*FLORA MAGICA* DE PLANT IN DE TOOVERWERELD DOOR IS.~ TEIRLINCK MCMXXX `DE SIKKEL', KRUISHOFSTRAAT 223, ANTWERPEN *EEN WOORD VOORAF* Deze _Flora magica_ hangt innig samen met mijn vorig plant- loristisch werk _Flora diabolica,_ in 1924 (te Antwerpen bij `De Sikkel') verschenen. Tooveraars en Tooveressen en Waarzeggers behooren immers tot een zelfde domein en staan onder de heer- schappij van den Duivel. _Flora magica_ vormt het _4"e" deel_ van mijn plantloristische Studin: het _1"e" deel_^^ is, zooals men weet: _De Plant -- een levend, bezield, handelend Wezen;_ het _2"e" deel: Planten- kultus;_ het _3"e" deel: Flora diabolica._ Ik schik het hier gebezigde materiaal als volgt: A. _MAGISCHE PLANTEN:_ I. _Heksenwoonsten; Heksenvergaderingen._ II. _Heksenvoedsel; Heksenhuisraad en -gerief._ III. _Echte Heksenplanten._ IV. _Planten met bekende Heksen of Toovenaars in verband._ V. _Speciale schadelijke Heksenwerken in verband met de Plantlore._ VI. _Andere meestal onschadelijke Heksenwerken in verband met de Plantlore._ VII. _Heksenschepsels._ VIII. _Botanomancie._ B. _ANTIMAGISCHE PLANTEN._ Deze _Flora magica_ vormt een _afzonderlijk geheel_ evenals de drie vorige deelen. Moge zij bij bevoegden en geleerden een gunstig onthaal genieten! IS.~ TEIRLINCK. Brussel, 1926. | | ^(1)^ In dit 1"e" deel geef ik mijn _Classificatie van de Plantlore._ | *A. MAGISCHE PLANTEN I. Heksenwoonsten; Heksenvergaderingen.* a. *Heksenwoonsten.* Heksen wonen of vergaderen zich (natuurlijk 's nachts) in, op, onder of bij sommige Planten. In 't volksgeloof wordt er vaak gesproken van Heksenwouden waarin zij met voorliefde vertoeven. _Grimm (K.~ u.~ H.~, n"r" 15) gewaagt van een Heksenwoud; daar woonde een Heks, die kinderen opat. In de Kaiserkronik (12"e" eeuw, cf.~ Hermann, D.M.~ 66) wordt een vrouw uitgescholden en haar toegeroepen: `Du soltest pillecher d ze holze varn, ^_(1)_^ Dann die megede hie bewarn; Du bist ain unholde.' Sommigen hebben het woord Heks(e) gebracht tot `hac "=" Wald, Hain', mnl.~ haghe, ahd.~ hagzissa, hagazussa, hagsus; ags.~ hagtesse, mnl.~ haghetisse `En- de sijn duvele, haghetissen (var.~ haghetessen) ende varende vrouwen' leest men in Natuerkunde van 't Heelal, 716, mnl.~ hexe, dat volgens Herrmann is `Hage Dise "=" Waldweib, oder bei dem zweiten Teile... altengl.~ tesu, Schade, Frevel, tesvian verderben "=" Waldfrevlerin, Feldschade'. Doch die etymologie is onzeker, evenals al de andere die werden voorgesteld. Vgl.~ Herrmann, l.~ c.~; Franck-van Wijk i.v.~ heks; Vercoullie; Mnl.~ Wdb.~ i.v.~ haghetisse, hexe; Simrock (Edda): `Hage-Idisse'; Kleinpaul, Fremdw.~, p.~ 99: `Hexe, eins mit dem Namen der alten Hexenmeisterin Hekate'. De Noorsche Volva is een Woudheks: zij verschijnt aan Hedin en rijdt op een Wolf, dien zij met slangen als toomen bedwingt (Soens-Jacobs, Handb.~ Germ.~ Godenleer, 186)._ Zij wonen bij voorkeur in oude Boomen en Tronken. Als deze, door storm bewogen, kraken, dan zijn het Heksen die wee- nen, zegt men in Lombardi (Gub.~ I, 111). In zulke oude Boomen verschuilen zij zich tusschen Hout en Schors (Perger, 5). Ook bepaalde Boomen worden door Tooveressen bewoond en gezocht. _Wilg. ^(2)^ Men kent het mooie Vlaamsche sprookje van de Tooveres, die in een Wilgetronk langs den weg woont en er altijd zingt: `Zondag-Maandag, | | ^(1)^ D.i.~ gij zoudt beter ten woude varen, dan hier de maagden te bewaren, | gij zijt een `unholde' (nl.~ een heks: z.~ dit w.~ b.v.~ bij Weigand). | | | ^(2)^ Salix-soorten, vooral de hoogstammige S.~ alba L.~, die men dikwijls langs | beken en weiden tot Knotwilgen verminkt. | Zondag-Maandag!'. Een bultenaar die voorbijgaat, zingt het na, doch verlengt het deuntje: `Zondag-Maandag-Dijsendag, Zondag-Maandag-Dijsendag!' De Tooveres vindt haar liedje aldus schooner en, tot belooning, neemt ze de bult van den voorbijganger weg en legt ze naast haar in den Wilg. In 't naar-huis- keeren komt de nu flinkgeworden bultenaar een anderen tegen en verhaalt hem 't wondere geval. De tweede gaat ook naar den Wilgetronk, waar de Tooveres nu zonder ophouden zingt: `Zondag-maandag-dijsendag!' De bultenaar ver- lengt het deuntje: `Zondag-maandag-dijsendag-goensdag!' Doch de Tooveres vindt dat haar liedje te lang en leelijker geworden is en, tot straf, hecht ze de bult van den eerste vr de borst van den tweede, die nu twee bulten moet dragen! (Aldus te Zegelsem, Oost-Vl.~; cf.~ Is.~ Teirlinck, Folkl.~ flam.~ I, 115-116). -- Ook in Duitschland beweert het volk dat in oude Wilgen Heksen wonen. (Rel.~ u.~ Bohnh 360). -- In Bohemen (Bidschouwerkreise) was een huisgezin, waarvan de moeder -- ongetwijfeld eene Heks -- iederen nacht haar lichaam verliet en in eenen Wilg naast de beek ging spoken. Toen de man dat heksenspel gewaar werd, velde hij den Wilg en zijne vrouw stierf op dat zelfde oogenblik als ware zij door eene zicht doorgesneden. (Mannh.~ Bk.~ 69). Linde. ^_(1)_^ "*" Te Vosselare-bij-Nevele (Oost-Vl.~) stond een overoude Linde; uit den dikken stam ontschoot een jongere Linde onder dewelke 's nachts een oude vrouw -- een Heks! -- spon en door alle soorten van zonderling gedierte was omringd. (Wolff, D.~ S.~ n"r" 61; Perger 289). Olm. ^_(2)_^ De Bergolm heet hier en daar in Duitschland Heksenolm (`Hexen-Ulme'; Salomon-Voss). Den. ^_(3)_^ Op een grooten Denneboom bij Gmnd (Duitschl.~) zat de Heks Dull en wou bagel over de streek schudden; doch klokkengelui verhinderde dat Heksenwerk (Panzer, I, 20; Perger, 341). Vlier. ^_(4)_^ Twee Heksen zochten een Vlier op; zij begroeven er muizen en vliegen -- voortgeteeld door hun vleezige gemeenschap met den duivel. (Bekker, IV, 222). Marentak. ^_(5)_^ Heksen brengen deze half-schuimplant voort en bewonen ze: in de omstreek van Belfort (Fr.~) noemt men baar daarom Heksennest. (`Ni d'jenatche'; Roll.~ VI, 233). In Oostenrijk heet men Heksennest de door Zwammen voortgebrachte veeltwijgige, bezemvormige uitwassen op Berk^_(6)_^ en Den^_(7)_^: een Heks woont in zulke nesten en zij broedt er stormen. (Knortz, 8)._ b. *Heksen worden Planten.* Niet alleen zoeken Heksen zekere Planten tot hun woonst of | | ^(1)^ Tilia-soorten. | | | ^(2)^ Ulmus montana With. | | | ^(3)^ Abies pectinata D C. | | | ^(4)^ Sambucus nigra L. | | | ^(5)^ Viscum album L. | | | ^(6)^ De Zwam heet Exoascus betulae Fuckel. | | | ^(7)^ De Zwam heet Aecidium elatinum Alb.~ et Schw. | werkplaats; maar zij (evenals sommige Toovenaars) vervormen zich wel eens in Gewassen en vereenzelvigen er zich mee. _Een Toovenaar, terzelfdertijd wildstrooper, uit Aargau, is op strooptocht en ziet den boschwachter afkomen; hij verandert zich in een nederliggenden Boomstam; de boschwachter zet zich op dezen Boom, reinigt zijn tabakspijp met zijn mes (of pijpenpriem) en steekt daarna dit in den stam, waar hij het, als uit vergetelheid, laat steken; daarna neemt de wilddief zijn gedaante terug en lijdt groote smart, veroorzaakt door het mes (of den priem) dat hem diep in den kop blijft steken. (Rocholz, Aargaus.~ II, 147; Mannh.~ Bk.~, 67). Toovenaars worden Vlierboomen. ^_(1)_^ (Teirl.~ Plantl.~ 87). -- Te Labruguire (dp.~ Tarn, Fr.~) beschouwt men de lage Vlier^_(2)_^, als een Toovenaar: wanneer de boeren een beest hebben dat door de wormziekte wordt aangetast, gaan zij bij een Hadikstruik, wringen een handvol Bladeren van de Plant tusschen hunne handen, maken een groote buiging en zeggen: `adouisis, monsu l'aoussi, si n trass pas tous bers de moun brbnier, vous coupi la gambo, may lou py', d.~ i.~: `goeden dag, mijnheer de Hadik, indien gij niet neemt al de wormen uit mijn wormenier, snijd ik uw been en uwen voet af'. (Roll.~ IV, 290) Evenals de Vlier denkt men de Jeneverboom een bezield, menschgelijkend wezen te zijn: vor een `Kranabetboom' (naam van Jeneverboom) moet men den hoed afnemen, doch voor een `Hollerboschen' (Vlierstruik) moet men knielen, zegt men in Zwitserland en in Stiermarken. (Marzell, 19). De Alpische Grasanjelier^_(3)_^ heet in de Dolomieten Heks van den Schlern, `Schlernhexe', omdat men ze veel vindt op dezen prachtigen, veelbezochten uitzichtsberg. (Pritzel u.~ Jess.~). De Veld- Kruisdistel^_(4)_^ heeft, bij Salomon-Voss, den naam van `Steppen- hexe': naar Russisch `Burian' "=" Steppenheks, omdat de stekelige Plant uit het steppenzand wordt losgerukt door den wind en met hem heksachtig rondwalst. (Leunis, p.~ 247). In Indi heet een Mostaardsoort (Sinapis racemosa) asuri (of suri) Heks of Duivelin. (Gub.~ I, 108)._ c. *Heksen-lichaamsdeelen uit Hout.* In Tirol is er een verbreide sage die beweert dat de Heksen- ribben van Elzen- ^(5)^ of Hazelhout^(6)^ zijn. _Een jongen zit op eenen Boom, ontwaart een hoop Heksen die eene van baar welke in 't midden staat, aan stukken rijten en, spelend, de brokken in de hoogte werpen; de jongen gelukt er in eene rib te vangen en houdt ze bij | | ^(1)^ Sambucus nigra L. | | | ^(2)^ Sambucus ebulus L. | | | ^(3)^ Armerla alpina Willd. | | | ^(4)^ Eryngium campestre L. | | | ^(5)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(6)^ Corylus avellana L. | zich. Vor de Heksen vertrekken, zoeken zij de stukken op en steken ermee het stukgereten lichaam opnieuw samen: doch zij vinden de door den jongen opge- vangen rib niet, kiezen er eene van Elzenhout en maken daarna de doode weer levendig. (Zs.~ f.~ d.~ Myth.~ II, 178, 20; Zingerle, Sagen 337, 586; Mannh.~ Bk.~ 116) Mannhardt vergelijkt met den ivoren schouder van den Griekschen Pelops. Een variante, ook uit Tirol, is bekend: Een knecht bespiedt een in 't zelfde huis dienende meid gedurende den 1"e" Meinacht; ziet dat zij met zekere zalf een kachelgaffel (Ofengabel) besmeert; hoort dat zij zegt: `Overal boven en nergens aan!' en langs den schoorsteen wegvliegt. Na haar vertrek wil de knecht haar nadoen: hij bestrijkt met de rest van de zalf een aan zulke gaffel gelijkend voorwerp, spreekt evenwel de woorden verkeerd uit: `Overal aan en nergens boven!', zoodat hij onderweg tegen alles stoot en botst. Met gaten in den kop komt hij eindelijk op het Heksendans-plein aan, ziet dat de meid er door Too- veressen geslacht wordt, gebraden en gegeten. Men werpt hem eene rib toe, doch hij eet ze niet op, steekt ze in zijnen zak. De Heksen maken zich tot het vertrek gereed; de nog overige beenderen worden vergaderd en weder levendig; doch men ondervindt dat ene rib ontbreekt en men vervaardigt er eene uit Hazelhout. Eenigen tijd later vertelt de knecht aan de meid het gebeurde: zij valt dood op den grond. (I.~ A.~ Heyl, Volkssagen, Gebruche und Meinungen aus Tyrol. Brixen, 1897). "*" Vlaamsche varianten dezer sage zijn ook bekend; doch zonder de toevoe- ging van het maken eener rib uit Hout._ d. *Heksenvergaderingen.* 1. Planten waarin, waaronder, waarbij of waarop de Heksen zich vergaderen. Heksen komen samen in of bij niet bepaalde Boomen. _"*" De Sint-Annaboom van de rune van Samson. Andr Van Hasselt (Emancipation, 1836, n"r" 263) zegt dat bij de rune van Samson, op het toppunt van de rots tegenover Namche en naast de Maas (prov.~ Namen), een oude Boom stond, nl.~ de Sint-Annaboom. Op St.~ Jansnacht, op Goeden-Vrijdagnacht en in de Heilige Nachten kwamen er de Heksen te zamen en zongen en dansten errond. (Wolff, N.~ S n"r" 419). "*" Heksen vergaderen in een Woud bij Hesdin en bedriegen er een voorbij- komenden vioolspeler (Berthoud, Chr.~ et Tr.~ de la Fl.~, 159; Wolff, N.~ S.~ n"r" 189) ; naar een Zuid-Oostvlaandersche sage gebeurt het in een Woud tusschen Opbrakel en Nederbrakel (Wolff, n"r" 383); te Wezemaal (Brab.~) gebeurde 't in 't Larenbosch (DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ I, 15)._ Heksen verzamelen zich op Grasweiden en dansen er. _Z.~ beneden g.~ Heksenringen._ Er zijn ook wel bepaalde Boomen, in wier kruin zij hun nach- telijk Heksenspel spelen. Ik noem: den Eik, de Linde, den Beuk, den Populier, den Els, den Pereboom, den Notelaar, den Doorn, den Hazelaar, de Vlier en den uitlandschen Judasboom. _Eik. ^_(1)_^ In Bovenfranken (Duitschl.~) wiegelden en schommelden, gedurende den Walpurgisnacht, de Heksen op eenen Eik. Op zekere plaats wou men eens zulken Hekseneik vellen; doch zijn hout bleek zoo hard te zijn dat al de gebruikte werktuigen stomp werden; eindelijk gelukte het aan eenen smid het ijzer van eene bijl zoo hard te temperen dat de Eik ermee kon gehouwen worden; doch de Boom scheen steeds te willen vallen naar den kant waar de eigenaar die 't vellen bevolen had, stond; bij het avondluiden boorde men een zoo schrikkelijk onderaardsch gedruisch dat de bezitter van den Eik, vol angst en schrik, wegliep en daarop erg ziek werd; eerst na verloop van zeven dagen wierp een hevige storm den Eik ten gronde. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ 8-9; Perger, 295). "*" Een parallelische bijna identische sage vertelde men mij toen ik kind was, in het Zuiden van Oost-Vl.~ (te Zegelsem). Z.~ Teirl.~ Plantl 12-13: de Toove- resseneik van den Roschbosch. Ook in Engeland zegt men dat de Heksen zich onder eenen Eik vergaderen. (This.~, 57). `Jarnwidr' is een Eikenwoud, beweert Perger (264), en de `Jarnwidiur' of Noorsche Toovervrouwen, waarvan Gylfaginning, 12, spreekt bewonen dat Eikenwoud. Naar Simrock, Edda, 284, is dt verkeerd: `Yarnwidr' is eigenlijk een IJzerwoud. Linde. ^_(2)_^ "*" De Lindeboom van Hanurit: de Tooveres Clara Goessen, geboortig van Straatsburg heeft met den duivel Roelandt geboeleerd onder eene Linde te Hanurit (Cannaert, 243-4; De Cock en Teirl.~, Br.~ S.~ I.~ 11); doch waar eigenlijk die plaats Hanurit te zoeken is, weet ik niet: misschien is 't een inge- beelde naam. "*" De Dikke Linde te Bussegem (gehucht van Vllerzele, Oost-Vl.~): Te Bussegem staat een oude vermaarde Linde, de Dikke Linde genaamd; Heksen en Spoken houden hier hunne nachtelijke vergaderingen; gaat men er zeven keeren rond, al zeggende: `hedde mij niet, pakt mij!' dan verschijnt er een veulen. Een werkman ging op eenen Zomernacht in de nabijheid van de Dikke Linde zijn Koren pikken; eensklaps rolde er vor hem een veulen. (Pennoen, 1880, 79; Volksk.~ IV, 15). "*" De Heksenlinde te Loveren (gehucht van Westerhoven, Nd-Brab.~): In het midden van Loveren stond, nog in 't begin der 19"e" eeuw, een oude, groote en breedgekruinde Linde; iederen avond en nacht kwamen er een menigte katten: 't waren zonder twijfel Heksen, die er raasden en speelden en dansten. (Panken, N.~ Br.~ S.~; VL, V, 17). | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Tilia grandfolia Ehrh.~ en T.~ parvifolia Ehrh. | "*" De Linde van Auwegem (bij Dendermonde): er kwamen 's nachts katten (Heksen) die er muziek maakten. (Perger, 289). Ook in Engeland (This.~ 57) vereenigen zich de Heksen onder Lindeboomen. Beuk. ^_(1)_^ "*" De Tieltjesjacht in 't Beukenwoud bij Diest (Brab.~). In dit woud, zoo vertelde men, stond een kasteel met drie torens; de torentoppen zag men boven de Beuken uitsteken, doch niemand was bij dit kasteel geraakt en had het van dichtbij gezien. Iederen nacht, na klokslag twaalf, hoorde men boven het Bosch als 't gedruisch van een sterken vloed; dat duurde 3-4 minuten; daarna verward geroep; dan, boven het kasteel, getier en gezang, eindelijk allerschoonste muziek. Dat spel duurde tot en uur. Op een nacht besloten twintig sterke mannen naar dat tooverkasteel te trekken. Ze bleven verscheiden dagen weg. Na zes dagen gegaan te hebben, kwamen ze op den koer van 't kasteel: overal lagen er doodsbeenderen van menschen en peerden. Toen 't middernacht werd, steeg boven hunne hoofden een helsch lawijt; 't verdween in een van de zalen van het kasteel. De mannen slopen binnen: honderden schoone meisjes en vrouwen, allerkostelijkst gekleed, zongen er en dansten hen tegen. Een van de mannen werd bang en sprak: `Heere Jezus, sta ons bij!' En nauw was dat gezegd, of ze stonden in een smallen gang, omringd van leelijke oude wijven, alle met een bessemstok: ze vervloekten de mannen en vlogen weg. De Heksen bleven verjaagd uit het Beukenwoud, want eens dat zij in hunnen dans verhinderd worden, mogen ze geen vergaderingen gedurende zeven maal zeven jaar bijwonen. De menschen van Diest en omstreken, heeten die Heksenvergaderingen: de Tieltjesjacht of ook soms den Heksendans. (Hage- lander, I, 102, II, 11, DC en Teirl.~ Br.~ S.~ I.~ 17-18). Populier. ^_(2)_^ "*" De Kanadaboom te Denderleeuw: 't Is lang geleden, vor de deur van 't huis van Koster De Proost stond een hooge Kanadaboom; iederen nacht hoorde men erin wonderbaar schoone muziek. Op den duur verveelde dat den Koster, op eenen nacht opende hij zijn kamervenster en schoot, met zijn geweer In de takken van den Tooverpopulier; maar de muziek duurde voort, luider dan eerst. 's Anderendaags gaf de pastoor hem den raad het geweer met gewijd zout te laden; de koster deed het en schoot opnieuw in de takken den volgenden nacht; schielijk hield de muziek op en een gouden keten viel op den grond. De koster raapte ze op en ging er mee den dag daarna naar Aalst bij eenen goudsmid. `Vriend, zegde de Aalstenaar verschrikt en zeer bleek, zeg mij toch waar gij die keten gehaald hebt?' De koster zei hem alles. De keten was die van de vrouw van den goudsmid: 't schot had haar in den hals getroffen en ze lag halfdood in haar bed! Aldus in de Dendervallei. (Volksk.~ I.~ 154; DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ 11-12). "*" De Populier te St Job (Ukkel, Brab.~). Te St.~ Job, langs den Beekkant, hoorde men, alle nachten op klokslag twaalf, schoone muziek in eenen grooten Populier: 't waren Tooveressen die op den Boom zongen, speelden en dansten. Een man had de stoutheid zijn venster open te doen en nieuwsgierig naar den | | ^(1)^ Fagus silvatica L. | | | ^(2)^ Populus canadensis Michaux. | Populler te kijken; in eens kreeg hij een felle kaaksmeet en de venster sloeg toe. (DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ I, 12-13). Z.~ Panken N.~ Br.~ S.~ n"r" 70. Els. ^_(1)_^ Men geloofde in Duitschland dat de Heksen zich bij deze spookachtigea Boom ophielden. (Prahn, 133). Pereboom. ^_(2)_^ Bij Pereboomen kwamen de Heksen bijeen. (This 57). Notelaar. ^_(3)_^ De Napolitaansche Tooveressen hielden hunne vergaderingen onder den grooten Notelaar van Benevent. (Grimm, D.~ M.~, This.~ 58); Bodin, De Magorum d"ae"monomania, Strasb.~ 1591, 104 vvgg.~, Pipernus, P.~, De Nuce Maga Beneventana, in: De magicia affectibus, Neapel 1634; Bolte, J.~, Der Nuszbaum von Bennent in: Zeitschr.~ Ver.~ f.~ Volksk.~ 19 (1909), 312-314; Leland, Etruscan Roman Remains, 1892, 152; Gubern.~ Myth.~ des Pl.~ II (1889), 290 v.~, Pitr, Usi e Costumi, III, 1889, 290 v.~; enz. -- Te Bologna (Ital.~) beschouwt men den Notelaaar als een Heks(enboom): de Heksen komen er, op St.~ Jansnacht, en doen er hun boos en dierlijk Heksenwerk. (This.~ 58, Gubern.~ II, 248; Rehl.~ u.~ Bohnh.~ 221). Doorn. ^_(4)_^ "*" De Doornstruik in De Vondelen (wijk van Denderhoutem (Brab.~): De Heksen verzamelen zich in Doornstruiken na deze eerst in een schoone herberg of in een prachtig kasteel veranderd te hebben. Een man, Brewie geheeten, keert, op eenen nacht, van Aalst terug naar Denderhouthem. In de wijk De Vondelen ziet hij een schoone dreef en op het einde een schoone herberg. Dreef noch herberg waren daar vroeger te zien. Brewie is niet vervro- zen, trekt de herberg binnen, vraagt nen borrel en zet zich op eenen stoel. Nu hoort hij wondere muziek en in eene zaal bemerkt hij heeren en juffrouwen die aardig dansen. Na eenigen tijd toegezien te hebben, roept Brewie verwonderd uit: `Jezus-Maria, w kunde gijlie schoon spelen en dansen!' In eens wordt alles doodstil: en geene herberg, geene dansers en spelers, geene dreef, niets meer! Brewie zit in eenen Doornstruik en zijn jeneverglaasje is een Braamblad! (DC.~ en Teirl.~, Br.~ S.~ I, 18-19). "*" De wondere Doornstruik van 't Liedekerkebosch. Jefken de Speelman, een vioolkrabber van Ternath, keert laat in den nacht huiswaarts van Gooik-ker- mis. In 't Liedekerkebosch gekomen, ziet hij de dreef van een prachtig verlicht kas- teel; hij gaat er binnen en bemerkt er veel heeren en juffrouwen. Ze zetten eenen stoel op een tafel en Jefken er op; hij begint te spelen; heeren en juffrouwen dansen en, na iederen dans, krijgt Jefken een zeker getal goudstukken, zoodat welhaast al zijn zakken vol zijn. In de verte slaat het middernacht en op den- zelfden moment is heel de Santenboetiek -- kasteel en dreef, heeren en juffrou- wen -- weg naar den duivel. En Jefken zit alleen op eenen Doornstruik met zijn zakken vol droge Elzenblaren. Aldus te Wambeek (Brab.~), Volksk.~ I, 75-76; DC.~ en Teirl.~, Br.~ S.~ I, 24. | | ^(1)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(2)^ Pirus communis L. | | | ^(3)^ Juglans regia L. | | | ^(4)^ Crataegus oxyacantha L.~ en C.~ monogyna Jacq. | Hazelaar. ^_(5)_^ Met de twee vorige Heksensagen hangt de volgende samen: "*" De Man op den Hazelstruik. Eene halve mijl van Verrebroek ligt Vrasene (Land v.