noch herberg waren daar vroeger te zien. Brewie is niet vervro- zen, trekt de herberg binnen, vraagt nen borrel en zet zich op eenen stoel. Nu hoort hij wondere muziek en in eene zaal bemerkt hij heeren en juffrouwen die aardig dansen. Na eenigen tijd toegezien te hebben, roept Brewie verwonderd uit: `Jezus-Maria, w kunde gijlie schoon spelen en dansen!' In eens wordt alles doodstil: en geene herberg, geene dansers en spelers, geene dreef, niets meer! Brewie zit in eenen Doornstruik en zijn jeneverglaasje is een Braamblad! (DC.~ en Teirl.~, Br.~ S.~ I, 18-19). "*" De wondere Doornstruik van 't Liedekerkebosch. Jefken de Speelman, een vioolkrabber van Ternath, keert laat in den nacht huiswaarts van Gooik-ker- mis. In 't Liedekerkebosch gekomen, ziet hij de dreef van een prachtig verlicht kas- teel; hij gaat er binnen en bemerkt er veel heeren en juffrouwen. Ze zetten eenen stoel op een tafel en Jefken er op; hij begint te spelen; heeren en juffrouwen dansen en, na iederen dans, krijgt Jefken een zeker getal goudstukken, zoodat welhaast al zijn zakken vol zijn. In de verte slaat het middernacht en op den- zelfden moment is heel de Santenboetiek -- kasteel en dreef, heeren en juffrou- wen -- weg naar den duivel. En Jefken zit alleen op eenen Doornstruik met zijn zakken vol droge Elzenblaren. Aldus te Wambeek (Brab.~), Volksk.~ I, 75-76; DC.~ en Teirl.~, Br.~ S.~ I, 24. | | ^(1)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(2)^ Pirus communis L. | | | ^(3)^ Juglans regia L. | | | ^(4)^ Crataegus oxyacantha L.~ en C.~ monogyna Jacq. | Hazelaar. ^_(5)_^ Met de twee vorige Heksensagen hangt de volgende samen: "*" De Man op den Hazelstruik. Eene halve mijl van Verrebroek ligt Vrasene (Land v.~ Waas). Op eenen avond komt een man uit Vrasene en wil naar huis gaan; hij verdwaalt, loopt zeer lang om en om; daar ontwaart hij eensklaps een herberg en trekt binnen. Een groot gezelschap maakt er plezier bij spel en wijn. Men biedt den omdolende een beker sampanje; hij neemt dezen aan en dankt: `God zegene u!' Daar is plots alles verdwenen en de man zit alleen, met den beker in zijne hand, te midden van eenen Hazelstruik. Deze beker heeft men lange jaren te Verrebroek bewaard en veel menschen herinnerden zich hem nog gezien te hebben. (Wolff.~ N.~ S.~ n"r" 382). Vlier. ^_(2)_^ Te Vorst (bij Brussel) was een Tooveres, bijgenaamd Moeier Noulde (eig.~ Moeder Naalde). Den nacht dat ze stierf, kwamen al de katten (de Heksen nl.~) van de omstreek op den Vlierboom die vor haar huizeken stond, en ze mauwden dat het schrikkelijk was om hooren. (DC.~ en Teirl.~, Br.~ S.~ I.~ 29). Heksen loeren vaak uit de twijgen van den Vlier; men mag bij zulken Boom niet komen na zonsondergang. (This.~ 58; Thorpe, Northern Myth.~ III, 267). Judasboom. ^_(3)_^ Judas verhing er zich aan en sedertdien vergaderen er zich Heksen in. (This.~ 57). Netel. ^_(4)_^ De Heksen komen bijeen op kruiswegen, waar Netels groeien, vooral op St.~ Michielsdag (29 Sept.~). Aldus te Neudrfel In Saksen. (John, Sitten u.~ Brauch im Schsischen Erzgebirge, 133)._ 2. Planten die Heksen ten Sabbat voeren. De Heksen zetten zich schrijlings op eenen Bessemstok en hollen dan door de lucht naar den Sabbat (of vergaderplaats). _Deze Bessem is van Berkenrijs ^_(5)_^, van Vlasdotter ^_(6)_^ of van gewone Brem. ^_(7)_^_ Soms is het een kachelvork (hgd.~ `Ofengabel') die er hen heenvoert. _Perger, 5._ Soms ook is het een gewone Stok met een speciale zalf over- streken. _"*" Uit de Vierschaarboeken van de Stad Antwerpen (Vrijdag 22 Aug.~ 1603), | | ^(1)^ Corylus avellana L. | | | ^(2)^ Sambucus nigra L. | | | ^(3)^ Cercis siliquastrum L. | | | ^(4)^ Urtica dioica L. | | | ^(5)^ Betula alba L. | | | ^(6)^ Camelina sativa L. | | | ^(7)^ Sarothammus scoparius L. | proces tegen de Heks Clara Goessen, geboortig van Straatsburg: `Item dat sy in diverssche nachtvergaderingen van den boosen vyandt, haer heeft laten vervueren, by middel van eenen Stock, die met salve was bestreken, die zekere vrouw genaempt Berbel tusschen haer ende der gevangene beenen hadde gesto- ken, ende eerst tot Hanurit ontrent eenen Lindeboom, gestaen ontrent een ure verre van der plaetse daer sy gevangene met chrysvolk ^_(1)_^ lach. Ende dat sy in de vergaderinghe den vyandt die in eenen stoel sat aen een tafel, onder eenen Lindeboom heeft geert, aldaer gedanst, ende metten voers.~ Roelandt ^_(2)_^ oyck gebouleert. Dat sy oyck met de voors.~ Berbel, by middel van den voors.~ Stock haer heeft laten vervueren tot by het gerechte gestaen ontrent Halle, wesende twee uren gaens van daer sy was liggende, hebbende sy aldaer den boosen vyandt, die in eenen stoel aen eene tafel was sittende, geert, met hem gheten ende gedanst, ende metten voors.~ Roelandt gebouleert. Heeft oock de gevangene, by middel van den voors.~ Stock, haer laeten vervueren in der nacht- vergaderinge van den voors.~ boosen vyandt tot Lembeke, wesende dry uren van daer sy lach, by middel als boven, alwaer sy hem oyck heeft geert, ge- danst, ende eenen bock die daer was, gecust ontrent synen steert, gelyck oyck deden alle d'andere die daer waren, welcken bock daer naer wert verbrant, ende een iegelyck van degene die daer waren, namp van de asschen, maer sy gevangene nyet om dat se daer ane nyet en conste geraken'. Zie het heele stuk, dat ijzen doet, bij Cannaert, 242-246._ Soms rijden de Heksen op een gebroken Stok (z.~ b.v.~ Jacobs, Celtic Fairy Tales, 12) ofwel is het een Stroobussel die Toovenaars naar de vergaderplaats vervoert. _"*" Peter van Wetteren (Oost-Vl.~) ging met den duivel om en had hem zijn ziel verkocht; hij ging er zoo gemeenzaam mee om dat hij op de geheime vergadering der hellegasten -- ergens in Egypte -- werd toegelaten, op ene voorwaarde: hij moest den mond toehouden zoolang de vergadering duurde. De verre reis deed hij zoo snel, dat, indien hij kwart vor twaalven 's nachts uit Wetteren (tusschen Gent en Dendermonde) vertrok, hij juist ten twaalven in Egypte aankwam. Op eenen avond zat hij met een Wetterschen vriend in een herberg, en het was laat geworden zonder dat beiden het bemerkten. In 't midden van een gesprek trok Peter zijn horloge en zag dat het reeds 10 minuten vor den twaalven was. `Neem het mij niet kwalijk, vriend, sprak hij, maar ik moet absoluut weg, 't is tijd!' `Bij uw wijf?' vroeg de vriend. `Neen, die ziet mij niet voor 't dag is'. `Waar gaat gij dan naartoe?' `Ik ga naar Egypte'. `Wat, naar Egypte?' `Ja, ja, en ik heb geen tijd te verliezen, vaarwel!' `Zoo niet, vriend, zei de andere, ik verlaat u niet, ik ga mee met u!' `Welnu, kom', antwoordde Peter. En ze gingen naar den naasten kruisweg. Daar lag | | ^(1)^ 't Gebeurde ten tijde van 't bekende beleg van Nieuwpoort (`Nyenpoorte | in Vlaenderen'). Clara was dus een soldatenmeid. | | | ^(2)^ Naam van den duivel. | een Stroobussel, en zij zetten er zich alle twee op, nadat Peter zijnen kameraad streng had opgelegd niet te spreken. `Over bosch, over berg en over dal!' riep Peter; en ze vlogen door de lucht en op den tijd van min dan een kwartier waren ze in Egypte. De verzameling was reeds aan den gang; en als alle bespreking gedaan was, kwam een kostelijke maaltijd, en Peter en zijn vriend hielden een fijne zielmis voor hun lege magen. Als nagerecht kwam op tafel een schotel die duivelsch slecht rook. De vriend proefde 'nen keer, spuwde het snel op den grond en riep met afschuw: `Peter, dat is zeker menschenvleesch!' In enen keer verdwenen zaal en gasten, en Peter lag thuis in zijn bed; maar zijn vriend bleef in Egypte. Den heelen dag liep Peter vol angst en schrik rond, want hij wist dat zijn gezel, in den komenden nacht, als overtreder der wet, zou gedood worden. 't En was nog maar half twaalf of hij liep naar den kruisweg en zette zich op den Stroobussel. En toen hij nog eenige uren van Egypte was, bemerkte hij reeds hoe alles voor de onthoofding gereed was en hoe een duivel het zwaard hief om het hoofd van zijnen vriend af te slaan. `Ju, ju!' riep hij zijnen Bussel toe en, met en vlucht, schoot deze met de Aren op den hals van den veroordeelde: het vallende zwaard had hierdoor zijne kracht verloren. De geredde sprong bij Peter op zijnen Stroobussel en zij vlogen naar Wetteren terug. De vriend trachtte nu Peter op eenen beteren weg te brengen; 't gelukte hem en de bond met den duivel werd voor altoos verbroken. (Wodana, I.~ 29; Wolff, N.~ S.~ n"r" 550). Toovenaars gebruiken ook Stroobosjes als voertuig. Daarom visschen de sluismeesters zulke vlottende Stroobosjes op en werpen ze op den wal. 't Schijnt dat het dorp Stroobos (in Friesland) hiervan zijnen naam heeft gekregen. (Dijkstra, II, 234)._ Hooi wordt insgelijks door Heksen als vervoermiddel gebruikt op hun nachtelijke luchttochten. _De Heks van Oostbroek. Te Oostbroek niet ver van Utrecht (Holland), leefde eene weduwe; deze had eenen knecht die den huis- en veldarbeid ver- richtte. De knecht had dikwijls bemerkt dat zijne meesteres -- toen alles sliep -- in den stal op zekere plaats uit de kribbe Hooi met hare handen nam. Dat verwonderde zeer den nieuwsgierigen knecht, en hij vroeg zich al waarom zijne meesteres dat wel doen mocht. En op eenen nacht zou hij het nadoen om te zien wat daaruit gebeuren zou. Toen hij nogmaals in den stal was geweest, ging hij er ook, bekeek alles met aandacht en nam ook van het Hooi. Doch nauwelijks had hij het in de handen, of hij vloog door de lucht, verre-verre weg, tot in het stadje Wijk; hij kwam er toe in eenen kelder waar veel mannen en vrouwen verzameld waren. Toen de meesteres en de anderen hem ontwaar- den, verschrikten zij in den beginne, en zij vroegen hem dan hoe hij hier gekomen was. De knecht vertelde hun de heele zaak. De weduwe schoot daarop in hevige gramschap en begon met de andere te beraadslagen. Allen waren echter van meening dat het best was hem vriendelijk te ontvangen en hem enkel te verzoeken dat hij toch hierover niets vertellen zou. Intusschen kwam voor allen het uur der scheiding. Daar de knecht beloofde niets te veropenbaren, nam zijn meesteres hem op hare schouders en beiden vlogen door de lucht voort. Toen zij echter over een groot water moesten, dacht de vrouw dat het beter zou zijn haran knecht toch maar in 't water te verdrinken, en met en schok wierp zij den armen man in 't water. Maar de lieve God en wou niet dat de knecht alzoo sterven zou; en deze kwam terecht in het Riet, en daar zuchtte en jammerde hij erbarmelijk. Dat hoorden eenige voorbijgangers; zij trokken hem uit het water en vroegen hem hoe hij daarin gekomen was. Hij vertelde alles. Toen legden de lieden hem op eenen wagen en voerden hem naar Utrecht bij den burgemeester Culemburg, aan wien hij opnieuw alles verhaalde. De weduwe werd vastgegrepen; zij bekende alles, en heeft, als Heks, hiervoor de verdiende straf ontvangen. (Ronssens, Epist, med.~ 50; Delrio, Disq.~ mag.~ II, quaestio 16, p.~ 180; Wolff, N.~ S.~ n"r" 244). Thorpe (North.~ Myth.~ III, 208-9) zegt insgelijks dat de Heksen Hooi gebruiken om zich door de lucht te vervoeren. (This.~ 61)._ 't Vervoermiddel is een Esschenstok ^(1)^. _Oomen, Pl.~ 358._ Ofwel 't zijn de zoogenaamde Heksenbessems, die zich op de Zilverspar ^(2)^, den Pijn ^(3)^, den Haagbeuk ^(4)^, den Berk ^(5)^, den Kerseboom ^(6)^, den Pruimelaar ^(7)^ of den Dwergkersenboom ^(8)^ ontwikkelen. _Naar het volksgeloof zijn het Heksenbessems door de rustende Tooveressen op den Boom nagelaten of er geschapen. De Heksenbessems zijn echter opeengehoopte bessemvormige twijgjes, teweeggebracht door zwamsoorten die in het Hout leven: door Aecidium elatinum Alb.~ en Schw.~, op Zilverspar, door Cladosporium penicillodes Preuss.~, op Pijn; -- door Exoascus carpini Rostr.~, op Haagbeuk; -- door Exoascus deformans Fuckel, op de andere hierboven genoemde Boomen. "*" Te Ukkel (St.~-Job) heb ik in 1890, in een parkje op eenen Berk een vijftal schoone Heksenbessems gezien. Het is bewezen hoe Exoascus de Heksenbessems op den Berk vormt: eerst doet Exoascus een jong takje sterven; aan den voet van 't gestorven rijsje ontstaan zijknoppen en worden op hun beurt jonge twijgjes die ook worden gedood door de Zwam. Doch telkens ontstaan weer zijknoppen en jonge takjes, | | ^(1)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(2)^ Abies pectinata L. | | | ^(3)^ Pinus silvestris L. | | | ^(4)^ Carpinus betulus L. | | | ^(5)^ Betula alba L. | | | ^(6)^ Prunus cerasus L. | | | ^(7)^ Prunus domestica L. | | | ^(8)^ Prunus chamaecerasus Ebrh. | zoodat eindelijk het geheele een echt warbosje is, dat men, om den zonderlingen vorm, Heksenbessem heeft geheeten._ Riet ^(1)^ voert de Heksen ten Sabbat. _Grimm, D.~ M.~ III, 1084; This.~ 60._ Ook de Mattenbies ^(2)^. _This.~ 60. -- Cf.~ het Iersche sprookje van de Biezen en de Korenhalmen, die paarden worden op het oogenblik dat men ze berijdt. (Grimm, D.~ M.~ III, 1084). -- Ook Perger, 96, zegt dat Heksen op Mattenbiezenstengels rijden._ En de St.~ Jakobsstaf^(3)^. _In Ierland heet men deze samengesteldbloemige Feenpaard (`Fairies'~ horse'). This.~ 60. Z.~ ook Hunt, Popular Romances of the West of England (1871), p.~ 330._ En de stengel van de giftige Scheerling ^(4)^. _Zij rijden op `Bohalawn', zegt Jacobs, Celtic, 12. Aldus in Wales(?)._ Naar den befaamden Blocksberg (Duitschl.~) varen de Heksen op Boksdoorn ^(5)^. _Cf.~ Shns, 111; Prahn, 130._ Deze plant bedoelen waarschijnlijk De Beer-Laurillard, Wds, als zij schrijven i.v.~ Heksenbessem: _`Op den Brocken noemt men een laag, menigvuldig daar voorkomend stekelig struikgewas, ook Heksenbezem, buiten alle verband met eenigen Boom; dit verklaart zich uit de legende der Heksenfeesten op den Blocksberg'._ De Marentakken ^(6)^ zijn hun rijpaard. _Aldus in Zwitserland, waar men dezen Tooverheester Heksenbessem (`Hexenbesen') heet. (Pritzel u.~ Jessen bij Viscum album L.~). -- Ook in Frankrijk (bij Valenciennes) noemt men de Plant `Ramon d'sorcile' ("=" `Balai de sorcire' of Heksenbesssem); -- te Longueville (dp. Nord) zegt men `Bu- chon d'Sorcire' ("=" Heksenstok). E.~ Roll. Fl.~ Pop. -- Voor Prahn (137) is de `Hexenbesen' of Marentak antimagisch: met zulken bessem kan men Heksen wegvegen of verjagen._ | | ^(1)^ Phragmites communis Trin. | | | ^(2)^ Scirpus lacustris L. | | | ^(3)^ Seneclo jacobaea L. | | | ^(4)^ Conium maculatum L. | | | ^(5)^ Lycium barbarum L. | | | ^(6)^ Viscum album L. | e. *Heksenzalf.* De Stok of Steel, waarop de Heksen ten Sabbat reden, werd, vor 't vertrek, ingesmeerd met Heksenzalf; soms ook streken zij deze Tooverzalf over eenig lichaamsdeel (b.v.~ onder de oksels) en zelfs over hun heele lijf. _Ziehier eenige formulen die werden benuttigd bij het samenstellen dezer beroemde Heksenzalf. De negenkruidige Heksenzalf bevatte: Koningsvaren ^_(1)_^, IJzerkruid ^_(2)_^, Bingelkruid ^_(3)_^, Donderbaard ^_(4)_^, Vrouwenhaar ^_(5)_^, Zonnewende ^_(6)_^, Bilsen- kruid ^_(7)_^, Doodkruid ^_(8)_^ en Monnikskap ^_(9)_^: de drie laatste Kruiden zijn giftig en brengen de hersenen op hol. (Z.~ Schindler, Aberglaube, p.~ 160; Perger, 6). Leunis (Syn.~ 233) voegt er nog bij dat de bladeren van Donderbaard op een Donderdag moesten geplukt worden: woordgelijkenis! -- Over 't voorkomen van 't krachtig getal 9 in de Hekserij, z.~ Herrmann, D.~ M.~ 64. De formule van Hieronymus Cardanus: Heksenzalf bestaat uit de sappen van Selder ^_(1O)_^, Wolfsmelk ^_(11)_^, Nachtschade ^_(12)_^ en Tormentil ^_(13)_^, vermengd met roet: dit zwart smeersel wordt nog krachtiger gemaakt door toevoeging van Look ^_(14)_^, Dolik ^_(15)_^ en Boonenbrij. (Perger, 5). Porta, de befaamde Italiaansche astroloog, kende een paar formulen: 1"o" Heksenzalf bestond uit zeker vet (waarschijnlijk kindervet), gekookt met Kal- moes ^_(16)_^, Populierblaren ^_(17)_^, Selder ^_(18)_^ of Helioselinum ^_(19)_^, Monniks- kap ^_(20)_^, Nachtschade ^_(21)_^ en Vleermuisbloed (Perger, 5; Lvy, Haute Magie, II, 215); -- 2"o" Neem, zegt Porta, Kalmoes _(16)_, kruipende Ganzerik of Pen- | | ^(1)^ Osmunda regalis L. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. | | | ^(3)^ Mercurialis annua L. | | | ^(4)^ Sempervivum tectorum L. | | | ^(5)^ Adianthum capillus veneris L. | | | ^(6)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(7)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(8)^ Atropa belladonna L. | | | ^(9)^ Aconitum napellus L. | | | ^(10)^ Apium graveolens L. | | | ^(11)^ Euphorbia-soorten. | | | ^(12)^ Solanum nigrum L. | | | ^(13)^ Potentilla tormentilla L. | | | ^(14)^ Allium sativum L. | | | ^(15)^ Lolium temulentum L. | | | ^(16)^ Acorus calamus L. | | | ^(17)^ Populus-soorten. | | | ^(18)^ Apium graveolens L. | | | ^(19)^ Aldus bij Plinius. | | | ^(20)^ Aconitum napellus L. | | | ^(21)^ Solanum nigrum L. | taphyllon ^_(1)_^, slaapverwekkende Nachtschade ^_(2)_^, Vleermuisbloed en Olie, alles dooreen gekookt en vermengd tot zalf. (Lvy, Haute M.~, II, 216). Naar Knortz wordt de Heksenzalf als volgt gereedgemaakt: de Tooveressen nemen heimelijk een gewijde Hostie, geven ze aan eene Pad tot voedsel en verbranden daarna het beest. Deze asch wordt vermengd met het bloed van een ongedoopt kind, met zekere Kruiden -- de schrijver duidt ze niet aan -- en met Beendermeel van eenen opgehangene. De Boomen, waaruit de Luxemburgsche Heksen hunne zalf bereidden, groeiden op Porbretschen bij Vianden (Bassing, 49). De formule van Lancelin (H.~ Myth.~ de Shatan, 163-4) luidt: In een welge- sloten vat doet men 100 gram van een Geitebokje (d.i.~ in de Heksentaal een kindje), 5 gr.~ beste Haschisch ^_(3)_^, Hennip- en Kollebloemen ^_(4)_^; van elk gelijke hoeveelheid en genoeg om het vat te vullen, een vingergreep van gestampt Zaad van Zonnewende ^_(5)_^ en een vingergreep van poeder van Nieskruidwortel ^_(6)_^; alles wordt op een zacht vuur gezet gedurende twee uren. 's Avonds, vooraleer naar bed te gaan, moet men zich met die Zalf strijken achter de ooren, over den hals langs de halsaders, dan onder de oksels, in de streek van de groote sym- pathetische zenuw naar den linkerkant toe, over de knieoksels, de voetzolen en de laatplaatsen van arm en pols. -- Op blz.~ 164 geeft hij nog een ander electuarium of zalf, die echter niet zonder gevaar mocht gebruikt worden, want zij bevat de volgende schier alle giftige dingen: sap van saffraankleurig Torkruid ^_(7)_^, extrakt van Smyrnisch Opium ^_(8)_^, van Betelnoot ^_(9)_^, van kruipende Ganzerik ^_(1O)_^, van Doodkruid ^_(11)_^, van Bilsenkruid ^_(12)_^, van Scheerling ^_(13)_^, van Indische | | ^(1)^ Potentilla reptans L.~, ook, naar Pentaphyllon, Ndl.~ Vijfvingerblad ge- | heeten. | | | ^(2)^ In de middeleeuwsche nomenclatuur Solanum somniferum naar Dioscorides'~ | Struknos upnotikos; de moderne wetenschappelijke benaming is Physalis somnifera | Willd. Bij Lobelius, Cruydtb.~, heet Atropa belladonna L.~ Solanum somniferum | et lethale, en Physalis somnifera heet er `Solanum somniferum Clusii Hyoscyami | luteifoliis' en ook `Somniferum verticillatum Matthioli'. | | | ^(3)^ Het Arabisch woord Haschisch, Hacsisch of Hatschitscht beteekent Hennip, | zegt Leunis, blz.~ 545. Men noemt de Plant nog Molak. Het hoofdbestanddeel van | Haschisch is gevormd door de gedroogde spitsstengels van Indische Hennip | (Cannabis indica Lam.~), een variteit van de gewone Hennip (Cannabis | sativa L.). | | | ^(4)^ Papaver rhaeas L. | | | ^(5)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(6)^ Helleborus niger L. | | | ^(7)^ Oenanthe crocata Jacq. | | | ^(8)^ Sap van Papaver somniferum L. | | | ^(9)^ Vrucht van een Palm, Areca cathecu L. | | | ^(10)^ Potentilla reptans L. | | | ^(11)^ Atropa belladonna L. | | | ^(12)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(13)^ Conium maculatum L. | Hennip ^_(1)_^, van Spaansche Vliegen of Canthariden, eindelijk Dragantgom ^_(2)_^ en Suiker. Een schrijver van den tegenwoordig en tijd die zich met occulte weten- schappen bezighoudt (aldus Knipscheer, III, 22, die evenwel dien schrijver niet noemt) heeft de kracht van een soort van Heksenzalf op zijn eigen lichaam beproefd: `Ik wreef mij meermalen in, vooral bij de halsstreek, met een Zalf berdd uit Bilsenkruid ^_(3)_^, Doornappel ^_(4)_^ en andere Planten (welke?). Kort daarop was het alsof ik vloog door een wervelstorm. Behandelde ik boven- dien de okselholte, de schouders en andere lichaamsdeel en op deze wijze, dn viel ik in e~en langen slaap en in de daarop volgende nachten droomde ik levendig van bliksemsnelle spoortreinen en prachtige tropische landstreken. Het was mij meermalen als stond ik op eenen hoogen berg en sprak ik van dat verheven standpunt tot de menschen in het dal, ofschoon ook de hoogste huizen voor mij waren als dobbelsteenen.' -- Hiermede komt wel eenigszins overeen wat Helwig (Zauberartzt, 98) schrijft: dat die vrouwen welke hun lijf met zulke Zalven inwreven, door het sap van Nachtschade ^_(5)_^, van Dolik ^_(6)_^, van Bilsenkruid ^_(7)_^ en van Monnikskap ^_(8)_^ werden bedwelmd en dat zij dan droomden dat zij bij nacht omwaarden, vioolspel hoorden, bij heerlijke tafels zaten, en andere lustige dingen meer. (Perger, 5-6). -- Vgl.~ nog Shakespeare, Macbeth, IV, 2, over Heksenzalf._ Uit het voorgaande vooral, en ook uit ander documenten, blijkt dat de volgende 32 Planten gebruikt werden tot het vervaar- digen der vermaarde Heksenzalf:. Onder de Sporenplanten: de giftige zwammen: _Zij komen voor in een soort van Tooverzalf, waarover meer bij Lvy, H.~ M.~ II, 193._ Onder de Sporenkiemers (Embryophyta zoidiogama), drie Varens: het Vrouwenhaar ^(9)^, de Koningsvaren ^(1O)^, en de op een Maandag geplukte Maanvaren ^(11)^. _Z.~ Perger, 5 en 215._ | | ^(1)^ Cannabis indica Lam. | | | ^(2)^ Gom van drie Oostersche Vlinderbloemige Hokjespeulen (Astragalus verus | Oliv.~, A.~ creticus Lam.~, A.~ parnassii Boiss.~). | | | ^(3)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(4)^ Datura stramonium L. | | | ^(5)^ Solanum nigrum L. | | | ^(6)^ Lolium temulentum L. | | | ^(7)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(8)^ Aconitum napellus L. | | | ^(9)^ Adianthum capillus-veneris. | | | ^(10)^ Osmunda regalis L. | | | ^(11)^ Botrychium lunaria L. Woordgelijkenis! | Onder de Zaadkiemers (Embryophyta siphonogama): Naaktzadigen (Gymnospermae); de giftige IJf ^(1)^. _Onder de dingen die door de Heksen in hun Heksenketel geworpen werden en er samen gebrouwen, waren er IJftwijgen, die men afrukte tijdens der mane verduistering. (Shakespeare, Macbeth: Rel.~ u.~ Bohnh.~, 64)._ De Bedektzadigen (Angiospermae) zijn talrijker: Onder de Hanevoetachtigen (Ranunculace"ae"): de giftige Monnikskap ^(2)^ en het niet min giftige zwartwortelige Nies- kruid ^(3)^. _Monnikskap komt voor in de eerste Heksenzalf van Porta: cf.~ Perger, 5, 6; Lvy, H.~ M.~ II, 193 en 215. -- Zwarte Nieswortel in die van Lancelin._ Onder de Vetplanten (Crassulace"ae"): de gewone Donder- baard ^(4)^, anders een Heilkruid. _Perger, 5; Leunis, 233._ Onder de Roosachtigen (Rosace"ae"): de kruipende Ganzerik of het Vijfvingerkruid ^(5)^ en de gewone Tormentil of het Zeven- blad ^(6)^. Beide gemeene Planten zijn niet giftig. _Perger, 5; Lancelin, 164; Lvy, H.~ M.~ II, 216._ Onder de Vlinderbloemigen (Papilionace"ae"): de Boon ^(7)^ als brij; en de Dragant ^(8)^ als gom. _Perger, 5: Lancelin, 164. Beide Planten houden geen gift in._ Onder de Katjesdragers (Amentace"ae"): de bladeren van den Populier ^(9)^. _Perger, 5; Lvy, H.~ M.~ II, 215._ | | ^(1)^ Taxus baccata L. | | | ^(2)^ Aconitum napellus L. | | | ^(3)^ Helleborus niger L. | | | ^(4)^ Sempervivum tectorum L. | | | ^(5)^ Potentilla reptans L. | | | ^(6)^ Potentilla tormentilla L. | | | ^(7)^ Faba vulgaris Moench. | | | ^(8)^ Astragalus verus. A creticus en A.~ parnassii. | | | ^(9)^ Populus-soorten. | Onder de Hennipachtigen (Cannabinace"ae"): de Indische. Hennip ^(1)^, vooral als bedwelmende Haschisch. _Lancelin, 163-4._ Onder de Ruitachtigen (Rutace"ae"): de heel krachtige Ruit ^(2)^. _This, 55._ Onder de Schermbloemigen (Umbellifer"ae"): de gelukaanbren- gende Selder ^(3)^ en de twee zeer giftige: het Saffraankleurige Torkruid ^(4)^ en de Dolle Kervel of Scheerling ^(5)^. _Perger, 5; Lancelin, 164._ Onder de Wolfsmelkachtigen (Euphorbiace"ae"): de giftige Wolfsmelk ^(6)^ en het verwante eveneens giftige Bingelkruid ^(7)^. _Perger, 5._ Onder de giftige Nachtschaadachtigen (Solanace"ae") tellen wij er vijf: het Doornkruid ^(8)^, het Bilsenkruid ^(9)^, de Doornappel ^(10)^, ode slaapverwekkende Nachtschade ^(11)^ en de zwarte Nacht- schade ^(12)^. _Perger, 5; Lvy, H.~ M.~ II, 193, 216; Lancelin, 164; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 164, 166: Knipscheer, III, 22; Leunis, 590._ Onder de Bernagieachtigen (Borraginace"ae"): de Europeesche Zonnewende ^(13)^, eertijds een heelmiddel. _Perger, 5; Lncelin, 163; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 305._ | | ^(1)^ Cannabis Indica Lam. | | | ^(2)^ Ruta graveolens L. | | | ^(3)^ Apium graveolens L. | | | ^(4)^ Oenanthe crocata L. | | | ^(5)^ Conium maculatum L. | | | ^(6)^ Euphorbia-soorten. | | | ^(7)^ Mercurialis annua L.~ en ook M.~ perennis L. | | | ^(8)^ Atropa belladonna L. `Die Subpriorin der Premonstratenserinnen des | Klosters Unterzell (Unterfranken), Maria Renata Singer von Messau, die am | 21 Juni 1749 wegen Zauberel enthauptet wurde, bediente sieh nach den Inqui- | sitionsakten dieser Pflanze, die im Klostergarten wuchs'. Marzell, 165. | | | ^(9)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(10)^ Datura stramonium L. | | | ^(11)^ Physalis somnifera Willd. | | | ^(12)^ Solanum nigrum L. | | | ^(13)^ Heliotropium europaeum L. | Onder de IJzerkruidachtigen (Verbenace"ae"): het heilige IJzer- kruid ^(1)^. _Perger, 5, 147; This.~ 55._ Onder de Maankopachtigen (Papaverace"ae"), twee soorten: de roode Kollebloem ^(2)^ en het opium van de slaapverwekkende Maankop ^(3)^. _Lancelin, 163-4._ Onder de Lelieachtigen (Liliace"ae"): het Look ^(4)^. _Perger, 5._ Onder de Gramineen: de giftige Dolik ^(5)^. _Perger, 5._ Onder de Araceen: het geurende Kalmoes ^(6)^. _Perger, 5; Lvy, H.~ M.~ 216._ Onder de Palmen: de Betelnoot ^(7)^. _Lancelin, 164._ Een en ander volgt nog over zekere Tooverzalven, die door Toovenaars en Heksen tot hun tooverkunsten gebruikt werden en hen wellicht ook ten Sabbat voerden; ook over een magisch Slangewater. _In de middeleeuwen (Lvy, H.~ M.~ 193) maakten Toovenaars philters en zalven met het vet en het bloed van lijken, die zij uit de graven haalden; zij vermengden vet en bloed met Monnikskap ^_(8)_^, Doodkruid ^_(9)_^ en giftige Padde- stoelen; dat ijselijk mengsel werd gekookt en afgeschuimd op vuren die men stookte met doodsbeenderen en aan de kerken ontstolen kruisbeelden; zij deden er nog bij het poeder van verdroogde padden en de asch van gewijde hostin; | | ^(1)^ Verbena officinalis L. | | | ^(2)^ Papaver rhaeas L. | | | ^(3)^ P.~ somniferum L. | | | ^(4)^ Allium sativum L. | | | ^(5)^ Lolium temulentum L. | | | ^(6)^ Acorus calamus L. | | | ^(7)^ Areca cathecu L. | | | ^(8)^ Aconitum napellus L. | | | ^(9)^ Atropa belladonna L. | daarna besmeerden zij, met die helsche zalf, hunne slapen, handen en borst, maakten het diabolisch pentakel, bezwoeren de dooden onder de galgen en in verlaten kerkhoven. Men hoorde van verre hun gehuil, en de late reizigers meenden legioenen spoken te zien; het scheen hun dat de Boomen zelf zich vervormden in gedaanten die hun schrik aanjoegen; zij ontwaarden in de Struiken vurige oogen die akelig glinsterden; en de kikvorschen schenen met schorre stem de mysterieuze woorden van den Sabbat te herhalen. Het was magnetische begoocheling en zlnnelooze besmetting. Knortz (bl.~ 38) zegt dat bij de Irokeezen -- want het is vooral bij de wilde volkeren dat thans nog Hekserij bestaat -- eens 't volgende gebeurde: een jongen ving eens een schoone slang, stak ze in een met water half gevuld glas van Berkeschors ^(1)^ en voederde ze met vogels. Alle levenlooze dingen die hij in dit water bracht, werden levend. Zoodra hij zijne oogen met dit slangewater wreef, kon hij alle verborgen dingen zien; indien hij ermee zijn wijsvinger bestreek en daarna met dezen naar een persoon wees, werd deze betooverd. Nu legde hij eenige Kruiden (welke 't waren, wordt niet gezegd), doch geen giftige, in het water van 't Berkeschorsvat: en als hij met dit water zijn tong nat maakte, werd het klaar om hem. Ook kon hij zich onzichtbaar maken en in een slang veranderen. En elke pijl die hij met dat water bestreek, trof zijn doel._ f. *Planten door Heksen (of Toovenaars) op den Sabbat gebruikt.* Op de vergadering (Sabbat) kan Toovenaar of Heks den duivel dwingen te verschijnen; hiertoe gebruikt men eene Hulstroede ^(2)^. _Eene Heks, geheeten Jeanne Bosdeau, van Sallagnac (in Limousin, Frankr.~) of uit de omstreek, bekende dat een Italiaan haar tot een kwaad leven had verleid, toen ze nog zeer jong was. Eens, op St.~ Jansavond, bracht hij haar in een veld, waar hij, op den grond met een Hulstroede eenen grooten kring trok en daarna eenige woorden mompelde die hij uit een groot boek las. Daarop verscheen een groote gehoornde Bok, heel zwart en vergezeld van twee vrouwen, en onmiddellijk daarna een man als priester gekleed. De Bok -- 't was natuurlijk de Duivel -- vroeg wie die vrouw was, en de Italiaan antwoordde dat hij ze daar had gebracht, opdat zij de zijne weze. De Bok gebood aan Jeanne Bosdeau het kruisteeken te maken met de linkerhand. Daarna kwamen allen hem groeten en kusten hem den aars. Tusschen de twee hoornen van den Bok brandde eene zwarte kaars, waaraan de anderen hunne kaars, die zij in de hand hadden, kwa- men aansteken. Zij aanbaden den Bok en wierpen geld in een bekken. Deze Jeanne Bosdeau werd levend verbrand in 1594, bij arrest van het Parlement van Bor- deaux. (Thiers, Sup.~ II, 321-22)._ | | ^(1)^ Betuia alba L. | | | ^(2)^ Ilex aquifolium L. | Ten Sabbat zijn soms Toovenaars verplicht barvoets op den buitengewoon stekeligen Gaspeldoorn ^(1)^ te dansen. _Aldus in Vende (Fr.~); d.~ Roll.~ IV, 88._ IJzerkruid ^(2)^, over zich gedragen, maakt onvermoeibaar. Daarom zegt men dat Duiveltjes, Toovenaars en Heksen, die naar den verren Sabbat gaan, kousebanden van IJzerkruid dragen. _Aldus in Charente Infrieure (Fr.~). Roll.~ VIII, 41._ Op den Sabbat wordt de Zwarte Sabbatmis gelezen: gedu- rende die mis offeren de Heksen Tarwemeel ^(3)^ aan den Duivel. _Knipscheer, III, 27. Waar?_ Gedurende diezelfde Sabbatmis, die alle Woensdagen en Vrij- dagen gedaan werd, verbeeldde eene ronde schijf van eene Raap ^(4)^ de heilige Hostie. _Jeanne Bosdeau voornoemd, bekende nog (z.~ boven): Op eenen nacht bevond zij zich op eene der vergaderingen, die alle Woensdagen en Vrijdagen op den Puy-du-Dme (berg in Auvergne, Fr.~) plaatsgrepen; er waren meer dan zestig personen, die allen een zwarte kaars droegen en deze aanstaken aan die welke tusschen de hoornen van den Bok brandde; de Bok had zijne kaars doen branden met ze onder zijnen staart te trekken. Daarna stelden de aanwezigen zich met den rug tegeneen, gereed ten dans. Op deze vergadering werd ook de mis gedaan, maar iedereen keerde den rug naar den autaar. Hij die de mis deed, had een zwarten kazuifel zonder kruis aan, en hief onder de elevatie een snee van eene Raap omhoog, terwijl allen riepen: `Meester, sta ons bij!' (Thiers, Sup.~ 11, 322-3)._ Gebeurt het dat een oningewijde christelijke sterveling in een Heksenvergadering verdoold geraakt, dan worden hem vaak schijnbaar kostelijke dingen geschonken, die later ofwel een Koei- hoorn (soort van vroegen langwerpigen Aardappel ^(5)^), ofwel een Braamblad ^(6)^, of Eikeblaren ^(7)^, of Beukeblaren ^(8)^, of Elze- blaren ^(9)^ worden. | | ^(1)^ Ulex europaeus L. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. | | | ^(3)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(4)^ Brassica rapa L. | | | ^(5)^ Solanum tuberosum L. Z.~ Koeihoorn bij Tuerlinckx Hag.~ Id. | | | ^(6)^ Rubus-soorten. | | | ^(7)^ Quercus robur L. | | | ^(8)^ Fagus silvatica L. | | | ^(9)^ Alnus glutinosa L. | _"*" De rondleurder Pikke Blink van Aarschot kreeg op eene Heksenverga- dering een zilveren beker; toen de vergadering gedaan was, hield hij een Koei- horen in de hand. (DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ I, blz 15; VT.~ II, 14). Het blijkt echter niet uit de lezing dat het hier geen echte koeihoorn geldt. "*" De vioolspeler van Opbrakel (Oost-Vl.~ speelt voor de jokkende Heksen dansdeuntjes en krijgt tot belooning een aantal goudstukken, die, na de vergadering, geelgeworden Beukeblaren blijken te zijn. (Wolff, N.~ S.~ n"r" 383). "*" De kermisspeler Zander van Zuurbeemden (Brab.~) speelt ook voor 't vermaak van de Tooveressen en ontvangt een handvol goudstukken. Helaas! 't worden Eikeblaren! (VL.~, IX, 199; DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ I, 23). "*" Jefken de Speelman van Ternath speelt ook voor de vergaderde heeren en dames, en men betaalt hem insgelijks met goudstukken: droge Elzeblaren! (DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ I, 24-25). "*" Brewie van Denderhoutem drinkt een borrel in eene Tooverherberg, waar ze dansen: zijn jeneverglaasje blijkt een Braamblad te zijn. (Id.~ 18-19). In de folklore van andere volkeren vindt men dergelijke sagen. Vgl.~ b.v.~ Roll.~ X, 157-158; Heksengeld wordt droge Eikebladeren._ g. *Heksenringen.* Heksen en Toovenaars voeren op hunne Sabbatvergaderingen lustige rondedansen uit. Zooals boven reeds gezegd is, gebeurt dat wel in Weiden op het groene Gras: hun voetdrukken laten (alzoo 't volksgeloof!) kringvormige sporen na die men, in Ne- derland Heksenringen, Kolringen, Tooverkringen noemt; hier en daar Heksendansen (b.v.~ in Belg.~ Limb.~); in West-Vl.~ Tooveresse- ronden (aldus te Koolkerke, z.~ beneden); in Friesland `Tsjern- paed' ("=" Karnpad: Dijkstra, II, 195); in Walloni `Batis de Macrales' (Wallonia, 1906, 257); -- in Duitschland `Hexen- ringe, Zauberringe'; in Zweden `Elfdansar'; in Frankrijk `Cercles magiques, Cercles du Sabbat, Ronds du Sabbat, Ronds de Sorcires, Ronds de Fes, Anneaux magiques'; in Engeland `Fairy-rings', bepaaldelijk in Sussex `Hag-tracks'. _Op mijn dorp (Zegelsem en in 't Zuiden van Oost-Vl.~) zijn die Heksen- ringen niet bekend; in Vlaamsch Brab.~ evenmin; in Limburg (omstr.~ van Asch b.v.~) spreekt men van Heksendans, doch men bedoelt er iets gansch anders mee, nl.~ een soort van Wolfsklauw ^_(1)_^. Dr.~ R.~ Westerhoff, die een merkwaardige verhandeling over zulke ringen heeft geschreven (Verh.~ over de Kol- of Heksenringen ook wel Tooverkringen | | ^(1)^ Lycopodium complanatum var.~ chamaecyparissias A.~ Br. | genaamd, Groningen, 1859) onderscheidt zes soorten van Heksenringen: 1"o" De eerste soort heeft eene kringvormige oppervlakte van ongeveer zes of zeven oude ellen doormeter, heeft aan den buitenrand een kalen ring van een voet, en hierbinnen groen Gras; hij is zeldzaam; 2"o" de tweede soort is de `Alberflock' van Panzer (bij Brockhaus `Almer'; z: Panzer, Beitr.~ z.~ D.~ M.~ Myth, II, 75); deze `Alberfleck' heeft gewoonlijk den vorm van een halven cirkel, is zelden volmaakt kringvormig; men vindt ze niet veel (enkel in Tyrol tusschen de bergen Mentin en Spitzld); 3"o" de 3"e" soort heeft kringvormige vlakken die zich jaarlijks naar buiten vergrooten; deze vlakken hebben een doormeter van 2-3 duim tot 8-10 en meer voet (tot 16 meter, zegt Leunis, Syn.~); aan den buitenrand ziet men eenen ring (2-3 duim tot 1 voet en soms meer breed) van weelderig donkergroen Gras, die zelf omringd is door een ring van Paddestoelen (die de Heksenringen wellicht doen ontstaan, aldus Leunis, Syn.~ Kryptog, p.~ 962) en, naar Schlossberger (Annal.~ d.~ Chemie u.~ Pharm.~ van F.~ Whler u.~ J.~ Liebig, Band LVIII, 1846, Heft I, blz.~ 90-92) zijn: De gewone eetbare Zwam ^_(1)_^, de Parasolzwam ^_(2)_^, de Muiszwam ^_(3)_^, de Oreadenzwam ^_(4)_^ en de Bovist ^_(5)_^. Way (On the Fairy- rings of Pastures, in Trans.~ of the Brit Assoc.~ 1846) voegt er bij de Meizwam ^_(6)_^. Leunis l.c.~ noemt enkel: `Agaricus campestris' L.~, `A.~ oreades' (of `Maras- mius oreades') Fr.~, `A.~ giganteus', `A.~ multifidus'. Deze (en wellicht nog eenige andere soortgelijke Zwammen) sterven langzaam en voeden door de opge- zamelde stikstof den grond die dus aldaar malsch Gras voortbrengt; en daar het zich in den grond bevindende Mycelium zich centrifugaal ontwikkelt, wordt de ring voortdurend grooter. Deze 3"e" soort van Heksenring is de meest voorkomende en gewone. Ziehier hoe J.~ Massart (Esquisse de Gogr.~ bot.~ de la Belg) het ontstaan van Heksenringen door `Marasmius oreades' verklaart: `Sur les pelouses sches o l'herbe est courte et serre et o paissent des bestiaux, on voit frquemment des cercles dont le pourtour est jalonn par des chapeaux de `Marasmius oreades' (eene stereoskopische phototypie, n"r" 521, verbeeldt zulken Heksenring). Ces ronds de sorcires peuvent atteindre un diamtre d'une dizaine de mtres. Chacun a dbut par un point unique central. Il est probable que le Champignon laisse dans le sol une substance qui est toxique pour lui-mme et qui l'empche donc de se dvelopper deux annes de suite la mme place; d'o la croissance en cercles qui s'largissent de plus en plus. A l'automne, lorsque les chapeaux pourrissent en grand nombre la cir- confrence, celle-ci reoit une abondante fumure en sels minraux, qui permet l'herbe d'y pousser avec plus de vigueur qu'ailleurs (de stereoskopische photo- typie, n"r" 286 van Massart's werk toont dit klaar aan); la priphrie du cercle | | ^(1)^ Agaricus campestris L. | | | ^(2)^ Agaricus procerus Scop. | | | ^(3)^ A.~ terreus Schaeff. | | | ^(4)^ Marasmius oreades Fr. | | | ^(5)^ Lycoperdon bovista L. | | | ^(6)^ Agaricus graveolens Pers. | est ainsi marque en toute saison par la hauteur plus grande et la teinte fonce de l'herbe. L'interdpendance des organismes est trs nette dans cet exemple. `Marasmius oreades' ne se dveloppe que sur les pelouses o l'herbe est broute par les grands Mammifres: il lui faut sans doute comme nourriture organique, non l'herbe o des dtritus vgtaux, mais les dchets alimentaires des herbivores o la matire a dj subi une transformation. Le Champignon ne vit pas deux annea de suite la mime place: l'endroit o il a vcu ne peut pas le porter une seconde fois, et il doit donc voyager, suivant les rayons d'un cercle, la recherche de terrains encore vierges. Les substances minrales et organiques, absorbes et labores par les filaments mycliens, s'accumulent dans les chapeaux, et, lonque ceux-ci se dcomposent aprs la dissmination des spores, les sels sont rendus au sol et favorisent la croissance des Phanrogames qui deviendront leur tour la proie des Herbivores'. Die `Ronds de Sorcires', wier ontstaan J.~ Massart zoo duidelijk verklaart, komen, in den nazomer, talrijk voor in de weiden langs de zeestreek (omstr.~ van Adinkerke b.v.~): zij worden gevormd door `Marasmius oreades', en ook wel door `Tricholoma columbetta' en `Psalliota' (Agaricus campestris). (Massart, o.~ c.~ 188). 4"o" De vierde soort van Heksenringen vindt men enkel op Grasweiden en Korenakkers: het zijn min of meer groote plekken, eenigszins cirkelvormig, waar Gras of Koren platligt, en neergedrukt en vertrapt schijnt; in 't volks- geloof zijn het dansplaatsen der Heksen, of ook nog zijn zij gemaakt door den staart van in een beest veranderde Tooveressen, of door den bessem waarop zij 's nachts ten Sabbat rijden. (Calio de Plancy, Dict.~ inf.~ 92; J.~ van Heems- kerk, Bat.~ Arcadia, IV, blz.~ 66; van Leeuwen, Bat.~ illustrata, I, blz.~ 309; Scheltema, Heksenprocessen, p.~ 75). 5"o" De vijfde soort komt, naar Westerhoff, in Zweden voor; men noemt ze er `Elfdansar' en zij worden gevormd door de een ook in Belgi groeiende Grassoort, de blauwe Sesleria ^_(1)_^, die zich centrifugaal verspreidt, eindelijk, naar 't middenpunt toe, verdwijnt en aldus ringen maakt die door hun blauw- donkere kleur de aandacht vestigen. (Linn.~, Reizen door eenige Landschappen van Zweden, I, 104, 358). 6"o" Westerhoff's zesde soort van Kolring komt in Noord-Nederland en ook in Belgi voor en wordt gevormd door Wolfsklauwsoorten die zich min of meer concentrisch verbreiden en voortplanten; zeer waarschijnlijk is deze Heksenring- voortbrengende Wolfsklauw Lycopodium complanatum var.~ chamaecyparissias Al.~ Br.~ (aldus te Achel, Belg.~ Limb.~, z. Pque, Vl.~ Volksn.~; en te Asch bij Genk, zooals ik zelf het heb vastgesteld: hier noemt men deze kruipende Plant Heksendans); naar De Gorter (Fl.~ VII Prov.~ Belgii Foeder.~ indig.~, 1781, p.~ 282, n"r" 861) heet L.~ alpinum L.~ in 't Zutphensche `Hexen-krans', doch wellicht verkeerd; want Daar Van Hall (Fl.~ Belg.~ Sept.~ II, Pars I, p.~ 29) zou 't wel L.~ complanatum L.~ zijn, dus dezelfde als de bovengenoemde; Heukels | | ^(1)^ Sesleria coerulea L. | (Wdb.~) noemt `Heksendans' (in Noord.~-Brab.~, beoosten Tilburg) en `Heksen- krans' (in Friesl.~, Twenthe, Graafschap Zutphen, Noord-Brab.~, beoosten Tilburg) het geslacht Lycopodium, dus al de soorten, en heet toch bepaaldelijk `Heksen- krans' (echter zonder plaatsbepaling) Lycopodium clavatum L. Zie over die zes soorten van Heksenringen, vooral Westerhoff, op.~ c.~ 4-14. Het bijgeloof nopens die Heksenringen verdwijnt en is, op vele plaatsen en in vele landen, b.v.~ nagenoeg overal in Vlaanderen, verdwenen. Eertijds waren over die Ringen, bij 't volk, een aantal zonderlinge dingen in omloop. Westerhoff (blz.~ 25-26) somt er eenige op: Binnen die Heksenringen liggen schatten begraven, welke men enkel met hulp van den Duivel of Heks kan meester worden; -- 's nachts, bij maneschijn, kruipen er in Padden rond, die zich soms vervaarlijk groot maken en den laten voorbijganger met uitpuilende, brandende oogen vervolgen; -- men mag deze groene Grascirkels niet afmaaien (aldus in Friesland en Ierland); -- vee mag dat Gras niet eten, anders geven ze slechte boter; -- wie op den grond waar Heksenringen zijn, een huis bouwt, zal voorspoedige zaken doen (aldus in Engeland); -- de kinderen mogen op zulke Heksenringen niet trappen (aldus in Gelderland); -- de landlieden naderen ze met vrees en beving (aldus in Lorreinen); -- sommige personen kan men niet bewegen in deze Ringen te treden (aldus in Frankr.); -- al wie binnen deze Danscirkels geraakt, zien de Booze Wezens en komen in dezer macht (aldus in Zweden); -- anderen treden er in om beschermd te zijn tegen duivel en alle gevaar. (Frankr.~; Roll.~ XI, 179). Dit laatste meent men ook in Wallis. Zekere Rhys danst in 't midden van eenen Heksenring; nauw is bij er uit, of hij sterft; en rond de noodlottige plaats -- 't is een teeken des doods -- ziet men het Gras rood worden! (Gub.~ I, 122.) This.~ (blz.~ 86) zegt ook: dat, in vroeger tijden als meisjes meidauw zamelden (tot verkrijgen eener mooie gelaatskleur), zij met zorg zulk Heksen- ringengras schuwden; dat, nu nog, de landlieden beweren dat het vee zulk Gras niet wil afweiden; en dat, eenige mijlen van Alnwick (Engeland), men een `Fairy-ring' zag, die den vermetele, die het waagde errond negenmaal te loopen, met eenige kwade ziekte bestrafte. Een en ander voeg ik bij de boven aangegeven wetenschappelijke verklaring van Massart over het ontstaan dier Heksenringen: 1"o" Meening van Linnaeus (Reizen door eenige Landschappen van Zweden, I, 104): zij komen daar waar de paarden hun water hebben gelost. Deze meening is onhoudbaar. 2"o" De Heksenringen ontstaan door de werking van uit den ondergrond oprijzende vruchtbare en voedende stoffen. (Linn.~ o.~ c.~; Westerhoff, 31). 3"o" De Heksenringen zijn het werk der mieren. (Encycl.~ brit.~, 1797, p.~ 91, 1855, p.~ 471; C.~ de Plancy, D.~ inf.~, p.~ 92). 4"o" Hooioppers die lang, bij regenachtig weder, op de weide hebben gestaan, brengen zulke Ringen voort; dat is inderdaad zoo: het gebrek aan licht ontgroent en geelt het Gras. (Westerhoff, 32). 5"o" Zij ontstaaq door bliksem. (Jessop a.~ Walker, Phil.~ Trans.~; Sprengel, Land- u.~ Forstw.~ Zeitschr.~ f.~ Nord-Deutschl.~, Band II, Heft 2, p.~ 363; Voigt, Uebersicht d.~ Naturg.~ blz.~ 190). 6"o" Zij ontstaan door Paddestoelen. Het schijnt dat Wollaston (Phil.~ Trans.~, 1807) het eerst deze thans algemeen aangenomen verklaring heeft voor- uitgezet. Zie over al deze verklaringen, Westerhoff, 30 en vvgg. Perger (blz.~ 89) spreekt nog: 1"o" van bedrieglijke koeiwachters, die moed- willig Graszaad kringvormig zaaien; 2"o" en van den wervelwind die, al draaiend, zulke Ringen in het Gras vormt. Reeds wijst de wonderbare Shakespeare (in zijn tooneelspel `De Storm', Act 5, Scene 1) op het ontstaan van Heksenringen: `Gij, Elfenvolk van heuvel, beek en bosch, Gij die in 't land geen voetspoor achterlaat, Den ebbenden Neptuin naijlt, en vliedt Als hij terugkomt; kleine popjes, die In 't Gras, bij maanlicht, wrange rondjes maakt Door 't schaap gemeden; die tot tijdverdrijf 's Nachts Kampernoeljes vormt, en u verheugt Op 't plechtig avondluiden.' Het laatste bij Shakespeare aldus: `-- you demi-puppets, that By moonshine do the green sour ringlets make. Whereof the erve not bites; and you, whose pastime Is to make midnight mushrooms.' (Vgl.~ W.~ Shakespeare, Othello, Macbeth, de Storm, Romeo en Jul.~: vert.~ van J.~ Moulin; nieuwe uitg.~ onder toezicht van J.~ Van Vloten; Haarl.~ 1858, blz.~ 88). "*" Hier een paar Vlaamsche Sagen. Bij Den Doel (prov.~ Oost-Vl.~) ligt eene weide, waar sedert menschengeheugenis geen Gras groeit. Dat komt hiervan dat de Heksen eertijds -- en heden nog soms -- zich aldaar verzamelden en hun duivelsche dansen uitvoerden. Daarom is deze weide vervloekt. (Wolff, N.~ S.~ n"r" 388). -- "*" Te Koolkerke (West-Vl.~) vindt men hier en daar in de bilken ronde plekken, waar 't Gras veel groener staat dan elders; 't zijn Tooveresse- ronden: de Tooveressen hebben daar gedanst binst den nacht. Moest er iemand deze schoone groene Ronden met drek bevuilen, zij zouden kleiner worden en inkrimpen totdat de bevuilde plaats buiten de Ronde ligt. (Biekorf, I, 68). Dijkstra (II, 195) zegt dat men den Heksenring in Friesland, een `Tsjern- paed' d.~ i.~ Karnpad noemt, wegens de groote overeenkomst met het cirkelvormig pad, waarop het paard rondloopt voor den karnmolen; deze draaiende karnmolen brengt in beweging de `Karnpols', die in de Karn de boterafscheiding moet bewerken. Zulk een kring is soms geheel kaal en onbegroeid, alsof dat ronde pad zooveel betreden wordt dat er geen Gras kan groeien. Het volksgeloof beweert dat er in, 's nachts, een wit paard (of veulen) rondloopt. Dit wit paard (of veulen) is de Duivel (of eene Heks?). Een boer die zulk een `Tsjernpaed' bij zijn karnmolen heeft, dient altijd op zijne hoede te zijn, want hij verkeert aanhoudend in 't gevaar dat hij met de zuivelbereiding van streek kan geraken. Want daar is het toch het Booze Wezen met zijn nachtelijken cirkelgang om te doen. Behalve op meer andere plaatsen was er vroeger te Poppingawier en Terzool zulk een karnpad, waarvan men vertelde niet alleen dat er een wit paard of veulen in rondliep, maar ook dat er gekarnd werd._ *II. Heksenvoedsel; Heksenhuisraad- en gerief.* a. *Heksenvoedsel.* De Plantenwereld bood aan de Heksen het zonderlingste voedsel. 1. Heksenbrood en -meel. Al de Kampernoeljen -- nl.~ de groote en door 't volk gekende soorten ^(1)^ -- heeten in Vlaanderen Tooveressenbrood, zelden Toovereersbrood, in Zuid-Westbrabant (b.v.~ te Vollezeele) Too- veresfoensen (foens "=" lat.~ fungus). _Tooveressenbrood, aldus algemeen in 't Zuiden van Oost-Vlaanderen (te Zegelsem en overal in de Zwalm- en Maarkestreek). Voor Nederbrakel geeft Paque (Vl.~ Volksn.~) den naam Tooverheksenbrood, dat ik er evenwel nooit heb gehoord; men zegt er overigens Tooveresse en nooit Tooverhekse. (Z.~ Teirl.~ zovl.~ Idio.~). Pque somt de volgende plaatsen op, waar men Tooveres(sen)brood zegt: Gent en omstr.~, Laarne, Lokeren, Asper en omstr. Doch die lijst is zeer onvolledig; men zou ze gemakkelijk tienmaal (en meer nog) langer kunnen maken. -- Kampernoeljen zijn over 't algemeen giftig en zelfs de goede worden door het volk als giftig beschouwd; en moeder zegt tot hare kinderen die zulke groote Zwammen willen plukken: `Komt daar niet aan: 't es Tooveressenbrood!' In Wallis wast een Giftzwam, `Bwyd-Ellylon' geheeten: zoo 't schijnt een lekker beet voor Heksen en Elfen. (Perger, 210). De wetenschappelijke bena- mingen van die Zwamsoort is mij onbekend._ De Wolfsklauwsoorten geven een overvloedig Sporenmeel dat in Duitschland Heksenmeel (`Hexenmehl') heet. _Dit Sporenmeel vat gemakkelijk vlam en vormt, al brandend, als een dui- velachtig blauwachtige bliksemslinger. Men kent het gebruik ervan op de schouwburgscenen. -- Vooral Lycopodium clavatum L.~ geeft dat Heksenmeel: in Bern en in Siebenbrgen noemt men due gemeenste Wolfsklauw `Hexen- mehlkraut'. Pritz.~ u.~ Jess.~). Z.~ ook Rel.~ u.~ Bohnh.~, 115._ 2. Heksenmelk. De Wolfsmelksoorten bevatten een wit, melkachtig, bijtend sap; daarom worden de bekende soorten in Nederland Heksenmelk, in Duitschland `Hexenmilch' geheeten. | | ^(1)^ Grootendeels behoorende tot de Agaricaceen en de Boletaceen. | _Heukels (Wdb.~) geeft dien naam voor de volgende soorten: Euphorbia esula L.~, de echte Heksenmelk (aldus in Drenthe beoosten Smildevaart, in Twenthe, in Salland, in de Graafschap Zutphen, in den Achterhoek beoosten Groenlo); -- E gerardiana L.~ of de Zand-Wolfsmelk (in Drenthe beoosten Smildevaart, Graafschap Zutphen, Achterhoek); -- E.~ heloscopia L.~ of het gemeene Kroontjeskruid (in Graafschap Zutphen); -- E.~ peplus L.~, de overal verspreide Tuin-Wolfsmelk (aldus in Drenthe beoosten Smildevaart, Twenthe, Salland, Graafschap Zutphen, Achterhoek). -- In Vlaanderen is de naam Heksen- melk voor de Wolfsmelk onbekend. Hgd.~ `Hexenmilch' is de naam van al de Wolfsmelksoorten. (Eifel bij Dreis: Pritz u.~ Jess.~, Prahn). -- Salomon-Voss behoudt den naam bepaaldelijk voor de Tuin-Wolfsmelk ^_(1)_^._ In den Elzas heet men `Hexenmilch' de gewone Gauwe ^(2)^ met het gele en giftige sap. _Naar Hirschleber, Fl.~ d'Alsace (1852); Roll.~ Fl.~ pop.~ I, 196._ 3. Heksenboter. De Heksenboter -- in Friesland Traalboter (Dijkstra, II, 174; Westerhoff, 27), in Engeland `Fairy-butter' of Feenboter (Mannh.~ Germ.~ Mythen, 1858, blz.~ 54), in Zweden `Trullsmr' of `Trullskid' -- bestaat ook in 't volksgeloof. Wat zoo door het volk genoemd wordt, is een Slijmzwam of Myxomycete (bij de Botanisten: Fuligo septica Gm.~ "=" Aethalium septicum Fr.~ Mucor septicus L.~): een slijmige, schuimige, botergele massa, van 1/3 meter tot eenige centimeters in omtrek; men vindt de zonder- linge Plant op Mos, Gras, oude Boomstammen, oude Schorsen, en veel op run in de looierijen; zij komt snel voor den dag en schijnt als uit de lucht gevallen te zijn. _Eene andere verwante soort, de witte Schuimzwam ^(3)^, die als schuim op Gras, Bladeren en Stelen verschijnt, heet ook in Friesland Traalboter. (Dijkstra, II, 173). In een Zweedsch verhaal over Tooverij, dat de beroemde Balthasar Bekker (in zijn Betoverde Wereld, IV, 251 en vvgg.~) ontleedt en met gezond verstand bestrijdt, komt veel zonderlings voor over Hekserijen, gebeurd in 1670 of daar omtrent, te Mohra in Zweden, landschap Elfdalen. 70 Tooveressen werden er tot den stapel veroordeeld, met 15 kinderen; 56 vrouwen werden zachter gestraft | | ^(1)^ Euphorbia peplus L. | | | ^(2)^ Chelidonium majus L. | | | ^(3)^ Spumaria alba DC. | en 47 tot nader onderzo~ toegelaten. `Hoort, wat al grillen!' roept Bekker uit: `Wanneer de Hexen op geiten na Blokula' -- naam van de verzamelplaats: vgl.~ met den vermaarden Blocksberg -- `reden, en vele kinders met sich hadden, zo stakense, ene spies achter in de geit, daer op sy alle plaats hadden om te sitten'. Op deze vergadering vraten de Heksen zich soms zoo vol, dat ze, in 't naarhuiskeeren, het gevreten uitspuwden: `welk uitspuwsel in de Kooltuinen gevonden wort, hebbende eene aura verwe' -- klaar wordt hier Fuligo septica Gm.~ bedoeld -- `en word daer ordinaris Hexboter genaamd!' En wat lekkers hadden zij zooal te Blokula gegeten? `De spyse welke daer gegeten word is Koolsop ^_(1)_^ met spek, Haverpap ^_(2)_^, boter, melk en kaas.' `Merckt doch eens hoe heerlyk hen de duyvel daar onthaalt', voegt terecht de wijze Dekker erbij. Ook Westerhoff, (blz.~ 28) verklaart het ontstaan der Heksenboter op gelijke manier: `In den regel werd, bij het verhooren der Heksen, door haar de ver- klaring afgelegd, dat ze twee Geesten hadden, Draken of Kaboutermannetjes genaamd, die haar in de gedaante van een Raaf of van een Kat, boter, kaas, hammen, Koorn, melk en andere levensmiddelen, bij hare nachtelijke dans, en slempfeesten, aanbragten en dat zij daarvan soms zoo overvoed wierden, dat zij, op hare terugreis door de lucht, misselijk wordende, deze genotene spijzen weder uitbraakten en welk uitbraaksel de zoogenaamde Heksenboter zoude daarstellen.' Dijkstra (II, 173) legt het anders uit: de Heksen stalen de boter uit de betooverde Karn, en wierpen ze weg of verloren ze; het verwonderde overigens niemand dat zulke Heksenboter alle eigenschappen van boter miste: 't was het gevolg van de betoovering. In Vlaanderen is de Heksenboter bij 't volk niet bekend._ Hier en daar in Frankrijk (Roll.~ XI, 194) heet de gemeene Nostok ^(3)^ `Beurre magique' ("=" Heksenboter). _Het is eene soort van geleiachtige Aardwier, een olijfgroene, handgroote massa, die bij droog weder onzichtbaar is, doch bij regen opzwelt, schielijk zicht- baar wordt en ais groenachtige boter uit de lucht schijnt gevallen te zijn. Dit plotseling verschijnen sloeg den eenvoudigen mensch met verbazing en gaf aan- leiding tot dien naam. `Beurre magique' behoort tot de orde van de Phycochro- maceae en tot de familie van de Nostochaceae._ 4. Heksenkaas. "*" In Zuidelijk Belgisch Limburg heeten allerlei soorten van Paddestoelen `Heksekees'. Zulke Paddestoelen werden geboren op die plaatsen, waar Heksen 's nachts hebben gedanst, inzonder- | | ^(1)^ Sop van Brassiea oleracea L. | | | ^(2)^ Pap van Avena sativa L. | | | ^(3)^ Nostoch commune Vaucher. | heid in de Weiden, waar die danseressen eenen Heksenkring hebben gemaakt. `Heksekees' dient de Heksen tot voedsel. _Cf.~ Pque, i.v._ 5. Heksenei. "*" Dit is, hier en daar, de naam van de ijselijk stinkende Phal- lus impudicus L. Volgens de eenen is deze Kampernoelie een ei dat de Heksen eten; volgens de anderen een ei dat zij leggen. _"*" Hadrianus Junius heeft in een Verhandeling van 1564 deze Zwamsoort uitvoerig beschreven (in 't latijn). Zie ook veel bijzonderheden over deze zon- derlinge Plant bij onzen Vlaamschen mykoloog Fr.~ van Sterbeeck (Theatrum Fungorum oft het Tonneel der Campemoelien, blz.~ 276 en vvgg.~). Lobelius heeft ze Fungus priapeus en Junius Phallus genaamd, `het welck al-te-samen bediet, Fungi gelijkende aen het mannelyck lidt' (aldus van Sterbeeck). In Holland zegt deze nog, heet men ze: `Ongers eyeren, oft Oniers eyeren, dat is Duyvels eyeren oft Toveraers eyeren, in 't Latijn Manium ova oft D"ae"monum ova: alles uyt reden, om dat dese figure tot een offerande aen den Duyvel toege-eygent ende gegheven wirdt'. Dodoens (Cruydt-b.~) beschrijft ze onder den naam van Zee Campemoelie en Ungers eyeren: in 't Latijn Fungus marinus, omdat zij in Holland in de duinen groeit naast den Helm ^_(1)_^. -- Bij Kiliaen (Etym.~) is het werkwoord `Ungheren' Hollandsch en beteekent tooveren; `Ungher-hoere' is `Malefica, incantatrix, mulier diabolica'; en `Unghers-eyeren', ook Hol- landsch `Volua, phalli, bufonum ova: fungus priapeius, phallus, q.~ d.~ manium sive cacodoemonum ova. Adr.~ Iun.' Hij verwijst dus naar de hem bekende Ver- handeling van Junius. D.~ v.~ Hoogstraten (uitg.~ van Kiliaen's Wdb.~ i.~ v.~ `aluen') geeft nog de graphie `Eunjer' en zelfs het mv.~ `Junjers'. Vercouillie (Et.~ Wdb.~ 2"e" uitg.~) heeft insgelijks `Eunjer' n.~ `Unjer'; hij schrijft om door `Spook' en brengt het tot hgd.~ `Ungar' "=" Hongaar. "*" J.~ van Ravelingen, de commentator van R.~ Dodoens, beweert dat de Vliegen en Katten met genoegen deze Zwam uitzuigen en opeten; nu, Vliegen en Katten zijn Heksendieren, ja, vermomde Heksen. Ook in Duitschland heet Phallus impudicus L.~ `Hennei' en `Teu- felsei'. (Pritzel u.~ Jess.~; Perger, 210; Salomon-Voss). Zie meer over deze folklorische Plant in mijne `Flora Diabolica'._ 6. Heksenbot. De Heksen eten, op St.~ Jansnacht, de Bloembotten van den Haveresch ^(2)^. | | ^(1)^ Ammophila arenaria Lam.~, het gemeen Duingras. | | | ^(2)^ Sorbus aucuparia L. | _De Lijsterbesseboom verliest, zegt men, op dit tijdstip deze Botten. (Rel.~ u.~ Bohn.~, 48). Hij is overigens een Tooverboom._ 7. Heksenerwt. Hare Erwt is de giftige bes van de Zwarte Nachtschade ^(1)^. _"*" In Luikerwaalsch: `Pe de macrale' "=" `Pois de Sorcire' of Hek- senerwt. (Roll.~ VIII, 102, naar Forir, Dict.~, 209)._ 8. Heksenzwam. Het Heksenbrood -- algemeene naam van de groote Padde- stoelen (z.~ boven) -- heet ook eenvoudig Heksenzwam. _Hgd.~ `Hexenschwamm' (Leunis, 510; Pritzel u.~ Jess.~; Salomon-Voss). -- Vooral de bleekgele Buiszwam ^_(2)_^, omdat het zachte en bleekgele vleesch van deze overigens eetbare Zwam (eertijds beschouwde men haar als giftig) snel in de lucht blauw of groenachtig wordt, en dit kleurveranderen sloeg den eenvoudi- gen mensch met verwondering en schrik._ 9. Heksenperen en Heksenzuurkool. Eene boerin-Heks uit den Harz at met haar volk, alle Zon- dagen Peren en Zuurkool. Deze Braadperen waren omgetooverde Muizen en de Zuurkool Wormen. _Toen zij op den brandstapel stond, bekende zij zulks. Dat gebeurde te Gittelde. (Prhle, Harzsagen, 45)._ b. *Heksenhuisraad en -gerief.* Hiertoe benuttigden de Heksen sommige Planten. Heksenvingerhoed. In Engeland (hier en daar) heet het rondbladig Klokje ^(3)^ `Witches thimble', d.~ i.~ Heksenvingerhoed. _Naar de vingerhoedvormige en blauwe Bloem. (This.~ 58)._ Ook het gewone Vingerhoedkruid ^(4)^ wordt er `Witches thimble' genoemd. _Om dezelfde reden. (Roll.~ VIII, 139)._ | | ^(1)^ Solanum nigrum L. | | | ^(2)^ Boletus luridus Fr. | | | ^(3)^ Campanula rotundifolia L. | | | ^(4)^ Digitalis purpurea L. | Heksentwijn. De twijn der Heks is de gemeene Boschrank ^(1)^. _Aldus in Duitschland: `Hexenzwirn' "=" Ndl.~ Heksentwijn of Heksengaren, naar de dunne, lange twijgen. (Salomon-Voss)._ Heksenkoord. Zij gebruiken als koorden dezelfde Boschrank. _In Duitschland: `Hexenstrang' "=" Heksenkoord of -streng. (Pritzel u.~ Jess.~; Salomon-Voss; Prahn, 21, 137)._ En ook de slanke takjes van den Boksdoorn ^(2)^. _`Hexenstrang' in Duitschl.~ (Prahn, 4O)._ Toovenaarsborstel. Toovenaars en bezweerders gebruiken (gedurende hun incan- tatin) eenen Sproeiborstel, die beschreven wordt door Lvy (H.~ M.~ II, 80): deze borstel bestaat uit twijgen van IJzerkruid ^(3)^, van Maagdepalm ^(4)^, van Salie ^(5)^, van Munte ^(6)^, van Vale- riane ^(7)^. van Esch ^(8)^, van Basilikon ^(9)^ -- alle weldoende Planten, die saamgebonden zijn door eenen draad van 't spinrok- ken eener maagd; de steel van dezen Borstel is gemaakt van het hout van eenen Hazelaar ^(10)^, die nog geen noten heeft ge- dragen; op dezen steel moet men met de magische stift de teekens van de Zeven Geesten graveeren. Heksenkam. De Heksen kammen hun haar met de stekelige Kaardebol- len ^(11)^. _"*" In Belg.~ Walenland `Peigne de Sorcire', zegt Grandgagnage. (Roll.~ VII, 12)._ | | ^(1)^ Clematis vitalba L. | | | ^(2)^ Lycium barbarum L. | | | ^(3)^ Verbena officinalis L. | | | ^(4)^ Vinca minor L. | | | ^(5)^ Salvia officinalis L. | | | ^(6)^ Mentha-soorten. | | | ^(7)^ Valeriana officinalis L. | | | ^(8)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(9)^ Ocymum basilicum L. | | | ^(10)^ Corylus avellana L. | | | ^(11)^ Dipsacus-soorten. | Heksenbad. De Heksen baden zich, naakt, in Rogge^(1)^: want Rogge- dauw versterkt en verjongt. _Hgd.~ volksgeloof. (Perger, 111-112)._ Heksen-waskaars. De groote Toorts ^(2)^ heeft, in Engeland, den volksnaam `Hag-taper' "=" Heksen-waskaars. _Naar de. fakkelvormende Plant, die ook daarom in ndl.~ Toorts heet. (This.~ 64)._ Toovertrommel. Voor hunne Tooverijen en Wichelarijen bedienden zich de Laplanders van eene Toovertrommel. die meestal uit hout van den Berk ^(3)^ was vervaardigd. Op het gespannen vel van die trommel zag men Tooverteekens die er op met een verf (getrokken uit Elzeschors) geschilderd waren. _Bekker (Bet.~ W.~ I, 28) naar Scheffer's Lat.~ Gesch.~ v.~ Lapland, 1673): `Hunne kunsten diese door middel hunner Goden en Geesten wanen te doen / of om door Wichelarije iet te weten / of om door Toverije iet te doen. Het eerste word door een ding dat sy Kannus noemen / ende na enen Trommel gelijkt / in 't werk gesteld. Die moet van seker Hout / en wel meer van Birken gemaakt zijn. Het vel daar over gespannen / veelsins met karacters geschilderd / met ene verwe uit de Schors van Elsenhout ^(4)^ gemaakt. Met enen hamer van enen vinger lang daar op geklopt / letmen of een bosch blikken ringen daar op geplaatst / na de reghter of slinker zyde verspringt: het eerste belooft geluk / het ander dreigt ongeluk. Of de Tovertrommel / anders gebruikt / geeft den staat en het doen des afwesenden te verstaan / al ware 't ook honderden van mijlen verre. De Wichelaar valt / na 't roeren van de Trommel / in onmacht / ende light voor dood onroerelik ter aarde: kort of lang / na dat hy verre van daar is / na wien gevraagd word, opstaande siet hy dan / 't gene men gelooft also te sijn'._ Heksenrok. De Europeesche Trolbloem ^(5)^ heet op sommige plaatsen. in Engeland, Heksenrok of -mantel. (Eng.