~ Waas). Op eenen avond komt een man uit Vrasene en wil naar huis gaan; hij verdwaalt, loopt zeer lang om en om; daar ontwaart hij eensklaps een herberg en trekt binnen. Een groot gezelschap maakt er plezier bij spel en wijn. Men biedt den omdolende een beker sampanje; hij neemt dezen aan en dankt: `God zegene u!' Daar is plots alles verdwenen en de man zit alleen, met den beker in zijne hand, te midden van eenen Hazelstruik. Deze beker heeft men lange jaren te Verrebroek bewaard en veel menschen herinnerden zich hem nog gezien te hebben. (Wolff.~ N.~ S.~ n"r" 382). Vlier. ^_(2)_^ Te Vorst (bij Brussel) was een Tooveres, bijgenaamd Moeier Noulde (eig.~ Moeder Naalde). Den nacht dat ze stierf, kwamen al de katten (de Heksen nl.~) van de omstreek op den Vlierboom die vor haar huizeken stond, en ze mauwden dat het schrikkelijk was om hooren. (DC.~ en Teirl.~, Br.~ S.~ I.~ 29). Heksen loeren vaak uit de twijgen van den Vlier; men mag bij zulken Boom niet komen na zonsondergang. (This.~ 58; Thorpe, Northern Myth.~ III, 267). Judasboom. ^_(3)_^ Judas verhing er zich aan en sedertdien vergaderen er zich Heksen in. (This.~ 57). Netel. ^_(4)_^ De Heksen komen bijeen op kruiswegen, waar Netels groeien, vooral op St.~ Michielsdag (29 Sept.~). Aldus te Neudrfel In Saksen. (John, Sitten u.~ Brauch im Schsischen Erzgebirge, 133)._ 2. Planten die Heksen ten Sabbat voeren. De Heksen zetten zich schrijlings op eenen Bessemstok en hollen dan door de lucht naar den Sabbat (of vergaderplaats). _Deze Bessem is van Berkenrijs ^_(5)_^, van Vlasdotter ^_(6)_^ of van gewone Brem. ^_(7)_^_ Soms is het een kachelvork (hgd.~ `Ofengabel') die er hen heenvoert. _Perger, 5._ Soms ook is het een gewone Stok met een speciale zalf over- streken. _"*" Uit de Vierschaarboeken van de Stad Antwerpen (Vrijdag 22 Aug.~ 1603), | | ^(1)^ Corylus avellana L. | | | ^(2)^ Sambucus nigra L. | | | ^(3)^ Cercis siliquastrum L. | | | ^(4)^ Urtica dioica L. | | | ^(5)^ Betula alba L. | | | ^(6)^ Camelina sativa L. | | | ^(7)^ Sarothammus scoparius L. | proces tegen de Heks Clara Goessen, geboortig van Straatsburg: `Item dat sy in diverssche nachtvergaderingen van den boosen vyandt, haer heeft laten vervueren, by middel van eenen Stock, die met salve was bestreken, die zekere vrouw genaempt Berbel tusschen haer ende der gevangene beenen hadde gesto- ken, ende eerst tot Hanurit ontrent eenen Lindeboom, gestaen ontrent een ure verre van der plaetse daer sy gevangene met chrysvolk ^_(1)_^ lach. Ende dat sy in de vergaderinghe den vyandt die in eenen stoel sat aen een tafel, onder eenen Lindeboom heeft geert, aldaer gedanst, ende metten voers.~ Roelandt ^_(2)_^ oyck gebouleert. Dat sy oyck met de voors.~ Berbel, by middel van den voors.~ Stock haer heeft laten vervueren tot by het gerechte gestaen ontrent Halle, wesende twee uren gaens van daer sy was liggende, hebbende sy aldaer den boosen vyandt, die in eenen stoel aen eene tafel was sittende, geert, met hem gheten ende gedanst, ende metten voors.~ Roelandt gebouleert. Heeft oock de gevangene, by middel van den voors.~ Stock, haer laeten vervueren in der nacht- vergaderinge van den voors.~ boosen vyandt tot Lembeke, wesende dry uren van daer sy lach, by middel als boven, alwaer sy hem oyck heeft geert, ge- danst, ende eenen bock die daer was, gecust ontrent synen steert, gelyck oyck deden alle d'andere die daer waren, welcken bock daer naer wert verbrant, ende een iegelyck van degene die daer waren, namp van de asschen, maer sy gevangene nyet om dat se daer ane nyet en conste geraken'. Zie het heele stuk, dat ijzen doet, bij Cannaert, 242-246._ Soms rijden de Heksen op een gebroken Stok (z.~ b.v.~ Jacobs, Celtic Fairy Tales, 12) ofwel is het een Stroobussel die Toovenaars naar de vergaderplaats vervoert. _"*" Peter van Wetteren (Oost-Vl.~) ging met den duivel om en had hem zijn ziel verkocht; hij ging er zoo gemeenzaam mee om dat hij op de geheime vergadering der hellegasten -- ergens in Egypte -- werd toegelaten, op ene voorwaarde: hij moest den mond toehouden zoolang de vergadering duurde. De verre reis deed hij zoo snel, dat, indien hij kwart vor twaalven 's nachts uit Wetteren (tusschen Gent en Dendermonde) vertrok, hij juist ten twaalven in Egypte aankwam. Op eenen avond zat hij met een Wetterschen vriend in een herberg, en het was laat geworden zonder dat beiden het bemerkten. In 't midden van een gesprek trok Peter zijn horloge en zag dat het reeds 10 minuten vor den twaalven was. `Neem het mij niet kwalijk, vriend, sprak hij, maar ik moet absoluut weg, 't is tijd!' `Bij uw wijf?' vroeg de vriend. `Neen, die ziet mij niet voor 't dag is'. `Waar gaat gij dan naartoe?' `Ik ga naar Egypte'. `Wat, naar Egypte?' `Ja, ja, en ik heb geen tijd te verliezen, vaarwel!' `Zoo niet, vriend, zei de andere, ik verlaat u niet, ik ga mee met u!' `Welnu, kom', antwoordde Peter. En ze gingen naar den naasten kruisweg. Daar lag | | ^(1)^ 't Gebeurde ten tijde van 't bekende beleg van Nieuwpoort (`Nyenpoorte | in Vlaenderen'). Clara was dus een soldatenmeid. | | | ^(2)^ Naam van den duivel. | een Stroobussel, en zij zetten er zich alle twee op, nadat Peter zijnen kameraad streng had opgelegd niet te spreken. `Over bosch, over berg en over dal!' riep Peter; en ze vlogen door de lucht en op den tijd van min dan een kwartier waren ze in Egypte. De verzameling was reeds aan den gang; en als alle bespreking gedaan was, kwam een kostelijke maaltijd, en Peter en zijn vriend hielden een fijne zielmis voor hun lege magen. Als nagerecht kwam op tafel een schotel die duivelsch slecht rook. De vriend proefde 'nen keer, spuwde het snel op den grond en riep met afschuw: `Peter, dat is zeker menschenvleesch!' In enen keer verdwenen zaal en gasten, en Peter lag thuis in zijn bed; maar zijn vriend bleef in Egypte. Den heelen dag liep Peter vol angst en schrik rond, want hij wist dat zijn gezel, in den komenden nacht, als overtreder der wet, zou gedood worden. 't En was nog maar half twaalf of hij liep naar den kruisweg en zette zich op den Stroobussel. En toen hij nog eenige uren van Egypte was, bemerkte hij reeds hoe alles voor de onthoofding gereed was en hoe een duivel het zwaard hief om het hoofd van zijnen vriend af te slaan. `Ju, ju!' riep hij zijnen Bussel toe en, met en vlucht, schoot deze met de Aren op den hals van den veroordeelde: het vallende zwaard had hierdoor zijne kracht verloren. De geredde sprong bij Peter op zijnen Stroobussel en zij vlogen naar Wetteren terug. De vriend trachtte nu Peter op eenen beteren weg te brengen; 't gelukte hem en de bond met den duivel werd voor altoos verbroken. (Wodana, I.~ 29; Wolff, N.~ S.~ n"r" 550). Toovenaars gebruiken ook Stroobosjes als voertuig. Daarom visschen de sluismeesters zulke vlottende Stroobosjes op en werpen ze op den wal. 't Schijnt dat het dorp Stroobos (in Friesland) hiervan zijnen naam heeft gekregen. (Dijkstra, II, 234)._ Hooi wordt insgelijks door Heksen als vervoermiddel gebruikt op hun nachtelijke luchttochten. _De Heks van Oostbroek. Te Oostbroek niet ver van Utrecht (Holland), leefde eene weduwe; deze had eenen knecht die den huis- en veldarbeid ver- richtte. De knecht had dikwijls bemerkt dat zijne meesteres -- toen alles sliep -- in den stal op zekere plaats uit de kribbe Hooi met hare handen nam. Dat verwonderde zeer den nieuwsgierigen knecht, en hij vroeg zich al waarom zijne meesteres dat wel doen mocht. En op eenen nacht zou hij het nadoen om te zien wat daaruit gebeuren zou. Toen hij nogmaals in den stal was geweest, ging hij er ook, bekeek alles met aandacht en nam ook van het Hooi. Doch nauwelijks had hij het in de handen, of hij vloog door de lucht, verre-verre weg, tot in het stadje Wijk; hij kwam er toe in eenen kelder waar veel mannen en vrouwen verzameld waren. Toen de meesteres en de anderen hem ontwaar- den, verschrikten zij in den beginne, en zij vroegen hem dan hoe hij hier gekomen was. De knecht vertelde hun de heele zaak. De weduwe schoot daarop in hevige gramschap en begon met de andere te beraadslagen. Allen waren echter van meening dat het best was hem vriendelijk te ontvangen en hem enkel te verzoeken dat hij toch hierover niets vertellen zou. Intusschen kwam voor allen het uur der scheiding. Daar de knecht beloofde niets te veropenbaren, nam zijn meesteres hem op hare schouders en beiden vlogen door de lucht voort. Toen zij echter over een groot water moesten, dacht de vrouw dat het beter zou zijn haran knecht toch maar in 't water te verdrinken, en met en schok wierp zij den armen man in 't water. Maar de lieve God en wou niet dat de knecht alzoo sterven zou; en deze kwam terecht in het Riet, en daar zuchtte en jammerde hij erbarmelijk. Dat hoorden eenige voorbijgangers; zij trokken hem uit het water en vroegen hem hoe hij daarin gekomen was. Hij vertelde alles. Toen legden de lieden hem op eenen wagen en voerden hem naar Utrecht bij den burgemeester Culemburg, aan wien hij opnieuw alles verhaalde. De weduwe werd vastgegrepen; zij bekende alles, en heeft, als Heks, hiervoor de verdiende straf ontvangen. (Ronssens, Epist, med.~ 50; Delrio, Disq.~ mag.~ II, quaestio 16, p.~ 180; Wolff, N.~ S.~ n"r" 244). Thorpe (North.~ Myth.~ III, 208-9) zegt insgelijks dat de Heksen Hooi gebruiken om zich door de lucht te vervoeren. (This.~ 61)._ 't Vervoermiddel is een Esschenstok ^(1)^. _Oomen, Pl.~ 358._ Ofwel 't zijn de zoogenaamde Heksenbessems, die zich op de Zilverspar ^(2)^, den Pijn ^(3)^, den Haagbeuk ^(4)^, den Berk ^(5)^, den Kerseboom ^(6)^, den Pruimelaar ^(7)^ of den Dwergkersenboom ^(8)^ ontwikkelen. _Naar het volksgeloof zijn het Heksenbessems door de rustende Tooveressen op den Boom nagelaten of er geschapen. De Heksenbessems zijn echter opeengehoopte bessemvormige twijgjes, teweeggebracht door zwamsoorten die in het Hout leven: door Aecidium elatinum Alb.~ en Schw.~, op Zilverspar, door Cladosporium penicillodes Preuss.~, op Pijn; -- door Exoascus carpini Rostr.~, op Haagbeuk; -- door Exoascus deformans Fuckel, op de andere hierboven genoemde Boomen. "*" Te Ukkel (St.~-Job) heb ik in 1890, in een parkje op eenen Berk een vijftal schoone Heksenbessems gezien. Het is bewezen hoe Exoascus de Heksenbessems op den Berk vormt: eerst doet Exoascus een jong takje sterven; aan den voet van 't gestorven rijsje ontstaan zijknoppen en worden op hun beurt jonge twijgjes die ook worden gedood door de Zwam. Doch telkens ontstaan weer zijknoppen en jonge takjes, | | ^(1)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(2)^ Abies pectinata L. | | | ^(3)^ Pinus silvestris L. | | | ^(4)^ Carpinus betulus L. | | | ^(5)^ Betula alba L. | | | ^(6)^ Prunus cerasus L. | | | ^(7)^ Prunus domestica L. | | | ^(8)^ Prunus chamaecerasus Ebrh. | zoodat eindelijk het geheele een echt warbosje is, dat men, om den zonderlingen vorm, Heksenbessem heeft geheeten._ Riet ^(1)^ voert de Heksen ten Sabbat. _Grimm, D.~ M.~ III, 1084; This.~ 60._ Ook de Mattenbies ^(2)^. _This.~ 60. -- Cf.~ het Iersche sprookje van de Biezen en de Korenhalmen, die paarden worden op het oogenblik dat men ze berijdt. (Grimm, D.~ M.~ III, 1084). -- Ook Perger, 96, zegt dat Heksen op Mattenbiezenstengels rijden._ En de St.~ Jakobsstaf^(3)^. _In Ierland heet men deze samengesteldbloemige Feenpaard (`Fairies'~ horse'). This.~ 60. Z.~ ook Hunt, Popular Romances of the West of England (1871), p.~ 330._ En de stengel van de giftige Scheerling ^(4)^. _Zij rijden op `Bohalawn', zegt Jacobs, Celtic, 12. Aldus in Wales(?)._ Naar den befaamden Blocksberg (Duitschl.~) varen de Heksen op Boksdoorn ^(5)^. _Cf.~ Shns, 111; Prahn, 130._ Deze plant bedoelen waarschijnlijk De Beer-Laurillard, Wds, als zij schrijven i.v.~ Heksenbessem: _`Op den Brocken noemt men een laag, menigvuldig daar voorkomend stekelig struikgewas, ook Heksenbezem, buiten alle verband met eenigen Boom; dit verklaart zich uit de legende der Heksenfeesten op den Blocksberg'._ De Marentakken ^(6)^ zijn hun rijpaard. _Aldus in Zwitserland, waar men dezen Tooverheester Heksenbessem (`Hexenbesen') heet. (Pritzel u.~ Jessen bij Viscum album L.~). -- Ook in Frankrijk (bij Valenciennes) noemt men de Plant `Ramon d'sorcile' ("=" `Balai de sorcire' of Heksenbesssem); -- te Longueville (dp. Nord) zegt men `Bu- chon d'Sorcire' ("=" Heksenstok). E.~ Roll. Fl.~ Pop. -- Voor Prahn (137) is de `Hexenbesen' of Marentak antimagisch: met zulken bessem kan men Heksen wegvegen of verjagen._ | | ^(1)^ Phragmites communis Trin. | | | ^(2)^ Scirpus lacustris L. | | | ^(3)^ Seneclo jacobaea L. | | | ^(4)^ Conium maculatum L. | | | ^(5)^ Lycium barbarum L. | | | ^(6)^ Viscum album L. | e. *Heksenzalf.* De Stok of Steel, waarop de Heksen ten Sabbat reden, werd, vor 't vertrek, ingesmeerd met Heksenzalf; soms ook streken zij deze Tooverzalf over eenig lichaamsdeel (b.v.~ onder de oksels) en zelfs over hun heele lijf. _Ziehier eenige formulen die werden benuttigd bij het samenstellen dezer beroemde Heksenzalf. De negenkruidige Heksenzalf bevatte: Koningsvaren ^_(1)_^, IJzerkruid ^_(2)_^, Bingelkruid ^_(3)_^, Donderbaard ^_(4)_^, Vrouwenhaar ^_(5)_^, Zonnewende ^_(6)_^, Bilsen- kruid ^_(7)_^, Doodkruid ^_(8)_^ en Monnikskap ^_(9)_^: de drie laatste Kruiden zijn giftig en brengen de hersenen op hol. (Z.~ Schindler, Aberglaube, p.~ 160; Perger, 6). Leunis (Syn.~ 233) voegt er nog bij dat de bladeren van Donderbaard op een Donderdag moesten geplukt worden: woordgelijkenis! -- Over 't voorkomen van 't krachtig getal 9 in de Hekserij, z.~ Herrmann, D.~ M.~ 64. De formule van Hieronymus Cardanus: Heksenzalf bestaat uit de sappen van Selder ^_(1O)_^, Wolfsmelk ^_(11)_^, Nachtschade ^_(12)_^ en Tormentil ^_(13)_^, vermengd met roet: dit zwart smeersel wordt nog krachtiger gemaakt door toevoeging van Look ^_(14)_^, Dolik ^_(15)_^ en Boonenbrij. (Perger, 5). Porta, de befaamde Italiaansche astroloog, kende een paar formulen: 1"o" Heksenzalf bestond uit zeker vet (waarschijnlijk kindervet), gekookt met Kal- moes ^_(16)_^, Populierblaren ^_(17)_^, Selder ^_(18)_^ of Helioselinum ^_(19)_^, Monniks- kap ^_(20)_^, Nachtschade ^_(21)_^ en Vleermuisbloed (Perger, 5; Lvy, Haute Magie, II, 215); -- 2"o" Neem, zegt Porta, Kalmoes _(16)_, kruipende Ganzerik of Pen- | | ^(1)^ Osmunda regalis L. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. | | | ^(3)^ Mercurialis annua L. | | | ^(4)^ Sempervivum tectorum L. | | | ^(5)^ Adianthum capillus veneris L. | | | ^(6)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(7)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(8)^ Atropa belladonna L. | | | ^(9)^ Aconitum napellus L. | | | ^(10)^ Apium graveolens L. | | | ^(11)^ Euphorbia-soorten. | | | ^(12)^ Solanum nigrum L. | | | ^(13)^ Potentilla tormentilla L. | | | ^(14)^ Allium sativum L. | | | ^(15)^ Lolium temulentum L. | | | ^(16)^ Acorus calamus L. | | | ^(17)^ Populus-soorten. | | | ^(18)^ Apium graveolens L. | | | ^(19)^ Aldus bij Plinius. | | | ^(20)^ Aconitum napellus L. | | | ^(21)^ Solanum nigrum L. | taphyllon ^_(1)_^, slaapverwekkende Nachtschade ^_(2)_^, Vleermuisbloed en Olie, alles dooreen gekookt en vermengd tot zalf. (Lvy, Haute M.~, II, 216). Naar Knortz wordt de Heksenzalf als volgt gereedgemaakt: de Tooveressen nemen heimelijk een gewijde Hostie, geven ze aan eene Pad tot voedsel en verbranden daarna het beest. Deze asch wordt vermengd met het bloed van een ongedoopt kind, met zekere Kruiden -- de schrijver duidt ze niet aan -- en met Beendermeel van eenen opgehangene. De Boomen, waaruit de Luxemburgsche Heksen hunne zalf bereidden, groeiden op Porbretschen bij Vianden (Bassing, 49). De formule van Lancelin (H.~ Myth.~ de Shatan, 163-4) luidt: In een welge- sloten vat doet men 100 gram van een Geitebokje (d.i.~ in de Heksentaal een kindje), 5 gr.~ beste Haschisch ^_(3)_^, Hennip- en Kollebloemen ^_(4)_^; van elk gelijke hoeveelheid en genoeg om het vat te vullen, een vingergreep van gestampt Zaad van Zonnewende ^_(5)_^ en een vingergreep van poeder van Nieskruidwortel ^_(6)_^; alles wordt op een zacht vuur gezet gedurende twee uren. 's Avonds, vooraleer naar bed te gaan, moet men zich met die Zalf strijken achter de ooren, over den hals langs de halsaders, dan onder de oksels, in de streek van de groote sym- pathetische zenuw naar den linkerkant toe, over de knieoksels, de voetzolen en de laatplaatsen van arm en pols. -- Op blz.~ 164 geeft hij nog een ander electuarium of zalf, die echter niet zonder gevaar mocht gebruikt worden, want zij bevat de volgende schier alle giftige dingen: sap van saffraankleurig Torkruid ^_(7)_^, extrakt van Smyrnisch Opium ^_(8)_^, van Betelnoot ^_(9)_^, van kruipende Ganzerik ^_(1O)_^, van Doodkruid ^_(11)_^, van Bilsenkruid ^_(12)_^, van Scheerling ^_(13)_^, van Indische | | ^(1)^ Potentilla reptans L.~, ook, naar Pentaphyllon, Ndl.~ Vijfvingerblad ge- | heeten. | | | ^(2)^ In de middeleeuwsche nomenclatuur Solanum somniferum naar Dioscorides'~ | Struknos upnotikos; de moderne wetenschappelijke benaming is Physalis somnifera | Willd. Bij Lobelius, Cruydtb.~, heet Atropa belladonna L.~ Solanum somniferum | et lethale, en Physalis somnifera heet er `Solanum somniferum Clusii Hyoscyami | luteifoliis' en ook `Somniferum verticillatum Matthioli'. | | | ^(3)^ Het Arabisch woord Haschisch, Hacsisch of Hatschitscht beteekent Hennip, | zegt Leunis, blz.~ 545. Men noemt de Plant nog Molak. Het hoofdbestanddeel van | Haschisch is gevormd door de gedroogde spitsstengels van Indische Hennip | (Cannabis indica Lam.~), een variteit van de gewone Hennip (Cannabis | sativa L.). | | | ^(4)^ Papaver rhaeas L. | | | ^(5)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(6)^ Helleborus niger L. | | | ^(7)^ Oenanthe crocata Jacq. | | | ^(8)^ Sap van Papaver somniferum L. | | | ^(9)^ Vrucht van een Palm, Areca cathecu L. | | | ^(10)^ Potentilla reptans L. | | | ^(11)^ Atropa belladonna L. | | | ^(12)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(13)^ Conium maculatum L. | Hennip ^_(1)_^, van Spaansche Vliegen of Canthariden, eindelijk Dragantgom ^_(2)_^ en Suiker. Een schrijver van den tegenwoordig en tijd die zich met occulte weten- schappen bezighoudt (aldus Knipscheer, III, 22, die evenwel dien schrijver niet noemt) heeft de kracht van een soort van Heksenzalf op zijn eigen lichaam beproefd: `Ik wreef mij meermalen in, vooral bij de halsstreek, met een Zalf berdd uit Bilsenkruid ^_(3)_^, Doornappel ^_(4)_^ en andere Planten (welke?). Kort daarop was het alsof ik vloog door een wervelstorm. Behandelde ik boven- dien de okselholte, de schouders en andere lichaamsdeel en op deze wijze, dn viel ik in e~en langen slaap en in de daarop volgende nachten droomde ik levendig van bliksemsnelle spoortreinen en prachtige tropische landstreken. Het was mij meermalen als stond ik op eenen hoogen berg en sprak ik van dat verheven standpunt tot de menschen in het dal, ofschoon ook de hoogste huizen voor mij waren als dobbelsteenen.' -- Hiermede komt wel eenigszins overeen wat Helwig (Zauberartzt, 98) schrijft: dat die vrouwen welke hun lijf met zulke Zalven inwreven, door het sap van Nachtschade ^_(5)_^, van Dolik ^_(6)_^, van Bilsenkruid ^_(7)_^ en van Monnikskap ^_(8)_^ werden bedwelmd en dat zij dan droomden dat zij bij nacht omwaarden, vioolspel hoorden, bij heerlijke tafels zaten, en andere lustige dingen meer. (Perger, 5-6). -- Vgl.~ nog Shakespeare, Macbeth, IV, 2, over Heksenzalf._ Uit het voorgaande vooral, en ook uit ander documenten, blijkt dat de volgende 32 Planten gebruikt werden tot het vervaar- digen der vermaarde Heksenzalf:. Onder de Sporenplanten: de giftige zwammen: _Zij komen voor in een soort van Tooverzalf, waarover meer bij Lvy, H.~ M.~ II, 193._ Onder de Sporenkiemers (Embryophyta zoidiogama), drie Varens: het Vrouwenhaar ^(9)^, de Koningsvaren ^(1O)^, en de op een Maandag geplukte Maanvaren ^(11)^. _Z.~ Perger, 5 en 215._ | | ^(1)^ Cannabis indica Lam. | | | ^(2)^ Gom van drie Oostersche Vlinderbloemige Hokjespeulen (Astragalus verus | Oliv.~, A.~ creticus Lam.~, A.~ parnassii Boiss.~). | | | ^(3)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(4)^ Datura stramonium L. | | | ^(5)^ Solanum nigrum L. | | | ^(6)^ Lolium temulentum L. | | | ^(7)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(8)^ Aconitum napellus L. | | | ^(9)^ Adianthum capillus-veneris. | | | ^(10)^ Osmunda regalis L. | | | ^(11)^ Botrychium lunaria L. Woordgelijkenis! | Onder de Zaadkiemers (Embryophyta siphonogama): Naaktzadigen (Gymnospermae); de giftige IJf ^(1)^. _Onder de dingen die door de Heksen in hun Heksenketel geworpen werden en er samen gebrouwen, waren er IJftwijgen, die men afrukte tijdens der mane verduistering. (Shakespeare, Macbeth: Rel.~ u.~ Bohnh.~, 64)._ De Bedektzadigen (Angiospermae) zijn talrijker: Onder de Hanevoetachtigen (Ranunculace"ae"): de giftige Monnikskap ^(2)^ en het niet min giftige zwartwortelige Nies- kruid ^(3)^. _Monnikskap komt voor in de eerste Heksenzalf van Porta: cf.~ Perger, 5, 6; Lvy, H.~ M.~ II, 193 en 215. -- Zwarte Nieswortel in die van Lancelin._ Onder de Vetplanten (Crassulace"ae"): de gewone Donder- baard ^(4)^, anders een Heilkruid. _Perger, 5; Leunis, 233._ Onder de Roosachtigen (Rosace"ae"): de kruipende Ganzerik of het Vijfvingerkruid ^(5)^ en de gewone Tormentil of het Zeven- blad ^(6)^. Beide gemeene Planten zijn niet giftig. _Perger, 5; Lancelin, 164; Lvy, H.~ M.~ II, 216._ Onder de Vlinderbloemigen (Papilionace"ae"): de Boon ^(7)^ als brij; en de Dragant ^(8)^ als gom. _Perger, 5: Lancelin, 164. Beide Planten houden geen gift in._ Onder de Katjesdragers (Amentace"ae"): de bladeren van den Populier ^(9)^. _Perger, 5; Lvy, H.~ M.~ II, 215._ | | ^(1)^ Taxus baccata L. | | | ^(2)^ Aconitum napellus L. | | | ^(3)^ Helleborus niger L. | | | ^(4)^ Sempervivum tectorum L. | | | ^(5)^ Potentilla reptans L. | | | ^(6)^ Potentilla tormentilla L. | | | ^(7)^ Faba vulgaris Moench. | | | ^(8)^ Astragalus verus. A creticus en A.~ parnassii. | | | ^(9)^ Populus-soorten. | Onder de Hennipachtigen (Cannabinace"ae"): de Indische. Hennip ^(1)^, vooral als bedwelmende Haschisch. _Lancelin, 163-4._ Onder de Ruitachtigen (Rutace"ae"): de heel krachtige Ruit ^(2)^. _This, 55._ Onder de Schermbloemigen (Umbellifer"ae"): de gelukaanbren- gende Selder ^(3)^ en de twee zeer giftige: het Saffraankleurige Torkruid ^(4)^ en de Dolle Kervel of Scheerling ^(5)^. _Perger, 5; Lancelin, 164._ Onder de Wolfsmelkachtigen (Euphorbiace"ae"): de giftige Wolfsmelk ^(6)^ en het verwante eveneens giftige Bingelkruid ^(7)^. _Perger, 5._ Onder de giftige Nachtschaadachtigen (Solanace"ae") tellen wij er vijf: het Doornkruid ^(8)^, het Bilsenkruid ^(9)^, de Doornappel ^(10)^, ode slaapverwekkende Nachtschade ^(11)^ en de zwarte Nacht- schade ^(12)^. _Perger, 5; Lvy, H.~ M.~ II, 193, 216; Lancelin, 164; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 164, 166: Knipscheer, III, 22; Leunis, 590._ Onder de Bernagieachtigen (Borraginace"ae"): de Europeesche Zonnewende ^(13)^, eertijds een heelmiddel. _Perger, 5; Lncelin, 163; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 305._ | | ^(1)^ Cannabis Indica Lam. | | | ^(2)^ Ruta graveolens L. | | | ^(3)^ Apium graveolens L. | | | ^(4)^ Oenanthe crocata L. | | | ^(5)^ Conium maculatum L. | | | ^(6)^ Euphorbia-soorten. | | | ^(7)^ Mercurialis annua L.~ en ook M.~ perennis L. | | | ^(8)^ Atropa belladonna L. `Die Subpriorin der Premonstratenserinnen des | Klosters Unterzell (Unterfranken), Maria Renata Singer von Messau, die am | 21 Juni 1749 wegen Zauberel enthauptet wurde, bediente sieh nach den Inqui- | sitionsakten dieser Pflanze, die im Klostergarten wuchs'. Marzell, 165. | | | ^(9)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(10)^ Datura stramonium L. | | | ^(11)^ Physalis somnifera Willd. | | | ^(12)^ Solanum nigrum L. | | | ^(13)^ Heliotropium europaeum L. | Onder de IJzerkruidachtigen (Verbenace"ae"): het heilige IJzer- kruid ^(1)^. _Perger, 5, 147; This.~ 55._ Onder de Maankopachtigen (Papaverace"ae"), twee soorten: de roode Kollebloem ^(2)^ en het opium van de slaapverwekkende Maankop ^(3)^. _Lancelin, 163-4._ Onder de Lelieachtigen (Liliace"ae"): het Look ^(4)^. _Perger, 5._ Onder de Gramineen: de giftige Dolik ^(5)^. _Perger, 5._ Onder de Araceen: het geurende Kalmoes ^(6)^. _Perger, 5; Lvy, H.~ M.~ 216._ Onder de Palmen: de Betelnoot ^(7)^. _Lancelin, 164._ Een en ander volgt nog over zekere Tooverzalven, die door Toovenaars en Heksen tot hun tooverkunsten gebruikt werden en hen wellicht ook ten Sabbat voerden; ook over een magisch Slangewater. _In de middeleeuwen (Lvy, H.~ M.~ 193) maakten Toovenaars philters en zalven met het vet en het bloed van lijken, die zij uit de graven haalden; zij vermengden vet en bloed met Monnikskap ^_(8)_^, Doodkruid ^_(9)_^ en giftige Padde- stoelen; dat ijselijk mengsel werd gekookt en afgeschuimd op vuren die men stookte met doodsbeenderen en aan de kerken ontstolen kruisbeelden; zij deden er nog bij het poeder van verdroogde padden en de asch van gewijde hostin; | | ^(1)^ Verbena officinalis L. | | | ^(2)^ Papaver rhaeas L. | | | ^(3)^ P.~ somniferum L. | | | ^(4)^ Allium sativum L. | | | ^(5)^ Lolium temulentum L. | | | ^(6)^ Acorus calamus L. | | | ^(7)^ Areca cathecu L. | | | ^(8)^ Aconitum napellus L. | | | ^(9)^ Atropa belladonna L. | daarna besmeerden zij, met die helsche zalf, hunne slapen, handen en borst, maakten het diabolisch pentakel, bezwoeren de dooden onder de galgen en in verlaten kerkhoven. Men hoorde van verre hun gehuil, en de late reizigers meenden legioenen spoken te zien; het scheen hun dat de Boomen zelf zich vervormden in gedaanten die hun schrik aanjoegen; zij ontwaarden in de Struiken vurige oogen die akelig glinsterden; en de kikvorschen schenen met schorre stem de mysterieuze woorden van den Sabbat te herhalen. Het was magnetische begoocheling en zlnnelooze besmetting. Knortz (bl.~ 38) zegt dat bij de Irokeezen -- want het is vooral bij de wilde volkeren dat thans nog Hekserij bestaat -- eens 't volgende gebeurde: een jongen ving eens een schoone slang, stak ze in een met water half gevuld glas van Berkeschors ^(1)^ en voederde ze met vogels. Alle levenlooze dingen die hij in dit water bracht, werden levend. Zoodra hij zijne oogen met dit slangewater wreef, kon hij alle verborgen dingen zien; indien hij ermee zijn wijsvinger bestreek en daarna met dezen naar een persoon wees, werd deze betooverd. Nu legde hij eenige Kruiden (welke 't waren, wordt niet gezegd), doch geen giftige, in het water van 't Berkeschorsvat: en als hij met dit water zijn tong nat maakte, werd het klaar om hem. Ook kon hij zich onzichtbaar maken en in een slang veranderen. En elke pijl die hij met dat water bestreek, trof zijn doel._ f. *Planten door Heksen (of Toovenaars) op den Sabbat gebruikt.* Op de vergadering (Sabbat) kan Toovenaar of Heks den duivel dwingen te verschijnen; hiertoe gebruikt men eene Hulstroede ^(2)^. _Eene Heks, geheeten Jeanne Bosdeau, van Sallagnac (in Limousin, Frankr.~) of uit de omstreek, bekende dat een Italiaan haar tot een kwaad leven had verleid, toen ze nog zeer jong was. Eens, op St.~ Jansavond, bracht hij haar in een veld, waar hij, op den grond met een Hulstroede eenen grooten kring trok en daarna eenige woorden mompelde die hij uit een groot boek las. Daarop verscheen een groote gehoornde Bok, heel zwart en vergezeld van twee vrouwen, en onmiddellijk daarna een man als priester gekleed. De Bok -- 't was natuurlijk de Duivel -- vroeg wie die vrouw was, en de Italiaan antwoordde dat hij ze daar had gebracht, opdat zij de zijne weze. De Bok gebood aan Jeanne Bosdeau het kruisteeken te maken met de linkerhand. Daarna kwamen allen hem groeten en kusten hem den aars. Tusschen de twee hoornen van den Bok brandde eene zwarte kaars, waaraan de anderen hunne kaars, die zij in de hand hadden, kwa- men aansteken. Zij aanbaden den Bok en wierpen geld in een bekken. Deze Jeanne Bosdeau werd levend verbrand in 1594, bij arrest van het Parlement van Bor- deaux. (Thiers, Sup.~ II, 321-22)._ | | ^(1)^ Betuia alba L. | | | ^(2)^ Ilex aquifolium L. | Ten Sabbat zijn soms Toovenaars verplicht barvoets op den buitengewoon stekeligen Gaspeldoorn ^(1)^ te dansen. _Aldus in Vende (Fr.~); d.~ Roll.~ IV, 88._ IJzerkruid ^(2)^, over zich gedragen, maakt onvermoeibaar. Daarom zegt men dat Duiveltjes, Toovenaars en Heksen, die naar den verren Sabbat gaan, kousebanden van IJzerkruid dragen. _Aldus in Charente Infrieure (Fr.~). Roll.~ VIII, 41._ Op den Sabbat wordt de Zwarte Sabbatmis gelezen: gedu- rende die mis offeren de Heksen Tarwemeel ^(3)^ aan den Duivel. _Knipscheer, III, 27. Waar?_ Gedurende diezelfde Sabbatmis, die alle Woensdagen en Vrij- dagen gedaan werd, verbeeldde eene ronde schijf van eene Raap ^(4)^ de heilige Hostie. _Jeanne Bosdeau voornoemd, bekende nog (z.~ boven): Op eenen nacht bevond zij zich op eene der vergaderingen, die alle Woensdagen en Vrijdagen op den Puy-du-Dme (berg in Auvergne, Fr.~) plaatsgrepen; er waren meer dan zestig personen, die allen een zwarte kaars droegen en deze aanstaken aan die welke tusschen de hoornen van den Bok brandde; de Bok had zijne kaars doen branden met ze onder zijnen staart te trekken. Daarna stelden de aanwezigen zich met den rug tegeneen, gereed ten dans. Op deze vergadering werd ook de mis gedaan, maar iedereen keerde den rug naar den autaar. Hij die de mis deed, had een zwarten kazuifel zonder kruis aan, en hief onder de elevatie een snee van eene Raap omhoog, terwijl allen riepen: `Meester, sta ons bij!' (Thiers, Sup.~ 11, 322-3)._ Gebeurt het dat een oningewijde christelijke sterveling in een Heksenvergadering verdoold geraakt, dan worden hem vaak schijnbaar kostelijke dingen geschonken, die later ofwel een Koei- hoorn (soort van vroegen langwerpigen Aardappel ^(5)^), ofwel een Braamblad ^(6)^, of Eikeblaren ^(7)^, of Beukeblaren ^(8)^, of Elze- blaren ^(9)^ worden. | | ^(1)^ Ulex europaeus L. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. | | | ^(3)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(4)^ Brassica rapa L. | | | ^(5)^ Solanum tuberosum L. Z.~ Koeihoorn bij Tuerlinckx Hag.~ Id. | | | ^(6)^ Rubus-soorten. | | | ^(7)^ Quercus robur L. | | | ^(8)^ Fagus silvatica L. | | | ^(9)^ Alnus glutinosa L. | _"*" De rondleurder Pikke Blink van Aarschot kreeg op eene Heksenverga- dering een zilveren beker; toen de vergadering gedaan was, hield hij een Koei- horen in de hand. (DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ I, blz 15; VT.~ II, 14). Het blijkt echter niet uit de lezing dat het hier geen echte koeihoorn geldt. "*" De vioolspeler van Opbrakel (Oost-Vl.~ speelt voor de jokkende Heksen dansdeuntjes en krijgt tot belooning een aantal goudstukken, die, na de vergadering, geelgeworden Beukeblaren blijken te zijn. (Wolff, N.~ S.~ n"r" 383). "*" De kermisspeler Zander van Zuurbeemden (Brab.~) speelt ook voor 't vermaak van de Tooveressen en ontvangt een handvol goudstukken. Helaas! 't worden Eikeblaren! (VL.~, IX, 199; DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ I, 23). "*" Jefken de Speelman van Ternath speelt ook voor de vergaderde heeren en dames, en men betaalt hem insgelijks met goudstukken: droge Elzeblaren! (DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ I, 24-25). "*" Brewie van Denderhoutem drinkt een borrel in eene Tooverherberg, waar ze dansen: zijn jeneverglaasje blijkt een Braamblad te zijn. (Id.~ 18-19). In de folklore van andere volkeren vindt men dergelijke sagen. Vgl.~ b.v.~ Roll.~ X, 157-158; Heksengeld wordt droge Eikebladeren._ g. *Heksenringen.* Heksen en Toovenaars voeren op hunne Sabbatvergaderingen lustige rondedansen uit. Zooals boven reeds gezegd is, gebeurt dat wel in Weiden op het groene Gras: hun voetdrukken laten (alzoo 't volksgeloof!) kringvormige sporen na die men, in Ne- derland Heksenringen, Kolringen, Tooverkringen noemt; hier en daar Heksendansen (b.v.~ in Belg.~ Limb.~); in West-Vl.~ Tooveresse- ronden (aldus te Koolkerke, z.~ beneden); in Friesland `Tsjern- paed' ("=" Karnpad: Dijkstra, II, 195); in Walloni `Batis de Macrales' (Wallonia, 1906, 257); -- in Duitschland `Hexen- ringe, Zauberringe'; in Zweden `Elfdansar'; in Frankrijk `Cercles magiques, Cercles du Sabbat, Ronds du Sabbat, Ronds de Sorcires, Ronds de Fes, Anneaux magiques'; in Engeland `Fairy-rings', bepaaldelijk in Sussex `Hag-tracks'. _Op mijn dorp (Zegelsem en in 't Zuiden van Oost-Vl.~) zijn die Heksen- ringen niet bekend; in Vlaamsch Brab.~ evenmin; in Limburg (omstr.~ van Asch b.v.~) spreekt men van Heksendans, doch men bedoelt er iets gansch anders mee, nl.~ een soort van Wolfsklauw ^_(1)_^. Dr.~ R.~ Westerhoff, die een merkwaardige verhandeling over zulke ringen heeft geschreven (Verh.~ over de Kol- of Heksenringen ook wel Tooverkringen | | ^(1)^ Lycopodium complanatum var.~ chamaecyparissias A.~ Br. | genaamd, Groningen, 1859) onderscheidt zes soorten van Heksenringen: 1"o" De eerste soort heeft eene kringvormige oppervlakte van ongeveer zes of zeven oude ellen doormeter, heeft aan den buitenrand een kalen ring van een voet, en hierbinnen groen Gras; hij is zeldzaam; 2"o" de tweede soort is de `Alberflock' van Panzer (bij Brockhaus `Almer'; z: Panzer, Beitr.~ z.~ D.~ M.~ Myth, II, 75); deze `Alberfleck' heeft gewoonlijk den vorm van een halven cirkel, is zelden volmaakt kringvormig; men vindt ze niet veel (enkel in Tyrol tusschen de bergen Mentin en Spitzld); 3"o" de 3"e" soort heeft kringvormige vlakken die zich jaarlijks naar buiten vergrooten; deze vlakken hebben een doormeter van 2-3 duim tot 8-10 en meer voet (tot 16 meter, zegt Leunis, Syn.~); aan den buitenrand ziet men eenen ring (2-3 duim tot 1 voet en soms meer breed) van weelderig donkergroen Gras, die zelf omringd is door een ring van Paddestoelen (die de Heksenringen wellicht doen ontstaan, aldus Leunis, Syn.~ Kryptog, p.~ 962) en, naar Schlossberger (Annal.~ d.~ Chemie u.~ Pharm.~ van F.~ Whler u.~ J.~ Liebig, Band LVIII, 1846, Heft I, blz.~ 90-92) zijn: De gewone eetbare Zwam ^_(1)_^, de Parasolzwam ^_(2)_^, de Muiszwam ^_(3)_^, de Oreadenzwam ^_(4)_^ en de Bovist ^_(5)_^. Way (On the Fairy- rings of Pastures, in Trans.~ of the Brit Assoc.~ 1846) voegt er bij de Meizwam ^_(6)_^. Leunis l.c.~ noemt enkel: `Agaricus campestris' L.~, `A.~ oreades' (of `Maras- mius oreades') Fr.~, `A.~ giganteus', `A.~ multifidus'. Deze (en wellicht nog eenige andere soortgelijke Zwammen) sterven langzaam en voeden door de opge- zamelde stikstof den grond die dus aldaar malsch Gras voortbrengt; en daar het zich in den grond bevindende Mycelium zich centrifugaal ontwikkelt, wordt de ring voortdurend grooter. Deze 3"e" soort van Heksenring is de meest voorkomende en gewone. Ziehier hoe J.~ Massart (Esquisse de Gogr.~ bot.~ de la Belg) het ontstaan van Heksenringen door `Marasmius oreades' verklaart: `Sur les pelouses sches o l'herbe est courte et serre et o paissent des bestiaux, on voit frquemment des cercles dont le pourtour est jalonn par des chapeaux de `Marasmius oreades' (eene stereoskopische phototypie, n"r" 521, verbeeldt zulken Heksenring). Ces ronds de sorcires peuvent atteindre un diamtre d'une dizaine de mtres. Chacun a dbut par un point unique central. Il est probable que le Champignon laisse dans le sol une substance qui est toxique pour lui-mme et qui l'empche donc de se dvelopper deux annes de suite la mme place; d'o la croissance en cercles qui s'largissent de plus en plus. A l'automne, lorsque les chapeaux pourrissent en grand nombre la cir- confrence, celle-ci reoit une abondante fumure en sels minraux, qui permet l'herbe d'y pousser avec plus de vigueur qu'ailleurs (de stereoskopische photo- typie, n"r" 286 van Massart's werk toont dit klaar aan); la priphrie du cercle | | ^(1)^ Agaricus campestris L. | | | ^(2)^ Agaricus procerus Scop. | | | ^(3)^ A.~ terreus Schaeff. | | | ^(4)^ Marasmius oreades Fr. | | | ^(5)^ Lycoperdon bovista L. | | | ^(6)^ Agaricus graveolens Pers. | est ainsi marque en toute saison par la hauteur plus grande et la teinte fonce de l'herbe. L'interdpendance des organismes est trs nette dans cet exemple. `Marasmius oreades' ne se dveloppe que sur les pelouses o l'herbe est broute par les grands Mammifres: il lui faut sans doute comme nourriture organique, non l'herbe o des dtritus vgtaux, mais les dchets alimentaires des herbivores o la matire a dj subi une transformation. Le Champignon ne vit pas deux annea de suite la mime place: l'endroit o il a vcu ne peut pas le porter une seconde fois, et il doit donc voyager, suivant les rayons d'un cercle, la recherche de terrains encore vierges. Les substances minrales et organiques, absorbes et labores par les filaments mycliens, s'accumulent dans les chapeaux, et, lonque ceux-ci se dcomposent aprs la dissmination des spores, les sels sont rendus au sol et favorisent la croissance des Phanrogames qui deviendront leur tour la proie des Herbivores'. Die `Ronds de Sorcires', wier ontstaan J.~ Massart zoo duidelijk verklaart, komen, in den nazomer, talrijk voor in de weiden langs de zeestreek (omstr.~ van Adinkerke b.v.~): zij worden gevormd door `Marasmius oreades', en ook wel door `Tricholoma columbetta' en `Psalliota' (Agaricus campestris). (Massart, o.~ c.~ 188). 4"o" De vierde soort van Heksenringen vindt men enkel op Grasweiden en Korenakkers: het zijn min of meer groote plekken, eenigszins cirkelvormig, waar Gras of Koren platligt, en neergedrukt en vertrapt schijnt; in 't volks- geloof zijn het dansplaatsen der Heksen, of ook nog zijn zij gemaakt door den staart van in een beest veranderde Tooveressen, of door den bessem waarop zij 's nachts ten Sabbat rijden. (Calio de Plancy, Dict.~ inf.~ 92; J.~ van Heems- kerk, Bat.~ Arcadia, IV, blz.~ 66; van Leeuwen, Bat.~ illustrata, I, blz.~ 309; Scheltema, Heksenprocessen, p.~ 75). 5"o" De vijfde soort komt, naar Westerhoff, in Zweden voor; men noemt ze er `Elfdansar' en zij worden gevormd door de een ook in Belgi groeiende Grassoort, de blauwe Sesleria ^_(1)_^, die zich centrifugaal verspreidt, eindelijk, naar 't middenpunt toe, verdwijnt en aldus ringen maakt die door hun blauw- donkere kleur de aandacht vestigen. (Linn.~, Reizen door eenige Landschappen van Zweden, I, 104, 358). 6"o" Westerhoff's zesde soort van Kolring komt in Noord-Nederland en ook in Belgi voor en wordt gevormd door Wolfsklauwsoorten die zich min of meer concentrisch verbreiden en voortplanten; zeer waarschijnlijk is deze Heksenring- voortbrengende Wolfsklauw Lycopodium complanatum var.~ chamaecyparissias Al.~ Br.~ (aldus te Achel, Belg.~ Limb.~, z. Pque, Vl.~ Volksn.~; en te Asch bij Genk, zooals ik zelf het heb vastgesteld: hier noemt men deze kruipende Plant Heksendans); naar De Gorter (Fl.~ VII Prov.~ Belgii Foeder.~ indig.~, 1781, p.~ 282, n"r" 861) heet L.~ alpinum L.~ in 't Zutphensche `Hexen-krans', doch wellicht verkeerd; want Daar Van Hall (Fl.~ Belg.~ Sept.~ II, Pars I, p.~ 29) zou 't wel L.~ complanatum L.~ zijn, dus dezelfde als de bovengenoemde; Heukels | | ^(1)^ Sesleria coerulea L. | (Wdb.~) noemt `Heksendans' (in Noord.~-Brab.~, beoosten Tilburg) en `Heksen- krans' (in Friesl.~, Twenthe, Graafschap Zutphen, Noord-Brab.~, beoosten Tilburg) het geslacht Lycopodium, dus al de soorten, en heet toch bepaaldelijk `Heksen- krans' (echter zonder plaatsbepaling) Lycopodium clavatum L. Zie over die zes soorten van Heksenringen, vooral Westerhoff, op.~ c.~ 4-14. Het bijgeloof nopens die Heksenringen verdwijnt en is, op vele plaatsen en in vele landen, b.v.~ nagenoeg overal in Vlaanderen, verdwenen. Eertijds waren over die Ringen, bij 't volk, een aantal zonderlinge dingen in omloop. Westerhoff (blz.~ 25-26) somt er eenige op: Binnen die Heksenringen liggen schatten begraven, welke men enkel met hulp van den Duivel of Heks kan meester worden; -- 's nachts, bij maneschijn, kruipen er in Padden rond, die zich soms vervaarlijk groot maken en den laten voorbijganger met uitpuilende, brandende oogen vervolgen; -- men mag deze groene Grascirkels niet afmaaien (aldus in Friesland en Ierland); -- vee mag dat Gras niet eten, anders geven ze slechte boter; -- wie op den grond waar Heksenringen zijn, een huis bouwt, zal voorspoedige zaken doen (aldus in Engeland); -- de kinderen mogen op zulke Heksenringen niet trappen (aldus in Gelderland); -- de landlieden naderen ze met vrees en beving (aldus in Lorreinen); -- sommige personen kan men niet bewegen in deze Ringen te treden (aldus in Frankr.); -- al wie binnen deze Danscirkels geraakt, zien de Booze Wezens en komen in dezer macht (aldus in Zweden); -- anderen treden er in om beschermd te zijn tegen duivel en alle gevaar. (Frankr.~; Roll.~ XI, 179). Dit laatste meent men ook in Wallis. Zekere Rhys danst in 't midden van eenen Heksenring; nauw is bij er uit, of hij sterft; en rond de noodlottige plaats -- 't is een teeken des doods -- ziet men het Gras rood worden! (Gub.~ I, 122.) This.~ (blz.~ 86) zegt ook: dat, in vroeger tijden als meisjes meidauw zamelden (tot verkrijgen eener mooie gelaatskleur), zij met zorg zulk Heksen- ringengras schuwden; dat, nu nog, de landlieden beweren dat het vee zulk Gras niet wil afweiden; en dat, eenige mijlen van Alnwick (Engeland), men een `Fairy-ring' zag, die den vermetele, die het waagde errond negenmaal te loopen, met eenige kwade ziekte bestrafte. Een en ander voeg ik bij de boven aangegeven wetenschappelijke verklaring van Massart over het ontstaan dier Heksenringen: 1"o" Meening van Linnaeus (Reizen door eenige Landschappen van Zweden, I, 104): zij komen daar waar de paarden hun water hebben gelost. Deze meening is onhoudbaar. 2"o" De Heksenringen ontstaan door de werking van uit den ondergrond oprijzende vruchtbare en voedende stoffen. (Linn.~ o.~ c.~; Westerhoff, 31). 