~ `Witch gowan'). | | ^(1)^ Secale cereale L. | | | ^(2)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(3)^ Betuia alba L. | | | ^(4)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(5)^ Trollius europaeus L. | _Roll.~ I, 91 (naar Britten a.~ Holland, Dict.~), `Gowan' "=" hier `gown' d.~ i.~ mantel, gis ik. `Gowan' (Ten Bruggencate, Wdb.~) "=" Madelief ^_(1)_^; maar de Trolbloem (een Ranunculacee) heeft geen gelijkenis met de Madelief (een Composite)._ Heksenhoed. De giftige Vliegenzwam ^(2)^ heet in 't Waalsch `Tchap d'macrale' ("=" Heksenhoed). _Aldus te Vottem-bij-Luik. (Roll.~ XI, 130)._ Heksenkrans. Een soort van Wolfsklauw, nl.~ de Alpische (Lycopodium alpinum L.~) heet ndl.~ Heksenkrans. _Hier en daar in Nederland (Houttuyn, Nat.~ Hist.~ volgens het samenstd van den H"r" Linnaeus (1773-83); De Gorter, Flora VII provinciarum Belgii f"oe"derati (1781)._ Tooverboek. Te Antwerpen gebruiken de Zwartkunstenaars Tooverboeken of zoogenaamde `Pintjesboeken'. _"*" De eigenaar van zulk Pintjesboek kon met zijn muts wondertoeren ver- richten. Onder meer: wierp hij zijne muts in eenen Boom, dan regende het geld uit de kruin; -- het regende ook gdd, indien hij den Boom maar eens schudde. Dit geld was echter Vliegend Geld: 't verdween uit de zakken, op 't oogenblik dat men er mee thuis kwam. 't Is een Antwerpsch volksgeloof. (VL, V, 82). Zie over Faust's Tooverboek, en dat van Klaas Kunst, en over het Toover- boekske van den Duitschen Schaper, beneden en Hoofdstuk IV._ "*" In Vlaamsche Volkssagen komt vaak voor een Heksen- meester, bekend onder den naam van Duitschen Schaper (herder): hij bezit een Tooverboek. _Hij beveelt de Duivels uitgesproeid Koolzaad^_(3)_^ op te rapen. Op een hofstee te Beveren (op den IJzer) was een Duitsche Schaper. Hij bezat een Tooverboekske. Op eenen dag dat hij afwezig was, nam de Koeier het boekske en las er in. Alles, stoelen, tafels, enz.~ begint te roeren en te draaien. Gelukkiglijk | | ^(1)^ Bellis perennis L. | | | ^(2)^ Amanita muscaria Pers. | | | ^(3)^ Brassica napus L. | komt de Schaper thuis. `Loop, roept hij tot den Koeier, en neem den zak met Koolzaad, en giet hem uit boven de Doornvimme ("=" Doornmijt)'. Nu vliegen duizend zwarte Kraaien boven de hofstee. `Duivels uit d'helle!' schreeuwt de Schaper, `raapt mij, Zaadje voor Zaadje, al dat Koolzaad van tusschen en onder dat Hout, doet het wederom in den zak en vertrekt dan van hier naar de plaats vanwaar gij gekomen zijt!' De Kraaien zitten op de vimme, die er zwart van is en men ziet ze den zak vullen met de Koolzaadjes. Daarna vliegen ze de lucht in, laten nen afgrijselijken schreeuw en zijn weg. (Leroy, Oud-Vl.~ Zeisels, p.~ 346 en vvgg.~). "*" In een zeer gelijkende sage uit Heist-op-den-Berg is de boer van de Goorschrans (te Boisschot) de Toovenaar en 't zijn de zoons die, gedurende zijn afwezigheid, in zijn Tooverboeken lezen: ipvl.~ Koolzaad giet de boer `een meuken speurrezaad'^_(1)_^ door de Houtmijt en de Zwarte Vogeis moeten al het gestrooide zaad oprapen, terwijl de Boer averechts in zijn boeken leest en alzoo de Vogels verjaagt. (Coeckelberghs, 95)._ Over het Rijpaard der Heksen, z.~ boven Heksenbessem. (Hoofdstuk I. d. 2). En over hun Tooverstaf, z.~ beneden (Hoofdstuk VI, a, 1). | | ^(1)^ Spergula sativa Bnninghausen. | *III. Echte Heksenplanten.* In de twee vorige hoofdstukken is er sprake geweest van de Heksenplanten die door Heksen (of Toovenaars -- doch zeldener, want het schijnt dat de vrouwen liever dan de mannen zich met Heksenkunst bezighielden) voor hun eigen nut of genoegen ge- bruikt of gezocht worden. Thans wil ik gewagen van die Planten, welke door de Heksen (of Toovenaars) benuttigd worden om hun Hekserijen ten nadeele van andere wezens uit te voeren. Ik noem ze de echte Heksenplanten. Het zijn dus Gewassen die door Heksen en Toovenaars worden aangewend om een bepaald doel te bereiken -- veelal noodlottig doel voor mensch, dier of Plant, doch soms weleens deze voordeelig. Ja. oningewijden, die de ge- heimen der Tooverkunst niet kenden en bij geval of avonture, of na initiatie, de kracht dier Kruiden ontdekten, konden, in som- mige omstandigheden, ermede wonderbare dingen uitrichten. De rol van zulke Heksenkruiden in het leven van 't gemeene en, zelfs eertijds, in dat van 't geleerde volk was overgroot. Het volksgeloof hechtte en hecht nog aan zekere Planten een boven- natuurlijke kracht en men mag wel met Angelo de Gubernatis (I. 172) beweren dat de Tooverij wezenlijk steunt op de kennis van de eigenschappen der Gewassen. Het kan dus niemand ver- wondering baren dat. zooals uit de volgende bladzijden zal blijken. zooveel Tooverplanten ons bekend zijn. a. *Heksenplanten in het algemeen.* In het Kapittel VII van het Boek van Enoch -- men schrijft ook Henoch -- leert men ons dat de Engelen of Kinderen der Hemelen bemerkten dat de dochters der eerste menschen schoon waren; zij werden er op verliefd en elk van hen -- zij waren ten getalle van twee honderd -- koos een dezer dochters en woonde met haar. Zij leerden haar de Tooverkunsten en de wondere eigenschappen van de Wortelen en de Boomen. Het was vooral de Engel Amazarak die haar die kunst en die krachten onderwees. _Z.~ Lancelin (H.~ Myth. de Shatan, 16-18); en de vertaling van dit apokalyptische boek van Enoch door Dillmann (1851)._ Men kent de echte Tooverkruiden aan 't volgende ken- teeken: nauw geplukt, beginnen zij, onder vrijen hemel, te zieden en te verdampen. _Perger, 64._ In de middeleeuwen was het gebruik van Heksenkruiden zoo verspreid dat de Roomsche Kerk hiertegen meermaals krachtdadig opkwam. Niet dat men het bestaan van Heksen en Toovenaars ontkende, maar men verbood enkel, ten strengste, op pene van excommunicatie, het gebruiken van Heksenkruiden. _Het provinciaal Concilie van Bourges (1528) beveelt aan de Pastoors of Rectors van de parochin te zeggen, aan hunnen Bisschop of aan dezes Groot-Vicaris, of zij, in hunne parochin Toovenaars kennen, die, ten behoeve van hunne Heksenwerken, bijzondere Kruiden plukken. (Thiers, I, 33). -- In zijn Hervorming die De Monluc, Bisschop van Valence en Die (Frankr.~) in 1557 tot stand bracht, verbood hij aan de Pastoors de Kommunie te geven aan die personen, welke Kruiden en Wortelen verzamelen voor andere gebruiken dan die voor dewelke de natuur ze gemaakt heeft. (Thiers, I, 57). -- Le Gouverneur, Bisschop van St.~ Malo (Fr.~) zegt in de synodale statuten van 1618: `De Toovenaars, werktuigen van den Duivel, bezigen, voor hun magisch gedoen, middelen en teekenen, die, te oordeelen naar hun natuurlijke kracht, de uitwerkselen, die de Toovenaars beloven, niet kunnen veroorzaken noch voortbrengen en, naar de Goddelijke regeling en schikking, niet toegelaten zijn; b.v.~ als die Tooveraars, over zekere geneesmiddelen, Tooverwoorden preutelen, die zij gebeden noemen, en water gieten op zeker Kruid; of zich bedienen van zeker gespleten Wisse^_(1)_^; als zij beweren dat de Kruiden krachtiger zijn indien zij geplukt worden zonder spreken; als zij vernielen of beschadigen de Wijn-. gaarden, de Boomen, de Graanplanten, en wind, hagel en tempeest maken; enz.' (Thiers, I, 56). -- De Solminihac, bisschop van Cahors (Fr.~) schrijft in zijn synodale statuten van 22 April 1638: dat in den ban zijn alle priesters en klerken, die, tijdens ziekten of ander gelegenheden, brevetten geven, of gordels, of briefjes met Kruiden, woorden, teekenen of andere dingen, die door de Heilige Dekreten veroordeeld zijn. (Id.~ 61). -- Ook verwittigen aldus St.~ Franciscus de Sales en d'Aranton-d'Alex, bisschoppen van Gnve (Id.~ 65) en Le Camus, bisschop van Grenoble (Id.~ 68). -- En Joly, bisschop van Agen (Fr.~) verbiedt het dragen of plukken van zeker Kruiden, op bepaalde dagen of uren; men zie zijne Sta- | | ^(1)^ De Teen-soorten. als Salix alba var.~ vitellina, S.~ purpurea L.~ en S.~ vimi- nalis L. | tuten en Reglementen van 1666, geconfirmeerd in 1673 (Id.~ 65) en vergelijke met de Censuur van de Faculteit van Theologie aan de Universiteit van Parijs. (Anno 1398; Id.~ I, 81). Te Kampen (Holland) had een groentevrouw een jongen betoovetd met hem zekeren Wortel te geven. Was het de gewone eetbare Wortel of Peen^_(1)_^, of een Wortel van een eigenlijk Heksenkruid? Bekker verklaart het niet nader; hij schrijft o.~ a.~ (IV, 82): `In de maand November, of 't begin van December des jaars 1685 heeft zeeker jongen out omtrent 13.~ jaaren, kleen van postuir en tanger, soon van zeker Leydekker of Pompmaker in de St.~ Jacobssteeg tot Campen, beginnen. te klagen over pyn in verscheyde plaatsen van zyn lichaam, die hy zeide, dat van tyd tot tyd heviger wierde, en (zoo 't scheen) met groote zenuwtrekkingen quam. Deze gemaakte pyn wierd op 't hevigste vertoont, als hy zyn water zoude maken in 't welk nu en dan enige spelden wierden bevonden; 't welk 't gerugte veroorsaakte, en 't geloove onder ieder een, dat die voorsz.~ jongen `behekst was'. Hy wierd dan afgevraagt, van wie hy betoovert was? en antwoordde, dat zeeker groenwyf hem eenige tyd geleden op straate zekere Wortel hadde gegeven, die hy op gegeten hadde; en dat hy zig t'zedert qualyk hadde beginnen te gevoelen: waar op aanstonts die onnozele vrouw voor een tooveresse wierd uitgekreten, welk gerugte zig hoe langs hoe meer verspreidende, terwyle de jongen continueerde in 't gemaakte wateren van spelden en naalden, zoo groote als kleine, tot paknaalden zelve'. Men leze de heele droevige historie bij Bekker ter aangehaalde plaatse. Doch de jongen, in 't nauw gebracht, bekende op den duur dat alles bedrog was, `dat hem in 't minste niets en deerde; maar dat hy het gedaan had, om dat yder met medelyden over hem ingenomen wierd, en hy veele lekkernyen ontfing, en van dagelyx na de winkel te gaan werken ontslagen wierd'. Veel Hekserij steunt zekerlijk op bedrog; doch het feit, hier opnieuw verhaald, bewijst hoe diep nog, op het einde der 18"e" eeuw, het geloof in betoovering verspreid was. "*" In 1598 werd, te Gent, de Tooveres, die den bijnaam droeg van `Baer- voetsche Nele' -- naam die genoegzaam bewijst dat de arme sloor door hare Tooverkunst niet rijk was geworden -- veroordeeld; en in het vonnis is er sprake van onheilvoortbrengende Tooverkruiden. Haar echte naam was Cornelia van Beverwyck f"a" Reiniers, oud 75 jaar, weduwe van Antheunis De Muldere. Uit het vonnis knip ik: `Omme dieswille dat ghy... u vervoordert hebt van over 18 jaeren ende beth, God van hemelrycke te verlatene, over sulcx noyt sedert te biechte noch ten heyligen sacramente gheweest, maer hebt aenghehanghen den vyandt van der hellen, die ghy gheseyt hebt te wesen Satan, ende tot dien effecte hebt voor pand ghegheven een spelle; d'welck ghedaen, hebt van den selven Sathan ontfaen een teecken up u slynck been, latende hem u bekennen naer syne maniere van doene, by claeren daeghe up Eckergem; t'selve ghedaen hebt voor hem gheknielt, en syn achterste naect gekust, in teecken van hem onderdanich te syne. Ende van dien tyd af, hebt dickwils eenige Cruyden be- waert ende onbehoerlick gheuseert. die ghy in latynsche woorden ghexpresseert | | ^(1)^ Daucus carota L. | hebt, daer mede ghy vele persoonen ende haerlieder bestialen hinderlyck zyt gheweest, namentlyck de huusvrouwe van Antheunis de Langhe ende Eynken Brandt up de muyde, d'huusvr.~ van Jan Hebbelynck up den Callanderberch, Gheerardine van Oostackere, huusvrouwe van Bernaart, weert in de Cleppe, die daer naer ghestorven is; soo ooc is t'kint van Claerken Beurtman in de abeel- straete'. (Cannaert, 480)._ Het was ook verboden Kruiden onder het zeggen van Too- verwoorden of Tooverformulen te plukken. _In de Canons pnitentiaux leest men: `Celui qui aura cueilli des Herbes mdicinales avec des paroles d'Enchantements, fera pnitence cinq ans'. (Thiers, Sup.~ I, 17). Cf.~ de Tooverformulen bij den ouden Cato. (Reinach, Rel.~ 3, 10)._ b. *Bepaalde (genoemde) Heksenplanten.* Ze zijn talrijk en ik zal ze hier systematisch (naar Brner, Volksflora, 1912) schikken. 1. Kryptogamen. De Kampernoeljen -- vooral de giftige -- zijn Heksenzwam- men (vgl.~ boven Heksenbrood); -- inzonderheid de bleekgele Buiszwam^(1)^. _Bij Pritz.~ u.~ Jess.~: `Hexenpilz' "=" Heksenzwam. -- "*" Van Sterbeeck (II, 180-82) brengt deze Zwamsoort -- die echter eetbaar is, alhoewel velen en zelfs de kenner Van Sterbeeck haar als giftig beschouwen, omdat het vleesch, in de lucht doorgesneden of gebroken, blauwachtig of groenachtig wordt -- met de Pad -- zooals men weet, een Heksendier -- in verband; een lichte verschei- denheid heet hij in 't Lat.~ `Vitta bufonis' en in 't Vlaamsch de `Holle Pad- demuts'; een tweede: `Paddencap', Lat.~ `Caput bufonis', doch deze behoorde `Duyvelsch broot te heeten, want ghelijck het gemeyn spreeck-woort seght, dat den Duyvel met grooten stanck verdwijnt, soo doet dese Fungi van ghe- lijcken'; -- een derde `om haere inwendighe Doodelijcke natuer': `Padden- buyck', omdat `het inghewant der padden het meeste fenijn is'. -- Lat.~ vitta "=" eig.~ haarband of -snoer. Apuleius vertelt dat Sokrates het hoofd van eenen mensch afsneed en door middel van zeker Kampernoelje weder op den romp zette. (Wollf, N.~ S.~ blz. 691)._ Mos op verrotte Doodsbeenderen gewassen is een goed Too- vermiddel. _Perger, 209._ | | ^(1)^ Boletus luridus L. | De Adderstong^(1)^, een Varensoort, werd, door Heksen, in hun verderfelijke Tooverdingen gedaan. _Aldus in Engeland (This.~ 64; z.~ ald.~ het citaat uit Ben Johnson's Masque of Queens). "*" In Vlaanderen heet deze zeldzame Varen, naar den vorm, Lanse Christi (of Lancie Christi) en men zoekt ze om ermee te kunnen tooveren. (VL, VII, 190)._ De met de vorige Plant verwante en insgelijks zeldzame Druifvaren^(2)^ werd ook door de Heksen tot magische doeleinden aangewend. _In Engeland (This.~ 64). -- Het was een Lunaria of Maankruid, en al de Lunaria's waren Tooverkruiden; want, naar het gevoelen der Ouden, konden de Toovenaressen `de Mane bedwinghen / om haer schuym te worpen op de Cruyden om te dienen tot de Tooverijen'. (L.~ Apuleius, Gulden Esel, blz.~ 2). "*" Druifvaren was overigens een Wonderkruid; en Dodoens (203) schrijft: `De Alchymisten willen met dit Cruyt wonder bedrijven / ende hunnen Mercurius congeleren ende fixeren; waer door te gelooven is dat het soo krachtigh is als eenigh ander Cruydt soude moghen wesen'._ Een ander Varen soort, de gemeene Mannetjesvaren^(3)^, heet, in Duitschland, `Hexenkraut' ("=" Heksenkruid) en `Hexenwur- zel' ("=" Heksenwortel). _Pritz.~ u.~ Jess.~; Nemnic; Salomon-Voss._ Overigens bezat alle Varenzaad de grootste Tooverkracht. _De Varen deed bij jagers en boeren (aldus Perger, 211) de grootste verwondering ontstaan, omdat zij niet konden begrijpen, dat een zoo schoon en deftig Kruid noch Bloemen noch Vruchten schenkt en toch zich altijd frisch en krachtig ontwikkelt. Zij dachten dat in de voortteling van Varens een bijzon- dere geheimnis verborgen lag. En dat is voldoende om te verklaren waarom Varenzaad zulke gewichtige rol in de volksverbeelding speelde, alhoewel niemand die er over sprak en aan de Wonderkracht geloofde, zulk Varenzaad met eigen oogen gezien had. Zelfs groote Botanisten (als Linnaeus b.v.~) kenden de echte geslachtsorganen van de Varens niet. "*" Dodoens (757) schrijft dat het Varenblad `van achter oft op den rugghe met vuyle^_(4)_^ stipkens als bijster dun stof bespreyt (is): weick stof t'onrecht van | | ^(1)^ Ophioglossum vulgatum L. | | | ^(2)^ Botryllii lunaria L. | | | ^(3)^ Polystichum filix-mas L. Met deze verspreide Varen verwart het volk: | Wijfjes-Varen (Asplenium filix-f"oe"mina L.~), de Adelaars-varen (Pteris aquilina | L.~), Aspidium aculeatum Sw.~ en een paar ander grootbladige Varensoorten. | | | ^(4)^ De bewering van Frazer (Balder the Beautiful, 2 (1913, 290; Vermits | de Varensporen -- 't zou soren, moeten zijn -- als goud glanzen, kan men met | hunne hulp goud ontdekken, durf ik niet tot de mijne maken. | sommighe voor het saedt van dit ghewas aenghesien ende ghehouden is ghe- weest'. Dit stof bestaat uit de googenaamde Sporen. En hoe bekwam men dat zoo gewenschte Varenzaad? Men moest het zoeken en halen op St.~ Jansnacht of op Kerstnacht. Doch wilde men het, met gemak en zekerheid verkrijgen, zoo moest men eerst zijn ziel aan den Duivel verkoopen. En had men er eindelijk toe besloten zelf Varenzaad te halen, zoo mocht men gedurende den ganschen Advent niet bidden, geen wijwater aanraken, geene kerken bezoeken en maar gedurig wenschen dat de Booze Geest geld verschaffen zou. Toen eindelijk de bestemde nacht gekomen was, ging men, tusschen elf en twaalf uur, naar eenen kruisweg, over denwelken reeds lijken naar het kerkhof werden gedragen. Alsdan verschenen daar veel afgestorvenen, bekende en onbekende, die den vermetele aanmaanden toch van zijn voornemen af te zien. Hij, die Varenzaad wilde bekomen, mocht zich echter niet verroeren, noch geen trek van zijn wezen laten vergaan, anders zou de Duivel hem verscheuren. Werd die ijselijke proef tot klokslag twaalf met goed gevolg onderstaan, zoo kwam de Duistere Jager en hij gaf een horentje met Varenzaad. Aldus in Zwaben. (Perger, 211; Meyer, I, 243). Varenzaad wordt niet, ais ander Plantenzaad, langzaam, wel plotseling rijp. En als het rijp is, valt het als fonkelend vurig goud met groote kracht ter aarde en verdwijnt er zoo snel dat het niet kan teruggevonden worden. Deze kracht in 't vallen is zoo geweldig dat het zelfs metalen mortieren, waarin men het wou opvangen, stuksloeg. Alleen een Koolzwart boksvel kan het in den val tegenhouden. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ 113). Paracelsus legde onder de Varen de breede bladeren van de Toorts ^_(1)_^ en hierop viel het gezochte en verlangde Varenzaad. (Perger, 211). Een boer uit Alpach (Tyrol) deed het anders: op eenen avond ging hij naar het Woud, lei zijn hemd onder een Varenstruik, stak zeven kruisvormige Vlierrijzers^_(2)_^ in eenen kring In den grond en trok daarna naar huis: 's anderen- daags vond hij het Varenzaad op zijn hemd. (Perger, 214). In Bohemen spreide men, op den ouden St.~ Jansnacht (nl.~ 8 Juli), een gewijd kerkkleed onder de Varen en verzamelde men aldus het wonder Varen- zaad, dat, vor zonsopgang, nederviel. (This.~, 205). Ad.~ Kuhn maakt ons een zonderlinge verzamelwijze bekend: op zomer- stilstanddag schiet men naar de zon, ais deze de middaghoogte bereikt; drie bloeddroppen vallen neer; men neemt ze op, want dit is Varenzaad. (This.~ 205). Hier nog eene Badische sage over het zamelen van Varenzaad: Op eene hoeve te Eschelbach was een jonge knecht, een voerman die van den Duivel Varenzaad had gekregen. Een ander knecht van dezelfde hoeve wilde ook zulk Tooverzaad in zijn bezit hebben en vroeg daartoe de hulp van zijnen kameraad. Beiden gingen, om elf uur, te Kerstnacht op eenen kruisweg. Hier trok de voerman eenen kring, gebood stil te zwijgen en las uit een klein boek de won- derlijkste dingen voor. Omstreeks half-twaalf hoorden zij 't geraas van het | | ^(1)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(2)^ Sambucus nigra L. | Wilde Heir; daarna kwam een zware molensteen aan een dunnen draad over hen beide hangen. Vervolgens verscheen een vierspan, wiens geleider, om de twee wachtenden te doen spreken, den weg naar het naaste dorp vroeg. Dan gleed een groote houten schotel naar beneden en die schotel vroeg of hij den voorbijgereden wagen zou kunnen inhalen. En die schotel bleek zoo komisch te doen dat de oningewijde knecht luide lachen moest; waarop de voerman hem een klinkende oorveeg toedeelde, zeggende dat dit gelach de schuld was dat zij geen Varenzaad zouden bekomen. (Baader, Neue Volkssagen, n"r" 139; Perger, 218). "*" Zij die Varenzaad zoeken, `rekenen voor het Saedt van Varen-cruydt die kleyne stipkens die achter aen de Bladeren wassen, ende eerst grauw zyn, maer metter tijdt swart worden ende afvallen. Dit Saedt vergaderen sij in de Braeckmaendt' -- dat is Juni -- `(ende slj snijden de Bladers neffens de Wortelen af, ende hanghen die te drooghen, daer onder fijn lijnwaet oft papier spreydende: ende dan valt het Saedt daer op) In sonderheyt In den nacht voor Sint Jans dagh; want dan ghelooven sij dat het vergadert moet worden, ende dat met sommighe belesinghen, coniuratin ende hooghe woorden die sij daer over spreken; met de welcke sij de boose gheesten verdrijven, die dit selve Saedt bewaeren: want die zijn soo nijdigh, dat sy den mensche soo veel goeds niet en gunnen, als sy met dit Saedt souden konnen uytrechten.' (Dod.~ 759). Aldus de commentator voor de uitg.~ van 1618, nl.~ Joost van Ravelingen, die er echter ongeloovig bijvoegt dat zulke ijdele beuzelingen eerder te bespotten dat te ge- looven zijn! Jean-Fr.~ Bonhomme, bisschop van Vercelli (Itali) en vriend van den H.~ Karel Borromes, zegt in zijn Decreten (1579) o.~ a.~: `Hij zij streng gestraft, die Varen of Varenzaad zamelt, of eenig ander Kruid of Plant, op zekeren be- paalden dag of op zekeren bijzonderen nacht, met de gedachte dat het nutteloos zou zijn, hen op andere tijdstippen te plukken'. (Thiers, I, 43). Over het zamelen van Varenzaad In St.~ Jansnacht, zie nog Roll.~ XI, 159 en vgg. En wat Heksenwerk kon men niet al doen met dit magisch Varenzaad en welke geheime bovennatuurlijke kracht bezat het niet! Wie het over zich droeg, werd onzichtbaar (z.~ beneden); -- hij kon arbeiden zonder zich te vermoeien en zoolang en zooveel hij maar wilde, ja, wel zooveel als twintig gewone werklieden. (Perger, 212). "*" Varenzaad heeft macht `om alle tooverljen ende quade belesinghen krachteloos te maecken' -- het werd dus gebruikt om te tooveren en te ont- tooveren! -- `andere meynen daer noch meer andere wonderwercken mede te doen, als sloten te openen, boyen te doen opspringhen'. (Dodoens, 759). Een jager die Varenzaad over zich draagt, mist nooit zijn doel. Om in worstelspelen te winnen nam men een weinig Varenzaad; om in de harten te lezen, wreef men er zich de oogen mee. Aldus in Nederbretanje. (Roll.~ XI, 100). De Duivel moet den Varenzaad-drager alles toestaan, wat deze verlangt, zelfs den fameuzen Wisseldaalder (hgd.~ `Wechselthaler'), dien men in Vlaan- deren Vliegenden Pauw of Heksepenning heet (DB), d.i.~ een Toovermuntstuk, dat, uitgegeven zijnde, immer in den zak van den eersten bezitter terugkeert. Geld, waarbij Varenzaad ligt, vermindert niet, wat men er ook afneme. (Leunis, Syn.~ I, Crypt.~ 20, Perger, 212-13). In de middeleeuwen heette dit kostbaar Tooverzaad, in Duitschland, `Wn- schelsame' ("=" zooveel als Wenschzaad), omdat al de wenschen van wie het over zich droeg, vervuld werden. (Perger, 113-4). Wie zijn ziel den Duivel had verkocht en van hem Varenzaad had be- komen, vond in den Boozen Geest een helper in alle mogelijke en onmogelijke dingen. De boven vermelde voerman van Eschelbach (uit Baden) kon, met paard en wagen rijden, zooals hij maar wilde; zonder hinder reed hij met een vierspan al galoppeerende de steilste hellingen af. Eens kwam hij met den geladen oogstwagen naar de schuur van de hoeve en, daar hij geen helpers tot lossen vond, reed hij met den wagen langs de ladder het dak omhoog en stortte daarna de schooven af op den schelf. De boer der hoeve keek juist het spel na, doch hij zweeg heel stil, want hadde hij een enkel woord gesproken, paarden en wagen en voerman, alles ware naar beneden gedonderd. (Perger, 213, naar Baader). Te Rothenburg (Zwabenland) leefde, vor omtrent 200 jaar, een wever, die slechts 's zaterdags werkte en al de overige dagen speelde en zoop, en toch, op dien enen dag, meer had geweven dan de handigste en ijverigste wever gedurende de heele week. Dat kwam hierdoor dat hij Varenzaad over zich droeg. Eens dat deze wever een linnen van honderd ellen op een enkelen dag had geweven, wilde zijn meesteres het stuk denzelfden avond nog inleveren. Zij deed het linnen in eenen korf en ging er mede heen. Haar weg voer langs de kerk van Ehingen; en toen zij hier even voorbijging, hoorde zij voor den `Heiligen Zegen' bellen, _zij_ zette den korf neder, knielde en ontving ook den Heiligen Zegen. Doch toen deze was uitgedeeld en de vrouw met haar linnen verder wilde gaan, zag zij, met verbazing, dat het heele stuk opnieuw garen was geworden! (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 112; naar E.~ Meier). In dezelfde landstreek Zwaben kan de drager van magisch Varenzaad zooveel werk verrichten als 20-30 man. (Meier, n"r" 267). De dager van Varenbloesem (de Sporen worden bedoeld) verstaat de taal der vogelen. Bij de Wenden van het Spreewald (Duitschland) heet de Varen `Paproschkraut'. Een jonge herder hoedde, op eenen nacht de ganzen van zijnen meester. En daar viel hem de Bloesem van Paprosch in de schoenen: Paprosch bloeit maar 's nachts, om het twaalfde uur, zegt men. Toen hij, in den vroegen ochtend, huiswaarts keerde. pochte hij niet weinig bij de andere lieden: hij zegde hun dat hij nu wist wat de ganzen onderllng hadden verteld. Zulke zonderlinge mare liep snel het heele dorp rond, en ook de meester van den herdersknaap hoorde het; door nieuwsgierigheid aangedreven liet hij den jongen bij zich ontbieden. De jonge wilde rein en ordentelijk vor zijnen meester verschijnen: hij trok de vuile schoenen uit en deed zijn beste aan. Doch nu wist hij niets meer van de ganzentaal en de meester bespotte hem als eenen pochhans (Rel.~ u.~ Bohn.~, 114). -- Ook Handtmann (58) zegt ons dat al wie onder Varen slaapt, de taal der vogelen verstaat. Vgl.~ de sage uit Istri, waar verteld wordt van een knecht die de taal der koeien verstaat, omdat, buiten zijne weet, Varenzaad in zijn schoenen was gevallen. (Krausz, S.~ u.~ M.~ der Sdslaven, 1883, I, n"r" 159). Wie op St.~ Jansnacht -- ondanks de nijdige waakzaamheid van Kwade Geesten -- Varenbloesem kan meester worden en zorgvuldig verbrandt, kan de asch als een wonderbaren Tooverspiegel gebruiken; hij kan er in zien welk het lot van afwezige vrienden is; zoo deze het welstellen, verandert de asch in een mooie Bloem, zijn zij gestorven of gaat het met hen slecht, dan blijft de asch koud en levensloos. Aldus op de Azoreneilanden. (Folklore, 1903, n"r" 14, 14s; Marzell, Unsere Heilpfl.~ 11). Met reden dunkt me, wordt er bijgevoegd dat dit geloof aan Varenbloesemkracht waarschijnlijk van Europeenschen oorsprong is en naar de Azoren is gemigreerd. Niet alleen dat zoogenaamd Zaad en Bloesem van Varen, deed wonderen: de heele Plant was een Tooverkruid. Schreed een wandelaar, zonder het te weten, over Varen, zoo verloor hij zijnen weg en hij kon dezen slechts terug- vinden met van schoenen te verwisselen. Was 't eene vrouw, zoo moest zij haar voorschoot afdoen en hem verkeerd aanbinden. Daarom heet Varen. in Thurin- gen, `Irrkraut' ("=" Doolkruid). (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 114; Perger, 215). Eertijds dacht men dat, de middernacht van Walpurgisfeest (1 Mei), het water van alle bronnen en beken in wijn werd veranderd, doch alleen hij, die Varenbloesem droeg, vermocht dien wijn te scheppen en te drinken. (Rel.~ u.~ Bohn.~ 114). Om in alle spelen te winnen plukte men Varenkruid op St.~ Jansavond, 's middags, en men maakte er eenen armband mee die den vorm had van het woord Huty. (Thiers, I, 365). Eenigen sneden de Wortelstok van Varen in den vorm eener menschenhand, die men Johanneshand of Gelukshand noemde: wie zulke hand over zich had, slaagde in al zijn ondememingen en verkreeg geld en goed in overvloed. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ 114; naar Montanus). -- Vgl.~ Mandragora en Galgenaas._ De gemeene Wolfsklauw ^(1)^ was een Heksenkruid. _In den Harz; (Duitschl.~) : `Hexenkraut'; -- bij Salomon-Voss `Hexen- pulver'. Vgl.~ boven._ "*" Een Brabantsche sage wijst bepaaldelijk de Steenvaren ^(2)^ aan: het is een meisje van Duisburg (drie uur van Brussel), met name Goedele, die op bevel van hare meesteres -- de oorkonde zegt niet uitdrukkelijk dat deze eene Heks is -- Steenvarenzaad moet gaan halen. _In het Register 12700 van de Rekenkamer van Brabant (Rekening loopende van 24 Juni tot 25 Dec. 1409) vindt men: `Onder den meyerien van Vilvorden: Van Goedelen, Merten Snellaerts maerte, om datse op Sint Jans avont des nachts te Duysborch opt kerchof aen | | ^(1)^ Lycopodium clavatum L.~ is geen Varen, maar behoort tot de familie der | | Lycopodiaceen. | ^(2)^ Ceterach officinarum Willd. | de kercke een becken, met kleederen gedect, gheset hadde, om Saet van Steen- varen te hebben, daer si over bevonden was, ende daer om gevangen ende ghe- pynt. Ende want men niet aen haer en vant dat si yet wiste wat met metten Sade doen soude, anders dan datse haer meesterse daer ghesonden hadde ende alsoe ghewyst te doene, ende om dat si daer af genaede coes, soe lietse d'am- man pointen om V cronen, valent XVJ s.~ VIIJ deniers'. Goedele kwam er goedkoop van af! (VL, VI, 14; DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ 56-7). "*" Ceterach was een Heksenkruid: `dat sommighe van gevoelen zijn / dat men met dit selve cruydt de vrouwen belett swangher te worden oft te ontfan- ghen / 't zy alleen / 't zy met de milte van eenen Muylesel aen 't lyf van de vrouwen ghehanghen: ende dat dit cruydt om 't selve te doen / ghepluckt moet worden des nachts (als de Mane niet en schijnt)'. (Dod.~ 766). -- En op een ander plaats: `Sommighe Quacksalvers ende lantloopers van Medecijnen ver- sekeren dat het soo krachtigh is om de lever te verstereken / dat selfs een ghesoden lever van eenigh dier oft beest / met dit cruydt hersoden zijnde / wederom rauw sal schijnen te wesen / ende sijn oude ghedaente op een nieuw wederghe- ghen te hebben'. (Id.~). Ik denk evenwel dat de in 't hooger vermeld stuk genoemde Steenvaren een ander soort dan Ceterach is; namelijk de veel gemeener Steenruit^_(1)_^: men vindt ze bijna overal in Brabant en Vlaanderen tusschen de reten der kerkhof- muren. Hieronymus Bock heet deze Varensoort Miraculum natur"ae" d.i.~ Mirakel der Natuur; en Dodoens (768) Salvia vit"ae", Fr.~ `Sauve-vie', naar de Wonder- krachten. Het eigenlijke Ceterach is veeleer zeldzaam in de omstreek van Brussel._ 2. Naaldboomen (of Coniferen). "*" Te Turnhout en omstr.~ staat de Zeepijn^(2)^ bekend onder den naam van Heksemast. _Aldus ook in Noord-Brabant (Holland) beoosten Tilburg. De reden dezer benaming? Pque (Vl.~ Volksn.~, 146) geeft de naar mijn inzien gewaagde ver- klaring: `De Bladeren (Naalden) en Vruchten (Toppen) van deze soort zijn buitengewoon groot; veel grooter dan bij de gewone Pinus silvestris L. Het volk zal daar iets als bovennatuurlijks gezien hebben en er de Heksen van verantwoordelijk gemaakt'. Vgl.~ liever boven met de Heksenbessems: een ge- meene inlandsche Pijn (Pinus silvestris) vertoont er soms._ Ook Ciprestwijgen^(3)^ en Lorkesap ^(4)^ werden door de Hek- sen soms benuttigd. _This.~ 64 (naar Ben Jonson, Witches Song; z.~ de tekst beneden bij Hoornheul). | | ^(1)^ Asplenium ruta-muraria L. | | | ^(2)^ Pinus maritima Poir. | | | ^(3)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(4)^ Larix europaea L. | Magirs gebruikten, voor hun magisch Zaterdagwerk, Cipresguirlandes. (Lvy H.~ Mag.~ II, 120)._ 3. Laurierachtigen (of Lauraceen). De Magir verricht, des Zondags, zijn magische werken van licht en rijkdom, en gebruikt hiertoe den Laurier^(1)^. _Den Zondag moet hij zijn werk doen van middernacht tot 8 uur 's morgens, en van 3 uur 's namiddags tot 10 uur 's avonds. Hij draagt een pur- peren kleed, eene tiara en een gouden armband. Het reukaltaar en de driepikkel van 't heilig vuur zijn omringd van kransen van Laurier, Zonnewende^_(2)_^ en Zonnebloem^_(3)_^; de gebruikte Reukstoffen zijn Cinnamom^_(4)_^, Saffraan^_(5)_^ en roode Sandal^_(6)_^. Zijn ring is van goud met een chrysoliet of een robijn; de tapijten zijn leeuwenvellen, de waaiers sperwerpluimen. (Lvy, H.~ Mag.~ 117). Van de hier opgesomde Planten zijn Laurier en Cinnamom (of Kaneel) Lauraceen. De reukstof Cinnamom is de binnenschors van den Cinnamomlaurier. Om een paard te doen hollen bindt men eenen mollepoot in een laurier- blad en steekt hem in een oor van het dier. Aldus Alb.~ Magnus, CIIIIJ, verso)._ Voor zijn magisch Maandagwerk benuttigt de Magir Kamfer. _Lvy, H.~ Mag.~ 118. De Kamfer ligt in de spleten van het hout van den Kamferboom^_(7)_^._ 4. Hanevoetachtigen (of Ranunculaceen). Onder de Ranunculaceen telt men een vijftal Heksenkruiden. Vooreerst de welbekende gewone paarsroode Pioen^(8)^, die men, in ons land schier in alle boerentuinen kweekt. Het was een Too- verkruid, dat veeleer den mensch goed dan slecht deed. Inzonder- heid de Zaden werden in Heksenkunstjes aangewend: daarom heet men ze in Duitschland `Hexenkrner' ("=" Heksenkorrels). _Pritz.~ u.~ Jessen. De Pioen heeft, na 't uitbloeien, kleine roode Vruchtjes, `die soo Apuleius betuyght... schijnen te lichten des nachts ghelyck een keersse'. (Dod.~ 299). -- Daarom heet Aelianus de Pioen `Aglaophotis', in 't Grieksch, dat is `Licht blinckende' in ons klaar Nederlandsch (Id.~); het is een Kruid, zoo schrijft onze | | ^(1)^ Laurus nobilis L. | | | ^(2)^ Heliotropiurn europaeum L. | | | ^(3)^ Helianthus annuus L. | | | ^(4)^ Kaneel of Cinnamomlaurier (Cinnamomum ceylanicum Nees. Laurus Cin- namomum L.~). | | | ^(5)^ Crocus sativus L. | | | ^(6)^ Pterocarpus santalinus, een Vlinderbloemige. | | | ^(7)^ Carnphora officinalis Nees "=" Laurus carnphora L. | | | ^(8)^ Paeonia officinalis L. | geleerde Mechelaar, dat zich des daags onder de andere Kruiden verschuilt, maar des nachts glinstert gelijk een ster en bijgevolg alsdan lichtelijk wordt gezien door den wille van dezen `klaerschijnenden vierighen glans, die sij verre ende wijdt verspreidt'. (Dodoens). Men mocht deze Plant alleen des nachts plukken; want de specht was haar bewaker en schoot met den grimmigen bek naar de oogen van den verme- tele die het waagde ze des daags uit te graven. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 293; naar Plinius). Volgens Dodoens is onze Pioen de vermaarde Baaras, waarover Josephus, de Joodsche historieschrijver, spreekt en die haar naam kreeg van de plaats, waar zij veel gevonden werd. Dat blijkt merkelijk genoeg, zegt deze Vlaamsche Botanist, als men wat Aelianus over zijne Aglaophotis (die hij nog Cynopastus heet) schrijft, met hetgene dat Josephus over zijne Baaras verhaalt, te zamen brengt en overwegen wil. Want Aelianus schrijft dat de Aglaophotis of Cyno- pastus niet zonder vaar en gevaar uit de aarde getrokken wordt en dat zeker persoon, die het Kruid niet wel kende en het aanraken of uitrukken wou, daarvan gestorven was. Dus, indien men het uit den. grond halen wil, moet men, des nachts, eenen stok of eenig ander merkteeken bij zijne Wortelen steken, daarna, met een sterke koord, eenen hond aan deze Wortelen binden en het dier weglokken door den reuk van gebraden vleesch; de hond, gretig naar het vleesch, zal alsdan met geweld het kruid uit de aarde trekken. -- En nagenoeg hetzelfde zegt Josephus van zijne Baaras: des avonds blinkt zij als eene ster of een genster; doch zij kan door die welke haar nader komen, niet lichtelijk uit de aarde gehaald worden; men moet er eerst vrouwepis of maandstonden- bloed over gieten, of er eenen hond aan binden, nadat men vooraf den Wortel wat heeft losgemaakt; zoo kan het dier de Plant uit den grond rukken, hetgeen anders zeer moeilijk en zeer gevaarlijk om doen zoude zijn. Eenigen denken evenwel dat de Baaras of Cynopastus de Mandragora is, die men op gelijke manier uit den grond moet halen. Vgl.~ Roll.~ I, 119; en zie beneden: Mandragora. De Heksen gebruikten de Pioen om te genezen, niet om kwaad te doen. Ook wel de gewone mensch: Tegen de vallende ziekte hing (of hangt) men aan den hals der jonge kinderen den verschen Wortel eener Pioen. Aldus ge- dragen genas hij ook het podagra; het verdreef den boozen `Alp'; enz. Z.~ beneden: B, Antimagische Flora._ Daarna het Kristoffelkruid ^(1)^, een Giftplant met kleine, witte vierbladige Bloempjes. dubbel-gevinde Bladeren en trosvormende, eironde, zwarte Bessen. Men vindt het hier en daar in onze Ar- dennen. _Toovenaars gebruikten het vroeger om te `Christoffeln' (aldus in Duitschl.~) d.i.~ om geldverbergende Geesten te bezweren. (Leunis II, 480). "*" Dodoens heet het `Sinte Christoffels-Cruydt' en brengt het dus tot den | | ^(1)^ Actaea spicata L. | H.~ Christophorus. In de middeleeuwen overigens heette het Kruid in 't Lat.! `Christophoriana'. De H.~ Kristoffel (aldus Shns, 107) is heer en meester over alle Geesten, bijgevolg ook over de Booze, die de onderaardsche schatten bewaken. In Zwitserland is de Plant tamelijk gemeen; en men noemt ze (in Aargau, Zurich, Glarus) `Hexenkraut' ("=" Heksenkruid); ook aldus bij Augsburg. -- Nog in Zwitserland en in den Elzas `Berufkraut' (van het werkwoord `be- rufen' "=" beheksen). -- In Frankenland, o.a.~ te Henneberg, `Beschreikraut'- (`beschreien' "=" betooveren). Z.~ Pritz.~ u.~ Jess.~; C.~ J.~ Durheim, Schweizerisches Pflanzen-Idiotikon, Bern (1856)._ De Trolbloem^(1)^ was reeds bij de voorouders eene Toover- plant. _De naam bewijst het (Perger, 160). Over de verschillende beteekenissen van `Trolle, Trulle', z.~ b.v.~ Weigand, D.W._ De Monnikskap^(2)^ is eene Medeaplant. _Z.~ beneden, Hoofdstuk IV, a. -- De Heksen gebruikten ze. (This, 64; naar Ben Jonson, Masque of Queens, waar zij `Libbard's bane', d.i.~ Luipaardsboon genoemd wordt)._ Ook de Keukenschelle^(3)^ staat met het Heksenvolk in ver- band. _In Oost-Pruisen heeft ze den naam van `Hackelkraut' en `Hackenkraut' (`Hacke' "=" Heks). Aldus Shns, 19; Frischbier, Preuss.~ Wrterbuch, 1882._ Magirs gebruikten voor hun magisch Maandagwerk. kransen van gele Boterbloemen^(4)^ en voor hun magisch Zaterdagwerk kransen van Zwart Nieskruid^(5)^. _Des Maandags doet de Magir werken van waarzeggerijen en mysterin, terwijl hij de maan aanroept. Hij draagt een wit kleed met zilveren banden, een driedubbel halssnoer van paarlen, kristallen en selenieten. De tiara is met gele zijde bedekt, die Hebreeuwsche letters draagt, vormende het monogramma van Gabril, dat men in de okkulte philosophie van Agrippa terugvindt. Het reuk- werk bestaat uit witte Sandel^_(6)_^, Kamfer^_(7)_^, Amber, Alos^_(8)_^ en Komkommer- zaad^_(9)_^. De kransen rond het reukaltaar en de heilige driepikkel zijn van | | ^(1)^ Trollius europaeus L. | | | ^(2)^ Aconitum napellus L. | | | ^(3)^ Anemone pulsatilla L. | | | ^(4)^ Ranunculus-soorten. | | | ^(5)^ Helleborus niger L. | | | ^(6)^ Santalum album. | | | ^(7)^ Laurus camphora L. | | | ^(8)^ Alo soccotrina L. | | | ^(9)^ Cucumis sativus L. | Averoone ^_(1)_^, Selenotroop en gele Boterbloemen. Hij vermijdt alle behangsels kleeren of voorwerpen van zwarte kleur en draagt op zich geen ander metaal dan zilver. (Lvy, H.~ M.~ II, 117-8). -- Het Selenotropion, d.~ i.~ Manewende (vgl.~ Zonnewende of Heliotropion), is mij onbekend._ 5. Muskaatnootachtigen. In zijn Woensdagarbeid benuttigt de Magir, voor zijn reuk- werk, den Muskaatmantel of Foelie. _Lvy, H.~ M.~ II, 118, 119; vgl.~ Lelieachtigen en Katjesdragenden. -- De Muskaatmantel (Fr.~ Macis) Is de Zaadmaatel van de Muskaatnoot^_(2)_^, in 't Vlaamsch bekend onder den naam van Foelie._ 6. Waterlelieachtigen (of Nymphaeaceen). Onze prachtige Waterlelies^(3)^ beschouwt men, in sommige landen als Heksenkruiden. _De namen `Erbo d'infer' of Hellekruid (in 't Provenaalsch bij Dichter Mistral, z.~ Rolland, I, 148) , `Erba dou diable' (d.~ i.~ Duivelskruid, in Bas- Dauphin, Rolland, l.c.~), `Nixblume' ("=" Niksbloem) en `Wassermann' ("=" Waterman) in Duitschland. (Pritz.~ u.~ Jessen) wijzen er op. Wie witte Meerrozen of Waterlelies in huis brengt, doet zijn vee sterven. Aldus in Oost-Pruisen. Roll.~ I, 158; Treichel, Poln.~ Westpr.~ Vulgrnamen von Pflanzen, in: Schriften d.~ Naturforsch.~ Gesellsch.~ zu Danzig, V, Band)._ 7. Roosachtigen (of Rosaceen). Heksen betooveren -- 't zijn meestal Kinders die aldus. behekst worden -- door Appels^(4)^. _In Friesland bestaat dit Volksgeloof: Het is raadzaam, zegt Dijkstra (II, 152), van een onbekende vrouw geen Appel of eenig ander Fruit ten ge- schenke aan te nemen, of men moet er een stuk afsnijden en dat wegwerpen, eer men de rest opeet; want de geefster zou een Heks kunnen zijn en dan zou men, zonder genoemde voorzorg, een levende Pad in de maag krijgen. Vgl.~ ook Wuttke, n"r" 220. Ook aldus in Silezi, Harz, Frankenland. De Heksen verderven dikwijls de menschen met hun eenen betooverden Appel of eenig ander betooverd voe- dingsmiddel aan te bieden; vandaar dat wijdverbreede verbod aan de Kinders geen eetwaren van vreemde menschen aan te nemen. "*" Insgelijks in Vlaanderen zeggen de moeders tot hun kinders dat zij geen | | ^(1)^ Artemisia ab rotanum L. | | | ^(2)^ Myristica fragrans Houtt. | | | ^(3)^ De witte: Nymphaea alba L.; de gele: Nuphar luteum L. | | | ^(4)^ Malus communis Poir. | Appels of welkdanige Vrucht van onbekende menschen mogen aannemen; anders zouden zij betooverd zijn. -- Vergelijk hiermede wat Pierre de Lancre -- een magistraat van Bordeaux, die door het Parlement van die stad een onderzoek over hekserijen in de naburige landstreek Labourd doen moest (in het begin der 17"e" eeuw) -- in een zijner werken^_(1)_^ schreef: Kinderen kwamen getuigen dat Hek- sen hen naar den Sabbat hadden meegevoerd door hen de hand op het hoofd te leggen of hun een stuk Appel te geven. In 't Bergische (Duitschl.~) schenken de Heksen menigmaal Appels aan de menschen: wie ze opeet, wordt krank en spuwt een Pad uit, indien, niet bij tijde, de Hekserij door geestelijke hulp gebroken is. (Knortz, 26). Een Frankforter Tooveraar -- hier wordt bedoeld Frankfort-aan-den-Oder -- en zijn leerjongen veranderden zich vaak in Appels en rolden dan, langs een venster eener slaapkamer die 's nachts was opengebleven, in het bed van de slapende lieden. Deze werden wakker, vonden de Appels en aten ze op, doch wierpen het klokhuis op den vloer: dit werd een dood lijk, dat een afgrijselijken stank verspreidde. Hierdoor werden deze lieden krank en stierven weldra. Deze leerjongen-tooveraar veranderde ook ongedoopte kinders in Appels en bracht ze zijnen meester. (Meiche, n"r" 665). In veel landen -- ook in Vlaanderen -- bestaat het geloof dat schaapherders kunnen tooveren. In Normandi vertelt men, dat, indien zij dorst hebben, in den eersten Appelaar den besten hun mes steken, en uit het mes, als uit een kraan, vloeit overvloediglijk beste Cider. (Roll.~ V, 87; naar Lec"oe"ur, II, 68). Sneeuwwitje wordt gedood door een beheksten Giftappel. Grimm, KHM, I, 243, III, 95 en 96). Rauwe en onrijpe Appels, in groote hoeveelheid gegeten, maken vergetel- achtig (Dod.~ 1237). Vgl nog de roode Tooverappeltjes, die bij den eter horens op het hoofd doen ontstaan, en de blauwe die ze doen afvallen. Vermast, 7; doch dit werd, zonder vermelding genomen uit het Fortunatus-boekje)._ Om te beheksen gebruiken de Tooveressen ook Peren^(2)^; ofwel de Kernen van Peren; zelfs Pereboomenschors. _"*" Op 28 November 1603 werd de Heks Catherine Tancr een arme bede- lende vrouw van 77 jaar(!) te Gent `metten viere' gexecuteerd; onder de afgedwongen bekentenissen heeft men deze: zij heeft betooverd het dochtertje van Jan Tanghe, `cleermaecker op 't Clapbrugschken... deur 't geven van een Peere of twee', die haar 's daags te voren `by seker landsman om Godswille gegeven waeren'; in den avond, toen de Booze bij haar was gekomen, heeft zij een Peer laten vallen; de Booze heeft ze opgeraapt, ze haar wedergegeven en haar belast `die yemant te geven omme daer mede qualic te varen'; zij, `den selven bevele obedirende', heeft die betooverde Peer aan de voornoemde dochter | | ^(1)^ Tableau de l'Inconstance des Mauvais Anges et des Dmons, 1613. P.~ de | Lancre stierf in 1630, na 500 beschuldigden te hebben doen verbranden. | | | ^(2)^ Pirus communis L. | gegeven, die voor haar (Catherine Tancr) ten huize van hare dochter `eene schoone craeghe gehaelt hadde', en daermede heeft zij het kind bedorven. (Cannaert, 238). De Heksen betooverden of maakten krank, die welke zij haatten of vrees- den, door Perekernen of Pereboomenschors. (Perger, 329). Een der eerste werken van vrouwen, die leerden om Heks te worden, was het veranderen van Peren in muizen. (Id.~)._ Ook de Pruim^_(1)_^ staat met Heksen in verband. _Z.~ E.~ Meier, blz.~ 100; en n"r" 213._ Somtijds steken, ongemerkt en heimelijk, de Heksen Rozen^_(2)_^ in de oorkussens van personen die zij betooveren willen. _Z.~ Oomen, Plantenleg.~ 47 (echter zonder plaatsbepaling)._ Of zij benuttigen zoogenaamde Heksenknoopen. _Heksenknoopen bestaan uit Rozebladeren of Rozepetalen, die sommige insek- ten in den grond oprollen en verbergen; erin verpoppen zich hunne larven. Zulke Heksenknoopen, hgd.~ `Hexenknoten' worden door Heksen als Toovermiddelen aangewend. -- Deze Heksenknoopen zijn soms eenvoudig toegeknoopte koordjes of linten, waarover Tooverformulen zijn uitgesproken en waarmede Tooveressen beheksen of onttooveren. (Brockhaus, Lex.~ i.v.~ Hexenknoten)._ Soms zijn Rozezaadjes -- veeleer Dopvruchtjes (Fr.~ aknes) met hun botanisch en naam -- hun dienstig. _Een Rozezaadje, vermengd met een Mosterzaad^_(3)_^, een Wezelpoot, een weinig Olijfolie en Zwavel geeft een mengsel, dat, op de muren van een huis gewreven, het doet lichten en glimmen alsof het in brand stonde. (Magie natu- relle, 78). -- Een Boom waarin men het hangt, is vervloekt en geeft geen Vruchten meer. (Id.!). Dat wonderbaar mengsel, in netten gelegd, lokt al de visschen tot zich. Werpt men het aan den voet van een dorre, doode Kool^_(4)_^, zoo zal deze, op min dan een halven dag, opnieuw groenen. Doet met het in een brandende lamp, zoo zullen al de aanwezigen er uitzien als zwarte Duivels. (Idem)._ Toovenaars genezen zieken door middel van den Egelan- tier^(5)^. _Zij snijden een Egelantiertak af van de lengte van den zieke en hangen hem in den schoorsteen; en als de tak verdord is, is ook de zieke genezen. De ziekte werd in den Egelantiertwijg overgezet; de zieke geneest, maar de twijg sterft. | | ^(1)^ Prunus domestica L. | | | ^(2)^ Rosa centifolia L.~ (naast ander gekweekte soorten). | | | ^(3)^ Brasslea nigra L. | | | ^(4)^ Brassica oleracea L. | | | ^(5)^ Rooa canina L. | Aldus in Normandi. (Roll.~ V, 242; naar Lec"oe"ur). -- Ofwel, onder het uitspre- ken van magische woorden, bij het krieken van den dag, rukt hij een Egelantier uit en, achteruitgaande, verwijdert hij zich van den ontwortelden Struik. Aldus in dp.~ Gard.~ (Roll.~ l.c.; naar Baumefort, Monum.~ celt.~ du Gard, 1863, p.~ 14)._ Een vliesvleugelig Insekt, de Rozencynips (Cynips rosae L.~), legt zijn eitjes in den wilden Rozelaar^(1)^; daar ontstaat een mos- vormige Gal. de Rozengal of zoogenaamde Bedeguar. _In Zwaben gebruikt men deze Rozengal om op een vooraf bepaald uur wakker te worden. (E.~ Meier, p.~ 249)._ De Vogelkerseboom^(2)^ is een Heksenboom. _In Duitschland daarom `Hexenbaum' geheeten. (Pritz.~ u.~ Jess.~, naar Gleditsch). -- Het was veeleer een antimagische Boom. (Z.~ beneden, B, Anti, magische Flora)._ Onrijpe Peerlijsterbessen^(3)^ kunnen een mensch doen veran- deren van geslacht. _Zij zijn, onrijp, buitengemeen wrang. Wie zeven van die Bessen opeet, verandert ineens van geslacht. Aldus te Maillezais (Vende) en Pamproux (Deux-Svres). Roll.~ V, 113. -- Als een man zegt: `'k Zou willen vrouw zijn', of, omgekeerd, een vrouw begeert man te zijn, dan wordt geantwoord: `om van geslacht te veranderen, moet men, zonder en grimas te maken, zeven onrijpe Peerlijsterbessen eten!' Aldus in dp.~ Aude. (Idem.~)._ Onder den naam van Vijfvingerkruid (Lat.~ Quinquefolium) begreep men verscheidene Potentilla-soorten, doch vooral de krui- pende Ganzerik^(4)^. 't Was een Tooverkruid. _Men begroef Vijfvingerkruid met kruipende Klaver^(5)^ en er uit kwamen roode en groene Slangen: indien men deze tot poeder stootte, en dit in een brandende lamp deed, zag men rond zich allerlei Slangen. Legde men het onder het hoofd van iemand die in zijn, bed lag, zoo kon hij geen oog toedoen. (Mag.~ nat.~, 78)._ Dicht bij de Roosachtigen schikt men de Crassulaceen of Vetkruidachtigen. En met het sap van de welbekende Donder- baard^(6)^ deden de Tooverkonstenaars het volgende Wonder- toertje: | | ^(1)^ Rooa canina L. | | | ^(2)^ Prunus padus L. | | | ^(3)^ Sorbus domestica L. | | | ^(4)^ Potentilla reptans L. | | | ^(5)^ Trifolium re pens L. | | | ^(6)^ Sempervivum tectorum L. | _Neem rood Arsenicum en Aluin, en meng alles te zamen met `het sap van Semper vive' en de gal van eenen stier; besmeer daarmede de handen van eenen mensch: deze mag een gloeiend ijzer in zijn handen nemen en zal niet verbranden. (Alb.~ Magnus, Eij recto)._ 8. Vlinderbloemigen (of Papilionaceen). Een Vierklaver^(1)^, d.~ i.~ een Klaverblad met vier blaadjes (gewoonlijk zijn er maar drie), brengt geluk bij. _Wie er eene op St.~ Jansavond (nacht tusschen 23 en 24 Juni) vindt, kan er mede tooverkunsten doen. (Wuttke, n"r" 142; Zeitschr.~ P.~ D.~ Myth.~ 1, 126). De Vierklaver groeit op den boord van de hel; daarom is zij zoo zeldzaam en noemt men ze, in Calvados (Fr.~) `Herbe du Diable' "=" Duivelskruid. (Roll.~ IV, 148)._ Het was zeer gevaarlijk op eene Vierklaver barvoets te tre- den: was 't een man hij kreeg de witte koortsen; was 't eene vrouw, zij werd door haren man bedrogen. _Aldus bij Roll.~ IV, 148 (naar Evangile des Quenouilles)._ Om iemand te betooveren, legt de Tooveres een Vijfklaver -- nog zeldzamer dan een Vierklaver -- in het wijwatervat, waar- uit de persoon, dien zij beheksen wil, zijn wijwater neemt. _Aldus te Arrens (dp.~ Hautes-Pyrnes). Roll.~ IV, 148._ Zelfs de gemeene driebladige Klaver werd hier en daar als Tooverkruid beschouwd. _In een betooverd huis, hoorde men, 's nachts vor de O.~ L.~ Vrouwfeest- dagen, een onzichtbaar wezen dat Klaverzaad tot gruis stampte. Aldus te Argentr, dp.~ Mayenne. (Roll.~ IV, 148; Rev.~ des Trad.~pop.~, 1899, p.~ 641). Indien eene vrouw den honig uit de Klaverbloemen opzuigt (en zij bevatten veel honig!), zullen al haar koeien openbarsten. Omstr.~ van Valence, dp.~ Drme. (Roll.~ l.~ c.~)._ Het geelbloemige Wonderkruid^(2)^, anders een Heilkruid, heet, in Silezi, `Berufkraut' d.~ i.~ Betooverkruid. _Pritz.~ u.~ Jessen._ "*" Heksenhout is, te Diest en omstreek, de Gaspeldoorn^(3)^. | | ^(1)^ Trifolium pratense L. | | | ^(2)^ Anthyllis vulneraria L. | | | ^(3)^ Ulex europaeus L. | _Pque, Volksn. Waarom? Om de sterke stekels? Planten met doornen of stekels werden vaak door (of tegen) de Heksen gebezigd._ De beschaamde Zinplant^(1)^ was in Amerika, waar het in 't wilde groeit, een Heksenheestertje. _Het is een Kruid dat aan de Indiaansche Toovenaars en Waarzeggers maar al te bekend is. (Dod.~ uitg.~ van 1644, blz.~ 1437)._ De Magir gebruikt, voor zijn magisch Zondagwerk Roode Sandel als reukstof. _Lvy, H.~ M.~ 117 (z.~ boven Laurierachtigen). Dat geurige Rood Sandelhout komt van den Sandel- Vleugelvruchtboom^_(2)_^, een Vlinderbloemige, Oostindische Boom._ Het tooverpotje van den Mayombschen Toovenaar of feti- cheur bevat water met zeker Kruiden en staat op drie Lubota- pinnen. _Dat tooverpotje heet `finzungu' (Bittremieux, i.~ v.~ Bikandu, blz.~ 56). `Lubota' is een Vlinderbloemige Boom met ijzerhard hout, behoorende tot het geslacht Milletia._ 9. Plataanachtigen (of Platanaceen). Den Woensdag gebruikte den Magir Storax als reukwerk. _Lvy, H.~ M.~ 118; vgl.~ beneden Lelieachtigen. -- Storax werd eertijda geleverd door Styrax officinalis L.~; thans door de Plataanachtige Liquidambar- soorten (L.~ orientalis L.~, L.~ tricuspis Miq.~ en L.~ Altingianum Bl.~). Z.~ Leunis, 542; en beneden Styraxachtigen._ Den Maandag gebruikte hij, voor zijn magische berookingen, Amber. _Lvy, l.~ c. Vgl.~ boven Hanevoetachtigen. -- Amber, nl.~ de witte vloeibare, werd gegeven door Liquidambar styraciflua L._ 10. Toovernootachtigen (of Hamamelidaceen). Een Amerikaansche Heester, die op onzen gewonen Haze- laar^(3)^ trekt doch tot een andere familie behoort, heeft den En- gelschen naam gekregen van `Witch Hazel' (Heksenhazelaar), omdat de Wichelaars en Tooveressen de twijgen tot hun Toover- kunstjes bezigden. | | ^(1)^ Mimosa pudica L. | | | ^(2)^ Pterocarpus santalinus L.~ fil. | | | ^(3)^ Corylus avellana L. | _De wetenschappelijke benaming is Hamamelis virginica L.~, Hgd.~ `Zauber- atrauch' en `Zaubernuss' en, hiernaar, in 't Ndl.~ Tooverstruik en Toover- noot. Met die twijgen ontdekte men ertsmijnen, zoutlagen en bronnen. (Leunis, 241). In een voetnota legt Leunis den naam anders uit: in den herfst verschijnen de Bloemen en in den volgenden Zomer de Vruchten en dat bleek, voor 't ge- meen volk, iets wonderbaars te zijn. -- Knortz, 6, schrijft liever `Wych hasel' en brengt het tot Angelsaksisch `Wice' "=" Olm. -- Vgl.~ beneden Tooverroede._ 11. Katjesdragers (of Amentaceen). De Wilgen^(1)^ zijn Heksenboomen. _De koningin der Heksen draagt, als schepter, een Wilgeroede. (Rel.~ u.~ Bohn.~ 360). De Heksen strepen met roode Wilgetwijgen^_(2)_^ den morgendauw van de Planten af, en brengen aldus verderfelijke rijp en vorst teweeg. (Perger, 312). Zij wringen knoopen in de Wilgetakken en kunnen, door zulke handelwijze, iemand doen sterven, (Idem). Men mag in eenen stal, waar gevogelte broedt, geenen Wilgetwijg draaien; want hierdoor krijgen de uitgekipte jongskens kromme halzen. (Idem). Men verklaart die Heksenkrachten der Wilgen als volgt: hun loover is vaal; -- hun schors is grauw; de Wilgetronken zien er, in de schemering en des nachts, spookachtig uit; -- zij groeien langs waterbeek en -poel, die vaak, op bedriegelijke wijze, ongelukkigen aanlokken en van 't leven berooven; -- Judas heeft .zich aan eenen Wilg opgehangen; -- Heksen wonen in holle Knotwilgen; -- en Christus werd met Wilgeroeden gegeeseld._ Men rekende den Griekschen Populier^(3)^ en den eetbaren Eik^(4)^ onder de magische Boomen. _De Magirs hebben, voor hun magisch Donderdagwerk -- een werk van hoogmoed en politieken aard, aan Jupiter toegewijd -- een scharlaken kleed aan, en over 't voorhoofd een linnen band met het teeken van Jupiter's geest en den drie magische woorden: Giarar, Bethor en Samgabil. De reukstoffen zijn Wie- rook^_(5)_^, Ambergrijs^_(6)_^, Balsem^_(7)_^, Paradijszaad^_(8)_^, Foelie^_(9)_^ en Saffraan^_(1O)_^; | | ^(1)^ Geslacht Salix (vooral Salix alba L.~, S.~ fragilis L.~, S.~ cinerea L.~ en S.~ | caprea L.~). | | | ^(2)^ Denkelijk van S.~ purpurea L.~ of Purper-teen. | | | ^(3)^ Populus graeca L.. | | | ^(4)^ Quercus esculus L. | | | ^(5)^ Hars van Boswellia sacra Flck. | | | ^(6)^ Gevormd door verharsingen in de darmen van den Cachalot | | | ^(7)^ Peruviaansche of echte Balsem. Hars van Myroxylon sansonatense Klotsch. | | | ^(8)^ Waarschijnlijk Amomum maleguetta, Fr.~ `Maniguette'. | | | ^(9)^ Muskaatnoot-mantel. | | | ^(10)^ Crocus sativus L. | de kransen en kronen zijn gemaakt met Eik, Populier, Vijgeboom^_(1)_^ en Granaat- boom^_(2)_^; de vingerring heeft een smaragd of een Saffier. -- Z.~ beneden Heksen- planten._ 12. Sandelhoutachtigen (of Santalaceen). In Beieren en Tirol heet het Alpisch Bergvlas^(3)^ `Vermain- kraut'. _Pritz.~ u.~ Jessen; Hgd.~ `Vermainkraut' bet.~ Heksenkruid (het ww.~ `ver- meinen' "=" vervloeken, beheksen)._ De Magir gebruikt voor zijn magisch Maandagwerk, de Witte Sandel als reukstof. _Lvy, H.~ M.~ II, 118. Z.~ boven Hanevoetachtigen. -- Witte Sandel, de reukstof nl.~, is het Splinthout van den Oostindischen witten Sandelboom^_(4)_^._ Met de Sandelhoutachtigen is onze magische Marentak ver- want (voor velen een Loranthacee). Hij wordt genoeg in Zuid- Nederland gevonden -- in Noord-Nederland is hij zeldzamer. Hij woekert vooral (in ons land) op Populieren^(5)^ en Appelboomen^(6)^ (soms op Doornen^(7)^, Pereboomen^(8)^ en Eiken^(9)^. Hij heeft een gegaffelden Stengel, lederachtige, immergroene, langwerpige en tegenoverstaande Bladeren; de Bloempjes zijn zeer klein en weinig in 't oog vallend, monoecisch en geelachtig groen; de vrouwelijke worden witte, slijmachtige (van hier de Lat.~ naam Viscum en de Nederlandsche Vogellijm), glanzende Bessen als zilveren parels. Moest het geen Heksenkruid zijn, dat zoo hoog, aan bossen gelij- kende, of eksternesten, op Boomen groeide en in den winter zoo groen stond als in den zomer? _In 't Vlaamsch heet deze Half-Schuimplant gewoonlijk Marentak (z.~ ander namen bij Pque en Heukels). De Franschen heeten het gewoonlijk `Gui du Chne', alhoewel het uiterst zelden op Eiken wordt gevonden. Doch Marentak, die men op Eik vindt, | | ^(1)^ Ficus carica L. | | | ^(2)^ Punica granatum L. | | | ^(3)^ Thesium alpinum L. | | | ^(4)^ Santalum album L., | | | ^(5)^ Populus canadensis Mich.~ en eenige andere soorten. | | | ^(6)^ Malus communis Poir. | | | ^(7)^ Crataegus oxyacantha L.~ en C.~ monogyna Jacq. | | | ^(8)^ Pirus communis L. | | | ^(9)^ Quercus robur L. | is, juist om die zeldzaamheid, de krachtigste. Reeds Lobelius (Cruydtb.~ 775) schrijft: "*" `Marentacken die op d'Eycke-boomen wassen zijn d'alderbeste, maer worden soo selden ghevonden, dat nauwe aen den duysensten Eyckenboom ghesien wordt. Jae dat meer is, in Enghellandt daer wy Eycken sonder ghetal ghesien hebben, en was maer eenen boom oft twee, daer wy, maer seer luttel, tselve op saghen, d'welcke oock seer nauwe bewaert wordt'. Naar Leunis (Syn.~) heeft men Viscum album L.~, in Europa, op ongeveer 50 Loof- en Naaldboomsoorten gevonden. Bij de Grieken en de Romeinen was de Marentak reeds in groot aanzien: het was de Toovertak of Magische Twijg van Proserpina, en hij alleen vermocht het de poorten der Hel te ontsluiten. Door middel van dien Tak komt Aeneas in de Onderaardsche Wereld. De Sibylle van Cuma raadt hem: `In de schaduwe van eenen Boom en zijn loof bloeit een gouden Tak met zijn taaie telgen. Het gansch Woud bedekt dezen Tak, omringd van duistere en schaduwachtige dalen; en het is niet eer geoorloofd de onderaardsche gewesten te bezoeken, 't en zij men dien gouden Tak en zijne Vrucht plukke. Den eersten Tak afge- broken zijnde, zoo zal terstond een ander, die van 't zelfde metaal blikkert, in de plaats groeien. Hierom, sla gade, hef uwe oogen omhoog, en den Tak ziende, pluk hem naar behooren; want zijt gij hiertoe beroepen, zoo zal de Tak gewillig en van zelf volgen; anders kunt gij dien met geen geweld afrukken, noch met geen stalen lemmer afhouwen'. (Aenede, VI, vert.~ van Vondel). Aeneas gaat dus naar het Bosch, doch vindt den Wondertwijg niet. Hij smeekt nu zijne Moeder Venus hem niet te verlaten. De godin zendt hem een paar van hare duiven: zij vliegen al pikkende voort, zoodat men haar met het oog kan volgen. Zij komen eindelijk aan den hellemond, waaruit de bange lucht van Avernus drijft, zweven haastig omhoog, aldoor de dunne lucht, en zetten zich ter gewenschter plaatse op den Boom neder, waaruit die geschakeerde glans van het goud tusschen de Takken blinkt en blikkert; gelijk het Vogellijm, gesproten uit Snippemest^_(1)_^, dat aan de Schors kleeft, in het snerpen van den kouden winter, in de bosschen op een nieuw pleegt te bloeien, en zich om lange Stammen met zijn eigen oranjegewas krinkelt, zoo glinstert ook het goud dat aan den schaduw- rijken Eikeboom groeit; zoo kraakt dit Blad van den zachten wind. Aeneas schiet vurig toe, breekt het Kruid met kracht af, hoe noode het volge, en brengt het bij de Sibylle-waarzeggerin. Daarna komt hij met deze aan den Styx, toont den Magischen Twijg en geraakt aldus in de Hel. Door de hulp van ditzelfde Kruid, komt hij er weer uit, en hij steekt, vor het heengaan, den Tak recht vor de poort van de Onderwereld. De schoone Noorsche God Balder, was de lieveling der Azen; en Freya en Odin deden alle elementen, alle dieren en Planten, alle vergift en ziekte | | ^(1)^ Men kent het Latijnsche spreekwoord: Turdus Ipse sibi malum cacat, dat, | verklaard, beteekent: de lijster eet de Marentakbessen, drijft het Zaad met haar | mest naar buiten op den Boom. waar het vastkleeft en schiet, en opnieuw | Bessen voortbrengt; uit deze Bessen neemt de Vogelaar de lijm, waarmede hij de | lijster vangt, zoodat deze de oorzaak van haar eigen verderf is. | zweren dat zij nooit den lieven Balder zouden schaden. Maar oostelijk van Walhalla groeide, op eenen Boom, de Marentak en hij verschool zich heimelijk onder 't dichte loover: zoo werd de Heester vergeten en hij legde gemelden eed niet af. De booze Loki wist dit. Op eenen dag verlustigden zich de goden met naar den onwondbaren Balder pijlen en schichten en steenen te werpen, en zij kapten naar den lieveling met het snijdende zwaard. Loki sneed den Twijg van de Mistel -- zoo heet nog de Marentak -- en vervormde hem tot scherpe speer; hij gaf deze den blinden Hdur, richtte dezes hand in 't werpen en Balder viel, door de Mistel getroffen, doodelijk gewond neder. Sedertdien gold de Marentak als een werktuig van den Booze en werd hij, door Toovenaars en Heksen, in hun mysterieus en onheilvol werk benuttigd. Zie over deze Edda sage en derzelver verklaring, mijn Plantenkultus. Het schijnt ook, voor velen, dat de Tooverroede van Odin -- zijn `Wunsch', `van goud een roedelijn' -- de Marentak was. Door aanraking met die Marentakroede vielen Brunhilde en de heele natuur in doodslaap. Zie 't Nevelingenlied; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 78. -- en mijne Plantensagen (die, hoop ik, eerlang zullen verschijnen). Albertus Magnus (Mag.