3"o" De Heksenringen zijn het werk der mieren. (Encycl.~ brit.~, 1797, p.~ 91, 1855, p.~ 471; C.~ de Plancy, D.~ inf.~, p.~ 92). 4"o" Hooioppers die lang, bij regenachtig weder, op de weide hebben gestaan, brengen zulke Ringen voort; dat is inderdaad zoo: het gebrek aan licht ontgroent en geelt het Gras. (Westerhoff, 32). 5"o" Zij ontstaaq door bliksem. (Jessop a.~ Walker, Phil.~ Trans.~; Sprengel, Land- u.~ Forstw.~ Zeitschr.~ f.~ Nord-Deutschl.~, Band II, Heft 2, p.~ 363; Voigt, Uebersicht d.~ Naturg.~ blz.~ 190). 6"o" Zij ontstaan door Paddestoelen. Het schijnt dat Wollaston (Phil.~ Trans.~, 1807) het eerst deze thans algemeen aangenomen verklaring heeft voor- uitgezet. Zie over al deze verklaringen, Westerhoff, 30 en vvgg. Perger (blz.~ 89) spreekt nog: 1"o" van bedrieglijke koeiwachters, die moed- willig Graszaad kringvormig zaaien; 2"o" en van den wervelwind die, al draaiend, zulke Ringen in het Gras vormt. Reeds wijst de wonderbare Shakespeare (in zijn tooneelspel `De Storm', Act 5, Scene 1) op het ontstaan van Heksenringen: `Gij, Elfenvolk van heuvel, beek en bosch, Gij die in 't land geen voetspoor achterlaat, Den ebbenden Neptuin naijlt, en vliedt Als hij terugkomt; kleine popjes, die In 't Gras, bij maanlicht, wrange rondjes maakt Door 't schaap gemeden; die tot tijdverdrijf 's Nachts Kampernoeljes vormt, en u verheugt Op 't plechtig avondluiden.' Het laatste bij Shakespeare aldus: `-- you demi-puppets, that By moonshine do the green sour ringlets make. Whereof the erve not bites; and you, whose pastime Is to make midnight mushrooms.' (Vgl.~ W.~ Shakespeare, Othello, Macbeth, de Storm, Romeo en Jul.~: vert.~ van J.~ Moulin; nieuwe uitg.~ onder toezicht van J.~ Van Vloten; Haarl.~ 1858, blz.~ 88). "*" Hier een paar Vlaamsche Sagen. Bij Den Doel (prov.~ Oost-Vl.~) ligt eene weide, waar sedert menschengeheugenis geen Gras groeit. Dat komt hiervan dat de Heksen eertijds -- en heden nog soms -- zich aldaar verzamelden en hun duivelsche dansen uitvoerden. Daarom is deze weide vervloekt. (Wolff, N.~ S.~ n"r" 388). -- "*" Te Koolkerke (West-Vl.~) vindt men hier en daar in de bilken ronde plekken, waar 't Gras veel groener staat dan elders; 't zijn Tooveresse- ronden: de Tooveressen hebben daar gedanst binst den nacht. Moest er iemand deze schoone groene Ronden met drek bevuilen, zij zouden kleiner worden en inkrimpen totdat de bevuilde plaats buiten de Ronde ligt. (Biekorf, I, 68). Dijkstra (II, 195) zegt dat men den Heksenring in Friesland, een `Tsjern- paed' d.~ i.~ Karnpad noemt, wegens de groote overeenkomst met het cirkelvormig pad, waarop het paard rondloopt voor den karnmolen; deze draaiende karnmolen brengt in beweging de `Karnpols', die in de Karn de boterafscheiding moet bewerken. Zulk een kring is soms geheel kaal en onbegroeid, alsof dat ronde pad zooveel betreden wordt dat er geen Gras kan groeien. Het volksgeloof beweert dat er in, 's nachts, een wit paard (of veulen) rondloopt. Dit wit paard (of veulen) is de Duivel (of eene Heks?). Een boer die zulk een `Tsjernpaed' bij zijn karnmolen heeft, dient altijd op zijne hoede te zijn, want hij verkeert aanhoudend in 't gevaar dat hij met de zuivelbereiding van streek kan geraken. Want daar is het toch het Booze Wezen met zijn nachtelijken cirkelgang om te doen. Behalve op meer andere plaatsen was er vroeger te Poppingawier en Terzool zulk een karnpad, waarvan men vertelde niet alleen dat er een wit paard of veulen in rondliep, maar ook dat er gekarnd werd._ *II. Heksenvoedsel; Heksenhuisraad- en gerief.* a. *Heksenvoedsel.* De Plantenwereld bood aan de Heksen het zonderlingste voedsel. 1. Heksenbrood en -meel. Al de Kampernoeljen -- nl.~ de groote en door 't volk gekende soorten ^(1)^ -- heeten in Vlaanderen Tooveressenbrood, zelden Toovereersbrood, in Zuid-Westbrabant (b.v.~ te Vollezeele) Too- veresfoensen (foens "=" lat.~ fungus). _Tooveressenbrood, aldus algemeen in 't Zuiden van Oost-Vlaanderen (te Zegelsem en overal in de Zwalm- en Maarkestreek). Voor Nederbrakel geeft Paque (Vl.~ Volksn.~) den naam Tooverheksenbrood, dat ik er evenwel nooit heb gehoord; men zegt er overigens Tooveresse en nooit Tooverhekse. (Z.~ Teirl.~ zovl.~ Idio.~). Pque somt de volgende plaatsen op, waar men Tooveres(sen)brood zegt: Gent en omstr.~, Laarne, Lokeren, Asper en omstr. Doch die lijst is zeer onvolledig; men zou ze gemakkelijk tienmaal (en meer nog) langer kunnen maken. -- Kampernoeljen zijn over 't algemeen giftig en zelfs de goede worden door het volk als giftig beschouwd; en moeder zegt tot hare kinderen die zulke groote Zwammen willen plukken: `Komt daar niet aan: 't es Tooveressenbrood!' In Wallis wast een Giftzwam, `Bwyd-Ellylon' geheeten: zoo 't schijnt een lekker beet voor Heksen en Elfen. (Perger, 210). De wetenschappelijke bena- mingen van die Zwamsoort is mij onbekend._ De Wolfsklauwsoorten geven een overvloedig Sporenmeel dat in Duitschland Heksenmeel (`Hexenmehl') heet. _Dit Sporenmeel vat gemakkelijk vlam en vormt, al brandend, als een dui- velachtig blauwachtige bliksemslinger. Men kent het gebruik ervan op de schouwburgscenen. -- Vooral Lycopodium clavatum L.~ geeft dat Heksenmeel: in Bern en in Siebenbrgen noemt men due gemeenste Wolfsklauw `Hexen- mehlkraut'. Pritz.~ u.~ Jess.~). Z.~ ook Rel.~ u.~ Bohnh.~, 115._ 2. Heksenmelk. De Wolfsmelksoorten bevatten een wit, melkachtig, bijtend sap; daarom worden de bekende soorten in Nederland Heksenmelk, in Duitschland `Hexenmilch' geheeten. | | ^(1)^ Grootendeels behoorende tot de Agaricaceen en de Boletaceen. | _Heukels (Wdb.~) geeft dien naam voor de volgende soorten: Euphorbia esula L.~, de echte Heksenmelk (aldus in Drenthe beoosten Smildevaart, in Twenthe, in Salland, in de Graafschap Zutphen, in den Achterhoek beoosten Groenlo); -- E gerardiana L.~ of de Zand-Wolfsmelk (in Drenthe beoosten Smildevaart, Graafschap Zutphen, Achterhoek); -- E.~ heloscopia L.~ of het gemeene Kroontjeskruid (in Graafschap Zutphen); -- E.~ peplus L.~, de overal verspreide Tuin-Wolfsmelk (aldus in Drenthe beoosten Smildevaart, Twenthe, Salland, Graafschap Zutphen, Achterhoek). -- In Vlaanderen is de naam Heksen- melk voor de Wolfsmelk onbekend. Hgd.~ `Hexenmilch' is de naam van al de Wolfsmelksoorten. (Eifel bij Dreis: Pritz u.~ Jess.~, Prahn). -- Salomon-Voss behoudt den naam bepaaldelijk voor de Tuin-Wolfsmelk ^_(1)_^._ In den Elzas heet men `Hexenmilch' de gewone Gauwe ^(2)^ met het gele en giftige sap. _Naar Hirschleber, Fl.~ d'Alsace (1852); Roll.~ Fl.~ pop.~ I, 196._ 3. Heksenboter. De Heksenboter -- in Friesland Traalboter (Dijkstra, II, 174; Westerhoff, 27), in Engeland `Fairy-butter' of Feenboter (Mannh.~ Germ.~ Mythen, 1858, blz.~ 54), in Zweden `Trullsmr' of `Trullskid' -- bestaat ook in 't volksgeloof. Wat zoo door het volk genoemd wordt, is een Slijmzwam of Myxomycete (bij de Botanisten: Fuligo septica Gm.~ "=" Aethalium septicum Fr.~ Mucor septicus L.~): een slijmige, schuimige, botergele massa, van 1/3 meter tot eenige centimeters in omtrek; men vindt de zonder- linge Plant op Mos, Gras, oude Boomstammen, oude Schorsen, en veel op run in de looierijen; zij komt snel voor den dag en schijnt als uit de lucht gevallen te zijn. _Eene andere verwante soort, de witte Schuimzwam ^(3)^, die als schuim op Gras, Bladeren en Stelen verschijnt, heet ook in Friesland Traalboter. (Dijkstra, II, 173). In een Zweedsch verhaal over Tooverij, dat de beroemde Balthasar Bekker (in zijn Betoverde Wereld, IV, 251 en vvgg.~) ontleedt en met gezond verstand bestrijdt, komt veel zonderlings voor over Hekserijen, gebeurd in 1670 of daar omtrent, te Mohra in Zweden, landschap Elfdalen. 70 Tooveressen werden er tot den stapel veroordeeld, met 15 kinderen; 56 vrouwen werden zachter gestraft | | ^(1)^ Euphorbia peplus L. | | | ^(2)^ Chelidonium majus L. | | | ^(3)^ Spumaria alba DC. | en 47 tot nader onderzo~ toegelaten. `Hoort, wat al grillen!' roept Bekker uit: `Wanneer de Hexen op geiten na Blokula' -- naam van de verzamelplaats: vgl.~ met den vermaarden Blocksberg -- `reden, en vele kinders met sich hadden, zo stakense, ene spies achter in de geit, daer op sy alle plaats hadden om te sitten'. Op deze vergadering vraten de Heksen zich soms zoo vol, dat ze, in 't naarhuiskeeren, het gevreten uitspuwden: `welk uitspuwsel in de Kooltuinen gevonden wort, hebbende eene aura verwe' -- klaar wordt hier Fuligo septica Gm.~ bedoeld -- `en word daer ordinaris Hexboter genaamd!' En wat lekkers hadden zij zooal te Blokula gegeten? `De spyse welke daer gegeten word is Koolsop ^_(1)_^ met spek, Haverpap ^_(2)_^, boter, melk en kaas.' `Merckt doch eens hoe heerlyk hen de duyvel daar onthaalt', voegt terecht de wijze Dekker erbij. Ook Westerhoff, (blz.~ 28) verklaart het ontstaan der Heksenboter op gelijke manier: `In den regel werd, bij het verhooren der Heksen, door haar de ver- klaring afgelegd, dat ze twee Geesten hadden, Draken of Kaboutermannetjes genaamd, die haar in de gedaante van een Raaf of van een Kat, boter, kaas, hammen, Koorn, melk en andere levensmiddelen, bij hare nachtelijke dans, en slempfeesten, aanbragten en dat zij daarvan soms zoo overvoed wierden, dat zij, op hare terugreis door de lucht, misselijk wordende, deze genotene spijzen weder uitbraakten en welk uitbraaksel de zoogenaamde Heksenboter zoude daarstellen.' Dijkstra (II, 173) legt het anders uit: de Heksen stalen de boter uit de betooverde Karn, en wierpen ze weg of verloren ze; het verwonderde overigens niemand dat zulke Heksenboter alle eigenschappen van boter miste: 't was het gevolg van de betoovering. In Vlaanderen is de Heksenboter bij 't volk niet bekend._ Hier en daar in Frankrijk (Roll.~ XI, 194) heet de gemeene Nostok ^(3)^ `Beurre magique' ("=" Heksenboter). _Het is eene soort van geleiachtige Aardwier, een olijfgroene, handgroote massa, die bij droog weder onzichtbaar is, doch bij regen opzwelt, schielijk zicht- baar wordt en ais groenachtige boter uit de lucht schijnt gevallen te zijn. Dit plotseling verschijnen sloeg den eenvoudigen mensch met verbazing en gaf aan- leiding tot dien naam. `Beurre magique' behoort tot de orde van de Phycochro- maceae en tot de familie van de Nostochaceae._ 4. Heksenkaas. "*" In Zuidelijk Belgisch Limburg heeten allerlei soorten van Paddestoelen `Heksekees'. Zulke Paddestoelen werden geboren op die plaatsen, waar Heksen 's nachts hebben gedanst, inzonder- | | ^(1)^ Sop van Brassiea oleracea L. | | | ^(2)^ Pap van Avena sativa L. | | | ^(3)^ Nostoch commune Vaucher. | heid in de Weiden, waar die danseressen eenen Heksenkring hebben gemaakt. `Heksekees' dient de Heksen tot voedsel. _Cf.~ Pque, i.v._ 5. Heksenei. "*" Dit is, hier en daar, de naam van de ijselijk stinkende Phal- lus impudicus L. Volgens de eenen is deze Kampernoelie een ei dat de Heksen eten; volgens de anderen een ei dat zij leggen. _"*" Hadrianus Junius heeft in een Verhandeling van 1564 deze Zwamsoort uitvoerig beschreven (in 't latijn). Zie ook veel bijzonderheden over deze zon- derlinge Plant bij onzen Vlaamschen mykoloog Fr.~ van Sterbeeck (Theatrum Fungorum oft het Tonneel der Campemoelien, blz.~ 276 en vvgg.~). Lobelius heeft ze Fungus priapeus en Junius Phallus genaamd, `het welck al-te-samen bediet, Fungi gelijkende aen het mannelyck lidt' (aldus van Sterbeeck). In Holland zegt deze nog, heet men ze: `Ongers eyeren, oft Oniers eyeren, dat is Duyvels eyeren oft Toveraers eyeren, in 't Latijn Manium ova oft D"ae"monum ova: alles uyt reden, om dat dese figure tot een offerande aen den Duyvel toege-eygent ende gegheven wirdt'. Dodoens (Cruydt-b.~) beschrijft ze onder den naam van Zee Campemoelie en Ungers eyeren: in 't Latijn Fungus marinus, omdat zij in Holland in de duinen groeit naast den Helm ^_(1)_^. -- Bij Kiliaen (Etym.~) is het werkwoord `Ungheren' Hollandsch en beteekent tooveren; `Ungher-hoere' is `Malefica, incantatrix, mulier diabolica'; en `Unghers-eyeren', ook Hol- landsch `Volua, phalli, bufonum ova: fungus priapeius, phallus, q.~ d.~ manium sive cacodoemonum ova. Adr.~ Iun.' Hij verwijst dus naar de hem bekende Ver- handeling van Junius. D.~ v.~ Hoogstraten (uitg.~ van Kiliaen's Wdb.~ i.~ v.~ `aluen') geeft nog de graphie `Eunjer' en zelfs het mv.~ `Junjers'. Vercouillie (Et.~ Wdb.~ 2"e" uitg.~) heeft insgelijks `Eunjer' n.~ `Unjer'; hij schrijft om door `Spook' en brengt het tot hgd.~ `Ungar' "=" Hongaar. "*" J.~ van Ravelingen, de commentator van R.~ Dodoens, beweert dat de Vliegen en Katten met genoegen deze Zwam uitzuigen en opeten; nu, Vliegen en Katten zijn Heksendieren, ja, vermomde Heksen. Ook in Duitschland heet Phallus impudicus L.~ `Hennei' en `Teu- felsei'. (Pritzel u.~ Jess.~; Perger, 210; Salomon-Voss). Zie meer over deze folklorische Plant in mijne `Flora Diabolica'._ 6. Heksenbot. De Heksen eten, op St.~ Jansnacht, de Bloembotten van den Haveresch ^(2)^. | | ^(1)^ Ammophila arenaria Lam.~, het gemeen Duingras. | | | ^(2)^ Sorbus aucuparia L. | _De Lijsterbesseboom verliest, zegt men, op dit tijdstip deze Botten. (Rel.~ u.~ Bohn.~, 48). Hij is overigens een Tooverboom._ 7. Heksenerwt. Hare Erwt is de giftige bes van de Zwarte Nachtschade ^(1)^. _"*" In Luikerwaalsch: `Pe de macrale' "=" `Pois de Sorcire' of Hek- senerwt. (Roll.~ VIII, 102, naar Forir, Dict.~, 209)._ 8. Heksenzwam. Het Heksenbrood -- algemeene naam van de groote Padde- stoelen (z.~ boven) -- heet ook eenvoudig Heksenzwam. _Hgd.~ `Hexenschwamm' (Leunis, 510; Pritzel u.~ Jess.~; Salomon-Voss). -- Vooral de bleekgele Buiszwam ^_(2)_^, omdat het zachte en bleekgele vleesch van deze overigens eetbare Zwam (eertijds beschouwde men haar als giftig) snel in de lucht blauw of groenachtig wordt, en dit kleurveranderen sloeg den eenvoudi- gen mensch met verwondering en schrik._ 9. Heksenperen en Heksenzuurkool. Eene boerin-Heks uit den Harz at met haar volk, alle Zon- dagen Peren en Zuurkool. Deze Braadperen waren omgetooverde Muizen en de Zuurkool Wormen. _Toen zij op den brandstapel stond, bekende zij zulks. Dat gebeurde te Gittelde. (Prhle, Harzsagen, 45)._ b. *Heksenhuisraad en -gerief.* Hiertoe benuttigden de Heksen sommige Planten. Heksenvingerhoed. In Engeland (hier en daar) heet het rondbladig Klokje ^(3)^ `Witches thimble', d.~ i.~ Heksenvingerhoed. _Naar de vingerhoedvormige en blauwe Bloem. (This.~ 58)._ Ook het gewone Vingerhoedkruid ^(4)^ wordt er `Witches thimble' genoemd. _Om dezelfde reden. (Roll.~ VIII, 139)._ | | ^(1)^ Solanum nigrum L. | | | ^(2)^ Boletus luridus Fr. | | | ^(3)^ Campanula rotundifolia L. | | | ^(4)^ Digitalis purpurea L. | Heksentwijn. De twijn der Heks is de gemeene Boschrank ^(1)^. _Aldus in Duitschland: `Hexenzwirn' "=" Ndl.~ Heksentwijn of Heksengaren, naar de dunne, lange twijgen. (Salomon-Voss)._ Heksenkoord. Zij gebruiken als koorden dezelfde Boschrank. _In Duitschland: `Hexenstrang' "=" Heksenkoord of -streng. (Pritzel u.~ Jess.~; Salomon-Voss; Prahn, 21, 137)._ En ook de slanke takjes van den Boksdoorn ^(2)^. _`Hexenstrang' in Duitschl.~ (Prahn, 4O)._ Toovenaarsborstel. Toovenaars en bezweerders gebruiken (gedurende hun incan- tatin) eenen Sproeiborstel, die beschreven wordt door Lvy (H.~ M.~ II, 80): deze borstel bestaat uit twijgen van IJzerkruid ^(3)^, van Maagdepalm ^(4)^, van Salie ^(5)^, van Munte ^(6)^, van Vale- riane ^(7)^. van Esch ^(8)^, van Basilikon ^(9)^ -- alle weldoende Planten, die saamgebonden zijn door eenen draad van 't spinrok- ken eener maagd; de steel van dezen Borstel is gemaakt van het hout van eenen Hazelaar ^(10)^, die nog geen noten heeft ge- dragen; op dezen steel moet men met de magische stift de teekens van de Zeven Geesten graveeren. Heksenkam. De Heksen kammen hun haar met de stekelige Kaardebol- len ^(11)^. _"*" In Belg.~ Walenland `Peigne de Sorcire', zegt Grandgagnage. (Roll.~ VII, 12)._ | | ^(1)^ Clematis vitalba L. | | | ^(2)^ Lycium barbarum L. | | | ^(3)^ Verbena officinalis L. | | | ^(4)^ Vinca minor L. | | | ^(5)^ Salvia officinalis L. | | | ^(6)^ Mentha-soorten. | | | ^(7)^ Valeriana officinalis L. | | | ^(8)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(9)^ Ocymum basilicum L. | | | ^(10)^ Corylus avellana L. | | | ^(11)^ Dipsacus-soorten. | Heksenbad. De Heksen baden zich, naakt, in Rogge^(1)^: want Rogge- dauw versterkt en verjongt. _Hgd.~ volksgeloof. (Perger, 111-112)._ Heksen-waskaars. De groote Toorts ^(2)^ heeft, in Engeland, den volksnaam `Hag-taper' "=" Heksen-waskaars. _Naar de. fakkelvormende Plant, die ook daarom in ndl.~ Toorts heet. (This.~ 64)._ Toovertrommel. Voor hunne Tooverijen en Wichelarijen bedienden zich de Laplanders van eene Toovertrommel. die meestal uit hout van den Berk ^(3)^ was vervaardigd. Op het gespannen vel van die trommel zag men Tooverteekens die er op met een verf (getrokken uit Elzeschors) geschilderd waren. _Bekker (Bet.~ W.~ I, 28) naar Scheffer's Lat.~ Gesch.~ v.~ Lapland, 1673): `Hunne kunsten diese door middel hunner Goden en Geesten wanen te doen / of om door Wichelarije iet te weten / of om door Toverije iet te doen. Het eerste word door een ding dat sy Kannus noemen / ende na enen Trommel gelijkt / in 't werk gesteld. Die moet van seker Hout / en wel meer van Birken gemaakt zijn. Het vel daar over gespannen / veelsins met karacters geschilderd / met ene verwe uit de Schors van Elsenhout ^(4)^ gemaakt. Met enen hamer van enen vinger lang daar op geklopt / letmen of een bosch blikken ringen daar op geplaatst / na de reghter of slinker zyde verspringt: het eerste belooft geluk / het ander dreigt ongeluk. Of de Tovertrommel / anders gebruikt / geeft den staat en het doen des afwesenden te verstaan / al ware 't ook honderden van mijlen verre. De Wichelaar valt / na 't roeren van de Trommel / in onmacht / ende light voor dood onroerelik ter aarde: kort of lang / na dat hy verre van daar is / na wien gevraagd word, opstaande siet hy dan / 't gene men gelooft also te sijn'._ Heksenrok. De Europeesche Trolbloem ^(5)^ heet op sommige plaatsen. in Engeland, Heksenrok of -mantel. (Eng.~ `Witch gowan'). | | ^(1)^ Secale cereale L. | | | ^(2)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(3)^ Betuia alba L. | | | ^(4)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(5)^ Trollius europaeus L. | _Roll.~ I, 91 (naar Britten a.~ Holland, Dict.~), `Gowan' "=" hier `gown' d.~ i.~ mantel, gis ik. `Gowan' (Ten Bruggencate, Wdb.~) "=" Madelief ^_(1)_^; maar de Trolbloem (een Ranunculacee) heeft geen gelijkenis met de Madelief (een Composite)._ Heksenhoed. De giftige Vliegenzwam ^(2)^ heet in 't Waalsch `Tchap d'macrale' ("=" Heksenhoed). _Aldus te Vottem-bij-Luik. (Roll.~ XI, 130)._ Heksenkrans. Een soort van Wolfsklauw, nl.~ de Alpische (Lycopodium alpinum L.~) heet ndl.~ Heksenkrans. _Hier en daar in Nederland (Houttuyn, Nat.~ Hist.~ volgens het samenstd van den H"r" Linnaeus (1773-83); De Gorter, Flora VII provinciarum Belgii f"oe"derati (1781)._ Tooverboek. Te Antwerpen gebruiken de Zwartkunstenaars Tooverboeken of zoogenaamde `Pintjesboeken'. _"*" De eigenaar van zulk Pintjesboek kon met zijn muts wondertoeren ver- richten. Onder meer: wierp hij zijne muts in eenen Boom, dan regende het geld uit de kruin; -- het regende ook gdd, indien hij den Boom maar eens schudde. Dit geld was echter Vliegend Geld: 't verdween uit de zakken, op 't oogenblik dat men er mee thuis kwam. 't Is een Antwerpsch volksgeloof. (VL, V, 82). Zie over Faust's Tooverboek, en dat van Klaas Kunst, en over het Toover- boekske van den Duitschen Schaper, beneden en Hoofdstuk IV._ "*" In Vlaamsche Volkssagen komt vaak voor een Heksen- meester, bekend onder den naam van Duitschen Schaper (herder): hij bezit een Tooverboek. _Hij beveelt de Duivels uitgesproeid Koolzaad^_(3)_^ op te rapen. Op een hofstee te Beveren (op den IJzer) was een Duitsche Schaper. Hij bezat een Tooverboekske. Op eenen dag dat hij afwezig was, nam de Koeier het boekske en las er in. Alles, stoelen, tafels, enz.~ begint te roeren en te draaien. Gelukkiglijk | | ^(1)^ Bellis perennis L. | | | ^(2)^ Amanita muscaria Pers. | | | ^(3)^ Brassica napus L. | komt de Schaper thuis. `Loop, roept hij tot den Koeier, en neem den zak met Koolzaad, en giet hem uit boven de Doornvimme ("=" Doornmijt)'. Nu vliegen duizend zwarte Kraaien boven de hofstee. `Duivels uit d'helle!' schreeuwt de Schaper, `raapt mij, Zaadje voor Zaadje, al dat Koolzaad van tusschen en onder dat Hout, doet het wederom in den zak en vertrekt dan van hier naar de plaats vanwaar gij gekomen zijt!' De Kraaien zitten op de vimme, die er zwart van is en men ziet ze den zak vullen met de Koolzaadjes. Daarna vliegen ze de lucht in, laten nen afgrijselijken schreeuw en zijn weg. (Leroy, Oud-Vl.~ Zeisels, p.~ 346 en vvgg.~). "*" In een zeer gelijkende sage uit Heist-op-den-Berg is de boer van de Goorschrans (te Boisschot) de Toovenaar en 't zijn de zoons die, gedurende zijn afwezigheid, in zijn Tooverboeken lezen: ipvl.~ Koolzaad giet de boer `een meuken speurrezaad'^_(1)_^ door de Houtmijt en de Zwarte Vogeis moeten al het gestrooide zaad oprapen, terwijl de Boer averechts in zijn boeken leest en alzoo de Vogels verjaagt. (Coeckelberghs, 95)._ Over het Rijpaard der Heksen, z.~ boven Heksenbessem. (Hoofdstuk I. d. 2). En over hun Tooverstaf, z.~ beneden (Hoofdstuk VI, a, 1). | | ^(1)^ Spergula sativa Bnninghausen. | *III. Echte Heksenplanten.* In de twee vorige hoofdstukken is er sprake geweest van de Heksenplanten die door Heksen (of Toovenaars -- doch zeldener, want het schijnt dat de vrouwen liever dan de mannen zich met Heksenkunst bezighielden) voor hun eigen nut of genoegen ge- bruikt of gezocht worden. Thans wil ik gewagen van die Planten, welke door de Heksen (of Toovenaars) benuttigd worden om hun Hekserijen ten nadeele van andere wezens uit te voeren. Ik noem ze de echte Heksenplanten. Het zijn dus Gewassen die door Heksen en Toovenaars worden aangewend om een bepaald doel te bereiken -- veelal noodlottig doel voor mensch, dier of Plant, doch soms weleens deze voordeelig. Ja. oningewijden, die de ge- heimen der Tooverkunst niet kenden en bij geval of avonture, of na initiatie, de kracht dier Kruiden ontdekten, konden, in som- mige omstandigheden, ermede wonderbare dingen uitrichten. De rol van zulke Heksenkruiden in het leven van 't gemeene en, zelfs eertijds, in dat van 't geleerde volk was overgroot. Het volksgeloof hechtte en hecht nog aan zekere Planten een boven- natuurlijke kracht en men mag wel met Angelo de Gubernatis (I. 172) beweren dat de Tooverij wezenlijk steunt op de kennis van de eigenschappen der Gewassen. Het kan dus niemand ver- wondering baren dat. zooals uit de volgende bladzijden zal blijken. zooveel Tooverplanten ons bekend zijn. a. *Heksenplanten in het algemeen.* In het Kapittel VII van het Boek van Enoch -- men schrijft ook Henoch -- leert men ons dat de Engelen of Kinderen der Hemelen bemerkten dat de dochters der eerste menschen schoon waren; zij werden er op verliefd en elk van hen -- zij waren ten getalle van twee honderd -- koos een dezer dochters en woonde met haar. Zij leerden haar de Tooverkunsten en de wondere eigenschappen van de Wortelen en de Boomen. Het was vooral de Engel Amazarak die haar die kunst en die krachten onderwees. _Z.~ Lancelin (H.~ Myth. de Shatan, 16-18); en de vertaling van dit apokalyptische boek van Enoch door Dillmann (1851)._ Men kent de echte Tooverkruiden aan 't volgende ken- teeken: nauw geplukt, beginnen zij, onder vrijen hemel, te zieden en te verdampen. _Perger, 64._ In de middeleeuwen was het gebruik van Heksenkruiden zoo verspreid dat de Roomsche Kerk hiertegen meermaals krachtdadig opkwam. Niet dat men het bestaan van Heksen en Toovenaars ontkende, maar men verbood enkel, ten strengste, op pene van excommunicatie, het gebruiken van Heksenkruiden. _Het provinciaal Concilie van Bourges (1528) beveelt aan de Pastoors of Rectors van de parochin te zeggen, aan hunnen Bisschop of aan dezes Groot-Vicaris, of zij, in hunne parochin Toovenaars kennen, die, ten behoeve van hunne Heksenwerken, bijzondere Kruiden plukken. (Thiers, I, 33). -- In zijn Hervorming die De Monluc, Bisschop van Valence en Die (Frankr.~) in 1557 tot stand bracht, verbood hij aan de Pastoors de Kommunie te geven aan die personen, welke Kruiden en Wortelen verzamelen voor andere gebruiken dan die voor dewelke de natuur ze gemaakt heeft. (Thiers, I, 57). -- Le Gouverneur, Bisschop van St.~ Malo (Fr.~) zegt in de synodale statuten van 1618: `De Toovenaars, werktuigen van den Duivel, bezigen, voor hun magisch gedoen, middelen en teekenen, die, te oordeelen naar hun natuurlijke kracht, de uitwerkselen, die de Toovenaars beloven, niet kunnen veroorzaken noch voortbrengen en, naar de Goddelijke regeling en schikking, niet toegelaten zijn; b.v.~ als die Tooveraars, over zekere geneesmiddelen, Tooverwoorden preutelen, die zij gebeden noemen, en water gieten op zeker Kruid; of zich bedienen van zeker gespleten Wisse^_(1)_^; als zij beweren dat de Kruiden krachtiger zijn indien zij geplukt worden zonder spreken; als zij vernielen of beschadigen de Wijn-. gaarden, de Boomen, de Graanplanten, en wind, hagel en tempeest maken; enz.' (Thiers, I, 56). -- De Solminihac, bisschop van Cahors (Fr.~) schrijft in zijn synodale statuten van 22 April 1638: dat in den ban zijn alle priesters en klerken, die, tijdens ziekten of ander gelegenheden, brevetten geven, of gordels, of briefjes met Kruiden, woorden, teekenen of andere dingen, die door de Heilige Dekreten veroordeeld zijn. (Id.~ 61). -- Ook verwittigen aldus St.~ Franciscus de Sales en d'Aranton-d'Alex, bisschoppen van Gnve (Id.~ 65) en Le Camus, bisschop van Grenoble (Id.~ 68). -- En Joly, bisschop van Agen (Fr.~) verbiedt het dragen of plukken van zeker Kruiden, op bepaalde dagen of uren; men zie zijne Sta- | | ^(1)^ De Teen-soorten. als Salix alba var.~ vitellina, S.~ purpurea L.~ en S.~ vimi- nalis L. | tuten en Reglementen van 1666, geconfirmeerd in 1673 (Id.~ 65) en vergelijke met de Censuur van de Faculteit van Theologie aan de Universiteit van Parijs. (Anno 1398; Id.~ I, 81). Te Kampen (Holland) had een groentevrouw een jongen betoovetd met hem zekeren Wortel te geven. Was het de gewone eetbare Wortel of Peen^_(1)_^, of een Wortel van een eigenlijk Heksenkruid? Bekker verklaart het niet nader; hij schrijft o.~ a.~ (IV, 82): `In de maand November, of 't begin van December des jaars 1685 heeft zeeker jongen out omtrent 13.~ jaaren, kleen van postuir en tanger, soon van zeker Leydekker of Pompmaker in de St.~ Jacobssteeg tot Campen, beginnen. te klagen over pyn in verscheyde plaatsen van zyn lichaam, die hy zeide, dat van tyd tot tyd heviger wierde, en (zoo 't scheen) met groote zenuwtrekkingen quam. Deze gemaakte pyn wierd op 't hevigste vertoont, als hy zyn water zoude maken in 't welk nu en dan enige spelden wierden bevonden; 't welk 't gerugte veroorsaakte, en 't geloove onder ieder een, dat die voorsz.~ jongen `behekst was'. Hy wierd dan afgevraagt, van wie hy betoovert was? en antwoordde, dat zeeker groenwyf hem eenige tyd geleden op straate zekere Wortel hadde gegeven, die hy op gegeten hadde; en dat hy zig t'zedert qualyk hadde beginnen te gevoelen: waar op aanstonts die onnozele vrouw voor een tooveresse wierd uitgekreten, welk gerugte zig hoe langs hoe meer verspreidende, terwyle de jongen continueerde in 't gemaakte wateren van spelden en naalden, zoo groote als kleine, tot paknaalden zelve'. Men leze de heele droevige historie bij Bekker ter aangehaalde plaatse. Doch de jongen, in 't nauw gebracht, bekende op den duur dat alles bedrog was, `dat hem in 't minste niets en deerde; maar dat hy het gedaan had, om dat yder met medelyden over hem ingenomen wierd, en hy veele lekkernyen ontfing, en van dagelyx na de winkel te gaan werken ontslagen wierd'. Veel Hekserij steunt zekerlijk op bedrog; doch het feit, hier opnieuw verhaald, bewijst hoe diep nog, op het einde der 18"e" eeuw, het geloof in betoovering verspreid was. "*" In 1598 werd, te Gent, de Tooveres, die den bijnaam droeg van `Baer- voetsche Nele' -- naam die genoegzaam bewijst dat de arme sloor door hare Tooverkunst niet rijk was geworden -- veroordeeld; en in het vonnis is er sprake van onheilvoortbrengende Tooverkruiden. Haar echte naam was Cornelia van Beverwyck f"a" Reiniers, oud 75 jaar, weduwe van Antheunis De Muldere. Uit het vonnis knip ik: `Omme dieswille dat ghy... u vervoordert hebt van over 18 jaeren ende beth, God van hemelrycke te verlatene, over sulcx noyt sedert te biechte noch ten heyligen sacramente gheweest, maer hebt aenghehanghen den vyandt van der hellen, die ghy gheseyt hebt te wesen Satan, ende tot dien effecte hebt voor pand ghegheven een spelle; d'welck ghedaen, hebt van den selven Sathan ontfaen een teecken up u slynck been, latende hem u bekennen naer syne maniere van doene, by claeren daeghe up Eckergem; t'selve ghedaen hebt voor hem gheknielt, en syn achterste naect gekust, in teecken van hem onderdanich te syne. Ende van dien tyd af, hebt dickwils eenige Cruyden be- waert ende onbehoerlick gheuseert. die ghy in latynsche woorden ghexpresseert | | ^(1)^ Daucus carota L. | hebt, daer mede ghy vele persoonen ende haerlieder bestialen hinderlyck zyt gheweest, namentlyck de huusvrouwe van Antheunis de Langhe ende Eynken Brandt up de muyde, d'huusvr.~ van Jan Hebbelynck up den Callanderberch, Gheerardine van Oostackere, huusvrouwe van Bernaart, weert in de Cleppe, die daer naer ghestorven is; soo ooc is t'kint van Claerken Beurtman in de abeel- straete'. (Cannaert, 480)._ Het was ook verboden Kruiden onder het zeggen van Too- verwoorden of Tooverformulen te plukken. _In de Canons pnitentiaux leest men: `Celui qui aura cueilli des Herbes mdicinales avec des paroles d'Enchantements, fera pnitence cinq ans'. (Thiers, Sup.~ I, 17). Cf.~ de Tooverformulen bij den ouden Cato. (Reinach, Rel.~ 3, 10)._ b. *Bepaalde (genoemde) Heksenplanten.* Ze zijn talrijk en ik zal ze hier systematisch (naar Brner, Volksflora, 1912) schikken. 1. Kryptogamen. De Kampernoeljen -- vooral de giftige -- zijn Heksenzwam- men (vgl.~ boven Heksenbrood); -- inzonderheid de bleekgele Buiszwam^(1)^. _Bij Pritz.~ u.~ Jess.~: `Hexenpilz' "=" Heksenzwam. -- "*" Van Sterbeeck (II, 180-82) brengt deze Zwamsoort -- die echter eetbaar is, alhoewel velen en zelfs de kenner Van Sterbeeck haar als giftig beschouwen, omdat het vleesch, in de lucht doorgesneden of gebroken, blauwachtig of groenachtig wordt -- met de Pad -- zooals men weet, een Heksendier -- in verband; een lichte verschei- denheid heet hij in 't Lat.~ `Vitta bufonis' en in 't Vlaamsch de `Holle Pad- demuts'; een tweede: `Paddencap', Lat.~ `Caput bufonis', doch deze behoorde `Duyvelsch broot te heeten, want ghelijck het gemeyn spreeck-woort seght, dat den Duyvel met grooten stanck verdwijnt, soo doet dese Fungi van ghe- lijcken'; -- een derde `om haere inwendighe Doodelijcke natuer': `Padden- buyck', omdat `het inghewant der padden het meeste fenijn is'. -- Lat.~ vitta "=" eig.~ haarband of -snoer. Apuleius vertelt dat Sokrates het hoofd van eenen mensch afsneed en door middel van zeker Kampernoelje weder op den romp zette. (Wollf, N.~ S.~ blz. 691)._ Mos op verrotte Doodsbeenderen gewassen is een goed Too- vermiddel. _Perger, 209._ | | ^(1)^ Boletus luridus L. | De Adderstong^(1)^, een Varensoort, werd, door Heksen, in hun verderfelijke Tooverdingen gedaan. _Aldus in Engeland (This.~ 64; z.~ ald.~ het citaat uit Ben Johnson's Masque of Queens). "*" In Vlaanderen heet deze zeldzame Varen, naar den vorm, Lanse Christi (of Lancie Christi) en men zoekt ze om ermee te kunnen tooveren. (VL, VII, 190)._ De met de vorige Plant verwante en insgelijks zeldzame Druifvaren^(2)^ werd ook door de Heksen tot magische doeleinden aangewend. _In Engeland (This.~ 64). -- Het was een Lunaria of Maankruid, en al de Lunaria's waren Tooverkruiden; want, naar het gevoelen der Ouden, konden de Toovenaressen `de Mane bedwinghen / om haer schuym te worpen op de Cruyden om te dienen tot de Tooverijen'. (L.~ Apuleius, Gulden Esel, blz.~ 2). "*" Druifvaren was overigens een Wonderkruid; en Dodoens (203) schrijft: `De Alchymisten willen met dit Cruyt wonder bedrijven / ende hunnen Mercurius congeleren ende fixeren; waer door te gelooven is dat het soo krachtigh is als eenigh ander Cruydt soude moghen wesen'._ Een ander Varen soort, de gemeene Mannetjesvaren^(3)^, heet, in Duitschland, `Hexenkraut' ("=" Heksenkruid) en `Hexenwur- zel' ("=" Heksenwortel). _Pritz.~ u.~ Jess.~; Nemnic; Salomon-Voss._ Overigens bezat alle Varenzaad de grootste Tooverkracht. _De Varen deed bij jagers en boeren (aldus Perger, 211) de grootste verwondering ontstaan, omdat zij niet konden begrijpen, dat een zoo schoon en deftig Kruid noch Bloemen noch Vruchten schenkt en toch zich altijd frisch en krachtig ontwikkelt. Zij dachten dat in de voortteling van Varens een bijzon- dere geheimnis verborgen lag. En dat is voldoende om te verklaren waarom Varenzaad zulke gewichtige rol in de volksverbeelding speelde, alhoewel niemand die er over sprak en aan de Wonderkracht geloofde, zulk Varenzaad met eigen oogen gezien had. Zelfs groote Botanisten (als Linnaeus b.v.~) kenden de echte geslachtsorganen van de Varens niet. "*" Dodoens (757) schrijft dat het Varenblad `van achter oft op den rugghe met vuyle^_(4)_^ stipkens als bijster dun stof bespreyt (is): weick stof t'onrecht van | | ^(1)^ Ophioglossum vulgatum L. | | | ^(2)^ Botryllii lunaria L. | | | ^(3)^ Polystichum filix-mas L. Met deze verspreide Varen verwart het volk: | Wijfjes-Varen (Asplenium filix-f"oe"mina L.~), de Adelaars-varen (Pteris aquilina | L.~), Aspidium aculeatum Sw.~ en een paar ander grootbladige Varensoorten. | | | ^(4)^ De bewering van Frazer (Balder the Beautiful, 2 (1913, 290; Vermits | de Varensporen -- 't zou soren, moeten zijn -- als goud glanzen, kan men met | hunne hulp goud ontdekken, durf ik niet tot de mijne maken. | sommighe voor het saedt van dit ghewas aenghesien ende ghehouden is ghe- weest'. Dit stof bestaat uit de googenaamde Sporen. En hoe bekwam men dat zoo gewenschte Varenzaad? Men moest het zoeken en halen op St.~ Jansnacht of op Kerstnacht. Doch wilde men het, met gemak en zekerheid verkrijgen, zoo moest men eerst zijn ziel aan den Duivel verkoopen. En had men er eindelijk toe besloten zelf Varenzaad te halen, zoo mocht men gedurende den ganschen Advent niet bidden, geen wijwater aanraken, geene kerken bezoeken en maar gedurig wenschen dat de Booze Geest geld verschaffen zou. Toen eindelijk de bestemde nacht gekomen was, ging men, tusschen elf en twaalf uur, naar eenen kruisweg, over denwelken reeds lijken naar het kerkhof werden gedragen. Alsdan verschenen daar veel afgestorvenen, bekende en onbekende, die den vermetele aanmaanden toch van zijn voornemen af te zien. Hij, die Varenzaad wilde bekomen, mocht zich echter niet verroeren, noch geen trek van zijn wezen laten vergaan, anders zou de Duivel hem verscheuren. Werd die ijselijke proef tot klokslag twaalf met goed gevolg onderstaan, zoo kwam de Duistere Jager en hij gaf een horentje met Varenzaad. Aldus in Zwaben. (Perger, 211; Meyer, I, 243). Varenzaad wordt niet, ais ander Plantenzaad, langzaam, wel plotseling rijp. En als het rijp is, valt het als fonkelend vurig goud met groote kracht ter aarde en verdwijnt er zoo snel dat het niet kan teruggevonden worden. Deze kracht in 't vallen is zoo geweldig dat het zelfs metalen mortieren, waarin men het wou opvangen, stuksloeg. Alleen een Koolzwart boksvel kan het in den val tegenhouden. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ 113). Paracelsus legde onder de Varen de breede bladeren van de Toorts ^_(1)_^ en hierop viel het gezochte en verlangde Varenzaad. (Perger, 211). Een boer uit Alpach (Tyrol) deed het anders: op eenen avond ging hij naar het Woud, lei zijn hemd onder een Varenstruik, stak zeven kruisvormige Vlierrijzers^_(2)_^ in eenen kring In den grond en trok daarna naar huis: 's anderen- daags vond hij het Varenzaad op zijn hemd. (Perger, 214). In Bohemen spreide men, op den ouden St.~ Jansnacht (nl.~ 8 Juli), een gewijd kerkkleed onder de Varen en verzamelde men aldus het wonder Varen- zaad, dat, vor zonsopgang, nederviel. (This.~, 205). Ad.~ Kuhn maakt ons een zonderlinge verzamelwijze bekend: op zomer- stilstanddag schiet men naar de zon, ais deze de middaghoogte bereikt; drie bloeddroppen vallen neer; men neemt ze op, want dit is Varenzaad. (This.~ 205). Hier nog eene Badische sage over het zamelen van Varenzaad: Op eene hoeve te Eschelbach was een jonge knecht, een voerman die van den Duivel Varenzaad had gekregen. Een ander knecht van dezelfde hoeve wilde ook zulk Tooverzaad in zijn bezit hebben en vroeg daartoe de hulp van zijnen kameraad. Beiden gingen, om elf uur, te Kerstnacht op eenen kruisweg. Hier trok de voerman eenen kring, gebood stil te zwijgen en las uit een klein boek de won- derlijkste dingen voor. Omstreeks half-twaalf hoorden zij 't geraas van het | | ^(1)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(2)^ Sambucus nigra L. | Wilde Heir; daarna kwam een zware molensteen aan een dunnen draad over hen beide hangen. Vervolgens verscheen een vierspan, wiens geleider, om de twee wachtenden te doen spreken, den weg naar het naaste dorp vroeg. Dan gleed een groote houten schotel naar beneden en die schotel vroeg of hij den voorbijgereden wagen zou kunnen inhalen. En die schotel bleek zoo komisch te doen dat de oningewijde knecht luide lachen moest; waarop de voerman hem een klinkende oorveeg toedeelde, zeggende dat dit gelach de schuld was dat zij geen Varenzaad zouden bekomen. (Baader, Neue Volkssagen, n"r" 139; Perger, 218). "*" Zij die Varenzaad zoeken, `rekenen voor het Saedt van Varen-cruydt die kleyne stipkens die achter aen de Bladeren wassen, ende eerst grauw zyn, maer metter tijdt swart worden ende afvallen. Dit Saedt vergaderen sij in de Braeckmaendt' -- dat is Juni -- `(ende slj snijden de Bladers neffens de Wortelen af, ende hanghen die te drooghen, daer onder fijn lijnwaet oft papier spreydende: ende dan valt het Saedt daer op) In sonderheyt In den nacht voor Sint Jans dagh; want dan ghelooven sij dat het vergadert moet worden, ende dat met sommighe belesinghen, coniuratin ende hooghe woorden die sij daer over spreken; met de welcke sij de boose gheesten verdrijven, die dit selve Saedt bewaeren: want die zijn soo nijdigh, dat sy den mensche soo veel goeds niet en gunnen, als sy met dit Saedt souden konnen uytrechten.' (Dod.~ 759). Aldus de commentator voor de uitg.~ van 1618, nl.~ Joost van Ravelingen, die er echter ongeloovig bijvoegt dat zulke ijdele beuzelingen eerder te bespotten dat te ge- looven zijn! Jean-Fr.~ Bonhomme, bisschop van Vercelli (Itali) en vriend van den H.~ Karel Borromes, zegt in zijn Decreten (1579) o.~ a.~: `Hij zij streng gestraft, die Varen of Varenzaad zamelt, of eenig ander Kruid of Plant, op zekeren be- paalden dag of op zekeren bijzonderen nacht, met de gedachte dat het nutteloos zou zijn, hen op andere tijdstippen te plukken'. (Thiers, I, 43). Over het zamelen van Varenzaad In St.~ Jansnacht, zie nog Roll.~ XI, 159 en vgg. En wat Heksenwerk kon men niet al doen met dit magisch Varenzaad en welke geheime bovennatuurlijke kracht bezat het niet! Wie het over zich droeg, werd onzichtbaar (z.~ beneden); -- hij kon arbeiden zonder zich te vermoeien en zoolang en zooveel hij maar wilde, ja, wel zooveel als twintig gewone werklieden. (Perger, 212). "*" Varenzaad heeft macht `om alle tooverljen ende quade belesinghen krachteloos te maecken' -- het werd dus gebruikt om te tooveren en te ont- tooveren! -- `andere meynen daer noch meer andere wonderwercken mede te doen, als sloten te openen, boyen te doen opspringhen'. (Dodoens, 759). Een jager die Varenzaad over zich draagt, mist nooit zijn doel. Om in worstelspelen te winnen nam men een weinig Varenzaad; om in de harten te lezen, wreef men er zich de oogen mee. Aldus in Nederbretanje. (Roll.~ XI, 100). De Duivel moet den Varenzaad-drager alles toestaan, wat deze verlangt, zelfs den fameuzen Wisseldaalder (hgd.~ `Wechselthaler'), dien men in Vlaan- deren Vliegenden Pauw of Heksepenning heet (DB), d.i.~ een Toovermuntstuk, dat, uitgegeven zijnde, immer in den zak van den eersten bezitter terugkeert. Geld, waarbij Varenzaad ligt, vermindert niet, wat men er ook afneme. (Leunis, Syn.~ I, Crypt.~ 20, Perger, 212-13). In de middeleeuwen heette dit kostbaar Tooverzaad, in Duitschland, `Wn- schelsame' ("=" zooveel als Wenschzaad), omdat al de wenschen van wie het over zich droeg, vervuld werden. (Perger, 113-4). Wie zijn ziel den Duivel had verkocht en van hem Varenzaad had be- komen, vond in den Boozen Geest een helper in alle mogelijke en onmogelijke dingen. De boven vermelde voerman van Eschelbach (uit Baden) kon, met paard en wagen rijden, zooals hij maar wilde; zonder hinder reed hij met een vierspan al galoppeerende de steilste hellingen af. Eens kwam hij met den geladen oogstwagen naar de schuur van de hoeve en, daar hij geen helpers tot lossen vond, reed hij met den wagen langs de ladder het dak omhoog en stortte daarna de schooven af op den schelf. De boer der hoeve keek juist het spel na, doch hij zweeg heel stil, want hadde hij een enkel woord gesproken, paarden en wagen en voerman, alles ware naar beneden gedonderd. (Perger, 213, naar Baader). Te Rothenburg (Zwabenland) leefde, vor omtrent 200 jaar, een wever, die slechts 's zaterdags werkte en al de overige dagen speelde en zoop, en toch, op dien enen dag, meer had geweven dan de handigste en ijverigste wever gedurende de heele week. Dat kwam hierdoor dat hij Varenzaad over zich droeg. Eens dat deze wever een linnen van honderd ellen op een enkelen dag had geweven, wilde zijn meesteres het stuk denzelfden avond nog inleveren. Zij deed het linnen in eenen korf en ging er mede heen. Haar weg voer langs de kerk van Ehingen; en toen zij hier even voorbijging, hoorde zij voor den `Heiligen Zegen' bellen, _zij_ zette den korf neder, knielde en ontving ook den Heiligen Zegen. Doch toen deze was uitgedeeld en de vrouw met haar linnen verder wilde gaan, zag zij, met verbazing, dat het heele stuk opnieuw garen was geworden! (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 112; naar E.