~ nat.~ 75) beweert dat de Chaldeers dezen Heester `Luperax' en de Grieken hem `Elisena' heeten: dat hij in de Boomen groeit, die doorboord zijn; en dat men, als men het bij een ander Kruid, met name `Sylphium'^_(1)_^ voegt, het alle sloten kan openen. Hangt men den Marentak, met een zwaluwvleugel, aan eenen Boom, zoo zullen al de vogelen van twee uren en half in den omtrek er zich vergaderen. "*" Lobelius (blz.~ 776) zegt nog dat `Heydensche Walsche priesters en Philosophen' dikwijls met Eik en Eikenmarentak `propheteerden'. Hij voegt er bij dat de Alchimisten den Geest der Plant zeer begeerden, doch dat deze `mysterien ende secreten den ghemeynen lieden niet en behooren gheopenbaert te worden'. In Valence (Fr.~) durft men de Appelen niet eten, die op eenen Appe- laar^_(2)_^, die Marentak draagt, gerijpt zijn. (Roll.~ VI, 236). Doch de Marentak was ook een heilaanbrengende Plant; want Heksen- planten waren vaak Heilkruiden._ Niet zeer verre van den Marentak staan de uitheemsche Bala- nophoraceen en tot deze familie behoort een Kongoleesche Schuimplant, die in 't Mayombsch `Dilandu' (of `Ma-dilandu') heet. _Deze `Dilandu' is een `Nkisi-plant', dat is, zij wordt ais fetisch en toovermiddel aangewend. (Bittremieux, 133)._ | | ^(1)^ Sylphium is, naar Sprengel, Ferula scorodosma Benth.~ et Hook.~, de Plant | die Duivelsdrek levert. ` Luperax' en `Elisena' kan ik niet identificeeren. | | | ^(2)^ Malus communis Poir. | 13. Netelachtigen (of Urticaceen). De Bergolm^(1)^ heet. in Engeland. `Witch-Elm' d.i.~ Hek- senolm. _Withering, Brit.~ Bot. Waarom?_ Ook gebruikten Toovenaars, voor hun Heksentoertjes, gewone Netelen^(2)^. _Zij deden Netels bij Vijfvingerkruidsap^_(3)_^. bestreken er zich de handen mee, en wierpen de rest van 't mengsel in 't water en hielden hierin de handen; zoo vingen zij gemakkelijk al de visschen die er in waren; trokken zij echter de handen uit het water. dan gingen de visschen op hun vroeger plaats terug. (Mag.~ nat.~ 71). Wie Netels met Duizendblad^_(4)_^ in de hand houdt, kent geen schrik en vreest geen Spook. (Idem). Om te weten of een zieke genezen zal of sterven, nemen de Tooverdoctors zijne pis en leggen er, gedurende 24 uur, Netelblaren in: verslensen deze niet, er is geen stervensgevaar; verslensen zij wel, dan beteekent dit dood of lang- durige. zware ziekte. (Idem, 226). "*" Hennen die voedsel met Netels te eten krijgen, leggen den heelen winter eieren. (Dod.~, 225)._ Bij graven zochten Heksen den wilden Vijgeboom^(5)^. _This.~ 64; beneden den heelen tekst bij Hoornheul. De Magirs gebruikten, voor hun magisch Donderdagwerk, kransen en kronen van Vijgeboom. (Lvy, H.~ M.~ 119; vgl.~ Katjesdragers)._ Met Kempzaad^(6)^ kon men wondertoeren verrichten. _Als gij wilt dat al die in de kamer zijn, zonder hoofd schijnen, neem pulver van `levende solpher / ende Kempsaet', meng het ondereen, doe het in een lamp, ontsteek ze en doof alle ander licht uit._ 14. Ganzevoetachtigen (of Chenopodiaceen). De Ganzevoeten^(7)^ zijn Heksenkruiden. _Perger, 176; Grimm, D.~ M.~ 1164). Zij staan in verband met Kabouters en Kobolden. (Z.~ald.~)._ | | ^(1)^ Ulmus montana Willd. | | | ^(2)^ Urtica dioica L.~ en ook wel U.~ urens L. | | | ^(3)^ Potentilla reptans L. De Leidensche uitg.~ zegt: `met het sap van Semper | viue': hier wordt bedoeld Donderbaard (Sempervivum tectorum L.~). | | | ^(4)^ Achillaea mlllefolium L. | | | ^(5)^ Ficus carica L. | | | ^(6)^ Cannabis sativa L. | | | ^(7)^ Vooral Chenopodium album L. | 15. Duizendknoopachtigen (of Polygonaceen). De Maankruidachtige Zuring^(1)^ (uit Savooie, zegt Lobelius; van de Kanarische Eilanden, zegt Persoon) moet, naar den naam te oordeelen, een magisch Kruid zijn. _`Lunaria Magorum Arabum, Maen-cruydt van de Wijse van Arabi'. Aldus Lobelius, 984-5._ 16. Anjelierachtigen (of Caryophyllaceen). Grasmuur of grasachtige Sterremuur^(2)^ is een, in Europa wijd verspreid wit Bloempje. In Rusland heet het: `Ourotchnaia trava' d.i.~ Tooverijplant. _Roll.~ Fl.~ pop.~ III, 46._ De witte Avond-Koekoeksbloem^(3)^ stond met de Walkuren, thans tot ia de lucht varende Heksen afgedaald, in verband. Loni- cerus heet ze `Walckerkraut'. _Zooveel als Walkurenkruid. (Pritz.~ u.~ Jess.~). -- Zie voor de mutatie van Walkuren tot nachtelijke Heksen en Maren, Herrmann, D.~ M.~ 405. In 't Hertogdom Oldenburg noemt men ze`Ddenblume' d.~ i.~ Dooden- bloem: wie Witte Koekoeksbloem plukt, zal weldra sterven of een bloedverwant verliezen. (Roll II, 245; Strackerjan). -- Een gelijkend volksgeloof bestaat in Cumberland (Eng.~; Roll.~ l.~ c.~; Britten u.~ Holland)._ 17. Mirtachtigen (of Myrtaceen). De Magir benutte, voor zijn magisch Donderdagwerk, Gra- naatkransen en -kronen^^. _Lvy, H.~ M.~ 119; vgl.~ boven Katjesdragers._ En, voor zijn magisch Vrijdagwerk. de Mirt^(5)^. _Lvy, H.~ M.~ l.~ c._ 18. Basterdwederikachtigen (of Oenotheraceen). De Ouden gebruikten de Wilgeroosjes^(6)^ als magische Planten. | | ^(1)^ Rumex lunaria L. | | | ^(2)^ Stellaria graminea L. | | | ^(3)^ Melandrium album L. | | | ^(4)^ Punica granatum L. | | | ^(5)^ Myrtus communis L., | | | ^(6)^ Epilobium-soorten. | _Zij heetten deze gemeene Kruiden Oenothera (naam die men later op Oenothera biennis L.~, een verwante, in 1614 uit Virgini ingevoerde Bloem, overgebracht heeft), omdat hun sap, met wijn ingegeven, de wilde dieren tam en zachtmoedig maakte. (Prahn, 45; Kannegiesser; Blanc.~ Lex.~ i.v.~ Onagra)._ Ook het in alle boschjes zoo gemeene Circea-kruid^^ was een Tooverplantje. _De naam Circaea bewijst het. (Z. beneden Circaeakruiden). In Fr.~ heet men dat `Herbe aux Sorcires'. (Gillet et Magne, Fl.~). Bij DB is het een Doolkruld, een kruid dat den persoon welke er op trapt, doet verdolen._ 19. Vlasachtigen (of Linaceen). De Heksen spinnen wel eens het Vlas tot garen: indien een meisje onbezonnen genoeg is om, 's Zaterdagsavonds, Vlas^(2)^ op haar spinrokken te laten, komen de Heksen en spinnen in hare plaats voort -- maar 't is Heksenlinnen. _Perger, 193._ Heksen betooveren soms het Vlasveld: het ziet er dan uit als stroomend water, vooral als lichte wind er over waait. _Idem._ 20. Maluwachtigen (of Malvaceen). Maluwe en Heemst behoorden tot de Tooverflora. _Om iets heet of gloeiend, zonder eenig letsel in de bloote hand te nemen, gebruikten de Toovenaars kalk in een weinig Boonenwater^_(3)_^ opgelost; zij deden er Maluwe^_(4)_^ bij en bestreken er mee den palm van de hand (Albertus Magnus, Boeck der Secreten E VIIJ verso, editie van Leyden); ofwel zij mengden Witte Maluwe of Heemst^_(5)_^ en overwreven er de hand mee; ofwel het sap van Heemst (ook Bismalve genoemd) "+" wit van een ei "+" semen Psillij^_(6)_^ "+" gestoo- ten kalk "+" sap van Radijs^_(7)_^: aldus konden zij in het vuur gaan en gloeiend ijzer vastnemen (id)._ | | ^(1)^ Circaea lutetiana L. | | | ^(2)^ Linum usitatissimum L. | | | ^(3)^ Vicia faba L. | | | ^(4)^ Malva silvestris L. | | | ^(5)^ Althaea officinalis L. | | | ^(6)^ Plantago psyllium L.~, het Vlooienkruid; in Mag.~ Nat.~ staat `Graine de | Persil'. | | | ^(7)^ Raphanus sativus L. | 21. Ruitachtigen (of Rutaceen). De gemeene Hofruit^(1)^ is bekend als Heilkruid, doch tevens als Tooverkruid. _"*" Niettegenstaande al hare goede eigenschappen en deugden had de Ruit vooral een groote `hindernisse', zegt Dodoens (168): `soo is het te weten, dat sy ghehouden wort voor een groot beletsel van de generatie oft vleeschlijcke versamelinge'. En 't was misschien tot zulk noodlottig doel dat de Heksen het in hunnen Tooverketel lieten zieden. De Dinsdag is een dag gewijd aan de werken van gramschap en kastijding. De Magir moet dan een vuur-, roest- of bloedkleurig kleed dragen met stalen gordel en armbanden; de tiara moet met ijzer gebonden zijn; men mag de wichelroede niet gebruiken, enkel den tooverdolk en het zwaard; de kransen zijn van Alsem^_(2)_^ en Ruit, en aan den vinger heeft men een stalen ring met een amethyst als edelsteen. (Lvy, H.~ M.~ II, 118)._ 22. Balsemboomachtigen (of Burseraceen). De Magir gebruikt, voor zijn magisch Zondag- en Donder- dagwerk, Mannelijke Wierook als rookwerk. _Lvy, H.~ M.~ II, 117; z.~ boven Katjesdragers. Wierook is Hars van den Wierookboom^_(3)_^. `Een soorte daer van heet in 't Arabisch of Indiaensch Melato; in 't Latijn Tus masculum, dat is Wieroock manneken; die eygentlijck ende van self rondt is / ende de beste van allen / wit alsse ghebroken wordt / ende binnen wit / ende terstondt brandende alsmense op kolen leght'. (Dod.~ 1367)._ 23. Schermbloemigen (of Umbelliferen). De Scheerling^(4)^, een onzer hevigste Giftplanten, werd door de Tooveressen opgezocht en geplukt, en tot Hekserij gebruikt. _This.~ 64 (naar Ben Jonson's Masque of Queens); -- Shakespeare (Mac- beth, IV, 1). Twee wondertoertjes: Om personen met elkaar te doen vechten vermengde men de hersens van eenen Arend met het sap van `Scherlinc' en liet het drinken. (Alb.~ Magnus, C IJ, recto). -- En om vogelen te vangen `metter hant' wierp men hun tot voedsel eenig Zaad geweekt in wijn en in Scheerlinksap. (Id.~ E IIIJ, verso)._ De Kruisdistels^(5)^ hadden een wonderbare kracht: zij deden de geiten stom en verbaasd stilstaan. | | ^(1)^ Ruta graveolens L. | | | ^(2)^ Artemisia absinthium L. | | | ^(3)^ Boswellia sacra Flck, en ook B.~ carteri. | | | ^(4)^ Conium maculatum L. | | | ^(5)^ Eryngium maritimum L.~ en E.~ campestre L. | _Plutarchus getuigt: zoo een geitje, bij toeval, een Blad van Eryngium in den muil neemt, zoo zal het eerst, en na haar de heele kudde die daar omtrent is, stil en verbaasd blijven staan; en dat zal, zoolang duren tot de herder er bij komt en het Wonderblad het geitje uit den mond neemt. Z.~ nog Lobelius, II, 24: hij zegt dat de Grieksche Philosophen meenen dat Eryngium zooveel is als een `opruspinge', omdat de geit die een taksken ervan afgebeten en ingeslikt heeft, de heele kudde doet stilstaan, alsof zij verbaasd ware en zoo lang tot zij door `opriptsenen' het Eryngium weer uitgeworpen heeft. Blancardus (Lex.~), onder meer andere, geeft ook deze etymologie die niettemin onzeker is. Z.~ Leunis en Kannegiesser._ De Magir gebruikt, voor zijn magisch Zondagwerk, als reuk- stof, Duivelsdrek^(1)^ of Asa foetida. _Lvy, H.~ M.~ II, 119. Vgl.~ beneden Windeachtigen._ 24. Geitebladachtigen (of Caprifoliaceen). Vlierboom^(2)^ is een Heksenplant: daarom mag men, indien men alle onheil wil voorkomen, zijn Hout niet verbranden. _Aldus in Thuringen. (Wuttke, 95). Zie nog een Vliersage bij Meier, n"r" 19, p.~ 27. Over Vrouw Ellhorn, z.~ beneden. Op het Eichsfeld (Duitschl.~) waarschuwt men de lieden tegen het ver- branden van Vlierhout, dewijl zulke daad al de hoenders van het huis zou doen sterven. (Puger, 260)._ Onder sommige Vlierboom en zit een onheilvoorspellende, spokerige Hen -- natuurlijk eene Heks. _Aldus te Ochtersum. (Seifert, II, 165; Perger, 260)._ De zoogenaamde Vlierolie had wonderkrachten. _Vlierolie met kwikzilver en bloed in een zwarte lamp gebrand, vervormt den mensch in moor; -- gebruikt men een groene lamp met Vlierolie en een lemmet gemaakt van een stuk van een doodkleed dat besmeerd is met eenig gesmolten vet van een zwarten hond en drie staartharen van hetzelfde beest, dan zullen de menschen schijnen te zijn Geesten `in een leelijck ende vreeslijck maecsel'; neem het vet van een serpent met zout en een doodkleed in vier stukken gesneden, doe in elk stuk wat van dit vet en maak vier lemmetten, doe deze in vier nieuwe lampen met Vlierolie en ontsteek ze in de vier hoeken van den huize, het geheel huis zal vol serpenten schijnen. (Alb.~ Magnus, E VJ, verso; E VIJ, recto; F J, verso)._ | | ^(1)^ Scorodosma asa-foetida Bunge. | | | ^(2)^ Sambucus nigra L. | 25. Valeriaanachtigen. De Valeriane^(1)^. een echt Heilkruid nochtans, heet `Hexen- kraut' ("=" Heksenkruid. _Aldus in Gttingen. (Pritz.~ u.~ Jess.~; Salomon-Voss)._ De verwante Keltische Valeriane^(2)^ heeft den naam van `Hexenrauch' ("=" Heksenrook). _Pritz.~ u.~ Jessen._ 26. Wolfsmelkachtigen (of Euphorbiaceen). De Tournesol-plant^(3)^ wordt. door den Magir. tot altaar- en driepikkelkrans in zijn magisch Zondagwerk aangewend. _Lvy, H.~ M.~ 117. Tournesol is de Lakmoesplant uit Zuid-Europa. Picke- ring, 98, zegt dat Crozophora villosa een Magirplant is._ In zijn Woensdag arbeid benuttigt de Magir het gewone Bingelkruid^(4)^. _Lvy, H.~ M.~ II, 118._ 27. Olijfachtigen (of Oleaceen). Voor zijn magisch Vrijdagwerk gebruikt de Magir Olijfguir- landes^(5)^ en voor Zaterdagwerk Eschkransen^(6)^. _Lvy, H.~ M.~ II, 119._ 28. Kaardebolachtigen (of Dipsaceen). De gewone Kaardebol^(7)^ wordt wel als een Heksenplant be- schouwd. _Zij moet hiertoe geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag van de maan en onder Tarwe^_(8)_^ of Gerst^_(9)_^ bewaard worden. (Legran, Sci.~ et Magie, 20). | | ^(1)^ Valeriana officinalis L. | | | ^(2)^ Valeriana celtica L. | | | ^(3)^ Crozophora tinctoria L. | | | ^(4)^ Mercurialis annua L. | | | ^(5)^ Olea europaea L. | | | ^(6)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(7)^ Dipsacus fullonum L.~; en ook wel D.~ silvestris L. | | | ^(8)^ Triticum vulgare L. | | | ^(9)^ Hordeum vulgare L. | Neem Kaarden en week ze in Mandragorasap^_(1)_^; geef ze aan een teef of eenig ander vrouwelijk beest: zij zal daardoor zwanger worden en een jong van hare soort voortbrengen. Neem nu een maaltand van dat jong en raak er mede vleesch of wijn aan: zij die er van eten of drinken zullen, zullen kijven of vechten. Zij zullen opnieuw vreedzaam worden, indien men hun Verbenasap ingeeft. (Mag.~ nat.~ 71-2). Naar de Nederl.~ vertaling van 't zelfde boekje (1551?) geeft men aan de vechtenden te drinken `tsap van Amantille, dat is Valeriane^_(2)_^'. In Silezi heet de Kaarde `Walckerdistel' "=" Walkurendistel en werd alzoo tot de heksachtige Walkuren gebracht. (Pritz.~ u.~ Jess.; naar Mattuschka, Fl.~ Sil.~)._ 29. Sleutelbloemachtigen (of Primulaceen). Op sommige plaatsen van Duitschland heet het mooie Alpen- klokje^(3)^ `Beschreikraut' d.~ i.~ Tooverkruid of Kruid waarmede men `beschreit' ("=" betoovert). _Aldus te Lungau. (Pritz.~ u.~ Jess.~)._ De Grieken dachten dat de gemeene Wederik^(4)^ een Hek- senkruid was. _`Van daer zijn sommighe die meynen / dat het soo ghenoemt is' -- nl.~ in 't Grieksch `Lusimakion' -- `omdat de Ouders in Griekenlandt, door eenighe valsche ende ijdele meyninghe oft superstitie, gheloofden, dat dit cruydt, door sijne verborghen ende heymelijcke eyghentschap, kracht hadde om den twist van de dieren te slissen ende op te doen houden, besonder van het Vee; als van Ossen ende Schapen, ende oock van de Bien, maer alleenlijck tusschen den hoop gheworpen zijnde'. (Dod.~ 115). Vgl.~ den tekst uit Plinius bij Kannegiesser._ 30. Gentiaanachtigen. Het Duizendguldenkruid of de kleine Santorie^(5)^, een gemeen bittersmakend, roodbloemig Kruid, behoorde tot de Toovenaars- flora. _Toovenaars vermengen Duizendguldenkruid -- naam die door geleerden volksetymologisch gevormd is naar Lat.~ Centaurium (lat.~ centum, honderd, aurum, goud; dus eigenlijk Honderdguldenkruid) -- met het bloed eener wijfjes- hop en gieten dat, met olie, in een lamp. Indien zij deze doen branden, meenen al de aanwezigen dat zij Toovenaars geworden zijn, want zij zien elkander met | | ^(1)^ Atropa mandragora L. | | | ^(2)^ Valeriana officinalis L.~ of V.~ phu L. `Amantille' heb ik op geen ander | plaats gevonden. | | | ^(3)^ Soldanella alpina L. | | | ^(4)^ Lysimachia vulgaris L. | | | ^(5)^ Erythraea centaurium L. | de voeten omboog en het hoofd omlaag! Werpt men een deel van dat mengsel in een vuur, als de sterren blinken, dan meenen deze personen dat zij achter elkander loopen en tegeneen botsen. Raakt men met kleine Santorie den neus van een persoon, zoo wordt deze zoo bang dat hij, uit alle macht, wegloopt! (Mag.~ nat.~ 75). Op hetzelfde volksetymologiscb geloof steunt het volgende gebruik: Op St.~ Jansdag gaat men stilzijgend het Duizendguldenkruid zoeken, men plukt het als de klok middag luidt, steekt het in de geldtasch: men vindt er 't gansch jaar geld. Aldus in de omstreek van Falkenau (Engeland). Marzell, 130. In Opperfranken (streek van Bayreuth) legt men de bloem in den spaarpot met dezelfde bedoeling.. `Mesue betuyght dat kleyne Santorie, geworpen in eenen siedenden hutspot, de stucken vleesch wederom vast maeckt' ^_(1)_^. (Dod.~ 543)._ 31. Maagdepalmachtigen (of Apocynaceen). De blauwe Vinkoorde of Maagdepalm^(2)^. die van onder het lage gestruik in de vroege lente ons zoo vriendelijk tegenlacht, hangt met Hekserij samen. Want in Frankrijk noemt men ze `Herbe la Sorcire' ("=" Tooveressekruid) en `Violette des Sorciers' ("=" Toovenaarsviooltje). _Z.~ Baillon, Dict.~; Roll.~ VIII, 31. De Magie Naturelle, 73, maakt ons met de volgende Heksentoertjes bekend: Werpt men Vinca met solfer in eenen vijver, zoo moeten er al de visschen sterven; -- geeft men Vinca aan eenen buffel, hij zal in 't midden openbarsten; -- werpt men Vinca in het vuur, zoo zal dit blauw- achtig glinsteren. Vinkoorde was echter veeleer Heilkruid; z.~ beneden. Daartoe was het noodig dat zij geplukt wierde van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en onder Tarwe^_(3)_^ of Gerst^_(4)_^ bewaard bleve. (Legran, Sci.~ et Magie, 30). Doch zulks was een algemeen voorschrift bij het plukken van magische en geneeskundige Kruiden. Men leest in de Ndl.~ vertaling 1551?) van Liber aggregationis (1"e" uitg.~ 1477) aan Albertus Magnus (z. beneden) toegeschreven: `Nochtans die voor- seyde Cruyden suldy vergaderen, van den drieentwintichsten dach der Manen, tot den dertichsten, van dye ure van Marcurius beghinnende, ende die gheheele ure der daghen wtgravende. Ende dan suldy oock mentie maken van die pijne (dat is te segghen) ghi sult de passie oft het stuck noemen waeromme dat ghijse wt graeft, oft dat ghijt vergadert, ende dan neemt dat cruyt, maer ghy sult het legghen op Terwe, oft op garste, ende dan gebruycket tselve daer na tot uwen wercke'._ | | ^(1)^ Hetzelfde wordt gezegd van Donderbaard (Sempervivum tectorum L.~), | van Sanikel (Sanicula europaea L.~) en van Alpen-Berenwortel (Meum mutellina | Gaertn.~). Marzell, 128. | | | ^(2)^ Vinca minor L. | | | ^(3)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(4)^ Hordeum vulgare L. | 32. Styraxachtigen. De Magir gebruikt bij zijn Woensdag arbeid. als reukwerk, Benzoin en Storax en bij zijn Donderdagarbeid. gewonen Balsem. _Lvy, H.~ M.~ 118 en 119. Vgl.~ Lelieachtigen en Katjesdragers. Benzoin is de aromatische Hars van den tropischen Benzoinboom^_(1)_^; -- Storax is de Balsem van den Oostersehen Storaxboom^_(2)_^, vroeger althans, want nu wordt de com- mercieele Storax door verscheidene Liquidambar-soorten geleverd (z.~ Plataan- achtigen, boven); -- Gewone Balsem, nog Mekka-Balsem en Balsem van Gilead geheeten, vloeit uit de schors van den echten Balsemboom._ 33. Bernagieachtigen (of Borraginaceen). Onder de magische Kruiden rekent men de Europeesche Zon- newende^(3)^. _Zonnewende moet geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en onder Tarwe^_(4)_^ of Gerst^_(5)_^ bewaard worden. (Legran, Sci.~ et Mag.~ 30). Bij het magisch Zondagwerk wordt zij gebruikt om er de kransen van het reukaltaar en den driepikkel van te maken. (Lvy, H.~ M.~ II, 117). Z.~ boven Laurierachtigen. `Die Nigromantisten' heeten den groensteen Heliotroop `Gemma Babi- lonicum'; en om de zon te doen schijnen gelijk bloed, zalven zij dezen steen met het sap van het Kruid Heliotroop en doen hem in een pot vol water: dit begint te zieden en de dikke rook maakt den zonneschijn bloedig. (Alb.~ Magn.~, B V, recto)._ Op hetzelfde tijdstip moet de Hondstong^(6)^ geplukt en insge- lijks onder Tarwe of Gerst bewaard worden. Hondstong is eveneens een Heksenkruid. _Legran, o.~ c.~ -- Z.~ boven Heksenzalf. Heksenmeesters legden, op om het even welke plaats, Hondstong met het hart en de baarmoeder van een kikvorsch: al de honden van den omtrek kwamen op die plaats samen. En om de honden te beletten te bassen droeg men dat Kruid onder den grooten teen; en hing men het aan den hals van den hond, zoo moest deze immer ronddraaien tot hij stierf. (Mag.~ Nat.~ 73-4)._ 34. Windeachtigen (of Convolvulaceen). De Zaterdag is een Saturnusdag en de dag van magische | | ^(1)^ Styrax officinalis L. | | | ^(2)^ Amyris giliadense Kunth. | | | ^(3)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(4)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(5)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(6)^ Cynoglossum officinale L. | rouwwerken. De Magirs gebruikten voor hun magischen arbeid van dien dag, de Purgeerwinde^(1)^ en het Diagridium als reuk- stoffen. _Lvy, H.~ M.~ II, 119. Diagridium is eigenlijk het melksap van deze Purgeer- winde, met verzachtende stoffen vermengd. Den Zaterdag draagt de Magir een zwart of bruin kleed met letters van geborduurde oranjekleurige zijde; hij heeft, rond den hals, een looden medalje met Saturnus'~ kenteeken en deze Tooverwoorden: Almalec, Aphil, Zarahil. De reukstoffen zijn, behalve Scammonea en Diagridium, Aluin, Solfer en Asa foetida^_(2)_^; de guirlandes zijn van Esch^_(3)_^, Cipres^_(4)_^ en Zwart Nieskruid^_(5)_^; de vingerring draagt een onyx en op deze onyx wordt gegrift een dobbel Janus- hoofd met den gewijden stift en op de uren van Saturnus. (Idem)._ 35. Nachtschaadachtigen (of Solanaceen). Deze Plantenfamilie bevat veel Giftplanten, waarvan menige een beduidende rol in de Tooverij hebben gespeeld. De beroemdste was de Alruin^(6)^ -- een uitheemsch Kruid dat, in de landen rond de Middellandsche Zee, vooral in Griekenland, in 't wilde groeit. Onze oude Botanisten spraken van twee soor- ten -- eigenlijk twee variteiten van dezelfde soort -- het Man- dragora-Manneken^(7)^, met kogelvormige, gele Bessen en groen- witte, daarna blauwachtige Bloemen op grondstandige Stengels; en het Mandragora-Wijfken^(8)^ met langere, peervormige Bessen. Alruin was (en is) een Heksenkruid, een Tooverwortel, een Circaea-plant. _Hgd.~ `Hexenkraut' (Pritz.~ u.~ Jessen; Salomon-Voss; Rel.~ u.~ Bohnh.~; Prahn). Ndl.~ Tooverwortel (Delathouwer) en Hgd.~ `Zauberwurz' Pritz.~ u.~ Jess.~), Gr.~ `Kirkaia', Lat.~ `Circaea' (Dod.~). Bertoloni (1775-1869) brengt, in zijn Flora italica, de Mandragora der Ouden, (Atropa mandragora van Linnaeus) tot drie soorten: Mandragora offici- narum of het Wijfken, Mandragora vernalis of het Manneken en de kleinbessige Mandragora of M.~ microcarpa. De Wortel van Alruin heeft vaak een zeer ongewone gedaante: hij is | | ^(1)^ Convolvulus scammonea L. | | | ^(2)^ Scorodosma asa-foetida Bunge. | | | ^(3)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(4)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(5)^ Helleborus niger L. | | | ^(6)^ Atropa mandragora L. | | | ^(7)^ Mandragora vernalis Bert. | | | ^(8)^ Mandragora officinarum Bert. | groot, beetvormig, zwartachtig (echt Manneken) of witachtig (het Wijfken), en hij is, in 't midden der lengte, naar onderen toe, in tween verdeeld `schier ghelijckende het onderste lijf met de twee beenen. Daer van segghen sommighe dat het Man draghen ende niet Mandragora behoorde te heeten'. In Dodoens vindt men deze volksetymologische verklaring. En Blancardus (Lex.~) noemt het hiernaar Mandragers-kruid en schrijft: `Alii derivant Belgico sermone, quasi Man et Dragen ac si diceres virigeram, hominigeram: idque ob radicls for- mam, quam arte viri instar fingere norunt'. Want zegt hij nog: `radix fere hominem refert, inferne duo crura habet, et si superne leviter vulneretur ab utroque latere, tum excrescunt quasi brachia, et tum superne faclle in caput formari potest, unde dicunt autores esse hominem subterraneum ob quam causam vocarunt, quidam Anthropomorphon, Anthropos, homo, et morph, figura, quasi figura hominis'. De twee beenen werden door de natuur gevormd, doch de twee armen en het hoofd werden op kunstmatige wijze door deze gewaande Toovenaars teweeggebracht, zooals uit Blancardus'~ schrijven genoegzaam blijkt. -- Pythagoras heet de Plant reeds Anthropomorphas, zegt Dodoens (749) `als den mensch wat gelijck wesende'. -- Columella heeft nog de benaming `Planta semi-hominis' ("=" Halfmensch-plant). -- Blancardus zegt ook dat het den naam Mandragers-kruid verdient te dragen, omdat het onvruchtbare vrouwen vrucht- baar maakt. Doch de echte aflelding van Mandragora schijnt te zijn: Gr.~ mandra, stal, veestal, en ageiro, ik verzamel, omdat Alruine, door hare Wonderkracht de veekudden samenhield. (Leunis, II, 587). -- Van Ravelingen (Dod.~ l.~ c.~) geeft reeds dezelfde aflelding, doch met ander verklaring: `Sy heeten Mandragora int Grieks / om datse gheerne wassen op de plaetsen daer Peerden ende Ossen stallen / te weten in donckere holen ende schaduwachtighe gewesten'. Zie over de etymologie nog Lobelius en Blancardus. Kannegiesser geeft eerst Leunis'~ af- leiding, doch zegt daarna: `of van mandra in de bet.~ stal, hof, een kruid dat rond de hoeve wast'. Kannegiesser heeft nog twee andere etymologies: het is een persoonsnaam Mandragoras, die zelf van Mandras, den naam van een Klein- aziatischen Heilige zou komen Evenwel is voor hem het waarschijnlijkste dat. Mandragora het Perzisch Merdum-Giah ("=" Menschenplant) is. Dus: onzekere gissingen! Wat den naam Gr.~ Kirkaia, Lat.~ Circaea betreft, zie beneden Circaea- planten. Ndl.~ Alruin, Alrun, Alru (Dod.~), Mnl.~ Alrne. hgd.~ Alraun, Gotisch (naar Jordaens) Haliuruna, schijnt de oudste Germaansche benaming te zijn. -- Franck- van Wijk: `Waarschijnlijk uit het Duitsch: ohd.~ os.~ alrne v.~ (nhd.~ alraun, v.~ m.~), eig.~ de naam van een voorspellenden geest, die volgens 't volksgeloof uit den wortel gesneden werd. Het tweede lid is germ.~ "*" rn v.~ got.~ rna, on.~ rn, mnl.~ rne (zeldzaam), ohd.~ os.~ rna, ags.~ rn v.~, geheim, geheim(zinnige), beraadslaging, vertrouwelijk gesprek, runenstaafje'. -- Vercoullie: `het eerste deel der samenstelling is wellicht adel "=" edel; het tweede is wellicht rna "=" ge- heim; het geheel kan beteekenen: waarzegster, toovergeest, een naam dien de plant verdient om haar wondere krachten en den vorm van haren wortel'. -- Weigand: `Mhd, die alrne, ahd.~ die alrna, alrn, ursprngl. "=" weissagender teuflischer Geist, ist Name der genannten Pflanze, weil nach dem Aberglauben jenes kleine weissagende Wesen aus ihr geschnitten wird. Grimm.~ Myth.~ 376. Zusammeriges. mit ahd, die rna "=" Geheimnis, geheimnisvolles Zuflistern'. -- Zw.~ alruna "=" waarzegster, zegt Kannegiesser, 111, en de Wortel van Mandra- gora heet Alraun, naar de hem toegeschreven magische kracht. -- Vgl.~ hiermee Leunis, 588: `De Ouden verstonden onder den naam Alrunen een soort van waarzeggende Priesteressen Witte Vrouwen of Heksen die, barvoets, met han- gende haren en in hun linnen hemd rondliepen en uit het bloed der krijgsgevan- genen de toekomst voorspelden'. -- Tacitus (Germ.~ 8 en Hist.~ IV, 61, 65, V, 22, 24) gewaagt van de bij de Germanen vereerde Waarzegster Aurinia, `Handschriftlich Aliruna, Aljaruna "=" die anders, unverstndlich Redende' zegt Paul Herrmann (D.~ M.~, 480), doch hij beweert dat men daarvoor Albrna moet lezen, d.~ i.~ `das mit der Runenkraft der Elbe, das mit Zaubermacht und Weissagung begabte Weib'. Op een andere plaats (p.~ 126) verklaart dezelfde Mytholoog (naar Wackernagel): `Albrna ist die mit der Zauberkraft des Elbe begabte'. J.~ Grimm vereenzelvigt met hgd.~ Alraune, ndl.~ Alruine, d.i.~ zegt hij, de Alwetende. Na de opkomst van het Christendom werden de Alruinen daemo- nische Wezens en men vertelde van hen alle mogelijke Duivelarijen. Van toen af bleef de Alruine geen bovenaardsche en welwillende vrouwelijke Geest, maar zij werd een booze Galgeplant, ontstaan uit het zaad van den opgehangene. (Vgl.~ Shns, 93-4). "*" Deze manvormige Wortel gaf nog de Ndl.~ namen: Aard- of Eerdman- neken; -- Geld- en Geluksmanneken: de drager van Mandragora werd rijk en had veel geluk; -- Galgenmanneken (in Vlaanderen eenvoudig Manneke of Menneke, Poppeke en Galgenaas): omdat, naar 't gemeen volksgeloof, het Kruid groeide op de Galgevelden; de Zigeuners en Tooverkonstenaars beweerden dat het Kruid ontstond uit de pis of het zaad der opgehangenen; vandaar nog de vroegere naam Pisdiefje en (bij Holl) `Pissedieb' (Pritz.~ u.~ Jess.~). Z.~ beneden Galgepianten. "*" Mandragora heet ook Doolwortel, misschien een volksetymologische vervorming van Dolwortel, omdat men meende dat zij liefdevol maakt. Zie beneden. Dodoens (z.~ boven Hanevoetachtigen) dacht dat de `Baaras' van Josephus onze Pioen^_(1)_^ is. Velen echter vereenzelvigen de `Baaras' met de Mandragora; o.a.~ Matthiolus (Comm.~, 602). Ziehier overigens de woorden zelve van Josephus (l.~ 7, c.~ 25 van zijn Joodsche Oorlogen): `In de vallel die noordwaarts de stad omringt, is er eene plaats genaamd Baaras, waar groeit een Wortel van denzelfden naam, die eene kleur als vuur heeft en 's avonds glinstert als de stralen van de zon. Men komt er moeilijk bij en rukt hem even moeilijk uit; want hij vlucht verder en blijft enkel staan, indien men vrouwepis of maandstondenbloed er op gegoten heeft. Indien iemand hem aanraakt, moet hij zeker sterven, zoo hij hem niet, aan de hand hangende, draagt. Men neemt hem zonder gevaar als volgt: Men doet er rond de aarde weg, zoodat maar een klein deel der Plant nog in de | | ^(1)^ Paeonia officinalis L. | den grond blijft; men bindt aan den Wortel eenen hond die, zijnen meester willende volgen, den Wortel licht uittrekt; onmiddellijk sterft de hond in de plaats van zijnen meester die hem zou hebben uitgerukt. Van dit oogenblik kan men den Wortel zonder gevaar in de hand nemen. Men trotst al die gevaren ten einde dezen Wortel te bezitten, en dat wel om een enkele kracht die hij heeft: want deze Wortel op het lichaam gelegd, verjaagt de Booze Geesten, welke ook de Geesten der slechte personen zijn, die de levende lichamen bezitten en doen sterven, zoo men geen hulpe biedt'. Een Latijnsche schrijver der 9"e" eeuw (z.~ Anzeiger van Mone, III, 202) wijst insgelijks op de gevaren welke den uitrukker van Mandragora bedreigen: `Mandragoras ostendit similitudinem feminae et dicitur, qui eam eradicat, non posse vivere'. (Roll.~ VIII, 123). -- Te Weenen berust een handschrift van 't werk van den Griekschen Botanist Dioskorides (5"e" eeuw); hierin vindt men eene afbeelding van de Godin der Ontdekking, die aan Dioskorides den Wortel van Mandragora (van menschelijke gedaante) toereikt; er naast ligt te sterven de ongelukkige hond die zij gebruikt heeft om den Tooverwortel uit te rukken. (This.~ 317-18). Eene Armenische sage leert ons dat Mandragora een vervloekte leerling is en zij verklaart tevens waarom hij die ze uitrukt, moet sterven: Een leerling- dienaar, met name Loshtak, was in dienst van een bisschop, die, jegens hem, al te ruw handelde. Om zich hierover te wreken stak Loshtak tijdens den slaap van zijnen meester, dezes baard in brand. De bisschop vervloekte hem, zeggende: `Kruip in den grond!' En de leerling kroop in den grond. Doch de meester berouwde zich over zijn daad en wenschte nu dat Loshtak een geneesmiddel voor de menschen zou zijn. Maar Loshtak antwoordde uit onbeschoftheid: `Dan zullen ze mij uit den grond trekken!' Daarop vervloekte de bisschop hem voor de tweede maal: `Hij die u uit den grond zal trekken, zal zelf in den grond verdwijnen!' En om thans dit Kruid in zijn bezit te krijgen, moet men het door eenen hond, aan een touw gebonden, laten uitrukken. Doch Loshtak slaakt alsdan zulken luiden schreeuw dat de hond er van openbarst. Keysler (Antiquit.~ select.~ septentrional.~ et celticis, anno 1720) geeft verschei- dene afbeeldingen van amuletten, die men uit Mandragorawortels vervaardigde en voegt er de volgende bemerkingen bij: `De Alrnken, Mandragora, zijn Wortels van een zeker Kruid, dewelke door bedriegers, door middel van een kunstgreep, de gedaante van het menschelijk lichaan bekomen, doordien zij Haver^_(1)_^ of Gerstekorrels^_(2)_^ steken, daar waar zij haren willen doen ontstaan. Het is vooral de Wortel van Mandragora, die tot zulk doel wordt aangewend. Anderen verkiezen de Bryonie^_(3)_^ (z.~ Komkommerachtigen). Pisdifje^_(4)_^ worden deze beeldekens door het gemeene volk in Belgi genoemd; en dit gelooft, evenals het Duitsche, dat zij, onder de galgen uit de vergoten pis of het gestorte | | ^(1)^ Avena sativa L. | | | ^(2)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(3)^ Bryonia dioica Jacq. | | | ^(4)^ Thans niet meer bekend, meen ik. In Vlaanderen spreekt men nog van | het Galgenaas. het Menneke en het Poppeke; en van een gelukzak heet het: | `hij heeft een Galgenaas of een Menneke in z!jnen zak!' | zaad der opgehangen dieven spruiten. Men vertelt verder dat men deze Wortelen enkel met gevaar des levens kan uitgraven; een hond wordt aan het kruid gebonden om het uit de aarde te rukken, nadat de gravers zich zorgvuldig de ooren hebben gestopt, ten einde het geschrei van den Wortel niet te hooren, waardoor zij insgelijks in gevaar zouden verkeeren hun leven te verliezen. Hedendaags dichten de Rabbijnen dat de Laren van Laban dusdanige Alrunen geweest zijn. Anderen beweren dat de Jonkvrouw van Orleans, door de hulp van de Alrnken, de daden die de wereld verbaasden, verricht heeft'. Z.~ over dat alles en meer nog J.~ Scheible, Die gute alte Zeit, I, 128, waar men ook bovenvermelde afbeeldsels van Alruinen vindt. -- `Dudaim' is de naam van de Laren van Laban in den Bijbel. Velen vertalen door Mandragora. Doch Linnaeus noemt een Komkommerachtige Cucumis Dudaim en identiliceert dus niet Dudaim met de Alruine; zoo is ook de meening van Harris (Bibl.~ nat.~ hist.~; vgl.~ Picke- ring). -- Mrat en de Lens, Dict.~ passen den naam Dudaim toe op den Banaan- boom^_(1)_^. Anderen denken aan de Truffel^_(2)_^, den Citroen^_(3)_^, de Liefdesappel^_(4)_^, de Lelie^_(5)_^, de Viool^_(6)_^, de Vijg^_(7)_^, de Kokosnoot^_(8)_^, de Framboos^_(9)_^ en aan ander Planten nog. (Vgl.~ over Dudaim: Ludovicus, Observat.~ Dudaim in: Misc.~ cur.~ nat.~, 1673; Lentibus, Observat.~ ad Ludovici Obs.~, en id.~ appendix; O.~ Rudbeck, Dudaim Rubenis, 1733). -- Jeanne d'Arc, waarover Keysler spreekt, zou dus zulke Alruine bezeten en er mee haar militarisch Tooverwerk verricht hebben: in haar verhoor is er sprake van Mandragora en, zooals men weet, werd de ongelukkige als Heks veroordeeld en verbrand! Thans wordt de Jonk- vrouw van Orlans door Rome heilig verklaard. Om de Plant te verkrijgen doet men iets dergelijks in de Abruzzen bij Chieti (Itali): Men gelooft er vast dat, zoo een mensch de Mandragora uitrukt, hij sterven zal; de boeren binden dus hun hond, met den staart, aan het gevaar- lijk Kruid; vervolgens roept de meester het beest, dat ijlings naderspringt en zoo de Plant ontwortelt, doch aldra sterft. (Gub., 11, 215). Wil men in het gebergte van Pistoia (Itali) de Mandragora uit den grond trekken, ,zoo gebruikt men tot dien gevaarlijken arbeid, een Eiken stok met eene koord. (Guk.~, II, 215). Dat de Alruine kan kreunen als men ze uitgraaft, gelooft men ook in Engeland. Ben Jonson (Masque of Queens) laat een Heks die `Mandrake' voor hare Hekserij gegaard had, zeggen: | | ^(1)^ Musa paradisiaca L. | | | ^(2)^ Tuber-soorten, vooral T.~ melanosporum. | | | ^(3)^ Citrus limonium Lois. | | | ^(4)^ Lycopersicum esculentum Milll. | | | ^(5)^ Lilium candidum L. | | | ^(6)^ Viola odorata L. | | | ^(7)^ Ficus carica L. | | | ^(8)^ Cocos nucifera L. | | | ^(9)^ Rubus idaeus L. | `Den laatsten nacht lag ik heel alleen Op den grond om de Mandrake te hooren kreunen; Ik plukte hem, ofschoon hij zeer diep groeide, En, toen ik gedaan had, kraaide de haan.' Ook aldus in Saksen. Op het zoo genaamde Wortelveld (`Wurzelfeld') aan den `Valten' ("=" Faltenberg) vinden Gelukskinderen op St.~-Jansdag den wonderbaren `Alraunwurzel'. Hij draagt een hoop hoog glanzende Blaren, trekkende op die der Tulpen. Met kleine roestvlekken zijn zij dicht-bestrooid. Deze Wortels vormen twee vuistgroote vingerknollen. Men moet ze, in het middernachtsuur van St.~-Jansdag uitgraven en naar huis dragen. Midderwijl zal de wortel luide schreien en zoo lang droevig kreunen, tot men er uit duimgroote poppen heeft gesneden en deze met Wijn en Olie gezalfd heeft. Deze popkens heeten `Querxe' of `Alraunmnnchen', `Heinzelmnnchen', `Galgenmnn- chen'. Zij kunnen veel nut bijbrengen, indien men ze prachtig kleedt, in een zacht bedje op een veilige plaat te slapen legt, nu en dan met lekkernijen voedt en elken Zondag in wijn en water baadt. Dan maken zij, als men hen naar de voorgeschreven wijze ondervraagt, de toekomst bekend, onthullen het verledene en verraden de gedachten en de hartgeheimen van allen, wier van hen ontvangen brood, zout en licht men aan die popkens offert. Deze Galgenmannekens bevor- deren allen arbeid, helpen de werken al spelend verrichten, heilen iedere, zelfs de gevaarlijkste ziekte, beschermen tegen alle gevaar en kunnen liefdedranken brouwen, die nooit hun kracht verliezen. (Meiche, n"r" 391). In Frankrijk heet de Mandragora, hier en daar, `Madagoire', `Man- degloire', `Main de gloire' en `Main de gaure' -- alle vervormingen van Mandragora (z.~ deze en andere Fransche benamingen, bij Roll.~ VIII, 122 en vvgg). Zij maakte rijk en bracht heil bij. Ducange (s.v.~ Mandragora) schrijft: `Ils croyoient que tant comme ils avoient un Madagoire, mais qu'il fust bien nettement en beaux drappeaux de soye ou de lin envelopp, que jamais jour de leurs vies ne seroient pauvres'. -- En hiermede klopt het volgende uit Les Evangiles des Quenouilles: `Qui porroit finer d'un vrai Mandegloire et le couchast en blancs draps et lui presentast mengier et boire deux fois le jour, combien qu'n ne mengue ne boive, cellui qui ce feroit deviendroit en peu d'espace moult riche et ne sauroit comment'. Vgl.~ Roll.~ VIII, 126. "*" In het Zuiden van Oost-Vlaanderen (aldus te Zegelsem) bewaart men zorgvuldig het zoo genaamde Galgenaas -- dat met de amulet uit Mandragora gelijk staat -- in een klein doosje waar het rust op zuivere watte. Het volk meent dat het Galgenaas een klein beestje is, dat iedere week versche watte moet ontvangen, anders krijgt de drager er slagen van. Die zulk doosje in zijn zak heeft, kan alles wat hij verlangt, bekomen en alles, wat hij onderneemt, slaagt. (Is Teirlinck, Zovl.~ Idiot.~ i.v.~). Z.~ beneden. Te Riga (in Lijfland) was een boer die veel ongeluk had: zijne huisdieren stierven alle; zijn wijn en bier verzwonden uit zijn kelder; hij leefde in oneenig- heid met zijne vrouw. Zijn broeder uit Leipzig, zond hem een `Alruniken' of Eerdmanneken. dat hij gekocht had van eenen beul: deze ontving er voor 64 thaler en zijn knecht eenig drinkgeld. Na het ontvangen van dezen `Erd- mann' moest de Lijflandsche boer hem drie dagen laten rusten; vervolgens hem baden met warm water, en met dit water zijn vee besproeien en ook de dorpels van den huize. Alle jaren moest de boer dat `Alruniken' viermaal baden en het daarna in zijn kleeren winden: nl.~ in vier doekjes van hemelsblauwe, roode, gele en groene zijde. (Seifart, o.~ c.~ / Scheible, G.~ A.~ Z.~ I, 180-82). Naar Perger (blz.~ 11) moest `Alraun' iederen Vrijdag in rooden wijn gebaad, in een kleed van roode en witte zijde gehuld en in een mantel van zwart fluweel gewikkeld worden. Zulke heilaanbrengende Wortel werd over- gerfd, niet door den oudsten, maar door den jongsten zoon. In Berry (Frankr.~) heet de Mandragora `Herbe du pic' (d.i.~ Specht- kruid). `Het Spechtkruid geeft aan den specht de kracht de hardste Boomen te doorboren. Men vindt het soms in het nest van zulken vogel. Men kan zich de Plant aanschaffen met den Specht af te loeren: ziet men dat hij zijn bek aan zekere Plant afwrijft, zoo is .dat de gezocht kostbare talisman. Doch wacht u wel ijzer te gebruiken om ze te plukken en uit te rukken, want door simpele aanraking van dat metaal zou het alle kracht verliezen... Als de specht zijn spotgelach laat hooren, heeft hij zoekers van de magische Plant ontwaard... Hij die Spechtkruid over zich draagt, bezit Herkuleskracht. Volgens de eenen is dit Spechtkruid de Mandragora, volgens anderen een soort van Orchis...'. (Laisnel de la Salie, 216-220; Roll.~ VIII, l.~ c.~). Nagenoeg aldus in dp.~ Allier. Men zegt er dat het Kruid Matagon des nachts glinsterend is; doch des daags kan de specht alleen het doen ontdekken: hij vliegt op zeker bepaalde manier, als hij Matagon wil vastgrijpen; dat Kruid hardt zijnen bek. Gelukkig is de osseleider die het heeft gevonden: zijn sterke en kloeke ossen zullen aan alle vermoeienis wederstaan. (Boudant, Hist.~ de Chantelle, 195; Roll.~ l.~ c.~). Doch de echte Mandragora is en was, in de Noord-Europeesche tuinen, immer een zeldzaamheid. Daarom gaf men de hooger opgegeven namen aan andere inlandsche Planten, vooral aan de Bryonie^_(1)_^ met grooten vleezigen Wortel. In Secrets merveilleux du Petit Albert (anno 1815) o.a.~ leest men: `Ik herinner mij gelogeerd te hebben bij eenen rijken boer, die nochtans eertijds arm en ellendig was, zoodat hij bij anderen als daglooner moest werken; en vermits ik hem in zijn vroegeren ellendigen toestand gekend had, nam ik de gelegenheid waar om hem te vragen wat hij gedaan had, om, in zoo'n korten tijd, rijk te worden. Hij zei tot mij dat, op zekeren dag, hij iemand belet had eene Zigeunerin te mishandelen en te slaan en zij toen hem het geheim had geleerd om Mandragora te maken; en dat hij sedertdien altijd was vooruitgegaan'. En ziehier hoe de Zigeunerin hem had geleerd die Mandragora te maken: men moet nemen een Bryoniewortel, die eenigszins de menschelijke gestalte heeft; deze Wortel zal men uit de aarde halen, op een Maandag van de lente, als de maan in een gunstig gesternte staat, hetzij in conjunctie met Jupiter, of met Venus; men snijdt de uiteinden van dezen Wortel af, evenals de hoveniers die een Gewas willen verplanten; vervolgens moet men hem begraven op een kerkhof, in 't midden van een graf en hem besproeien, gedurende eene maand, | | ^(1)^ Bryonia dioica L. | vor Zonsopgang met koemelkwei, waarin men drie vleermuizen heeft verdron- ken; na dien tijd haalt men den Wortel uit den grond en men bemerkt dat hij reeds beter op een mensch trekt; men doet hem drogen in eenen oven met IJzer- kruid^_(1)_^ heetgemaakt, en men bewaart hem in een stuk linnen, waarin een menschenlijk is gewikkeld geweest. Zoolang men zulken mysterieuzen Wortel bezit, is men gelukkig, men vindt iets kostbaars op den weg, of men wint in het spel, of men doet immer goede handelszaken; zoodat alle dagen het vermogen vemeerdert. (Roll.~ VIII, 124-5). Bij den Engelschen Kruidbeschrijver Gerarde leest men dat de luiaards, die weinig of niets anders doen dan eten en drinken, een deel van hunnen tijd ge- bruiken om de Wortels van Bryonie te snijden in de gedaante van een man of eene vrouw, omdat het ongeleerde volkje ze aanziet als de echte Mandragora. (This, 316). Anderen steken op de plaatsen van den Bryoniewortel; waar zij haren willen doen komen, Haver-^_(2)_^ of Gerstekorrels^_(3)_^. Toovenaars, Bedriegers en Marktkwakzalvers vervaardigen Mandragoren of Alruinen met Rietwortels^_(4)_^. Zij snijden deze Wortels in de gedaante van een mensch en planten ze daarna. En hierop ontstaan kleine Worteltjes als haren en baard, en zij krijgen in den grond de bruine Wortelkleur. (Blancardus, Lex.~ i.~ v.~ Mandragora). Uit de Viktoriewortel of Allemansharnas^_(5)_^ worden ook Alruinen ge- maakt. (Perger, 83; Leunis, 789). Sommigen beweren dat de `Main de gloire' of `Main de gaure' eigenlijk een Diefshand is. `Ik woonde driemaal de veroordeeling van vermaarde dieven bij, die op de pijnbank bekenden dat zij, in hunne rooverijen, zich badienden van een Diefshand' -- hunne `Main de gloire' of `Main de gaure', zooals reeds gezegd is: volksetymologische vervorming van Mandragora. `En als hun gevraagd werd wat dit werkelijk was, hoe zij deze bekomen en gebruikt hadden, antwoordden zij; Het nut dezer hand is dat zij al wie zij wordt vertoond, ver- dooft en hem onbewegelijk maakt, als ware hij dood. De hand was die van eenen gehangene en werd als volgt toebereid: Men steelt de rechter- of linkerhand van eenen langs de publieke straat opgehangene, hield ze in een stuk van een lijklinnen, waarin men ze goed perste, om het weinige bloed dat er nog zou in zijn, uit te duwen. Daarna legt men ze in een aarden pot met Cinnamom^_(6)_^, Salpeter, Zout en Lange Peper^_(7)_^, alles ondereen fijn gestooten. Men laat ze veertien dagen in dezen pot, neemt ze er dan uit en droogt ze, in de zonnehitte van de Hondsdagen. Heeft de zon ze niet genoegzaam gedroogd, zoo voltooit | | ^(1)^ Verbena officinalis L. | | | ^(2)^ Avena sativa L. | | | ^(3)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(4)^ Phragmites communis L. | | | ^(5)^ Allium victorialis L. | | | ^(6)^ Cortex cinnamomi, de schors van Cinnamomum ceylanicum Nees, de | Kaneelaurier. | | | ^(7)^ Vruchtkolf of -aar van Piper longum L. | men het drogen in een oven die gebed wordt met Varenkruid^_(1)_^ en IJzerkruid^_(2)_^. Vervolgens bereidt men eene Kaars met het Vet van den gehangene, Maagdenwas en Laplandsch Sesamkruid (of Vlasdotter^_(3)_^, de Diefshand dient echter als kandelaar, want men steekt de gemaakte kaars tusschen twee vingers van die hand. Overal waar men met dit vreeselijk tuig komt, zullen de aanwezigen onbeweeglijk blijven. Op de vraag of er een middel tegen dit Tooverwerk bestond, antwoordden zij: de Diefshand is zonder kracht en de Dieven kunnen er zich niet van bedienen, indien men den dorpel der huisdeur of dien van de ander plaatsen, waar de Roovers zouden kunnen binnendringen, insmeert met zekere Zalf, die bestaat uit de gal van eene zwarte Kat, het vet van een wit Hoen en het bloed van den Boomuil. Doch deze Zalf moet tijdens de Hondsdagen bereid worden'. (Scheible, l.~ c.~ 217-18; Roll.~ VIII, 124). Het Alruineken of Geldmanneken is, meenen eenigen, een Tooverwezen dat woont onder eenen Hazelaar^_(4)_^, waarop een Marentak groeit. Zekere Lukas, de zoon `des Vogtli von Galten, in Frickthal' (Zwits.~) vond op de `Sinzen- matte' zulken Hazelaar met een Marentak^_(5)_^. Hij vertelde dat; en toen een Zwartkunstenaar hiervan hoorde, vroeg hij Lukas hem den Struik te toonen. Zij gingen en zouden te zamen `den Alraun' meester worden. Doch Lukas kreeg zulken schrik onder het uitgraven, dat hij heenliep. Nu bekwam de ander den `Alraun' voor zich alleen; hij deed ermede reizen en keerde, weinigen tijd daarna, schatrijk weder. Aan Lukas gaf hij een klein geschenk. (Perger, 247; naar Birrcher, 66). De Mandragora werd ook met Dieren vereenzelvigd. Het is een Serpent: het verbeeldt den Duivel. Men bracht het ter tafel en plaatste het daarna in eene doos. 's Avonds legde men nevens het Dier een muntstuk: 's anderendaags morgens vond men er twee. Al de lieden die snel rijk werden, bezaten zulke `Main de gaure', soms `Paulette' geheeten. Stierf de eigenaar van zulk Serpent, dan erfde het een zijner kinderen; en wilde niemand het Beest, zoo kroop het eerst op de kist van den doode en ging dan op zoek naar gunstiger gezinde lieden. Indien men het door de velden zag kruipen, moest men een servet of een ammelaken gaan halen en het vor de `Main de gaure' open- spreiden; het rolde er zich op ineen en zoo droeg men het met zich. Doch in haastige oogenblikken was het voldoende een neusdoek vor het Dier te leggen. Men noemt heden nog in de streek (nl.~ in Poitou) eenige families, wier geluk aan zulke Mandragora te wijten was. Men toonde zelfs eene plek, waar het Serpent was blijven liggen en waar men dagelijks deze woorden hoorde: `Wie de Main de gaure opneemt, zal in deze wereld gelukkig, en ongelukkig in den anderen zijn!' (Roll.~ VIII, 125-6). | | ^(1)^ De groote inlandsche Filicineen als Asplenium filix-foemina Bernh.~, | Polystichum filix-mas Roth.~ en Pteris aquilina L. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. | | | ^(3)^ Came!ina sativa L. | | | ^(4)^ Corylus avellana L. | | | ^(5)^ Viscum album L. | Of het is een Mol: `Toen ik eens eenen boer vroeg hoe hij Mistel^_(1)_^ plukte, vertelde hij mij, dat aan den voet van den Eik^_(2)_^, waarop Mistel groeide, een Main de gloire was; dit Wezen leefde in den grond, waaruit de Mistel sproot; 't was een soort van Mol. Wie dezen vond, moest hem voeden met brood, vleesch en eenig andere spijs. Hij die hem eens gevoed had, moest het blijven doen, en immer in dezelfde mate, anders zou Main de gloire den vergetenden zonder twijfel doen sterven. Twee zijner kennissen, die hij mij noemde, hadden aldus hun leven verloren. Tot belooning evenwel schonk de Main de gloire 's morgens het dubbel van hetgene hij daags te voren had ont- vangen. En indien de bezitter geld uitgaf voor haar voedsel, zoo kreeg hij des anderendaags 't dubbel van 't gebruikte geld terug. En alzoo ging het met alle andere dingen. Een landsman, die hij noemde, was aldus rijk geworden, geloofde men, omdat hij een Main de gloire gevonden had'. (This, 316-17; naar Saint- Palaye). Eindelijk was de Mandragora een Doolkruid: Indien men op de Mandragora trapt, kan men zijnen weg niet meer vinden. Aldus in Prigord. (Roll.~ l.~ c.~). -- in het dp.~ Allier is de `Matagot' (een ander vervorming van Mandragora) een ingebeeld wezen dat in ieder Weide een Plant zaait, welke het hoofd doet draaien van al wie er op treedt, en hem belet de best bekende plaatsen te herkennen. (Idem)._ Naast de Mandragora mag men de Datura plaatsen -- de giftige Dol-, Doorn- of Steekappel^(3)^, die, in ons land, niet zelden op puinhoopen en mestbarmen groeit en genoegzaam gekenschetst is door haar groote, witte, trechtervormige Bloemen en de stekelige Vruchten. Datura was een Heksenkruid. _In 't Ndl.~ heet men het wel Duivelskruid of Duvelskruut (in Twenthe, Salland, de Graafschap Zutphen; zie Heuckels, Wdb.~); -- in Frankrijk; `Herbe des Magiciens' ("=" Toovenaarskruid), `Herbe des Sorciers' en `Herbe du Diable'; -- in Walloni:`Yeppe di makr' ("=" Heksenkruid); -- in Duitsch- land: `Hexenkraut'. (Salomon-Voss). Het is ook een Zigeunerkruid. De Zigeuners waren echte meesters in de Zwarte Kunst; op hun zwerftochten, voerden zij wellicht met zich veel Steek- appelzaden en zij schijnen aldus de Plant uit het Oosten (Middel-Azi) naar het Westen verspreid te hebben; want hunne Hekserijen en Wicheltoeren steunden hoofdzakelijk op de krachten van Datura. (Leunis; Rel.~ u.~ Bohnh.~; Perger, 183; Marzell, 173 en vooral Dr.~ H.~ v.~ Whislocki, Aus dem Innem Leben der Zigeuner, Berlin 1892, 44, 56, 97, 123, 157 vvgg.~). In de Heksenzalf (z.~ boven) was Daturazaad. | | ^(1)^ Viscum album L. | | | ^(2)^ Quercus robur L. | | | ^(3)^ Datura stramonium L. | Dieven gebruikten de narkotische Plant: zij strooiden het Zaad op gloeiende stoofplaten of in brandende haarden, ten einde aanwezigen door den bedwel- menden reuk te verdooven en ongestoord hun schandewerk te kunnen volvoeren. -- Ofwel Nux Methel^_(1)_^ (naam van den Steekappel bij de Arabische Meesters, naar Matthiolus) `wordt van sommighe quaet-doenders by de spijse oft dranck ghedaen vande ghene die sy van eere oft goed berooven oft anders beschadighen willen: want sy doet den mensche slaepen / oft sijn verstandt voor eenen tijdt langh verliesen'. (Dod.~ 753). Ch.~ Pickering (p.~ 596 en 622) zegt (naar Graham) hetzelfde van Datura methel L.~ en Datura ferox L.~ (deze laatste, zoo De Candolle beweert, is misschien niet verschillend van D.~ stramonium L.~). Men gebruikte dit Heksenkruid om berookingen te doen -- rook van vele Planten bezat magische kracht -- en aldus Booze Geesten te bezweren of te verbannen: te dien einde werden de Steekappelzaden met voorzichtigheid op gloeiende kolen gestrooid. Indien iemand de verdoovende dampen inademde, overviel hem een eigenaardige roes; en in dien toestand van bedwelming geloofde hij werkelijk te zien en te hooren, wat de fantazie hem had voorgespiegeld. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 165). Daarom heet L.~ Fuchsius deze Solanacee `Rauchapfelkraut' ("=" Rookappelkruid). In Frankrijk (naar de Zwitsersche grens toe) meenen herders dat, zoo men een Kring rond een of meer personen met Datura maakt, de ingeslotenen enkel met toestemming van den kringtrekker, den kring verlaten kunnen. Beau- gnier, Faune et Fl.~ pop.~ d.~ l.~ Franche-Comt, 2, 1910, 201). Ook bij het Schatgraven benuttigde men Steekappelzaad. Datura was een lachverwekkend Kruid. Cardanus zegt dat de Steekappels die men ziedt of braadt en opeet, `een dullicheydt met een ghedurigh lachen veroorsaecken'. (Dod.~ 753). Het is overigens een gewas `de Mandragora nerghens in wijckende' (Idem). -- Om in extase en in onmiddellijk verkeer met de godheid te zijn, dronken de Zonnepriesters der Andes (Amerika) Steekappelsap. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ l.~ c.~)._ Evenals in de twee vorige Solanaceen was het Bilzen- kruid^(2)^, met de droefgele, akelige, zwartgeaderde Bloemen van scherpen narkotischen onaangenamen reuk, een Heksenkruid. _In 't ndl.~ heet dit Giftkruid Bilzen- of Bilsenkruidt, bij Blancardus Bilsem- kruid, mnl.~ Belsemcruut en Bilse, vr.~ n.~ Bilzen, o.~ en vr.~ (mdl.~ Wdb.~), en Beelde, vr.~ n.~ Beeldensaet. De oorsprong van het woord is onbekend, doch gissingen ontbreken niet. (Z.~ Vercoullie; Franck-Van Wijk; Kannegiesser; Perger, 101-2, 180; Shns, 66). Sommige hgd.~ benamingen toonen het verband aan met de Tooverwereld. | | ^(1)^ Doch Linnaeus geeft den naam van Datura methel aan een verwante | Oostersche Plant. Z.~ hierover: Slevogt (J.~ A.~): Diss.~ qu demonstrat nucem | methel Avicennae esse daturam modernarum, 1695. | | | ^(2)^ Hyoscyamus niger L. | `Hexenkraut', `Zigeunerkraut', `Zigeunerkorn' en `Prophetenkraut'. (Roll.~ VIII, 96). Het is een Heksenkruid, want de oude Wijven, zegt Lonicerus, gebruiken het tot hunne Tooverijen^_(1)_^ en zeggen dat al wie den Wortel bij zich draagt, onverwondbaar is. (Shns, 67). De Heksen dronken een afziedsel van Bilzenkruid en hadden alsdan die fantastische droomen en vizioenen, welke zij als werkelijkheid aannamen. (Perger, 181). -- Het is een Profeten- of Waar- zeggerskruid: in de omstreek van Valence (dp.~ Drome) plukken de vrouwen een Bilzenbloem: kunnen zij, met den eersten slag, de bloem op 't voorhoofd doen openklakken, dan is 't een bewijs dat haar man ze bedriegt. (Roll.~ VIII, 97-8). Vgl.~ aangaande deze waarzggende kracht van Bilzenkruid, de oude namen Pythonion (van Pithyos "=" Apollo de waarzegger) bij Dioskorides en Apollinans bij de Latijnm. De beste Heksmzalf (z.~ boven) werd met Bilzenkruid bereid. Over de verstand-verwarrende krachten van deze Giftplant leest men nog dat, in zeker klooster, bij 't bereidm van Pastinaken^_(2)_^, eenige Wortelen van Bilzenkruid, door onachtzaamheid, in de spijs geraakten. De monniken, die ervan aten, werden in hunne hersenen gestoord: de letters van hun boek schenen, voor den eenen, rondloopende mieren te zijn; een andere meende dat wilde beesten hem vervolgden en hij sprong op den oven, dien hij voor een Woudboom nam; een derde dacht dat hij Noten kraakte en hij deed de gebaren van iemand die de schalen wierp naar ingebeelde pauwen. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 166). Toovenaars gebruikten ook de Plant om geesten te bezweren. Het was ook een regen-voortbrengend kruid. Om het, gedurende een aan- houdende zomerdroogte, te doen regenen, nam men een Bilzenkruidstengel, dopte hem in een bron en besproeide daarmede het door de zongegloeide zand. (Perger, 181; naar Montanus). -- In de 4"e" eeuw reeds deed men het nog anders; een ontkleed meisje trok, met den kleinen vinger van hare rechterhand, een Bilzenplant uit, dat men dan aan den kleinen teen van haren rechtervoet bond; eindelijk werd het kind door andere meisjes naar de naaste rivier geleid, waar men het met water besproeide; op zulke manier kon men de droogte zekerlijk doen opbouden en kwam de regm (Burchard van Worms; Mone, Nord.~ Heiden- thum, II, 417; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 166; Perger, 182). Of Hller (Volksmedicinische Botanik d.~ Germanen, 1908, 91) gelijk heeft in zijne verklaring (`Die toxischen Gehrhalluzinationen... nach dem Genusz von Bilsenkraut' "=" `Gerusch nie- derstrmenden Regens'), laat ik in bedenking. Waarom is 't niet voldoende te wijzen op het gebruik van Bilzenkruid in velerlei tooverarbeid? Bilzenkruid, ingenomen, maakte dol, razend, krakeelachtig; daarom noemt Scribonius het Altercum (van Lat.~ altercari, kijven, twisten). -- Soms verheugt het den mensch evenals zijn verwante, de Steekappel (z. boven). Lobelius (328, 330) heeft em jong vrouwken gezien dat door Bilzenkruid van de tandpijn genezen werd en `bycants drije daghm lanck blyde was'. | | ^(1)^ Zie b.v bij Marzell, 168-169, twee heksenprocessen (het 1"e" in Pommerani, | het 2"e" te Gos)ar) van de 18"e" eeuw. waarin ellendige Heksen, zekerlijk gedwongen, | zich beschuldigen Bilzenkruid tot heksenwerk gebruikt te hebben. | | | ^(2)^ Pastinaca satlva L. | Dezelfde Lobelius verhaalt ons hoe `de Muylstooters, stoute quacksalvers, landtloopers ende schalcke bedrieghers' het magische Bilzensap bereiden: `Sij nemen de gheheele plante met de Wortel in Julio mde Oogstmaend tusschen de twee Onze Vrouwe daghen' -- Lobelius bedoelt O.~ L.~ Vr.~ Bezoeking (2 Juli) en O.~ L.~ Vr.~ Half-Oogst (l5 Aug.~) -- `niet sonder supersticie (want d'moet bereydt worden alst cruydt is in sijn meeste cracht) ende ghestooten zijnde, legghen die in eenen aerden pot die onder veel gaetkens heeft, den welcke sy stellen op eenen anderen pot, ende leggen dan daer op een decksel dat sy vast met een lutement^_(1)_^ maecken, ende bestrijcken oock alle de locht-gaten met lutement; ende graven die alsoo in mest, laten dat staen rotten, tot dat de olle oft vetticheydt in den ondersten pot drupt, welck sy verwaeren tot tghebruyck vande medicijne'. -- Doch naar Legran (Sci.~ et Mag.~ 30) moet Bilzenkruid geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en onder Tarwe^_(2)_^ of Gerst^_(3)_^ bewaard blijven. Dit Kruid was eene Planeetplant der Sterrewichelaars: zij stond onder dm Invloed van Jupiter; en onder al die sterrebeelden `die voeten hebben' werkte zij weldadig op die deelen van het mmschelijk lichaam, over dewelke zulke sterrebeelden `hunnen schijn wierpen'. (Perger, 182). Bilzensap is zoo krachtig dat zelfs een zilveren tas, waarin men het be- waart, aan stukken springt. (Mag.~ Nat.~ 81). Eindelijk nog een toovertoertje van wildstroopers: Indien zij Bilzensap vermengen met het bloed van een jongen haas, het mengsel in dezes huid doen en deze op zekere plaats leggen, zullen al de hazen van de streek aldaar verga- deren. (Mag.~ Nat.~, l.~ c.~; Roll.~ VIII, 97)._ Het Doodkruid^(4)^ wordt tot de Walkuren (nu tot Heksen vervormd) gebracht. _In Zwaben heet de besdragende Plant `Walckenbaum' ("=" Walkyrin- boom), zeggen Pritzel en Jessen, en in den Nederrijn `Walckerbaum'. Het was ook een Hekateplant (vgl.~ beneden). Thans gelooft men nog dat de ziel van iemand die door Belladonna gedood werd, niet kan verrijzen. Aldus te Naintr (dp.~ Vienne). Roll.~ VIII, 121. Een Hongaarsch volksgeloof beweert dat de kaartspeler, die op het naakte lijf de Plant draagt, niet verliezen kan. Zie Marzell, 164._ De aan Doodkruid gelijkende Scopolia^(5)^, die in Karinthi groeit en vroeg in de lente bloeit, is ook een Walkureplant. _Men noemt ze aldaar `Walckenbaum' (Pritz.~ u.~ Jesen, naar Schkuhr) m ze vervangt er onze Belladonna. (Marzell, 163)._ | | ^(1)^ Kleefdeeg, waarmede men vast- of dichtmaakt, d.~ i.~ luteert. | | | ^(2)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(3)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(4)^ Atropa belladonna L. | | | ^(5)^ Scopolia camiolica Jacq. | Ook de in onze akkers en tuinen zoo gemeene Zwarte Nacht- schade^(1)^ was een Heksenkruid. _De ndl.~ naam Nachtschade, mnl.~ Nachtscade en Nachtscadu(w)e, ohd.~ Nahtscato, nbgd.~ Nachtschatten wijst hierop; eig.~ schaduw van den nacht. Het woord duidt speciaal de Solanum-soort met zwarte bessen aan, zegt Franck- van Wijk. `Nachtschatten, schwarzer Schaden', zwarte schade, dus Vijand. (Vgl.~ Kannegiesser; Prahn). `Nachtschaden' is de uitvarende Heks en den door haar veroorzaakten hagelslag. (Rel.~ u.~ Bohnh.~). Leunis (II, 581) wijst, ter ver- klaring, op den reuk die sommige Morella-soorten des nachts verspreiden. -- Andere namen die met daemonologie en magie in verband staan, zijn: hgd.~ `Stinkteufel' ("=" Stinkduivel); -- fr.~ `Herbe des Magiciens' ("=" Toove- naarskruid; Gill.~ et Magne, Fl.~ fran.~); `Verjus du Diable' ("=" Duivelswijn of -sap); -- `Erbo bouimnco' ("=" Bohemers- of Zigeunerskruid; aldus in dp.~ Var, Roll.~ VIII, 101 en vvgg.~).; -- Waalsch: `Pe d'Macrale' ("=" Hek- senerwt; Roll.!). Ook in Engeland beschouwt men de `Nightshade' als een Tooverkruid: een Heks somt eenige harer kruiden op en schikt er onder de Zwarte Nachtschade (aldus in Ben Jonson's Masque of Queens; This.~ 64). Of stond de Plant in verband met de Noorsche godin Skadhi, de dochter van den winterreus Thiassi? Skadhi was, te oordeelen naar verschillende sagen, een nachtelijke Schaduwgodin. (Rehl.