~ Meier). In dezelfde landstreek Zwaben kan de drager van magisch Varenzaad zooveel werk verrichten als 20-30 man. (Meier, n"r" 267). De dager van Varenbloesem (de Sporen worden bedoeld) verstaat de taal der vogelen. Bij de Wenden van het Spreewald (Duitschland) heet de Varen `Paproschkraut'. Een jonge herder hoedde, op eenen nacht de ganzen van zijnen meester. En daar viel hem de Bloesem van Paprosch in de schoenen: Paprosch bloeit maar 's nachts, om het twaalfde uur, zegt men. Toen hij, in den vroegen ochtend, huiswaarts keerde. pochte hij niet weinig bij de andere lieden: hij zegde hun dat hij nu wist wat de ganzen onderllng hadden verteld. Zulke zonderlinge mare liep snel het heele dorp rond, en ook de meester van den herdersknaap hoorde het; door nieuwsgierigheid aangedreven liet hij den jongen bij zich ontbieden. De jonge wilde rein en ordentelijk vor zijnen meester verschijnen: hij trok de vuile schoenen uit en deed zijn beste aan. Doch nu wist hij niets meer van de ganzentaal en de meester bespotte hem als eenen pochhans (Rel.~ u.~ Bohn.~, 114). -- Ook Handtmann (58) zegt ons dat al wie onder Varen slaapt, de taal der vogelen verstaat. Vgl.~ de sage uit Istri, waar verteld wordt van een knecht die de taal der koeien verstaat, omdat, buiten zijne weet, Varenzaad in zijn schoenen was gevallen. (Krausz, S.~ u.~ M.~ der Sdslaven, 1883, I, n"r" 159). Wie op St.~ Jansnacht -- ondanks de nijdige waakzaamheid van Kwade Geesten -- Varenbloesem kan meester worden en zorgvuldig verbrandt, kan de asch als een wonderbaren Tooverspiegel gebruiken; hij kan er in zien welk het lot van afwezige vrienden is; zoo deze het welstellen, verandert de asch in een mooie Bloem, zijn zij gestorven of gaat het met hen slecht, dan blijft de asch koud en levensloos. Aldus op de Azoreneilanden. (Folklore, 1903, n"r" 14, 14s; Marzell, Unsere Heilpfl.~ 11). Met reden dunkt me, wordt er bijgevoegd dat dit geloof aan Varenbloesemkracht waarschijnlijk van Europeenschen oorsprong is en naar de Azoren is gemigreerd. Niet alleen dat zoogenaamd Zaad en Bloesem van Varen, deed wonderen: de heele Plant was een Tooverkruid. Schreed een wandelaar, zonder het te weten, over Varen, zoo verloor hij zijnen weg en hij kon dezen slechts terug- vinden met van schoenen te verwisselen. Was 't eene vrouw, zoo moest zij haar voorschoot afdoen en hem verkeerd aanbinden. Daarom heet Varen. in Thurin- gen, `Irrkraut' ("=" Doolkruid). (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 114; Perger, 215). Eertijds dacht men dat, de middernacht van Walpurgisfeest (1 Mei), het water van alle bronnen en beken in wijn werd veranderd, doch alleen hij, die Varenbloesem droeg, vermocht dien wijn te scheppen en te drinken. (Rel.~ u.~ Bohn.~ 114). Om in alle spelen te winnen plukte men Varenkruid op St.~ Jansavond, 's middags, en men maakte er eenen armband mee die den vorm had van het woord Huty. (Thiers, I, 365). Eenigen sneden de Wortelstok van Varen in den vorm eener menschenhand, die men Johanneshand of Gelukshand noemde: wie zulke hand over zich had, slaagde in al zijn ondememingen en verkreeg geld en goed in overvloed. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ 114; naar Montanus). -- Vgl.~ Mandragora en Galgenaas._ De gemeene Wolfsklauw ^(1)^ was een Heksenkruid. _In den Harz; (Duitschl.~) : `Hexenkraut'; -- bij Salomon-Voss `Hexen- pulver'. Vgl.~ boven._ "*" Een Brabantsche sage wijst bepaaldelijk de Steenvaren ^(2)^ aan: het is een meisje van Duisburg (drie uur van Brussel), met name Goedele, die op bevel van hare meesteres -- de oorkonde zegt niet uitdrukkelijk dat deze eene Heks is -- Steenvarenzaad moet gaan halen. _In het Register 12700 van de Rekenkamer van Brabant (Rekening loopende van 24 Juni tot 25 Dec. 1409) vindt men: `Onder den meyerien van Vilvorden: Van Goedelen, Merten Snellaerts maerte, om datse op Sint Jans avont des nachts te Duysborch opt kerchof aen | | ^(1)^ Lycopodium clavatum L.~ is geen Varen, maar behoort tot de familie der | | Lycopodiaceen. | ^(2)^ Ceterach officinarum Willd. | de kercke een becken, met kleederen gedect, gheset hadde, om Saet van Steen- varen te hebben, daer si over bevonden was, ende daer om gevangen ende ghe- pynt. Ende want men niet aen haer en vant dat si yet wiste wat met metten Sade doen soude, anders dan datse haer meesterse daer ghesonden hadde ende alsoe ghewyst te doene, ende om dat si daer af genaede coes, soe lietse d'am- man pointen om V cronen, valent XVJ s.~ VIIJ deniers'. Goedele kwam er goedkoop van af! (VL, VI, 14; DC.~ en Teirl.~ Br.~ S.~ 56-7). "*" Ceterach was een Heksenkruid: `dat sommighe van gevoelen zijn / dat men met dit selve cruydt de vrouwen belett swangher te worden oft te ontfan- ghen / 't zy alleen / 't zy met de milte van eenen Muylesel aen 't lyf van de vrouwen ghehanghen: ende dat dit cruydt om 't selve te doen / ghepluckt moet worden des nachts (als de Mane niet en schijnt)'. (Dod.~ 766). -- En op een ander plaats: `Sommighe Quacksalvers ende lantloopers van Medecijnen ver- sekeren dat het soo krachtigh is om de lever te verstereken / dat selfs een ghesoden lever van eenigh dier oft beest / met dit cruydt hersoden zijnde / wederom rauw sal schijnen te wesen / ende sijn oude ghedaente op een nieuw wederghe- ghen te hebben'. (Id.~). Ik denk evenwel dat de in 't hooger vermeld stuk genoemde Steenvaren een ander soort dan Ceterach is; namelijk de veel gemeener Steenruit^_(1)_^: men vindt ze bijna overal in Brabant en Vlaanderen tusschen de reten der kerkhof- muren. Hieronymus Bock heet deze Varensoort Miraculum natur"ae" d.i.~ Mirakel der Natuur; en Dodoens (768) Salvia vit"ae", Fr.~ `Sauve-vie', naar de Wonder- krachten. Het eigenlijke Ceterach is veeleer zeldzaam in de omstreek van Brussel._ 2. Naaldboomen (of Coniferen). "*" Te Turnhout en omstr.~ staat de Zeepijn^(2)^ bekend onder den naam van Heksemast. _Aldus ook in Noord-Brabant (Holland) beoosten Tilburg. De reden dezer benaming? Pque (Vl.~ Volksn.~, 146) geeft de naar mijn inzien gewaagde ver- klaring: `De Bladeren (Naalden) en Vruchten (Toppen) van deze soort zijn buitengewoon groot; veel grooter dan bij de gewone Pinus silvestris L. Het volk zal daar iets als bovennatuurlijks gezien hebben en er de Heksen van verantwoordelijk gemaakt'. Vgl.~ liever boven met de Heksenbessems: een ge- meene inlandsche Pijn (Pinus silvestris) vertoont er soms._ Ook Ciprestwijgen^(3)^ en Lorkesap ^(4)^ werden door de Hek- sen soms benuttigd. _This.~ 64 (naar Ben Jonson, Witches Song; z.~ de tekst beneden bij Hoornheul). | | ^(1)^ Asplenium ruta-muraria L. | | | ^(2)^ Pinus maritima Poir. | | | ^(3)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(4)^ Larix europaea L. | Magirs gebruikten, voor hun magisch Zaterdagwerk, Cipresguirlandes. (Lvy H.~ Mag.~ II, 120)._ 3. Laurierachtigen (of Lauraceen). De Magir verricht, des Zondags, zijn magische werken van licht en rijkdom, en gebruikt hiertoe den Laurier^(1)^. _Den Zondag moet hij zijn werk doen van middernacht tot 8 uur 's morgens, en van 3 uur 's namiddags tot 10 uur 's avonds. Hij draagt een pur- peren kleed, eene tiara en een gouden armband. Het reukaltaar en de driepikkel van 't heilig vuur zijn omringd van kransen van Laurier, Zonnewende^_(2)_^ en Zonnebloem^_(3)_^; de gebruikte Reukstoffen zijn Cinnamom^_(4)_^, Saffraan^_(5)_^ en roode Sandal^_(6)_^. Zijn ring is van goud met een chrysoliet of een robijn; de tapijten zijn leeuwenvellen, de waaiers sperwerpluimen. (Lvy, H.~ Mag.~ 117). Van de hier opgesomde Planten zijn Laurier en Cinnamom (of Kaneel) Lauraceen. De reukstof Cinnamom is de binnenschors van den Cinnamomlaurier. Om een paard te doen hollen bindt men eenen mollepoot in een laurier- blad en steekt hem in een oor van het dier. Aldus Alb.~ Magnus, CIIIIJ, verso)._ Voor zijn magisch Maandagwerk benuttigt de Magir Kamfer. _Lvy, H.~ Mag.~ 118. De Kamfer ligt in de spleten van het hout van den Kamferboom^_(7)_^._ 4. Hanevoetachtigen (of Ranunculaceen). Onder de Ranunculaceen telt men een vijftal Heksenkruiden. Vooreerst de welbekende gewone paarsroode Pioen^(8)^, die men, in ons land schier in alle boerentuinen kweekt. Het was een Too- verkruid, dat veeleer den mensch goed dan slecht deed. Inzonder- heid de Zaden werden in Heksenkunstjes aangewend: daarom heet men ze in Duitschland `Hexenkrner' ("=" Heksenkorrels). _Pritz.~ u.~ Jessen. De Pioen heeft, na 't uitbloeien, kleine roode Vruchtjes, `die soo Apuleius betuyght... schijnen te lichten des nachts ghelyck een keersse'. (Dod.~ 299). -- Daarom heet Aelianus de Pioen `Aglaophotis', in 't Grieksch, dat is `Licht blinckende' in ons klaar Nederlandsch (Id.~); het is een Kruid, zoo schrijft onze | | ^(1)^ Laurus nobilis L. | | | ^(2)^ Heliotropiurn europaeum L. | | | ^(3)^ Helianthus annuus L. | | | ^(4)^ Kaneel of Cinnamomlaurier (Cinnamomum ceylanicum Nees. Laurus Cin- namomum L.~). | | | ^(5)^ Crocus sativus L. | | | ^(6)^ Pterocarpus santalinus, een Vlinderbloemige. | | | ^(7)^ Carnphora officinalis Nees "=" Laurus carnphora L. | | | ^(8)^ Paeonia officinalis L. | geleerde Mechelaar, dat zich des daags onder de andere Kruiden verschuilt, maar des nachts glinstert gelijk een ster en bijgevolg alsdan lichtelijk wordt gezien door den wille van dezen `klaerschijnenden vierighen glans, die sij verre ende wijdt verspreidt'. (Dodoens). Men mocht deze Plant alleen des nachts plukken; want de specht was haar bewaker en schoot met den grimmigen bek naar de oogen van den verme- tele die het waagde ze des daags uit te graven. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 293; naar Plinius). Volgens Dodoens is onze Pioen de vermaarde Baaras, waarover Josephus, de Joodsche historieschrijver, spreekt en die haar naam kreeg van de plaats, waar zij veel gevonden werd. Dat blijkt merkelijk genoeg, zegt deze Vlaamsche Botanist, als men wat Aelianus over zijne Aglaophotis (die hij nog Cynopastus heet) schrijft, met hetgene dat Josephus over zijne Baaras verhaalt, te zamen brengt en overwegen wil. Want Aelianus schrijft dat de Aglaophotis of Cyno- pastus niet zonder vaar en gevaar uit de aarde getrokken wordt en dat zeker persoon, die het Kruid niet wel kende en het aanraken of uitrukken wou, daarvan gestorven was. Dus, indien men het uit den. grond halen wil, moet men, des nachts, eenen stok of eenig ander merkteeken bij zijne Wortelen steken, daarna, met een sterke koord, eenen hond aan deze Wortelen binden en het dier weglokken door den reuk van gebraden vleesch; de hond, gretig naar het vleesch, zal alsdan met geweld het kruid uit de aarde trekken. -- En nagenoeg hetzelfde zegt Josephus van zijne Baaras: des avonds blinkt zij als eene ster of een genster; doch zij kan door die welke haar nader komen, niet lichtelijk uit de aarde gehaald worden; men moet er eerst vrouwepis of maandstonden- bloed over gieten, of er eenen hond aan binden, nadat men vooraf den Wortel wat heeft losgemaakt; zoo kan het dier de Plant uit den grond rukken, hetgeen anders zeer moeilijk en zeer gevaarlijk om doen zoude zijn. Eenigen denken evenwel dat de Baaras of Cynopastus de Mandragora is, die men op gelijke manier uit den grond moet halen. Vgl.~ Roll.~ I, 119; en zie beneden: Mandragora. De Heksen gebruikten de Pioen om te genezen, niet om kwaad te doen. Ook wel de gewone mensch: Tegen de vallende ziekte hing (of hangt) men aan den hals der jonge kinderen den verschen Wortel eener Pioen. Aldus ge- dragen genas hij ook het podagra; het verdreef den boozen `Alp'; enz. Z.~ beneden: B, Antimagische Flora._ Daarna het Kristoffelkruid ^(1)^, een Giftplant met kleine, witte vierbladige Bloempjes. dubbel-gevinde Bladeren en trosvormende, eironde, zwarte Bessen. Men vindt het hier en daar in onze Ar- dennen. _Toovenaars gebruikten het vroeger om te `Christoffeln' (aldus in Duitschl.~) d.i.~ om geldverbergende Geesten te bezweren. (Leunis II, 480). "*" Dodoens heet het `Sinte Christoffels-Cruydt' en brengt het dus tot den | | ^(1)^ Actaea spicata L. | H.~ Christophorus. In de middeleeuwen overigens heette het Kruid in 't Lat.! `Christophoriana'. De H.~ Kristoffel (aldus Shns, 107) is heer en meester over alle Geesten, bijgevolg ook over de Booze, die de onderaardsche schatten bewaken. In Zwitserland is de Plant tamelijk gemeen; en men noemt ze (in Aargau, Zurich, Glarus) `Hexenkraut' ("=" Heksenkruid); ook aldus bij Augsburg. -- Nog in Zwitserland en in den Elzas `Berufkraut' (van het werkwoord `be- rufen' "=" beheksen). -- In Frankenland, o.a.~ te Henneberg, `Beschreikraut'- (`beschreien' "=" betooveren). Z.~ Pritz.~ u.~ Jess.~; C.~ J.~ Durheim, Schweizerisches Pflanzen-Idiotikon, Bern (1856)._ De Trolbloem^(1)^ was reeds bij de voorouders eene Toover- plant. _De naam bewijst het (Perger, 160). Over de verschillende beteekenissen van `Trolle, Trulle', z.~ b.v.~ Weigand, D.W._ De Monnikskap^(2)^ is eene Medeaplant. _Z.~ beneden, Hoofdstuk IV, a. -- De Heksen gebruikten ze. (This, 64; naar Ben Jonson, Masque of Queens, waar zij `Libbard's bane', d.i.~ Luipaardsboon genoemd wordt)._ Ook de Keukenschelle^(3)^ staat met het Heksenvolk in ver- band. _In Oost-Pruisen heeft ze den naam van `Hackelkraut' en `Hackenkraut' (`Hacke' "=" Heks). Aldus Shns, 19; Frischbier, Preuss.~ Wrterbuch, 1882._ Magirs gebruikten voor hun magisch Maandagwerk. kransen van gele Boterbloemen^(4)^ en voor hun magisch Zaterdagwerk kransen van Zwart Nieskruid^(5)^. _Des Maandags doet de Magir werken van waarzeggerijen en mysterin, terwijl hij de maan aanroept. Hij draagt een wit kleed met zilveren banden, een driedubbel halssnoer van paarlen, kristallen en selenieten. De tiara is met gele zijde bedekt, die Hebreeuwsche letters draagt, vormende het monogramma van Gabril, dat men in de okkulte philosophie van Agrippa terugvindt. Het reuk- werk bestaat uit witte Sandel^_(6)_^, Kamfer^_(7)_^, Amber, Alos^_(8)_^ en Komkommer- zaad^_(9)_^. De kransen rond het reukaltaar en de heilige driepikkel zijn van | | ^(1)^ Trollius europaeus L. | | | ^(2)^ Aconitum napellus L. | | | ^(3)^ Anemone pulsatilla L. | | | ^(4)^ Ranunculus-soorten. | | | ^(5)^ Helleborus niger L. | | | ^(6)^ Santalum album. | | | ^(7)^ Laurus camphora L. | | | ^(8)^ Alo soccotrina L. | | | ^(9)^ Cucumis sativus L. | Averoone ^_(1)_^, Selenotroop en gele Boterbloemen. Hij vermijdt alle behangsels kleeren of voorwerpen van zwarte kleur en draagt op zich geen ander metaal dan zilver. (Lvy, H.~ M.~ II, 117-8). -- Het Selenotropion, d.~ i.~ Manewende (vgl.~ Zonnewende of Heliotropion), is mij onbekend._ 5. Muskaatnootachtigen. In zijn Woensdagarbeid benuttigt de Magir, voor zijn reuk- werk, den Muskaatmantel of Foelie. _Lvy, H.~ M.~ II, 118, 119; vgl.~ Lelieachtigen en Katjesdragenden. -- De Muskaatmantel (Fr.~ Macis) Is de Zaadmaatel van de Muskaatnoot^_(2)_^, in 't Vlaamsch bekend onder den naam van Foelie._ 6. Waterlelieachtigen (of Nymphaeaceen). Onze prachtige Waterlelies^(3)^ beschouwt men, in sommige landen als Heksenkruiden. _De namen `Erbo d'infer' of Hellekruid (in 't Provenaalsch bij Dichter Mistral, z.~ Rolland, I, 148) , `Erba dou diable' (d.~ i.~ Duivelskruid, in Bas- Dauphin, Rolland, l.c.~), `Nixblume' ("=" Niksbloem) en `Wassermann' ("=" Waterman) in Duitschland. (Pritz.~ u.~ Jessen) wijzen er op. Wie witte Meerrozen of Waterlelies in huis brengt, doet zijn vee sterven. Aldus in Oost-Pruisen. Roll.~ I, 158; Treichel, Poln.~ Westpr.~ Vulgrnamen von Pflanzen, in: Schriften d.~ Naturforsch.~ Gesellsch.~ zu Danzig, V, Band)._ 7. Roosachtigen (of Rosaceen). Heksen betooveren -- 't zijn meestal Kinders die aldus. behekst worden -- door Appels^(4)^. _In Friesland bestaat dit Volksgeloof: Het is raadzaam, zegt Dijkstra (II, 152), van een onbekende vrouw geen Appel of eenig ander Fruit ten ge- schenke aan te nemen, of men moet er een stuk afsnijden en dat wegwerpen, eer men de rest opeet; want de geefster zou een Heks kunnen zijn en dan zou men, zonder genoemde voorzorg, een levende Pad in de maag krijgen. Vgl.~ ook Wuttke, n"r" 220. Ook aldus in Silezi, Harz, Frankenland. De Heksen verderven dikwijls de menschen met hun eenen betooverden Appel of eenig ander betooverd voe- dingsmiddel aan te bieden; vandaar dat wijdverbreede verbod aan de Kinders geen eetwaren van vreemde menschen aan te nemen. "*" Insgelijks in Vlaanderen zeggen de moeders tot hun kinders dat zij geen | | ^(1)^ Artemisia ab rotanum L. | | | ^(2)^ Myristica fragrans Houtt. | | | ^(3)^ De witte: Nymphaea alba L.; de gele: Nuphar luteum L. | | | ^(4)^ Malus communis Poir. | Appels of welkdanige Vrucht van onbekende menschen mogen aannemen; anders zouden zij betooverd zijn. -- Vergelijk hiermede wat Pierre de Lancre -- een magistraat van Bordeaux, die door het Parlement van die stad een onderzoek over hekserijen in de naburige landstreek Labourd doen moest (in het begin der 17"e" eeuw) -- in een zijner werken^_(1)_^ schreef: Kinderen kwamen getuigen dat Hek- sen hen naar den Sabbat hadden meegevoerd door hen de hand op het hoofd te leggen of hun een stuk Appel te geven. In 't Bergische (Duitschl.~) schenken de Heksen menigmaal Appels aan de menschen: wie ze opeet, wordt krank en spuwt een Pad uit, indien, niet bij tijde, de Hekserij door geestelijke hulp gebroken is. (Knortz, 26). Een Frankforter Tooveraar -- hier wordt bedoeld Frankfort-aan-den-Oder -- en zijn leerjongen veranderden zich vaak in Appels en rolden dan, langs een venster eener slaapkamer die 's nachts was opengebleven, in het bed van de slapende lieden. Deze werden wakker, vonden de Appels en aten ze op, doch wierpen het klokhuis op den vloer: dit werd een dood lijk, dat een afgrijselijken stank verspreidde. Hierdoor werden deze lieden krank en stierven weldra. Deze leerjongen-tooveraar veranderde ook ongedoopte kinders in Appels en bracht ze zijnen meester. (Meiche, n"r" 665). In veel landen -- ook in Vlaanderen -- bestaat het geloof dat schaapherders kunnen tooveren. In Normandi vertelt men, dat, indien zij dorst hebben, in den eersten Appelaar den besten hun mes steken, en uit het mes, als uit een kraan, vloeit overvloediglijk beste Cider. (Roll.~ V, 87; naar Lec"oe"ur, II, 68). Sneeuwwitje wordt gedood door een beheksten Giftappel. Grimm, KHM, I, 243, III, 95 en 96). Rauwe en onrijpe Appels, in groote hoeveelheid gegeten, maken vergetel- achtig (Dod.~ 1237). Vgl nog de roode Tooverappeltjes, die bij den eter horens op het hoofd doen ontstaan, en de blauwe die ze doen afvallen. Vermast, 7; doch dit werd, zonder vermelding genomen uit het Fortunatus-boekje)._ Om te beheksen gebruiken de Tooveressen ook Peren^(2)^; ofwel de Kernen van Peren; zelfs Pereboomenschors. _"*" Op 28 November 1603 werd de Heks Catherine Tancr een arme bede- lende vrouw van 77 jaar(!) te Gent `metten viere' gexecuteerd; onder de afgedwongen bekentenissen heeft men deze: zij heeft betooverd het dochtertje van Jan Tanghe, `cleermaecker op 't Clapbrugschken... deur 't geven van een Peere of twee', die haar 's daags te voren `by seker landsman om Godswille gegeven waeren'; in den avond, toen de Booze bij haar was gekomen, heeft zij een Peer laten vallen; de Booze heeft ze opgeraapt, ze haar wedergegeven en haar belast `die yemant te geven omme daer mede qualic te varen'; zij, `den selven bevele obedirende', heeft die betooverde Peer aan de voornoemde dochter | | ^(1)^ Tableau de l'Inconstance des Mauvais Anges et des Dmons, 1613. P.~ de | Lancre stierf in 1630, na 500 beschuldigden te hebben doen verbranden. | | | ^(2)^ Pirus communis L. | gegeven, die voor haar (Catherine Tancr) ten huize van hare dochter `eene schoone craeghe gehaelt hadde', en daermede heeft zij het kind bedorven. (Cannaert, 238). De Heksen betooverden of maakten krank, die welke zij haatten of vrees- den, door Perekernen of Pereboomenschors. (Perger, 329). Een der eerste werken van vrouwen, die leerden om Heks te worden, was het veranderen van Peren in muizen. (Id.~)._ Ook de Pruim^_(1)_^ staat met Heksen in verband. _Z.~ E.~ Meier, blz.~ 100; en n"r" 213._ Somtijds steken, ongemerkt en heimelijk, de Heksen Rozen^_(2)_^ in de oorkussens van personen die zij betooveren willen. _Z.~ Oomen, Plantenleg.~ 47 (echter zonder plaatsbepaling)._ Of zij benuttigen zoogenaamde Heksenknoopen. _Heksenknoopen bestaan uit Rozebladeren of Rozepetalen, die sommige insek- ten in den grond oprollen en verbergen; erin verpoppen zich hunne larven. Zulke Heksenknoopen, hgd.