~ u.~ Bohnh.~; vgl.~ Herrmann, N.~ M.~ 436-8)._ Met een berooking van Jodenkers^(2)^ konden Zwartkunste- naars een Toovertoertje doen. _Om al die in huis zijn te doen schijnen `inder manieren van Paerden oft Olephanten' moet men Alkekengi nemen, het kruid wrijven en vermengen met het vet van een Meerzwijn; men maakt er daarna Zaad af `gelijck rijs', dat men op vuur legt met drek van eene Koe die melk geeft; de rook, die gevormd wordt, mag enkel het huis uitgaan door een gat, dat in de aarde gemaakt is: al die in huis zijn, schijnen te worden Olifanten en groote Paarden. (Alb.~ Magnus, Boeck der Secreten, E VJ, verso; uitg.~ van Leyden, c.~ 1551)._ 36. IJzerkruidachtigen (of Verbenaceen). Het gemeene IJzerkruid^(3)^ is eene Heilplant; en toch werd zij -- 't gebeurde wel meer met weldoende Kruiden -- ook door Heksen gebruikt. _In dp.~ Ille-et-Vilaine (Frankr.~) heeft de Verbena den naam van `Herbe aux Sorders' ("=" Toovenaarskruid; Roll.~ VIII, 39). Zij kwam voor in de Heksenzalf (z.~ boven). | | ^(1)^ Solanum nigrum L. | | | ^(2)^ Physalis alkekengi L. | | | ^(3)^ Verbena officinalis L. | Het was een Wenschkruid. Wie er zich mee zalfde, zag al zijn wenschen vervuld. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 187). `Want sommighe wtsinnighe vryers ende rasende tooveressen segghen, dat (Verbena) een sonderlinghe cracht heeft om yemandt tot liefde te verwecken ende om te beletten eenighe grouwelicke dinghen ende naeckende schaeden'. Aldus Lobelius (I, 634). Doch onze Vlaamsche Rijselaar beschouwt dit als `boosheden ende godloosheden' en hij heeft `daer mede ghespot'. Dodoens (223) heeft nog iets vreemders: `Als den Medicijn, het Iser-cruydt over hem draghende, den krancken gaet besoecken, ende hem vraeght hoe dat het met hem is, ende als den krancken antwoort dat het al wel is, oft redelijck, dan sal hij van die sieckte op staen: in dien hij seght dat het niet wel en is, of dat soude moghen beter wesen, dan sal hy van die sieckte sterven'. Doch `het is spottelijck', voegt hij er bij. Indien men, gedurende zeven weken, IJzerkruid in vette aarde legt, zullen er uit wormen komen, die de menschen, welke zij aanraken, doen sterven. Legt met het in een duivenkot, zoo zullen al de duiven van den omtrek er naartoe komen. Stoot men het tot poeder en legt men dit in de zon, zoo zal deze blauw- achtig schijnen. Werpt men dit poeder in een gezelschap of tusschen twee geliefden, dan zal korten tijd daarna twist ontstaan. (Mag.~ Nat.~, 82). Doch wilde men al de krachten in dit Heksenkruid behouden, zoo moest het op speciale wijze en op een bepaalden dag worden uitgegraven: men haalde het uit den grond met een gouden of zilveren werktuig -- want beroering met ijzer ontnam aan de Plant alle kracht; men las over haar een pater-noster en een `credo-domini' en sprak: `Ik neem u, edele Verbena, in name des Vaders, des Zoons en des H.~ Geestes, en bij de twee-en-veertig namen van den Almach- tigen God, bij de vier Engelen Michal, Gabril, Raphal en Anthonil, en bij de vier Evangelisten!' Na die uitgraving en bezwering moest het Kruid blijven liggen, tot de morgendauw er op viel; men mocht het evenwel niet alleen laten. En eerst voor zonsopgang mocht men het opnemen. Zulks moest geschieden op O.~ L.~ Vr.~ Hemelvaart of op St.~ Jansavond. (Perger, 147); naar een hs.~ uit de 14"e" eeuw, berustende in de Hofbibliotheek te Weenen, Cod.~ Manuscri.~ 2524). -- Plinius echter schrijft, dat de Magirs dit Wenschkruid zamelden bij den opgang der Hondsster en zonder dat zon of maan het bescheen. (Id.~ 147). -- Naar Thurneysser moet IJzerkruid op Goeden-Vrijdag worden uitgegraven: `Verbeen, Agrimonia^_(1)_^, Madelger^_(2)_^, Charfreyags graben, hilft dir sehr, dasz dir die frawen werden hold, doch brauch kein eisen, grabs mit goldt!' d.~ i.~ `Verbeen, Agrimonia, Madelgeer op Goeden-Vrijdag graven, Helpt u zeer dat de vrouwen u genegen worden, Doch gebruik geen ijzer, graaf 't met goud'. (Shns, 110). | | ^(1)^ Agrimonia eupatoria L. | | | ^(2)^ Gentiana cruciata L. | Legran (Sci.~ et Mag.~ 30), ngt dat het moet geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en bewaard blijven onder Tarwe^_(1)_^ of Gerst^_(2)_^._ 37. Lipbloemigen (of Labiaten). Ofschoon de Labiaten in het algemeen weldoende en geurige Kruiden zijn. toch vinden wij er eenige in de Magische Flora vermeld. De rechtopstaande Andoorn^(3)^ heet in den Elzas `Beruf- kraut' (d.i.~ Betooverkruid) en in Henneberg in Schmalkalden `Beschreikraut' (dat hetzelfde beteekent). _Pritz.~ u.~ Jessen. Leunis echter verklaart dat het Kruid (dat ook in Belgi wast) aldus wordt genoemd, omdat het tegen kinderbetoovering wordt aange- wend. Het zou dus veeleer een antimagisch Kruid zijn._ De eenjarige Andoorn^(4)^ heeft in Duitschland den naam `Hexenkraut' ("=" Heksenkruid). _Pritz.~ u.~ Jessen; naar Schkuhr, Bot.~ Handbuch._ De naverwante Sideritis^(5)^ heet ook `Beruf-' of ` Beschrei- kraut'. _Pritz.~ u.~ Jessen. Volgens deze twee Botanisten is 't de `Herba judaica' of het Jodenkrutd bij de Middeleeuwsche Schrijvers. Doch Dodoens (127) noemt een andere soort van dit geslacht, groeiende in de Landen van de Middellandsche Zee, nl.~ de ruigharige Sideritis^_(6)_^. `Glidt-cruydt. of Herba Judaica'. Hij beschouwt het als de Sideritis van Dioskorides; doch zulke pogingen om de Grieksche en Latijnsche Plantnamen der Oude Schrijvers op Planten onzer West- en Noord-Europeesche Flora toe te passen loopen noodzakelijkerwijze dikwijls verkeerd uit; ook de identificaties van den grooten Linnaeus laten dikwijls veel te wenschen over. Dodoens schrijft over deze ruigharige Sideritis: `Men noemt dese eerste soorte van Glidt-cruydt Sideritis, al ofmen Ferraria int Latijn / oft IJzercruydt in 't Nederduytsch seyde / nae het Griecks woordt Sideros, 't welck Yser beteekent; om dat het de versche wonden die met Yser ghedaen zijn / ge- nesen ende toe heelen kan'. -- Heukels (Flora) heet Sideritis op zijn Ndl.~ IJzerkruid, Verbena IJzerhard en Scutellaria Glidkruid._ Een ander `Berufkraut' is de gemeene Hennipnetel^(7)^ | | ^(1)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(2)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(3)^ Stachys recta L. | | | ^(4)^ Stachys annua L. | | | ^(5)^ Sideritis scordioides L. | | | ^(6)^ Sideritis hirsuta L. | | | ^(7)^ Galeopsis tetrahit L. | (Sal.~-Voss); naar Pritz.~ u.~ Jess.~ is 't de Raai^(1)^, insgelijks in ons land niet zeldzaam, die in Henneberg (Centraal Duitschl.~) `Be- schreikraut' wordt genoemd. De overal verspreide witte Doovenetel^(2)^ is in Duitschland onder die namen -- `Beruf-' of `Beschreikraut' -- hier en daar bekend. _Sal.~-Voss; Pritz.~ u.~ Jessen (in hun register): deze voegen er nog de purpere Doovenetel^(3)^ bij._ In Frankrijk heet men het Hertsgespan `Patte de Sorcier' ("=" Toovenaarspoot). _Aldus te Quiberville (dp.~ Seine-infrieure). Roll.~ IX, 3; ook bij Littr: naar de handvormige bladeren?_ De volksnaam voor de Betonie is, in Gruyre (Zwitserland) `Herbe intzryi' ("=" Fr.~ Herbe ensorceler, ndl.~ Betoover- kruid). _Roll.~ VIII, 207. -- Betonie was `Domina omnium herbarum', d.~ i.~ de Meesteres van alle Kruiden. (J.~ Camus, Op.~ Sal.~, 42; geciteerd door Roll.~ VIII, 206). Toovenaars lokken de jonge meisjes tot zich door middel van een Betonie- blad, dat zij op haren schouder hechten. Aldus in dp.~ Laudes. (Roll.~ VIII, 208; naar La Garde: Les Laudes, 27). Het was een Doolkruid: wie op Betonie trapte, doolde van den weg af. (Idem)._ Legran (Sci.~ et Mag.~, p.~ 30) wijst nog drie magische Lip- bloemigen aan: het Kattekruid^(4)^, de heelkrachtige Salie^(5)^ en `Mlisse serpentine'. _Zij moeten echter geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en bewaard worden onder Tarwe^(6)^ of Gerst^(7)^. Het Kattekruid wordt door de Katten gezocht en Katten zijn, in 't volks- geloof, Heksendieren. `In onze tijden heeft dit ghewas den naem van Katte-cruydt gekregen; in 't Latijn Cattaria, ende Herba catti; ende dat by oorsaecke dat de Katten groote genoeghte in dit cruydt nemen; want men siet dikwijls / dat | | ^(1)^ Galeopsis ladanum L. | | | ^(2)^ Lamium album L. | | | ^(3)^ L.~ purpureum L. | | | ^(4)^ Nepeta cataria L. | | | ^(5)^ Salvia officinalis L. | | | ^(6)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(7)^ Hordeum vulgare L. | sy door den lieflijcken reuck van Katte-cruydt bevangen zijnde / haer selven daer aen komen wrijven / en haer daer in wentelen / iae met grooten lust de soppen ende bladeren daer van komen eten'. (Dod.~ 135-6). Vgl.~ Blancardus (Lex.~) die hetzelfde beweert: `Cataria... videtur vox ficta Belgico idiomate een Kat / Cattus: quia catti sive feles hac planta delectantur et vescuntur'. -- De Chaldeers heeten dit Tooverkruid `Bicith'. Indien met het vermengt met eenen steen, dien men in 't nest van den Hopvogel vindt, en er mede den buik van een dier wrijft, zal dit bezwangerd zijn en een pikzwart jong voortbrengen. Steekt men dit mengsel in den neus van een beest, zoo zal dit sterven doch weldra opnieuw levend worden. Bestrijkt men de bijkorven met `Bicith', dan kunnen de bijen er niet meer uit; ja, indien deze dood zijn, hoeft men ze maar in bovengenoemd mengsel te leggen en zij zullen weder levend worden. Hetzelfde Heksenkunstje kan men op verdronken vliegen toepassen. (Mag.~ Nat.~, 73). -- In Aargau (Zwits.~) beweert men dat Kattekruid toornig maakt; daarom moet een al te weekhartige beul, vor ieder halsrechting, eenige bladeren van dit Toover- kruid opeten. (Perger, 193). De Salie (of Savie) is het nest der Padden, en Padden zijn Heksendieren: `Salvia bufonum nidus esse dicitur'. (Roll.~ VIII, 180; naar Ephemera nat.~ cur.~ 1697-8, Append.~, p.~ 87). De Italianen planten Ruit^_(1)_^ bij Savie om deze Padden te verjagen. (Roll.~ VIII, l.~ c.~; naar Garidel, 1716). Het is zeker, voor het bijge- loovig volkje, dat onder de Savie zich eenige Giftdieren vergaderen en de Plant met hunnen adem giftig maken. (Idem). -- Een oude Hortus (1485) vertelt: Uit Savie, die men. gedurende vier weken, in mest legt, groeit een vogel die een staart als die eener slang heeft; en hij is wit en gelijkt op eenen vogel, in 't Latijn Merula, dat is een Merel (`Drostel' in hgd.~ "=" dus lijster). Dezen vogel zal men verbranden tot asch en poeder. Wilt gij aardige dingen met dit poeder doen, zoo neem eene lamp en doe daarin olie en dit poeder, en steek daarin eene wiek van een slangenhuid en Boomolie (nl.~ Olijfolie^_(2)_^), en wanneer die wiek brandt als een licht, dan meenen al die in huis zijn, dat het huis vol Slangen is, en dat hebben ons, van de `Salvay', de Magi geschreven. (Shns, 128-7). -- Het boekje (Mag.~ nat.~, 76) schrijft het eenigszins anders: `Cette herbe tant pourrie sous du fumier dans une fiole de verre, il s'en forme un certain Ver, ou un Oiseau, qui a la queue comme un Merle; si de son sang on en frotte l'esto- mac de quelqu'un, il perdra le sentiment pendant plus de quinze jours. Que si l'on fait brler ces Vers, et qu'on en jette la cendre dans le feu, incontinent on entendra comme un horrible coup de tonnerre. Ou bien si on met cette poudre dans une lampe, qu'on allume ensuite, il semblera que toute la chambre sera pleine de Serpens'. De lichtgeloovige schrijver voegt er naevelijk bij: `On en a fait plusieurs fois l'exprience'. -- Willen Toovenaars eene beek doen uitdrogen, zoo werpen zij er een Saliestengel in. (Perger, 144; naar Montanus, I, 147). Het derde Heksenkruid, waarvan Legran gewaagt, de `Mlisse serpentine' | | ^(1)^ Ruta graveolens L. | | | ^(2)^ Olea europaea L. | duidt eigenlijk twee Planten aan: 1"o" De eigenlijke Melisse of Konfilie-de- Grein^_(1)_^, een Lipbloemige uit onze tuinen, waarvan Magie naturelle (blz.~ 77) verhaalt: dat indien men deze Melisse, met sap van een eenjarigen Cipres^_(2)_^, in de soep of brij werpt, deze vol wormen zullen schijnen te zijn; dat wie de Plant over zich draagt, voor ieder aangenaam en boven alle vijanden zal zijn; dat, indien men ze aan den hals van eenen os bindt, deze moet volgen den persoon die het Kruid aangebonden heeft; en dat, indien men Melissesap met een derde deel zweet van een ros mensch vermengt en in dit mengsel eenen riem steekt, deze in eens en in 't midden zal openspringen; -- 2"o" Het magische Vijfvinger- kruid ^(3)^ (z.~ boven Roosachtigen)._ De Magirs gebruikten Bloemen van Marjolein^(4)^ bij hun magisch Woensdagwerk. _Lvy, H.~ M.~ II, 118; z.~ Lelieachtigen. -- Om een meisje in haar hemd te doen dansen, nam men, vor Zonsopgang, den dag vor St.~ Jan, een handvol Marjolein, een weinig IJzerkruid, Mirtebladeren, drie bladeren en drie wortels van Venkel; men liet alles in de schaduw drogen en stootte het tot poeder, dat men in de richting blies van de plaats waar het meisje zich bevond. Aldus in Frankrijk in de Middeleeuwen. (Roll.~ IX, 24)._ 38. Helmkruidachtigen (of Scrophulariaceen). Te vermelden zijn: Het Alpische Leeuwenmuiltje^(5)^, in 't hgd.~ `Goldenes Ver- schreikraut' (d.~ i.~ Gulden Tooverkruid). _Aldus in de streek van Werfen, in Pongau en Lungau (in de omstr.~ van Salzburg). Pritz.~ u.~ Jessen._ Het kleine Vlaskruid^(6)^, bij Schwenckfurt `klein Berufkraut' (d.~ i.~ Klein Betooverkruid) genoemd. _Pritz u.~ Jessen._ Het giftige Vingerhoedskruid^(7)^. _Om een persoon te beheksen moet men hem een Doorn^_(8)_^ doen dragen, die den vorm van een kruis heeft en waarop een Vingerhoedsbloem steekt. Aldus te Matignon (dp.~ Ctes du Nord; Roll.~ VIII, 139). | | ^(1)^ Melissa officinalis L. | | | ^(2)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(3)^ Potentilla reptans L. | | | ^(4)^ Origanum majorana L. | | | ^(5)^ Antirhinum alpinum L. | | | ^(6)^ Linaria minor L. | | | ^(7)^ Digitalis purpurea L. | | | ^(8)^ Crataegus-soorten. | Een enkele Vingerhoedsbloem in een huis is voldoende om er de melk zuur te maken (in Bretagne; Idem)._ 39. Bremraapachtigen (of Orobanchaceen). De Bremrapen^(1)^ hebben magische kracht en toonen, als signatuur, den beetafdruk van den Duivel. _De Klaverdood of kleinste Bremraap heet in de omstreek van Lucern en hier en daar elders in Zwitserland `Kleeteufel' en `Kleetfel' (d.~ i.~ Klaver- duivel). -- Holl noemt ze `Teufelsabbiss' en te Werfen (Salzburg) duidt men ze aan met den naam `Teufelsablass'; beide namen staan gelijk met ndl.~ Duivelsbeet: het raapvormige onderste deel van den vleezigen Stengel is als afgebeten en de Plant doodt de Klaver._ De Franschen noemen soms den Schubwortel^(2)^ `Herbe magique' ("=" Magisch of betooverd Kruid). _Roll.~ VIII, 164 (naar Saint-Germain. 1784). De zonderlinge Plant leeft onder den grond en toont, enkel gedurende haar bloeitijd, den nauwkeurigen en vorschenden voorbijganger haar paarse Bloemen._ 40. Hertshooiachtigen (of Hypericaceen). Ik wees er reeds meermaals op: Heilkruiden zijn (of waren) vaak Heksenkruiden. Zoo komt het dat het doorboord Hertshooi of St.~ Janskruid^(3)^, dat, naar 't volksgeloof, zooveel goede eigen- schappen bezit, ook tot de Heksenflora behoort. _De Tooverboeken van de Heksenmeesters moesten gedoopt worden en deze gebruikten hiertoe een sproeikwastje (of `Aspergillum') van St.~ Janskruid. Dat blijkt uit het proces van de Toovenaars van Mantes (op de Seine, Frankr.~), die, bij arrest van het Parlement van Parijs, in de maand November 1586, verbrand werden: `De Toovenaars, die de Duivels willen bezweren en ter hulpe roepen, om toekomstige dingen te weten, of om waar te zeggen, of om ander Satantoeren uit te voeren, hebben de gewoonte hunne Boeken, waarin hunne bezweringen, phylakterin (of Tooverteekens), Tooverletters, enz.~ besloten zijn, door eenigen priester, die een stool rond den hals draagt, te laten wijden. Deze priester besproeit de Boeken met wijwater door middel van een kwast van St.~ Janskruid, en zegt intusschen deze woorden: `Ik doop U in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes'. En terwijl hij dat doet, moet hij een gewijde kaars vasthouden. Daarna legt hij deze Boeken, onder het altaarlaken naast het Evangelie ais hij de mis doet, op drie Vrijdagen. Den | | ^(1)^ Geslacht Orobanche; de gemeenste is O.~ minor L.~ of Klaverdood. | | | ^(2)^ Lathraea clandestina L.~ en L.~ squamaria L. | | | ^(3)^ Hypericum perforatum L. | laatsten Vrijdag wendt hij rond ieder gedoopt Boek een kruisband en legt het daarna weg op een reine en geheime plaats'. Dat getuigden vermelde Toovenaars van Mantes. (Crespet, Haine de Satan, l.~ 1, disc.~ 12; Delrio, Disquis.~ mag.~ l.~ 5, sect I5; Thiers, II, 71-2). Montanus noemt dat roodsappige Kruid `Alfblut' en `Elfenblut' (Alf- bloed, Elfenbloed); in Zwitserland (omstr.~ van Bern) draagt het den naam `Hexenkraut'. 't Was overigens een Doolkruid: indien men, na zonsondergang op St.~ Jansavond, op Hertshooi trapt, rijst uit den grond een Feenpaard (Toover- paard); het rijdt met den onvoorzichtige den heelen nacht rond en laat hem enkel met den dageraad vrij. Aldus op het eiland Man (Groot Bretanje). Roll.~ III, 180; naar Moore, Folkl.~ of the Isle of Man, 1891, p.~ 152). 't Was nog een Waarzeggerskruid (z.~ beneden)._ 41. Maankopachtigen (of Papaveraceen). De gemeene giftige Gouwe^(1)^ met het gele bijtende sap en de vierbladige gele Bloemkronen moet eerst vermeld worden. Het was een Heksenkruid. _Het gele Sap is Heksenmelk (z. boven) of `Truddemlch' (z.~ beneden). Wie Gouwe, met het hart van eenen mol, over zich draagt, zal boven alle vijanden zijn en zich weten te redden uit alle slechte zaken en gedingen. (Mag.~ nat.~ 72). `Ende het verdrijft alle twist ende gheschil'. (Leidensche uitg.~). Aangaande het plukken van Gouwe of van al ander Heksenkruid schrijft Mag.~ nat.~ (l.~ c.~): `Il faut remarquer, et avertir tout ensemble, que ceux qui voudront se servir utilement de ces Herbes, ne les doivent cueillir que depuis le vingt-troisime jour de la Lune jusques au trentime' -- anderen zeggen juister tot den 29"e""n" -- `en commenant par Mercure; on peut les amasser pendant toutes les heures du jour, mais on doit scavoir, qu'en I'arrachant on nommera les vertus de l'Herbe, et rusage que ron en veut faire. Ensuite prenez cette Herbe, et la mettez sur du Froment^_(2)_^ ou de l'Orge^_(3)_^, jusques ce que vous en voudrez servir quelque chose'. Vgl.~ Legran, Sci.~ et M.~, 30._ Een ander Heksenkruid was de min gewone Hoornheul^(4)^, de `Ghehorende Heul' van Dodoens, een ook in ons land gevonden Strandkruid met groote, mooie gele Bloemen._ | | ^(1)^ Chelidonium majus L. | | | ^(2)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(3)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(4)^ Glaucium flavum Crantz. | Zie Ben Jonson (Witches Song): `Yes, I have brought to help your vows, Horned Poppy, Cypress boughs, The Fig-tree wild that grows by tombs, And juice that from the Larch tree comes'. d.~ i.~ `Ja, ik heb gebracht, om u in uw wenschen te helpen, Gehoornde Maankop, Ciprestwijgen^_(1)_^, Den Vijgenboom^_(2)_^ wild die groeit bij graven, En sap dat van den Lorkboom^_(3)_^ komt'. This.~ (64) merkt aan dat men de Plant, in de Middeleeuwen, Ficus infer- nalis noemde. Doch verkeerd; want de Hellevijg is een ander plant: Closius heelt deze voor 't eerst beschreven, en zijne beschrijving vindt men ook bij Do- doens (734, b.~): `Doornachtigen Heul' of Papaver spinosum; `sommighe noemen 't Fico del inferno, dat is Hel-vijghe / oft Ficus infernalis in 't Latijn'. Bij Baillon (Dict.~) is Ficus infernalis de Purgeernoot^(4)^._ De Opiumplant^(5)^ schonk een Tooversap, het Homerische Nepenthes. _Naar velen is Nepenthes: Laudanum opiatum of Extractum Opii. (Zwin- gerus uitte het eerst deze meening). -- Anderen noemen nog: 1"o" de Alant^_(6)_^ en zij denken bij 't zien van den naam Helenium aan Helena, de vrouw van Menelaus die Nepenthes (uit Egypte) gebruikte en in den wijn van Telemachus deed, ten einde dezes treurnis te verdrijven (aldus bij Homeros, IV, 220 en vvgg.~); Nepenthes komt van gr.~ n, niet. en penthos, rouw: dus een treurnis of kommer verdrijvende Plant of Toovermiddel, een zorgenbreekster (Leunis, II, 205); -- 2"o" de Ossetong^_(7)_^ aldus Galenus; -- 3"o" de Bernagie^_(8)_^, aldus Plutarchos; -- 4"o" de Koffie^_(9)_^, aldus de reiziger Pietro della Valle (Gub.~ II, 238); -- 5"o" het wit Bilzenkruid^_(1O)_^ of de verwante soort Hyoscyamus datura L. (Leunis, 205, en Adanson); -- 6"o" de Saffraan^_(11)_^, aldus Muat en De Lens (Dict.~ s.~ v.~ Ne- penthes d'Homre); -- 7"o" Hennipblaren^_(12)_^. -- Het Linneaansche geslacht Ne- penthes heeft niets met de Homerische Plant te maken. Zie Wedel, Programma de Nepenthe Homeri; en ander bibliographlsche aanwijzingen bij Mrat en De Lens (Dict)._ | | ^(1)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(2)^ Ficus carica L. | | | ^(3)^ Larix europaea L. | | | ^(4)^ Jatropha curcas L. | | | ^(5)^ Papaver somniferum L. | | | ^(6)^ Inula helenium L. | | | ^(7)^ Anchusa italica L.~, of misschien A.~ officinalis L. | | | ^(8)^ Borrago officinalis L. | | | ^(9)^ Coffea arabica L. | | | ^(10)^ Hyoscyamus alba L. | | | ^(11)^ Crocus sativus L. | | | ^(12)^ Cannabis sativa L. | De verwante Duivenkervel^(1)^ (eigenlijk een Fumariacee) werd door den Magir voor zijn Woensdagwerk gebezigd. _Lvy, H.~ M.~ II, 118 (vgl.~ Lelieachtigen)._ 42. Kruisbloemigen (of Cruciferen). Kruisbloemigen komen om zoo te zeggen in de Tooverflora niet voor. Enkel het volgende mag hier vermeld worden omdat de Roode Kool^(2)^ er eene rol speelt. _In het jaar 1659 werd vrouw Aagt Germontsdr.~ van Abbekerk (bij Meden- blik, Holland) onthoofd. Haar schelmstuk? Zij had een kind gebaard met een lichaam als een stokvisch, waarvan de staart was gespleten en als twee voetjes omgekromd; de armen waren twee met gort gevulde bloedbeulingen en het hoofd was een Roode Kool! (Knipscheer, V, 46; naar B.~ Bekker)._ 43. Resedachtigen. De Wouw heet, in Silezi, `Hexenkraut'. _Pritz.~ u.~ Jess.~; Salomon-Voss._ 44. Vioolachtigen. De Vrijdag is een Venusdag: en de Magir doet liefde- tooverwerk en gebruikt hiertoe Viooltjeskronen^(3)^. _Zijn kleed is azuurblauw, de behangsels groen en roos, de sieraden van gepolijst koper. De kronen zijn gemaakt van Viooltjes, de guirlandes van Rozen^_(4)_^, Mirt^_(5)_^ en Olijf^_(6)_^. Zijn ring is versierd met een turkoois, de tiara en agraffen met lapis-lazuli en beril. Zwanepluimen vormen de waaiers. En op zijn bont draagt de Magir een koperen talisman met het kenteeken van Anal en deze woorden: Aveeva Vadelilith. (Lvy, H.~ M.~ II. 119)._ 45. Komkommerachtigen (of Cucurbitaceen). De Pompoen^(7)^ wordt gebruikt om menschen te betooveren: men deed hun Pompoenen eten. _Roll.~ VI, 26._ | | ^(1)^ Fumaria officinalis. | | | ^(2)^ Brassiea oleracea capitata. | | | ^(3)^ Viola odorata L. | | | ^(4)^ Rosa centifolia L. | | | ^(5)^ Myrtus communis L. | | | ^(6)^ Olco europaea L., | | | ^(7)^ Cucurbita pepo L. | De Heggerank of Bryonie^(1)^ vervangt dikwijls de Heksach- tige Mandragora^(2)^. _Z.~ boven Mandragora bij de Nachtschaadachtigen. Eenige Fransche bena- mingen doelen op Hekserij of Duivelarij: `Vigne au Diable', `Raisin du Dia- ble', `Navet du Diable', `Verjus au Diable'. (Roll.~ VI, 47 en vvgg.~). En raadpleeg een interessante verhandeling over de Heggerank als Man- dragora bij de Russen: Jaworski, Die Mandragora im sdrussischen Volksglaube (in: Zeitschr.~ f.~ sterreich.~ Volkskunde 12 (1896), 353 vvgg; 3 (1897), 63 vvgg)._ De Magir bezigt, voor zijn magisch Maandagwerk, het Zaad van Komkommer^(3)^. _Lvy, H.~ M.~ 118; z.~ Hanevoetachtigen._ 46. Kloksjesachtigen (of Campanulaceen). Hier mag gewezen worden op het Grimmsche sprookje `Ra- punzel'. _Hgd.~ `Rapunzel', vervorming van mlat.~ Rapuncium, evenals de Ndl.~ namen Raponsje en Rapunsel, en de Fr.~ Raiponce. Rapuncium, waarnaast Rapunculus, komt van lat.~ Rapa "=" Ndl.~ Raap. (Z.~ Vercoullie). In het sprookje is er kwestie van een Kruid (`Rapunzel') dat in eenen tuin van eene Heks groeit en een zwanger vrouw aanlokt; deze eet er van, waardoor de Heks macht over het te baren kind bekomt. Vgl.~ Herrmann, D.~ M.~ 248._ 47. Samengesteldbloemigen (of Compositen). Als Heksenkruid staat de scherpe Fijnstraal^(4)^ bekend. _Duitsche namen bewijzen het: `Berufkraut' ("=" Betooverkruid) in Silezi, Zwaben, Elzas; `Rufkraut' bij Nemnich; `Beschreikraut' in Schmalkalden. (Pritz.~ u.~ Jess.). Deze Fijnstraal is ook antimagisch (z.~ beneden)._ Insgelijks het Duitsch Viltkruid^(5)^, dat (bij Sal.~-Voss) `Berufskraut' heet. _De Filago-soorten (vooral F.~ germanica L.~ en F.~ minima L.~) schijnen te zijn Herba Impia van Plinius (l.~ 24, c.~ 19); Dodoens meent het althans en schrijft (blz.~ 89): `Herba Impia wordt ghenoemt dat grijsachtigh cruydt / 't welck de Roosmarijn in 't aensien ghelijckt als eenen thyrsus, tuylken oft tros bekleet ende verciert met uytstekende knopkens; daernae spruyten daer andere tackskens | | ^(1)^ Bryonia dioica L. | | | ^(2)^ Atropa mandragora L. | | | ^(3)^ Cucumis sativus L. | | | ^(4)^ Erigeron acre L. | | | ^(5)^ Filago germanica L. | uyt / die oock haere hoofdekens oft knopkens dragen: ende daerom noemtmen dit ghewas Impia (als ofmen Eerloos oft Ongodtvruchtigh seyde) om dat de ionghers boven de ouders uytsteken / want de ionge bloemen verdrucken in dit cruydt de oude / mits datsy langer steelen krijgen'._ Zoo ook het Kruiskenskruid^(1)^, dat in alle akkers groeit en bloeit. _`Berufkraut' (Pritz.~ u.~ Jess.)._ De veeleer antimagische Wolverlei^(2)^ heet te Grardmer (Vogezen): `Fi d'hhnhh' (d.i.~ Heksenbloem). _Aldus bij Roll.~ VII, 18._ Hier en daar, in Duitschland, worden Donderkruid^(3)^ en Vlookruid^(4)^ gebruikt om te betooveren. _Hun naam is (naast andere) `Berufkraut'. (Pritz.~ u.~ Jess.~; Sal.~-Voss). Doch het waren veeleer antimagische Planten._ Aan de Averone^(5)^ kent men magische krachten toe. _Aldus in Frankr.~ en in Itali. (Gub.~ II, 2)._ Ook aan den Alsem^(6)^. _Indien men de handen van een kind, vor het einde van zijn twaalfde levensweek, met Alsemsap overwrijft, zal het, gedurende zijn heele leven, door warmte noch koude gekweld worden. (Gub.~ II, 2; naar Johnston, Thaumatogra- phia naturalis). De Magir gebruikt, voor zijn magisch werk van den Maandag en den Dinsdag, Alsem en de verwante Bijvoet als krans rond reukaltaar en driepikkel. (Lvy, H.~ M.~ II, 118; vgl.~ Hanevoetachtigen)._ De Bijvoet^(7)^ werd door de Magirs (z.~ boven Alsem) ge- bruikt en bezat ook de kracht den mensch alles te doen vergeten. _Een Russische sage uit het distrikt Starodubsk: op den dag der Kruis- verheffing gaat een meisje in 't woud om Kampernoeljen^_(8)_^ Zij ziet er een groot getal ineengekronkelde Slangen; zij wil ijlings naar huis terugkeeren, doch | | ^(1)^ Senecio vulgaris L. | | | ^(2)^ Amica montana L. | | | ^(3)^ Inula conyza L. | | | ^(4)^ Pulicaria dysenterica L. | | | ^(5)^ Artemisia abrotanum L. | | | ^(6)^ Artemisia absinthium L. | | | ^(7)^ Artemisia vulgaris L. | | | ^(8)^ Eetbare Agaricus- en Boletus-soorten. en wel andere nog. | komt terecht in een hol, dat de woonst der Slangen is. Dit hol is duister, maar in 't diepste ligt een blinkende steen; de Slangen hebben honger en hun Koningin leidt ze tot den steen, waaraan de Slangen likken en daardoor verzadigd zijn. Het meisje doet ook alzoo en blijft in het hol tot de volgende lente. Alsdan kronkelen de Slangen te zamen en vormen een trap, waarop het meisje klimt om uit het hol te geraken. Bij het afscheidnemen schenkt de Slangenkoningin haar de gave de taal der Kruiden te verstaan en hunne heilkrachten te kennen op en voorwaarde: d.~ i.~ nooit de Bijvoet (op zijn Russisch `C'ornobil' "=" hij die zwart is) te noemen: want indien zij den naam `C'ornobil' uitspreekt, zal zij alles wat zij in 't Slangenhol geleerd heeft, vergeten. En, waarlijk! het meisje verstaat nu alles wat de Kruiden tot elkaar zeggen. Doch eens, op 't onverwacht, vraagt haar een man: `Hoe heet het Kruid dat in de velden langs de kleine wegeltjes groeit?' `C'ornobil', zegt ze:;en op denzelfden stond vergeet zij alles wat zij weet. En sedertdien heet het Kruid `Zabutko' d.~ i.~ het Kruid van het Vergeten. (Gub.~ II, 17; naar Rogovic'~)._ In Silezi is het Nieskruid^(1)^ een `Berufkraut' ("=" Hek~ senkruid). _Pritz.~ u.~ Jessen._ Tot magische doeleinden wordt de Voorjaarsbloem^(2)^ gebezigd. _Gemsjagers en Koordedansers eten er van om zich tegen het vallen te behoeden. (Prahn, 147). Vanhier de Ndl.~ naam Duizelkruid en de hgd.~ `Schwin- delkraut': veeleer naar de signatuurleer, zegt Kannegiesser, want de Plant wast op hooge bergen in Tirol en kent geene duizeligheid._ Wat ik boven gezegd heb van het Duizendguldenkruid^(3)^, is misschien ook toepasselijk op de eigenlijke Santorie^(4)^. _Want beide Planten heetten, bij de Ouden, Centaurium._ 48. Vorschenbeetachtigen (of Hydrocharitaceen). Een `Hexenkrud' ("=" Heksenkruid) is de in 't water levende Krabbenklauw^(5)^. _Deze naam werd gebezigd in Unterweser bij Oberneuland, naar Pritz.~ u.~ Jessen. De Wortelen van dit inlandsch kruid vlotten vrij in de poelen, moeren en vaarten: `De laughe draeykens / die dit cruydt in stede van wortelen strecken | | ^(1)^ Achillaea ptarmica L. | | | ^(2)^ Doronicum pardalianches L. | | | ^(3)^ Erythraea centaurium L. | | | ^(4)^ Centaurea centaurium L. | | | ^(5)^ Stratiotes alodes L. | ende de ghedaente van wormen schijnen te hebben / worden van sommighe stuyt-vossen ende landt-vaerders of quacksalvers in fiolen oft flesschen met water gedaen / ende op hunne tafelen ten toone ghestelt: ende dan maecken sy den slechten huysman wijs / dat het wormen zijn / die met haer Poederen / Suycke- ren / Salven oft andere dinghen / die sy te koope hebben / den mensche (zijn) afghegaen'. (Dod.~ 933). Een bedriegelijk gebruik dat steunt op de signatuurleer._ 49. Lelieachtigen. Zelfs met de witte. pure Lelie^(1)^ werd getooverd. _Zij moat geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en onder Tarwe^_(2)_^ of Gerst^_(3)_^ bewaard worden. (Legran, Sci.~ et M.~ 30). Om iemand het slapen te beletten deed men het volgende Heksentoertje: men plukte Lelin, terwijl de zon in het teeken van den Leeuw was en men vermengde deze Bloemen met Lauriersap^_(4)_^; 't mengsel werd gedurende eenigen tijd onder mest gelegd; er kwamen wormen in, die men tot poeder stootte en rond den hals of in de kleeren van den te kwellen persoon deed: deze kon niet wpen, zoolang dit Tooverpoeder bij hem bleef. (Mag.~ nat.~, 74). Bestreek men iemand met die wormen, zoo kreeg hij aanstonds de koorts. (Id.~ 75). Om koeien te beheksen deed men Lelin in een vat met melk en overdekte dat met een witkleurige koehuid: al de koeien van den omtrek moesten hunne melk verliezen. (Idem). "*" Wolf (Ned.~ S.~, n"r" 268) geeft een Tooverlelie-sage op. Te Leiden ver- telde men hem dat, in vroeger tijden, aldaar een Toovenaar was, die den men- schen het hoold alhieuw en het naderhand weer op den hals kon zetten. Toen de Toovenaar nu eenmaal zijn kunst toonde, trad in de kamer waar het ge- beurde, een varende gezel en zag toe: Op de tafel vor den Toovenaar stond een groot glas met gedistilleerd water gevuld, en iedermaal dat een kop werd afgesneden, groeide uit het glas een witte Lelie omhoog, welke door den Hek- senmeester de Levenslelie werd genoemd. Toen nu de Toovenaar, op een anderen dag, opnieuw een hoofd had afgehouwen, trad snel de varende gezel met een scherp mesje naar het glas toe en sneed, ongemerkt en buiten de wete van den Toovenaar, den Stengel der Lelie door. De Toovenaar wilde daarna opnieuw den kop op het lijf zetten, doch het ging niet meer. Hij werd vastgegrepen. veroordeeld en verbrand. 't Zou in 't jaar 1528 gebeurd zijn. Doch dat is eenvoudig een vervormde Faustus-sage (z.~ beneden, waar ze uitvoeriger voor- komt). Voor zijn magische Woensdagarbeid -- de Woensdag was aan weten- schappelijke magie en aan Merkuur toegewijd -- deed de Magir een groen ofwel veelkleurig kleed aan. Zijn halssnoer bestond uit met kwikzilver gevulde | | ^(1)^ Lilium candidum L. | | | ^(2)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(3)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(4)^ Laurus nobilis L. | holle paarlen. De gebruikte reukstoffen waren Benzoin^_(1)_^, Macis^_(2)_^ en Storax^_(3)_^; de Bloemen: Narcis^(4)^, Lelie en Bingelkruid^(5)^, Duivenkervel^(6)^ en Marjo- lein^_(7)_^; de edelsteen: agaat. (Lvy, H.~ M.~ II, 118)._ Alos werd gebruikt door den Magir in de reukstoffen van zijn magisch Maandagwerk. _Lvy, H.~ M.~ II, 118 (z.~ Hanevoetachtigen). De bittere stof Alos wordt gewonnen uit verschillende soorten van 't geslacht Alo; vooral uit Alo socotrina L.~ Z.~ Leunis, II, p.~ 796._ 50. Aspergieachtigen (of Asparaginaceen). "*" Pariskruid^(8)^ was een Doolkruid: wie er op trapte, verloor zijnen weg. _Daarom heette L.~ Fuchsius dat Woudplantje Doolwortel; in West-Vl.~: Doolkruid (DB). Vervorming van Dolkruid: de Bes is giftig._ 51. Narcisachtigen (of Amaryllidaceen). De Magir benuttigde voor zijn magisch Woensdagwerk Narcisbloemen^(9)^. _Lvy, H.~ M.~ II, 118. De bekendste Narcissus-soorten zijn, behalve N.~ poeticus: N.~ pseudo-Narcissus L.~ en N.~ tazetta L.~ (de laatste, uit Zuid-Europa, was Pluto's Narcis)._ 52. Irisachtigen (of Iridaceen). Voor zijn magisch Zondagwerk wordt, door den Magir, tot reukstof Saffraan^(10)^ gebezigd. _Lvy, H.~ M.~ II, 117, 119 (z.~ boven Laurierachtigen en Katjesdragers). Saffraan is aromatisch en tevens bedwelmend._ 53. Grasachtigen (of Gramineen). De Gramineen zijn meestal nuttige Gewassen. Doch het vol- gende behoort tot de Hekserij: | | ^(1)^ Benzoin officinarum Hayne. | | | ^(2)^ Arilla of Zaadmantel van de Muskaatnoot (Myristica fragrans L.~). | | | ^(3)^ Styrax officinalis L. | | | ^(4)^ Narcissus-soorten, denkelijk N.~ poeticus L. | | | ^(5)^ Mercurialis annua L. | | | ^(6)^ Fumaria officinalis L. | | | ^(7)^ Origanum majorana L. | | | ^(8)^ Paris quadrifolia L. | | | ^(9)^ Narcissus poeticus L.~ denkelijk. | | | ^(10)^ Crocus sativus L.~, nl.~ de Stempels der Bloemen. | Er bestaat, in Nederlandsch Indi, een magisch Bamboeriet^(1)^: het groeit op den top van de bergen en wordt niet hooger dan een span. _Het is herkennelijk aan de doode vogels, die er onder liggen. De persoon die zulk magisch Bamboeriet bezit, kan alles verkrijgen wat hij maar verlangt. (De Clercq, Wdb.~ n"r" 408)._ Haverkorrels^(2)^ worden soldaten. _Pumphut en Generaal Sybilski waren twee Saksische Toovenaars. Op ukeren dag kwam Pumphut bij Sybilski en pochte op zijn Toovermacht. Als antwoord wierp Sybilski zwarte Haverkorrels in den kachelpot, die terstond in soldaten (voetvolk) veranderden, uit den pot klauterden, zich op den koer van Sybilski's slot verzamelden, en man"oe"uvreerden, en daarna zich opnieuw in hun koperen kazerne -- den pot namelijk -- begaven en opnieuw daar als zwarte Haverkorrels lagen. Pumphut nam nu uit eenen bij het venster staanden bak eenige Erwten^_(3)_^, wierp ze ook in den pot en er uit stegen wel gekwipeerde ruiters. Doch daar hij Sybilski's tooverwoorden niet kende, kon hij die ruiters niet weder in den kachel pot krijgen. Ja, zij sloegen, met hunne degens, op Pumphut's rug en enkel Sybilski's machtwoorden konden ze weer in den pot tooveren. (Meiche, n"r" 678). Een gelijkende sage wordt verteld van den Wendischen Toovenaar Krabat. Op zekeren dag stort hij Haverkorrels in eenen poel: en ieder korrel wordt een soldaat, als hij iets uit het 7"e" Boek Mozes leest. Daarna leest Krabat een ander vers uit hetzelfde Boek: de soldaten keeren terug naar den poel en worden zwemmende eenden. Doch Krabat's koetsier heeft het spel afgeloerd: bij neemt gedurende de afwezigheid van zijnen meester het Boek en leest, terwijl hij Haver in den poel schudt; soldaten verschijnen en vragen hem werk: de koetsier beveelt hun de mest uit te voeren, daarna al de zandkorrels op enen hoop te dragen (de heuvel bij Srchen is nog heden ten dage te zien!). Krabat wordt het gedoe van zijnen Koetsier gewaar en komt snel naar huis: de soldaten zijn bezig met den knecht, die niet meer weet welk werk hun op te leggen, ferm af te ranselen. Krabat verlost hem. (Meiche, p.~ 547)._ Ook Stroo -- de dorre Halmen van Rogge^(4)^ en Tarwe^(5)^ vooral -- werd in de Tooverij gebruikt. _In Hessen (Duitschl.~) steekt men een Stroohalm in de nageboorte van een huisdier, om aldus veulen of kalf te doen sterven. (Wuttke, 120; naar Wolf, Beitr.~ z.~ deutsch.~ Myth.~, 1852). | | ^(1)^ Bambusa magica Wray. | | | ^(2)^ Avena sativa L.~ en de verwante A.~ orientalis Schreb. Doch door zwarte | Haverkorrels wordt misschien Avena fatua L.~, een ergerlijk Onkruid bedoeld. | | | ^(3)^ Pisum sativum L. | | | ^(4)^ Secale cereale L. | | | ^(5)^ Triticwn vulgare Vill. | Er zijn Heksen die het hart van eenen mensch uitzuigen en een Stroowisch in de plaats leggen. (Herrmann, D.~ M.~, 61). Het is gevaarlijk losgemaakte Stroobanden in den stal als strooisel te ge- bruiken: daardoor worden de Heksen meesteres over het vee. (Wuttke, 210)._ 54. Gemberachtigen (of Amomaceen). Als reukstof, noodig tot zijn magisch Donderdagwerk. benut- tigt de Magir Paradijszaad. _Lvy, H.~ M.~ II, 119 (vgl.~ Katjesdragers). -- Paradijszaad of Granum paradisi is een aangenaam riekend driehoekig Zaad en wordt voortgebracht door een Guineesche Plant, Amomum granum-paradisi Afzel._ *IV. Planten met bekende Heksen of Toovenaars in verband.* Eenigszins uitvoerig wil ik hier gewag maken van Planten die in min of meer nauwe betrekking stonden met bij name bekende of vermaarde Heksen en Toovenaars, of bij voorkeur door hen ge- bruikt voor hun kunstjes en goocheltoertjes. a. *Hekateplanten.* Hekate -- volgens eenigen de dochter van Perses en Asteria, volgens anderen de dochter van Zeus en Demeter, of van Zeus en Hera, of van Zeus en Pharnia, of van Zeus en Admete of van Zeus en den Nacht (Lat.~ Godin Nox, Gr.~ Nux) -- was bij de Grieken in den beginne eene geheimzinnige Nachtgodin. Als dus- danig werd zij een Godin van de Onderwereld, en eindelijk eene Godin van alle nachtelijk Gespook en Gedrocht, de Meesteres der Heksen^(1)^, de Godin die nachtelijke tochten met hare huilende Honden deed, over de graven rondwaarde en zich met het bloed en het vleesch van dooden voedde, Giftkruiden kende en vergaarde, en aan de Heksen alle Tooverkunsten leerde. Zij werd bij de kruiswegen vereerd. Door narkotische Kruiden kon zij de demo- nische Slangen in slaap krijgen. En bij de rivier Phasis -- thans Rion, die van den Kaukasus naar de Zwarte Zee vloeit -- stond haar tuin, waar zij hare Tooverkruiden kweekte en verzorgde. _Deze tuin was omringd door onoverklimbare muren, omtrent negen halve- roeden (nagenoeg 18 meter) hoog. Zeven bastions beschermden hem en drie metalen deuren sloten hem geheel. Aan een poterna stond Artemis -- Hekate werd met Artemis (of Diana) gedentificeerd -- met den vreeslijken blik: geen sterfelijk wezen kon dezen blik verdragen, tenzij het reinigingsofferanden had gedaan. (Dierbach, 178-9; Sprengel, Gesch.~ d.~ Botanik, I, 45). | | ^(1)^ Ja, Hekse zou, naar Kleinpaul (Das Fremdwort im Deutschen, 3"e" uitg.~ | 1910, bl.~ 99) niet anders zijn dan Hekate, waaruit het 1"e" woord `unmittelbar | durch lautverschiebung entstanden ist (Hekate : Hekte : Hechze : Hechse : Hecse : | Hexe). Das niederlndische Hekse, jetzt: Heks, ist aus dem Hochdeutsehen | entlebnt. Die althochdeutsehen Formen (Hagzissa, Hagazussa usw.~) sind Bildun- | gen wie Abatissa, Basilissa und beruhen auf Hekatissa; sie sind nachgerade | wieder fallen gelassen worden'. Doch vgl.~ boven I, a. | Joh.~ Hendr.~ Voss geeft de namen van deze Hekateplanten op in zijn vertaling van Hesiodus en van de (aan Orpheus toegeschreven) Argonautika, (1806, p.~ 315). In Hekate's tuin groeiden: 1"o" Hekate's Mandragoras. Naar Dierbach (178) zou 't wel de Mandragora van Theophrast kunnen zijn; deze Plant werd, door Dodoens (748) vereen- zelvigd met het giftige Doodkruid^_(1)_^, zijn `Dulle-bezien' die de zinnen van den mensch beroert en hem `rasende ende dul' maakt. -- Te Toulon (Frankr.~) is de Atropa thans nog een Duivelskruid, `Erbo doou diabl'. (Roll.~ VIII, 121). In het kanton Bern (Zwitserl.~) noemt men de dood ende Bessen `Teufelsbee- ren' ("=" Duivelsbessen; Pritz u.~ Jess.~); Rolland (l.~ c.~) heeft ook den Duitschen naam `Teufelskirsche' ("=" Duivelskers). -- Aan den Nederrijn staat de Plant in verband met de in de lucht varende, heksachtige Walkuren (z.~ b.v.~ Herrmann, D.~ M.~, 405): de aldaar gebruikte namen `Walkerbeeren' ("=" Walkurenbessen) en `Walkerbaum' ("=" Walkurenboom) bewijzen het / wie zulke Bessen at, viel in de macht der Walkuren. (Perger, 182). 2"o" Hekate's Thryon. Dierbach (l.~ c.~) meent dat het misschien de Zwarte Nachtschade^_(2)_^ is; -- Dodoens (774) zegt dat sommigen Solanum manicum of Solanum furiosum (Gr.~ Struknon manikon), d.i.~ Razernij-makende of Dul-makende Nachtschade, Thryon (Gr.~ Truon) en ook Persion (naar Perses, Hekate's vader) noemen; doch voegt hij er bij, `de Dul-maeckende soorte van Nascaye en is hedendaeghs niet wel bekent'; -- zijn commentator Van Ravelingen denkt dat Lobelius ze houdt voor het Kristoffelkruid^_(3)_^, en Fabius Columna voor den Steekappel^_(4)_^: eenigen, zegt hij verder, nemen er voor de Wolfsbes^_(5)_^, of den Liefdesappel^_(6)_^, of de Aethiopische Nachtschade^_(7)_^. Al de bovenge- noemde Planten -- behalve Liefdesappel -- die men met Thryon, heeft willen vereenzelvigen -- zijn vergiftig. -- Boisacq (Dict.~) vertaalt Thryon eenvoudig door `jonc'. 3"o" Hekate's Maankop of Heul. Het is zeer waarschijnlijk de Gehoornde Heul^_(8)_^ (zie boven Hoofdst.~ III). 4"o" Hekate's Akoniton. Voor Dierbach is het de Grootbloemige Monniks- kap^_(9)_^; -- anderen (Leunis b.~ v.~) nemen er voor de gewone Monnikskap^_(10)_^; Hekate zou deze Plant ontdekt hebben (Pickering, 160; naar Diodorus, IV, 45); het is wel Hekatois Herba (Hekate's Kruid) van Ovidius (Metamorph.~ VI, 139); en daarom heet Duchesne (De Stirpibus, 1544) ze terecht Hecateis Ovidiana. (Roll.~ I, 96); vgl.~ `Teufelswurz' ("=" Duivelswortel), Duitsche naam van de gewone Monnikskap. (Pritz.~ u.~ Jess.~). | | ^(1)^ Atropa belladona L. Zie overigens Marzell, 162. | | | ^(2)^ Solanum nigrum L. | | | ^(3)^ Actaea spicata L. | | | ^(4)^ Datura strarnoniurn L. Vgl.~ Marzell, 170 vvgg. | | | ^(5)^ Paris quadrifolia L. | | | ^(6)^ Solanum lycopersicum L. | | | ^(7)^ Solanum aethiopicum L. | | | ^(8)^ Glaucium flavum L. | | | ^(9)^ Aconitum cammarum L.~, nog A.~ stoerkeanum Rchb.~ genoemd. | | | ^(10)^ A.~ napellus L. | 5"o" Hekate's Aegolethron. Naar Toumefort en Dierbach (die niet twijfelt) is het de Pontische Zandroos^_(1)_^. Doch Dodoens (708) beweert dat de Egelkoolen^_(2)_^ vermoedelijk het Aegolethron zouden zijn, maar hij kan het geens- zins waarachtig verzekeren. Gesnerus identificeert het met zijn Kwaden of Boozen Hendrik (waarschijnlijk de Schubwortel^_(3)_^; doch naar Pritz.~ u.~ Jess.~ de Bremraap-soorten^_(4)_^. Aegolethron van Plinius (l.~ 21, c.~ 13) was een Kruid dat de Geiten schadelijk was (Geiten weerstaan nochtans aan de gevaarlijkste Giftkruiden) -- en hiervan komt de naam Aegolethron ("=" Geitenpest) -- en den honig giftig maakte. (Mrat et De Lens, Dict.~; Gleditsch, Mm.~ de l'Acad.~ de Berlin, 1759). 6"o" Hekate's Kuklaminon. Naar velen zou het ons Europeesch Varkens- brood^_(5)_^ zijn. Dierbach helt over tot Cyclamen hederaefolium Alt.~; en Leunis (562) tot C.~ graecum L.~ en C.~ persieum Mill.~; Pickering (163) beschouwt deze laatste Plant als de Kuklamis van de Argonauten, doch C.~ hederaefolium Ait.~ is voor hem (p.~ 379) het Kuklaminon van Theocritus. -- Dioskorides zegt dat Kuklaminon (nl.~ C.~ europeaum L.~) voor de zwangere vrouwen zeer schadelijk is / `sommige gelooven / dat soo wanneer een vrouwe / die van kinde swaer is / over de wortel van Verckens-broot quame te schrijden oft te treden / dat sy terstond misvallen soude'. (Dod.~ 544). -- Ook de Oostenrijksche naam `Teufelsauge' ("=" Duivelsoog) wijst op kwade eigenschappen. (Pritz.~ u.~ Jess.~). 7"o" Hekate's Kupeiros. Het is vooral het ronde Cypergras^_(6)_^ of Galigaan van Dodoens, waarvan de Wortel, als diaphoretisch middel, ten tijde van Dioskorides gebruikt werd. Dierbach verwijst tevens naar C.~ officinalis N.~ v.~ Es.~, die geurige, kastaniebruine, eetbare Knollen heeft. Pickering (173, 209, 224) brengt met dit Hekatekruid in verband, behalve C.~ longus en C.~ rotundus, ook C.~ esculentus (met eetbare Knollen). Celsus (III, 21) duidt C.~ pertenuis van Hindoestan als Kupeiros van de Grieken aan. (Pickering, 472). Naar Dodoens (548) waren deze Waterplanten ook Rookkruiden: `Apollodorus schrijft dat den Cyperus in oude tijden veel ghebruickt wierdt heel Asien door / soo dat de Barbaren des morgens ninunermeer uyt en ginghen / sonder een beroockinghe van de selve ontfanghen te hebben'. 8"o" Hekate's Stoechas. Naar Dierbach en Dodoens is het het Stichas- kruid^_(7)_^, een Zuid-Europeesche Lipbloemige, `schoon / seer wel ende lieflijck rieckende cruydt', dat de zinnen, het verstand en de memorie versterkt. (Dod.~ 442. -- De Apothekers noemen ook Stoechas de gele Immortelle^_(8)_^. 9"o" Hekate's Poluknemon. Het is de Hertsmunt^_(9)_^ uit Zuid-Europa | | ^(1)^ Azalea pontica L. | | | ^(2)^ Ranunculus flammula L. | | | ^(3)^ Lathraea squamaria L. | | | ^(4)^ Orobanche L. | | | ^(5)^ Cyclamen europaeum L. | | | ^(6)^ Cyperus rotundus L. | | | ^(7)^ Lavandula stoechas L. | | | ^(8)^ Helichrysum stoechas L. | | | ^(9)^ Mentha cervina L. | (volgens Dierbach) en niet Polycnemum van Linnaeus (waarvan het Knar- kruid^_(1)_^ inlandsch is). Leunis (308) gist dat het Poluknemon der Ouden een soort van Duizendknop^_(2)_^ moest zijn: de naam (gr.~ polus, veel, en kneme, scheenbeen, dus lid, knar) schijnt die gissing te staven. Pickering (342) en Fraas verwijzen naar Ziziphora capitata Pluk.~, een Lipbloemige uit het Oosten der Middellandsche Zeestreek. 10"o" Hekate's Polion. Naar Dierbach en Leunis zou het Polion een soort van Gamander^_(3)_^ zijn. Linnaeus deelt die meening, Dodoens (455 en vvgg.~) beschrijft als Polium vier Gamanders, die, volgens Courtois, zijn: Teucrium achaemenis L.~ "=" Dodoens'~ `Ghemeyn oft Eerste Polium'; Teucrium supinum Spreng, of zijn`Tweede oft Smalle Polium, dat is Kleyn Polium'; T.~ gnapha- loides L'Hr.~ of zijn `Derde oft Kruypende Polium'; en T.~ pumilum L.~ of zijn `Vierde Polium oock Kruypende'. Naar Fabius Columna is het `Oprecht Polium der Ouders' het Cipreskruid^_(4)_^; en Van Ravelingen zegt hier met reden bij: `Oft hij daer in ghelijck heeft / oft niet / staet noch te ondersoecken: immers de redenen die hy bij brenght zijn seer waerschijnlijck: ende voorwaer het is te beklagen / dat de Ouders soo duyster oft onbescheijdelijck gheschreven hebben / datter verscheyden cruyden dickwijls ghevonden worden die met eenighe beschrijvinghe van hun ghedaen seer wel over een komen / midts datsy het rechte kenteeken der cruyden seer selden aenmerckt oft aengeteekent hebben'. (Dod.~ 458). -- Lobelius (574) voegt bij de boven aangegeven Polium-soorten nog zijn Polium-Wijfken, nl.~ Teucrium montanum L.~: `Want sij is de soorte van Polium zeer ghelijck / ende oock een medesoorte van dien / hoe wel datse bycans gheenen reucke en heeft / ende slapper van smaecke is / waerom dat van sommighe gheheeten wordt Polium wijfken'. Dit Teucrium montanum L.~ is dus eigenlijk geen vrouwelijke Plant; het heeft als de andere Teucriumsoorten mannelijke en vrouwelijke organen in dezelfde Bloem, maar het heeft min reuk en smaak. -- Plinius (l.~ 21, c.~ 7) schrijft dat de Grieken Musaeus en Hesiodus Polium bezongen hebben en zeggen dat het Kruid goed is voor alles, inzonderheid om eer en waardigheden te bekomen en dat het wonderbaar is, omdat, indien 't waar is wat zij zeggen, zijn Bladeren des morgens wit, des middags purper en des avonds blauw zijn; maar, weerlegt Mathiolus (494), Plinius `a bien lourdement failli, confundant le polium avec le tripolium'. 11"o" Hekate's Karpason. Dierbach aarzelt niet: het is een Afrikaansche Boom, die de Ethiopische Peper levert, nl.~ de aromatische Habzelia^_(5)_^. Mat- thiolus schrijft dat Carpasum-sap `cause un sommeil profond, et soudain estrangle la personne', twijfelt zeer: `Quelle plante auiourd'huy puisse estre le Carpason, certes ie confese ne le sauoir, et croy qu'i1 n'y a personne en | | ^(1)^ Polycnemum arvense L. | | | ^(2)^ Polygonum. | | | ^(3)^ Teucrium polium L. | | | ^(4)^ Santolina chamaecyparissus L. | | | ^(5)^ Habzelia aromatica DC.~, een Anonacee. Naar Leunis, 483, is H.~ aromatica | DC.~ de Guineesche Peper en H.~ aethiopica DC.~ de Ethiopische of Negerpeper. | Italie qui en puisse dire plus que moy' (Comm.~ 808). Boisacq (Dict.~) omschrijft door `plante vnneuse'. 12"o" Hekate's Chamaemelon. Het is onze gewone Kamille^_(1)_^: `Den Latijnschen ende Grieckschen naem Chamaemelum^_(2)_^ is ghekomen door dien dat de bloemen van dit cruydt den reuck van eenen Appel (die in 't Griecksch Melon heet) hebben: welcke reuck in de ghemeyne soorte van Camille die over t al meest ghebruyckt wordt / soo merckelijck is / dat men daer uyt alleen seer lichtelijck sou de moghen raden ende oordeelen / dat dese onse Camille het oprecht ende waerachtigh Chamaemelum van de ouders is'. (Dod.~ 410). Anderen nemen er voor de Edele Kamille^_(3)_^. 13"o" Hekate's Kemos. Men kent verscheiden gissingen. Naar Sprengel is deze magische Plant een Samengesteldbloemige, de kleine rechtopstaande Micro- pus^_(4)_^, die op onze Filago- en Gnaphalium-soorten trekt, en, evenals deze, met wolachtig dons bedekt is. Fraas houdt voor het Leontopodion -- een ander naam voor het Kruid Kemos -- de Dwerg-Filago^_(5)_^. Dodoens verwijst naar Veil^_(6)_^, naar ons Katterpootje^_(7)_^ en naar het mooie Edelweiss^_(8)_^, (ook aldus Linnaeus, te oordeelen naar den naam Gnaphalium leontopodium L.~); doch deze laatste Plant groeit niet in Griekenland noch in Klein-Azi. Met Kemos maakte men liefdedranken. 14"o" Hekate's Adianton. Het is het Vrouwenhaar^_(9)_^, de zeer verspreide Varensoort (ze ontbreekt echter in ons land). Zij was den Hellegod Plutus toegewijd. (Dierbach, 182; Chartarius 125). Vrouwenhaar werd veeleer gebruikt om te onttooveren (z.~ beneden). Een oud wondertoertje: `Dit cruydt met ander eten voor de Hanen / Kamp-hanen ende oock Quackels gheworpen / maeckt haer seer kloeck / ende seer stout om te vechten'. (Dod.~ 768). Bestonden, reeds in Dodoens'~ tijden, de wreede Hanegevechten? Over Kwakkelgevechten heb ik echter nooit iets gehoord noch gelezen. 15"o" Hekate's Klumenon. Volgens Linnaeus en ook Dierbach zou deze Plant de Oostersche Platerwt^_(1O)_^ zijn. Doch er zijn ander gissingen: Fabius Columna identificeert met het gesleufde Schorpioenkruid^_(11)_^; -- Turnerus met het Water-Helmkruid^_(12)_^; -- anderen met de Kamperfoelies^_(13)_^ (Picke- | | ^(1)^ Matricaria chamomilla L. Vgl.~ over de Kamille der Ouden: Marzell, Unsere | Heilpfl.~, 212. | | | ^(2)^ Chamaimelon: gr.~ chamal "=" laag, op den grond, gr.~ melon "=" appel. | | | ^(3)^ Anthemis nobilis L. | | | ^(4)^ Micropus erectus L. | | | ^(5)^ Filago pygmaea L. | | | ^(6)^ Hedera helix L. | | | ^(7)^ Antennaria dioca L. | | | ^(8)^ Leontopodium alpinum Cass. | | | ^(9)^ Adiantum capillus-veneris L. | | | ^(10)^ Lathyrus clymenum L. | | | ^(11)^ Scorpiurus sulcatus L. | | | ^(12)^ Scrophularia aquatica L. | | | ^(13)^ Lonicera periclymenum L.~ en L.~ caprifolium L. | ring, 160); of met het Mansbloed^_(1)_^; of met de breedbladige Platerwt^_(2)_^; of met de Akker-Goudsbloem^_(3)_^. (Leunis, 717). Zie hierover vooral Dodoens en Lobelius. 16"o" Hekate's Kardamon. Het is de veelgekweekte Tuinkers^_(4)_^ (of Boter- hamkruid), een uitstekende Heilplant: `De kleynmoedighe ende bloode menschen pleeghmen in oude tijden te ghebieden Kersse te eten / om hun wat moets ende hertigheydts te doen hebben : ende / als sommighe segghen / de Kersse is Carda- mum gheheeten / om datse het leven ende kracht des herten bewaert', Gr.~ Kardia "=" hart. -- Eenigen aanzien de Waterkers^_(5)_^ voor het Kardamon. (Kannegiesser, l.~ v.~ Nasturtium). Kannegiesser beweert zelfs dat Kerse, hgd.~ `Kresse' zou kunnen komen van Gr.~ Kardamon dat Perzisch is: loutere, niet waarschijnlijke gissing (z.~ b.v.~ Franck-van Wijk). 17"o" Hekate's Alkea. De Alkea zou, naar Dierbach, de Zuideuropeesche Maluwe van Toumefort^_(6)_^ zijn. Bij Leunis (318) is 't een ander Maluwachtige Malope malacodes L.~, die insgelijks omtrent de Middellandsche Zee groeit. Dodoens, Linnaeus, Pickering en anderen beschouwen Alkea als zijnde het Sigmaarskruid^_(7)_^ dat ook in ons land voorkomt. -- In allen gevalle was 't een Heilkruid: `Alces, fort ab alke, auxilio' (Lemery, 18); Gr.~ `alkeo, strken'. (Leunis, 19). 18"o" Hekate's Orminon. Naar Dierbach is het Orminon de Oostersche Sesam^_(8)_^, doch dit beantwoordt veeleer aan Sesamon der Ouden. Dodoens, Mattbiolus, Blancardus, Linnaeus, Pickering en vele andere Botanisten, houden er voor een Zuideuropeesche Salie nl.~ Salvia horminum L.~; eenigen denken aan de verwante Scharlei^_(9)_^, die men wel eens in onze hoven met de vorige aantreft; Boisacq vertaalt enkel door fr.~ Sauge. Orminon (Lat.~ Horminum) werd in liefdephilters gebruikt. `Horminum, ah orman, id est, impetu feri; om dat men gemeent heeft, dat dese plant de Venusdriften verwekte'. (Lemery, p.~ 341; vgl.~ hiermee Dod.~ 473). 19"o" Hekate's Smilax. Iedereen houdt er voor de Stekende Winde^_(10)_^, die, in Zuid-Europa, zeer gemeen is en om hare genezende kracht welbekend was. Uit het bovenstaande blijkt dat Hekate, voor haar Tooverkunsten, giftige naast heilzame Kruiden gebruikte, hetgene de Heksen, zoo 't schijnt, haar hebben nagedaan en nog nadoen. Een ander Hekateplant, die deze Grieksche Tooveres in haren tuin kweekte, was de Saffraan^_(11)_^ (Gr.~ Krokos) -- een Bloem wier Stempels de Saffraan | | ^(1)^ Androsaemum officinalis All. | | | ^(2)^ Lathyrus latifolius L. | | | ^(3)^ Caienduia arvensis L. Vgl.~ Marzell, 231. | | | ^(4)^ Lepidium sativum L. Zoo ook Boisacq (Dict.~): `tymologie obscure', | voegt hij er bij. | | | ^(5)^ Nasturtium officinalis R.~ Br. | | | ^(6)^ Malva tournefortiana L. | | | ^(7)^ Malva alcea L. | | | ^(8)^ Sesamum orientale L. | | | ^(9)^ Salvia sclarea L. | | | ^(10)^ Smilax aspera L. Doch vgl.~ Boisacq (Dict.~). | | | ^(11)^ Crocus sativus L. | van den handel opleveren en veel in de geneeskunst werd aangewend. Zelfs wondere dingen vertelt men er van: `Drij vierendeel loots van den Saffraen inghenomen / soo men seydt / maeckt de menschen soo vol blijdschap, / datse hen selven te bersten lachen!' (Dod.~ 330). En terzelfderplaatse: `Saffraen met wijn inghenomen maeckt uytermaten droncken / ende verheught de menschen soo seer / dat sij bijnae dul schijnen te wesen: 'twelck nochtans te verstaen is / alsmen daer een groote menighte van inneemt: want anders strijdt hy teghen de dronckenschap'. -- Vrouwen en juffers mogen, in Oostenrijk, de Saffraan niet plukken; dat wordt alleen gedaan door mannen, knapen en kleine meisjes: anders verwelken de verzamelde Stempels en verliezen deze alle vervende kracht. (Perger, 85)._ Ook de Grieksche Populier^(1)^ stond met Hekate in verband. _Om zich Hekate's magische kunst aan te eigenen, brandde Orpheus te harer eere een opgericbten stapel, bestaande ten deele uit Populierenhout. (Dier- bach, 31; naar Sprengel, Hist.~ d.~ la Md.~ I, 50)._ Eveneens de Ajuin^(2)^ (gr.~ Kromuon). _Hekate ter eere legde men Ajuinen op de Driestraten, waar zij door armen en bedelaars werden gegeten. (Passow)._ Het botanisch geslacht Hecatea van Dupetit-Thouars (Hist.~ d.~ vgtaux dans les les austr.~ d'Afr.~, 1806, p.~ 27 du t.~ 5) heeft, behalve den naam, niets met Hekate te maken. _De gever van dien naam bedoelde wellicht de giftigheid van dit Wolfs- melkachtig geslacht. Hecatea biglandulosa Dup.~-Th.~ is een 20 voet hooge Boom van Madagaskar. Naar Engler en Prantl.~ is Hecatea synoniem met geslacht Omphales L.~ (eenigen schrijven Omphales). De Thas geeft de volgende ver- klaring: `Hecatea. Ses fleurs poctent des tamines trois scissures; leur pistil a trois stigmates; et comme la couleur en est sombre et la qualit suspecte, M.~ Aubert du Petit-Thouars en a fait une allusion la triple Hcate, desse des enfers'. De drievuldige Hekste had drie hoofden (of lichamen) en werd op driesprongen afgebeeld._ b. *Kirkeplanten.* Kirke (fr.~ Circ) was de dochter van Helios (Apollo) en de Zeenimf Perse, en verwant met de vorige Hekate, want haar broeder was Perses, Hekate's vader. Zij bewoonde het fabeleiland | | ^(1)^ Populus graeca Ait. | | | ^(2)^ Allium cepa L. | Aiai (of Aeae^(1)^, waar Ulysses, op zijn zwerfreis, met zijne tochtgenooten strandde. De Heks Kirke veranderde, door middel van een zeker Tooverkruid, de gezellen van Ulysses in zwijnen en deze later weer in menschen. Ulysses, beschermd door de anti- magische Moly (z.~ beneden), bleef op Aiai een jaar, deed zich door Kirke beminnen en won bij haar den ongelukkigen Telegonus, die, later, zonder het te weten, zijnen vader met een pijl doodde. _Welke Plant was eigenlijk dat Tooverkruid van Kirke -- de Kirkaia van Dioskorides -- die door de Heks in eenen Tooverdrank aan de gezellen van Ulysses werd toegediend? De meeningen loopen zeer uiteen. 1"o" Kirkaia (lat.~ Circaea) is de Mandragora (z. boven Nachtschaadachtigen). Dodoens (749) verdedigde die meening: `Voorts soo was dit Cruydt' -- Mandragora nl.~ -- `Circaea in oude tijden geheeten / omdat de voorseyde too- veresse Circe de wortel daer van by haer drancken pleegh te vermenghen / om de iongmans tot liefde te verwecken: waer in de selve hedendaeghs oock ghe- looft wordt eenighe krachten te hebben'. Vgl.~ ook Lobelius, 323; Leunis, 219; Dierbach, 186. 2"o" Het is de met vorige Plant verwante Zwarte Nachtschade^_(2)_^. Aldus Mrat en De Lens, Dict.~ i.~ v.~ Circaea. 3"o" Het is de Zwarte Zwaluwwortel^_(3)_^, uit Zuid-Europa. Evenals uit Mandragora sneed men uit den Wortel dezer Plant amuletten tegen Tooverij. (Leunis, 219). Ook Pickering, 339, beschouwt Kirkaia als zijnde een Asclepias nl.~ A.~ dioscoridis. 4"o" Het is de giftige Alfsrank^_(4)_^, een Nachtschaadachtige die rankt en in ons land gemeen is. `Oock is 't Circaea ghenoemt gheweestom eenighe ghelijcke- nisse van crachten diet heeft / als wel behoort / met de Mandragora, want de naem van de Mandragora was Circaea, ende werden bij auentuere beyde ghe- bruyckt in Minnedranckskens...' (Lob.~, 323). 5"o" Het is de Braziliaansche Peper^_(5)_^, insgelijks een Nachtschaadachtige die ons de Cayenne-Peper geeft. Dat beweert althans Caesalpinus. (De Plantis, l.~ 5, c.~ 22). 6"o" Het is de Fluweelbloem^_(6)_^, een bij ons veelgekweekte Tuinbloem (naar Hieron.~ Bock; Dod.~, 282). 7"o" Linnaeus heeft den naam Circaea gegeven aan een onschuldig Woud- plantje dat ook hier te lande zeer gemeen is, aan het Stevenskruid^_(7)_^. Hiernaar in 't Ndl.~ Heksenkruid en Toovenaarskruid (Heukels, Wdb.); in 't hgd.~ `Heksen- kraut'; in 't fr.~ `Herbe aux Sorciers', `Sorcire', `Herbe des Magiciennes', | | ^(1)^ Vanhier: Aeaeae artes "=" Tooverkunsten. en Aeaeae carmina "=" Toover- | formulen, Tooverzangen. | | | ^(2)^ Solanum nigrum L. | | | ^(3)^ Asclepias nigra L. | | | ^(4)^ Solanum dulcamara L. | | | ^(5)^ Capsicum annuum L. | | | ^(6)^ Amaranthus caudatus L.~; en ook Celosia cristata L.~, de Hanekam. | | | ^(7)^ Circaea lutetiana L. | `Herbe aux Vaudois' ("=" `Sorciers' of Toovenaars, aldus in Fribourg, Zwits.~), `Herbe aux sorcilges' (aldus te Dagny-Lambercy, dp.~ Aisne) , `Herbe en- chanteresse'; in 't eng.~ `Enchanter's Nightshade' ("=" Toovenaars Nachtschade). Doch het Stevenskruid kan niet de Kirkaia der Ouden zijn. Blancardus (Lex.~) die zeer juist ons inlandsch Plantje beschrijft, zegt o.~ a.~: `Vocatur Mandragora, quia hac herb quondam alios fascinare Circe magica inventrix solis filia putatur, vel quia hujus plantae fructus se vestibus affigit, hocque modo, ad se trahit, sicut Dea Circe suis incantamentis facere credebatur'. Lemery (195) houdt aan de laatste verklaring: `Circaea, Circe, omdat de vrucht van deze plant, die met stekelen bezet is, zich aen de kleederen vasthecht, en de menschen naer zich trekt, gelyk als de Circe der Poten de menschen door hare betoove- ringen naer zich trok'. -- Prahn (137) wijst op het volgende hgd.~ volksgeloof aangaande dat gemeene Kruid: als iemand in het woud verdoolt en deze Plant aantreft, is het hem een teeken dat Heksen aan zijn ongeluk schuld hebben. Vgl.~ nog Ovid.~ (Hersch.~ l.~ 14, c.~ 1) waar Circ, door haar Giftkruiden, Scylla, de door Glaukus beminde, in een bassend zeemonster vervormt; en Ovid.~ id.~ l.~ 14, c.~ 5, waar zij door haar Tooverroede Pikus in Specht verandert._ c. *Medeakruiden.* Medeia (lat.~ Medea), de vermaarde Tooveres, was de dochter van den Kolkischen koning Aetes (broeder van de vorige Kirke) en van de Nimf Idyia (anderen zeggen van Hekate zelf). Zij werd beschouwd als zijnde de schutsvrouw van de Tooverplanten, die zij alle kende. Als speciale Medeakruiden staan min of meer goed beschreven: _1"o" Medea's Ephemeron. Naar de meeste commentators is het de giftige Herfst-Tijloos^_(1)_^. Men heette dit Kruid: Ephemerum lethale aut strangulatorium ("=" doodelijk of worgend Ephemerum; Dod. 313) en Ephemerum venenosum ("=" giftig E.~; Blanc.~ Lex.~): men geloofde dat hij die van de Knollen at, nog denzelfden dag moest sterven. Vanhier de naam Ephemerum (gr.~ ephemeros, slechts en dag durend): het op nen dag den dood aanbrengend Kruid. (Z. ~ Leunis, II, 802: Blanc.~, Lex.~; Matth.~, Comm.~ 616). Nikander (Ther.~ 849 en Alex.~ 250) zegt dat Medea dit Ephemeron heeft ontdekt. (Pickering, 164). Eene sage vertelt dat Medea een Tooverdrank brouwde om den ouden Aeson, dcn vader van haren gemaal Jason, te verjongen. Daartoe verzamelde zij, in 't gebergte, gedurende negen nachten, al de krachtige en giftige Kruiden die haar bekend waren. Doch eenige droppels van het brouwsel vielen, bij toeval, op den grond en daaruit ontsproot het giftige Ephemeron of Colchicum. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ 382; Shns, 84). Zie de zeer aardige beschrijving bij Ovidius, Me- tamorph. | | ^(1)^ Colchicum autumnale L. | Over het niet doodelijke Ephemeron, Ephemerum non lethale der Ouden, loopen de meeningen zeer uiteen. Fuchsius zegt dat het het Lelieke-uit-den- Dale^_(1)_^ is. (Dod.~ 317; Lob.~ 212; doch 't is verkeerd, beweren onze beide Botanisten); Dodoens (312) verkiest er den Hondstand^_(2)_^ voor te houden; Fabius Columna wijst op het Vingerhoedskruid^_(3)_^; Matthiolus en, na hem, Linnaeus beschrijven als Ephemerum een soort van Wederik (Lysimachia ephemerum L.~) uit het Oosten, en de echte Diptam heeft insgelijks dien naam ontvangen. (Dod.~ 451). Vgl.~ Dierb.~ 183. De `Ephmre' ^_(4)_^ der Franschen heeft niets met Ephemeron der Grieken te maken: de naam ziet op den korten duur der Bloemen, en 't is alsof men Eendagsbloem zegde. 2"o" Medea's Knekos (of Knikos, lat Cnicus). Knekos is, naar alle waar- schijnlijkheid, het Saffloer of de Basterdsaffraan^_(5)_^, een distelachtige Samen- gesteldbloemige uit het Oosten, als purgeerplant aangewend. Men noemt ze nog Verversdistel, omdat zij ons een roode kleurstof (het eigenlijke Saffloer) levert. Zij wordt soms in onze tuinen aangetroffen. Pickering (295) gist dat Knekos de Kretische Carthamus^_(6)_^ zou kunnen zijn. 3"o" Medea's Anchusa. Naar Dierbach is het de Ververs-Ossetong^_(7)_^ uit Zuid-Europa. De Wortel houdt het Alkanna-rood (een purperroode verfstof) in. 4"o" Medea's Chrusanthemon of Chalkanthon (lat.~ Chrysanthemum of Chal- canthum). Velen (Dierbach, Leunis, enz.) houden er voor de Gekroonde Ganzebloem^_(8)_^, in onze hoven dikwijls gekweekt. Dodoens meent dat het de inlandsche Akker-Ganzebloem^_(9)_^ of Vokelaar zou kunnen zijn; doch 't is verkeerd. 5"o" Medea's Strouthion (lat.~ Struthium). Het Kruid is niet met zekerheid bekend. Eenigen (Linnaeus, Mrat en De Lens, Dierbach) verwijzen naar den Egyptischen Zeepwortel^_(10)_^. -- Leunis en Pickering meenen dat het echte Zeepkruid^_(11)_^ veeleer dien naam (het Strouthion van Euryphon nl.~) verdient. -- Anderen denken aan den Meesterwortel^_(12)_^, aldus om zijne groote heilkrachten genoemd (Dod.~ 514); -- of aan de opgeblazen Silene^_(13)_^, ook in ons land gemeen, en met heelkrachtigen Wortel (naar Pickering, het Strouthion van Theophrast); -- of aan Silene spinescens (het Strouthion van Plinius, XIX, 18; | | ^(1)^ Convallaria maialis L. | | | ^(2)^ Erythronium dens-canis L. | | | ^(3)^ Digitalis purpurea L. | | | ^(4)^ Tradescantia virginica L. | | | ^(5)^ Carthamus tinctorius L. | | | ^(6)^ Carthamus creticus L. | | | ^(7)^ Anchusa tinctoria L. | | | ^(8)^ Chrysanthemum coronarium L. | | | ^(9)^ C.~ segetum L. | | | ^(10)^ Gypsophila struthium L. | | | ^(11)^ Saponaria officinalis L. | | | ^(12)^ Imperatoria ostruthium L. | | | ^(13)^ Silene inflata Sm. (Cucubalus behen L.~). | naar Pickering); -- of aan de Bloem van Konstantinopel^_(1)_^, in onze hoven welbekend. (Dod.~ 269). -- Onze Mechelaar gist nog dat het de Madelgeer^_(2)_^ zou zijn, een Tooverplant: `De Italianen houden veel van dit cruydt / in sonderheydt in de ghenees-middelen die sy bereyden teghen de pest / vergift ende beten oft steken van allerhande quaedt fenijnigh of verwoet ghedierte / ende oock tegen de wonnen. Selfs sy seggen dat het niet Pettimborsa (als sommighe dat noemen) maer Mettimborsa behoorden te heeten / als weerdigh wesende om als goudt oft ghelt in eeren ghehouden te worden / ende in de borse bewaert te wesen; oft ten minsten / om dat het de ghene die dat ghebruycken veel doet winnen / ende de borse met goudt doen vullen kan'. (Dod.~ 556). -- Aldrovandi spreekt van de Spoorvaleriane^_(3)_^ onzer tuinen (Dod.~ 569); Fabius Columna van een Santorie^_(4)_^ of een Scabieuse^_(5)_^; en Mrat en De Lens (Dict.~) van de Wouw^_(6)_^. 6"o" Medea's Psullion (lat.~ Psyllium). Het is het Zuideuropeesche Vloo- kruid^_(7)_^, naar de gelijkenis van het Zaad met eene vloo (Dod.~ 159) of, omdat het, in de huizen gebracht zijnde, de vlooien verjaagt en belet te groeien (idem). Doch, naar de Signatuur-leer, moesten vloovormige Zaden zonder twijfel zulke krachten hebben. Z.~ nog Psyllium in Blanc.~ (Lex.~). 7"o" Medea's Kedros (lat.~ Cedrus). Kedros is de Zuideuropeesche aromatische Jeneverboom^_(8)_^. Voor haar magischen arbeid brandde Medea houtstapels van Kedros, van Griekschen Populier^_(9)_^ en van Rhamnos^_(1O)_^. (Dierb.~ 185). 8"o" Z.~ nog Medea's gift, door haar bereid voor Theseus (Ovidius, Met.~ L.~ VIII): deze giftdrank werd gemaakt met Monnikskap^_(11)_^. Het geslacht Medea Klotsch (in Wiegm.~ Arch.~ VII, 1811, p.~ 198) behoort tot het geslacht Croton L.~ (z.~ Engler en Prantl): deze Medea is een giftige Euphorbiacee en werd daarom met de giftmengster Medea in verband gebracht._ d. *Canidiaplanten.* Horatius (Epod.~ v) brengt ten tooneele de oude Heks Canidia, bijgestaan door andere Tooveressen, waronder Sagana, Veia en Folia: door Tooverkunst wil zij opnieuw winnen de liefde van den insgelijks oud geworden Varus. Onder meer andere Toover- middelen gebruikte zij, voor haren magischen vuurstapel. Kruiden | | ^(1)^ Lychnis chalcedonica L. | | | ^(2)^ Gentiana cruciata L. | | | ^(3)^ Centranthus ruber L. | | | ^(4)^ Gesl.~ Centaurea L. | | | ^(5)^ Gesl.~ Scabiosa L. | | | ^(6)^ Reseda luteola L. | | | ^(7)^ Plantago psyllium L. | | | ^(8)^ Juniperus oxycedrus L. | | | ^(9)^ Populus graeca Alt. | | | ^(10)^ Lycium europaeum L. | | | ^(11)^ Aconitum napellus L. | van Iolcos (waar Jason geboren werd) en van Iberia (een streek ten Oosten van Colchis, thans Georgi) en de twee volgende Tooverboomen: _1"o" Canidia's Caprificus. Het is de oude wilde Vijgeboom^_(1)_^, gewassen op graven, een onheilsboom: `Jubet sepulchris Caprificos erutas' (vs.~ 17). 2"o" Canidia's Cupressus. Het is de altijdlevende Cipres^_(2)_^ -- een Helleplant en Pluto toegewijd, tevens een Rouwboom, dien men vor de deur van den overledene plaatste (indien deze een persoon van aanzien was), in de brand- stapels deed, waarop men 't lijk legde en waarmede men de graven versierde. In Epod V, VS.~ 18: `Jubet Cupressus funebres'. Ook op een plaats (Od.~ I.~ 2) spreekt Ovidius van den `gehaten' Cipresboom. In Aeneis VI, 125, heet de Boom: `Cupressus feralis' d.i.~ Cipres den dooden toegewijd; id.~ III, 69: `Cupressus atra' zwarte Cipres. 3"o" Ik voeg bij die twee Canidia-Boomen het Magisch Look^_(3)_^, dat door Salisbury (Gen.~ Pl.~ Fragm.~ 1866, p, 92) Canidia magica wordt genoemd._ e. *Alphesibeaplanten.* Het IJzerkruid^(4)^ werd door Alphesibea gebruikt in hare bezweringen. _Om den man die haar afsloeg, tot minne te bewegen, deed zij, gedurende hare incantaties, berookingen met I]zerkruid. Z.~ hierover Virg.~, Herderszangen._ f. *Drie-Koningenplanten.* De Drie-Koningen, die bij de geboorte Christi naar Bethlem kwamen, waren Magirs (in het vervlaamschte Nieuwe Testa- ment heeten ze Wijzen). En de Magirs stonden bij de Iranirs, Grieken en Latijnen bekend als Astrologen, Wichelaars, Waar- zeggers, Toovenaars. In de Christene legendenliteratuur werden de drie Magirs uit het Oosten Balthazar, Melkior en Gaspar(d) (Caspar) geheeten en tot Heiligen verheven. Men viert ze op Drie-Koningendag en men eert hunne relikwien te Keulen. Myrrhe en Wierook staan met hen in verband. _Evangelist Mattheus (II c.~) schrijft dat de drie Wijzen uit het Oosten, door de Wonderster geleid, te Bethlem kwamen en `gaande in het huis, hebben | | ^(1)^ Ficus carica L. | | | ^(2)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(3)^ Allium magicum L. | | | ^(4)^ Verbena officinalis L. | zij het Kind gevonden met Maria zijne moeder en, nederknielende, hebben zij dat aanbeden, en nadat zij hun schatten opengedaan hadden, hebben zij hem gaven geofferd: Goud, Wierook en Myrrhe'. Wierook (lat.~ Thus orientale) is de Hars van den echten Wierookboom^_(1)_^, een groote Boom uit Arabi van de Oostkust van Afrika. Myrrhe is de Gom (Gummi Myrrhae) van den echten Myrrhenboom^_(2)_^, uit Noordoost-Afrika (vooral uit het Somaliland). Een der Drie Koningen is wit, de ander zwart, en de derde bruin: de witte offert Goud, symbool van leven en licht; de zwarte Myrrhe, zinnebeeld van dood en nacht; de bruine Wierook, emblema van het Goddelijk Dogma, dat de twee Princiepen vereenigt. (Lvy, H.~ M.~, II, 98)._ In de volgende Driekoningen-legende werd gewag gemaakt van het edele, welriekende Koningskruid^_(3)_^. _De Drie Wonderteekens of Vizioenen der Drie-Koningen. Gedurende den heiligen Kerstnacht zag ieder der Drie-Koningen een Wonderteeken. Kaspar, had gekweekt -- 't was zijn Vizioen en Wonderteeken -- eenen Struisvogel, en deze had, zooals hij 't gewoonlijk deed, twee eiers gelegd en ze bebroed: uit het eene ei kwam een Lam en uit het andere een Leeuw. Toen riepen de menschen dat zulks een groot Wonder was en nooit meer zou gezien worden. Het Lam beteekende de H.~ Godheid en Christus'~ deemoedig lijden onder de menschen. -- Balthazar kweektte -- 't was zijn Vizioen en Wonderteeken -- in eenen tuin een Boompje, het droeg het edele Basilicum of Koningskruid, en ook een Bloempje dat schooner dan de Roos^_(4)_^ was. En te midden van dat Bloempje stond een balgje. En gedurende den nacht dat Maria den Heiland baarde, ging het balgje open en een Vogeltje, rood als robijn, vloog er uit en sprak met menschelijke stem: `Eene Vrouw heeft een Kind gebaard: het is de Schepper van hemel en aarde; het is waarlijk de God-en-Mensch en de wereld is hem onderdanig'. -- En aan Melkier -- het was het Derde Wonderteeken en Vizioen -- werd in den Kerstnacht een kind geschonken. Het stond, nauw geboren, op zijne voeten; en het sprak en groette lieden en het strekte zijne handen ten hemel en openbaarde: `Heden nacht is uit eene Maagd een Kind geboren; zij heeft het ontvangen van den H.~ Geest. Het zal leven 33 jaar; en als dat zal gebeurd zijn, zal ik sterven na 33 dagen'. En Melkior's kind stierf, zooals het had voorzegd. Z.~ Gebhart, Kirchl.~ Jahr, 7-8; Is.~ Teirlinck, Planten- kultus, 269-70. Het Koningskruid komt uit het Oosten, en 't bovenstaande zal wel steunen op geleerde volksetymologie._ | | ^(1)^ Boswellia sacra Flck. | | | ^(2)^ Balsamodendron myrrha Nees. | | | ^(3)^ Ocymum basilicum L. | | | ^(4)^ Rosa centifolia L.~ vooral. | g. *Ceridwensplanten.* Ceridwen was, naar de sage, de vrouw van den edelen Tegid Voel, wier land in 't midden van het meer Llyn Tegid (Wallis, in Eng.~) of Bala lag. Men heeft ze vereerd als Godin, later daalde ze af tot Tooveres. Zij kende de krachten der Tooverkruiden, voorspelde de toekomst en kon zich in allerhande dieren vervor- men. Zij bezat een wonderbaren Tooverketel, waarin zij de door haar verzamelde Kruiden en ander stoffen ondereen brouwde. _De sage vertelt: Ceridwen won bij Tegid Voel een zoon Morvrad ap Tegid, daarna de schoone dochter Creirwy, eindelijk een tweeden afzichtelijken zoon, voor wien zij eenen Ketel bereidde, ten einde aan dit derde kind, dat reeds door speciale geestesgaven uitmuntte, ook de gave van de toekomst te doorblikken te geven. De jonge Gwyon, zoon van Gwreang van Llanveir, zou op de toebereiding van den Ketel letten; de blinde Morda stak het vuur aan en moest opletten dat het zieden van het bereide Ketelwater en jaar en en dag voortging, en wel zoolang tot de drie gezegende droppen van de gave van den Geest zouden bekomen worden. Ceridwen ging intusschen gedurig voort met de sterren te wachten, den loop der planeten gade te slaan en zeldzame Kruiden van alle soort te zamelen. Op het einde van het jaar toen zij nog bezig was met Kruiden te zoeken, gebeurde het dat drie droppen van het Krachtige Water uit den Ketel vlogen en op Gwyon's vinger nedervielen. Zij verbrandden den vinger, dien Gwyon ijlings in zijnen mond stak: onmiddellijk zag hij al de gebeurtenissen der toekomst en ontwaarde hij dat hij zich voor Ceridwen had te hoeden. Hij snelde huiswaarts. De Ketel barstte in tween, want al het overige Water (behalve de drie gezegende droppen) was giftig: het liep in een gracht en vergiftigde de paarden van Gwyddno Garanhir, die uit de gracht dronken. Toen kwam Ceridwen thuis en zag dat haar gansch jareswerk verloren was. Zij nam eenen roerstok en sloeg den blinden Morda zoo hevig op den kop, dat een zijner oogen op zijne wang viel. Morda riep dat hij onschuldig was; en Ceridwen sprak: `Ja, Gwyon de Kleine heeft mij beroofd!' Zij achtervolgde Gwyon. Doch deze veranderde zich in eenen haas, doch Ceridwen werd jacht- hond en joeg hem naar een vloed. Hij liep er in en werd visch, doch zij werd otterwijfke. Hij nam de gedaante van eenen vogel aan en vloog in de lucht; zij werd valk. Hij ontwaarde een hoop Tarwe^_(1)_^ op een dorschvloer, sprong er te midden in en werd Tarwekorrel. Zij werd een zwarte hen, schartte in den hoop en ontdekte den gezochten korrel, dien zij inzwolg. Daarvan werd Ceridwen zwanger en negen maand daarna baarde zij een allerliefsten zoon. Zij legde hem in eene boot met een vel overdekt en liet het schuitje in het Meer, waar het gevonden werd door Elphin, den zoon van Gwyddno. Dat kind was | | ^(1)^ Triticum vulgare Vill. | de Bard Taliesin, die de orde van den Ketel van Ceridwen instelde. (Nork, Myth.~ 662 en vvgg.~ waar de sage uitvoerig voorkomt en verklaard wordt). Onder de zeldzame Kruiden, die de Druden in Ceridwen's Ketel brouwden om het `Sap der Begeestering en van het Weten' te bekomen noemt Nork (759; naar Romeinsche schrijvers): De Sleutelbloemen^_(1)_^, Tarwe^_(2)_^, Kraak- bessen^_(3)_^, IJzerkruid^_(4)_^ en Selago^_(5)_^, die alle vor de Nieuwe Maan moesten geplukt worden; men deed er nog Klaver^_(6)_^, honig en Mede bij. Negen maagde- lijke Drudinnen of Ceridwen's Priesteressen verhitten dit Sap door hunnen adem tot het begon te zieden en aldus en jaar en en dag voortkookte, en tot de drie droppen van den Waarzeggersgeest op den vinger van de novicen vielen; deze staken den verbranden vinger in den mond en sedertdien was de toekomst hun onthuld. (Vgl.~ Teirl.~ Plantenk.~, 114). -- Bij deze Ceridwen's Planten moeten ongetwijfeld nog gevoegd worden de Plineaansche Samolus^_(7)_^, en de Selago, alle bei tot nu niet gedentificeerd. (Id.~ 114)._ h. *Merlinsplanten.* De Toovenaar Merlin (liever gallisch Merddhin) was de zoon van een nachtgeest (Incubus) en van een koningsdochter die hem in een klooster, te Caermarthen (Wallis) ter wereld bracht. Hij was Drude en Barde van Koning Emrys Wledig (die op het einde der 5"e" eeuw) de invallende Saksers bestreed. _1"o" De gouden Appelen van Merlin. In de Keltische sagen staat Merddhin bekend als Toovenaar. Hij schonk Koning Arthur de Gouden Appelen, die aan het koninklijk hof werden bewaard en er door eenen ridder gestolen werden. Owen, de zoon van Urian, had den last gekregen den roover op te zoeken. Aldus in de Peredursage (gallisch gedicht waarschijnlijk uit het begin der 12"e" eeuw, door Fransche dichters omgewerkt in Bretagne). Z.~ hierover Nork, Myth.~ VS.~, 771 en 788. Uit den volksmond van het landvolk van Bretagne (Fr.~) hoorde Villemarqu eene sage, waarin Merlin aan Koning Arthur drie gouden Appelen aanbiedt met de woorden: `Voici trois Pommes d'or brillant, Elles appartiendront aux trols plus belles. C'est moi Merlin qui le prdis.' | | ^(1)^ Primula elatior Jacq.~ en veellicht ook P.~ officinalis Jacq. | | | ^(2)^ Triticum vulgare L. | | | ^(3)^ Vaccinium myrtillus L. `Bergbeeren' schrijft Nork, en. naar Holl (Pritz.~ | u.~ Jess.~) zijn de `Bergbeeren' Ribes alpinum L.~, zie hierover Teirlinck, Plan- | tenk. 113. | | | ^(4)^ Verbena officinalis L. | | | ^(5)^ Z.~ Teirl.~ Pk.~, 113-114. Een ons onbekende Plant en wel zeker niet de | Linneaansche Selago die een Kaapsche Plant is. (Leunis, blz.~ 639). | | | ^(6)^ Trifolium pratense L. | | | ^(7)^ Linnaeus noemt een inlandsche Primulacee: Samolus valerandi. | Vgl.~ met den gouden Appel, die door Paris aan Minerva werd toegekend (een Venussage) en met de door Herkuul geroofde Gouden Hesperidenappels (eene Heraklessage); ook met de Appelen van Iduna. 2"o" Merlin wordt in een toren onder een Hageboom gebannen. Merlin wordt door de schoonheid van Niniane (of Viviane) zoo getroffen dat hij heur zich gansch overgaf. Om haar te vermaken leerde hij heur alle soorten van Toovertoeren, die zij hem nadeed. Op eenen dag merkte hij jn haar heele wezen groote droefheid. Hij vroeg naar de oorzaak. Zij antwoordde dat zij verlangde te weten hoe men eenen man kon binden zonder keten, zonder toren en zonder muren, enkel door de macht der Tooverkunst. Toen Merlin dat hoorde, zuchtte hij diep en liet zijn hoofd zinken. `Ik weet', zei hij, `dat gij mij aldus behouden wilt, en ik bemin u zoo zeer, dat ik het u leeren zal'. `Ik wensch', zei Niniane, `dat wij voor ons een Tooverwoonst oprichten, waar wij ongestoord kunnen samenleven en vroolijk zijn met ons beiden'. `Dat zal gebeuren', antwoordde Merlin. `Neen, neen, zoete vriend, gij zult dat niet doen, gij zult mij leeren hoe het te doen is, opdat die woonst in mijn geweld blijve'. En Merlin, verliefd, leerde het heur. Op eenen dag gingen zij hand in hand naar het woud van Broceliande. En als zij vermoeid waren, zetten zij zich onder een grooten Hagedoorn ^_(1)_^, die zoet te geuren stond, in het hooge Gras neder en minnekoosden er. Merlin lei zijn hoofd in Niniane's schoot en zij streelde zijne wangen tot hij insliep. Als zij zeker was dat hij sliep, stond zij zachtjes op, nam haren langen sluier, omringde er mee den Hagedoorn, onder denwelken Merlin sliep, en voleindde de betoovering, juist zooals hij ze haar geleerd had. Negenmaal ging zij rond den gesloten kring, negenmaal her- haalde zij de Tooverwoorden, tot hij niet meer zou kunnen vrijgemaakt worden. Toen trok zij weder in den kring, zette zich zachtjes op hare eerste plaats en lei Merlin's hoofd opnieuw in haren schoot. Als hij wakker werd en rond zich keek, dacht het hem dat hij opgesloten was in een ontzettend hoogen toren en dat hij lag op een heerlijk kostbaar bed. Toen riep hij: `O mijn zoetelief, gij hebt mij bedrogen en indien gij mij nu verlaat, kan geen ander mij uit dezen toren verlossen!' `Mijn zoete vriend,' antwoordde zij, `word rustig, ik zal dikwijls in uwe armen zijn'. Die belofte bleef zij getrouw, want weinige nachten vergingen zonder dat zij bij hem was. Merlin kon de plaats niet verlaten, maar zij ging en kwam naar welgevallen. Nadien zou zij hem wel willen de vrijheid weergegeven hebben, want het deed haar leed hem in zulke gevangenis te zien; maar de Toover was te sterk, en het lag niet meer in hare macht zulks te doen. Daarom teerde zij in treurigheid weg. (Nork, Myth.~ d.~ Volkssagen, 721-2, ook 706; naar Schlegel, Rm.~ Dicht.~ d.~ Mittelalt, 176 en vvgg.~). Een verspreid thema ook in de volksliteratuur: betooveren kan, bij geval een oningewijde, maar onttooveren niet (reeds bij Lucianus in zijn Philopseudes)._ | | ^(1)^ Crataegus oxyacantha L.~ en C.~ monogyna Jacq. | i. *Albertus-Magnuskruiden.* Albertus, Graaf van Bolstdt (Duitschl.~), gewoonlijk Albertus Magnus geheeten, zag het daglicht, in 1193. te Lauingen in Zwa- ben, en stierf te Keulen in 1280. Eerst was hij dominikaan. later bisschop van Regensburg, eindelijk lector te Keulen en hier raad- gever van den aartsbisschop Konrad van Hochsteden. Thomas van Aquino en Thomas Catimpratensis waren zijne leerlingen. Zijn kennissen -- niet alleen in de natuurkunde, maar op alle wetenschappelijk gebied -- waren zoo uitgebreid^_(1)_^ en schenen, voor zijn tijd, zoo ongewoon dat eenigen hem als Toovenaar ver- dacht maakten. En niettegenstaande zulke verdachtmakingen werd hij, in 1562, gelukzalig verklaard. Vele sagen zijn over Albertus Magnus in omloop gekomen en Tooverplanten dienden hem tot zijn bovennatuurlijke kunsten. Deze Planten vindt men opgesomd in het boekje dat bekend is onder den naam Liber aggregationis en dat, te recht of te onrecht^_(2)_^, hem door sommigen wordt toegeschreven. _Hier volgen deze Tooverplanten naar gemeld `Liber aggregationis seu liber secretorum Alberti Magni de virtutibus herbarum, lapidum et animalium quorundam' (1"o" uitg.~ Geneve, 1477). Dat zonderling boekje -- waarin^_(3)_^ men nl.~ zegt `dat die conste Magia niet quaet en is. Want door dye selve kennisse machmen schouwen het quaet, ende volgen het goet' -- werd algauw vertaald in 't Nederlandsch met den titel^_(4)_^ van `dat Boeck der Secreten Alberti Magni'; in Holland althans, te Leiden, verscheen er eene (de eenige ons bekende), waarschijnlijk in 1551^_(5)_^ (een exemplaar berust op de Univ.~-Bibl.~ te Gent; doch het titelblad ontbreekt). -- Ik citeer naar de Leidensche uitg.~, of ook wel naar een Fransche vertaling van `Liber aggregationis' (die ik in mijn bezit heb en verschenen is in: `La Magie naturelle ou Mlange divertissant', Amsterd.~ Robert le Turcq, 1726, blzz.~ 69-112. | | ^(1)^ Bij den geleerden Trithemius heet hij: `magnis in magia naturali, major | in philosophia, maximus in theologia'. | | | ^(2)^ Eenigen beschouwen Hendrik van Saksen als schrijver van dit werkje. | Velen beschouwen Albertus Magnus van den titel als een schuilnaam. Zie | Marzell, 60. | | | ^(3)^ In de Leidensche nederl.~ vertaling. | | | ^(4)^ Ten minste aldus in de approbatie van de Leidensche uitg. | | | ^(5)^ Te oordeelen naar de reeds vermelde approbatie `door den Geestelijeken | Houe van Therrenburg' gegeven tot Brugge den 15"e""n" dag van Januari 1551. | Doch dit jaartal doelt misschien op eene ons onbekende Vlaamsche uitg.~ en | niet op de Leidensche, die later zou kunnen verschenen zijn. Z.~ nog over het | werkje Versl.~ en Meded.~ Kon.~ Vl.~ Acad.~, 1900, 535-552. | Er zijn vermeld in 't boekje 16 Tooverkruiden en 7 Planeetplanten (waarvan 3 ook bij de eerste 16 voorkomen): alle bezitten buitengewone Wonderkrachten. De 16 Tooverkruiden zijn: 1"o" Heliotropium van Albertus Magnus. De 1"e" uitg.~ (van Geneve, 1477) heet de Plant Elitropia ("=" Gr.~ Eliotropion). Het is de Europeesche Zonne- wende^_(1)_^, reeds boven bij de Heksenplanten (z.~ Bernagieachtigen) vermeld. Hare Bladeren wenden zich naar de zonne; of 't zijn hare Bloemen^_(2)_^ die het doen; of zij opent de Bloemen, als de zonne schijnt (Kannegiesser); of nog omdat, zooals Oodoens schrijft (94), `het omtrent den eersten dagh van den Somer bloeyt / dat is wanneer de Sonne / verst van den Equinoctiael vertrocken oft ghescheyden zijnde / sijnen keer wederom nae den selven neemt'. Dit Kruid heeft, naar Liber aggregationis, verwonderlijke krachten: indien men het in de maand Augustus plukt, als de Zon is in het teeken van den Leeuw, en men het, in een Laurierblad^_(3)_^, met een Wolfstand over zich draagt, kan niemand van den drager kwaadspreken, noch hem door boosaardige woorden schaden, en iedereen zal hem goede dingen toezeggen; wie het 's nachts onder zijn hoofd legt, zal zien en kennen den dief die hem wil bestelen; en indien men het in eene kerk legt, kunnen de vrouwen, die hunne echttrouw verbroken hebben, niet uit den tempel, zoolang het er in blijft. (Mag.~ nat.~, 70-71). En zonder de minste aarzeling wordt hier bijgevoegd: `Ende dat is lest beproeft ende warach- tich bevonden'. (Leidensche uitg.~). 2"o" Urtica van Albertus Magnus. Zie boven Netelachtigen waar de Too- verkrachten van de Netels^_(4)_^, naar Magie naturelle, reeds zijn vermeld. 3"o" Virga Pastoris, van Albertus Magnus. Het is de Kaardebol^_(5)_^. Z.~ boven Kaardebolachtigen, waar men de Tooverkrachten opgesomd vindt. 4"o" Chelidonium (Celidonia, ed.~ 1477) van Albertus Magnus. Het is de groote Gouwe^_(6)_^. Z.~ boven Maankopachtigen en voeg bij de aldaar vermelde krachten: Indien men Chelidonium op het hoofd van eenen zieke legt, zal hij luide zingen zoo hij sterven moet, en weenen zoo hij genezen zal. (Mag.~ Nat.~, 72). 5"o" Pervinca (Proventalis vel Provinca, ed.~ 1477) van Albertus Magnus. Pervinca of Vinca, fr.~ `Pervenche' is de naam van de Maagdepalm^_(7)_^. Z.~ de Tooverkrachtcn boven bij Maagdepalmachtigen. De Nederl.~ vertaling van 1551(?) zegt nog: Het vijfde Kruid `ghepuluerizeerd mct Eertwormen ombewonden' `maeckt goede minne tusschen man ende wijf, ist dat zijt gebruicken in spijse'. | | ^(1)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(2)^ De 1"e" uitg.~ van 1477 schrijft: `apud latinos Elitropia; cujus interpretatio | dicitur ab elijos quod est sol et tropos, quia conversa est ad solem'. De heele | Plant zou zich dus naar de zonne wenden. Ook Passow zegt dat Bladeren en | Bloemen zieh naar de zonne keeren. | | | ^(3)^ Laurus nobilis L. | | | ^(4)^ Urtica dioica L.~ en U.~ urens L. | | | ^(5)^ Dipsacus fullonum L.~ en ook wel D.~ silvestris L. Naar Mrat en De Lens.~ | Dict.~ is Virga Pastoris eigenlijk D.~ pilosus L. | | | ^(6)^ Chelidonium majus L. | | | ^(7)^ Vinca minor L. | 6"o" Nepeta (Nepta en Nepita, ed.~ 1477) van Albertus Magnus. Bedoeld wordt het geurige Kattenkruid^_(1)_^. Z.~ boven Lipbloemigen en de Wonderkrach- ten van die Plant. 7"o" Cynoglossum (Lingua Canis, ed.~ 1477) van Albertus Magnus. Het zal wel de gewone Hondstong^_(2)_^ zijn. Over de krachten wordt gesproken boven bij Bernagieachtigen. (Z.~ ald.~). 8"o" Hyoscyamus (Jusquiamus, ed.~ 1477) van Albertus Magnus. Het is het Bilzenkruid^_(3)_^. Z.~ boven Nachtschaadachtigen en men voege erbij, naar de Fr.~ vertaling: `Prenez cette Herbe, et mlez avec du Reagal^_(4)_^ et des Hermodactiles, ensuite faites-la manger parmi quelque chose un Chien enrag, il moura incon- tinent'. (Mag.~ nat.~ 74). Over de Hermodactylen der oudere Pharmacopeia zijn de Schrijvers het niet eens. Men bedoelt er mee zetmeelinhoudende Knollen, die eenigszins vinger- of handvormig zijn (vanhier de naam Hermodactylus "=" vinger van den God Hermes). Velen brachten deze Knollen tot de giftige Herfsttijloos^_(5)_^ (aldus b.v.~ Junius, Nomencl.~; Pritzel en Jessen): sommigen denken liever aan de Oostersche Tijloos^_(6)_^, of aan de Syrische^_(7)_^, of aan de Alexandrijnsche^_(8)_^; anderen wijzen op de Bergtijloos^_(9)_^ (b.v.~ Fe, Cours d'hist.~ nat.~ pharm.~ I, 316); het grootste aantal nemen er voor de Knolvormende Iris^_(1O)_^, en dat blijkt het waarschijnlijkste te zijn. Z.~ vooral Mrat en De Lens, Dict.~ i.v.~ Hermodacte, Hermodatte. 9"o" Lilium van Albertus Magnus. Het is de welbekende Witte Lelie^_(11)_^. Z.~ boven Leliechtigcn. 10"o" Viscum (in ed.~ 1477: Viscus querci, Viscus quercinum) van Albertus Magnus. Zonder twijfel de Magische Marentak^_(12)_^. Hij groeit, zegt ons boekje, op de Boomen die aldus doorboord worden. Met Sylphium^_(13)_^ vereenigd, opent de Marentak alle sloten. Hangt men hem met eenen Zwaluwvleugel aan eenen Boom, zoo zullen er al de vogels van twee uren en half in de ronde bijeenkomen. (Mag.~ nat.~ 75). | | ^(1)^ Nepeta cataria L. | | | ^(2)^ Cynoglossum officinale L. | | | ^(3)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(4)^ Men leze: realgar. | | | ^(5)^ Colchicum autumnale L. | | | ^(6)^ C.~ variegatum L. | | | ^(7)^ C.~ syriacum L. | | | ^(8)^ C.~ alexandrinum L. | | | ^(9)^ C.~ montanum L. | | | ^(10)^ Iris tuberosa L. | | | ^(11)^ Lillum candidum L. | | | ^(12)^ Viscum album L. | | | ^(13)^ Over het vermaard Silphium der Ouden. zie b.v.~ Mrat en De Lens, | Dict. Het waren Schermbloemigen. die dit kostbare Hars opleverden. Naar | Sprengel kwam het Silphion medikon van de Asa-foetida (Ferula scorodosma | Benth.~ en Hook; naar Viviani werd het met goud gewogen Silphion kurenaikon | (het Cyrenisch Silphium) gegeven door Thapsia silphium Viv. In allen gevalle | heeft Silphion der Ouden niets met het Linneaansche geslacht Silphium te maken. | Vgl.~ Leunis, II, 263, 265 en 699. | 11"o" Centaurium (ed.~ 14771 Centaurea) van Albertus Magnus. Zeer waar- schijnlijk het Duizendguldenkruid^_(1)_^. Zie de wonderbare krachten dezer inland- sche Plant bij Gentiaanachtigen, boven. 12"o" Salvia van Albertus Magnus. Het is de heelkrachtige Salie^_(2)_^. Zie boven Lipbloemigen. 13"o" Verbena van Albertus Magnus: zonder twijfel het heilige IJzerkruid^_(3)_^. 14"o" Melissa (ed.~ 1477: Melisophilos): het is onze Konfilie-de-Grein^_(4)_^. 15"o" Rosa van Albertus Magnus. Over de Tooverkrachten der Roos^_(5)_^, zie boven Roosachtigen. 16"o" Quinquefolium (daarnaast in ed.~ 1477: Serpentina) van Albertus Magnus. Het is 't overal verspreide Vijfvingerkruid^_(6)_^. Een laatste woord over deze zestien Wonderkruiden: Vooraleer hunne krachten te doen kennen. somt de Schrijver van Liber aggregationis deze Planten op. Zoo doet ook de Nederlandsche vertaler van het boekje; doch naast de Latijnsche benamingen plaatst hij Nederlandsche, aldus: `Elitrophia Kersouwen cruyt. Visculus quercinus Mosch van den eycken boom. Celidonia Gout wortel. Verbena Yser cruyt. Jusquiamus Bilsen cruyt. Lelium Lelien. Virga pastoris Caerden. Salvia Sauie. Lingua canis Honts tonghen. Urtica Netelen. Centaurea Sauetorie. Provinca Melissophylas Confilie de greyn. Rosa Roose. Nepta Catten cruyt. Serpentina Vijfuinger cruyt'. Verkeerd zijn 1 `Kersouwen cruyt', want Kersouwe is de naam van de Madelief^_(7)_^, die evenwel (evenals menige andere Bloem) den loop der zon volgt; ook `Mosch van den eycken boom', want de Marentak gelijkt wel het minst op Mos; en `Sauetorie' is drukfout van `Sanctorie'. Die Nederlandsche benamingen vindt men overigens niet meer bij de bovenstaande Wonder- krachten._ | | ^(1)^ Erythraea centaurium L. | | | ^(2)^ Salvia officinalis L. | | | ^(3)^ Verbena officinalis L. | | | ^(4)^ Melissa officinalis L. | | | ^(5)^ Geslacht Rosa, vooral R.~ centifolia L. | | | ^(6)^ Potentilla repens L. | | | ^(7)^ Bellis perennis L. | De Magirs en Toovenaars geloofden dat al wat leeft, den invloed van de zoogenaamde zeven Planeten ondergaat. Liber aggregationis noemt bepaaldelijk zeven Planeetplanten, `ende die virtuten oft crachten hebben si ghehadt nae dye influentien der Planeten' (ndl.~ vertaling), `si l'on en croit l'empereur Alexandre' (fr.~ vertaling: Mag.~ nat.~, 78). _De zeven krachtige Planeet planten van Albertus Magnus zijn: 1"o" Asphodelus (Affodillus: ed.~ 1477) of Saturnusplant. `Affodisius' in de Leidensche uitg.~; `Offodilius' in Mag.~ nat.~ (79). Pickering (752) identificeert met onze gemeene gele Narcis^_(1)_^: `Called in Britain lent-lily or daffodil or daffadownlily, by al the older writen `affodilly', in medieval Latin `asphodelus''. -- Liber aggregationis roemt de krachten dezer Plant: haar sap is zeer goed om de pijnen der nieren en de kwalen der beenen te verzachten en te genezen. Men geeft ze nog aan die, welke aan de blaas gekweld zijn. Indien men den Wortel een weinig kookt en hem daarna, in een wit linnen gewonden, te dragen geeft aan bezetenen en melankolieken, zoo zullen deze verlost zijn. Dezelfde Wortel verjaagt de Booze Geesten uit den huize (Mag.~ nat.~ 79). `Ende tis goet dat se tsnachts een man over hem draghet, want hi en sal niet vreesen noch ghequetst worden von ymanden' (aldus in de ndl.~ vertaling). -- Dodoens (318) geeft den naam gr.~ Asphodelos, lat.~ Asphodelus, nld.~ Affodille aan de vertakte Asphodelus^_(2)_^; en Leunis (795), die ze als Saturnusplant vermeldt, is deze meening toegedaan. 2"o" Polygonum (ed. 1477: Poligonia of Corriggola) of Zonneplant. Is Varkensgras of Vogel-Duizendknoop^_(3)_^, het overal groeiende Onkruid. Men noemt ze eene Zonneplant, omdat zij zeer vruchtbaar is, zegt Mag.~ nat.~ (79); eenigen heet en ze zelfs het `Huis van de Zon'; de ndl.~ vertaling schrijft: `Dit cruyt heetent andere te wesen Alcone, dat is thuys van den sonnen'. Polygonum bezit vele Heilkrachten, die men in 't boekje opgesomd vindt; o.a.~: wie het sap van dit Kruid drinkt, kan `seer veel met vrouwen conver- seren' (lat.~ uitg.~: `multum coire'). 3"o" Chrynostates (ed.~ 1477: Chynostates) of Maneplant. Ik heb veel gezocht en nergens een gelijkenden naam gevonden. Deze Wonderplant wast en vermindert met de Maan. Zij zuivert en geneest de nieren. is goed voor zielke oogen en tegen Markoenszeer, helpt de spijsvertering. (Mag.~ nat.~, 80). 4"o" Arnoglossum (ed. 1477: Arnoglosa; ed. 1498, Antw.: Arnoglossa) of Marsplant. Is de gewone Wegbree^_(4)_^: een geneeskrachtig Kruid tegen hoofdpijn, verrotte zweren, bloedloop, speen, enz. (Mag.~ nat.~, 80). `De Wechbre was bij de Ouders soo seer ghesocht ende ghepresen, dat Themison den oudea Medicijn' (een Griek uit de 1"e" eeuw vor Christus) `daer een gantsch boeck | | ^(1)^ Narcissus pseudo-narcissus L. | | | ^(2)^ Asphodelus ramosus L. | | | ^(3)^ Polygonum aviculare L. | | | ^(4)^ Plantago major L. | af ghemaeckt heeft, als den eersten ervinder van de groote krachten van dit ghewas, ghelijck Plinius in het achtste capitel van sijn 25. boeck betuyght'. (Dod.~ 149). Heden nog wordt de Wegbree in de volksgeneeskunde vaak aange- wend. -- Gr.~ Amoglossos bet.~ ndl.~ Lamstong. 5"o" Pentaphyllum of Merkuurplant. Ed.~ 1477: Penthaphilon ("=" Pentaphyllon, Vijfblad) en Pentadatilus ndl.~ vert.~: Pentadactilus ("=" Pentadaktulos, Vijfvinger- (blad); -- ed.~ 1477: Sededinam; ndl.~ vert.: Seepe declinam ("=" dikwijls neergebogen?); -- ed.~ 1477: Calipentalo; ndl.~ vert.~: Calipendalo ("=" Calli- petalon, bij Dioskorides, "=" Schoonblad). Het is ons gemeen Kruipend Vijfvin- gerkruid^_(1)_^. Het helpt grootelijks wie het over zich draagt; wil men iets van koning of prins bekomen, zoo heeft men het maar bij zich te nemen; het maakt den mensch geleerd en doet hem verkrijgen al wat hij wenscht. (Mag.~ nat.~, 81). Zie boven het 16"e" Kruid van Albertus Magnus. 6"o" Hyoscyamus (ed.~ 1477: Acharonia n.~ Jusquiamus) of Joviskruid. Dat is het Zwarte Bilzenkruid^_(2)_^. Bilzenkruidwortel over zich gedragen belet het ontstaan van zweeragin; het maakt den drager vroolijk en aangenaam, en de vrouwen zullen hem beminnen. (Mag.~ nat.~, 81). Vgl.~ boven het 8"e" Tooverkruid van Albertus Magnus. 7"o" Peristereon^_(3)_^ of Venuskruid. Het is het heilige IJzerkruid^_(4)_^. Van de talrijke Wonderkrachten van die Planeet plant geef ik op: zij zet tot liefde aan; in een huis gelegd maakt het welstellend; in een akker of wijngaard gestoken doet hun veel opbrengen; de Wortel is goed gebruikt bij het planten van Druivelaars of andere Boomen; kinderen die het over zich dragen, krijgen een goede opvoe- ding, beminnen de wetenschap, zijn wakker van geest en goed van inborst; zij verjaagt Booze Geesten en Duivels. (Mag.~ nat.~ 82; z.~ boven de 13"e" Albertus- Magnusplant). Peristereon (of Peristereos) lokt de Duiven aan (gr.~ peristera "=" duif): `Verbenaca... qu columbae unic delectantur' (Tetraglotton i.~ v.~)._ Pickering (752) gewaagt nog van een ander Albertus-Ma- gnus-kruid. nl.~ Gariofilata of Sanamunda of Pes leporis van Albertus Magnus. Het is het Benedictenkruid^_(2)_^, zeer gemeen langs onze hagen. _Dodoens (200) noemt de Plant Caryofyllate (naar den giroffelnagelreuk van den Wortel): `Sommighe draghen de wortelen ghedrooght zijnde over hun in | | ^(1)^ Potentilla repens L. | | | ^(2)^ Hyoscymus niger L. | | | ^(3)^ In ed.~ 1477: Piscereon voor Pistereon (als in Ndl.~ ultg.) en dit voor | Peristereon; -- en Hyeroboram (In ndl.~ uitg.~ Hieroboran) voor Hierobotan (gr.~ | "=" Heilig Kruid, een der oude namen van Verbena); -- en Herba Columbaria. | `Dat is duyven cruyt ende Verbena', zegt de Ndl.~ vertaler. Duiven trokken de | kar van Venus. | | | ^(4)^ Verbena officinalis L. | | | ^(5)^ Geum urbanum L. | een sacksken / ende meynen dat sy met den reuck daer van hun ghemoet verquicken konnen / de gheesten vermaken / de herssenen verstercken / ende het herte van de peste ende quade locht bewaren'. De naam Sanamunda wijst ook op deze Wonderkrachten: `quia sanat et mundat'. (Blanc.~ Lex.~)._ Vermaarde Toovenaars vonden er genoegen in, groote heeren en dames, die zij ten feest hadden uitgenoodigd, door hun kunst te verbluffen. Zoo schiep Albertus Magnus, in 't midden van den winter, een en Wondertuin met Bladeren, Bloemen en Vruchten op de Boomen. _Op eenen dag noodde Albertus, te zijnent, Keizer Willem (geboren circa 1227, gest.~ 1256) met zijn gevolg. De Keizer kwam en Albertus leidde allen in zijnen tuin, waar men, tusschen de ontlooverde Boomen, te midden van sneeuw en ijs, het maal opgediend vond. De hovelingen begonnen te morren, want dat scheen hun een allerzonderlingste scherts vanwege den gastheer. Doch nauw hadden Keizer en gasten zich rond den disch nedergezet, of de zon begon te glanzen en te warmen evenals in den zomer; op een oogenblik smolten sneeuw en ijs, de aarde werd warm en de Boomen schoten botten en bedekten zich met Bladeren en Bloemen; tusschen het loover blonken rijpe Vruchten en in de lucht weerklonken de lieve gezangen der vogelen, de warmte werd zoo drukkend dat de gasten hun kleederen moesten uitdoen en, halfnaakt, de schaduw der Boomen opzochten. Toen het eten gedaan was, verdwenen, als nevel, de talrijke, sier- lijke dienaars, die het werk hadden verricht; de lucht werd duister, de Boomen verloren hun Bladeren, Bloemen en Vruchten, sneeuw en ijs lagen daar weder en 't was zoo bijtend koud dat de gasten bibberend in huis liepen en rond het vuur samendrongen! (Graf, Gesch.~ d.~ Teufels, 258 en vgg.~). Vgl.~ beneden Faust's Wondertuin._ Men verhaalt nog dat Albertus Magnus,`over de maeltijt in het bysijn van de Fransen Koning, een Boom met Bladen, Bloemen en Vruchten heeft voortgebracht'. _Aldus Kircherus, Ond.~ Wer.~ II, 363._ j. *Doctor Faust.* De welbekende en wijdvermaarde Dr.~ Johannes Faust was een der grootste Heksenmeesters die ooit bestaan^(1)^ hebben, en eenige Faustsagen staan met Planten in verband. In de hier vol- gende sagen worden vermeld; als Vruchtboomen. de Wijngaard, | | ^(1)^ Dr.~ Joh.~ Faust zou. naar de thans meest aangenomen meening, werkelijk | bestaan hebben, hij leefde op het einde der 15"e" en het begin der 16"e" eeuw. | Z.~ b.v.~ Hauffe. Die Faustsage und der historische Faust. Luxemb.~ 1862. | de Kerseboom, de Perelaar, de Appelboom, de Oranje-, Limoen- en Citroenboomen, de Granaatboom; als Vruchten: Dadel, Vijg en Kastanje; als Sierboom de Palm; als Woudboom de Den; als Bloemen: Rozen, Lelin, Tulpen, Narcissen, Hortensia; eindelijk ook Stroo en Hooi. _1"o" Faust's Wondertuin. Faust bewoonde, in een schoon en rijk huis, twee zalen. Hier hoorde men, zelfs te midden van den winter, het liefelijkste vogel- gezang. Er toe behoorde een Toovertuin, niet zeer groot, doch overheerlijk, waar nooit de winter woedde: het was er immer lustige zomertijd met allerlei Gewassen, Loover en Gras en de bontste Bloemen. Men zag er schoone Wijn- stokken^_(1)_^ met veel en altijd rijpe Druiven behangen; veelkleurige Tulpen^_(2)_^, dubbele Jozefsstaven^_(3)_^ en ander Narcissen, gloeiende Rozen^_(4)_^ bloeiden en vlamden daartusschen. Langsheen de tuinmuren stonden, in rechte rijen, Gra- naat-^_(5)_^, Oranje-^_(6)_^, Limoen-^_(7)_^ en Citroenboomen^_(8)_^; overal groeiden Kerse-^_(9)_^, Pere-^_(10)_^ en Appelboomen^_(11)_^ het heele jaar door met malsche Vruchten beladen. Ja, daar kon men echte Wonderplanten zien: Pereboomen die Dadels^_(12)_^ droegen, jonge Kerseboomen met Vijgen^_(13)_^. en dichtgelooverde Appelaars met zwarte Kastanjen^_(14)_^. (Schwab, II, 287-8). 2"o" Faust's Lusthof. Faust verbleef eens een ganschen winter aan bet hof van den Graaf van Anhalt. Toen de lente aanbrak en hij wilde afscheid nemen, bad hij: `Ik heb hier door uw grafelijke genade zoovee1 goeds genoten dat ik den moed heb u nederig te verzoeken heden mijn gast in mijn klein lusthuis te willen zijn'. De Graaf en de Gravin zagen Faust verwonderd aan, want zij hadden nooit hooren zeggen dat Faust in den omtrek een lusthuis bezat. Toch namen zij aan. Op Faust's verzoek zette zich het heele hof in beweging; want de Toovenaar had verzekerd dat men enkel door de grafelijken tuin hoefde te gaan om dit lusthuis te bereiken. Nauw kwamen Graaf en Gravin in hunnen hof of zij ontwaarden op een hun welbekenden heuvel, den zooge- naamden Roomschen Heuvel, een prachtig luchtkasteel. Toen zij nader kwamen, zagen zij dat het door een diepe en breede watergracht was omringd. In het helle water plasten goud- en zilvervischjes en er op zwommen sneeuwwitte | | ^(1)^ Vitis vinifera L. | | | ^(2)^ Tulipa gessneriana L. | | | ^(3)^ Narcissus pseudo-narcissus L. | | | ^(4)^ Vooral Rosa centifolia L. | | | ^(5)^ Punica granatum L. | | | ^(6)^ Citrus aurantium L. | | | ^(7)^ C.~ limonium Risso. | | | ^(8)^ C.~ medica L. | | | ^(9)^ Cerasus vulgaris L. | | | ^(10)^ Pirus communis L. | | | ^(11)^ Malus communis L. | | | ^(12)^ Phoenix dactylifera L. | | | ^(13)^ Ficus carica L. | | | ^(14)^ Castanea vesca L. | zwanen. De ophaalbrug was nedergelaten, de poort van 't slot open; guirlandes van zeldzame. welriekende Bloemen hingen langs de brug en boven de slotpoort. De gansche weg was met frissche Rozen^_(1)_^ en Lelin^_(2)_^ bestrooid, en toen het grafelijke paar over de brug trad, klonk hun schoone muziek uit het Kasteel tegen. Er waren vier hoektorens met wimpels en vlaggen. Aan den ingang stonden nog twee torens, door een galerie verbonden, en hier fladderden twee zijden vlaggen met de wapens van Anhalt versierd. Rond den tuin verhieven zich, in dubbelrij, bloeiende Oranje- en Granaatboomen, en in 't midden stond een krans torenhooge Palmen^_(3)_^, en tusschen deze sproot eene bron, die een kristallen bekken met goudhellen wijn vulde: Op de twijgen der Boomen zaten de zeldzaamste vogels, die door hun hemelschen zang het hart verheugden of door hun veerenpracht de oogen verrukten. Bonte vlinders en kolibri's fladderden van Bloem tot Bloem. Op de Palmboomen klefferden potsierlijke apen om- en rond. De Graaf en de Gravin gingen nu in het kasteel zelf en hier heerschte dezelfde pracht. Na een heerlijke maaltijd genoten te hebben, verlieten de uitge- noodigden het Tooverpaleis van Faust en toen zij terug aan 't grafelijke slot kwamen, hoorden ze drie kanonschoten; allen keken om: Faust's kasteel stond in laaie vlammen en er uit sprongen omhoog lichtwaaiers en lichtkogels. 't Was een grootsch vuurwerk, dat eindelijk in een rozigen wasem verging. Doch Faust was spoorloos verdwenen. (Hgd.~ Volksb.~, 46 en vvgg.~, uitg.~ Breitkopf en Hartel, Leipzig, z.~ j.~). 3"o" Faust schenkt de Gravin van Anhalt frisch Ooft in den winter. Op eenen winterdag zat Faust aan tafel met Graaf en Gravin van Anhalt. En de Gravin, die in een gezegenden testand was, zei dat zij een onweerstaanbaren lust naar versch Ooft voelde, en dat verlangen liet haar dag en nacht zonder rust; en zij vroeg eindelijk raad aan Faust, den wereldberoemd en dokter, hoe ze toch die goesting zou kunnen kwijtgeraken. `Er is geen ander middel, genadige Gravin,' antwoordde Faust, `dan van zulke Vruchten te eten zooveel het u lusten mag'. -- `Dat weet ik wel; doch ik vraag u raad, omdat in dit jaar- getij zulks onmogelijk is'. -- `Onmogelijk?' zei Faust, `toch niet! Wacht even een oogenblik en uwe wenschen zullen bevredigd zijn'. Faust stond recht, liet zich door een dienaar drie zilveren vruchtkorven brengen en plaatste ze vor het venster. Daarna keerde hij tot 't gezelschap terug, at en dronk, en praatte op 't mooist met de aanwezigen, zonder een enkele maal aan het verlangen van de Gravin te herinneren. Toen echter het dessert ter tafel kwam, riep hij een dienaar en beval hem de drie vruchtkorven bij te brengen en ze aan de Gravin te overhandigen: in een der korven lagen prachtige Appelen, in den tweeden kostelijke Peren en in den derden de zoetste Wijndruiven. En de Gravin kon haren lust bevredigen. (Volksb.~). -- Bij Meiche (n"r" 665) vindt men een gelijkende Toovenaarssage, doch Faust wordt er in niet genoemd. | | ^(1)^ Rosa centifolia L. | | | ^(2)^ Lilium candidum L.~ en ander tuinsoorten van het geslacht Lelie. | | | ^(3)^ Phoenix dactylifera L.~ en ander Palmsoorten. | 4"o" Faust's Hortensia^_(1)_^. Dr.~ Faustus woonde op het slot Waardenburg bij Bommel (Holland), waar hij dag en nacht over de boeken lag om den Steen der Wijzen te zoeken. En in den slottuin bloeide altijd een groote Hortensia en deze was, winter en zomer, versierd met de kostbaarste Bloemen. Te midden van den winter had Faustus rijpe Druiven, en te midden van den zomer sneeuw en ijs. (Wolf, N.~ S.~, n"o" 266; naar Heldring, Oudheidk.~ Wandelingen, en naar Kunst- en Letterblad, 1841, p.~ 95). 5"o" Keizer Maximiliaans slaapkamer wordt een Toovertuin. Keizer Maximi- liaan had met buitengewone vriendelijkheid Dr.~ Faust te Innsbruck ontvangen. Uit dankbaarheid deed Faust het volgende: Op eenen morgen, bij zijn ontwaken, kon Maximiliaan zich niet inbeelden waar hij lag: zijne slaapkamer was een echte Wondertuin; aan beide zijden stonden schoone Boomen met groene Twijgen; daarnaast zag hij er andere beladen. met rijpe Kersen en menig Ooft; rond zijn bed verhieven zich nog edeler Boomen, als Oranje- en Limoen-, Granaat- en Vijgeboomen met verlokkelijke Vruchten. De Keizer stond toen op, wikkelde zich in zijn nachtpels en zette zich genoeglijk in zijnen zetel neder; en hij hoorde alsdan nachtegalen en velerhande vogelen lieflijk zingen, en om hem trippelden sneeuwitte konijntjes en jonge hazen. Daar Maximiliaan, bij dit prachtgezicht, langer bleef dan naar gewoonte meenden de dienaars dat hij onpasselijk was geworden en kwamen kijken wat er hem scheelde; zij ook zagen den Wondertuin. En de Keizer liet de voornaamsten van het hof roepen, en zij ook bleken aangenaam verwonderd. Doch na een uur begonnen de Bladeren van de Boomen te verwelken, daarna de Bloemen en Vruchten; en er kwam een wind die alles wegwoei, zoodat het allen scheen dat zij gedroomd hadden. (Schwab, 318-19). 6"o" De Keldermeester van den bisschop van Salzburg op den Denneboom. Faust was een lustige drinkebroer en tevens een onovertreffelijke kluchtmeester. Op eenen avond onthaalde hij eenige vroolijke snaken in zijn huis te Wittenberg. Ze bleven tot laat in den nacht aan tafel en maakten overdreven pleizier: De spijzen waren kostelijk en de wijn voortreffelijk. En, toch merkte een der gezellen aan: `Dokter, gij hebt een goeden kelder, maar die van den bisschop van Salzburg is beter; want het is bekend dat deze eerwaardige heer den fijnsten wijn van het heele kerstdom bezit'. -- `Welnu,' zei Faust, `we gaan hem proeven; we moeten kennis maken met den wijn van den bisschop en onder- vinden of gij waarheid zegt'. -- `Hoe kan dat gebeuren?' vroeg een ander. -- `Komt maar allen mee, we zullen wel den weg naar den bisschoppelijken kelder vinden'. En Faust stond op; de kameraden volgden hem. Hij leidde hen naar zijnen hof, en hij deed ze een voor een op eene ladder klimmen, die tegen eenen Boom stond. Daarna plaatste hij zichzelf op de onderste sport en riep: | | ^(1)^ Hydrangea hortensia L.~ (Hortensia speciosa Pers.~). Natuurlijk een betrek- | kelijk jong Fausttoertje: De Hortensia werd ontdekt in China door Ph.~ Commer- | son (geb.~ 1727 "+" 1773) en door hem aldus genoemd naar zijn geliefde Hortense | Lepaute, die hem overal op zijn verre reizen in jager verkleed vergezelde. J.~ | Banks, ook botanist-zeereiziger zou de plant in 1790 naar Europa gebracht | hebben. Aldus Leunis, Syn.~ 241. | `Houdt u goed vast, de reis begint'. En de ladder steeg in de lucht en, na korten tijd waren zij, te Salzburg, in den kelder van den bisschop, Faust zorgde voor licht en de gezellen zetten zich genoegelijk rond de volle vaten, dronken en zongen uren lang; tot op eens de deur van den kelder openging en de dikke keldermeester binnentrad: hij had het gejuich gehoord en wou zelf zijn dorst nog eenmaal lesschen. Bij het zien van het gezelschap sperde hij muil en oogen open en wou wellicht door geschreeuw zijne knechten ter hulp roepen, toen Faust hem bij de haren greep en er mee op de ladder voer, waarop al de overigen reeds plaats hadden genomen. In eenen oogwenk was de ladder met haar last hoog in de lucht en de dikke keldermeester spartelde erbarmelijk tusschen hemel en aarde. Daar zweefden ze boven een zeer groot woud: Faust liet nu den keldermeester los, die geloofde dat zijn laatste uur was geslagen, en een angst- kreet slaakte. Het geluk was hem evenwel gunstig, want hij bleef hangen tusschen de takken van een geweldig hoogen Denneboom^_(1)_^. Hij kramde er zich vast en met ontzetting keek hij naar de diepte die onder hem gaapte. Goed klauteren kon hij niet, zoodat hij het niet waagde naar beneden te klefferen en dus het eenige deed wat hem nog redding brengen kon: hij schreeuwde zoo gedurig en luide dat hij na een half uur heel heesch was geworden. Daar kwam eindelijk de zon op en, na eene wijl, hoorde hij een koets op de landstraat naderkomen. De man verzamelde zijn laatste krachten en riep om hulp. De heer, die in de koets zat, was niemand anders dan zijn meester de bisschop; deze hoorde het angstgeschreeuw, stond stil en keek van waar het geroep kwam; hij herkende zijnen keldermeester. `Om aller heiligen wille, ' zei de bisschop, `keldermeester, wat komt u over dat gij des nachts op de Boomen stijgt om vogelnesten te rooven? Is dat nu een passie, die met uw ambt en uwen buik overeenkomt?' Maar de klagende keldermeester kon niet zoo gemakkelijk van den Denneboom gebracht worden. Men moest de boeren van het naaste dorp halen, die met touwen en ladders bijkwamen en den dikken man met een koord, als een emmer ter bronne, ter aarde nederlieten. De bisschop gunde hem een plaatsje in zijne koets en toen vertelde de man wat gebeurd was. En de bisschop hield gauw op met spotten en dacht met droefheid aan zijn beste leeggezopen wijnvaten. Intusschen lagen Faust en zijn kameraden in hun bed te Wittenherg en versliepen hunnen roes (idem, 30; vgl.~ Schwab, 325, waar men eene lichte variante vindt). 7"o" De Levenslelie. Dr.~ Faust bevond zich eens op de groote foor van Frankfort en hij hoorde dat, in zeker huis, vier Toovenaars of Goochelaars een wonderlijk kunststuk uitvoerden, dat veel volk tot hen lokte en hun veel geld opbracht. Zij sloegen elkaar, beurtelings, met een zwaard het hoofd af, gaven dit aan een barbier over, die het waschte, schoor en reinigde; daarna zetten zij het hoofd op den romp, en romp en hoofd groeiden weder aaneen en de onthoofde stond frisch en gezond recht. Het vertoornde Faust dat die vier menschen de Tooverkunst zoo gemeen maakten en hij beneed ze tevens om het vele geld dat zij op zulke wijze verkregen. Hij ging des, nadat hij zich onzicht- baar had gemaakt, in de plaats waar de vier Zwartkunstenaars hunne kunst | | ^(1)^ Abies pectinata DC. | lieten zien en hij zag goed toe hoe zij te werk gingen. Daar bemerkte hij op eene tafel een bloempot, waaruit zich vier Lelinstengels verhieven. Zoodra nu een kop werd afgeslagen, neeg een der Lelin^_(1)_^ de bloemkroon, en als de kop weder op den romp werd gezet, rechtte zich de nikkende Leliestengel met zijne Bloem op, en juist op dit zelfde oogenblik keerde het leven in het lichaam van den onthoofde terug. Faust wachtte tot de beurt kwam van den Goochelaar dien de drie anderen hun Meester noemden. En toen dezen het hoofd werd afgehouwen en dit den barbier overhandigd, ging Faust naar de neigende Lelie en sneed den Stengel door. De Toovenaars plaatsten daarna den Kop op den romp; doch daar de Leliestengel waarop de Levensbloem van den Heksenmeester stond, was doorgesneden, kwam het leven in het lijk niet terug en de Meester was en bleef dood. De toeschouwers waren erg getroffen, de drie Toovenaars nog meer. Hunne kunst was hun te schande gekomen, en zij moesten ijlings vluchten, wilden zij niet in de handen van 't gerecht vallen. (Idem, 55-6; Schwab, 305). -- Z.~ boven een variante dezer sage bij Lelieachtigen; en over Planten wier leven met dat van menschen vereenzelvigd is, zie b.v.~ Mannhardt, Bk.~ 32-33. 8"o" Hooi- en Stroobundel worden paarden. Dr.~ Faust bedroog eenen paar- denkoopman op de volgende manier: Hij verkocht hem een paard, doch toen de koopman er mee bij den paardenvijver kwam, werd het gekochte dier een Stroobundel. Snel ging de koopman naar de herberg waar hij Faust verlaten had: hij wou hem 't koopgeld terug vragen. Hij vond er den Doktor slapende op eene bank. Door roepen wilde de koopman den slaper wakker maken; doch daar Faust niet te hooren scheen, greep hij een der voeten van den slaper en trachtte dezen van de bank te trekken. Hoe verschrikte de koopman, toen hij Faust's been uitrukte en de Toovenaar een luid gehuil aanhief en om hulp riep! Toen liep de bedrogene haastig uit de herberg en liet zijn geld in den steek. En Faust sprong schaterlachende recht op zijn twee beenen. (Idem, 32). In een gelijkend toertje werden Hooibussels paarden. Een ridder die 't gewaagd had met Faust's kunst te spotten en aan wien de Toovenaar twee hertshoornen op 't voorhoofd getooverd had -- hoornen die Faust afnam na des ridders bevestiging dat Faust's kunsttoeren geen bloote goochelarijen waren -- wilde zich over dien smaad wreken. En toen Faust des Keizers hof te Innsbruck verliet, achtervolgde hem de edelman met knechten te paard. Faust die enkel met zijn dienaar vooraan reed, werd de troep gewaar, keerde zich om en draafde de achtervolgers te gemoet; maar de ridder zag, niet Faust en zijnen knecht, maar wel honderd gewapende ruiters; hij kreeg schrik en wendde zich rechtsom. Doch zie! ook van die zijde kwamen een even groot getal ruiters en na weinige oogenblikken was de ridder met zijn volk ingesloten. Faust ontnam hun paarden en wapens. `Doch, zegde hij, ik wil edelmoedig zijn: hier zijn beter wapens en paarden'. En hij gaf den edelman glanzende wapens en heerlijke paarden. De ridder en zijn knechten reden nu weg. Vor Innsbruck moesten zij door een diep water; en toen zij hierin kwamen, werden de geschonken paarden Hooi- bussels, de lansen en zwaarden Stroohalmen en het blinkende harnas op der | | ^(1)^ Lilium candidum L. | ridders borst een afschuwelijke pad! Met moeite redden zij hun leven en kwamen te voet en doornat te Innsbruck terug. (Idem, 53-4); vgl.~ Meiche, n"r" 678: de Heksenmeester Martin Pumphut (uit Saksen) verandert de paarden van een koopman in Stroowissen, omdat deze koopman den vermoeiden Pumphut niet op een zijner paarden laat zitten. 9"o" Voer Hooi wordt Stroohalm. Naar de sage heeft Dr.~ Faust te Erfort (Duitschl.~) gewoond. Hier is een straatje zoo smal dat twee personen, die er malkaar tegenkomen, niet verder kunnen. Op zekeren dag ging Faust met studenten een wedding aan: hij zou door het straatje met een vierspannig voer Hooi passeeren. De wedding werd aangenomen en 's anderen daags onder grooten toeloop van volk uitgevoerd. Vier ossen trokken een geweldig voer Hooi voort en bleven vor het straatje staan. Plots verandert de wagen in eenen Stroohalm, de vier ossen in vier mestkevers (naar anderen in witte muizen) en 't wonderlijk gespan rijdt met 't grootste gemak door het straatje. Aan den uitgang wordt alles opnieuw een hooiwagen en vier ossen. Sedertdien heet dat straatje Doctor-Fauststraatje. (Henne-am Rhyn, D.~ Vs.~, n"r" 768; naar Prhle, D.~ S.~, p.~ 249). 10"o" Faust's knecht moet uitgestrooid Koorn en Meel weer bijeenrapen. Faust had een duivel-knecht, met name Joost. Hij vond er groot genoegen in Joost alle soort van moeilijk uit te voeren werk op te leggen. Joost moest arbeiden den heel en dag en als hij, doodvermoeid, 's avonds meende te gaan rusten, strooide Faust een schepel Koorn in de Doornhagen en Joost moest den heelen nacht al de Graantjes oprapen en verzamelen. Of Faust wierp een groote hoeveelheid Meel in de slotgracht en Joost moest alles er, rein en onbedorven, opnieuw uithalen. (Wolf, N.~ S.~ n"o" 266). Vgl.~ mijne Fl.~ Diabolica, 284-85. Sagen waarin zeer moeilijk uit te voeren arbeid wordt bevolen, zijn talrijk en zeer verspreid. Een der oudste is die van de arme Psyche, die, vervolgd door de jaloersche Venus, gedwongen wordt ondereengemengde Tarwe^_(1)_^, Gerst^_(2)_^, Hirs^_(3)_^ (of Geers), Heulzaad^_(4)_^, Erwten^_(5)_^, Grut, Vitsen^_(6)_^ en Boonen^_(7)_^ van elkander te scheiden. Een heel leger hulpvaardige mieren doen het voor haar. (Apuleius, Guld.~ Ezel). Z.~ beneden Klaas Kunst en Duitsche Schaper. 11"o" Faust's Tooverboek. Naar de sage bezat Faust een Tooverboek, waarin, onder meer, de kunst werd geleerd om Geesten te doen verschijnen en den Duivel te bedwingen. Veel liefhebbers der Zwarte Kunst hebben te vergeefs dit Tooverboek -- dat Hellendwang (Hgd.~ `Hllenzwang') heet -- gezocht, want zij konden den Doornstruik^_(8)_^ niet vinden, waaronder dit boek begraven ligt en die staat achter het slot Chemnitz (Saksen) aan den weg naar bet Kchwald. (Meiche, n"o" 701)._ | | ^(1)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(2)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(3)^ Panicum miliaceum L. | | | ^(4)^ Papaver somniferum L. | | | ^(5)^ Pisum sativum L. | | | ^(6)^ Vicia sativa L. | | | ^(7)^ Vicia faba L. | | | ^(8)^ Crataegus oxyacantha L.~ of Cr.~ monogyna Jacq. | k. *Klaas Kunst.* In Friesland, in het gehucht Jeslumburen onder Achlum, leefde in de 1"e" helft der 18"e" eeuw een boer, Klaas Gerrits (naar P.~ C.~ Scheltema: Klaas Gerrits Wiersma), bij het volk Klaas Kunst geheeten, omdat men hem beschouwde als Toovenaar-kunstenaar. _Dijkstra, I, 78-83, vermeldt een aantal Klaas-Kunstsagen. De volgende behooren tot de Plantlore: 1"o" Hij zicht Koren. Op zekeren morgen gaat Klaas Kunst naar de Franeker kermis. Hij moet voorbij een Koornveld, waar twee knechten aan het zichten zijn. `Gij zoudt zeker liever naar de kermis gaan dan hier staan te zichten?' vraagt Klaas. -- `Natuurlijk. Maar we moeten eerst 't geheele veld afzichten, en dt zou vor vanavond niet gedaan zijn!' antwoorden zij. -- `Komt maar jongens, ik zorg voor het zichten'. Nauw heeft Klaas dt gezegd of het Koren ligt in schooven op den grond. De knechten gaan naar huis om zich aan te kleeden en zeggen dat het Koren gezicht is; Klaas Kunst heeft dit gedaan! De boer gaat zien en vindt dat het waarheid is. Doch 's anderen daags bemerken de knechten dat het Koren dat door de kunst van Klaas gezicht scheen, weer recht stond. (Dijkstra, I, 82). 2"o" Hij gebiedt aan roeken uitgestrooid Klaverzaad op te rapen. Klaas had een groot Tooverboek dat aan een ketting lag met een slot er op. Op eenen Zondagmorgen had hij in zijn boek gelezen en vergeten het boek en de kamer, waar het lag, te sluiten. Klaas trok naar de kerk. Niemand mocht het wagen in dat boek te lezen. Maar zijn knecht was al te nieuwsgierig. vond het boek, opende het en begon te lezen. Daar hoorde hij buiten vervaarlijk vogelengekras en, door het venster ziende, bemerkte hij dat het heele erf vol zat met zwarte roeken. Nu wilde hij ophouden met lezen. maar hij kon niet, en hoe meer hij las, hoe meer roeken er kwamen. Het gelukte hem eindelijk het boek en het kamertje te ontvluchten en hij trachtte de roeken te verjagen. Maar het ging niet. Klaas werd gelukkiglijk in de kerk gewaar dat er thuis iets haperde. In het midden van de preek liep hij naar huis, berispte den knecht en las van achteren op wat de knecht van voren had gelezen. En nog waren de roeken niet vertrokken! Klaas nam twee zakken Klaverzaad^_(1)_^ uit de schuur en wierp het naar alle kanten uit, roepende: `Twee man een Korrel!' En de roeken vlogen bij paren weg en toen al het Zaad uitgestrooid en opgeraapt was, waren de roeken verdwenen. (Id.~ I, 79). Vgl.~ boven de Faustsage, 10, en beneden Duitsche Schaper. 3"o" Varkens worden schooven Stroo. Klaas verkoopt varkens op de markt te Leeuwarden; doch als de twee koopers met de varkens aan een klein door- waadbaar water komen, worden de dieren schooven Stroo. De koopers loopen naar Leeuwarden terug, vinden er Klaas die op eene bank slaapt, willen hem wakker roepen en schudden, en een hunner trekt eindelijk aan een been van Klaas: dat been blijft in zijne handen! Hij werpt het op den grond en snelt met zijn makker heen. (Id.~ 81). Het is dezelfde sage als de Faustsage 8"o", boven._ | | ^(1)^ Trifolium pratense L. | *V. Speciale schadelijke Heksenwerken in verband met de Plantlore.* In het 2"e" Hoofdstuk van dit werk werd gehandeld over echte Heksenkruiden in het algemeen, over het groot getal Planten die door Heksen en Toovenaars gebruikt worden om kwaad te stichten, of om kinderen en zelfs volwassenen te betooveren, of om bedrie- gelijke wondertoeren te verrichten. Hier wil ik spreken over eenige speciale Gewassen, die de Zwartkunstenaars benuttigen tot hunnen den mensch, het dier of de Plant schadelijken Tooverarbeid. _Zulk volksgeloof -- nl.~ dat Heksen en Toovenaars door Tooverkruiden. aan de huisdieren van anderen b.v.~, kunnen kwaad doen -- is zeer oud. Bij Burchard van Worms (C.~ 5 van Magnum Decretorum Volumen) luidt eene biechtvraag: `Hebt gij u beziggehouden met afbindingen' -- lat.