~ `Hexenknoten' worden door Heksen als Toovermiddelen aangewend. -- Deze Heksenknoopen zijn soms eenvoudig toegeknoopte koordjes of linten, waarover Tooverformulen zijn uitgesproken en waarmede Tooveressen beheksen of onttooveren. (Brockhaus, Lex.~ i.v.~ Hexenknoten)._ Soms zijn Rozezaadjes -- veeleer Dopvruchtjes (Fr.~ aknes) met hun botanisch en naam -- hun dienstig. _Een Rozezaadje, vermengd met een Mosterzaad^_(3)_^, een Wezelpoot, een weinig Olijfolie en Zwavel geeft een mengsel, dat, op de muren van een huis gewreven, het doet lichten en glimmen alsof het in brand stonde. (Magie natu- relle, 78). -- Een Boom waarin men het hangt, is vervloekt en geeft geen Vruchten meer. (Id.!). Dat wonderbaar mengsel, in netten gelegd, lokt al de visschen tot zich. Werpt men het aan den voet van een dorre, doode Kool^_(4)_^, zoo zal deze, op min dan een halven dag, opnieuw groenen. Doet met het in een brandende lamp, zoo zullen al de aanwezigen er uitzien als zwarte Duivels. (Idem)._ Toovenaars genezen zieken door middel van den Egelan- tier^(5)^. _Zij snijden een Egelantiertak af van de lengte van den zieke en hangen hem in den schoorsteen; en als de tak verdord is, is ook de zieke genezen. De ziekte werd in den Egelantiertwijg overgezet; de zieke geneest, maar de twijg sterft. | | ^(1)^ Prunus domestica L. | | | ^(2)^ Rosa centifolia L.~ (naast ander gekweekte soorten). | | | ^(3)^ Brasslea nigra L. | | | ^(4)^ Brassica oleracea L. | | | ^(5)^ Rooa canina L. | Aldus in Normandi. (Roll.~ V, 242; naar Lec"oe"ur). -- Ofwel, onder het uitspre- ken van magische woorden, bij het krieken van den dag, rukt hij een Egelantier uit en, achteruitgaande, verwijdert hij zich van den ontwortelden Struik. Aldus in dp.~ Gard.~ (Roll.~ l.c.; naar Baumefort, Monum.~ celt.~ du Gard, 1863, p.~ 14)._ Een vliesvleugelig Insekt, de Rozencynips (Cynips rosae L.~), legt zijn eitjes in den wilden Rozelaar^(1)^; daar ontstaat een mos- vormige Gal. de Rozengal of zoogenaamde Bedeguar. _In Zwaben gebruikt men deze Rozengal om op een vooraf bepaald uur wakker te worden. (E.~ Meier, p.~ 249)._ De Vogelkerseboom^(2)^ is een Heksenboom. _In Duitschland daarom `Hexenbaum' geheeten. (Pritz.~ u.~ Jess.~, naar Gleditsch). -- Het was veeleer een antimagische Boom. (Z.~ beneden, B, Anti, magische Flora)._ Onrijpe Peerlijsterbessen^(3)^ kunnen een mensch doen veran- deren van geslacht. _Zij zijn, onrijp, buitengemeen wrang. Wie zeven van die Bessen opeet, verandert ineens van geslacht. Aldus te Maillezais (Vende) en Pamproux (Deux-Svres). Roll.~ V, 113. -- Als een man zegt: `'k Zou willen vrouw zijn', of, omgekeerd, een vrouw begeert man te zijn, dan wordt geantwoord: `om van geslacht te veranderen, moet men, zonder en grimas te maken, zeven onrijpe Peerlijsterbessen eten!' Aldus in dp.~ Aude. (Idem.~)._ Onder den naam van Vijfvingerkruid (Lat.~ Quinquefolium) begreep men verscheidene Potentilla-soorten, doch vooral de krui- pende Ganzerik^(4)^. 't Was een Tooverkruid. _Men begroef Vijfvingerkruid met kruipende Klaver^(5)^ en er uit kwamen roode en groene Slangen: indien men deze tot poeder stootte, en dit in een brandende lamp deed, zag men rond zich allerlei Slangen. Legde men het onder het hoofd van iemand die in zijn, bed lag, zoo kon hij geen oog toedoen. (Mag.~ nat.~, 78)._ Dicht bij de Roosachtigen schikt men de Crassulaceen of Vetkruidachtigen. En met het sap van de welbekende Donder- baard^(6)^ deden de Tooverkonstenaars het volgende Wonder- toertje: | | ^(1)^ Rooa canina L. | | | ^(2)^ Prunus padus L. | | | ^(3)^ Sorbus domestica L. | | | ^(4)^ Potentilla reptans L. | | | ^(5)^ Trifolium re pens L. | | | ^(6)^ Sempervivum tectorum L. | _Neem rood Arsenicum en Aluin, en meng alles te zamen met `het sap van Semper vive' en de gal van eenen stier; besmeer daarmede de handen van eenen mensch: deze mag een gloeiend ijzer in zijn handen nemen en zal niet verbranden. (Alb.~ Magnus, Eij recto)._ 8. Vlinderbloemigen (of Papilionaceen). Een Vierklaver^(1)^, d.~ i.~ een Klaverblad met vier blaadjes (gewoonlijk zijn er maar drie), brengt geluk bij. _Wie er eene op St.~ Jansavond (nacht tusschen 23 en 24 Juni) vindt, kan er mede tooverkunsten doen. (Wuttke, n"r" 142; Zeitschr.~ P.~ D.~ Myth.~ 1, 126). De Vierklaver groeit op den boord van de hel; daarom is zij zoo zeldzaam en noemt men ze, in Calvados (Fr.~) `Herbe du Diable' "=" Duivelskruid. (Roll.~ IV, 148)._ Het was zeer gevaarlijk op eene Vierklaver barvoets te tre- den: was 't een man hij kreeg de witte koortsen; was 't eene vrouw, zij werd door haren man bedrogen. _Aldus bij Roll.~ IV, 148 (naar Evangile des Quenouilles)._ Om iemand te betooveren, legt de Tooveres een Vijfklaver -- nog zeldzamer dan een Vierklaver -- in het wijwatervat, waar- uit de persoon, dien zij beheksen wil, zijn wijwater neemt. _Aldus te Arrens (dp.~ Hautes-Pyrnes). Roll.~ IV, 148._ Zelfs de gemeene driebladige Klaver werd hier en daar als Tooverkruid beschouwd. _In een betooverd huis, hoorde men, 's nachts vor de O.~ L.~ Vrouwfeest- dagen, een onzichtbaar wezen dat Klaverzaad tot gruis stampte. Aldus te Argentr, dp.~ Mayenne. (Roll.~ IV, 148; Rev.~ des Trad.~pop.~, 1899, p.~ 641). Indien eene vrouw den honig uit de Klaverbloemen opzuigt (en zij bevatten veel honig!), zullen al haar koeien openbarsten. Omstr.~ van Valence, dp.~ Drme. (Roll.~ l.~ c.~)._ Het geelbloemige Wonderkruid^(2)^, anders een Heilkruid, heet, in Silezi, `Berufkraut' d.~ i.~ Betooverkruid. _Pritz.~ u.~ Jessen._ "*" Heksenhout is, te Diest en omstreek, de Gaspeldoorn^(3)^. | | ^(1)^ Trifolium pratense L. | | | ^(2)^ Anthyllis vulneraria L. | | | ^(3)^ Ulex europaeus L. | _Pque, Volksn. Waarom? Om de sterke stekels? Planten met doornen of stekels werden vaak door (of tegen) de Heksen gebezigd._ De beschaamde Zinplant^(1)^ was in Amerika, waar het in 't wilde groeit, een Heksenheestertje. _Het is een Kruid dat aan de Indiaansche Toovenaars en Waarzeggers maar al te bekend is. (Dod.~ uitg.~ van 1644, blz.~ 1437)._ De Magir gebruikt, voor zijn magisch Zondagwerk Roode Sandel als reukstof. _Lvy, H.~ M.~ 117 (z.~ boven Laurierachtigen). Dat geurige Rood Sandelhout komt van den Sandel- Vleugelvruchtboom^_(2)_^, een Vlinderbloemige, Oostindische Boom._ Het tooverpotje van den Mayombschen Toovenaar of feti- cheur bevat water met zeker Kruiden en staat op drie Lubota- pinnen. _Dat tooverpotje heet `finzungu' (Bittremieux, i.~ v.~ Bikandu, blz.~ 56). `Lubota' is een Vlinderbloemige Boom met ijzerhard hout, behoorende tot het geslacht Milletia._ 9. Plataanachtigen (of Platanaceen). Den Woensdag gebruikte den Magir Storax als reukwerk. _Lvy, H.~ M.~ 118; vgl.~ beneden Lelieachtigen. -- Storax werd eertijda geleverd door Styrax officinalis L.~; thans door de Plataanachtige Liquidambar- soorten (L.~ orientalis L.~, L.~ tricuspis Miq.~ en L.~ Altingianum Bl.~). Z.~ Leunis, 542; en beneden Styraxachtigen._ Den Maandag gebruikte hij, voor zijn magische berookingen, Amber. _Lvy, l.~ c. Vgl.~ boven Hanevoetachtigen. -- Amber, nl.~ de witte vloeibare, werd gegeven door Liquidambar styraciflua L._ 10. Toovernootachtigen (of Hamamelidaceen). Een Amerikaansche Heester, die op onzen gewonen Haze- laar^(3)^ trekt doch tot een andere familie behoort, heeft den En- gelschen naam gekregen van `Witch Hazel' (Heksenhazelaar), omdat de Wichelaars en Tooveressen de twijgen tot hun Toover- kunstjes bezigden. | | ^(1)^ Mimosa pudica L. | | | ^(2)^ Pterocarpus santalinus L.~ fil. | | | ^(3)^ Corylus avellana L. | _De wetenschappelijke benaming is Hamamelis virginica L.~, Hgd.~ `Zauber- atrauch' en `Zaubernuss' en, hiernaar, in 't Ndl.~ Tooverstruik en Toover- noot. Met die twijgen ontdekte men ertsmijnen, zoutlagen en bronnen. (Leunis, 241). In een voetnota legt Leunis den naam anders uit: in den herfst verschijnen de Bloemen en in den volgenden Zomer de Vruchten en dat bleek, voor 't ge- meen volk, iets wonderbaars te zijn. -- Knortz, 6, schrijft liever `Wych hasel' en brengt het tot Angelsaksisch `Wice' "=" Olm. -- Vgl.~ beneden Tooverroede._ 11. Katjesdragers (of Amentaceen). De Wilgen^(1)^ zijn Heksenboomen. _De koningin der Heksen draagt, als schepter, een Wilgeroede. (Rel.~ u.~ Bohn.~ 360). De Heksen strepen met roode Wilgetwijgen^_(2)_^ den morgendauw van de Planten af, en brengen aldus verderfelijke rijp en vorst teweeg. (Perger, 312). Zij wringen knoopen in de Wilgetakken en kunnen, door zulke handelwijze, iemand doen sterven, (Idem). Men mag in eenen stal, waar gevogelte broedt, geenen Wilgetwijg draaien; want hierdoor krijgen de uitgekipte jongskens kromme halzen. (Idem). Men verklaart die Heksenkrachten der Wilgen als volgt: hun loover is vaal; -- hun schors is grauw; de Wilgetronken zien er, in de schemering en des nachts, spookachtig uit; -- zij groeien langs waterbeek en -poel, die vaak, op bedriegelijke wijze, ongelukkigen aanlokken en van 't leven berooven; -- Judas heeft .zich aan eenen Wilg opgehangen; -- Heksen wonen in holle Knotwilgen; -- en Christus werd met Wilgeroeden gegeeseld._ Men rekende den Griekschen Populier^(3)^ en den eetbaren Eik^(4)^ onder de magische Boomen. _De Magirs hebben, voor hun magisch Donderdagwerk -- een werk van hoogmoed en politieken aard, aan Jupiter toegewijd -- een scharlaken kleed aan, en over 't voorhoofd een linnen band met het teeken van Jupiter's geest en den drie magische woorden: Giarar, Bethor en Samgabil. De reukstoffen zijn Wie- rook^_(5)_^, Ambergrijs^_(6)_^, Balsem^_(7)_^, Paradijszaad^_(8)_^, Foelie^_(9)_^ en Saffraan^_(1O)_^; | | ^(1)^ Geslacht Salix (vooral Salix alba L.~, S.~ fragilis L.~, S.~ cinerea L.~ en S.~ | caprea L.~). | | | ^(2)^ Denkelijk van S.~ purpurea L.~ of Purper-teen. | | | ^(3)^ Populus graeca L.. | | | ^(4)^ Quercus esculus L. | | | ^(5)^ Hars van Boswellia sacra Flck. | | | ^(6)^ Gevormd door verharsingen in de darmen van den Cachalot | | | ^(7)^ Peruviaansche of echte Balsem. Hars van Myroxylon sansonatense Klotsch. | | | ^(8)^ Waarschijnlijk Amomum maleguetta, Fr.~ `Maniguette'. | | | ^(9)^ Muskaatnoot-mantel. | | | ^(10)^ Crocus sativus L. | de kransen en kronen zijn gemaakt met Eik, Populier, Vijgeboom^_(1)_^ en Granaat- boom^_(2)_^; de vingerring heeft een smaragd of een Saffier. -- Z.~ beneden Heksen- planten._ 12. Sandelhoutachtigen (of Santalaceen). In Beieren en Tirol heet het Alpisch Bergvlas^(3)^ `Vermain- kraut'. _Pritz.~ u.~ Jessen; Hgd.~ `Vermainkraut' bet.~ Heksenkruid (het ww.~ `ver- meinen' "=" vervloeken, beheksen)._ De Magir gebruikt voor zijn magisch Maandagwerk, de Witte Sandel als reukstof. _Lvy, H.~ M.~ II, 118. Z.~ boven Hanevoetachtigen. -- Witte Sandel, de reukstof nl.~, is het Splinthout van den Oostindischen witten Sandelboom^_(4)_^._ Met de Sandelhoutachtigen is onze magische Marentak ver- want (voor velen een Loranthacee). Hij wordt genoeg in Zuid- Nederland gevonden -- in Noord-Nederland is hij zeldzamer. Hij woekert vooral (in ons land) op Populieren^(5)^ en Appelboomen^(6)^ (soms op Doornen^(7)^, Pereboomen^(8)^ en Eiken^(9)^. Hij heeft een gegaffelden Stengel, lederachtige, immergroene, langwerpige en tegenoverstaande Bladeren; de Bloempjes zijn zeer klein en weinig in 't oog vallend, monoecisch en geelachtig groen; de vrouwelijke worden witte, slijmachtige (van hier de Lat.~ naam Viscum en de Nederlandsche Vogellijm), glanzende Bessen als zilveren parels. Moest het geen Heksenkruid zijn, dat zoo hoog, aan bossen gelij- kende, of eksternesten, op Boomen groeide en in den winter zoo groen stond als in den zomer? _In 't Vlaamsch heet deze Half-Schuimplant gewoonlijk Marentak (z.~ ander namen bij Pque en Heukels). De Franschen heeten het gewoonlijk `Gui du Chne', alhoewel het uiterst zelden op Eiken wordt gevonden. Doch Marentak, die men op Eik vindt, | | ^(1)^ Ficus carica L. | | | ^(2)^ Punica granatum L. | | | ^(3)^ Thesium alpinum L. | | | ^(4)^ Santalum album L., | | | ^(5)^ Populus canadensis Mich.~ en eenige andere soorten. | | | ^(6)^ Malus communis Poir. | | | ^(7)^ Crataegus oxyacantha L.~ en C.~ monogyna Jacq. | | | ^(8)^ Pirus communis L. | | | ^(9)^ Quercus robur L. | is, juist om die zeldzaamheid, de krachtigste. Reeds Lobelius (Cruydtb.~ 775) schrijft: "*" `Marentacken die op d'Eycke-boomen wassen zijn d'alderbeste, maer worden soo selden ghevonden, dat nauwe aen den duysensten Eyckenboom ghesien wordt. Jae dat meer is, in Enghellandt daer wy Eycken sonder ghetal ghesien hebben, en was maer eenen boom oft twee, daer wy, maer seer luttel, tselve op saghen, d'welcke oock seer nauwe bewaert wordt'. Naar Leunis (Syn.~) heeft men Viscum album L.~, in Europa, op ongeveer 50 Loof- en Naaldboomsoorten gevonden. Bij de Grieken en de Romeinen was de Marentak reeds in groot aanzien: het was de Toovertak of Magische Twijg van Proserpina, en hij alleen vermocht het de poorten der Hel te ontsluiten. Door middel van dien Tak komt Aeneas in de Onderaardsche Wereld. De Sibylle van Cuma raadt hem: `In de schaduwe van eenen Boom en zijn loof bloeit een gouden Tak met zijn taaie telgen. Het gansch Woud bedekt dezen Tak, omringd van duistere en schaduwachtige dalen; en het is niet eer geoorloofd de onderaardsche gewesten te bezoeken, 't en zij men dien gouden Tak en zijne Vrucht plukke. Den eersten Tak afge- broken zijnde, zoo zal terstond een ander, die van 't zelfde metaal blikkert, in de plaats groeien. Hierom, sla gade, hef uwe oogen omhoog, en den Tak ziende, pluk hem naar behooren; want zijt gij hiertoe beroepen, zoo zal de Tak gewillig en van zelf volgen; anders kunt gij dien met geen geweld afrukken, noch met geen stalen lemmer afhouwen'. (Aenede, VI, vert.~ van Vondel). Aeneas gaat dus naar het Bosch, doch vindt den Wondertwijg niet. Hij smeekt nu zijne Moeder Venus hem niet te verlaten. De godin zendt hem een paar van hare duiven: zij vliegen al pikkende voort, zoodat men haar met het oog kan volgen. Zij komen eindelijk aan den hellemond, waaruit de bange lucht van Avernus drijft, zweven haastig omhoog, aldoor de dunne lucht, en zetten zich ter gewenschter plaatse op den Boom neder, waaruit die geschakeerde glans van het goud tusschen de Takken blinkt en blikkert; gelijk het Vogellijm, gesproten uit Snippemest^_(1)_^, dat aan de Schors kleeft, in het snerpen van den kouden winter, in de bosschen op een nieuw pleegt te bloeien, en zich om lange Stammen met zijn eigen oranjegewas krinkelt, zoo glinstert ook het goud dat aan den schaduw- rijken Eikeboom groeit; zoo kraakt dit Blad van den zachten wind. Aeneas schiet vurig toe, breekt het Kruid met kracht af, hoe noode het volge, en brengt het bij de Sibylle-waarzeggerin. Daarna komt hij met deze aan den Styx, toont den Magischen Twijg en geraakt aldus in de Hel. Door de hulp van ditzelfde Kruid, komt hij er weer uit, en hij steekt, vor het heengaan, den Tak recht vor de poort van de Onderwereld. De schoone Noorsche God Balder, was de lieveling der Azen; en Freya en Odin deden alle elementen, alle dieren en Planten, alle vergift en ziekte | | ^(1)^ Men kent het Latijnsche spreekwoord: Turdus Ipse sibi malum cacat, dat, | verklaard, beteekent: de lijster eet de Marentakbessen, drijft het Zaad met haar | mest naar buiten op den Boom. waar het vastkleeft en schiet, en opnieuw | Bessen voortbrengt; uit deze Bessen neemt de Vogelaar de lijm, waarmede hij de | lijster vangt, zoodat deze de oorzaak van haar eigen verderf is. | zweren dat zij nooit den lieven Balder zouden schaden. Maar oostelijk van Walhalla groeide, op eenen Boom, de Marentak en hij verschool zich heimelijk onder 't dichte loover: zoo werd de Heester vergeten en hij legde gemelden eed niet af. De booze Loki wist dit. Op eenen dag verlustigden zich de goden met naar den onwondbaren Balder pijlen en schichten en steenen te werpen, en zij kapten naar den lieveling met het snijdende zwaard. Loki sneed den Twijg van de Mistel -- zoo heet nog de Marentak -- en vervormde hem tot scherpe speer; hij gaf deze den blinden Hdur, richtte dezes hand in 't werpen en Balder viel, door de Mistel getroffen, doodelijk gewond neder. Sedertdien gold de Marentak als een werktuig van den Booze en werd hij, door Toovenaars en Heksen, in hun mysterieus en onheilvol werk benuttigd. Zie over deze Edda sage en derzelver verklaring, mijn Plantenkultus. Het schijnt ook, voor velen, dat de Tooverroede van Odin -- zijn `Wunsch', `van goud een roedelijn' -- de Marentak was. Door aanraking met die Marentakroede vielen Brunhilde en de heele natuur in doodslaap. Zie 't Nevelingenlied; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 78. -- en mijne Plantensagen (die, hoop ik, eerlang zullen verschijnen). Albertus Magnus (Mag.~ nat.~ 75) beweert dat de Chaldeers dezen Heester `Luperax' en de Grieken hem `Elisena' heeten: dat hij in de Boomen groeit, die doorboord zijn; en dat men, als men het bij een ander Kruid, met name `Sylphium'^_(1)_^ voegt, het alle sloten kan openen. Hangt men den Marentak, met een zwaluwvleugel, aan eenen Boom, zoo zullen al de vogelen van twee uren en half in den omtrek er zich vergaderen. "*" Lobelius (blz.~ 776) zegt nog dat `Heydensche Walsche priesters en Philosophen' dikwijls met Eik en Eikenmarentak `propheteerden'. Hij voegt er bij dat de Alchimisten den Geest der Plant zeer begeerden, doch dat deze `mysterien ende secreten den ghemeynen lieden niet en behooren gheopenbaert te worden'. In Valence (Fr.~) durft men de Appelen niet eten, die op eenen Appe- laar^_(2)_^, die Marentak draagt, gerijpt zijn. (Roll.~ VI, 236). Doch de Marentak was ook een heilaanbrengende Plant; want Heksen- planten waren vaak Heilkruiden._ Niet zeer verre van den Marentak staan de uitheemsche Bala- nophoraceen en tot deze familie behoort een Kongoleesche Schuimplant, die in 't Mayombsch `Dilandu' (of `Ma-dilandu') heet. _Deze `Dilandu' is een `Nkisi-plant', dat is, zij wordt ais fetisch en toovermiddel aangewend. (Bittremieux, 133)._ | | ^(1)^ Sylphium is, naar Sprengel, Ferula scorodosma Benth.~ et Hook.~, de Plant | die Duivelsdrek levert. ` Luperax' en `Elisena' kan ik niet identificeeren. | | | ^(2)^ Malus communis Poir. | 13. Netelachtigen (of Urticaceen). De Bergolm^(1)^ heet. in Engeland. `Witch-Elm' d.i.~ Hek- senolm. _Withering, Brit.~ Bot. Waarom?_ Ook gebruikten Toovenaars, voor hun Heksentoertjes, gewone Netelen^(2)^. _Zij deden Netels bij Vijfvingerkruidsap^_(3)_^. bestreken er zich de handen mee, en wierpen de rest van 't mengsel in 't water en hielden hierin de handen; zoo vingen zij gemakkelijk al de visschen die er in waren; trokken zij echter de handen uit het water. dan gingen de visschen op hun vroeger plaats terug. (Mag.~ nat.~ 71). Wie Netels met Duizendblad^_(4)_^ in de hand houdt, kent geen schrik en vreest geen Spook. (Idem). Om te weten of een zieke genezen zal of sterven, nemen de Tooverdoctors zijne pis en leggen er, gedurende 24 uur, Netelblaren in: verslensen deze niet, er is geen stervensgevaar; verslensen zij wel, dan beteekent dit dood of lang- durige. zware ziekte. (Idem, 226). "*" Hennen die voedsel met Netels te eten krijgen, leggen den heelen winter eieren. (Dod.~, 225)._ Bij graven zochten Heksen den wilden Vijgeboom^(5)^. _This.~ 64; beneden den heelen tekst bij Hoornheul. De Magirs gebruikten, voor hun magisch Donderdagwerk, kransen en kronen van Vijgeboom. (Lvy, H.~ M.~ 119; vgl.~ Katjesdragers)._ Met Kempzaad^(6)^ kon men wondertoeren verrichten. _Als gij wilt dat al die in de kamer zijn, zonder hoofd schijnen, neem pulver van `levende solpher / ende Kempsaet', meng het ondereen, doe het in een lamp, ontsteek ze en doof alle ander licht uit._ 14. Ganzevoetachtigen (of Chenopodiaceen). De Ganzevoeten^(7)^ zijn Heksenkruiden. _Perger, 176; Grimm, D.~ M.~ 1164). Zij staan in verband met Kabouters en Kobolden. (Z.~ald.~)._ | | ^(1)^ Ulmus montana Willd. | | | ^(2)^ Urtica dioica L.~ en ook wel U.~ urens L. | | | ^(3)^ Potentilla reptans L. De Leidensche uitg.~ zegt: `met het sap van Semper | viue': hier wordt bedoeld Donderbaard (Sempervivum tectorum L.~). | | | ^(4)^ Achillaea mlllefolium L. | | | ^(5)^ Ficus carica L. | | | ^(6)^ Cannabis sativa L. | | | ^(7)^ Vooral Chenopodium album L. | 15. Duizendknoopachtigen (of Polygonaceen). De Maankruidachtige Zuring^(1)^ (uit Savooie, zegt Lobelius; van de Kanarische Eilanden, zegt Persoon) moet, naar den naam te oordeelen, een magisch Kruid zijn. _`Lunaria Magorum Arabum, Maen-cruydt van de Wijse van Arabi'. Aldus Lobelius, 984-5._ 16. Anjelierachtigen (of Caryophyllaceen). Grasmuur of grasachtige Sterremuur^(2)^ is een, in Europa wijd verspreid wit Bloempje. In Rusland heet het: `Ourotchnaia trava' d.i.~ Tooverijplant. _Roll.~ Fl.~ pop.~ III, 46._ De witte Avond-Koekoeksbloem^(3)^ stond met de Walkuren, thans tot ia de lucht varende Heksen afgedaald, in verband. Loni- cerus heet ze `Walckerkraut'. _Zooveel als Walkurenkruid. (Pritz.~ u.~ Jess.~). -- Zie voor de mutatie van Walkuren tot nachtelijke Heksen en Maren, Herrmann, D.~ M.