~ ligaturae: ligatura is ook ndl.~ nestelknoop, zie beneden -- `en Tooverliederen en veler- hande Hekserijen, zooals nietswaardige lieden, zwijnen- en koeienhoeders en soms jagers doen, die Duivelsliederen zeggen over brood, over Kruiden en over zekere onnuttige banden, en deze dan in eenen Boom verbergen of op eenen kruisweg wegwerpen om beschermd te blijven tegen ziekte en verlies hunner kudden, of om die van anderen kwaad te doen?' Burchard van Worms stierf in 1025. (Herrmann, DM.~, 55; Roskoff, Gesch.~ d.~ Teuf~., 307-9)._ a. *Onweermaken.* Heksen en Toovenaars kunnen onweer maken en aldus mensch en Plant veel schade berokkenen. _"*" Wolf (N.~ S.~ n"r" 289) geeft ons een Audenaardsche sage, waarin gesproken wordt van Heksen die door een door haar gebrouwen donderweer de Akker- vruchten verwoesten en de sterkste Boomen vellen. Toen ik een kind was, vertelde een boer, heeft mij mijn vader dikwijls wonderlijke geschiedenissen van Toove- ressen verteld, die hij zelf gekend en met wie hij persoonlijk gesproken heeft. Op eenen dag was hij op 't veld om het Koren in te doen, als in eens een groot onweer opkwam. Hij kroop in eenen stuik -- schoovenhoop nl.~ -- en keek door een opening om te weten wanneer het weer zou opklaren. Hij zat er nog niet lang, toen een dondersteen in eenen Boom van 't nabij staande Bosch viel en hem tot op den Wortel splinterde. Verschrikt las mijn vader het Sint- Jansevangelie. Hij had hiermee nauwelijks begonnen, of twee dondersteenen vielen neer en spleten twee schoone oude Eiken^_(1)_^; en dat spel ging voort tot acht Boomen op den grond lagen. Toen eindelijk de laatste dondersteen in eenen Boom viel, hoorde mijn vader een luid gelach, als dat van vrouwen hoog in de lucht, en, een oogenblik daarna, zag hij een wijf op eenen Sperreboom^_(2)_^ en daarna op den grond tuimelen. Dat scheen hem zoo aardig dat hij stil bleef zitten om het vervolg af te wachten. Daar vlogen drie vrouwen op den Sperre- boom en hieven eindelijk de eerste op, die bewusteloos op den grond lag; zij waschten ze, totdat zij tot haarzelf kwam, en toen gingen zij weg, behalve eene, die rond de gevelde Boomen liep. 't Was een geburinne van mijnen vader. Hij kroop uit den stuik en sprak heur aan, en vroeg wat zij bij die Boomen deed. Zij verschrikte hard, want nu wist zij dat hij alles had afgeloerd. Doch zij kende hem als een stillen, zwijgenden man en zij verzocht hem toch niets van het gebeurde te vertellen, en zij beloofde hem dat zij zorgen zou dat nooit aan zijne velden en Boomen schade zou gedaan worden. Mijn vader sprak geen woord over de gebeurtenis zoolang zij leefde; maar na haren dood vertelde hij ons dikwijls van haar in de winteravonden._ Om onweer te maken gebruikten de Heksen eene Roede of eenen Tak. waarmede zij in 't water sloegen. Het was veelal een Esschentwijg^_(3)_^, waarmee zij het water kastijdden en het dwongen uit de lucht te vallen. _Dat is een sympathetisch middel, -- Die Onweersroede dragen zij gedurig in hunnen boezem. (Knortz, 5). Een meisje uit het Alpachdal (Tirol) vond, eens dat zij naar de Alm ging, zulk Essehenrijs en raapte het onbedachtzaam op. Zij kwam aan een gracht vol sneeuwwater, waarin Vorschbroeisel en Wegnarren ("=" Triton's of Sala- manders) zwommen en, om deze diertjes te verschrikken, sloeg zij met de Roede in het water. Daar kwam plots een onweer op en het hagelde schromelijk. Deze Esschenroede was aan de handen eener Heks ontvallen! (Alpenburg: Alpensagen, 16; Perger, 307; Rel u.~ Bohnh.~ 42). Hierop doelt misschien ook Vintler (Blume der Tugend, 60) als hij schrijft: Velen zeggen dat de Heksen kunnen onweer maken, en den regen doen heen en weer keeren. Om regen voort te brengen bedient zich de Heks van eenen Twijg of Staf. Doch Vintler noemt de Plantsoort niet. (Herrmann, DM.~, 63)._ Of zij sloegen het water met eenen Hazeltwijg^(4)^. _Knortz, 5. -- Om te doen regenen slaat de Tooveres het water van eenen poel met Hazelroeden. (Wallonia, 1906, 253)._ | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Picea vulgaris L. | | | ^(3)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(4)^ Corylus avellana L. | Matthiolus zegt dat de Onweermakers den Zevenboom^(1)^ gebruiken. _Shns, 45._ Om te doen donderen bezigde men ook de Savie^(2)^. _Men doet Savie in een glazen flesch en laat de Plant onder mest rotten. Er in ontstaan wormen. Zoo men deze verbrandt en de asch in het vuur werpt, hoort men een donderslag. (Mag.~ nat.~, 76). Doch, naar Sprenger, moet deze rotgeworden Savie in een bron worden geworpen; hij citeert Albertus Magnus: `Dicit enim Albertus, de proprietatibus rerum, quod Salvia putrefacta, variis modis, ut ibidem ponit, si, proiecta fuerit in fontem, mirabiles concitabit in are tempestates'. (Sprenger: Malleus malef.~ qu.~ II; Wolf, N.~ S.~, blz.~ 694)._ In de volgende sage wordt er gewag gemaakt van een storm- verwekkende Heks, doch men zegt niet hoe zij den storm ver- oorzaakte. _Onweermakende Heks kromt den kerktoren, een schaper zet hem weder- recht. Eene Heks laat een geweldigen storm over het dorp Ahorn (bij Koburg in Duitschl.~) los; de storm is zoo hevig dat de toren der kerk van O.~ L.~ Vrouw krom gebogen wordt. En om dien krommen toren worden nu de inwoners van Ahorn hevig bespot door die van de omstreek. Een schaper -- schapers zijn in de sagenliteratuur slimme kerels -- biedt zich aan om de zaak te verhelpen. Hij bevestigt aan den toren en aan eene Spar^_(3)_^ een lang Hennipen^_(4)_^ touw van twee duim dik, en door middel van een en `Bindnagel' en onder 't murmelen van magische woorden, trekt hij den toren weder recht. De sage werd opge- teekend in het Kerkeboek van Ahorn en het touw staat nog op den kerkvloer verbeeld. In het midden der 19"e" eeuw zag men nog op den bergrand die sterke Spar. (Nork, Myth.~ VS.~ 894; naar Bechstein, Sagen des Grabfeldes, n"r" 72)._ De Heksen konden ook onweer brouwen in hunnen Toover- ketel. Zij gebruikten hiertoe negenderlei Kruiden. _Die negen Kruiden zijn: de Alant^_(5)_^, het Lieve-Vrouwebedstroo^_(6)_^, de Averone^_(7)_^, de Bijvoet^_(8)_^, de Alsem^_(9)_^, de Valeriane^_(1O)_^, het Boelkens- | | ^(1)^ Juniperus sabina L. | | | ^(2)^ Salvia officinalis L, | | | ^(3)^ Abies excelsa DC. | | | ^(4)^ Cannabis sativa L. | | | ^(5)^ Inula helenium L. | | | ^(6)^ Galium verum L. | | | ^(7)^ Artemisia abrotanum L. | | | ^(8)^ Artemisia vulgaris L, | | | ^(9)^ Artemisia absinthium L. | | | ^(10)^ Valeriana officinalis L. | kruid^_(1)_^, de Reinvaan^_(2)_^ en de Alfsrank^_(3)_^, waarvan alleen de laatste als giftig kan beschouwd worden. Aldus bij Perger, 71 (naar Schindler, Abergl.~ 160). Reling en Bohnhorst noemen drie Planten, waarmee de Heksen onweer brouwden: de Europeesche Zonnewende^_(4)_^, het kwaadaardige Bilzenkruid^_(5)_^ en het heilkrachtige IJzerkruid^_(6)_^. Schmeller insgelijks haalt een ouden tekst aan, waarin het regenvoortbren- gende Bilzenkruid voorkomt: `Zauberei um Regen zu bekommen cum herba jusquiamo, quae teutonice bilisa vocatur'. (Roll.~ VIII, 96). Ontstond een lang- durlge droogte, zoo doopte men een Bilzenstengel in een bron en besproeide daarmee het zongloeiende zand. (Perger, 181; naar Montanus, 141, 6). Heksen gebruikten hiertoe nog de roode bessen van Hulst^_(7)_^; rood en ros was de kleur van Thor, den Dondergod. (Perger, 255)._ De bezem -- vooral die van Brem^(8)^ (of Genst) -- is een geliefd tuig van de Tooveressen; hij is het symbool van den wind en met hem vegen zij storm en hagel bijeen. _Vgl.~ This. 59; Kelly, Indo-European Folklore, 225-7._ Hierop steunt wellicht een gebruik van de Hamburgsche zeelieden: Als zij lang moeten strijden met tegenstrijdig en wind en zij een schip ontmoeten. dat in tegenovergestelde richting vaart, hangen zij vor hun vaartuig een ouden Genstbezem. _Zij hopen daardoor den wind van richting te doen veranderen. (This, 59; Grimm, D.~ M.~; Hardwick, Traditions, Superstitions, and Folk-lore; 117)._ De Indianen van Peru verzamelden zweet van eenen grijsaard, vermengden het met ganzebloed en het sap van zekeren Wortel en wierpen alles in de lucht om regen te bekomen. _De Wortel werd niet genoemd. (Wolf, N.~ S.~, p.~ 693; naar C.~ Stiltillius: Epist.~ peruan.~, anno 1590, 1591). Eveneens een sympathetisch middeltje._ Om te doen regenen gieten de inwoners van de Molukka- eilanden het water dat zich zamelt in de ascidin van de Beker- plant^(9)^ op den grond uit. _Steunt op sympathie. Z.~ Mrat en De Lens, Dict.~ art.~ Nepenthes._ | | ^(1)^ Eupatorium cannabinum L. | | | ^(2)^ Tanacetum vulgare L. | | | ^(3)^ Solanum dulcamara L. | | | ^(4)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(5)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(6)^ Verbena officinalis L. | | | ^(7)^ Ilex aquifolium L. | | | ^(8)^ Sarothamnus scoparius Koch. | | | ^(9)^ Nepenthes destillatoria L. | Een ander sympathetisch middel om regen te bekomen is iemand met water te overgieten of te besproeien; want vallend water lokt vallend water. _Overoud, zegt Herrmann (D.M.~ 56-57), is het gebruik een met Loover bekleeden man (of meisje) met water te begieten om hierdoor het hemelsche water naar beneden te tooveren. Burchard van Worms vermeldt dat de meisjes -- in Hessen en aan den Rijn -- het kleinste onder haar ontkleedden, met Loover omhulden en er mee gingen waar Bilzenkruid^_(1)_^ groeide. Hier rukte het omlooverde meisje een dezer Planten met den pink van de rechterhand uit en men bond het uitgerukte Bilzenkruid aan den kleinen teen van haren rechtervoet. Zoo werd het kleine kind naar de naaste beek gevoerd en er, onder het zingen van Tooverliederen, besprenkeld door middel van Bladerbossen die de andere meisjes in de hand hielden. Daarna trokken allen ruggewaarts, naar huis en dra kwam de regen. (Mone, Nord.~ Heidenth.~ II, 417; Perger, 182; Herrmann, 57 en 422). Dat ge- beurde nog in de 10"e" eeuw._ Als 't stormt en dondert, blazen de Heksen in Stroohalmen. _Aldus in Kamten (Wuttke, 121-2)._ Een zonderling volksgeloof. betreffende de Mandragora^(2)^, heerscht in dp.~ Corrze (Frankr.~). _Het Erbo dey motoco -- dat is aldaar de naam dezer Tooverplant -- groeit in zekere weide bij Tulle. Indien men onwillens de Plant met het Gras afmaait, begint het te regenen; verlangt men regen, zoo gaat men eenige Takjes van dit Kruid afsnijden. (Roll.~ VIII, 127). Hierbij mag vergeleken worden, wat de Bretoenen beweren over de Drudische Selago^_(3)_^: deze Plant -- ook in Belgi groeiende -- heet in 't En- gelsch Cloth of Gold (Kleed van Goud) en mag niet met eenig staal worden afgesneden, anders wordt de lucht duister en eenig ongeluk is op handen. (This.~ 197)._ b. *Melk stelen of bederven.* De Heksen verstonden de kunst om de melk van de koeien van eenen gebuur te stelen of te bederven. Vele sagen en gebrui- ken zijn dienaangaande in omloop en wat hier volgt behoort speciaal tot het gebied der Plantlore. Een Tiroolsche Heks tooverde de melk der koeien in steenen en Boomen. | | ^(1)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(2)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(3)^ Naar This.~: Lycopodium selago L.~; doch vgl.~ boven. | _Door Hekserij kwam de melk van den koeienuier direkt in steenen of Boomen. En als de Heks melk voor haar gebruik noodig had, molk zij eenvoudig de Twijgen dezer Boomen of drukte zij op eenen dezer steenen. De koeien, wier melk zij aldus roofde, gaven intusschen den eigenaar niets dan bloed. Deze Heks werd gevangen genomen en tot den brandstapel gedoemd; doch in de vlammen vervroos zij in stee van te verbranden. Men wierp ten slotte gewijde Kruiden in 't vuur en aldus gelukten de vlammen er in haar te verslinden. (Knortz, 22)._ Een Hessische Heks bekende dat zij des nabuurs koe met het Roedje had geslagen, ten einde de melk van het dier meester te worden. _Dat gebeurde in 1596. Zij had de Koe met het Roedje op St.~ Walpur- gisnacht (1 Mei) geslagen, in des Duivels naam, en zoo kon zij, buiten de wete van den gebuur, het gansche jaar de koe melken. (Mannh.~ BK.~, 272; naar Zs.~ f.~ D.~ Myth.~ II, 72)._ In Vende (Frankr.~) stak men onder de staldeur van den gebuur 5 of 7 Hazelroedjes^(1)^. _Daarna sleepte men deze Roedjes naar huis. (Revue d.~ Tradit.~ pop.~ 1907, 32)._ Eene Heks uit de Bovenpalts (Duitschl.~) bezigde tot zulk Tooverwerk eenen Elzetak^(2)^. _Om melk van eens andermans koe te verkrijgen, gaf zij deze drie slagen met zulken Twijg onder het uitspreken van zekere Tooverwoorden. (Mannh.~ BK.~, 272; naar Schnwerth: Aus der Oberpfaltz, I, 335)._ Tot het melkstelen gebruikte eene Schotsche Heks de Stengel- toppen van de Waterkers^(3)^. _Het is niet lang geleden, vertelt Gtmeron (Galic Names of Plants, p.~ 109), dat, op eenen Meimorgen, een oud vrouwtje bij eene bron en met eene schaar de Toppen van de Waterkers afsneed; dit doende murmelde zij zonderlinge woorden en ook de namen van personen die koeien hadden; onder andere zei zjj: `De helft van 't uwe is 't mijne!' Zij herhaalde deze laatste woorden telkenmale zij een Topje afsneed: dat Topje verbeeldde den persoon wiens melk en room zij wilde stelen. (Roll.~ I, 236)._ Het volgende Toovermiddel benuttigt vier Stroohalmen van Tarwe^(4)^. | | ^(1)^ Corylus avellana L. | | | ^(2)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(3)^ Nasturtium officinale L. | | | ^(4)^ Triticum vulgare Vill. | _En daartoe hoeft men Heks noch Toovenaar te zijn! Men neemt vier Tarwebalmen van 't jaar en men laat ze zegenen op Allerzielendag; daarna houdt men zich schuil en neemt men de benedictie waar, die een priester om de een of ander reden geeft. Vervolgens gaat men, te middernacht, vor de kerkhofdeur, als de maan aan 't minderen is; en men evokeert de ziel van iemand die zonder biecht is gestorven, en wen bezweert ze dat ze ter hulp kome en den melksteler vergezelle naar den stal waar de koeien staan. Op den stal- dorpel legt men ze, des anderen daags, op het uur van Saturnus of van Mars, in het voedsel der beesten, wier melk men stelen wil. Gedurende de acht volgende dagen zal men de begeerde melk in bezit krijgen. (Legran, Sc.~ et M.~, 105)._ Het was een verboden Heksenwerk, in den schoorsteen, zeker Kruid te hangen en te drogen, om aldus de melk in den uier der koeien te doen verdrogen. _Thiers, I, 134. De schrijver noemt het Kruid niet. Een sympathetisch Heksenwerk is 't. Zie nog bibliographische aanteekeningen bij Wolf, N.~ S.~ 694._ c. *Invultatie en soortgelijke Heksenwerken.* Afwezigen konden gepijnigd en gedood worden door magi- sche middelen: dat noemde men invultatie (middellat.~ invultatio, z.~ Du Cange; fr.~ envotement., z.~ Littr). Tot dit doel gebruikte men vooral de tooverkrachtige Hazel- roede^(1)^. _Wie eenen afwezige ferm wil afranselen, gaat op Goeden-Vrijdag vor zonsopgang naar buiten en snijdt (met het gelaat naar bet Oosten gericht en zonder te spreken of aangesproken te worden, in naam van den drieenigen God) met drie sneden den Hazelstok af. Dan neemt men een oud kleedingstuk, spreekt er over uit den naam van den persoon dien men wil aframmelen, en slaat met den Hazelstok er op los, zoolang men kan of wil. (Perger, 245). -- Eens stond een herder -- 't gebeurde in Zwabenland -- op zijnen Hazelstok geleund, toen een troep soldaten voorbijtrok. Een dezer, die een goed schutter was, schoot den staf van onder den herder weg, zoodat deze, daarbij nog erg bespot, op den grond viel. De schaper zei geen woord; doch toen de soldaten heen waren, deed hij zijnen kiel uit en sloeg er ferm op met zijnen Hazelstok: zoo werd de scherpschutter erg afgepriegeld en men hoorde wel een kwartier ver zijn geschreeuw en het hoongelach zijner kameraden. (Perger, 245; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 72; E.~ Meier: Deutsche Sagen, Sitten und Gebruche aus Schwaben, l, 245). | | ^(1)^ Corylus avellana L. | Naar Wuttke, 16, moet de Hazelroede op St.~ Jansnacht afgesneden worden. -- Knortz, 6, beweert dat men zulks op Sinksendag moet doen: naar ~'t volksgeloof gaat de Zon alsdan driemaal op. Wie nu vor den derden zons- opgang met en messnede drie kruisen in de schors van eene Hazelroede maakt en deze daarna met drie sneden glad van den Stam afsnijdt, bezit een Toover- stok, waarmede hij ver-zijnde vijanden kan afpriegelen: hij neemt een kleedingstuk van het lichaamdeel, waarop hij den, vijand wil slaan, en de afwezige zal elken slag hierop gegeven op het bedoelde lichaamsdeel ontvangen. Erger nog: zoo men den afwezige zelfs wil kwetsen of hem eenig lichaams- deel ontnemen, snijdt men, op eenen Zondag vor zonsopgang, een jarigen Hazeltwijg, buigt hem onder het snijden neder en spreekt tot hem: `Ik snijd u in naam van mijnen vijand, dien ik verminken wil'. Daarna gaat men naar huis, legt den Hazeltwijg, in naam van de Drievuldigheid op een Eiken tafel, neemt een scherp mes en doorkerft den Tak, murmelend: `Bald-bleuein-droch- mirroch-betu-baroch-assa-maroth! De H.~ Drievuldigheid straffe hem, die mij dit kwaad heeft gedaan, en late hem niet toe het nogmaals te doen. Eson-elion- emasis-ales erge!' (Perger, 246; naar Montanus, 117, b.~)._ In Frankrijk verbrandt men een Houtmutsaard met Wierook en Witten Aluin. _Na den mutsaard in brand gestoken te hebben, zegden de folteraars (ik geef hier de Fransche tooverformule, naar Thiers, Sup.~ I, 137); `Fagot, je te brle; c'est le c"oe"ur, le corps, l'me, le sang, rentendement, le mouvement, l'esprit de N... N...' (hier de naam van den persoon die moet gepijnigd worden) `qu'il ne puisse demeurer en repos jusqu' la moelle de ses os, par la terre, par le ciel, par l'arc-en-ciel, par les douze lignes, par Mars, Mercure, etc.; au nom de tous les diables, va, fagot, va procder et brler le corps l'me, le sang, le mouvement, l'esprit et rentendement de N... N..., qu'il ne puisse rester en place, ni parler personne, ni reposer, ni monter cheval, ni rivire passer, ni boire, ni manger, jusqu' ce qu'il soit venu accomplir mon dsir et ma volont, quanto, quio, garoco'. Terwijl het Hout brandt en vor de band gesprongen is, gieten zij er driemaal wijn op met zout vermengd en zeggen: `Ourne tourne!' Zulke mutsaard moet verbrand worden op onpare uren van den dag of van den nacht, en indien de afwezige niet genoeg gepijnigd en bedwongen wordt door het verbranden van enen Houtbundel, verbrandt men er negen, telkenmale drie op en dag. Eenigen koopen den mutsaard zonder echter een woord te spreken; ofwel 9, 11, 13 of 15 kaarsen en zeggen terwijl zij branden: `Ce n'est pas pour vous que je brle, c'est le sentiment, le mou- vement, les bras, les jambes, etc. de N... N..., etc.' (Thiers, Sup.~ I, 138)._ Men kan ook `envoteeren' met gewijde Palmtakken (liever Buksboomtakken^(1)^). | | ^(1)^ Buxus sempervirens L.~, althans in Frankr.~ en in ons land. | _Om een afwezende te pijnigen neemt men een stuk gekonsakreerd vet spek van de grootte van een ei; men steekt er spelden in, een dertigtal zonder ze evenwel te tellen, terwijl men bij iederen steek de magische woorden uitspreekt: `Eenmaal vassis atatlos; tweemaal vassis atatlos; enz.' Als het steken gedaan is, legt men er op kruisgewijs twee gewijde Palmtakken en men begraaft alles in onbebouwden grond. (Legran, Sci.~ et Mag.~, 62)._ Soms gebruikt men een Cipres twijg^(1)^. _Bij de eerste ontmoeting volgt men zijnen vijand, en men laat eenen steen vallen op het stuk grond dat door zijne schaduw bedekt is, juist op het oogenblik dat hij naar het Zuiden toegaat. Dan wacht men tot de vijand zich heeft verwijderd en men zoekt een der nagelaten indrukken van zijnen linker- voet. In dezen voetindruk trekt men met eenen Ciprestak, dien men met een gekonsakreerd mes heeft gescherpt, eene streep in de lengte en eene streep in de breedte, en dat herhaalt men tot men er zes heeft. Men raapt het aldus gevormde mul op; men legt het in een blad van maagdenperkement, en men herbegint in eenen anderen indruk van den linkervoet tot driemaal toe. Met dit mul of stof gaat men naar huis; men ontsteekt er een vuur, op den dag en het uur van Mars en op eenen avond van de nieuwe maan, en men werpt er het ingezamelde stof in: een ongeluk zal den vijand overvallen! En indien bij dit in 't vuur werpen, het mul sprankelt, zal hem een doodelijke ziekte of een doodelijke ramp overvallen. (Legran, Sci.~ et M.~, 132)._ Peterseliewortel^(2)^ is ook een invultatieplant. _Indien men een Peterseliewortel uit den grond rukt en hem, in naam van den persoon dien men haat, opnieuw plant, zoo werd deze ziek en sterft. Op zulke duivelsche wijs heeft menige man zijne vrouwen menige vrouw haren man onder de graszode gebracht. Aldus in Pommeren. (Perger, 203, Rel.~ u.~ Bohnh.~, 329; naar Curtze). Zulk volksgeloof bestaat ook in Engeland. John Jonas, uit Glocester, vertelt dat, in zijnen tuin, een werkman beslist weigerde Peterselie te verplanten. Op herhaald aandringen verklaarde de man, dat hij de Peterselie wel wilde uitrukken en vernietigen, doch ze opnieuw planten kon en wou hij niet, en niemand uit de omstreek of uit de verte kende hij, die de gevolgen van zulke vermetele daad op zich zou willen laden. Aldus C.~ Sterne (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 329-30)._ In Saksen werden Dorant^(3)^ en Wederton^(4)^ tot dergelijk misdadig doel gebezigd. _Heks Elisabeth Hanitzschin werd in 1640 te Dresden levend verbrand. | | ^(1)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(2)^ Petroselinum sativum Hoffm. | | | ^(3)^ Hgd.~ `Dorant' "=" Antirrhinum orontium L.~: eenigen nemen er voor | Gentiana campestris L.~ en G.~ pneumonanthe L. | | | ^(4)^ Hgd.~ `Wiederthon' "=" Steenbreekvaren, Asplenium trichomanes L. | Zij had met de hulp van eenen duivel die Hoofdman Meden heette, een kwastje van eenen handdoek en een stukje van den hoek eener tafel die zekere tafel- en stoelmaakster behoorden, bekomen en dt alles met een spaander van de galg, met voor drie penningen `Dorant' en voor drie penningen `Wiederthon', en met rundsbloed, in duivelsnaam, in eenen pot gedaan, dezen op 't vuur gezet en den inhoud omgeroerd, terwijl zij, altijd in duivelsnaam, zei: `Hoofd- man Meden moet die stoelmaakster bezoeken en medenemen!' Waardoor deze en haar man gebrekkelijk zijn geworden. (Meiche, n"r" 633)._ Zelfs Gras was een sympathetisch foltermiddel. _Wilde men eenen afwezige schade en ziekte toebrengen, zonder dat hij bevroeden kon vanwaar de oorzaak kwam, zoo stak men eene Graszode uit, waarop de benadeelde een tijdje lang had gestaan; en men hing ze in den schoorsteen of lei ze achter den haard. De afwezige bleef zoolang ziek als de Graszode er hangen of liggen bleef: het langzaam verdorren van het Gras werd parallelisch beantwoord door het langzaam vergaan van den vijand. Aldus in Oost-Friesland en in den Bovenpaltz (Wuttke, 120; Perger, 89, naar Schindler, Abergl.~, 166; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 371; Herrmann, D.~ M.~, 56)._ Het openbarsten ener Paardeboon^(1)^ bracht het barsten van den afwezige teweeg. _Ziehier wat men in Frankrijk deed om eenen dief te ontdekken en hem te straffen: men wierp eene Boon in den eersten put dien men tegenkwam; barstte de Boon in 't water, zoo moest ook de dief barsten. Dikwijls was 't vol- doende den vermoedelijken roover met de gebarsten Boon te bedreigen. (Roll.~ IV, 234; naar Rgis de la Colombire: Cris populaires de Marseille, 1868, p.~ 280). Ofwel men wierp de Boon in de olie van de lamp, die brandde vor het autaar van St.~ Antonius van Padua -- zooals men weet de heilige voor verloren of ontstolen zaken --; de Boon die barstte, deed den dief kennen; eenigen zelfs geloofden dat zij den dief deed sterven. Dat werd zoo vaak gedaan, dat men zich genoodzaakt vond de lamp zeer hoog en buiten het bereik van het bijgeloovig volkje te hangen. (Idem)._ In Marseille gebruikt men nog eenen Appel^(2)^ om eenen vijand te pijnigen. _Men neemt eenen Appel, steekt er rondom spelden in; zooveel spelde- prikken er zijn, zooveel steken krijgt den vijand in zijn hart, zoodat hij weldra bezwijkt. (Roll.~ V, 87; naar Rgis de la Colombire: Cris, p.~ 281)._ De magische Mandragora^(3)^ en haar vervanger de Wilde Wijngaard^(4)^ werden insgelijks door de folteraars aangewend. | | ^(1)^ Vicia faba L. | | | ^(2)^ Malus communis Poir. | | | ^(3)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(4)^ Bryonia dioica Jacq. | _Men neemt den Wortel van Mandragora of dien van Bryonie, die 't onkundig volk voor Mandragora aanschouwt, en maakt daarmee een leelijk beeld dat men foltert en dat den persoon verbeeldt, dien men schade of pijn wil toebrengen. Aldus in Engeland. (This.~ 65; naar Coles: Art of Simpling)._ Door middel van eenen Wilgetak^(1)^, waarin men eenen knoop maakt, kan men iemand doodknoopen. _Aldus in Hessen (Wolf, Hess.~ sagen; Wuttke, 120; This.~ 278). -- Wie zulke Wilgeknoopen, of aan Boomen gebonden strikken of Stroozeelen losmaakt, wordt zelf geknoopt. Aldus in Silezi (Wuttke, 120)._ De Esp^(2)^ of Sidderpopulier is een Invultatieboom. _In Oost-Pruisen gebruikt men hem om eenen onbekenden dief te straffen. Men legt een bij toeval bewaard deel van het gestolen goed van onder in den haard en men brandt er, op een Donderdagavond, Espenhout in: aldus wordt de dief zelf gebrand. Of men steekt het bewaarde deel in een gat van eenen Espenboom en doet de opening met eene wig toe: de dief zal sidderen als een Espebiad. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 45-6)._ Een Fransch Toovenaar bediende zich van eenen Vliertak^(3)^ om te invulteeren. _Hij leefde in de omstreek van Besanon. Wilde hij iemand (mensch of dier) buikloop aantooveren, zoo verschafte hij zich de fecalin van den mensch of van het dier, deed er een weinig van in een Vliertwijg, waaruit hij het merg had genomen, legde dezen Tak vast in een loopend water onder het uitspreken van zeker Toovergebed; zoolang het water door den Vliertwijg liep, zoolang had de mensch of het beest den buikloop. (Roll.~ VI, 282)._ Ook de Witte Hagedoorn^(4)^ kon hiertoe benuttigd worden. _Men kon met Hagedoom afwezigen schieten. Dergelijk folterend schot heette Heksenschot (hgd.~ `Hexenschuss') en men bedoelde er door wat de geneesheer `lumbago' noemt. Een Saksische Heks en haar twee dochters hadden voor zulk Heksenschot het volgende gedaan: zij namen Witten Hagedoorn en drie gele spelden, wonden alles in een zwart stukje leder en wierpen dat vor de huisdeur van hunnen vijand zeggende: `Gij hebt mij geschoten: ik schiet u ook in dezes of genes naam!' (Meiche, n"r" 631). Doch Heksen zelf konden worden geslagen door Hagedoom. Wil men, zegt Wuttke (n"r" 293) eene Heks die eene koe heeft betooverd, eens ferm afranselen, zoo laat men de koe in eenen zak zeiken en men slaat dezen met een Doornbussel._ | | ^(1)^ Salix-soorten. | | | ^(2)^ Populus tremula L. | | | ^(3)^ Sambucus nigra L. | | | ^(4)^ Crataegus oxyacantha L.~ en C.~ monogyna Jacq. | Gerst^(1)^ en Rijst^(2)^ komen voor in het volgende folterwerk. _Hiertoe moet de invultator zich als volgt voorbereiden: Hij maakt, gedurende veertien dagen, een mengsel van warm water en gewijd Gerstemeel; de drie eerste dagen doet hij in 't water drie grepen Gerstemeel, de drie volgende twee, de zes laatste en; zoo heeft men een en twintig grepen, een fatidisch getal. Iederen dag, drinkt men, in ene teug, het mengsel uit. Den dertienden dag tracht men den vijand een schotel Rijst te doen eten en dt zoo vroeg mogelijk, en, na hem vermaledijd te hebben, zet men hem het eten vor in een schotel, waaruit een zeer hongerig mensch heeft geten en waarin, zoo mogelijk, eenig overschot van wat die mensch at, is gebleven. Na den maaltijd werpt men de rest van de Rijst in eenen vijver waar veel visschen leven: indien deze nader komen en om de Rijst strijden, zal het gelukken van het werk volmaakt zijn; en de vijand zal erge buikpijn krijgen en misschien sterven. (Legran, Sci.~ et M.~, 133-4)._ Een Saksische Toovenaar invulteerde een schaapherder door middel van de Negenderhande Kruiden. _Te Sebnitz woonde een boschwachter en een schaper. Beiden waren Too- venaars. De boschwachter weigerde zijn dochter ten huwelijk te geven aan den herder. Deze wreekte zich door zijne Tooverkracht: de boschwachter kon geen beet meer eten en leed afgrijselijken honger; doch hij merkte algauw wie hem dat leed had aangedaan, en hij zond zijne vrouw naar Pillnitz. Daar zou zij, op een Elbeiland, eenen pot vinden. Dezen moest zij nog vor zonsondergang naar huis brengen en met den tuil van de Negenderhande Kruiden voor hem in den pot eene soep koken. 't Werd alzoo gedaan, en de man at met gretigheid en lust de soep uit. 's Anderen daags ging hij uit, en hij vond op den grond den schaper liggen, die huilde van dorst, want hij kon geen droppel vocht binnen- krijgen. Bij 't zien van den spottenden schaper wist nu de boschwachter dat hij de zwakste was; hij bad om vergiffenis, en de betoovering werd weggenomen. Beiden verzoenden zich. (Meiche, n"r" 722). Die krachtige negenderhande Kruiden waren, naar Perger, 45: 1"o" De Alant^_(3)_^, nog Odinskop geheeten; de Plant is het beeld der Zon, en zij moest in 't midden van den Negenkruidigen Tuil staan; 2"o" Het Boelkenskruid^_(4)_^, ook Hertskruid geheeten, want verwonde herten genezen er zich mee; 3"o" De Keltische Valerlane^_(5)_^; 4"o" De Bijvoet^_(6)_^; | | ^(1)^ Hordeum vulgare L.~ en andere gekweekte soorten. | | | ^(2)^ Oryza sativa L. | | | ^(3)^ Inula helenium L. | | | ^(4)^ Eupatoria cannabina L. | | | ^(5)^ Valeriana celtica L. | | | ^(6)^ Artemisia vulgaris L. | 5"o" De Averoone^_(1)_^; 6"o" De Alsem^_(2)_^; 7"o" Het echte Walstroo^_(3)_^; 8"o" De Alfranke^_(4)_^; 9"o" Eindelijk de Reinvaan^_(5)_^, die men soms Moeder-Godsstaf noemt. Z.~ be- neden Antimagische Flora._ Dat ook wilde volkeren invultatie kennen, zal wel niemand verwonderen. _Als de St.~ Regis-indianen (Amerika) iemand wilden krank maken, sloegen zij eenen Houtnagel in den aardbodem of in eenen Boomstam: hun slachtoffer werd ziek en leefde maar zoolang als de Nagel duurde. (Knortz, 39)._ Met dit folteren, ziek maken of dooden op verren afstand, staat de zoogenaamde Nodatie of het Nestelknoopen (hgd. `Nes- telknpfen', fr.~ `nouer l'aiguillette') in verband: door eenen Knoop in een nestel of snoer te maken. maakte men het `koren' of de vleeschelijke verzaming onmogelijk. De Plantlore leert ons dienaangaande: Eenigen werpen zekere Kruiden op den weg, dien de geknoop- te volgen moest of vor de deur van zijn huis. _J.~ Scheible: die gute alte Zeit, I, blz.~ 204, (Band VI des Klosters), naar Harsdrfer: Schauplatz lust- und lehrreicher Geschichten, I, 211-214. Die Kruiden werden evenwel niet met hunnen naam aangeduid._ Of men deed hem, buiten zijn wete, Zuring zaad^(6)^ over zich dragen. _Doch dat Zuringzaad moest gezameld worden door eenen knaap die nog geene vrouw had bekend. (Idem). Verscheidene tegenmiddelen zijn niettemin bekend. Z.~ beneden Antimagische Flora._ d. *Tooverdranken.* De Tooveressen en de Heksenmeesters brouwden Tooverdran- ken, die zij menschen of dieren ingaven, ten einde ze te schaden | | ^(1)^ A.~ abrotonum L. | | | ^(2)^ A.~ absinthium L. | | | ^(3)^ Galium verum L. | | | ^(4)^ Solanum dulcamara L. | | | ^(5)^ Tanacetum vulgare L. | | | ^(6)^ Rumex acetosa L. | (zelden om hun goed te doen). Soms gebruikten zij die Wonder- dranken voor henzelf. In zulke brouwsels vermengden zij allerlei giften, dus ook veelal Giftplanten (en soms Heilkruiden). Zij benuttigden hiertoe giftige Zwammen^(1)^. _Zij trokken er uit het bijtend en narkotisch sap. (Lvy, H.~ M.~, I, 326)._ En de drie giftige Solanaceen: Bilzenkruid^(2)^, Steekappel^(3)^ en Zwarte Nachtschade^(4)^. _Over het gebruikte Bilzenkruid z.~ Prahn, 130: vor hun vertrek naar den Sabbat dronken de Heksen eenen Tooverdrank met Bilzenkruid bereid. De Zigeuners bereidden hun Tooverdranken met Steekappel (Prahn, 149); zoo deed ook Ben Jonson's Tooveres in Masque of Queens. (This 64, vgl.~ Lvy, H.~ M.~ I, 326). Deze zelfde Tooveres zegt dat zij voor haar Tooverdranken Zwarte Nachtschade plukt. (This.~ 63 en 64)._ Ook nog schadelijke Monnikskap^(5)^. _Dat verklaart bovengenoemde Engelsche Heks bij Jonson (l.~ c.~; This.~ 63, 64)._ En de uiterst giftige Scheerling^(6)^. _This.~ 64._ En de soorten van Wolfsmelk^(7)^. _Heksen kookten het witte Sap van deze Planten en verdronken er in ser- penten (adders en aspik's); Lvy, H.~ M.~ I, 327._ In de Perzik-^(8)^ en Amandelkernen^(9)^ huist een subtiel gift; daarom gebruiken Tooveressen deze Zaden in hunne Too- verdranken. _Dat gift is het Pruisisch-zuur (fr.~ `acide prussique'. Lvy, H.~ M.~ I, 326._ | | ^(1)^ Fungi. | | | ^(2)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(3)^ Datura stramonium L. | | | ^(4)^ Solanum nigrum L. | | | ^(5)^ Aconitum napellus L. | | | ^(6)^ Conium maculatum L. | | | ^(7)^ Euphorbia L. | | | ^(8)^ Amygdalus persica L. | | | ^(9)^ Amygdalus communis L. | Ja, zij doen er in het gift van de twee uitheemsche Wolfs- melkachtigen: den Mancenillenboom^(1)^ en den Maniokwortel^(2)^. _Lvy, l.~ c._ Doch werden ook eenige niet giftige Planten in Heksendran- ken aangewend. nl.~ Adderstong^(3)^ en Maanvaren^(4)^. _Ben Jonson's boven reeds vermelde Heks zegt dat zij voor hare dranken deze twee mystische en magische Varens plukt. (This.~ 64)._ En overigens ook Donderbaard^(5)^ en rechtstandige An- doorn^(6)^. _Z.~ hierover Perger, 145 en 168. Donderbaard moest op eenen Donderdag (den dag van Thor) geplukt worden._ Porta geeft het volgende recept voor het samenstellen van een giftigen Tooverdrank. _Het was Alexander Borgia's gift, zegt hij. Neem een groote pad en sluit ze met adders en aspik's in eene bokaal, geef deze giftdieren, als voedsel, en gedurende eenige dagen, alleen Giftzwammen^_(7)_^, Vingerhoedskruid^_(8)_^ en Scheer- link^_(9)_^, folter deze dieren met ze te slaan, te branden, enz.~ totdat zij van honger en woede sterven; bepoeier ze dan met gestooten kristalschuim^_(10)_^ en Wolfs- melk^_(11)_^; doe alles in een welgesloten retorte-kolf; en slorp langzaam, door vuur, er alle vocht uit; laat eindelijk verkoelen. Zoo bekomt gij twee toover- dranken: een vloeibare en een droge poeiervormige. De eerste drank is zoo verschrikkelijk als de Aqua Toffana^_(12)_^; de tweede doet, op eenige dagen, alle levend wezen uitdrogen of oud-worden; het sterft in de ijselijkste pijnen. (Porta: Mag.~ nat.~; Lvy, H.~ M.~ I, 328-9)._ In de Vlsungasage wordt gemeld dat Gunnar aan Goedroen een Tooverdrank ingeeft die haar alle onderstane beleedigingen doet vergeten. | | ^(1)^ Hippomane mancenilla L. | | | ^(2)^ Iatropha manihot L. | | | ^(3)^ Ophioglossum vulgatum L. | | | ^(4)^ Botrychium lunaria L. | | | ^(5)^ Sempervivum tectorum L. | | | ^(6)^ Stachys recta L. | | | ^(7)^ Fungi. | | | ^(8)^ Digitalis purpurea L. | | | ^(9)^ Conium maculatum L. | | | ^(10)^ Nl~. schuim hetwelk boven kristal of glas, dat gesmolten is, komt zwemmen, | nog anatron geheeten. Mrat en De Lens, Dict.~ (s.~ v.~ cume of sel de verre). | Dat schuim werd vroeger in de geneeskunde gebruikt. | | | ^(11)^ Euphorbia-soorten. | | | ^(12)^ Gift dat in de 16"e" en 17"e" eeuwen in Itali vermaard was en arsenik bevatte. | _Deze drank was vermengd met vreeselijk krachtige stoffen, met meewater en met het bloed van Goedroen's zoon, en in den drinkbeker waren allerlei Runen gesneden en met bloed geroodverfd, gelijk hier gezegd wordt: Waren in den horen Allerlei Runen Gesneden en geroodverfd; Niet kon ik ze raden: De lange lindworm Van 't land der Haddingen, Ongesneden Aren, Ingang der dieren^_(1)_^. Er was in den biere Veel boosheid te zamen: Sap aller Boomen En verbrande Eikels^_(2)_^, Dauw der aarde^_(3)_^, Offers-gedarmte; Gezodene Zwijnslever, Zoo de smart verdoofde. (Vlsunga-saga, vert.~ Von der Hagen, 165-6)._ e. *Planten door Tooverij ziek gemaakt of verdorven.* Planten -- vooral de door den mensch gekweekte -- worden door Heksen en Toovenaars verdorven. Des nachts, en somwijlen ook des daags, varen zij in of boven of rond de akkers, tuinen, fruitgaarden en maken er de Gewassen ziek of dooden ze. Boomen doet men vergaan, indien men er eenen doodkist- nagel in slaat. _Aldus in Karnten (Wuttke, n"r" 191)._ Indien men eene Roos van eenen Rozelaar plukt en ze in eene doodkist legt, zal de Rozelaar verslensen en sterven. _Dat gelooft men in Hessen (Wuttke, n"r" 125). Evenals 't vorige gebruik steunt dit op sympathie._ | | ^(1)^ Dat zijn namen van drie Tooverrunen; zie nota op blz.~ 166 van F.~ H.~ | von der Hagen's Vlsunga-saga. | | | ^(2)^ Quercus robur L. | | | ^(3)^ D.~ i.~ asch ofwel schouwroet. | De Zwartkunstenaars maken zich schuldig aan 15 groote schelmstukken; en het vierde is: de Vruchten der aarde te doen sterven en een geheele landstreek aan hongersnood en onvrucht- baarheid bloot te stellen. _Zie de opsomming dezer 15 schelmstukken bij Bodin; Dmonom.~, l.~ 4, c.~ 5; en bij Thiers: Sup.~ I, 128._ Zij kunnen, door Tooverspreuken, den wasdom der Planten beletten. _Zij doen 't vooral gedurende St.~ Walpurgisnacht (1"e""n" Mei), den nacht van Donar. Aldus in Nedersaksen. (Wuttke, n"r" 23)._ De beroemde bulle van Paus Innocentius VIII (5 Dec.~ l484) Summis desiderantes affectibus, die zooveel vrouwen, mannen en zelfs kinderen ten brandstapel voerde, spreekt over dit Hek- senwerk. _Personen van beiderlei geslacht, zegt de bulle, vernietigen, versmachten en doen vergaan de Vruchten der aarde, de Druiven der Wijngaarden, de Vruchten der Boomen, ook de Wijngaarden, de Boomgaarden, de Beemden en Weiden, de `Blada' (? vanhier fr.~ `bled, bl'), de Granen en andere Plukvruchten (lat.~ legumina) van de aarde. De heele bulle, die de gewichtigste booze daden der Heksen en Toovenaars opsomt, staat bij Roskoff, II, 222. -- `On ne peut pas douter', zegt Thiers, Sup.~ I, 133, `que ce ne soit un malfice que de faire mourir les hommes, les btes, et les Fruits de la terre, par le moyen de certaines poudres, de certaines eaux, et de certaines drogues magiques'._ "*" Te Vollezeele schreven wij eene sage op van eenen Boom- gaard die door eene Tooveres betooverd was. _Nabij de dorpsplaats stond eene hoeve. Op den Boomgaard groeide welig Gras, maar de Fruitboomen brachten weinig of geen Vruchten op. In dat welig Gras joeg de boer zijn vier veulens: ze aten en aten er, doch werden niettemin mager en magerder. Op zekeren dag ontwaarde de boer een brandenden lanteern (mannelijk in Brab.~) in de Haag; hij nam en trok er mee bij den pastoor. Deze hield den lanteern op de pastorij. Reeds denzelfden dag kwam de Tooveres en vroeg den lanteern. Hij gaf hem; doch de vrouw moest hem beloven het land te verlaten en naar Frankrijk te vertrekken. Sedertdien was de Boomgaard onttooverd en de veulens groeiden flink op. (De Cock en Teir- linck, Br.~ S.~, I, 33-4)._ Wanneer de lente-nachtvorst den bloesem der Druiveboo- men^(1)^ en Boomgaarden verzengt, dan zegt men dat eene Heks dat gedaan heeft. _Herrmann, D.~ M.~ 63._ Om de Wijngaarden van een benijden gebuur te verderven, zieden de Heksen Wijnstokranken. _Grimm, D.~ M.~ 1043; een sympathetisch middeltje._ Tot dergelijke schanddaden bezigden Toovenaars ook zeker poeder. _De Fransche koning Karel IX beval dat men bij hem, na zijn diner, een vermaarden Toovenaar, genaamd Trois-Eschelles, zou brengen. Hij had Trois- Eschelles genade geschonken op voorwaarde dat de Toovenaar zijn Toover- gezellen zou verraden. -- En onder anderen beleed Trois-Eschelles, in 't bij- wezen van den Koning en verscheidene groote heeren, dat de Toovenaars zekere poeders gebruikten om menschen, beesten en Vruchten te dooden. En daar iedereen zich over deze bekentenis verwonderde, vertelde de aanwezige Admiraal Gaspar de Coligny, dat hij, weinige maanden vroeger, eenen jongen gevangen had genomen, die beschuldigd was twee edellieden te doen sterven hebben. De jongen bekende dat hij de knecht van die twee ridders was en gezien had dat zij zeker poeder op huizen en Koren wierpen, zeggende: `Vloek over deze Vruchten, over dat huis, over dat land!' Hij vond daarna dat Tooverpoeder en wierp het in het bed dezer edellieden, die men, heel opgezwollen en zwart, in hun bed doodvond. De rechters spraken den jongen vrij. -- Een derde vertelde nog dat eens twee Heksen in eene herberg kwamen en er zorgvuldig twee flesschen op zij zetten. Doch vermits de waard hen had hooren spreken van Granen en Wijnstokken te dooden, zoo nam hij de twee flesschen en goot den inhoud, een zeker water, in het bed, waar zij sliepen, en zij stierven ter- stond. -- Alsdan vertelde Trois-Eschelles veel. dergelijke geschiedenissen. (Thiers, I, 134; Bodin: Dmonom.~, l.~ 3, c.~ 5)._ Graangewassen vooral hadden te lijden door Hekserij. _Reeds in de Romeinsche Wet der Twaalf Tafelen, zegt Bekker (I, 23) werd straf gesteld op die welke het Koren betooverden. "*" In Vlaanderen is, naar 't volksgeloof, de Masscher^_(2)_^ (nl.~ de schadelijke Ustilaginee, die het Tarwegraan^_(3)_^ in een zwart stof verandert) het booze werk eener Tooveres. Men beweert Heksen gezien te hebben die, soms wel bij klaren dage, dat zwarte poeder in de Tarwevelden zaaien. Den Masscher bewaren zij en dragen zij naar de akkers in ledige eierdoppen: daarom moet | | ^(1)^ Vitis vinifera L. | | | ^(2)^ Tilletia caries Tul. | | | ^(3)^ Triticum vulgare L. | men, na een rauw ei gezopen te hebben, den dop teenemaal breken. Tegen die Hekserij wordt het Zaaigraan met Wijpalm^_(1)_^ en Wijwater gezegend en spreekt men er het gebed van den H.~ Bruno over; en op Palmenzondag wordt Wijpalm in de akkers gestoken. Aldus in het Zuiden van Oost-Vl.~ (Zegelsem, enz.~). "*" Hetzelfde volksgeloof bestaat betreffende den Korenbrand^_(2)_^, die de gansch Korenaar in zwart stof vervormt, en Tarwe^_(3)_^, Gerst^_(4)_^, Haver^_(5)_^ en andere Grassoorten opvreet. Ustilago carbo wordt echter min gevreesd dan Tilletia Caries omdat deze laatste Poederzwam met het Graan wordt ingeoogst, in het meel blijft en het brood bederft, terwijl Ustilago carbo, vor het pikken, door den wind wordt weggewaaid. In den Harz meent men dat de Tarwe tegen zulke betoovering beschermd blijft, indien de zaaier het Zaaigraan stilzwijgend op den kop neemt en terzelf- dertijd lichtjes murmelt: `Weizen, ich setze dich auf den Band, Gott behte dich vor Tresp en Brand!' (Prhle, in Zs.~ F.~ D.~ Myth.~ I, 2001 Wuttke, n"r" 232; Perger, 113). `Tresp' "=" Dolik^_(6)_^, een Giftgras. Wanneer er nogal wanorde in huis of in werk heerscht, zegt men in Friesland dat de Duivel in het Koren is. In eigenlijken zin werd de zegswijze vroeger gebezigd als in het te velde staande Graan Brandaren voorkwamen. (Dijkstra, II, 195). Dijkstra verwart echter Brand^_(7)_^ met een andere Zwamsoort, het Moederkoorn^_(8)_^, die het Graan in een zwart-purperen tand vervormt._ De Heksen beschadigen de Rogge^(9)^ daar zij zich, naakt, in die Graansoort baden: want Roggedauw maakt krachtig en verjongt. _Perger, 111-112. Het vroegere volksgeloof verbeeldde zich de Heksen naakt. (Herrmann, D.~ M.~ 63)._ In het Koren ontwaart men vaak strepen, waar de Halmen neder liggen: de Heksen hebben er schuld aan, zegt het volk, en niet, zooals 't is, de hazen of ander wild. _Naar het Beiersche volksrecht werd die `Aranscharti' ("=" hgd.~ `Ernte- scharte', ndl.~ Oogstscharte) met 12 solidi gestraft. (Herrmann, D.~ M.~, 63). -- Men heet ze nog `Hexenstiege' (id.~ 68; vgl.~ beneden Bilwitz)._ | | ^(1)^ Buxus sempervirens L. | | | ^(2)^ Ustilago carbo Tul. | | | ^(3)^ Triticum vulgare L. | | | ^(4)^ Secale cereale L. | | | ^(5)^ Avena sativa L. | | | ^(6)^ Lolium temulentum L. | | | ^(7)^ Tilletia caries Tul.~ en ook Ustilago carbo Tul. | | | ^(8)^ Secale cornutum der Apothekers, voortgebracht door Claviceps purpurea Tul. | | | ^(9)^ Secale cereale L. | Ook Gras en Hooi lijden door het bezoek of het werk van Heksen. _Het Dauwstrijken. De Heksen strijken den morgendauw met roode Wilge- roeden^_(1)_^ af en verderven aldus, door ontstane nachtvorst, Gras en Bloesem. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 361). -- Als Dauwstrijkster (hgd.~ `Taustreicherin ') strijkt de Heks den dauw van de Weide om aldus, voor de kudde, den eersten Weide- gang te verderven. (Herrmann, D.~ M.~, 63)._ Het opgetaste Hooi, vooral als het, niet droog zijnde, op den schelf wordt gelegd, verhit zich en kan zelfs in brand komen. Voor 't volk is dit verhitten een Tooverwerk. _In Friesland heet men dezen broeibrand de Pok in het Hooi. Des winters (aldus Dijkstra, II, 198), wanneer van een blok Hooi alle dagen iets afneemt tot voedering van het vee, ontdekt men soms dat, midden in zulk een blok, en van onder naar boven, een zwarte streep loopt, nu recht, dan slangvormig, en bestaande uit verkoold Hooi. Men denkt dat een booze Geest langs deze baan door het Hooi is gekropen, met het doel den heelen boel in brand te steken; maar dat mislukte, omdat het vuur niet tot uitbarsting kon komen._ Stigandi, een Toovenaar en Habjrn's broeder, had den Boozen Blik en belette er mee het Gras te groeien. _De Laxdla-sage zegt (p.~ 38): Door list werd Stigandi eens gevangen genomen en men wierp hem, om zich tegen zijnen boozen blik te beschermen, eenen zak over den kop. Maar in dezen zak was een hol, zoodat de Toovenaar langs daar nog eenmaal kon naar buiten kijken; en op den kant van den Berg, dien door zijn blik werd getroffen, groeide van dien tijd af geen Gras meer, en het scheen alsof een wervelstorm er over ware gevaren. (Herrmann, N.~ M.~, 347-8)._ Heksen en Toovenaars maken Klaver^(2)^ en Haver^(3)^ ziek en betooveren er beesten mee. _"*" Jan Vindevogele filius Arents, gezeid De Coninck, geboren en woon- achtig te Ooike bij Audenaarde (Oost-Vl.~) was een Toovenaar, die verkozen had den Duivel Salamas voor zijn `hulpe ende meester'. Op den ouderdom van 55 jaar werd Vindevogele veroordeeld om `patibulair gexecuteerd te worden met den viere datter de Doot naer volght, behaudens te vooren gewoelt te worden aen den staecke daer dexecutie zal geschieden, ende (zyn) lichaem aldaer als op een radt te laeten liggen, verclaerende (zyn) goedt tzy leen, erf te ofte catheyl, waer hetselve gestaen ofte gelegen is, verbeurt ende geconfisqueert | | ^(1)^ Salix purpurea L. | | | ^(2)^ Trifolium pratense L. | | | ^(3)^ Avena sativa L. | 's Heeren profytte'. 't Gebeurde in 1652. En waarin bestond des mans Toover- kunst? Onder andere heeft hij met een Duivelspoeder, twee koeien en een vaars van Arent van den Borre betooverd `met wat groene Claevers by (hem) getrocken uyt den Claeverbulck van Michiel Portois, alsdan staende niet verre van de weede van den voorseyden Vanden Borre, welcke Claevers (hy heeft) bestreken met (zyn) duyvels poeder, ende deselve koeyen ende veerse teten geworpen in de weede ende alsoo betoovert, dat de veerse geswolten ende de koeyen gebetert sijn met geestelijcke remedi'. Hij heeft ook betooverd `het swart veulepeert van Willem van Merhaeghe, werpende duyvelspoeder in sijn Haever, smorgens aleer het te wercken trock, het welcke daervan is geswolten'. Zie het heele stuk in Volk en Taal, II, 162-6._ Het heilzame Kruid Kamille^(1)^ wordt ook door Heksen be- dorven. _Men moet deze Theebloemen vor St.~ Jansdag plukken, omdat na dien dag de Tooveressen er op wateren. Aldus in Westpruisen. (Marzell, 213). -- En spruit hieruit het volksgeloof in Zevenburgen dat de echte Kamille op St.~ Jansdag een wilde Hondskamille^_(2)_^ wordt? (Id.~)._ Soms dooden zij Planten omdat zij er in de Koorts -- een demonische ziekte -- verbannen. _De betooverde Pereboom^_(3)_^. Zekere boer, zegt Dijkstra (II, 176-7) die aan de derdendaagsche Koorts leed, raadpleegde een Duivelbannner en deze zei: `Ik kan je Koorts wel afnemen, maar dan moet ik haar op een ander over- brengen. Heb je misschien ook iemand, dien je wel eens wat kwaads gunt?' De boer antwoordde `Ja, dat kan wel zijn, maar dit gaat toch wel wat te ver. De derdendaagsche Koorts is een groote plaag, die durf ik mijn ergsten vijand niet toe te wenschen'. `Welnu,' hernam de Wonderdokter, `wil ik haar in je Pereboom brengen?' Als dit kon, gaf de boer hiervoor zijn toe- stemming. Toen de man thuis kwam, stond de Pereboom met slap nederhangende Bladeren te rillen en te beven, juist als iemand die een erge Koorts heeft. De boer bleef vrij van de Koorts, maar de Pereboom bestierf het. Aldus in Friesland (Dijkstra). De betooverde Perzikboom. Te Marseille wacht een door de Koorts gefol- terde tot de ziekte zonder gevaar kan `afgesneden' worden; dan legt de zieke zich te slapen met den rug leunende tegen eenen Perzikboom^_(4)_^; twee of drie uren zijn voldoende. De zieke ontwaakt gansch genezen, maar de Perzikboom begint geel te worden, verliest zijne Bladeren en sterft aldra. (Roll.~ V, 290; naar Rgies: Mat.~ md.~, 51)._ | | ^(1)^ Matricaria chamomilla L. | | | ^(2)^ Anthemis arvensis L. | | | ^(3)^ Pirus communis L. | | | ^(4)^ Amygdalus persica L. | Op eersten Meidag breken de rondzwervende Toovenaars, met en gebaar. al de toppen van de Mispelaars^(1)^. _Aldus in Mayenne (Frankrol Roll.~ V, 141). In dp.~ Loiret (Frankr.~) is het de Duivel zelf, die de Mispelaars verderft. Daarom giet men aan hunnen voet op 1"e""n" Mei Wijwater om den Duivel te beletten dat hij de Takken afsnijdt. Aldus te Chtillon-sur-Loing (idem). Te Montargis wijdt men op Meiavond de Mispelaars; anders komt de Duivel de jonge loten slaan en verminken. (Idem, 140)._ En zij schijnen den Lijsterbesseboom^(2)^ te haten; want zij snijden de jonge scheuten af. _Aldus te Hermannsdorf in Saksisch `Erzgebirge' (E.~ John: Abergl.~, Sitte u.~ Brauch im Schs.~ Erzgeb.~, 1909, p.~ 226)._ Hier en daar in ons land kweekt men wel eens den Papier- boom^(3)^, uit het Oosten herkomstig; ons Vlaamsch volk noemt hem Tooverboom. omdat hij betooverd is. _In West-Vlaanderen (Pque, Bijv.~): men denkt dat de Boom betooverd is, omdat meestal de Bladeren een verschillenden vorm vertoonen; eenige zijn gaafrandig, andere eenigszins gelobd of diep gekerteld met alle overgangen van den gaven rand tot den diep-lappigen._ Des nachts waren de Heksen rond en betooveren zekere Planten. waarin zij hun schadelijk gift bereiden. _Een dezer Planten is de Nachtwortel (Eng.~ `Nightwort'). Aldus in de Nederlanden, schrijft Thiselton (58), die er bij voegt dat juist daarom de ervaren schaapherders hun kudde, na zonsondergang, niet meer laten grazen. Welke Plant door den naam Nachtwortel wordt bedoeld, is, evenals zulk volksgeloof in Nederland, mij teenemaalonbekend._ f. *Vruchten stelen.* Niet alleen dooden en verderven de Heksen en Toovenaars de Planten hunner vijanden of naburen, maar zij weten ook, door Toovermiddelen, den Oogst en de Vruchten van anderen te stelen. Het was, reeds bij de Romeinen. een oud volksgeloof, dat men door Tooverij, het Koren van eens andermans akker tot zich lokken kon. | | ^(1)^ Mespilus germanica L. | | | ^(2)^ Sorbus aucuparia L. | | | ^(3)^ Broussonetia papyrifera L. | _Zie Virg.~ Eclog.~ VIII, 99; Tibull.~ El.~ 8, 19; Roskoff, II, 208. En de Germanen geloofden dat Dwerggeesten het Graan van akker en zolder konden rooven. Het 6"e" Concilie van Parijs (a"o" 829) spreekt van Toovenaars die, door hun duivelskonstenarijen, de Vruchten van den eenen stelen om ze eenen anderen (of hunzelf) te geven. (Thiers, I, 16)._ Agobard (gest.~ 841). aartsbisschop van Lyon (Frankr.~), het helderste hoofd zijner eeuw, zegt Soldan (p.~ 86), teekent met smart aan dat het volk van Frankrijk geloof hechtte aan het bestaan van een Duivelsch genootschap dat het Koren in groote hoeveel- heid weg stal en het per luchtschip -- een voorlooper dus van onze aronef's en avion's -- naar een fabelachtig land, Magonia voerde om het aldaar te verkoopen. _Zie Agobard's schrift bij Migne, Patrologie latine, CIV); en vgl.~ Roskoff, 299; Knipscheer, II, 21. "*" Hiermee hangt samen het geloof onzer voorouders aan het bestaan van een zoogenaamd Nevelschip: Toovenaars vervaardigden zulk schip uit nevels en hagelwolken, en daarmede voerden zij den Oogst van andere men- achen weg. (Coremans: t'Anne de l'anc.~ Belg.~, 133). "*" In West-Vl.~ geeft men heden nog den naam van Appelschip aan een hagelvlaag of aan een buige wolk (DB). Roofden de Zwartkunstenaars, met zulk schip, de Appels van den Boomgaard? "*" Zulke wolk heet, in de Kempen, eenvoudig een Schip en als ze aange- dreven komt, zegt men: `daar komt weer een Schip!' Of: `ze zijn weer een Schip aan 't laden!' (Volksleven, VIII, 235)._ Gelijkerwijze stalen `Unholde' -- nagenoeg zooveel als Heksen en Toovenaars -- de Druiven^(1)^ en vreemde Wijngaar- den: zij gingen 's nachts en schudden de ranken, waaraan Bessen hingen; en zoo kwamen deze aan de ranken hunner eigen Wijn- gaarden hangen. _In Duitschland (Perger, 224; naar Grimm, Myth.~, 1043)._ En in Lechrain (Duitschl.~) zegt men dat de Heksen storm- winden doen ontstaan, zich in de draaiende luchtlagen verbergen en aldus het Koren en Hooi der lieden stelen en naar hunne woonst voeren. _Leoprechting: Lechrain, (p.~ 15, 101; Mannhardt: Aut.~ Wald- u.~ Feldk.~, 92). "*" En zoo iets ook gelooft men in het Zuiden van Oost-Vlaanderen._ | | ^(1)^ Vitis vinifera L. | "*" Ook in de Nederlandsche sagenliteratuur vindt men eene sage betreffende dat Vruchtenstelen. Er is sprake van eene Heks die al het Graan. dat op een akker stond, langs een buis op haren zolder doet rollen. _Daar ging een Tooverwijf rond eenen akker, die vol rijp Koren stond, en zij sprak het vers uit: `Super aspidem', enz. Toen zij thuis kwam, liep zij op haren zolder, nam er eene buis in beide handen, sprak opnieuw hetzelfde vers uit, en daar rolde al het Graan van den akker door de buis vr haar neder op den zoldervioer, zoodat zelfs op het veld, geen enkel korreltje overbleef. (Wolf, N.~ S.~, n"r" 288; naar Beetzius: praecept, I, expos.~ ult.~; en Delrio: Disquis.~ Mag.~, p.~ 400)._ *VI. Andere meestal onschadelijke Heksenwerken in verband met de Plantlore ^(1)^* In het vorige hoofdstuk werden meestal schadelijke Hekse- rijen onderzocht. Doch er bestaan ook magische doenwijzen, die voor Heks of Toovenaar zelf, of voor een gewonen mensch nuttig en voordeelig zijn zonder in het minste aan eenig wezen. rechtstreeks of onrechtstreeks, vor, gedurende of na het gedane Tooverwerk, eigenlijke schade te berokkenen. Over zulke onscha- delijke Heksenwerken wordt hier in dit uitgebreid hoofdstuk gehandeld, wel te verstaan indien zij met de Plant in verband staan. Zooals men het echter wel bemerken zal, kan men schade- lijkheid en onschadelijkheid niet altijd streng van elkaar scheiden. Al de Planten, waarover in dit hoofdstuk wordt gehandeld, zijn dus veeleer Toover- dan echte Heksenkruiden. a. *Het Schatgraven, het Bronnen- en Ertsenzoeken, en soortgelijke Wonderwerken.* _Die werken behooren tot tweederlei gebied: tot het gebied van de Tooverij en tot dit van de Waarzeggerij._ 1. Door de Tooverroede. Toovenaars en Waarzeggers -- ook wel de gemeene man -- gebruikten hiertoe eene roede, veelal Tooverroede geheeten. _Ook Wichelroede, Raadroede (Kircherus, O.~ W.~ II, 175-6); hgd.~ `Wnschelrute, Wnschelgerte, Zeigrute'; in Zwitserland nog `Brunnen- schmeckerin' "=" roede verlekkerd op bronnen; Nork, M.~ d.~ VS.~, 76, naar Tobier, 8a); -- fr.~ `Baguette divinatoire' en `Baguette magique'. (Lvy, H.~ M.~, II, 128, maakt onderscheid tusschen deze beide roeden: de 1"e" is recht, de 2"e" gevorkt; z.~ beneden); -- eng.~ `Divining-rod, Wand, Divining-wand'; -- lat.~ Virga of Virgula divinatoria. In eene ohgd.~ glosse (Glossae junianae, 383) heeft men reeds het woord `Wunschiligarta' (Weigand, Wtb.~); mhgd.~ `Wunschelruote' en `Wnschelgerte'. | | ^(1)^ Vgl.~ Hoofdstuk III. | Vgl.~ in het Nevelingenlied (1064) den naam `Wunsch': `der wunsch der lac darunter, von golde ein ruetelein, der daz het erkunnet... der mhte meister zin wol in al der werlte... ber islichen man'. Naar de hgd.~ vertaling van Simrock (Nib.~, p.~ 204) vertaal ik in ndl.~; `de wunsch, die lag daaronder, een gouden roedelijn, wie dat bezit, die kan meester zijn op de wijde aarde wel over ieder man'. Men onderscheidde. zegt Perger (251): `Feuerruthen, Brandruthen, Spring- ruthen, Schlagruthen und Beberuthen'. Voor de bibliographie, z.~ vooral: Graf Carl von Klinckowstrm, Bibliogra- phie der Wnschelrute._ "P" Tooverroede in het algemeen (d.i.~ niet gemaakt van een bepaalde Plantsoort). Met zulke Tooverroede -- hier wel Tooverstaf of Tooverstok -- tooverden de Zwartkunstenaars (ook niet-Toovenaars. zelfs Heiligen) en voerden wonderbare werken uit. Mozes~ en Aaronsroede. Mozes en Aaron gebruikten eene Tooverroede; eveneens de Magirs of Wijzen en Pharao. Merkwaardig is de Toover- strijd tusschen de eersten en de laatsten. _De roede van Mozes en Aaron was Gods roede. (Exod.~ IV cap.~). Die Roede, door Aaron op den grond geworpen, werd eene Slang; deze. bij den staart genomen, werd opnieuw eene Roede (id.~ c.~ IV en VII; Koning.~ I, 29-30, waar men zegt dat het een Draak was). -- De Magirs van Pharao -- er waren er twee en ze heetten Jannes en Mambres (Nork, Fest-Kal.~ 40) -- wierpen hunne Roeden op den grond: het werden Draken; maar de Slang van Aaron verslond de Draken van de Magirs. Aaron slaat het water van den vloed met zijne Tooverroede en het water van den vloed en van heel het land van Egypte werd bloed. Maar de Magirs deden hetzelfde wonder met hunne Roeden. Aaron slaat met zijne Roede het stof der aarde: en het stof wordt veranderd in Muggen. De Magirs konden het niet nadoen. (Cap.~ VIII). Mozes steekt zijne Roede ten hemel: donder, bliksem, hagel loopen over Egypte omme, en al wat buiten is -- menschen, beesten, Kruiden en Boomen -- worden vernield. Mozes steekt zijne Roede uit over Egypte: een dorre wind waait en dag-en-nacht en brengt, 's morgens, ontelbare Sprinkhanen. (Cap.~ X). Mozes scheidt met zijne opgeheven Roede de wateren der Roode Zee en vereenigt ze daarna weder over Pharao en zijn leger. (Cap.~ XIIII). Mozes slaat met zijne Roede op de steenrots Horeb en er springt helder water uit. (Cap.~ XVII). Ook in de woestijn Sin doet hij, met slagen van zijne Roede, water uit eenen steen vloeien. (Num.~ Cap.~ XX). Een Bijbeische sage betreffende Aarons Roede: Aarons Roede bloeit. Mozes zet de twaalf Roeden der twaalf Geslachten, met die van Aaron in het Tabernakel van de Getuigenis; en des anderen daags ziet hij dat Aarons Roede groen is geworden, dat uit de opgezwollen Botten Bloemen zijn gesproten, en dat deze zelfs tot Amandelen^_(1)_^ gespeend waren. (Num.~ cap.~ XVII). -- Rabbi Simeon zegt. dat deze groeiende en bloeiende Roede van Aaron dezelfde was als die waarmede hij en Mozes in Egypte Wonderen hadden verricht. -- Naar den Rijmbijbel (5883) kwamen Noten op deze Roede: `Tsanderds daegs... vondsi ghelovert Aarons roede, ende Noten^_(2)_^ ooc ghewassen daer aen'. Deze Roede zou ook het Hout (of de Boom) zijn. dien God aan Mozes in de woestijn heeft aangewezen om het bitter water Marath zoet te maken. (Exod.~ c.~ XV). Zij werd afgesneden van den Boom des Levens. die door Engelenhanden in het Paradijs geplant werd. En toen Adam zijnen zoon Seth naar het Paradijs stuurde om, door een ootmoedig gebed, van God vergeving zijner zonden af te smeeken, was het deze Roede die de Engelen aan onzen eersten Vader zonden. Terzelfdertijd gaven zij aan Seth bevel om ze te planten en voegden er bij dat zoodra deze geplante Roede Vruchten zou dragen, de Goddelijke ontferming zou nederdalen; en meteen op dienzelfden stond zouden de poorten des Hemels, die totdantoe gesloten waren gebleven, geopend worden. Seth plantte deze Roede in de woestijn; zij werd er een Boom en Mozes vond er hem. Hij sneed er een en Tak af, die sedertdien den naam van Gods Roede heeft gedragen. Deze Roede is ook dezelfde Boom, waaraan Mozes het Serpent heeft opgehangen (Num.~ c.~ XXI), waardoor de Heer gewild heeft dat de heele wereld behouden zou worden en tevens besloten zijne barmhartigheid neerwaarts van den Hemel op Adam te zenden, zoodra Koning Messias zou gekomen zijn. (Koning.~ I, 31). Het volk heeft den naam Aarons roede op verschillende Planten overge- bracht: 1"o" Arum maculatum L.: Vlaamsch Aronsstaf (Paque, VN.~); hgd.~ `Arons- stab'. Volksetymologisch spel: Aaron en Arum hebben nagenoeg denzelfden klank en de stafvormige bloeikolf werd met den staf van Aaron gelijkgesteld. -- Hier eene phytogenetische sage: Oorsprong van Arum maculatum. Josua en Kaleb, uitgezonden naar Chanan, namen Aarons Roede mede en droegen er op den zwaren Druiventros^_(3)_^. Nadat zij dezen van de Roede hadden gedaan, staken zij den Staf in den grond: het Arum schoot op en, tot heden, blijft deze Plant een zinnebeeld van gezegenden Vruchtenoogst. (Menzel, Symbol.~ I, 3; Perger.~ 185; Teirl.~ Plantl.~ 152; Dhnh.~, I, 319). | | ^(1)^ Amygdalus communis L. | | | ^(2)^ Juglans regia L. Of zijn hier Amandelnoten bedoeld? | | | ^(3)^ Vitis vinifera L. | 2"o" De wolbladige Toorts^_(1)_^: Ndl.~ Aronsstaf, Aronsstok (Heukels, Wdb.~; eng.~ `Aarons rod' ("=" Aaronsroede; Roll.~ VIII, 149). Naar den stafvormigen bebloeiden Stengel. 3"o" De gele Affodille^_(2)_^: hgd.~ `Aronsstab', om gelijke reden. (Sal.~-Voss). 4"o" Het purperen Standelkruid^_(3)_^: hgd.~ `Aronsstab': de bebloeide Stengel is roedevormig. (Sal.~-Voss). 5"o" Het pyramidaalvormige Klokje^_(4)_^: hgd.~ `Aronsrute' (Sal.~-Voss); de hooge met talrijke blauwe Bloemen versierde Stam is een pyramiede gelijk en werd met de in het Tabernakel bloeiende Aaronsroede vergeleken. 6"o" De Hemelsleutel^_(5)_^: eng.~ `Aarons rod' (aldus in Noord-Westamerika: Pickering, Chr.~ H.~ of Pl.~, 303); de eenigszins stijve, doch vleezige Stengel draagt rood-purperen Bloemen. Sommige Botanisten houden voor de Mozesroede eenen Twijg van den Aleppischen Blazenstruik^_(6)_^. (Leunis, Syn.~ 114). In Basse-Normandie (Frankr.~) heet de magische Hazelroede `Verge d'Aaron'. (Roll.~ X, 198)._ Ook in Babyloni gebruikten de Magirs Tooverroeden. _Fr. Lenormand: Chald.~ Mag.~; This.~ 263._ Caduceum van Mercurius. De Roede. waarmede Mercurius (gr.~ Hermes) twee vech- tende Slangen scheidde, was wel een echte Tooverroede, die zegen en rijkdom bijbracht. _Eerst was het Caduceum (ook Caduceus, m.~; gr.~ Kerukeion) een gaffel- vormige Roede; later eene Roede met twee haar omslingerende Slangen, wier koppen tegenover elkander staan, en boven de spits twee vleugels. Later nog werd de Hermesroede een Herautstaf. Virgilius (Aen.~ IV) somt de Wonderkrachten van het Caduceum op. Jupiter zendt Mercurius naar Carthago om Aeneas voor Dido en de Carthagi- neezen te waarschuwen. Mercurius gehoorzaamt en `Tum virgam capit: hc animas ille evocat Orco Pallentes, alias sub Tartare tristia mittit; Dat somnos adimitque, et lumina morte resignat'. | | ^(1)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(2)^ Asphodelus luteus L. | | | ^(3)^ Orchia purpurea L. | | | ^(4)^ Campanula pyramidalis L. | | | ^(5)^ Sedum telephium L. | | | ^(6)^ Colutea haleppica Lam. | D.i.~ naar Voss: `Toen vat hij den Staf, die bleeke zielen, van Orcus, Oproept, of ze naar beneen in den treurigen Tartarus zendt, Sluimer geeft en ontneemt, en van den dood ook de oogen ontzegelt'. Mercurius'~ Tooverroede kon dus: 1"o" de Zielen van gestorvenen terug op de wereld doen komen; 2"o" de zielen naar den Tartarus zenden; 3"o" ze doen slapen of beletten te slapen; 4"o" de stervenden tot het leven terugroepen (z.~ over deze Aeneis-passage, b.v.~ Ch.~ Anthon: Aened of Virgil, 1879, p.~ 197). -- Met zijn `Slaapstaf' of `Slangestaf' (aldus Valentijn en Smids, de vertaler en de commentator van Ovidius: Herscheppingen) streelt Mercurius het aangezicht van de maagd Chione, waarop hij verliefd was, en Chione valt in slaap. (Ovid.~ Met.~, l.~ XI, c.~ 5). -- Het was ook met dezen slaapverwekkenden Slangestaf dat Mercurius den honderdoogigen Argus de oogen streelde en in slaap bracht, waarna hij Argus tusschen hals en nek doodt en van de steile rots werpt (id.~, l.~ I, c.~ X). -- Vgl.~ beneden met Odin's slaapverwekkenden Staf. Bibliographie: Muller, Uwer den Hermesstab, Kopenh.~ 1864; Preller (in: Philologus, Band I)._ Thyrsus van Bacchus. Thyrsus (gr.~ Thursos) van Dionysos (of Bacchus) was een ombladerde en ombloemde staf of spies, die de God als wapen of teeken droeg, eveneens de Bacchanten. _Daarom werd Bacchus `Thursophoros', d.i.~ Thursosdrager geheeten. Dodoens (270) beschrijft hem duidelijk genoeg; hij zegt dat Thyrsus of Thursos `beteekent by de Griecken een roede / spiesse, stock oft torse met bladeren oft met Veyl^_(1)_^ rondom bedeckt ende bewonden: wiens opperste met meer bladeren oft bloemen bedeckt ende verciert is dan het onderste: ende soo eenen bol oft bal van bloemen oft bladeren schijnt te ghelijcken'. Naar de meening van velen was de Thyrsus de stijve Stengel van het gewoon Roedekruid^_(2)_^, een Schermbloemige die soms vijf meter hoog wordt; deze Stengel was omwonden met Klimop- of gewoonlijk met Wijnstokranken^_(3)_^ en boven op het uiteinde droeg. hij een Pijnappel^_(4)_^. Men noemt hem in 't ndl.~ Wijnrankstaf, Wijnrankpiek, Wijnranklans of eenvoudig Rankpiek, -lans of -staf (z.~ b.v.~ Ovidius'~ vert.~ door Valentijn en Smids, blz.~ I, 66). De Bacchanten sloegen elkaar met den Thyrsus en geraakten alzoo aan het hollen (id.~ blz.~ 67). Toen de Reuzen den Olympus wilden bestormen en de Goden ombrengen, | | ^(1)^ Hedera helix L. | | | ^(2)^ Ferula communis L. | | | ^(3)^ Vitis vinifera L. | | | ^(4)^ Vrucht van Pinus pinea L. | sloeg en doodde Bacchus den reus Eurytus met zijnen Thyrsus. (Schwab: Sch.~ S.~ 95). Met zijn Rankstaf doet Bacchus wijn uit de rots springen (Nork, M.~ d.~ VS.~, 76), evenals Mozes water uit de steenrots (z.~ boven): Thyrsus was dus wel een echte Tooverroede. Wij mogen als Thyrsusplanten beschouwen; 1"o" Klimop^_(1)_^, die den Staf of de Spies omwond; evenals 2"o" Wijnstok^_(2)_^, de Bacchusheester door Bacchus geplant en voortgebracht (z.~ Is.~ Teirl.~ Pk.~, 53 en vvgg.~; vooral Dhnh.~ I, 298-314). 3"o" De Zuideuropeesche eetbare Pijnappel^_(3)_^, die den Staf bekroonde. En voorts, in 't algemeen, al de Kruiden, `die sulcke ronde bollen op hun t'sop dragen...'(Dod.~) als; 4"o" Het gemeene Roedekruid^_(4)_^, wiens Stengel den eigenlijken Staf vormde (z.~ boven; Teirl.~ Pk.~, 83; Dierb.~ 63-64). Doch zie beneden Narthex van Pro- metheus. 5"o" De kopvormende Tijm^_(5)_^, door Dodoens vereenzelvigd met het Thursion van Dioskorides, omdat dit kruid `op sijn steelkens een rondachtigh bolleken draeght'. (Dod.~ 270). Mrat en De Lens (Dict) beschouwen ons gemeen Lieve-Vrouwen-Bed- stroo^_(6)_^ als zijnde het Thursion der Grieken; doch 't zal wel verkeerd zijn, want hier moet sprake zijn van een Zuideuropeesche Tijm. 6"o" De kopvormende Keule^_(7)_^, die voor Matthiolus (Comm.~) het echte Thursion zou zijn. 7"o" De Bremraap-soorten^_(8)_^, Thyrsine geheden, omdat zij eenen Stengel hebben die boven dikker en grover is dan onder (Dod). 8"o" De gekweekte Latuw of Sla^_(9)_^: `Insgelijcks vintmen / dat de steel van de Lattouwe somtijds Thyrsus geheeten wordt / die oock in een breede krans- ghewijse kroone eyndight / als de Ferula doet'. (Dod.~)._ Vuurroede van Prometheus. Prometheus ontrooft aan de Goden het heilige Vuur en brengt het op de aarde in een hollen Plantstengel: `Narthex'. _Daarom noemt Valentyn -- de ndl.~ vertaler van Ovidius -- hem den Vuurdief (I, 184 der ndl.~ vert.). Deze klassische Prometheussage is genoeg | | ^(1)^ Hedera helix L. | | | ^(2)^ Vitis vinifera L. | | | ^(3)^ Pinus pinea L. | | | ^(4)^ Ferula communis L. | | | ^(5)^ Thymus cephalotus L. | | | ^(6)^ Thymus serpyllum L. | | | ^(7)^ Saturela capltata L. | | | ^(8)^ Orobanche-soorten. | | | ^(9)^ Lactuca sativa L. | bekend (z.~ b.v.~ Hesiod.: Opera et dies, 52; Theogonia, 567). Narthex bet.~ doos in 't gr. De Plant, in wier hollen Stengel de vermetele Vuurdief het hemelsch Vuur naar beneden bracht, is: 1"o" Naar 't gemeen gevoelen het gewone Roedekruid^_(1)_^, met wit stengelmerg dat gemakkelijk brandt en thans nog in Sicielje als tondel wordt gebezigd. Het wordt ook beschouwd als zijnde `Thursos' van Bacchus (z.~ boven), omdat de Stengel, zegt Dod.~ (270), `opsijn t'sop een breede ende ronde kroone / eerst bol van bloemen ende daernae van saet / eenighsins de ghedaente van eenen Thyrsus uytdruckende', heeft: `waer van oock het woort Narthex oft Ferula van sommighe ghebruickt wort / om den Thyrsus te beteeckenen; ende om de selve oorsacke wort den Godt Bacchus / die by de Poten ende dichters Thyr- sophoros ghemeynlijck geheeten is / oock somtijts Narthecophoros Narthekophoros ghenoemt / nae de Thyrsi oft stocken diemen in de feest van dien Af-Godt pleegh om te draghen ende te schudden nae de wijse van de oude Heydenen'. Dodoens schijnt dus geen onderscheid te maken tusschen `Thursos' en `Narthex'. -- Over deze gemeene Ferula leest men bij Pickering, 127: `Ferula communis... in which we recognize the `nartheca' or `ferula' employed to preserve fire stuck from the rock; an arth taught by Prometheus'. Deze zou dus iplv.~ vuurdief de eerste vuurslager geweest zijn. 2"o" Naar Tournefort (Voyage dans le Levant, I, 377) het Zeegroene Roedekruid^_(2)_^, in Griekenland gemeen. 3"o" Naar sommigen de Asa-foetida^_(3)_^, die ook een Ferula is. 4"o" Naar Berggren (in; Isis, 1828, j.~ 196) de Tandenkoter-Ammi^_(4)_^ (aldus genoemd omdat, heden nog in Spanje b.v.~, de welriekende Schermsteeltjes als tandenkoter gebezigd worden), insgelijks een Schermbloemige uit Zuid-Europa: het Vuur zou bewaard geweest zijn in de kleine witte Schermen met samen- getrokken Bloemtuiltjes (als die der rijpwordende Peen bij ons). 5"o" Naar Hecker (Wdb.~), een eenvoudige Vliertwijg^_(5)_^, die zeer hol al witmergig is. 6"o" De Botanist Mhring (gest.~ 1792), uit Dantzick, heeft den naam Narthe- cium -- diminutief van Narthex -- gegeven aan de Beenbreek^_(6)_^ of Arenlelie, nog gewoon in de moerassige Kempen: misschien heeft de eenigszins stijve Stengel, die men ook in de scholen als slagstok bezigde, (z.~ Kannegiesser) evenals de Ferula, aan Narthex doen denken. Verkeerd is het echter deze lelie- achtige met Prometheus'~ Narthex te identificeeren. Over deze met fabels omringde Plant, zie Simon Pauli (Quadripartitum, 532) en Gleditsch (in: Mm.~ de Berlin, 1781, 68). Over Narthex, raadplege men Andreas Pantecovius, De Herba Promethei, | | ^(1)^ Ferula communis L. | | | ^(2)^ Perula glauca L. | | | ^(3)^ Ferula narthex Boiss.~ ("=" Narthex asa-foedida Falconner). | | | ^(4)^ Ammi visnaga L. | | | ^(5)^ Sambucus nigra L. | | | ^(6)^ Narthecium ossifragum L. | Apollonii et Propertii (in: Act.~ Mar.~ Balth.~, anno 1708); -- Plin.~ VII, 57 en XIII, 43; -- Aeschylus, Prom.~ 109; -- Euripides, Bacch.~ 695, -- Xenophon, Cyr.~ II, 3, 7._ De Tooverroede van Circe (Kirke). Circe, als alle Tooveres, bezat een (gulden) Tooverroede, waarmede zij den koningszoon Pikus in Specht vervormde. _Pikus was, naar de sage, koning van Latium en overschoon van gestalte. Eens ging hij jagen in het land van Laurente en kwam in een bosch, waar Circe Tooverkruiden plukte. Toen zij den jongeling in 't oog kreeg, sloop terstond de liefde in haar, maar Pikus, die Canens (de Zangster) minde, versmaadde Circ's minnevlam. De gehoonde Tooveres keert zich nu tweemaal naar 't Westen, tweemaal naar 't Oosten, streelt den jongeling driemaal met haar gulden Tooverstaf en spreekt driemaal een Tooververs uit: Pikus wordt Specht, die met zijnen bek in de Eiken en ander hooge Boomstakken prikt en boort; en wiens veren de roode verf van des jagers rijrok hebben, en de gouden gesp, waarmede deze rond den hals is vastgemaakt, wordt een gouden kleurring als halsband voor den Vogel. De jachtgezellen, die Pikus zochten, kwamen bij; doch Circ besprengde ze met het giftig Sap harer Kruiden en veranderde ze, door het bestrijken van hun aangezicht met haar venijnige Roede, in wondere dieren. (Ovid.~ Met.~, l.~ XIV, c.~ V; Virg.~ Aeneis, VII, vs.~ 189 en vvgg.~). Men zegt niet van welke stof die schadelijke Tooverroede van Circe was vervaardigd._ Tooverroede van Medea. _Het was een Vlierstengel^_(1)_^. Met Jason ging Medea naar het heilige Woud waar het Gulden Vlies aan eenen Eikehoom^_(2)_^ hing en er door den slaaploozen draak bewaard werd. Met hare Vlierroede sprenkelde zij eenen Tooverdrank in de oogen van het ondier, dat in slaap viel. Zoo roofde Jason het kostelijke Vlies. (Schwab, die Sch.~ Sag.~ 65). Naar Ovidius, (Met.~ VII, 1) is het Jason zelf die het gedrocht `met vergeet-sap' besproeit en tegelijkertijd `drie-werf sijn slaep-toover-vers' her- haalt. (Z.~ de vert.~ van Abr.~ Valentyn B, 188). Ovidius gebruikte: `sparsit Lethaei gramine suci'._ Tooverroede der Magirs. Met een Tooverroede trokken de Magirs hunnen Toover- kring. _Gubern.~ I, 57._ | | ^(1)^ Sambucus nigra L. | | | ^(2)^ Quercus-soort, wellicht Q.~ aegilops L. | Naar Avesta werkten de Perzische Priesters met Toover- roeden. _Het waren eigenlijk Roedenbundeltjes, `Baresmn' geheeten. Die Roeden moesten op bepaalde tijden en naar bepaalde riten gesneden worden. (Reinach: Relig.~ vol.~ d'oiseau, II, 6)._ De Tooverroede is ook in de Germaansche en Noorsche mythologie bekend. In de Eddaliederen en in andere gedichten wordt er melding van gemaakt. _De Tooverstaf was onmisbaar voor een Noorschen Toovenaar, zegt Herr- mann (NM.~, 55). Een driedubbele slag met den Tooverstaf op de linkerwang ontnam alle geheugen, doch zulke slag op de rechter schonk het terug. Een simpele beroering met den Staf deed den beroerde alles vergeten. De Tooverroede had eenen ring: zoo men de Roede met de spits in loopend water stak en op den ring beet, dreef het tegengehouden water terug naar zijn oorsprong. Aldus Herrmann ter aangehaalde plaatse. Odin's Tooverstaf. Odin was niet alleen een groot God, maar ook een Toovenaar. Een zijner namen is `Gondli' d.i.~ Drager van den Tooverstaf. (Herrmann. NM.~, 306). -- Die Tooverstaf werd hem geschonken door den reus Hlebard, en daarmede ontroofde Harbard ("=" Grauwbaard, een bijnaam van Odin) Hlebard het verstand. (Harbardlied, 20; Perger, 249). Die Roede heet in de Edda `Gambantein', woord dat Lning (Edda) vertaalt door `Springwurzel^_(1)_^, Wnschelrute'. -- Vgl.~ boven Medea's Tooverroede. Odin's Slaapdoorn, waarmede hij Brunhilde in slaap dompelt (Helreid Brynhildar, 6 en vvgg.~; Sigrdrifuml, 4; Nevelingenlied) is, naar Hagen, een `Wunsch' of Tooverstaf, -- naar anderen de Hondsroos^_(2)_^; -- naar Perger (288) de Slaapappel^_(3)_^; -- naar enkelen de mystische Marentak^_(4)_^. Skirni's Tooverstaf. Skirni, dienaar en vriend van den Wanengod Frey, rijdt naar de schoone Gerd en zegt: `Ik heb hier elf Appels, gansch van goud, die zal ik u, Gerd, geven, om uwe liefde te koopen en opdat gij bekennet dat geen liefster voor u leeft dan Frey is'. Gerd antwoordt: `Die elf Appels neem ik van u niet aan, en geen mans liefde: nooit kunnen ik en Frey, zoolang wij ademen, te zamen zijn'. Zij weigert nog, als Skirni haar den gouden ring Draupni aanbiedt, Odin's ring, die ieder negenden nacht acht zulke ringen neerdroppen laat. Zij blijft weigeren zelfs als Skirni bedreigt haar en haren vader met zijn Tooverzwaard, | | ^(1)^ Nu, de `Springwurzel' zou Euphorbia lathyrus L.~ zijn. | | | ^(2)^ Rosa canina L. | | | ^(3)^ Mosachtige uitwas. door de larven van een insect (Rhodites rosea L.~) | op de Hondsroos teweeg gebracht: onder het hoofdkussen gelegd deed het slapen. | | | ^(4)^ Viscum album L. | Frey's zwaard dat zich vanzelf rondzwaait, het hoofd af te houwen. Eindelijk gebruikt Skirni verwenschingen: Vermits Gerd zijne geschenken afwijst, zal zij, eenzaam, in tranen haar lot betreuren; leed zal op haar wegen; ongehuwd, onvruchtbaar en zonder voedsel, zal zij verderven als de Distel^_(1)_^, die dringt in des ovens opening. En hij voegt er bij: `Tot den heuvel is hij gegaan, in 't diepe woud om er een Tooverroede^_(2)_^ te vinden; en een Tooverroede(2) heeft hij er gevonden. Hierin zal hij nu onheilvolle Runen snijden: een `Thurs' voor Gerd en drie Runen (Onmacht, Waanzin en Ongeduld). Doch hij zal die onheil- volle Runen afschaven en den Toover lossen, als Gerd gewillig toestemt'. En de schoone Gerd stemt nu toe: in het woud Barri zal zij, na negen nachten, Frey toebehooren. (Skirnis mal; Gylf.~, 37; Herrm.~ NM.~ 209-210 en 534; Simrock, 33 vvgg.~). Vgl.~ nog een Skaldenlied, waarin de Reuzin Grid -- een onweermaakster, die uit hare neusgaten storm, stortregen en hagel blaast -- aan God Thor haren Krachtgordel, hare ijzeren Handschoenen en haren Tooverstaf leent. (Herrm.~ NM.~ 368-370)._ Zelfs Heiligen bezaten zulke Wonderroeden of -staven, die, in den grond gestoken, groeiden en bloeiden, of bronnen deden ontspringen. _Dorre staven groeien. 1"o" Jozef's Staf bloeit. St.~ Jozef dingt met ander jongelingen om de hand van Maria. Zij komen bij den opperpriester en allen hebben een dorre Roede in hunne hand. De uitverkoren zal zijn die, wiens Staf bloeit, en indien een witte Duif zich op het uiteinde van den Staf nederzet. De bloeiende Staf was die van St. Jozef (z.~ het apokryphe evangelie: De Nativitate Mariae; Hennecke: Neutestamentliche Apokryphen, Leipz.~ 1904). Vele varianten van die apokryphi- sche legende zijn bekend. (Perger, 284; This.~ 249; Oomen, 66; Gub.~ I, 192, II, 257; Teirl.~ Plantl.~ I, 152, Pk.~ 216; vooral Dhnh.~, II, 265 en vvgg; O.~ Schade: Liber de Infantia Mariae et Christi Salvatoris, Knigsb.~ 1819, 19 vvgg.~ en 114; Bolte in: Euphorion, 4, 323-333, en Zschr.~ f.~ VK.~ 15, 393; 18, 455: Basset: Le Bton qui reverdit). Welke Bloemen bloeiden op Jozef's Staf? a) De Oleander^_(3)_^: naar een Toskaansche legende (Gub.~ l.~ c.~; Folkard: Plantlore, 40; Pitr e Salomone-Marino: Archivio, 14, 720). Daarom heet de Sierheester it.~ `Mazza di San Giuseppe' "=" St.~ Jozefsstaf. Bij Rolland, VIII, 30, `Fleur de St.~ Joseph, Bton de S.~ Joseph'. b) Het witte Klokje^_(4)_^: naar een legende uit Bologna (Dhn.~ II, 266, naar Berti: Appunti di Botanica Bolognese, 1875, p.~ 8). Hier heet de Plant `Bastunzein | | ^(1)^ Geslachten Carduus en Cirsium. | | | ^(2)^ In de Edda staat tweemaal `Gambantein'. | | | ^(3)^ Nerium oleander L. | | | ^(4)^ Campanula medium L.~, var.~ met witte Bloemen? | d'San Jusf' "=" it.~ `Bastoncino di S.~ Gueseppe' "=" St.~ Jozefstok(je). -- "*" Vgl.~ hiermee de Waalsche naam: `Fleur du Saint Djsef' "=" St.~ Jozefsbloem, naam van het pyramidale Klokje^_(1)_^ te Oneux en Theux (Roll.~ VII, 226). c) De Stokroos^_(2)_^, naar een legende uit Malta. (Dhnh.~, 11, 265). "*" d) De Witte Lelie^_(3)_^, in West-Vl.~ St.~ Jozefslelie en in Waas nog St.~ Jozefspalm, naar de algemeene ikonographische opvatting: men verbeeldt den heiligen gewoonlijk met eene Lelie in zijn hand. -- In St.~ Gall (Zwits.~) heet de roode Lelie^_(4)_^ `St.~ Josephs Ilga'. (Pritz.~ u.~ Jess.~). e) De gele Narcis^_(5)_^, te oordeelen naar den naam van de Plant in Lausitz en te Ulm: `St.~ Josephsstab' (Pritz.~ u.~ Jess.~), `Josephsstbel' (Sal.~-Voss). f) De Pyramidale Steenbreek of het Navelkruid^_(6)_^, naar den naam te oordeelen, die deze roedvormige en bebloemde Stengelplant te La Hague (dp. Manche) draagt: `Bton S.~ Jos' (Roll.~ VI, 113). g) De Maagdepalm^_(7)_^, omdat, vertelt ons een Tiroolsche legende, Jozef op den dag van zijn huwelijk, zijn Wandelstok in den grond stak, ter plaatse dat lieflijk Bloempje ontstond en zich snel rond den Stok omhoogrankte; daar Jozef dat zag, liet hij de Plant voortwoekeren en deze welkte nimmer, jaaruit jaarin, en groende voort als alle Boomen hun loof lieten nedervallen; daarom wordt heden nog dit Gewas `Immergrn' geheeten. (Dhnh.~ II, 266; naar Heyl: Volkssagen aus Tirol, 44 vvgg.~). Vgl.~ hiermee den engelschen naam van het Blauwe Speerkruid^_(8)_^ `Josephs Walking-stick' "=" Jozefs Wandelstok. (Roll.~ VIII, 53). h) De welriekende Pijpenstruik^_(9)_^, een welbekende Sierstruik, hier en daar, in Duitschl.~ `Josephsstab' geheeten. (Sal.~-Voss). Vele schilders hebben deze mooie legende vereeuwigd. Om enkel oude Belgische schilders te noemen: de schilderij aan den Meester van Flmalle toege- schreven (Prado te Madrid); die toegeschreven aan Rogier Van der Weyden (Kathedraal van Antwerpen); die toegeschreven aan een leerling van den Meester van Flmalle (kerk te Hoogstraten); die van Hendrik met de Bles (verzam.~ van Sir Fr.~ Cook, Richmond); een drieluik (Gununaruskerk te Lier). Zie hierover L.~ van Puyvelde, Onderzoek naar de Oorzaken der Wijzigingen in de Iconogra- phie der oude Nederlandsche Schilderkunst (in: Versl.~ en Med.~ Kon.~ Vl.~ Acad.~, p.~ 564 en vvgg.~). "*" 2"o" Sint-Jansappelen. St.~ Jan bijgenaamd het Lam, was een landbouwer | | ^(1)^ C.~ pyramidalis L. | | | ^(2)^ Althaea rosea L. | | | ^(3)^ Lilium candidum L. | | | ^(4)^ L.~ bulbiferum L. | | | ^(5)^ Narcissus pseudo-narcissus L.~: naar eenigen N.~ poetieus L. (`Josefsstift' | bij Sal.~-Voss). | | | ^(6)^ Saxifraga cotyledon L. | | | ^(7)^ Vinea minor L. | | | ^(8)^ Polemonium c"ae"ruleum L. | | | ^(9)^ Philadelphus coronarius L. | uit Tihange en leefde in de 7"e" eeuw. Op eenen dag ging hij rond zijn erf en ontmoette een pelgrim, die hem zei dat de bisschopsstoel van Tongeren open was en God hem beval bisschop te zijn. Jan antwoordde dat hij ongeleerd was en hij niet gelooven kon dat zulks de wil van God zou zijn, zoo min als dat hij kon gelooven dat zijn droge Stok groeien en Vruchten zou dragen. Hij stak den Stok in de aarde en, zie! hij schoot Wortels, Bladeren en werd een Appel- boom^_(1)_^, en deze droeg Appels die men sedertdien St.~ Jans-Appelen heet. (Teirl.~ Folkl.~ flam.~ p.~ 52; Plantl.~ 152; Pk.~, 209). H.~ Welters (Limb.~ Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen, p.~ 74) zegt dat er kwestie was van den bisschopsstoel van Maastricht, die Jan in 631 besteeg. Wolf, N.~ S.~ (n"r" 141) spreekt echter van den stoel van Tongeren, en hij zal wel gelijk hebben (naar: Chapeavillus ad Harigerum, I, 72; J.~ Molani natales Sanctorum Belgii; De Reiffenberg: Nouv.~ Arch.~ hist.~ p.~ 155). "*" 3"o" De Eik van St.~ Guido te Anderlecht. Guido (Gwijde; in den volksmond Sinter-Wijen) is de patroon van de voorstad Anderlecht (Brussel). Hij was knecht bij een landbouwer. Op eenen dag was hij bezig met land te beploegen en stapte achter de werkdieren met zijnen Akkerstok; hij stak dezen in den grond ten einde te kunnen knielen en bidden: De Stok kreeg Wortels, groeide, toonde Bladeren en werd een Eik^_(2)_^. De Eik van Sinter-Wijen bestond, naar de sage, omtrent zes honderd jaar. (Teirl.~ Plantl.~ 153; Pk.~ 308; De Cock en Teirl.~, Br.~ Sagenb.~, II, ). "*" 4"o" De groenende Stokken van Gommarus en Rumoldus. Gommarus van Lier (prov.~ Antw.) en Rumoldus (Rombaut) van Mechelen gingen elkaar bezoe- ken. Zij kwamen elkaar tegen, omtrent halverwege Lier en Mechelen, niet verre van Duffel. Zij wierpen er hunnen Wandelstaf op den grond: de twee Stokken begonnen Wortels, Stam en Bladeren te schieten. (Teirl.~, Plantl.~; Pk.~, 305; Gen.~ Leg.~, II, 369). "*" 5"o" De Hagedoorn van St.~ Guibert. Guibert (Guibertus of Witbertus) is de patroon van het stadje Gembloers, (fr.~ Gembloux, pr.~ Namen, Belg.~). Op eenen dag plantte hij zijnen Staf -- Guibert was abt -- in den grond: de staf werd een bloeiende Hagedoorn^_(3)_^, die de Walen heden nog, na 1400 jaar, `Buisson de St.~ Guibert' heeten. Op zijn feestdag 23 Mei gaat te Gembloers de zoogenaamde Nachtelijke Processie uit: iedereen draagt brandende fakkels en kaarsen en doet den bedevaartweg, die vier uren duurt. Deze weg loopt voorbij den Wonderbaren Doornstruik; hier blijft de Processie stilstaan, terwijl jongens op den Doorn kruipen en bloeiende Takken naar de omstanders werpen, die ze mede naar huis dragen en ze er godvruchtig als gunstig amulet bewaren. Begrij- pelijk is 't dat de `Buisson de St.~ Guibert', dien men heden nog ziet, een plaats- vervanger van den oorspronkelijken is. "*" 6"o" De Eik van Bemardus te Robermont (Villers-la-Ville, Brabant). Robermont is de naam van de rotshoogte, die, noordwaarts, de kerk van de | | ^(1)^ Malus communis L. | | | ^(2)^ Quercus robur L. | | | ^(3)^ Crataegus oxyacantha L.~ of Cr.~ monogyna Jacq. | vermaarde puinen van de abdij van Villers-la-Ville beheerscht. Op dezen heuvel Robermont plantte St.~ Bernardus -- vooraleer deze abdij in 1147 te verlaten -- zijnen Staf in den grond: de Staf schoot Wortels en werd een prachtige Eik^_(1)_^. Daar werd een kapel opgericht, waarvan men nog eenige overblijfselen kan ontwaren. Naar een volksoverlevering werd deze Eik door den bliksem den 28 Febr.~ 1697 vernield; op hetzelfde oogenblik stierf aan een geraaktheid den abt Moniot. (E.~ Van Bemmel: Guide de l'Excursionniste, 11"e" uitg.~ 1894, bewerkt door Albert Dubois, p.~ 59). 7"o" De wonderbare Den^_(2)_^ van Maternus. Maternus, bisschop van Trier, bezat eenen Staf, die in zijn appelvormig uiteinde, eenen vinger met den ring van den H.~ Theobald droeg. Op eenen avond kwam de vermoeide Matemus bij eenen Den, in den Elzas, zette zijnen Staf tegen den Stam, klom op den Boom en sliep in. Doch zie! des anderen daags waren Bisschopsstaf en Dennestam innig vergroeid! Ter herinnering aan dit wonder werd de bedevaartsplaats van Thann -- hgd.~ Tanne "=" Den -- gesticht. (Perger, 340; naar Menzel Symb.~. II, 433; Teirl.~ Pk.~ 337). 8"o" De Linde van Procopius. Deze heilige was abt van Sauwa in Bohemen. Hier, in het dorp Mukow ziet men een groote Linde^_(3)_^ en, naar het volk vertelt, heeft Procopius te dier plaatse zijnen Wandelstok in den grond gestoken, waarop de Stok dadelijk begon te groeien en te bloeien. (Reinsb.~, Fest-Kal.~ 340; Teirl.~ Pk.~ 352). 9"o" De groeiende Staf van Fingal. Men vertelt dat de H.~ Fingal zijnen Wandelstaf in den grond stiet en dat de dorre Stok Bladeren en Bloemen kreeg. (Perger, 284). 10"o" De Bloeiende Stok van Friard. De H.~ Friard ("+-" 590, geerd te Nantes, Frankr.~) wordt met eenen Boom verbeeld, omdat hij zijnen Staf nat maakte, in de aarde stak en deed groeien. (Reinsb.~-Dr.~ op Aug.~ 1; naar Surius; Perger, 284). 11"o" Ook de Staf van den martelaar Melorus (geerd te Chartres en Dreux, Frankr.~), in den grond gestoken, groeide en bloeide. (Teirl.~ Pk.~ 339). 12"o" Insgelijks die van Tresanus (te Reims geerd). Teirl.~ Pk.~ 373; Per- ger, 284). Zulk wonder gebeurde ook bij heilige vrouwen. "*" 1"o" De Hazelaar^_(4)_^ van de H.~ Alena. Alena woonde te Dilbeek (Brab.~) in de 7"e" eeuw. Te Vorst (bij Brussel) woonde toen een Christen persoon, die de Nieuwe Leer verkondigde; en iederen nacht ging Alena door het woud dat Dilbeek van Vorst scheidde, om in deze laatste plaats de morgen vergadering bij te wonen. Hier stond eene Kapel en deze was niet overlommerd. Daarover was Alena bedroefd. Eens stak zij haren Wandelstaf in de aarde, vooraleer in de Kapel te gaan. Den dienst gedaan zijnde, kwam zij buiten en zij bevond dat | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Abies pectinata DC. | | | ^(3)^ Tilia europaea L.~; nl.~ T.~ grandifolia Ehrh.~ of T.~ parvifolla Ehrh. | | | ^(4)^ Corylus avellana L. | haar Staf bloeide en Bladeren had gekregen: hij was een Hazelaar geworden. Het volk beweert dat deze Hazelaar, voor eenige jaren nog, naast de kerk te zien was. (Teirl.~ Pk.~, 260; De Cock en Teirl.~, Br.~ Sag.~, II, ). 2"o" De Ermelienedoorn^_(1)_^. Ermelindis -- in den volksmond Enneliene -- overleed te Meldert (Brab.~; fr.~ Maillard: A"o" 598). Op eenen dag werd zij door den wulpschen heer van Bevekom (fr.~ Beauvechain) achtervolgd; zij verborg zich in een kudde schapen, na haren Wandelstok in den grond gestoken te hebben. Terstond werd de Stok groen en kreeg Bloemen en Bladeren. De achter- volger kwam, een weinig daarna, ter plaatse, en daar hij Ermelindis niet ont- waarde, vroeg hij den herder of daar geen jonge maagd was voorbijgegaan. `Ja zeker, was het antwoord, maar het is al lang geleden, want zie! zij heeft hier dat lief Doornboompje geplant en het staat al in volle Bloem!' Als het zoolang geleden was, werd alle vervolging nutteloos, dacht de jonge heer, en hij trok terug naar Bevekom. (Leven van de H.~ Ermelindis, 22; Hagelander, VI, 118; Teirl.~ Pk.~, 295). 3"o" De Staf van Etheldrede wordt Boom. Ook Ediltrudis en Audrey gehee- ten. Deze Engelsche heilige wordt eens door haren gemaal, koning Egfred, achtervolgd, omdat zij belofte van zuiverheid heeft gedaan. Vermoeid rust zij op den kant van een gracht en slaapt in, na haren Staf in den grond gestoken te hebben. 't Is zomer en zeer heet. En bij haar ontwaken ziet zij dat zij onder een lommerrijk welfsel van beschermend Loof ligt: op min dan en uur was haar Staf een dichtbebladerde Boom geworden! (Saints et Ftes du Calendrier Angli- can, in: Rev.~ brit.~, 1852, op 17 Oct.~). Eenige Parallelen mogen hier aangehaald worden. 1"o" Drie samengewrongen Twijgen worden een Boom. Seth kwam in het Paradijs -- na de verdrijving zijner ouders Adam en Eva -- om de hem beloofde Olie van Bermbertigheid te halen voor zijn zieken vader en de engel, die de Olie bewaarde, schonk hem drie Twijgen: den eersten van een Olijfboom^_(2)_^, den tweeden van een Ceder^_(3)_^ en den derden van een Cipres^_(4)_^. De engel zei: `Als deze Boomen zullen Olie geven, zal uw vader gezond opstaan'. Maar Seth, bij zijnen terugkeer, vond te Ebron zijnen vader dood. De drie meegebrachte Twijgen werden samengevlochten en op Adams graf geplaatst: zij werden er een enkele Boom. Deze werd eerst geplant op den berg Libanon, daarna bij Jerusalem. En thans vindt men daar een klooster van Grieken, genoemd Mater Crucis. (Gub.~ I, 8; naar Marignolli, Cronicon Bohemorum, en Goffredo van Viterbo; Teirl.~ Pk.~, 237). Het is een greco-palestijnsche sage. 2"o" Drie Roedstukken worden drie Boomen. Eene Klein-Russische Kruisle- gende: Adam was oud en ging sterven; doch voor den Heer pochte hij dat hij sterk en onsterfelijk was. De Heer zou zijn hoogmoed straffen. Toen Adam zich voelde oud worden en in onmacht komen, zond hij zijn zoon Seth naar het | | ^(1)^ Crataegus oxyacantha L.~ of C.~ monogyna Jacq. | | | ^(2)^ Olea europaea L. | | | ^(3)^ Pinus cedrus L. | | | ^(4)^ Cupressus sempervirens L. | aardsch Paradijs om er een gouden Appel^_(1)_^ te plukken. Doch Seth bracht, iplv.~ den gouden Appel, de Roede, waarmede Adam uit het Paradijs werd ver- jaagd. Adam sneed ze in drie stukken, maakte er drie ringen van en wond deze rond zijn hoofd dat groote zeer deed. De hoofdpijn verdween schielijk, doch snel daarna stierf Adam. Na zijnen dood plantte men de drie Roedestukken in den grond; en zij werden drie Boomen: een Cipres, een Ceder en een `driemaal gelukzalige Boom'. Van dezen laatsten -- waarschijnlijk een Olijfboom -- werd het Kruis van Christus gemaakt. (Gub.~ I, 7-8; een Klein-Russische sage van Dragomanoff, Malorusskiya, enz.~, 1876, p.~ 93; Teirl.~ Pk.~, 236-7). 3"o" Drie Brandstokken worden Boomen. Abraham ontmoette, langs den Jordaan, eenen herder, die zich berouwde over eene zonde die hij bedreven had. Abraham raadde hem aan drie Brandstokken in den grond te steken en ze met zorg te begieten. Na veertig dagen hadden de drie Stokken de gedaante van eenen Cipres, eenen Ceder en eenen Pijnboom^_(2)_^, met afzonderlijke ver- schillende Takken en Wortels, doch met denzelfden eenigen onverdeelden Stam. De Wonderboom groeide tot den tijd van Salomo, die hem tot het opbouwen van zijnen tempel liet omhouwen en wilde gebruiken; maar het lukte hem niet; eindelijk besloot Salomo den Boom tot zitbank voor de bezoekers van den tempel te laten dienen. Doch de Sibylle Erythraea (nl.~ de koningin van Saba), bij het bezoek aan den tempel, weigerde op de bank te zitten en riep uit: `Driemaal gezegend is het Hout, waarop de Christus, God en Koning, zal gedood worden!' Toen liet Salomo dit Hout op een voetstal zetten en versierde het met dertig zilveren kronen of kringen. Deze dertig kronen verbeeldden de dertig zilver- penningen van den verrader Judas, en het Hout zou later voor het Kruis van den Heiland dienen. (Grieksche legende: Gub.~ I, 14-15; Teirl.~ Pk.~ 224, naar Mussafia, die te Weenen, bij Gerold, 1870, een verhandeling over de Legende van het Heilig Hout liet verschijnen; de legende werd opgeteekend door Gretser). 4"o" "*" De Jakobsstaf. Naar de volksnamen te oordeelen is deze Staf geworden: het St.~ Jakobskruid^_(3)_^, naar den stafvormigen geel-bebloeiden Stengel; `Jakobs- stab' bij Augsburg (Pritz.~ u.~ Jess.); -- de wolbladige Toorts^_(4)_^, om dezelfde reden: eng.~ `Jacob's staff' (Roll.~ VIII, 149); -- de gele Affodille^_(5)_^, om dezelfde reden: fr.~ `Bton de Jacob'; -- of het Perzikbladige Klokje^_(6)_^, de Stengel is stafvormig, doch de Bloemen zijn gewoonlijk blauw: fr.~ `Baton de Jacob' en `Bastoun de Jacob' (Roll.~ VI, 227); -- of het gewone Klokje^_(7)_^: fr.~ `Baton de Jacob' of `Baton de St.~ Jacques' (Roll.~ VI, 229). Eene sage dienaangaande is mij evenwel onbekend. | | ^(1)^ Citrus decumana L.~, de Adamsappel (Teirl.~ Pk.~, 225); it.~ `Pomo d'Ada- | mo'. (Roll.~ III, 369). | | | ^(2)^ Misschien de Aleppo-Pijn. Pinus halepensis Mill. | | | ^(3)^ Senecio jacobaea L. | | | ^(4)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(5)^ Asphodelus luteus L. | | | ^(6)^ Campanula persicifolia L. | | | ^(7)^ C.~ rapunculus L. | 5"o" Mozes'~ Staf wordt Plant. Eene Steppenplant uit Turkestan zou ontstaan zijn uit den Staf van Mozes, begraven in de omstr.~ van Buchara. De Plant heet `Asa-i-Musa'. (Dhnh.~, II, 266). De wetenschappelijke naam hiervan ken ik niet. 6"o" Drie Staven worden Boomen. Eenen dag plantte Jezus de drie Staven van eenen herder en van dezes twee dochters: de Staven werden drie Boomen met Bloemen en Vruchten bedekt. Die Boomen bestonden nog ten tijde van den Egyptischen Bisschop Cyriacus, die het wonder vertelt. (Dhnh.~, II, 266-7; naar R.~ Hofmann: Leben Jesu, p.~ 184). -- Vgl.~ boven 3"o" waar nagenoeg hetzelfde op Abraham wordt teruggevoerd. 7"o" Dorre Staf van Christus wordt Olijfboom^_(1)_^. Op eenen dag (25 Mei) stak Christus een dorren Staf in de aarde: hij werd een Olijfboom, die nog heden groent in Buk, niet ver van Moharrak. (Dhnh.~, II, 267, naar Paulus: Samml.~ merkw.~ Reisen, 3, 79). 8"o" De Knots van Hercules wordt Olijfboom. Toen Herkuul aan Atlas die den Hemel droeg, zijn last ontnam, ontsproten uit zijn Knots, nieuwe Wortels en Botten. Naar Pausanias (II, 31, 10) was de Boom, dien hij zelf gezien had, de wilde Olijfboom. (Dhnh., II, 266). -- Clava herculis is voor velen de witte Waterlelie^_(2)_^ (Teirl.~ Pk.~, 86); -- anderen noemen de Knodsvormige Flesch- kauwoerde `Massue d'Hercule' (Roll.~, IV, 33) en `Herkuleskeule' (Sal.~-Voss). 9"o" De Lans van Minerva wordt Olijfboom^_(1)_^. Cecrops sticht een nieuwe stad. Neptunus en Minerva betwisten elkander het beschermrecht er over: Neptunus sloeg met zijn drietand op den grond en er kwam een paard uitge- sprongen; Minerva stak hare lans in de aarde en het wapen werd in Olijfboom herschapen; daarom is de Olijfboom haar toegewijd en kreeg de nieuwe stad haren naam: Athene. (Teirl.~ Pk.~ 38; Oomen, 241). 10"o" De Lansen van Frankische Jonkvrouwen worden groen en bloeien. Vgl.~ hiermee wat het Rolandslied zingt. Na den dood van Roland en de wraak die Karel de Groote hierover nam, staken Frankische Jonkvrouwen hunne lansen in den grond: zij groeiden en bloeiden. (Perger, 284; Teirl.~ Plantl.~, 153). 11"o" De groenende Staf van den Paus. Tannhuser gaat tot den Paus om vergiffenis zijner zonden te bekomen. Doch de Paus zegt dat die zonden niet kunnen vergeven worden: evenals zijn Staf, dien hij in den grond steekt, niet groenen kan. En zie! de dorre Staf van den Paus groeit! Een teeken voor den Paus dat alle zonde kan vergeven worden en men nooit mag wanhopen. (Perger, 285; Teirl.~ Plantl.~, 153). Vgl.~ hiermee eene Armenische sage: een jonge graaf verkoopt zijne ziel aan den duivel en moet de dochter eener heks trouwen, hij komt tot inkeer, gaat bij een heremijt: deze steekt zijnen Staf in den grond; de jonge graaf moet er vor bidden totdat de Staf groen wordt; na drie iaar gebeurt het! (Men leze het | | ^(1)^ Olea europaea L. | | | ^(2)^ Nymphaea alba L. Naar den dikken wortelstok. | | | ^(3)^ Cucurbita lagenaria L.~ var.~ clavata. | vervolg bij: Wlislocki: Mrchen u.~ Sagen der Bukowinaer u.~ Siebenbrger Armenier, p.~ 156 en vvgg.~). "*" 12"o" De Boog wordt Boom. De St.~ Amandsboom stond (in de 14"e" eeuw nog) vor de Kerk van Oedelem (West-Vl.~). Amandus predikte te Oedelem. Onze heidensche Voorvaderen wilden den Apostel dooden, en een hunner beste boogschutters zette zijnen boog met en uiteinde op den grond, met het doel zijn wapen sterker te spannen: de boog dringt in de aarde, schiet Wortelen en wordt een hooge Boom, de St.~ Amandsboom. (Teirl.~ Pk.~, 262; Wolf, N.~ S.~, 660, naar Gillis de Wevel: Leven van St.~ Amand, uitg.~ Blommaert, 1842). "*" 13"o" De drie Roedjes worden drie Linden^_(1)_^. Adilia was de overste van het klooster van Groot-Orp (fr.~ Orp-le-Grand, Brabant). Op zekeren dag kwam bij haar een man met drie Roedjes van een Linde en zei: `Vrouwe, ontvang die Rocdckens en plant ze, opdat, opdat zij namaals tot uw gedachtenis zouden blijven'. Zij nam de Roedjea en beval drie putten te graven. Maar een der zusters kwam tot Adilia en waarschuwde: `Vrouwe, en wil deze Roedekens niet planten, want daar komen zeer dikwijls, van deze Boomen, schadelijke wormen'. En Adilia antwoordde: `En wil niet beroerd zijn, want er zal niets kwaads van die Boomen komen'. En zij nam een Roedje en zei: `Ik plant u in den naam des Vaders', en zij nam het tweede en zei: `en des Zoons', en zij nam het derde en zei: `en des H.~ Geestes'. De Roedjes werden groote Linden, ze leefden nog in 1711. (Ribadineira, Gen.~ Leg.~, uitg.~ van Rosweyde, 592; Teirl.~ Pk.~, 257). 14"o" Bij de Kongoleezen (in Mayombe) bestaat een soortgelijke sage. De oudste der Mayombsche `Bakongo's', Koning Makaba kwam met zijn acht broeders en zijn volk uit den zuidelijken `Simu Kongo' (Portugeeschen Kongo) en ??? Nzadi (Kongostroom) over, geholpen door zekeren `Nzondo' (een ??? mensch of mankepoot, zijn Fetisch-priester). Deze plantte in 't mid- den van een stroom eenen Stok met Toovermiddelen: de Stok groeide en werd een gr??? `Nsanda' (Vijgeboom. Ficus dusenii). `Nzondo' spreidde dan een Toover???tje over het brecdc water en zette er mee Makaba en zijn volk over. (Bittremieux. 34B; vgl.~ ook blz.~ 556, waar het Nzondo's lijfkoordeken is dat de groote Boom wordt)._ Wonderroeden geven water. Sagen betreffende Wonderroeden die bronnen doen ontsprin- gen, zijn in de volksliteratuur zeer talrijk. Zulke Roeden of Staven behoorden aan Goden, Heiligen, Toovenaars. Onder de Neder- landsche Heiligen die met zulk doel hun Staf gebruikten. kan ik vermelden: _Mannen. "*" 1"o" De Gommarusbron. Gommarus bevond zich, op zekeren dag, te | | ^(1)^ Tilia europaea L. | Emblehem bij Lier (prov.~ Antwerpen). Daar was geen drinkbaar water. De heilige maakt, met zijn Wandelstaf, een put in den grond en daar sproot ter- stond een klare, overvloedige bron, die nog bestaat en veel zieken lokt en geneest. (Gen.~ Leg.~, II, 369). "*" 2"o" De Rombautsput. In de Dijkstraat te Steenokkerzeel (Brabant) ziet men een bron die St.~ Rombautsput heet. Op eenen stikheet en dag werkten oogsters op het veld en werden door den dorst gekweld; en daar er geen drinkbaar water was, kwamen zij bij St.~ Rombaut, die alsdan op het kasteel te Steenokker- zeel verbleef en juist langs den graanakker voorbij ging, en smeekten hem hunnen brandenden dorst te lesschen. Rumaldus sloeg, met zijnen Stok op den grond en daar ontsprong een klare bron, die thans nog te zien is en de menschen goed water schenkt. (Brab.~ Folklore, N"r" 2). "*" 3"o" De Veronusbron. Te Lembeek-bij-Hal (Brabant) heeft men den Veronusput of de Veronusborre. Veronus woonde te Lembeek. Eens steekt hij zijnen Stok in den grond en het wonderwater ontspringt. (De Cock en Teirl.~: Br.~ Sagenb.~ II, 310). "*" 4"o" De Landelinusbron. Landelinus, 1"e" abt van Lobbes, is ook de stichter van de abdij van Crespin. Door den dorst gefolterd stak hij zijn Wandelstaf in de aarde en het helder water borrelde zoo overvloedig omhoog dat het was `als eene gekrolde wolle: (want crespe in 't Franois, soa veel te segghen is, als gekrolt' (Gen.~ Leg.~ I, 632). Van dit Crespe heeft deze Fransche gemeente Crespin (dp.~ Nord, op de Belgische grens) haren naam ontvangen! "*" 5"o" De Omaarsbron. De St.~ Omaarsput wordt gevonden op de gemeente Alveringem (West-Vlaanderen). St.~ Omaar wil te dier plaatse een blind kind doopen, doch ziet nergens water: hij graaft met zijn Staf een putje in den grond en het verlangde doopwater komt er in. Sedertdien wordt dit putje ieder jaar een weinig grooter en thans is het een echte put. (Biekorf, 2-4). Vrouwen. "*" 1"o" De Reinildisbron. Te Laubecq-bij-Saintes (Brabant) werkt Reinildis (patrones van Saintes, bij het volk Sent Ernelle geheeten) met volk aan den hooioogst. Het is zeer heet en de arbeiders krijgen dorst. Nergens water! Reinildis steekt hare hark in den grond en eene heldere bron ontstaat, de St.~ Emelleborre. (De Cock en Teirl.~: Br.~ Sagenb.~, II, 284). Hier is geen Staf meer, wel een hooirijf. "*" 2"o" De Verona's borre. H.~ Verona wordt te Berthem (Brabant) vereerd. Op zekeren dag kwamen aldaar twee pelgrims voorbij en zegden aan Verona, dat zij dorst hadden en geen water vonden. Verona stak haren stok in de aarde en de Verona's borre, die te Berthem nog bestaat, ontsproot. (De Cock en Teirl.~, Br.~ Sagenb.~, II, 313). "*" 3"o" De Godelievebron. Men ziet ze nog te Longfort (in het Land van Boulogne, Frankr.~). Godelieve van Ghistel (West-Vl.~) stoot haar spinrokken in den grond en de mirakuleuze fontein borrelt omboog. (Volksleven, II, p.~ 197; naar Bertrand: Prcis de l'Hist.~ de Boulogne, II, 182). Vgl.~ met bovenstaande sagen: 1"o" De Mirakelroede van Colombanus. Deze beroemde heilige, abt van Luxeuil (Frankr.~), bezat een echte Tooverroede. `De riviere Bosius groeyde op eenen tijdt soo seer / dat den meulen van 't klooster in groot perijckel was om van het water wegh ghevoert te worden: den H.~ Colombanus beval aen zijnen diaken Sinoaldus / dat hij sijnen stock nemen soude; ende het teecken des H.~ Cruys maeckende aen de rivlere van zijnen weghen bevelen soude / dat sy eenen anderen wegh nemen soude. Sinoaldus beval 't; de riviere was ghehoor- saem'. (Gen.~ Leg.~ II, 506). -- Colambanus schonk zijnen Tooverstaf aan eenen armen man, die den Stok, op aanhitsen zijner vrouw, evenwel verbrak. (Perger, 250; naar Scotus: Vita S.~ Canisii, c.~ 24). 2"o" De Staf van Rhea. Naar Callimachus lokt Rhea, de Moeder der Goden, water uit de rots. (Nork, M.~ VS.~, 95). 3"o" De Bronroede van Juturna. Juturna, de Aquae Virgo, de Romeinsche Bronnimf, droeg eenen Staf in de hand; daarmede ontdekte zij verborgene bron- nen. (Plinius, XXXI, 3, 27; Perger, 249, Nork, M.~ VS.~, 75). En zie wat boven over de Tooverroede van Mozes en den Thyrsus van Bacchus (die wijn uit de rots doet springen) gezegd wordt._ Ook in sprookjes wordt dikwijls gewag gemaakt van Too- verroeden, en het zou mij te verre leiden, moest ik trachten zelfs maar een beknopte opsomming van die sprookjes hier te doen. "P""P" Tooverroeden van bepaalde Plantsoorten vervaardigd. De Tooverroede was gewoonlijk een Hazeltwijg^_(1)_^, waarom zij veelal Hazelroede wordt geheeten. Doch zij kan van velerhande Hout zijn, zelfs van geen Hout, een metalen Roede. De Hazel- roede mag niettemin als het type van de Tooverroede beschouwd worden. _Soort. -- Knortz (6) beweert, dat de hiertoe gekozen Hazelaarsoort eene `Weiszhaselstaude' moet zijn, d.i.~ een struik van den Witten Hazelaar. Hier- door wordt wellicht aangeduid de gewone wilde Hazelaar, waarvan het zaad der Noot in witte vliesjes besloten ligt: `de keernen van de Haselnoten zijn van binnen ghemeynlijck met een wit velleken bedeckt / te weten als sy in 't wildt groeyen: dan als sy in de hoven ende boomgaerden onderhouden ende gheoef- fent worden, dan zijn die vellekens roodtachtigh / ende de keernen soeter ende beter van smaeck'. Men noemt deze laatste `in 't Nederduytsch Roode Hasel- noten'. (Dod.~ 1280). -- Fusi (in zijn Mastigophore, 1609, p.~ 89) zegt dat de maagdelijke Hazelaar die nog niet gedragen heeft, zich buigt naar de ertsaders. (Roll.~ X, 197). -- De Hazelaar moet boven een mijnader gegroeid zijn. (Kircher, II, 176). -- Heden bezigt men nog zulke Hazelroeden in Itali. (Gub.~, II, 240; This.~, 266). | | ^(1)^ Corylus avellana L. | Vorm en lengte. -- De Hazelroede is een gegaffelde of eenvoudig een rechte Twijg (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73; Perger, 250-1). Sommigen zeggen dat zij moet gegaf- feld zijn. (Wuttke, N"r" 139; Chruel, Dict.~ hist.~ d.~ instit.~, m"oe"urs et cout.~ de la France, art.~ Baguette divinatoire). Het is een Hazelstok met drie aangewassen Roeden. (Von Schulenburg, Wend.~ VS.~ und Gebr.~ aus d.~ Spreewald, 1880, blz.~ 209). Lvy (H.~ M.~, 128) spreekt van de `Baguette magique' of echte Tooverroede, `qui doit tre d'un seul jet, parfaitement droit' en van `Fourche magique' of Toovervork. die gegaffeld is (id.~, 226). Zij moet njarig zijn: omdat zulke Twijg weinig den invloed der weer- gesteldheid heeft ondergaan en juist daardoor gevoeliger is dan de meerjarige. (Perger, 251). Zij moet driemaal de lengte van den wijsvinger hebben. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73); -- of de lengte van den arm of voorarm. (Lvy, H.~ M.~, 130). Manier van ze te snijden. -- De Hazelroede mag niet met een metalen tuig. dus niet met een mes gesneden worden, wel met een scherpen vuursteen. (Perger, 251; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73). In Tirol snijdt men ze met een mes dat men nog niet gebezigd heeft. (Wuttke. N"r" 139; Zingerle). Ook aldus, vroeger, in Frankrijk. (Roll.~ X, 198). Men snijdt ze met de magische Sikkel of gouden Sikkel. (Lvy, H.~ M.~, 128). Men moet ze zoo snel mogelijk snijden, in eenmaal, opdat men den Hazelaar den tijd niet gunne om de geheimnisvolle kracht die in den gesneden Twijg zit, tot zich terug te roepen. (Perger, 252; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73). In Rasse-Bretagne (Frankr.~) snijdt men ze in drie sneden. (Roll.~ X, 198). Men moet op de Hazelroede in de schors, met ene snede, drie Kruisen en daarna haar, met drie sneden, glad-af van den stam snijden. (Knortz. 6). Vooraleer te snijden moet men de Roede met de warme hand vastnemen, want de warme temperatuur bevordert de kracht der Roede (Perger. 525). De `Duytschen', zegt Digby (Th.~ symp.~, 218), nemen een tenger Takje van den Hazelaar, snijden het in het midden door, maken in het eene deel eene holte, aan het andere een spits en voegen aldus de twee stukken in elkaar. Ofwel, voegt hij erbij, eenigen zoeken en snijden een dun Takje `uyt welckers eynde twee andere zijn gesproten'. dus een Hazelvorkje. Men moet ruggelings naar den Hazelaar gaan, de gewenschte Roede tus- schen de twee beenen trekken en ze, naar voren toe, afsnijden. (Wuttke, N"r" 139). Tijd waarop ze gesneden moet worden. -- Op alle tijden mag men het doen, beweert Meiche (N"r" 756). Men moet de Hazelroede snijden, als de Heester gaat bloeien. (Lvy. H.~ M.~, 129). Op St.~ Jansnacht (Perger, 251; Wuttke, N"r" 10; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73); -- op St.~ Jansmiddernacht (Wuttke, N"r" 139); -- op St.~ Jansdag (Shns, 106); -- op den dag van den Zonstilstand (Kircher, II, 176). Op Kerstnacht (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73); -- op eenen Heiligen Nacht, vooral op Kerstnacht (Knortz, 6). Op Drie-Koningendag (Rel u.~ Bohnh.~, 73; Shns, 106). Op Vastenavond (Perger, 252; Shns, 106). Op Goeden-Vrijdag (in Tirol, Wuttke, N"r" 139); -- op Goeden-Vrijdag- nacht (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73). Op Paaschzondag (Kircher II, 176). Op Pinksterzondag (Knortz, 6). Op eenen Wodansdag ("=" `Godestag, Donnerstag', zegt Perger, 252; veeleer onze Woensdag). Men moet de Hazelroede snijden voor zonsopgang (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73; Lvy, H.~ M.~, 128); -- onmiddellijk voor zonsopgang (Perger, 252); -- als de zon begint op te staan (Shns, 106; Roll.~ X, 198): `want de wijzende kracht verbreidt zich door het aangename temperament van den nacht, tot in de uiterste spits van den Boom'. (Perger, 252; naar Lyncker, 103). De maan moet daarbij schijnen (Shns, 106); -- eenigen snijden ze met met volle maan (Digby, 218); -- anderen zoeken ze, als 't nieuwe maan is. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73). Tooverspreuken. -- Onder het snijden murmelen sommigen Tooverspreuken of Bezweringsformulen. In Lechrain zegt de snijder, `Ich schneide dich, Uwe Ruthen, Dass du mir musst sagen, Was ich dich wil fragen, Und dich so lang nit rhren, Bis du die Wahrheit thust spren'. (Perger, 252; naar Leoprechting. 98). ofwel (Perger, 252-3; naar: Buch der Welt, 1841 (Stuttgart, p.~ 241): `Ich beschwre dich, Sommerlatte, Aus des Waldes grne Matte, Dass du mich weisest, so recht und wahr, Als Maria eine reine Jungfrau war, Wo Gold und Silber liegt blank und klar'. Eene derde formuul begint, `Gott grsse dicht edles Reis! Mit Gott dem Vater such'~ ich dich, Mit Gott dem Sohne find'~ ich dich, Mit des heiligen Geistes Macht brech'~ ich dich', enz. (Perger, 253). Na het snijden: Soms wordt de afgesneden Roede min of meer vervormd in de gestalte van een menschelijk lichaam: de twee Takken van de Gaffel verbeelden de beenen. Aldus in de Mark, Lausitz (Wuttke, N"r" 139). In sommige streken wordt de Hazelroede gedoopt: Men steekt ze in de windsels van eenen doopeling en laat ze aldus met dezen doopen. (Mekkelenburg, Lausitz, Mark, Harz: Wuttke, N"r" 139). -- Dat moet gedaan worden op den eerstkomenden Paaschdag en zij bekomt den naam van het te doopen kind; daartoe windt men ze in lurven en legt ze op een witte telloor; zulk eene Roede werd te Bettschau gedoopt en ontving den naam Christiana. (V.~ Schulenburg: VS.~ a.~ d.~ Spreewald, blz.~ 204-5). -- In Tirol doopt men ze zelfs op den naam der Drie-Koningen. (Wuttke, N"r" 139). Na de Roede gesneden te hebben, doorboort men ze in de lengte, zonder ze te splijten noch te breken, en men steekt er eene evenlange magnetische naald in; aan een der uiteinden hecht men een driehoekig prisma, aan het andere eveneens zulk prisma doch van zwarte Hars; het midden der Roede omvangt men met twee ringen, eenen van rood koper en eenen van zink; men verguldt de Roede, van de ringen af tot de zwarte Hars; men verzilvert de overige helft; daarna omkleedt men ze met zijde; op den koperen ring en op den zinken staan Hebreeuwsche letters. Eindelijk wordt deze Tooverroede gewijd, en die wijding duurt zeven dagen, beginnende met de nieuwe maan; deze consecratie moet gedaan worden door eenen genitierde, bezitter van de `grands arcanes' en van een dergelijke gewijde Roede. Men moet zulke Tooverroede met zorg ver- bergen; want wordt zij door eenen profaan aangeraakt, zoo verliest zij alle kracht. De Magirs gebruiken zulke Wichelroede. (Lvy, H.~ M.~, 129). Gebruik. -- Iedereen kan de Hazelroede niet gebruiken. En 't gebeurt zelfs dat sommigen, die ze met goed gevolg sedert hunne kindsheid gebezigd hebben, haar niet meer kunnen in verroering brengen, omdat zij door ziekte zulke macht over haar verloren hebben. (Meiche, N"r" 756). "*" Om de Wichelroede te gebruiken -- Waalsch `jeter la baguette' -- moet men met den helm (Waalsch `hamelette "=" helmet' met letterverspringing) geboren zijn. (Hoek, 50). -- Eenige beweren dat de drager van de Hazelroede een Kermis- of Zondagskind moet zijn. (VL, II, 110; Kircher, II, 176); of een Kerstdagkind (Roll.~ X, 197): of hij mag zijn ouders niet gekend hebben (id.~); of hij moet geboren zijn als de Hazelaar bloeit (id.~). De gegaffelde Hazelroede of Hazelvork moet gedragen worden derwijze dat elk der twee einden van de vork met eene hand gevat wordt en de verbin- dingsplaats der twee Takjes naar boven is, zoodat zij gemakkelijk naar beneden kan slaan en naar het gezochte nijgen. (Perger, 251; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73). -- Men neemt in de eene hand het uiteinde van een der Twijgjes van de vork, zonder het te veel te drukken, in de andere hand het tweede uiteinde; de palm van de handen moet naar boven gericht zijn en het ongegaffelde deel der Roede met den horizont parallel loopen; en zoo gaat men langzaam naar de plaats, waar men het gezochte hoopt te vinden. (Gub.~ I, 51-52; naar Cheruel, Dict.~). -- De `Rutengeher' ("=" hij die met de Roede gaat en ze gebruikt) neemt elk der twee Takken van de Gaffelroede in eene hand, tusschen duim en de gesloten vingers; en als hij op eene plaats komt, waar aardspleten en -gangen zijn, en de drager ze opwaarts houdt, buigt zij zich met geweld nederwaarts; ja, indien zij al te stevig gehouden wordt, wringt zij zich in tween; is er niets in den grond, zoo blijft zij onbewegelijk. (Meiche, N"r" 756). De rechte ongegaffelde Hazelroede moet op duim en wijsvinger in evenwicht gelegd worden; zij kan dus gemakkelijk balanceeren en door hare beweging het gezochte aanwijzen. (Perger, 252; R.~ u.~ Bohnh.~, 73). De Toovenaar mag enkel zijne Wichelroede gebruiken als hij alleen is en, zonder noodzakelijkheid, mag hij ze niet aanraken. Vele oude Magirs maakten ze van de lengte van den voorarm en verborgen ze onder hun breede mouw; en toonden, aan het publiek, alleen de eenvoudige Raadroede (fr.~ `baguette divinatoire', verschillend met de `baguette magique' of echte Tooverroede) ofwel een of anderen allegorischen Staf van ivoor of Ebbenhout^_(1)_^, volgens den aard van het uit te voeren magisch werk. De Tooverroede is het Verendum (wat moet gevreesd en geacht worden) van den Magir; hij mag er niet over spreken met klare en duidelijke woorden, hij mag niet op het bezit er van pralen. (Lvy, H.~ M.~, 130-131). Men moet weten hoe men de Hazelroede hoeft aan te spreken: thuis vraagt men haar waar men zou naartoe gaan: dan draait zij zich om en wendt het dikke einde naar het doel. Aldus in het Spreewald (Duitschl.~: V.~ Schulen- burg.~, 205). -- Doch onder het gebruik mag men niet spreken. Voorai onder het Schatzoeken moet zij met de grootste stilzwijgendheid gebruikt worden; daarom trachten de Geesten die den schat bewaren, den schatgraver door schrikaanjagen of zonderlinge toeren tot spreken, schreeuwen of lachen te dwingen. (Wuttke, N"r" 312). Wie de Hazelroede wil gebruiken, moet eerst zorgvuldig ult dezer nabijheid alle metaal verwijderen: hij mag geen metaal over zich dragen (Perger, 251). De monnik en alchimist Basilius Valentinus (van Strassburg) geeft zeven gebruiksmanieren van de Hazelroede op: opdat zij ten volle de verschillende invloeden van de zeven metalen die in de zeven Planeten werkzaam zijn, onderga. (Perger, 250). Nut van de Hazelroede. Zij diende vooral om onderaardsche en verborgen zaken te ontdekken. 1"o" Ertsen. Goud vooral werd gezocht door de Ertsroede. -- Swift (in: Virtues of Sid Hamet the Magician's Rod) zegt: `Men vertelt ons iets vreemds en raars Over zekere Magische Roede, Die, buigende neer haren top, raadt Telkens of de grond heeft Goudmijnen; waar er geene zijn, staat zij recht, -- Versmadende te toonen den minsten eerbied. Maar gereed was de Roede van Sid Te buigen waar Goudmijnen waren geborgen. In Schotsche heuvels vond zij kostbaar Erts, Daar waar nooit te voren naar gezocht werd'. (This.~ 266). De Goudzoekers `nemen een swack tacksken, het selve doorsnijdende, en makende in het een deel een holligheyt, en aen het ander een punt, deselve | | ^(1)^ Diospyros ebenum Retz. | dan in malkanderen gevoeght zijnde, en tusschen twee vingeren gehouden, sal aenstonds trecken na de plaetsen, alwaer eenigh Goudt verborgen leght'. (Digby, 218). De Hazelroede wijst ook Zilvererts aan. (Perger, 251). En min kostbare Ertsen als IJzer, Koper, Lood, Tin. -- De Mendipmijn- werkers (in Cornwallis, Engeland, waar veel Koper en Tin is) gelooven aan de Kracht der Hazelroede, en vinden er mee de ligging en richting der Koper- en Tinertsen. De behendigsten onder hen merken zelfs op den grond de breedte van de ader. Zij heeten de Hazelroede `Josing' (Bellingsley: Agricultural Survey of tbe County of Cornwall, 1797; This.~ 266). Met de Hazelroede ontdekt men Zoutlagen (Leunis, Syn.~ 241; vgl.~ bene- den). "*" En in Vlaanderen beweert men nog dat men er mee Steenkolen vindt (Land van Audenaarde). 2"o" Schatten. Verborgen Schatten en Gouden en Zilveren (ook min kostbare) Muntstuk- ken of Voorwerpen worden door de Hazelroede aangewezen. (Wuttke, N"r" 139). Digby (218) zegt ons dat de Gegaffelde Hazelroede zal `na het Goudt of Silver trecken, het zy dat hetselve in een tafel, of aen iemandts lijf is: waer van de ervarentheyt noch onlangs by verscheyde geloofwaerdige tot Haerlem genoatenis'. Een der vermaardste Stokwichelaars was Jacob Aimar-Vernai, een boer van St.~ Vrand (dp.~ Isre, Frankr.~), die in de tweede helft van de 17"e" eeuw werkzaam was. Vallemont (Physique occulte ou Trait de la Baguette divina- tolre, Paris, 1693) verhaalt: In tegenwoordigheid van eenen rechter en van andere geloofswaardige personen sneed Aimar een tweespaltig Rijsken uit een bessem die het naast bij de hand was, hij nam de twee uiteinden met de beide handen en deed drie Zilveren kronen of rijksdaalders onder zijnen rechtervoet leggen: terstond draaide het Rijsken. En legde men er meer stukken bij, zoo draaide het ook veel meer. Op eene tafel plaatste men eenige hoeden en onder sommige wat geld. Naar deze laatste hoeden draaide het Rijsken en naar de overige niet. Doch om het te doen draaien moest Aimar zijn een been op de tafel leggen, anders lukte het niet. Men deed nog meer proeven van dien aard, met alle nauwlettendheid om na te zien of er geen bedrog schuilde. Men wond zelfs wat geld in eenen doek om na te gaan of het Rijsken nog draaien zou, want Aimar had gezegd dat zijn Stoksken niet had willen draaien naar het houwmes, waarmede een moord was gepleegd (vlg.~ beneden), omdat het aldus omwonden was, nochtans draaide het Rijsken hier als elders. (Bekker, IV, 211). -- De slimme Aimar werd echter ontmaskerd door den zoon van den grooten Cond in 1693. Linnaeus was eens op reis en zijn secretaris prees grootelijks de kracht van de Raadroede. Om te bewijzen dat zulke Roede onmachtig was, verborg Linnaeus onder een Hanevoet^_(1)_^, in eene weide, eene beurs met honderd dukaten, | | ^(1)^ Ranunculus acris L. | en hij vroeg zijnen secretaris of hij die beurs ontdekken kon. De Roede echter ontdekte niets. Linnaeus wilde toen zelf het goud gaan halen, maar hij had vergeten, waar hij het juist gelegd had, en was onbekwaam het te vinden. De man met de Raadroede hielp hem in 't zoeken en zei dat men het niet vinden zou op den weg dien men genomen had, maar in een tegenovergestelde richting, want de Roede toonde zulks aan; men zocht in deze nieuwe richting en men vond de beurs. (This.~, 268-9; naar Basing-Gould: Curious Myths of the Middle Ages). Een boer uit het Badische (Duitschl.~) sneed eene Hazelroede en wilde er mee een verloren geloopen zwijn zoeken. Toevallig raakt hij met zijne Roede eenen rotswand, die zich plots opende en een gewelf toonde, waarin een in 't wit gekleed vrouwtje en vele kisten te zien waren. Het vrouwtje zei hem dat hij uit de kisten met goud mocht nemen zooveel hij wilde. De boer nam, doch bij 't heengaan vergat hij het beste, nl.~ zijn Tooverroede. (Perger, 253; naar Panzer: Beitrge, II, 296). Dat vergeten van het beste komt veel voor in schatsagen. De Hazelroede kan den bezitter op een dwaalspoor leiden, soms meent men dat zij een ertsader aanwijst, als 't eenvoudig een eenmaal verloren penning is. (Perger, 251). De gegaffelde Hazelroe!fe toont wel eens metaalerts aan, zonder dat zij hoeft gedragen te worden. Snijd een Hazeltwijg, die aan een uiteinde als eene y gevorkt is. Pel de schors af en droog de Roede in gematigde warmte, steek ze daarna in sap van Aronskelk^_(1)_^ of Nachtschade^_(2)_^ en scherp het onvertakte onderste einde. Indien gij onderstelt dat een rijke mijn of verborgen schat ergens te vinden is, hecht, door middel van een haar, aan de spits van een takje van de gaffel, een stukje van het metaal dat gij denkt te ontdekken, en doe hetzelfde aan de spits van het tweede takje. Steek nu het scherpe einde van de Gaffelroede lichtjes in den grond, bij het ondergaan der zon en bij wassende maan, en des morgens, bij zonsopgang, als door natuurlijke sympathie, zult gij de aangehechte metaalstukjes gebogen zien naar de plaats waar het erts of de schat verholen ligt. (This.~, 270; naar: Shepherd's Calendar). In de omstreek van Parijs doet bovenvermelde Stokwichelaar Aimar met zijne Roede wondertoeren. Hij ontdekt er verscheidene goudstukken, die men in den grond geborgen had; -- hij ontdekt er twee zilveren kandelaars, die sedert meer dan drie jaar gestolen zijn, ook de tafel waarop zij stonden en den goud- smid die ze heeft gekocht, -- hij ontdekt een zilveren tafelbord dat langen tijd in eenen mesthoop heeft gelegen. (Bekker, IV, 212). 3"o" Bronnen. "*" De Hazelroede wijst onderaardsche bronnen aan. Een zeer verspreide volksmeening, zelfs in Vlaanderen (vgl.~ Bekker, IV, 209). Dr.~ Hutton bezat een akker dicht bij het Woolwich-College (Eng.~), dat den akker koopen wilde. Door middel van de Hazelroede ontdekt zekere juffrouw N.~ eene bron in dat veld, en 't gevolg van die ontdekking was, dat Dr.~ Hutton | | ^(1)^ Arum maculatum L. | | | ^(2)^ Solanum nigrum L. | zijn goed duurder kon verkoopen. (This.~, 2661 naar: Quarterly Review, XXII, 275). Vgl de bron-aanwijzende Tooverroeden van Heiligen en anderen (boven). 4"o" Landpalen. Met de Hazelroede vindt men onderaardsche Landpalen of Grenssteenen. (Perger, 2511 Meiche, Nr 756). Toen de Tuin van Luxemburg (te Parijs) tusschen de familin Orlans en Guise verdeeld werd, plantte men Scheidssteenen, die echter na eenige jaren met aarde bedekt en met planten overgroeid waren. Men roept de hulp van Aimar in, die met zijne Roede de palen ontdekt. (Bekker, IV, 212). Le Camus, bisschop van Grenoble, beroofde van de Communie al de per- sonen, die beweerden door de Hazelroede de verborgen Landpalen te ontdekken. (Z.~ de Ordonnances Synodales van zijn diocees, gedrukt te Parijs in 1690, Tit.~ 1, art.~ 3, N"r" 1, 11, 12 en 14). -- Ook in de Ripuarische Wetten (69, 4) werd het Waarzeggen of Tooveren met Roeden verboden. (Perger, 250). 5"o" Rotsen doen springen. Met eene Hazelroede slaat de Duivel op een Rots, die in tween springt, en haalt er uit, voor Paracelsus, twee fleschjes: het eene met de Tinktuur waarmede men alles in goud kan veranderen, en het tweede met de alle ziekten genezende artsenij. (Tiroolsche Sage; Nork: M.~ VS.~, 419). Een bij ons zeer verspreide Plant met stijven Stengel en witgele Bloemen heet Salomonsstaf^_(3)_^ (Schuerm.~ Vl.~ ldiot.~; Teirl.~ Pk.~ 361), hgd.~ `Salomonsstab', omdat zij Salomon, bij 't opbouwen van den Tempel, van groot nut was: met dien Staf deed hij de Rotsen, die hem de steenen moesten leveren, vaneen springen. En daarom heet de Plant ook Springwortel. (Prahn; Shns, 105). 6"o" Verzonken goederen vinden. De Hazelroede toont nog verzonken goederen in de Zee aan. (Perger, 251). 7"o" Verdwaald vee opzoeken. Zie boven de Badische Sage van den boer, die zijn verloren zwijn met een Hazelroede zoeken wil. Indien een mensch verdoolt, kan hij met de Hazelroede zijn weg terug- vinden. (Perger, 251). 8"o" Moordenaars en Dieven ontdekken. Den 5"e" Juli 1692 werden, te Lyon, een wijnkoopman en zijn wijf ver- moord in hunnen kelder gevonden. Men bracht den `Rhabdomancien' Jakob Aimar bij den prokureur des Konings van die stad. Aimar nam aan de schuldigen op 't spoor te volgen en te vinden: daartoe moest hij beginnen van de plaats, waar de moord begaan was, ten einde aldaar een blijvenden indruk te krijgen. Die van het gerecht staan hem dit toe. Aimar gaat dus naar den kelder met een Rijsken in de hand, gelijk hij gewoon is daartoe te nemen: een Rijsken van gelijk welk Hout of Boom, of op wat tijd van 't jaar gekapt. Ter plaatse gekomen wordt hij ontroerd: zijn pols verheft zich als in felle koorts, en het Rijsken | | ^(1)^ Polygonatum multiflorum L. | draait snel naar de belde kanten, waar men den man en de vrouw heeft vermoord gevonden. Door hetzelfde Rijsken geleld, ook door de inwendige roering die hij gevoelt, gaat hij vervolgens door de straten, langs waar deze moordenaars zijn gegaan, ter stad uit langs de Rhne; hij is vergezeld van drie personen die 't gerecht hem medegaf. Hij komt in eens tuinmans huis, toont er de tafel aan dewelke de misdadigers gezeten hebben; twee kinderen, die alleen thuis waren, bevestigen zulks. Dan gaat Aimar voort langs de Rhne, wijst gemerkte voet- stappen in 't zand en zegt dat zij daar zijn te scheep gegaan. Hij volgt ze nettekens te water, aanieggende overal waar zij aan land zijn getreden, daarna gedurig voortgaande tot de plaats waar zij gepeisterd hebben: hij teekent aan de bedden waarop zij gelegen, de tafels waaraan zij gegeten en de voorwerpen die zij behandeld hebben. Aan de plaats geheeten `Camp de Sablon' bevindt hij zich meer beroerd en gelooft daardoor de moordenaars te zien. Maar hij durft de proef met zijn Rijsken niet voortzetten, uit vrees dat hij daardoor het krijgsvolk op den hals zou krijgen. Hij keert dus haastig naar Lyon terug, ont- vangt er `geloofsbrieven' en ijlt opnieuw naar bovengemeld `Camp', doch ondervindt dat de misdadigers vertrokken zijn. Hij achtervolgt ze echter tot Beaucaire toe -- wel vijftig uur van Lyon -- altijd met zijn Rijsken. Daar blijft hij staan voor de deur van een gevangenhuis en zegt dat aldaar zeker een der moordenaars moet verblijven. En onder de twaalf of vijftien, die in de boeien zitten, ontdekt hij zekeren `Bossu' die er vor een uur, om een kleine dieverij is binnengebracht. Men zoekt ook de andere moordenaars, doch ondervindt dat zij langs een voetpad naar Nimes zijn gegaan. `Bossu' ontkent in den eerste: hij is nooit te Lyon geweest! Hij wordt naar deze Stad gebracht, waar men hem weldra herkent. Nu loochent hij niet langer en wordt met den dood gestraft. Aimar wordt nog uitgezonden om de anderen -- zij waren twee, zegt hij, -- te vinden. Hij volgt hun spoor tot Toulon, waar zij op zee vertrokken zijn. Aimar gaat nu te scheep en ondervindt dat zij op de Fransche kust van tijd tot tijd aan land zijn afgestapt; hij komt eindelijk aan de grenzen van Frankrijk, waar hij 't op moet geven. (Bekker, IV, 209-11). Aimar's Roede draaide dus zoowel op het water als op het land. Hij zegde ook dat als hij in 't vervolgen van het spoor eens moordenaars, dat van een tweeden kwam te treffen, hij echter geen ontroering gewaar werd. Hij kon zelfs onderscheid in de manier van moorden ontwaren door de verscheiden be- wegingen die hij daardoor gevoelde. Het gebeurde wel meest, doch niet altijd, dat zijn Rijsken niet draaide, als de moordenaar tot bekentenis was gekomen. Hij beweerde insgelijks dat hij niet met zekerheid kon vinden hoelang de moord begaan was. Hij zei dat de eerste moord die aldus door hem werd aan 't licht gebracht, meer dan twintig jaar te voren was geschied. En ook dat zijn Rijsken niet draaide omtrent het lijk van iemand die begraven en zijn eigen dood gestorven was, en dat hij 't getal der moordenaars weten kon, indien zij maar niet allen waren gegaan in ene richting, hetgeen zelden gebeurde. (Id.~ 211-12). Op zekeren keer had een knecht zijnen heer omtrent 25 patakons ontstolen. Met zijn Wichelrijsken ontdekte Aimar het vertrek en het laadje waaruit het geld genomen was, ging door al de plaatsen langs waar de dief was gegaan, toonde het bed en de plaats op het bed waar hij gelegen had. Daarna deed men al de dienaars van het huis komen: de Wichelaar zette zijnen voet op dien der knechten, beurtelings, en het Rijsken dat draaide toen hij op het spoor van den dief was, bleef nu roerloos, omdat niemand der aanwezigen schuld aan den diefstal had. -- Daar men echter wilde weten of Aimar wel zekerlijk een dieverij kon ontdekken, zoo nam de vrouw van den heer (een rechter!) heimelijk de beurs van een aanwezige. Maar Aimar's Roedje verroerde zich niet. En daar men hem zei dat er niettemin een dief in huis was, antwoordde Aimar koeltjes dat de dieverij geen ernst kon wezen en enkel uit boerterij gebeurd was. (Id.~ IV, 211). Zie nog wat Meiche (n"r" 756) over zulke dingen vertelt. 9"o" Andere Krachten van de Hazelroede. De Hazelroede toont aan: of het nieuws dat men vertelt, waar of valsch Is; -- of een afwezige ziek of gezond, dood of levend is; -- of een zwangere vrouw eenen zoon of eene dochter baren zal. (Perger, l.~ c.~). Men kan er vijanden mede ontdekken; -- afwezigen afranselen indien men den persoon dien men wil slaan, bij name noemt (Wuttke, N"r" 18; In Noord- Duitschland): of indien men drie Tooverroeden, van drie verschillige Struiken gesneden, gebruikt. (Id.~ N"r" 1391 In Tirol, naar Zingerle). Vgl.~ het bekende Vlaamsche Sprookje van Hoepentoep met zijnen Tooverstok (VK.~, II, 158) en van Klippelke-uit-den-zak (de afranselende Klippel). Met Tooverroeden of -stokjes kon men iemand onbewegelijk maken. -- Olaus Magnus -- Zweedsche Kronijkschrijver -- vertelt In zijn 19"e" Hoofdstuk dat in Oostergotland een groot meer is -- genaamd Veten --, waarin ligt een langwerpig eiland met twee kerken; onder eene dezer is een hol van onmetelijke diepte; men komt er In langs een lange kromte en met brandende lanteernen en een kluwen garen (een Ariana-draad) om het pad, dat men genomen heeft, terug te vinden. In dit hol is een Toovenaar Gilbert te zien, die, sedert oude tijden, aldaar verwonnen en gebonden is door zijnen leermeester Katyllus, toen hij tegen dezen den baas begon te spelen. `Dit soude dus te werk gesteld zyn, dat een klein Stoxken met sekere Russische en Gottische letteren oft teikenen besneden, hem van den meester toegeworpen, en door den selven Gilbert opgenomen wierd: waarop hij aanstonds vast en onbeweeglyk bleef: in voegen dat hy 't Stoxken met de tanden niet los krygen konde, als ofse met de allertaaiste lym vast kleefden, noch enen voet versetten konde, so vast hy door meesters loosheid daar gehouden wierd'. (Dekker, Bet.~ W.~ IV, 153-4). De Tooverroede opent sloten. (Z.~ beneden). Zij verjaagt alle kwaad, nl.~ den Duivel (Gub.~, I, 51); -- dus ook de duisternis (idem); -- en de Heksen en zij kan deze dwingen, te verschijnen (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73; Knortz, 6); -- en alle schadelijk gewormte en venijn (Gub.~, I, 51); -- vooral de Serpenten: de H.~ Patricius had eenen Tooverstaf, waarmede hij de Slangen en de Booze Geesten uit Ierland verdreef en in de zee joeg. (Teirl.~ PK.~, 347; Perger, 248; Ed.~ Swift: the Life and the Acts of S.~ Patrick, 226). Vincenzo Maria da Santa Caterina verhaalt dat de Wijzen (of Magirs) van Hindoestan eenen Stok dragen, waarmede zij alle verleiding, bekoring en kwaad kunnen verjagen. (Gub.~, I, 64)._ Doch ander Planten dan de mythische Hazelaar schonken den Stokwichelaars hunne Raadroede en den Tooverkunstenaars hunne Tooverroede. De Els^(1)^ groeit het liefst bij het water en in moerassen; daarom toont een Elzeroede bij voorkeur de verborgen bronnen en waterloopen aan. _`Een Tack van een Elsen-boom wijst de Waeterloopen aen onder de Aerde, Indien hij van twee Taksjes gemaeckt is als een Zeyl-naelde' (Digby, 186, en 434-5); vgl.~ Cheruel, i.~ v.~ Baguette divinatoire: `rameau fourchu d'Aune' staat er. Naar Kircherus, Ond.~ W.~ II, 177) moet de Roede voor een deel van Els zijn en voor het ander deel van een Hout dat geen sympathie voor water heeft. En hij wil verklaren: `So werd door middel van een Roedeken, gemaakt uit Planten die gemeenschap met water hebben, als daar is de Els-boom, de Water-munte^_(2)_^, de Plompen^_(3)_^, enz.~ en uit ander hout, dat daar mede geen gemeenschap heeft, verborgen water ontdekt; want de waterige damp, trekkende In de plant daarse gemeenschap mede heeft, doet de selfde overwegen en nederwaarts hellen, gelijk de ondervinding mij geleerd heeft'._ De Esscheroede^(4)^ toont koperlagen aan. _Want de Esch heeft een bijzonder neiging tot koper. (Digby, 434). Vgl.~ Kircherus, II, 176; Perger, 251._ Eenigen gebruiken eene Berkeroede^(5)^ iplv.~ van de Hazel- roede. _Cheruel; Gub.~, I, 51._ De Denneroede^(6)^ gevoelt sympathie voor lood. _Perger, 251. -- Digby (181) generallzeert en beweert dat alle `Tack van een Boom, daer Peck ofte Peckachtigen Hars uyt-drupt, de Loodt-mijnen' aanwijst. Dat betreft dus alle Kegeldragende Plant._ | | ^(1)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(2)^ Mentha aquatica L. | | | ^(3)^ Nymphaea alba L.~ en Nuphar luteum Sm. | | | ^(4)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(5)^ Betula alba L. | | | ^(6)^ Abies pectinata DC. | In Frankrijk meent men dat de Vlier^(1)^ onderaardsche bron- nen aanwijst. _Aldus in dp.~ Mayenne. (Roll.~ VI, 281; naar Dottin)._ Tot Raadroede benuttigt men ook de Wilgeroede^(2)^. _De `Weede-struik' (hgd.~ Weide "=" ndl.~ Wilg) ontdekt IJzer, zegt Kirch.~, II, 176. Zie nog Wuttke, n"r" 139 (In Silezi, beweert hij); en Schulenburg (blz.~ 205), die bepaald de `gelbe Weide'^_(3)_^ noemt. Heksen hebben soms eene Koningin. Deze draagt als Tooverschepter een Wilgeroede. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 361)._ Stokjes van Tamarisk^(4)^ werden door de Magirs van Chal- dea gebruikt om de toekomst te voorspellen. _Zij wierpen deze voorspellende Stokjes op den grond (Lenormant: Mag.~ Chald.~; This.~, 265). Vgl.~ het Runenwerpen bij de oude Germanen._ De Raadstaf was een Kruisdoornroede^(5)^. _Aldus In Mekkelenburg (Wuttke, n"r" 139)._ De meisjes van Silezi en uit den Harz (Duitschl.~) bezigden `Wnschelruten' van Zuren Kerseboom^(6)^ en van Seringen^(7)^. _Zij sneden deze Roeden op St.~ Andriesavond (29 Nov.~) en plaatsten ze in water; op Kerstdag zagen zij de bottende Bloemen na en naar dezer getal en kleur, bepaalden zij den komenden huwelijksdag. (Wuttke, n"r" 53). Vgl.~ Teirl.~ Pk.~, 265._ De Amandelroede^(8)^ wijst onderaardsche schatten aan. _Aldus in Toskanen (This.~, 270). Naar Lvy (H.~ M.~, II, 128) kan de ongevorkte Amandelroede de ongevorkte Hazelroede als Tooverstaf vervangen._ De Raadroede wordt nog door den Appelboom^(9)^ geschonken. _Gub.~, I, 51; Cheruel, l.~ c.~ -- 't Schijnt dat de Druden hun Tooverroeden van den Appelaar sneden. (This.~, 266)._ | | ^(1)^ Sambucus nigra L. | | | ^(2)^ De soorten van Salix, vooral die welke men Teen heet. | | | ^(3)^ Salix viminalis L. | | | ^(4)^ Waarschijnlijk Tamarix gallica var.~ mannifera Ehrenb. | | | ^(5)^ Rhamnus cathartica L. | | | ^(6)^ Onze Kriekeboomi Prunus cerasus L.~ hgd.~ `Sauerkirsche'. | | | ^(7)^ Syringa vulgaris L.~ hgd.~ `Trkische Flieder'. | | | ^(8)^ Amygdalus communis L. | | | ^(9)^ Pirus malus L. | Of het was een Mispelroede^(1)^ die de Toovenaars gebruikten. _Zulke Tooverroede moest op St.~ Jansnacht gesneden worden, bij zonsop- gang. (Roll.~ V, 141; naar Dottin). Aldus in dp.~ Mayenne (Frankr.~)._ In China zijn 't Perzikroeden^(2)^. _This.~, 265._ En in Sicielje doet een Granaatboomroede^(3)^ zulken dienst. _Zulke Roede ontdekt verborgen schatten en doet verloren voorwerpen terugvinden. (This.~, 271)._ Hier en daar in Keltisch Engeland is het een Hulsttwijg^(4)^. _Z.~ b.v.~ Jacobs, Celt.~ 136: een Toovenaar gebruikt er een Roede van `Holly' "=" Hulst._ In Zuidelijk Itali is 't een Twijg van den wilden Olijf- boom^(5)^. _Men zoekt en vindt er mee schatten en verdwaalde ossen. (Gub.~, I, 177). -- Naar Digby (181) toonen Olijftakken sympathetische aantrekking voor Goud en Zilver._ Goud en Zilver trekt ook de Palmroede^(6)^ naar zich. _Digby, 181._ In Amerika bezigde men Twijgen van den Tooverstruik^(7)^ als Raadroeden om Erts- en Zoutlagen en Bronnen te ontdekken. _Aldus Leunis (Syn.~ 241). Doch Knortz, 6, meent dat men dezen Noord- amerikaanschen struik, niettegenstaande zijn hgd.~ naam `Zauberstrauch' of `Zaubernusz' nooit als Toovermiddel heeft aangewend._ Het zou verwonderlijk zijn moest de wonderbare Marentak^(8)^ als Tooverroede niet gebruikt geweest zijn. _Met een Marentak kon men Schatten vinden. (Shns, 102). Op den Triglawberg in Krain kwam een oud man bij herders die er een schamele hut bewoonden, en vroeg spijs en herberg. De herders gaven hem te | | ^(1)^ Mespilus germanica L. | | | ^(2)^ Amygdalus persica L. | | | ^(3)^ Punica granatum L. | | | ^(4)^ Ilex aquifolium L. | | | ^(5)^ Olea europaea L. | | | ^(6)^ Phoenix dactylifera L. | | | ^(7)^ Hamamelis virginica L. | | | ^(8)^ Viscum album L. | eten en een plaats aan den vuurhaard. Toen vertelde de man dat hij eertijds een roofridder was geweest en, tot boet, drie honderd jaar in de wereld had moeten ronddolen. Nu was de tijd om en hij wou de ontvangen gastvrijheid beloonen. Op eenen Eik^_(1)_^ groeide een Misteltwijg en er aan hing een Kristus- beeld; dien twijg moesten zij plukken, er mee gaan naar zijne burg, die op den top van den Triglaw stond, en aldaar in eenen kelder, met behulp van den Marentak eenen schat vinden en hem nemen. Na lang zoeken vonden de herders den Eik en den Misteltak en ontdekten er mee, in den kelder, een schatkist. Zij werden rijke lieden en lieten ter plaatse een kapel bouwen. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 81). Met zulke Mistelroede kon men ook dieven bannen. (Id.~)._ Niet alleen Boom- en Heestertwijgen sneed men tot zulke Toover- en Raadroeden; ook Kruiden. die min of meer roede- vormig zijn. werden hiertoe benuttigd. _Met een stijve Schermbloemige, die sedertdien Herkuleskruid^_(2)_^ heet, ontdekte Herkules den dief Kakus. (Gub.~, I, 177). Een Roedeken van Watermunt^_(3)_^ of van Plompen^_(4)_^ toont Water aan. (Kirch.~ II, 177). In Engeland ontdekt de Guldenroede^_(5)_^ onderaardsche Bronnen en Goud- en Zilverschatten. (This.~, 196 en 270)._ *2. Zonder de Tooverroede.* Doch niet altijd werden Roeden gebruikt om schatten. metalen. bronnen, enz.~ te ontdekken: gewone. niet roed-vormige of roed- vormende Planten werden daartoe ook aangewend. De Wonderbloem. Het was eene blauwe Bloem en door hare hulp bemachtigde men schatten. _Naar het gemeene volksgevoelen was de Wonderbloem (hdg.~ `Wunder- blume') het mooie Vergeet-mij-niet^_(6)_^ en dat steunt op volksetymologie. (Per- ger, 72; z.~ beneden). Voor anderen was het een `Onbekend' of `Ongenoemd' Kruid. Vele Sagen betreffende deze Wonderbloem zijn, vooral in Duitschland, verspreid, en de hoofdinhoud is: Een knaap of een man, een boer of een edelman vindt toevallig of ontvangt van een schoone hem onbekende jonkvrouw deze Wonderbloem. Plots ontwaart hij in eene rots of in eenen berg eene deur. | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Herba heraclea gr.~ Erakleion: is, naar velen, Heracleum panaces L. Zie | mijn PK.~, 85 | | | ^(3)^ Mentha aquatica L. | | | ^(4)^ Onze Waterlelin. Nymphaea alba L.~ en Nuphar luteum Sm. | | | ^(5)^ Solidago virga-aurea L. | | | ^(6)^ Myosotis palustris L.~ en verwante soorten. | Hij raakt deze aan met de ontvangen Bloem: de deur gaat open en hij ziet vor hem schatten liggen. De jonkvrouw of een waarschuwende stem roept hem toe het beste toch niet te vergeten. Hij legt de Bloem neder, grijpt wat hem het beste schijnt, nl.~ den schat, en gaat Daar buiten zonder de Bloem. Donderend valt de deur toe en is voor hem niet meer zichtbaar: want hij heeft in de rots, of in den berg het beste, de Wonderbloem vergeten: den eenigen sleutel die hem den weg tot den schat openen kan! Aldus Perger, 71-2 (en hij verwijst naar Bechstein: Sagen van Thuringen, 1, 3, 4, 16, 146, 210, 211; en naar Grimm: Myth.~, 923). Z.~ nog Wolf: Hess.~ Sagen, n"r" 41; Meier: Schwab.~ n"r" 36 en 37._ Naar andere sagen heeft de Wonderbloem eene gele kleur. _De gele Wonderbloem bij Unterblauenthal (Saksen). Bij Unterblauenthal was een rotsspleet, thans met gestruik overwassen en daar had men eens een ijzeren deur gezien. 't Gebeurde dat in de nabijheid een inwoner Gras maaide eq hij, op 't middaguur, onder een lommerigen Boom zat om zjjne zeis te scherpen. Daar stond eensklaps een Zwarte Ridder vor hem en uit den grond, vor zijne voeten, zag de maaier een gele Bloem ontspringen. De Ridder zei dat de maaier ze zou plukken: want zij was de sleutel voor de ijzeren deur; uit het hol dat deze sloot, mocht hij van den schat nemen zooveel het hem behaagde; `doch, voegde de Ridder hierbij, laat de Bloem niet liggen, anders zijt gij verloren'. De man deed aldus, kwam in het hol: de wanden waren met edelsteenen bezet en op den bodem stonden veel kisten vol goud en zilver. Plots werd het hol een groote zaal, waar de Ridder met zijn gevolg aan eene tafel met kostbare spijzen en dranken zat. Dwergen bedienden de eters. Ook de maaier at en dronk. Daarna, op verzoek van den Ridder, nam hij van het goud en de edelsteen en zooveel hij maar kon en ging buiten. Daar vloog de deur met geknal toe. De man wilde zijne Bloem grijpen; doch hij had ze in het hol laten liggen. Na weinige dagen stierf hij: zijn gezicht was naar den nek omgedraaid en goud en edelsteenen waren verdwenen. Thans nog heet de rots `Teufelsfels' ("=" Duivelsrots). (Meiche, n"r" 752; naar Khler: Sagen- buch, n"r" 346). Vgl.~ ook Meiche, n"r" 754: `die Wunderblume des Teufelsteins bei Lauter'. Deze gele Bloem, die als sleutel dient, is denkelijk de Sleutelbloem^_(1)_^ (zie verder)._ Soms is de kleur purper met goud omlijst en geen botanist heeft ooit deze Wonderbloem gevonden en bepaald. _Een deel van den Lbauerberg (Saksen) heet Kruidengaard ("=" `Kru- tergarten') naar de talrijke Bloemen, die aldaar groeien. In den nacht vor St.~ Jansonthoofding (29 Aug.~), op klokslag 11 uur, bloeit aldaar eene Wonder- bloem: hare kleur is purper met gouden omlijsting; hare Bladeren zijn groen met zilverranden; haar Stengel is vioolblauw; haar Stempel glanzend hemelblauw. | | ^(1)^ Waarschijnlijk Primula officinalia L.~, die op bergen wast. | Zij heeft de gedaante van de Lelie, doch is prachtiger, en zij riekt liefelijk zoet. Geen sterfelijk oog heeft ooit haren Wortel gezien. Als het te Lbau twaalf slaat, verzwindt de Wonderbloem met een en knal. Alle honderd jaar bloeit zij eens. Wie rein van hert is, kan ze licht uit den grond trekken en bekomt daardoor hooge eer en veel geld, want de Bloem en de groote Wortel zijn van puur goud, zilver en kostbaar gesteente. Wie niet rein is, beroere ze niet, anders verliest hij het leven. (Meiche, n"r" 824). Naar een tweede Sage heeft deze Wonderbloem van den Lbauer berg eenen Stengel van groene smaragd, Bladeren van robijn en een kelk die een groote diamant is. Uit de Bloem die meer glinstert dan maan en sterren, stijgen liefelijke zangen. (Idem, n"r" 825)._ In de volgende sage uit Marienberg (Saksen) is het eene bonte Bloem. _Op den Schladen- of Schlettenberg bloeit, op St.~ Jansdag, een schoone bonte Bloem. De berg gaat open vor hem die de Bloem vindt en plukt, en zij toont een groote zaal: hier staat een gouden brouwpan en hierin een gouden jongetje. Beide worden door eenen hond bewaakt. Maar men toont aan het dier de bonte Bloem en dan kan men pan en kindje wegnemen. Nu moet men wegijlen: is men niet over de plaats die Hammergraben heet, dan moet men den hond, die den vluchtende achternaloopt, pan en kindje teruggeven. De hond snelt er mee in den berg, die zich daarna opnieuw sluit. (Idem, n"r" 765)._ Soms is de kleur van de Wonderbloem niet aangewezen. _Keizer Otto, de Roodbaardige, is, naar de sage, in den Kyffhuizerberg (Duitschl.~) opgesloten, omdat hij met de geestelijkheid in strijd was geweest. De kudde van eenen schaper verdwaalde eens op een St.~ Jansavond. De man liep door het gebosch van den Kyffhuizerberg om ze te zoeken. Zonder het te weten streek hij met de voeten de Wonderbloem af, en deze bleef aan zijne schoengesp hangen. Wie deze Bloem, die enkel in den St.~ Jansnacht bloeit, over zich draagt, kan de rondwarende Geesten zien. Toen het in het dal elf uren sloeg was de schaper dicht onder den top van den berg; en hij zag hoe deze openging en Keizer Otto met vele ridders er uit kwam. Zij begonnen met de kegels te spelen. En toen het twaalf uren sloeg, gingen zij terug in den berg, die zich onmiddellijk sloot. Als bewijsstuk voor het gebeurde nam de schaper den grootsten kegel, den koning, mee naar huis. Des morgens ondervond hij dat deze kegel van louter goud was. (Nork, Myth.~ VS.~, 217; naar Harrys: Nieder- schs.~ Sagen, n"r" 1). Te Neu-Johnsdorf bij Zittau (Saksen) bloeit op eenen rotssteen (den `Schalkstein'), tusschen Heidekruiden en nederige Boomen, in het midden van het woud, enkel op St.~ Jansnacht, een Wonderbloempje, dat bij zonsopgang verwelkt. Wie het bloeiende Bloempje plukt, wordt meester over een grooten schat, die aldaar begraven ligt; maar de plukker moet zonder schuld en rein van herte zijn. (Meiche, n"r" 819; Daar Haupt: Sagenbuch der Lausitz, I, p.~ 246). Eene witte Jonkvrouw woont in de Burgbron op den `Harzeburg' en geeft op de St.~ Antoonsplaats een eenen kolenbrander eene Bloem die hem in den Berg leidt, waar de Jonkvrouw hem den zak vult; hij mag echter dezen niet openen voor hij over zeker water was; hij vergeet de Bloem, opent te vroeg den zak: 't was paardedrek! In de hoeken was echter wat blijven steken; thuis ziet hij dat het goud is! (Prhle, Harzsagen, p.~ 4). Vgl.~ nog: id.~, n"r" 9, p.~ 28. Bovengenoemde schat-ontdekkende Wonderbloem heeft niets te maken met eene in onze tuinen veel gekweekte Bloem, insgelijks Wonderbloem^_(1)_^ genoemd, omdat bare Bloemen 's avonds open- en 's morgens toegaan en, op den zelfden Stam, verscheidenvervig zijn._ De Geluksbloem. De Geluksbloem bracht den bezitter geld en rijkdom. evenals de Wonderbloem. _Hgd.~ `Glcksblume', eene onbekende Bloem. `Luck- of Key-flower' der Germaansche folklore, zegt This.~ (51) en te oordeelen naar den laatsten naam schijnt hij te denken aan de Sleutelbloem^_(2)_^. En hij vertelt van eenen schaapherder, die zijne kudde over den Iselstein leidt, er rust op zijnen staf en den berg ziet opengaan, want op zijnen staf draagt hij deze `Luck-flower'. In den berg, waarin hij gaat ontwaart hij eene Jonkvrouw, die hem toelaat van hare schatten te nemen wat hij verkiest. Hij vult zijne zakken en daar hij zich haast om die mysterieuze plaats te verlaten, waarschuwt zij: `Vergeet toch het beste niet!' Hij let niet op en ijlt naar buiten. Daar wordt hij door den donder in tween geslagen: hij heeft . in den berg, het beste vergeten, nl.~ de Geluksbloem! (This.~, 51-2). Vgl.~ Gub.~, I, 259; en zie beneden: Sleutelbloem. -- En de `Glcksblume' van den Burgberg bij Grimma (Saksen), nl.~ een Tulpenvormige Bloem van wondervolle kleurenpracht en lieflijken reuk, die door een knaap voor een oogenblik werd gezien en, naar het volksgeloof, den bezitter alle schatten en eeuwige jeugd en schoonheid schonk. (Meiche, n"r" 778). Ik wijs hier nog op een bloedrood, insgelijks onbekend Kruid, dat groeide. op de plaats waar eene moord werd gepleegd. (Perger, 73; naar Mullenhoff, 140)._ Doch andere bekende en genoemde Kruiden en Boomen be- zaten die ontdekkingskracht. 1"o" Kryptogamen. Ik noem: Inzonderheid Varenzaad -- van Mannetjes-^(3)^ of van Wijf- jesvaren^(4)^ en wel van ander gemeene soorten^(5)^. | | ^(1)^ Mirabilis jalappa L.~; Mirabilis "=" Wonderbare Bloem. | | | ^(2)^ Primula elatior Jacq.~ en P.~ officinalis Jacq. | | | ^(3)^ Aspidium Filix-mas L. | | | ^(4)^ Athyrium Filix-foemina L. | | | ^(5)^ Als Pteris aquilina L.~, Blechnum splcant L.~, Polypodium vulgare L.~, | Asplenium ruta-muraria L. | _Varenzaad (vgl.~ boven III, b.~ 1) wijst verborgen Schatten aan (Heymans en Thijsse: Door het Rietland, 226); -- het ontdekt Schatten en brengt op het spoor van verdwaaalde Ossen (Gub.~, I, 177, 259) , -- het weet waar Goud ver- borgen ligt (This.~ 270); aldus in Tirol, waar men het `Wish-seed', d.i.~ Wenschzaad heet. In Tirol `heft' men, in St.~ Jansnacht, zoogenaamde `bloeiende' Schatten door middel van Varenzaad. Onder het Kruid legt men, den avond er vor, eenen kelkdoek; gedurende den nacht valt het Varenzaad er op, dat men evenwel vor zonsopgang moet inzamelen, anders verdwijnt het opnieuw, met zulk Zaad kan men den Schat vinden en nemen. (Wuttke, n"r" 311, Zeitschr.~ f.~ D.~ M.~, 3, 339). In Rusland spreekt men van de `Varenbloem'. Varenbloem bloeit gedu- rende St.~ Jansnacht en verjaagt alle onzuivere Geesten. In dien nacht ziet men Varen Botten schieten, die ontroerd zich bewegen, opengaan en donkerroode Bloemen worden. Te middernacht komen deze gansch open en verlichten alles wat omringt. Maar juist op dit oogenblik verschijnt de Duivel en plukt de Bloemen van den Stengel. Hij die dus de Varenbloem wil meester worden, moet ten woude gaan vor middernacht, zich bij de Varen plaatsen en er rond eenen kring trekken. En als de Duivel komt en roept, de stem van eenen verwante, van de verloofde, enz.~ napende, mag de wachtende er niet naar luisteren noch het hoofd omkeeren; want keert hij het om, zoo blijft het omgedraaid. Hij die zulke Varenbloem in zijn bezit heeft, hoeft niets meer te vreezen, door haar kan hij Schatten ontdekken, onzichtbaar worden, de heerschappij voeren over aarde en water, den Duivel trotseeren. Wil men eenen Schat vinden, zoo werpt men de Bloemen in de lucht, indien eene als eene ster ronddraait over den grond en eindelijk loodrecht op eene plaats nedervalt, zoo is het zeker dat aldaar een Schat verborgen ligt. (Gub.~, II, 146; naar Markevic). Ook in Litauen gelooft men dat Varenbloesem gelukkig en alwetend maakt. Het brengt goud bij: Op Jansnacht ging een man door het woud, kwam in bloeiende Zlmedis ("=" Varenkruid?) en vond 's anderendaags in een zijner holleblokken goud. (Marzell, Uns.~ Heilpfl.~ 10, naar Bezzenberger, Lit.~ Forschun- gen, 1882, 76)._ Het Maanvaren^(1)^ wees Goud aan. _Hertog Karel, zegt een Oostenrijksch hs.~, zocht eens dit Kruid op, vond het en zag hoe het met gulden dauw overdekt stond: daarom moet Goud gevonden worden daar waar het wast. (Perger, 216; naar een hs.~ der K.~ K.~ Hofbiblioth.~, n"r" 7360, fol.~ 56, b.~)._ Ook de gemeene Paardestaarten^(2)^ staan met Goud in ver- band. | | ^(1)^ Botrychium lunaria L. | | | ^(2)^ Equisetum-soorten. | _"*" Zij hebben lange onderaardsche koordvormige Stengels, die zich diep en langs alle zijden uitstrekken en waarvan het uiteinde om zoo te zeggen niet te krijgen is. Indien men den diepsten Wortel -- naar de meening van het volk is het een Wortel en niet een Stengel -- kan uittrekken, zal men aan 't uiteinde een gouden ring of een gouden penning vinden. Aldus te Oostmalle (prov.~ Antwerpen: VL.~, III, 129)._ 2"o" Phanerogamen. Onder de Phanerogamen of Zichtbaarbloeiende Planten moe- ten hier vermeld worden: 1"o" Een Hanevoetachtige: het Kristoffelskruid^(1)^, een zeldzame Plant in Belgi met geelwitte Bloemen en zwarte Bessen. _Naar een oud volksgeloof was de H.~ Christophorus de meester over alle Geesten, dus ook over de Dwergen die de onderaardsche Schatten bewaarden. Daarom had deze hem toegewijde Plant bijzondere ontdekkingskracht. Raakte men met het Kristoffelskruid de plaats aan, waar Schatten verholen lagen, zoo moest de Geest die ze bewaakte, wijken en de toegang werd vrij. Terwijl men aldus deed, las men een bijzonder Kristoffelgebed en dat bezweren heette Kristof- felen (hgd.~ `Christophelen'). Rel.~ u.~ Bohnh.~; Shns, 107; Moser: Unterricht vom Reich der Geisten, III, 501)._ 2"o" De Indische Lotusbloem^(2)^, van de familie onzer Water- lelin. _Zij toont verborgen Schatten aan. (Gub.~ I, 256)._ 3"o" Drie Roosachtigen: _De Lijsterbessenboom^_(3)_^, die het goud aantrekt en het aanwijst; De Hagedoorn^_(4)_^, die liefst wast waar een Schat ligt, die evenwel zeer moeilijk te nemen valt. (Perger, 319); En de wilde Rozelaar^_(5)_^: Eene Saksische sage spreekt van eene vrouw die op een veld, bij den `Gemeindeberg' te Oelsnitz, op een steenhoop een wilden Rozenstruik zag en er naast een grauw Mannetje met gele laarzen, die in de eene hand een zakje droeg en met de andere wenkte. De vrouw ging echter er niet naartoe, maar kwam 's anderendaags terug: de Rozenstruik was uitge- stoken en op de ontbloote plek lagen drie Twintig-Kruisers (hgd.~ `Zwanzig- kreuzer'), daaronder twee Vierpenningstukken en heel van onder een Driepen- ningstuk (hgd.~ `Dreier'). Zij nam het geld. Zij kwam elf dagen achtereen al | | ^(1)^ Actaea spicata L. | | | ^(2)^ Nelumbium speciosum L. | | | ^(3)^ Sorbus aucuparia L. | | | ^(4)^ Crataegus oxyacantha Jacq.~ en C.~ monogyna Jacq. | | | ^(5)^ Rosa canina L. | vond altijd dezelfde stukken in dezelfde orde. Toen vertelde zij het aan haren man. Maar den twaalfden dag was de plaats met gras gesloten en geen geld meer te zien. (Meiche, n"r" 847). -- Een herder hoedt zijne kudde op Staufenburg; eene zeug voert hem naar een hol, vor hetwelk eene Roos bloeit. Hij plukt ze en een Jonkvrouw verschijnt en neemt hem mee in het hol. Daar mag hij zooveel geld nemen, als hij dragen kan. Hij gaat heen, en de Roos, die hij laat liggen, roept: `vergeet het beste niet!' Buiten ziet hij dat zijn geld drek is! (Prhle: Harzsagen, 42)._ 4"o" De Baulerlinde wijst door hare schaduw eenen Schat aan. _Bauler is een Pruisisch dorp, vier mijlen van Vianden. Daar staat een overgroote Linde^_(1)_^, zichtbaar van wijd en zijd. Naar de sage luidt, ligt bij den `Bauler Kleschen' -- zoo heet het volk deze Linde -- negen voet diep in den grond een Schat begraven en wel juist op die plaats, waar op den middagstond de schaduw van de Lindekruin valt. Men heeft opgravingen gedaan, doch den Schat niet gevonden, zoodat men denkt dat de sage doelt op een thans verdwenen Baulerlinde. Daar men echter niet weet waar die Linde heeft gestaan, heeft men ook alle verdere opzoeking moeten staken. (Th.~ Bassing, 1904, p.~ 48)._ 5"o" Onder eenen Ahorn^(2)^ vindt een arme man een ketel met oud geld. _De man droomt driemaal achtereen dat een oude herder hem zegt: `Op de Regensburgerbrug vindt gij het ware geluk'. Hij gaat naar de Regensburger- brug, doch vindt er niets. Hij bereidt zich om naar huis te keeren, en ontmoet er een man aan wien hij zijnen droom vertelt. Deze tweede man heeft ook een droom gehad: hij moest naar Stelzen in Vogtland (Saksen) reizen en er graven onder eenen grooten Ahorn, hij zou er veel Geld vinden. De eerste man kent dezen Boom, want hij staat vor de deur van zijn huis, hij ontvangt van den anderen een gulden als teerpenning op de terugreis. Thuisgekomen graaft de arme man onder den Ahorn en vindt er waarlijk een koperen ketel met schoon oud Geld. De Ahorn stond hier nog vor korten tijd en was zoo hoog en schoon dat men hem vijf uren wijd ontwaren kon. (Meiche, n"r" 846)._ 6"o" De Vierklaver^(3)^ toont Schatten. _Aldus Leunis (Syn.~ 107). "*" Overigens zegt men in Vlaanderen dat wie een Vierklaver vindt en over zich draagt een geluksvogel is._ Ook de gewone Klaver^(4)^ en Mos wijzen Goud aan. _Z.~ de sage uit den Harz bij Prhle (Harzsagen, 33, naar Prtorius, Alectro- mantia, uit het jaar 1680)._ | | ^(1)^ Tilia europaea L. | | | ^(2)^ Acer pseudo-platanus L. `Kiefer' schrijft Meiche en verklaart door | `Ahorn'; doch de gemeene `Kiefer' is de gemeene Pijn (pinus silvestris L.~). | | | ^(3)^ Trifolium pratense L.~ met vier Blaadjes. | | | ^(4)^ Trifolium pratense L. | 7"o" De reeds zoo vaak vermelde Hazelaar^(1)^ wijst Schatten aan. _Zie beneden Marentak._ 8"o" Ook de mythische Marentak^(2)^. _Groeide een Marentak op eenen Hazelaar, -- een zeldzaam verschijnsel -- zoo duidde hij aan dat onder den Struik een Schat verborgen lag. (Gub.~ I, 259; Perger, 229; Shns, 102). Twee mannen bemerkten eens op eenen Hazelaar eenen Mistelstruik, die Bessen droeg, klaar en glanzend als Zilver en van de ongewone grootte eener Noot. Daar moat een Schat verholen liggen! Op eenen Zondag, gedurende den Kerkdienst, trokken zij er naartoe om den Schat uit te graven. Nadat zij den Hazelaar hadden uitgedolven en den bodem doorwoelden, liep eerst een driebeenige, lamme haas naar hen toe; doch zonder een woord te lossen graafden zij voort. Toen verscheen plots de wachter van den Schat, een zwarte hond met een na zich sleepende keten, en hij sprong naar de delvers. Een dezer liet eenen angstschreeuw, en op dit zelfde oogenblik waren de hond en ook de schat, dien zij reeds met de spade hadden gevoeld, verdwenen. De twee mannen wierpen den Hazelaar terug in den put, en het volgende jaar stond hij weder groen en de Marentak droeg opnieuw zijn wonderbare Besssen. Ditmaal gelukte het den gravers den Schat meester te worden. Voorzichtigheidshalve hadden zij echter nooit verraden hoeveel Goud zij gevonden hadden en niemand heeft ooit de plaats gekend waar zij den Schat bewaarden; overigens zij waren arm en bleven arm, tot zij, het volgende jaar, beiden stierven juist op den tijd dat zij den Schat genomen hadden. Aldus in Pruisisch Samland. (Rel.~ u.~ Bohnb.~, 81). In Zwitserland is het de Marentak, die op eenen Eik groeit, die een Schat aanwijst. (Roll.~ VI, 230; naar Blavignac: Empr, 239). -- Ten andere wie een Eikemistel vindt, is rijk genoeg, zegt men in het Land van Albret. (Id.~; naar Dardy, I, 310)._ 9"o" Indien lichten des nachts boven Netels^(3)^ zweven, ligt er onder een Schat bedolven. _Aldus Rel.~ u.~ Bohnh.~, 347. -- Te Reichholzlheim (Duitschl.~), aan de straat van Bromberg, in het tweede huis, was op eenen nacht zulk geraas, dat de bewoners dachten dat de schoorsteen naar beneden stortte. Terzelfdertijd ver- toonde zich in den hof, boven de Brandnetels, een helder licht; toen beraad- slaagde men of men den Schat zou uitgraven of niet; doch intusschen ver- minderde het licht en stieff het eindelijk geheel uit. (Perger, 156: in: Anz.~ f.~ K.~ der Vorzeit, 1854, 122)._ | | ^(1)^ Corylus avellana L. | | | ^(2)^ Viscum album L. | | | ^(3)^ Urtica dioica L. | 10"o" Door middel van Ruit^(1)^ kan men verholen Schatten bemeesteren. _Men moet hiertoe bezitter zijn van den kop van de witte Slang. Dan legt men in een vat, iederen nacht tusschen elf en twaalf uren, dezen Slangekop met Ruit en een ei. De bezitter van zulken kop kan alsdan alle slot openen, verborgen Schatten vinden, zich onzichtbaar maken en den Duivel eenen Wissel- thaler afdwingen. Aldus in Duitschl. (Perger, 204, naar Birrcher, 65). Vgl.~ hiermee de volgende fr.~ bezwering. Om geld te bekomen ziedt men wijwater en werpt er in een Ruitetwijg, zeggende: `0 Rue, belle Rue! toi si belle fais que tout homme en passant apporte ici or et argent'. Daarna giet men dat wijwater vor de deur uit als iemand voorbij gaat. Aldus in dp.~ Gironde (Frankr.~). Sbillot, 1906, 487._ 11"o" Het Vergeet-mij-nietje^(2)^ is een Schattenontdekkende Bloem. _Volgens eenigen is het de blauwe Wonderbloem. (Z.~ boven). -- In de volkssagen vermag het Bloempje rotsen en bergen te openen, waarin onderaardsche Schatten verborgen liggen. De vinder steekt de Bloem op zijnen hoed; en indien hij in de rots- of bergholte, bedwelmd door de vele kostbaarheden die er verholen liggen, den hoed met de Bloem aflegt, om zich met meer gemak de zakken te vullen, en daarna ijlings de plaats verlaat, dan roept de achtergelaten Bloem: `Vergeet toch het beste niet!' Doch het is te laat: de opening slaat toe en de berg blijft gesloten! (Prahn, 149; vgl.~ Perger, 171)._ 12"o" Naar anderen is het blauwe Viooltje^(3)^ deze Wonder- bloem. _Eene sage uit het Vorstendom Waldeck: Een herdersknaap vindt een groote Viool; zijn vader neemt ze hem af, omdat hij gedroomd heeft dat hij eene Bloem waaraan hij driemaal rieken moet, bekomen zal. De vader riekt driemaal aan de Viool en terzelfder tijd verschijnt hem een Mannetje dat beveelt hem te volgen. De vader wordt in het hol van het Mannetje gevoerd; daar zaten twaalf even kleine Kereltjes en aten. De Schaper keert naar huis, en hier vindt hij Geld, Schapen en Paarden, die hem de Dwergen, om zijn vertrouwen in hen, geschonken hebben. (Perger, 151; naar Curtze, 49; Volksueberlieferungen des Furstentums Waldeck, 1860)._ 13"o" Eenigen beschouwen als Wonderbloem de Sleutelbloem^(4)^ die in Tooverbergen de Schatten die er in sluimeren, aanwijst. | | ^(1)^ Ruta graveolens L. | | | ^(2)^ Myosotis palustris L.~ en andere soorten. vooral M.~ alpestris Schmidt. | | | ^(3)^ Viola canina L.~ of V.~ silvestris Rchb.~ of V.~ riviniana Rchb. | | | ^(4)^ Primula officinalis Jacq.~ en P.~ elatior Jacq. | _Dat steunt op volksetymologie: de Sleutelbloem heeft sleutelvormige Bloemen, die een sleuteltros vormen en zulke onderaardsche Schatplaatsen openen (Prahn, 146; Shns, 103; This.~, 270: `Key-flower'; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 93). De krachtigste Sleutelbloem was die, welke men bloeiende vond in den Kerstnacht (een onmogelijkheid!) of in den Vastenavondnacht. (Perger, 174). Over zulke Schatten heerscht de Sleuteljonkvrouw; zij draagt, evenals Godin Freya, waarmede zij gedentificeerd wordt, een gouden Sleutel in hare kroon. Later werd zij door de Kristenen met Maria in verband gebracht. Sleutelbloemsagen, tevens Schatsagen. 1. Bij de ruine Blankenhorn, in Zwaben, vond een koeherder, in den laten herfst, een Sleutelbloem en stak ze op zijnen hoed, die hem weldra te zwaar werd. Hij deed den hoed af en ondervond dat de Sleutelbloem een zilveren sleutel was geworden. En daar stond vor hem eene Jonkvrouw, die hem zei dat hij daarmee de tot nu toe gesloten deur in den Heuchelberg moest opendoen en, van 't gene binnen lag, mocht meenemen wat hij wou, doch in 't heengaan het beste niet mocht vergeten. Hij ging, en, in den berg, vulde hij gulzig zakken en mouwen, doch liet echter het beste liggen, nl.~ de Sleutelbloem. (Perger, 175; naar Meier, I, 37). 2. Eene Jonkvrouw voerde eenen schaper van Kolbenkamm, in Baden, naar eene plaats waar Sleutelbloemen bloeiden. Met eene dezer opende hij eene deur en, binnen, vond hij drie kisten met schaapstanden. Bijna tegen zijnen dank nam hij er eenige handvollen van en ging daarna buiten, zonder zich om de openende Sleutelbloem te bekommeren. Binst den volgenden nacht werden deze tanden louter Goud; doch hij had ook het beste vergeten en vond den weg niet meer. (Perger, 175; naar Baader: Neue Volkss.~, n"r" 111). Vgl.~ nog This.~, 82._ 14"o" Hier een paar Schataanwijzende Solanaceen. De Alruine^(1)^. Deze Heksenplant (z.~ boven) toont verbor- gen Schatten aan. _Gub.~, 259; This.~, 271; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 353. Shns (95) gewaagt van zekere vrouw, die, tooverformulen mompelende, onder eene galg tijdens de Zonnewende en in het laatste Maankwartier, de Alruine uitgraaft. Zij neemt ze in hare armen en draagt ze naar huis, waar zij het opgedolven Monstertje op een zacht bedje legt. De Alruine heeft borstels in stee van haren; en de vrouw steekt, als oogen, een paar Jeneverbessen^_(2)_^ in haren kop: deze worden werkelijk en zeer snel een paar niet ovale, maar kringvormige oogen. Nu kweekte de vrouw haar Alruine liefderijk op; doch zij kan haar niet hooger dan een driejarig kind doen opgroeien. Verzuimt zij het hatelijk schepsel te baden in onvervalschten wijn, dan huilt het op ijselijke manier. Opgewassen toont zich de Alruine in al haar dulvelsche boosheid; zij springt | | ^(1)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(2)^ Juniperus communis L. | en kleffert over huis en dak en beangstigt haar opkweekster, die zij ten slotte hoont en bespot. Toch toont de Alruine haar, in de aarde verborgen Schatten, en daarom noemt men dat Heksenkruid in Duitschland `Heck-' of `Geld- mnnchen'. De vrouw graaft deze Schatten uit en wordt zeer rijk, maar over dezen rijkdom hangt de vloek der hel: De vrouw wordt ongelukkig, dat geld brengt twist en moord in hare familie, haar vader sterft als hoogverrader, haar bruidegom en haar broeder vallen beiden in een kamp tegen elkaar, en de Alruine spot met hare tranen, en brengt haar opvoedster door hare duivelarij tot waanzin. Eindelijk blaast de vrouw onder dezelfde galg, waar zij het Monster uitgraafde, hare ziel uit. (Naar Wagner: Vorzeit)._ Ook de Steekappel^(1)^ werd in de Schatgraverij benuttigd. _Z.~ Rel.~ u.~ Bohnh.~, 164._ 15"o" Het heilig IJzerkruid^(2)^ toont eveneens Schatten aan. _Gub.~, I, 259, -- men moet de Schatten met IJzerkruid zoeken in den St.~ Jorisnacht. (Perger, 146)._ 16"o" In den Harz (Duitschland) wordt in eene sage gewezen op St.~ Janswortel of St.~ Jansbloem^(3)^ die er `Springwurzel' zou heeten. _Deze Bloem is geel en glinstert in den nacht. Zij blijft niet stil en roerloos staan evenals de ander Bloemen, maar huppelt gedurig om en weer. Wie ze kan plukken, weet door haar kracht waar al de schatten der aarde verborgen liggen en wordt aldus zeer rijk. Zie die sage bij Prhle (Harzsagen, p.~ 100) en het plukken dezer Wonderbloem kost er den vermetele het leven._ 17"o" Onder de Samengestelbloemigen kan men hier noemen: De Bijvoet^(4)^. _Waar deze Plant groeit, ligt geld begraven. (Dijkstra, II, 241). Aldus in Friesland. Vgl.~ Gub.~, I, 259. Of, indien men op Goeden-Vrijdag achterwaarts en stilzwijgend naar de Bijvoet gaat, den wortel uitgraaft, zoo vindt men hierin een zwart wormpje, dat men zorgvuldig in een fleschje bewaart. Gedurende negen dagen mag nu de eigenaar niet bidden en zich niet wasschen en moet alle dagen, al middagmalend een stukje brood onder de tafel werpen, anders wordt de worm boos en alles wordt te vergeefs gedaan. Gebeurt echter alles in orde, dan begint het beestje den negenden dag te spreken en geeft den bezitter alles wat hij verlangt, doch | | ^(1)^ Datura stramonium L. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. | | | ^(3)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(4)^ Artemisia vulgaris L. | het geld dat hij dagelijks krijgt, moet ook dagelijks verteerd worden. Marzell (Heilpfl.~, 228) vermoedt dat het bedoeld wormpje de kleine rups van een galvoortbrengend vlindertje zou kunnen zijn (nl.~ van Conchylis hilarana)._ De Melkdistel^(1)^. _Eng.~ `Sow-thistle'. Als men de `Sow-thistle' aanroept, ontsluit hij ver- borgen Schatten. (This.~, 271)._ 18"o" De Salomonszegel^(2)^. _Deze Plant, de echte Springwortel, doet sloten en rotsen springen, en ontdekt Schatten. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 87; Shns, 105. Vgl.~ boven)._ 19"o" De Vlier^(3)^ groeit op Schatten. _Eene Pommersche sage spreekt van twee vrienden, die zich onder eenen Vlierboom in 't Gras hadden gelegd. Een der twee sliep aldra in. Toen zag de andere, uit den wijdgeopenden mond van den slaper, een muisje sluipen, dat recht naar de Vlier huppelde en algauw in den Struik verdween. Na ruimen tijd kwam het muisje uit den Boom te voorschijn, liep naar den slaper en ver- dween in zijnen mond. Daarop werd de man wakker en vertelde dat hij een zonderlingen droom had gehad: een muis was uit zijnen mond gekropen en naar de Vlier getrippeld, en, weinige voeten onder den grond, had het dier eenen grooten aarden pot vol geld gevonden. De twee vrienden haalden eene spade, dolven, stootten op een hard voorwerp: nl.~ den pot gansch met Goud- en Zilvergeld gevuld. (Herrmann, D.~ M.~, 21)._ 20"o" De Lelie^(4)^ is soms de schattenontdekkende Bloem. _Een schaper valt in slaap nevens zijne hut. Hij ontwaakt, ziet een Lelie, plukt ze en steekt ze op zijnen hoed. De zoogenaamde spokende Jonkvrouw- met-den-Sleuteltros verschijnt, neemt den schaper mee naar den Sachsenstein, waar hij hoopen Goud en Zilver vindt: hij mag er van meenemen zooveel hij kan. Eerst vult hij zijnen herdersransel, daarna zijnen hoed, doch buiten zijn weet valt de Bloem. `Vergeet het beste niet!', waarschuwt de Jonkvrouw. De geldgierige let hierop niet en vertrekt zonder de Wonderbloem. De bergdeur slaat Illet geweld hem op de hielen toe. (Prhle, Harzs.~, 211). Zeer verspreide bergsage._ 21"o" De Palm^(5)^ toont eveneens schatten aan. _Gub.~, I, 256._ | | ^(1)^ Sonchus-soorten, de gemeene nl.~: S.~ asper All.~, S.~ arvensis L.~ en S.~ olera- | ceus L. | | | ^(2)^ Polygonatum multiflorum L. | | | ^(3)^ Sambucus nigra L. | | | ^(4)^ Lilium candidum L. | | | ^(5)^ Phoenix dactylifera. | 22"o" De vermaarde Boom Paribon van Ctesias trekt tot zich Goud, Zilver, Koper, Steen, ja alles. uitgezonderd Electrum of Amber. _Paribon (of beter Parebon) groeit in Indi, alleen in de koninklijke hoven, en is zoo groot als een Olijfboom. Hij brengt noch Bloem noch Vrucht voort. Hij heeft vijftien Wortelen, zoo dik als een arm. Een stuk hiervan, eene spanne lang, trekt bovengenoemde Metalen aan; een stuk van de lengte van eenen cubitus (anderhalven voet) trekt tot zich heele lammeren. De Indianen vangen er vogelen mee. Een stuk van dezelfde Wortelen in water geworpen maakt het zoo dik dat men het als was met de hand kan bewerken; doch daags daarna wordt het weder dun. (Dod.~, 1489). Ctesias, de reiziger, leefde in de V"e" eeuw vor Christus. Naar Ad.~ Kuhn is de Paribon de Heilige Vijgeboom de Avattha^_(1)_^ der Hindoestani. (Gub.~, I, 259, die er bijvoegt dat de Boom Goud aantrok en ontdekte)._ Bij het bovenstaande mogen de volgende algemeene kentee- kenen, waardoor de schuilende Metalen door Planten ontdekt worden, gevoegd worden: _1"o" Daar zijn eenige Planten, `die haar verlusten in de buursaamheid der metalen' en als een zeker sympathetisch teeken zijn van dezer aanwezigheid. Het zijn gewoonlijk zulke Planten die geene of een kleine Vrucht dragen: de lage Jeneverheester^_(2)_^, de `Klem' (Klimop^_(3)_^, de wilde Pijnboom^_(4)_^ en vele stekelige Planten. (Kirch.~, II, 176). 2"o" De Wijngaardbladeren^_(5)_^, `die van de goude wasemen geel geverwd werden, gelijk in Hungarien dikwils gebeurd', wijzen goud aan. (Id.~ 175; Digby, 438). 3"o" Een ander teeken van schuilende Metaaladers is, wanneer de Bladeren der Boomen in de lente paars of blauwachtig zijn; of de Takken, voornamelijk de bovenste, met een zwarte of andere niet natuurlijke kleur geverfd zijn; of wanneer de Bladeren der Boomen bleek zijn, haast afvallen en de Takjes teer en schraal zijn. (Id.~, 175-6). 4"o" Indien er nooit rijp op zekere Kruiden komt, dan staan deze, naar allen schijn, op Metaaladers, `daer van so heete wasem opgaat. dat 'er geen rijp op kan vriesen'. Of indien deze Kruiden zeer laag blijven en flauw gekleurd zijn, hetgene aan den heeten wasem der Metaaladers te wijten is. (Id.~, 175)._ | | ^(1)^ Ficus religiosa L. | | | ^(2)^ Juniperus communis L. | | | ^(3)^ Hedera helix L. | | | ^(4)^ Pin us silvestris L. | | | ^(5)^ Vitis vinifera L. | b. *Planten die rijkdom en geluk aanbrengen.* Deze rubriek hangt innig met de vorige samen. Hier mogen geschikt worden: De gewone Mannetjes-varen^(1)^. _Men moet de Plant uitgraven of plukken, of het magisch Varenzaad inza- melen op St.~ Jansdag; vanhier de hgd.~ benaming `Johanniswurzel' "=" St.~ Janswortel (Wuttke, n"r" 138). Vgl.~ boven hoofdst.~ III, b, 1. Zoo men bij geld Varenzaad legt, vermindert het geld niet. (Perger. 213). Met het mystische Varenzaad ontneemt men den Duivel den Wisseldaalder (hgd.~ `Wechselthaler'). -- die, na hem uitgegeven te hebben, bij zijnen bezitter terugkomt. (Perger, 212). Vgl.~ DB, i.v.~ Hekepenning en Vliegende Pauw._ De diabolische Alruine^(2)^. _De Mandragora brengt rijkdom mee voor den bezitter of den drager. (Wuttke, n"r" 134; vgl.~ boven Hoofdst.~ III, b.~ 34). Zooals men weet, wordt de zeldzame Alruine vaak door Bryoniewortel^_(3)_^ vervangen._ Het gezegende IJzerkruid^(4)^. _Het was een `Wnschkraut' ("=" Wenschkruid). zeggen de Duitschers: men plukt het eer het door zon of maan beschenen was en vor den opgang der Hondsster (Sirius); en wie er zich mee inzalft, bekomt alles wat hij maar wenscht; en daar men gewoonlijk veel geld wenscht, werd zulke ingezalfde zeer rijk. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 187-8)._ De Peenen^(5)^. _Om het gansche jaar geld te hebben, moet men op Nieuwjaarsdag Peenen (Wortelen) eten. (Perger, 202; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 337)._ De Witte Kabuiskool^(6)^. _Men moet Zuurkruid (dat men met de Witte Kabuiskool bereldt) eten op Kerstdag en men heeft het gansche jaar veel Zilvergeld. Aldus in Hessen. (Wutt- ke, n 14). Zuurkruid "=" hgd.~ `Sauerkraut', vervormd tot fr. `Choucrote'._ De gele Raap^(7)^. _Goud ontbreekt nooit, indien men, op den 1"e""n" dag van het jaar, Gele Rapen | | ^(1)^ Aspidium filix-mas L. | | | ^(2)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(3)^ Bryonia diolca L. | | | ^(4)^ Verbena officinalis L. | | | ^(5)^ Daucus carota L. | | | ^(6)^ Brassica oleracea var.~ capitata L.~ met witten Krop. | | | ^(7)^ Brassica rapa L.~ met gelen Knol. | eet (id.~). Dat Peenen, Witte Kabuiskooien en Gele Rapen zulke kracht hebben, steunt op de Signatuurleer: de kleur van de Plant (kool of Wortel of Bloem) komt overeen met de kleur van geld (Goud of Zilver)._ De Linze^(1)^. _Men moet ze eten op Kerstavond (Perger, 205) of op Goeden-Vrijdag. (Liebmann: Christl.~ Symbolik, 110). Aldus in Thuringen en het `Erzgebirge'). -- Doch in Zwaben beweert men dat men op Goeden-Vrijdag geene Linzen mag eten, anders krijgt men zweren. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 329). -- Dat geld-krijgen door het eten van Linzen steunt op den muntvorm van Linzezaad (leer der Signaturen)._ De heilaanbrengende Vierklaver^(2)^. _Indien men ze te middernacht plukt, verkondigt zij een rijke erfenis (Perger, 196) en al wie ze over zich draagt, wint in het spel. (Idem). Les Evangiles des Quenouilles (ed.~ Jannet, 1855) schrijft: `Celui ou celle qui trouve le treffle quatre feuilles, s'il le garde en rverence, sachiez qu'il sera eureux et riche toute sa vie'. (Roll.~, IV, 146)._ Het blauwe Viooltje^(3)^. _De booze God der Wenden, de duistere Czorneboh, bezat een prachtige burcht, waar hij heerschte. Doch de kristen apostels vernielden zijne kracht: Czorneboh werd in eene rots veranderd en zijn schoone dochter in een Viooltje, dat slechts alle honderd jaar, op St.~ Walpurgisnacht vermocht te bloeien. Wie echter het geluk had dat bloeiend Viooltje te plukken, kreeg tot vrouw het schoone meisje en al de Schatten van haren vader. (Meiche, n"r" 1267; naar Grsze, II, n"r" 779). Vgl.~ Perger, 150-1; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 250._ De Vogelkerseboom^(4)^. _Iemand die rijk wil worden, moet een Twijg met drie Botten van dezen Heester op het bloote lijf dragen. Aldus te Elsenerz (Duitschl.~), Perger, 254._ De Salomonszegel^(5)^. _Op St.~ Jansdag gaan de Wenden naar den Valtenberg (Saksen) en graven er den St.~ Maria-wortel, onzen Salomonszegel. Zij snijden dezen Wortel tot amulet dat welstand en geluk verleenen moet en `Glckwurzel' heet. Deze Gelukswortel, die men in 't geheim bewaart, heeft ongeveer den vorm van een zeer klein Klimopblad zonder steel, en op de oppervlakte van zulk Blad ziet men een gelijke veel kleinere afbeelding. De Gelukswortel heeft dus drie scherpe | | ^(1)^ Ervum lens L. | | | ^(2)^ Trifolium pratense L.~ met vier blaadjes. | | | ^(3)^ Viola odorata L.~, V.~ canina L.~ en andere soorten met blauwe Bloemen. | | | ^(4)^ Prunus padus L. | | | ^(5)^ Polygonatum multiflorum L. | lobben, waarvan een zijdelingsche, als hand van den Goeden Geest opgevat werd: deze lob blijft immer frisch, terwijl de andere, die men Klauwen des `CZert' ("=" Duivel) noemt, snel verdorren. De Wendische vrouwen, die naar de markt gaan, leggen op den bodem van haren korf dezen gelukaanbrengenden talisman. (Meiche, n"r" 814)._ De Gerwe^(1)^, het veel verspreide Geneeskruid. _In 't Westen van Bohemen heet ze `Margaretenkraut', omdat men ze acht dagen vor St.~ Margriet (13 Juli) uitgraaft: men vindt in een soort van galuitwas roode wormen (van een insect: Rhopalomyia millefolli). Om deze is het te doen: wie deze wormen over zich draagt, heeft geluk in 't leven. (John, Sitte, enz.~ im deutschen Westbhmen, 1905, 22)._ De groote Madelief (Chrysanthemum leucanthemum L.~), het Klokje (Campanula) en de Wolverlei (Arnica montana L.~) bren- gen den kinderen geld. _Op St.~ Jansdag maakten zij het Johansbed, een Kussentje, met de drie ge- naamde Bloemen en legden er heiligenbeeldjes op: 's anderendaags 's morgens vonden zij er geld onder. Aldus in Saksisch Zwitserland (te Daubitz). Zeitschr.~ f.~ sterr.~ VKSK.~ 6 (1900), 126._ c. *Heksen-Toovergeld.* In vele Sagen wordt er melding gemaakt van Toovergeld, waarmede de Heksen betalen: het is vaak schijnbaar geld dat. na 't verdwijnen der Heksen, opnieuw voor den bezitter een nietig en waardeloos ding wordt. Doch het tegenovergestelde bestaat ook: die nietige en waardelooze dingen worden en blijven Goud. Het zijn dorre Bladeren. _Op eenen Goeden-Vrijdag wandelt eene arme vrouw met haar tweejarig kind op den sagenrijken Valtenberg (Saksen). Zij bemerkt naast den weg een opening in eene rots. Zij gaat in die `Goldgrotte' met haar knaapje binnen, vindt de koperen brouwpan met de goudstukken, zet haar kind op den grond, vult hare voorschoot met Goud, stort het uit vor de rots buiten en herhaalt dat nog tweemaal. De derde maal slaat de rots toe: geene opening meer en haar jongetje ls binnen! Allerdroevigst weenend snelt zij naar huls met een deel van het goud in hare schort, na het overige onder woudstroo, getwijg en steenen geborgen te hebben. Zij vertelt alles haren man. Beiden gaan met eene kar naar den Valtenberg, de man laadt den schat op: de vrouw zoekt naar de | | ^(1)^ Achillaea millefolium L. | opening, doch te vergeefs! Zij keeren huiswaarts. De kar wordt immer lichter en zij bemerken eindelijk dat alle Goud tot dorre Blaren is geworden; ook het Goud dat thuis bewaard ligt. Doch, op den eerstkomenden Goeden-Vrijdag, vindt de moeder opnieuw de rots geopend, ze vindt haren knaap naast de met goud gevulde brouwpan: zij snelt er mee buiten en denkt niet eens meer aan den Schat. (Meiche, n"r" 903; naar Pilk: Der Valtenberg und seine Sagen). "*" Heksengeld wordt droge Eikebiaren^_(1)_^, of dorre Elzeblaren^_(2)_^, of verwelkte Beukeblaren^_(3)_^. (Z.~ boven, I, e). Vgl.~ Meier, n"r" 53, 55, 56; De Cock en Teirl.~ I, 23, 24; Henne-Am Rhijn (n"r" 728, waar het opgeraapte geelglanzend Loover echt goud wordt; aldus bij Rapperswil, Zwitserland)._ Of Stroo. _In de twee volgende Saksische Sagen is het de Schat van den Greifenstein die zich in de zonne `zomert'. Twee meispes gaan door hen woud, waarin de Greifenstein ligt. Zij hebben Stroo gezameld en dragen het in hunne korven naar huis. In eens zien zij, op eenen smallen dalenden weg, langs weerskanten, aan de Dennen^_(4)_^, Stroohalmen hangen. Daarover verwonderen zij zich, want geen met Stroo geladen wagen kan alhier voorbijrijden. Thuis gekomen schudden zij hun Stroo uit: er tusschen lagen gouden kettingen. Eenige der hangende Stroohalmen zijn in hunne korven gevallen; in den vorm van Halmen heeft zich de Schat van Greilenstein `gezomerd' op dezen zonnigen dag. (Meiche, n"r" 869). De Vorster Tlpel van Ehrenfriedersdorf rijdt op eenen dag langs den Greilenstein voorbij. Er hangen zooveel Stroohalmen van de Boomen langs den weg dat de Vorster met moeite er door kan rijden. Eenige Halmen blijven aan zijnen hoed hangen. Als hij dezen thuis afneemt, hangt er aan een gouden ketting. (Idem). Vgl.~ een zevental dergelijke Stroosagen bij Meier, blz.~ 62, 68, 69._ Of Kaf. _Meier: Schwab.~, n"r" 60._ Of Houtspaanders. _Godin Perchta (of Berchta), later tot Heks afgedaald, betaalt een Berg- werker, die van Bucha naar Kniz huiswaarts keert, met Houtspaanders, omdat de man bereidwillig in den Perchtennacht voor haren wagen een nieuwe wig uit Hout heeft gesneden. Thuis gekomen vindt hij in zijne zakken in stee van Spaanders Goudstukken. Duitsche Sage. (Nork, M.~ d.~ VS.~, 471). | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(3)^ Fagus silvatica L. | | | ^(4)^ Abies excelsa Lm. | Eene vrouw uit Bermsgrn (Saksen) gaat door een woud en ziet er wel geordende hoopjes van ronde Schorsstukken van Sparren^_(1)_^. Zij neemt er eenige van mede in haren korf naar huis: hare kinderen zullen er mee spelen. Thuis ziet zij dat al de Schorsstukjes geldstukken zijn geworden. Snel ijlt zij terug, doch vindt geene Spaanders meer. (Meiche, n"r" 863)._ Ook wel een Tak. _Van Keizer Otto werd aan 't volk verteld dat hij schielijk gestorven was, en men deed zelfs de plechtige begrafenis; doch in de doodkist, die in den grond werd gestoken, lag Otto niet: hij zat levend in eene gevangenis. En toen hij eindelijk na vele jaren stierf, vond zijn geest geen rust in het graf, maar dwaalde rond tot hij den Kyffhuizerberg tot woonplaats verkoos. Op eenen dag trokken eenige reizende muzikanten door het dal bij den Kyffhuizerberg en speelden vor de huizen; nergens ontvingen zij de geringste gift, zoodat zij zich den heelen dag vergeefsche moeite hadden gegeven. En tegen den avond zeiden zij: `Wij zullen den Keizer Otto een deuntje gunnen; misschien geeft hij ons wel iets'. Zij speelden; en toen het muziekstuk ten einde was, kwam de Kastelein van den Keizer uit den berg en gaf aan ieder eenen Tak. Doch de muzikanten wierpen de Takken weg en lachten: `Of wij niet meer verdien- den! Zulke Keizerlijke genade konden wij ook op andere plaatsen vinden!' Een van hen stak den Tak op zijnen hoed en zei: `Zoo heb ik toch een gedenke- nis van Keizer Otto!' Toen zij s avonds in de herberg kwamen, was de Twijg louter Goud geworden. De anderen ijlden nu naar den berg om er hunne Takken te zoeken, doch deze waren verdwenen. Den volgenden dag speelden zij opnieuw vor den Kyffhuizer, ja wel drie dagen achtereen, maar de kastelein bracht hun niets ten dank. (Nork, M.~ d.~ VS.~, 216-17; naar Harrys: Niederschs.~ Sagen, n"r" 1). -- Z.~ Over de Kyffhuizersagen, b.v.~ Prhle: Deutsche Sagen, 277 en vvgg._ Of nog Gerstekorrels^(2)^. _Op den `Breitenberge' (bij den Papenberg (Harz) was een Tooverbron, waaruit Gerstekorrels borrelden. Op zekeren dag nam eene vrouw die Korrels mede naar huis voor haar hoenders en daar zag ze dat dit Gerstegraan Geld was. (Prhle, Harzsagen, blz.~ 5)._ d. *Steen der Wijzen.* Met den Steen der Wijzen beweerden de Alchimisten alle Metaal in Goud (ook Zilver) te kunnen veranderen. Men heet hem nog Roode Leeuw, Groot Elixir, Magisterium; fr.~ `Pierre philosophale'; hgd.~ `Stein der Weisen'. Eenigen spreken van Goudtinktuur. | | ^(1)^ Picea vulgaris L. | | | ^(2)^ Geslacht Hordeum. | Het is een oud volksgeloof dat men met zekere Planten Goud uit onedele Metalen kan maken. Onder die goud-makende Ge- wassen worden geschikt: Het Maanvaren^(1)^. _Deze zeldzame Varensoort werd door de Alchimisten zeer geacht. Men bezigde ze tot Goud- en Zilverbereiding. (Perger, 215; This.~, 208; Wier, Praest.~ daem, I, c.~ 18). -- `De Alchymisten willen met dit cruyt wonderen bedrijven / ende hunnen Mercurius congeleren ende fixeren; waer door te gelooven is dat het soo krachtig is als eenigh ander Cruydt soude moghen wesen'. (Dod.~) -- Het was overigens een Maankruid, een Lunaria, en bijgevolg nuttig bij het vervormen van Kwik in eigenlijk Zilver._ De gele Gouwe^(2)^. _De Alchimisten meenden in deze gemeene Plant een zeer krachtig Gewas ontdekt te hebben: het goudgele Sap bevatte de vier elementen en daarom vermoedden zij er in den Steen der Wijzen te vinden; daarin ligt ook de reden waarom zij den naam Chelidonium -- van Gr.~ Kelidon "=" Zwaluw (z.~ Kannegies- ser) -- in Lat.~ Coeli donum "=" Hemelsgave veranderden. De goudmakende kracht van het gele sap berust op de Signatuurleer. (Kircher, II, 2S0; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 253-4)._ De rondbladige Zonnedauw^(3)^. _Dit Kempische Kruidje heeft op de Bladeren kliertjes, die op dauwdroppen gelijken. Vanhier de namen der Plant in de verschillende talen. Die schijndauw, die bleef voortglinsteren zelfs in den Zonneschijn, deed de Goudzoekers denken dat Zonnedauw een `Miraculum Dei' nl.~ een Wonder Gods was (aldus Kunrath: Medulla destillatoria, 274) en daarom gebruikten zij Zonnedauw tot hun mysterieuzen arbeid. (Perger, 163; Shns, 27)._ De Lieve-Vrouwemantel^(4)^. _De dauw, die in het midden van het mantelvormige Blad wordt opge- vangen, diende in de Goudmakerskunst. (Prahn, 7). `De Alchymlsten versekeren dat sy