~ 405. In 't Hertogdom Oldenburg noemt men ze`Ddenblume' d.~ i.~ Dooden- bloem: wie Witte Koekoeksbloem plukt, zal weldra sterven of een bloedverwant verliezen. (Roll II, 245; Strackerjan). -- Een gelijkend volksgeloof bestaat in Cumberland (Eng.~; Roll.~ l.~ c.~; Britten u.~ Holland)._ 17. Mirtachtigen (of Myrtaceen). De Magir benutte, voor zijn magisch Donderdagwerk, Gra- naatkransen en -kronen^^. _Lvy, H.~ M.~ 119; vgl.~ boven Katjesdragers._ En, voor zijn magisch Vrijdagwerk. de Mirt^(5)^. _Lvy, H.~ M.~ l.~ c._ 18. Basterdwederikachtigen (of Oenotheraceen). De Ouden gebruikten de Wilgeroosjes^(6)^ als magische Planten. | | ^(1)^ Rumex lunaria L. | | | ^(2)^ Stellaria graminea L. | | | ^(3)^ Melandrium album L. | | | ^(4)^ Punica granatum L. | | | ^(5)^ Myrtus communis L., | | | ^(6)^ Epilobium-soorten. | _Zij heetten deze gemeene Kruiden Oenothera (naam die men later op Oenothera biennis L.~, een verwante, in 1614 uit Virgini ingevoerde Bloem, overgebracht heeft), omdat hun sap, met wijn ingegeven, de wilde dieren tam en zachtmoedig maakte. (Prahn, 45; Kannegiesser; Blanc.~ Lex.~ i.v.~ Onagra)._ Ook het in alle boschjes zoo gemeene Circea-kruid^^ was een Tooverplantje. _De naam Circaea bewijst het. (Z. beneden Circaeakruiden). In Fr.~ heet men dat `Herbe aux Sorcires'. (Gillet et Magne, Fl.~). Bij DB is het een Doolkruld, een kruid dat den persoon welke er op trapt, doet verdolen._ 19. Vlasachtigen (of Linaceen). De Heksen spinnen wel eens het Vlas tot garen: indien een meisje onbezonnen genoeg is om, 's Zaterdagsavonds, Vlas^(2)^ op haar spinrokken te laten, komen de Heksen en spinnen in hare plaats voort -- maar 't is Heksenlinnen. _Perger, 193._ Heksen betooveren soms het Vlasveld: het ziet er dan uit als stroomend water, vooral als lichte wind er over waait. _Idem._ 20. Maluwachtigen (of Malvaceen). Maluwe en Heemst behoorden tot de Tooverflora. _Om iets heet of gloeiend, zonder eenig letsel in de bloote hand te nemen, gebruikten de Toovenaars kalk in een weinig Boonenwater^_(3)_^ opgelost; zij deden er Maluwe^_(4)_^ bij en bestreken er mee den palm van de hand (Albertus Magnus, Boeck der Secreten E VIIJ verso, editie van Leyden); ofwel zij mengden Witte Maluwe of Heemst^_(5)_^ en overwreven er de hand mee; ofwel het sap van Heemst (ook Bismalve genoemd) "+" wit van een ei "+" semen Psillij^_(6)_^ "+" gestoo- ten kalk "+" sap van Radijs^_(7)_^: aldus konden zij in het vuur gaan en gloeiend ijzer vastnemen (id)._ | | ^(1)^ Circaea lutetiana L. | | | ^(2)^ Linum usitatissimum L. | | | ^(3)^ Vicia faba L. | | | ^(4)^ Malva silvestris L. | | | ^(5)^ Althaea officinalis L. | | | ^(6)^ Plantago psyllium L.~, het Vlooienkruid; in Mag.~ Nat.~ staat `Graine de | Persil'. | | | ^(7)^ Raphanus sativus L. | 21. Ruitachtigen (of Rutaceen). De gemeene Hofruit^(1)^ is bekend als Heilkruid, doch tevens als Tooverkruid. _"*" Niettegenstaande al hare goede eigenschappen en deugden had de Ruit vooral een groote `hindernisse', zegt Dodoens (168): `soo is het te weten, dat sy ghehouden wort voor een groot beletsel van de generatie oft vleeschlijcke versamelinge'. En 't was misschien tot zulk noodlottig doel dat de Heksen het in hunnen Tooverketel lieten zieden. De Dinsdag is een dag gewijd aan de werken van gramschap en kastijding. De Magir moet dan een vuur-, roest- of bloedkleurig kleed dragen met stalen gordel en armbanden; de tiara moet met ijzer gebonden zijn; men mag de wichelroede niet gebruiken, enkel den tooverdolk en het zwaard; de kransen zijn van Alsem^_(2)_^ en Ruit, en aan den vinger heeft men een stalen ring met een amethyst als edelsteen. (Lvy, H.~ M.~ II, 118)._ 22. Balsemboomachtigen (of Burseraceen). De Magir gebruikt, voor zijn magisch Zondag- en Donder- dagwerk, Mannelijke Wierook als rookwerk. _Lvy, H.~ M.~ II, 117; z.~ boven Katjesdragers. Wierook is Hars van den Wierookboom^_(3)_^. `Een soorte daer van heet in 't Arabisch of Indiaensch Melato; in 't Latijn Tus masculum, dat is Wieroock manneken; die eygentlijck ende van self rondt is / ende de beste van allen / wit alsse ghebroken wordt / ende binnen wit / ende terstondt brandende alsmense op kolen leght'. (Dod.~ 1367)._ 23. Schermbloemigen (of Umbelliferen). De Scheerling^(4)^, een onzer hevigste Giftplanten, werd door de Tooveressen opgezocht en geplukt, en tot Hekserij gebruikt. _This.~ 64 (naar Ben Jonson's Masque of Queens); -- Shakespeare (Mac- beth, IV, 1). Twee wondertoertjes: Om personen met elkaar te doen vechten vermengde men de hersens van eenen Arend met het sap van `Scherlinc' en liet het drinken. (Alb.~ Magnus, C IJ, recto). -- En om vogelen te vangen `metter hant' wierp men hun tot voedsel eenig Zaad geweekt in wijn en in Scheerlinksap. (Id.~ E IIIJ, verso)._ De Kruisdistels^(5)^ hadden een wonderbare kracht: zij deden de geiten stom en verbaasd stilstaan. | | ^(1)^ Ruta graveolens L. | | | ^(2)^ Artemisia absinthium L. | | | ^(3)^ Boswellia sacra Flck, en ook B.~ carteri. | | | ^(4)^ Conium maculatum L. | | | ^(5)^ Eryngium maritimum L.~ en E.~ campestre L. | _Plutarchus getuigt: zoo een geitje, bij toeval, een Blad van Eryngium in den muil neemt, zoo zal het eerst, en na haar de heele kudde die daar omtrent is, stil en verbaasd blijven staan; en dat zal, zoolang duren tot de herder er bij komt en het Wonderblad het geitje uit den mond neemt. Z.~ nog Lobelius, II, 24: hij zegt dat de Grieksche Philosophen meenen dat Eryngium zooveel is als een `opruspinge', omdat de geit die een taksken ervan afgebeten en ingeslikt heeft, de heele kudde doet stilstaan, alsof zij verbaasd ware en zoo lang tot zij door `opriptsenen' het Eryngium weer uitgeworpen heeft. Blancardus (Lex.~), onder meer andere, geeft ook deze etymologie die niettemin onzeker is. Z.~ Leunis en Kannegiesser._ De Magir gebruikt, voor zijn magisch Zondagwerk, als reuk- stof, Duivelsdrek^(1)^ of Asa foetida. _Lvy, H.~ M.~ II, 119. Vgl.~ beneden Windeachtigen._ 24. Geitebladachtigen (of Caprifoliaceen). Vlierboom^(2)^ is een Heksenplant: daarom mag men, indien men alle onheil wil voorkomen, zijn Hout niet verbranden. _Aldus in Thuringen. (Wuttke, 95). Zie nog een Vliersage bij Meier, n"r" 19, p.~ 27. Over Vrouw Ellhorn, z.~ beneden. Op het Eichsfeld (Duitschl.~) waarschuwt men de lieden tegen het ver- branden van Vlierhout, dewijl zulke daad al de hoenders van het huis zou doen sterven. (Puger, 260)._ Onder sommige Vlierboom en zit een onheilvoorspellende, spokerige Hen -- natuurlijk eene Heks. _Aldus te Ochtersum. (Seifert, II, 165; Perger, 260)._ De zoogenaamde Vlierolie had wonderkrachten. _Vlierolie met kwikzilver en bloed in een zwarte lamp gebrand, vervormt den mensch in moor; -- gebruikt men een groene lamp met Vlierolie en een lemmet gemaakt van een stuk van een doodkleed dat besmeerd is met eenig gesmolten vet van een zwarten hond en drie staartharen van hetzelfde beest, dan zullen de menschen schijnen te zijn Geesten `in een leelijck ende vreeslijck maecsel'; neem het vet van een serpent met zout en een doodkleed in vier stukken gesneden, doe in elk stuk wat van dit vet en maak vier lemmetten, doe deze in vier nieuwe lampen met Vlierolie en ontsteek ze in de vier hoeken van den huize, het geheel huis zal vol serpenten schijnen. (Alb.~ Magnus, E VJ, verso; E VIJ, recto; F J, verso)._ | | ^(1)^ Scorodosma asa-foetida Bunge. | | | ^(2)^ Sambucus nigra L. | 25. Valeriaanachtigen. De Valeriane^(1)^. een echt Heilkruid nochtans, heet `Hexen- kraut' ("=" Heksenkruid. _Aldus in Gttingen. (Pritz.~ u.~ Jess.~; Salomon-Voss)._ De verwante Keltische Valeriane^(2)^ heeft den naam van `Hexenrauch' ("=" Heksenrook). _Pritz.~ u.~ Jessen._ 26. Wolfsmelkachtigen (of Euphorbiaceen). De Tournesol-plant^(3)^ wordt. door den Magir. tot altaar- en driepikkelkrans in zijn magisch Zondagwerk aangewend. _Lvy, H.~ M.~ 117. Tournesol is de Lakmoesplant uit Zuid-Europa. Picke- ring, 98, zegt dat Crozophora villosa een Magirplant is._ In zijn Woensdag arbeid benuttigt de Magir het gewone Bingelkruid^(4)^. _Lvy, H.~ M.~ II, 118._ 27. Olijfachtigen (of Oleaceen). Voor zijn magisch Vrijdagwerk gebruikt de Magir Olijfguir- landes^(5)^ en voor Zaterdagwerk Eschkransen^(6)^. _Lvy, H.~ M.~ II, 119._ 28. Kaardebolachtigen (of Dipsaceen). De gewone Kaardebol^(7)^ wordt wel als een Heksenplant be- schouwd. _Zij moet hiertoe geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag van de maan en onder Tarwe^_(8)_^ of Gerst^_(9)_^ bewaard worden. (Legran, Sci.~ et Magie, 20). | | ^(1)^ Valeriana officinalis L. | | | ^(2)^ Valeriana celtica L. | | | ^(3)^ Crozophora tinctoria L. | | | ^(4)^ Mercurialis annua L. | | | ^(5)^ Olea europaea L. | | | ^(6)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(7)^ Dipsacus fullonum L.~; en ook wel D.~ silvestris L. | | | ^(8)^ Triticum vulgare L. | | | ^(9)^ Hordeum vulgare L. | Neem Kaarden en week ze in Mandragorasap^_(1)_^; geef ze aan een teef of eenig ander vrouwelijk beest: zij zal daardoor zwanger worden en een jong van hare soort voortbrengen. Neem nu een maaltand van dat jong en raak er mede vleesch of wijn aan: zij die er van eten of drinken zullen, zullen kijven of vechten. Zij zullen opnieuw vreedzaam worden, indien men hun Verbenasap ingeeft. (Mag.~ nat.~ 71-2). Naar de Nederl.~ vertaling van 't zelfde boekje (1551?) geeft men aan de vechtenden te drinken `tsap van Amantille, dat is Valeriane^_(2)_^'. In Silezi heet de Kaarde `Walckerdistel' "=" Walkurendistel en werd alzoo tot de heksachtige Walkuren gebracht. (Pritz.~ u.~ Jess.; naar Mattuschka, Fl.~ Sil.~)._ 29. Sleutelbloemachtigen (of Primulaceen). Op sommige plaatsen van Duitschland heet het mooie Alpen- klokje^(3)^ `Beschreikraut' d.~ i.~ Tooverkruid of Kruid waarmede men `beschreit' ("=" betoovert). _Aldus te Lungau. (Pritz.~ u.~ Jess.~)._ De Grieken dachten dat de gemeene Wederik^(4)^ een Hek- senkruid was. _`Van daer zijn sommighe die meynen / dat het soo ghenoemt is' -- nl.~ in 't Grieksch `Lusimakion' -- `omdat de Ouders in Griekenlandt, door eenighe valsche ende ijdele meyninghe oft superstitie, gheloofden, dat dit cruydt, door sijne verborghen ende heymelijcke eyghentschap, kracht hadde om den twist van de dieren te slissen ende op te doen houden, besonder van het Vee; als van Ossen ende Schapen, ende oock van de Bien, maer alleenlijck tusschen den hoop gheworpen zijnde'. (Dod.~ 115). Vgl.~ den tekst uit Plinius bij Kannegiesser._ 30. Gentiaanachtigen. Het Duizendguldenkruid of de kleine Santorie^(5)^, een gemeen bittersmakend, roodbloemig Kruid, behoorde tot de Toovenaars- flora. _Toovenaars vermengen Duizendguldenkruid -- naam die door geleerden volksetymologisch gevormd is naar Lat.~ Centaurium (lat.~ centum, honderd, aurum, goud; dus eigenlijk Honderdguldenkruid) -- met het bloed eener wijfjes- hop en gieten dat, met olie, in een lamp. Indien zij deze doen branden, meenen al de aanwezigen dat zij Toovenaars geworden zijn, want zij zien elkander met | | ^(1)^ Atropa mandragora L. | | | ^(2)^ Valeriana officinalis L.~ of V.~ phu L. `Amantille' heb ik op geen ander | plaats gevonden. | | | ^(3)^ Soldanella alpina L. | | | ^(4)^ Lysimachia vulgaris L. | | | ^(5)^ Erythraea centaurium L. | de voeten omboog en het hoofd omlaag! Werpt men een deel van dat mengsel in een vuur, als de sterren blinken, dan meenen deze personen dat zij achter elkander loopen en tegeneen botsen. Raakt men met kleine Santorie den neus van een persoon, zoo wordt deze zoo bang dat hij, uit alle macht, wegloopt! (Mag.~ nat.~ 75). Op hetzelfde volksetymologiscb geloof steunt het volgende gebruik: Op St.~ Jansdag gaat men stilzijgend het Duizendguldenkruid zoeken, men plukt het als de klok middag luidt, steekt het in de geldtasch: men vindt er 't gansch jaar geld. Aldus in de omstreek van Falkenau (Engeland). Marzell, 130. In Opperfranken (streek van Bayreuth) legt men de bloem in den spaarpot met dezelfde bedoeling.. `Mesue betuyght dat kleyne Santorie, geworpen in eenen siedenden hutspot, de stucken vleesch wederom vast maeckt' ^_(1)_^. (Dod.~ 543)._ 31. Maagdepalmachtigen (of Apocynaceen). De blauwe Vinkoorde of Maagdepalm^(2)^. die van onder het lage gestruik in de vroege lente ons zoo vriendelijk tegenlacht, hangt met Hekserij samen. Want in Frankrijk noemt men ze `Herbe la Sorcire' ("=" Tooveressekruid) en `Violette des Sorciers' ("=" Toovenaarsviooltje). _Z.~ Baillon, Dict.~; Roll.~ VIII, 31. De Magie Naturelle, 73, maakt ons met de volgende Heksentoertjes bekend: Werpt men Vinca met solfer in eenen vijver, zoo moeten er al de visschen sterven; -- geeft men Vinca aan eenen buffel, hij zal in 't midden openbarsten; -- werpt men Vinca in het vuur, zoo zal dit blauw- achtig glinsteren. Vinkoorde was echter veeleer Heilkruid; z.~ beneden. Daartoe was het noodig dat zij geplukt wierde van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en onder Tarwe^_(3)_^ of Gerst^_(4)_^ bewaard bleve. (Legran, Sci.~ et Magie, 30). Doch zulks was een algemeen voorschrift bij het plukken van magische en geneeskundige Kruiden. Men leest in de Ndl.~ vertaling 1551?) van Liber aggregationis (1"e" uitg.~ 1477) aan Albertus Magnus (z. beneden) toegeschreven: `Nochtans die voor- seyde Cruyden suldy vergaderen, van den drieentwintichsten dach der Manen, tot den dertichsten, van dye ure van Marcurius beghinnende, ende die gheheele ure der daghen wtgravende. Ende dan suldy oock mentie maken van die pijne (dat is te segghen) ghi sult de passie oft het stuck noemen waeromme dat ghijse wt graeft, oft dat ghijt vergadert, ende dan neemt dat cruyt, maer ghy sult het legghen op Terwe, oft op garste, ende dan gebruycket tselve daer na tot uwen wercke'._ | | ^(1)^ Hetzelfde wordt gezegd van Donderbaard (Sempervivum tectorum L.~), | van Sanikel (Sanicula europaea L.~) en van Alpen-Berenwortel (Meum mutellina | Gaertn.~). Marzell, 128. | | | ^(2)^ Vinca minor L. | | | ^(3)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(4)^ Hordeum vulgare L. | 32. Styraxachtigen. De Magir gebruikt bij zijn Woensdag arbeid. als reukwerk, Benzoin en Storax en bij zijn Donderdagarbeid. gewonen Balsem. _Lvy, H.~ M.~ 118 en 119. Vgl.~ Lelieachtigen en Katjesdragers. Benzoin is de aromatische Hars van den tropischen Benzoinboom^_(1)_^; -- Storax is de Balsem van den Oostersehen Storaxboom^_(2)_^, vroeger althans, want nu wordt de com- mercieele Storax door verscheidene Liquidambar-soorten geleverd (z.~ Plataan- achtigen, boven); -- Gewone Balsem, nog Mekka-Balsem en Balsem van Gilead geheeten, vloeit uit de schors van den echten Balsemboom._ 33. Bernagieachtigen (of Borraginaceen). Onder de magische Kruiden rekent men de Europeesche Zon- newende^(3)^. _Zonnewende moet geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en onder Tarwe^_(4)_^ of Gerst^_(5)_^ bewaard worden. (Legran, Sci.~ et Mag.~ 30). Bij het magisch Zondagwerk wordt zij gebruikt om er de kransen van het reukaltaar en den driepikkel van te maken. (Lvy, H.~ M.~ II, 117). Z.~ boven Laurierachtigen. `Die Nigromantisten' heeten den groensteen Heliotroop `Gemma Babi- lonicum'; en om de zon te doen schijnen gelijk bloed, zalven zij dezen steen met het sap van het Kruid Heliotroop en doen hem in een pot vol water: dit begint te zieden en de dikke rook maakt den zonneschijn bloedig. (Alb.~ Magn.~, B V, recto)._ Op hetzelfde tijdstip moet de Hondstong^(6)^ geplukt en insge- lijks onder Tarwe of Gerst bewaard worden. Hondstong is eveneens een Heksenkruid. _Legran, o.~ c.~ -- Z.~ boven Heksenzalf. Heksenmeesters legden, op om het even welke plaats, Hondstong met het hart en de baarmoeder van een kikvorsch: al de honden van den omtrek kwamen op die plaats samen. En om de honden te beletten te bassen droeg men dat Kruid onder den grooten teen; en hing men het aan den hals van den hond, zoo moest deze immer ronddraaien tot hij stierf. (Mag.~ Nat.~ 73-4)._ 34. Windeachtigen (of Convolvulaceen). De Zaterdag is een Saturnusdag en de dag van magische | | ^(1)^ Styrax officinalis L. | | | ^(2)^ Amyris giliadense Kunth. | | | ^(3)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(4)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(5)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(6)^ Cynoglossum officinale L. | rouwwerken. De Magirs gebruikten voor hun magischen arbeid van dien dag, de Purgeerwinde^(1)^ en het Diagridium als reuk- stoffen. _Lvy, H.~ M.~ II, 119. Diagridium is eigenlijk het melksap van deze Purgeer- winde, met verzachtende stoffen vermengd. Den Zaterdag draagt de Magir een zwart of bruin kleed met letters van geborduurde oranjekleurige zijde; hij heeft, rond den hals, een looden medalje met Saturnus'~ kenteeken en deze Tooverwoorden: Almalec, Aphil, Zarahil. De reukstoffen zijn, behalve Scammonea en Diagridium, Aluin, Solfer en Asa foetida^_(2)_^; de guirlandes zijn van Esch^_(3)_^, Cipres^_(4)_^ en Zwart Nieskruid^_(5)_^; de vingerring draagt een onyx en op deze onyx wordt gegrift een dobbel Janus- hoofd met den gewijden stift en op de uren van Saturnus. (Idem)._ 35. Nachtschaadachtigen (of Solanaceen). Deze Plantenfamilie bevat veel Giftplanten, waarvan menige een beduidende rol in de Tooverij hebben gespeeld. De beroemdste was de Alruin^(6)^ -- een uitheemsch Kruid dat, in de landen rond de Middellandsche Zee, vooral in Griekenland, in 't wilde groeit. Onze oude Botanisten spraken van twee soor- ten -- eigenlijk twee variteiten van dezelfde soort -- het Man- dragora-Manneken^(7)^, met kogelvormige, gele Bessen en groen- witte, daarna blauwachtige Bloemen op grondstandige Stengels; en het Mandragora-Wijfken^(8)^ met langere, peervormige Bessen. Alruin was (en is) een Heksenkruid, een Tooverwortel, een Circaea-plant. _Hgd.~ `Hexenkraut' (Pritz.~ u.~ Jessen; Salomon-Voss; Rel.~ u.~ Bohnh.~; Prahn). Ndl.~ Tooverwortel (Delathouwer) en Hgd.~ `Zauberwurz' Pritz.~ u.~ Jess.~), Gr.~ `Kirkaia', Lat.~ `Circaea' (Dod.~). Bertoloni (1775-1869) brengt, in zijn Flora italica, de Mandragora der Ouden, (Atropa mandragora van Linnaeus) tot drie soorten: Mandragora offici- narum of het Wijfken, Mandragora vernalis of het Manneken en de kleinbessige Mandragora of M.~ microcarpa. De Wortel van Alruin heeft vaak een zeer ongewone gedaante: hij is | | ^(1)^ Convolvulus scammonea L. | | | ^(2)^ Scorodosma asa-foetida Bunge. | | | ^(3)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(4)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(5)^ Helleborus niger L. | | | ^(6)^ Atropa mandragora L. | | | ^(7)^ Mandragora vernalis Bert. | | | ^(8)^ Mandragora officinarum Bert. | groot, beetvormig, zwartachtig (echt Manneken) of witachtig (het Wijfken), en hij is, in 't midden der lengte, naar onderen toe, in tween verdeeld `schier ghelijckende het onderste lijf met de twee beenen. Daer van segghen sommighe dat het Man draghen ende niet Mandragora behoorde te heeten'. In Dodoens vindt men deze volksetymologische verklaring. En Blancardus (Lex.~) noemt het hiernaar Mandragers-kruid en schrijft: `Alii derivant Belgico sermone, quasi Man et Dragen ac si diceres virigeram, hominigeram: idque ob radicls for- mam, quam arte viri instar fingere norunt'. Want zegt hij nog: `radix fere hominem refert, inferne duo crura habet, et si superne leviter vulneretur ab utroque latere, tum excrescunt quasi brachia, et tum superne faclle in caput formari potest, unde dicunt autores esse hominem subterraneum ob quam causam vocarunt, quidam Anthropomorphon, Anthropos, homo, et morph, figura, quasi figura hominis'. De twee beenen werden door de natuur gevormd, doch de twee armen en het hoofd werden op kunstmatige wijze door deze gewaande Toovenaars teweeggebracht, zooals uit Blancardus'~ schrijven genoegzaam blijkt. -- Pythagoras heet de Plant reeds Anthropomorphas, zegt Dodoens (749) `als den mensch wat gelijck wesende'. -- Columella heeft nog de benaming `Planta semi-hominis' ("=" Halfmensch-plant). -- Blancardus zegt ook dat het den naam Mandragers-kruid verdient te dragen, omdat het onvruchtbare vrouwen vrucht- baar maakt. Doch de echte aflelding van Mandragora schijnt te zijn: Gr.~ mandra, stal, veestal, en ageiro, ik verzamel, omdat Alruine, door hare Wonderkracht de veekudden samenhield. (Leunis, II, 587). -- Van Ravelingen (Dod.~ l.~ c.~) geeft reeds dezelfde aflelding, doch met ander verklaring: `Sy heeten Mandragora int Grieks / om datse gheerne wassen op de plaetsen daer Peerden ende Ossen stallen / te weten in donckere holen ende schaduwachtighe gewesten'. Zie over de etymologie nog Lobelius en Blancardus. Kannegiesser geeft eerst Leunis'~ af- leiding, doch zegt daarna: `of van mandra in de bet.~ stal, hof, een kruid dat rond de hoeve wast'. Kannegiesser heeft nog twee andere etymologies: het is een persoonsnaam Mandragoras, die zelf van Mandras, den naam van een Klein- aziatischen Heilige zou komen Evenwel is voor hem het waarschijnlijkste dat. Mandragora het Perzisch Merdum-Giah ("=" Menschenplant) is. Dus: onzekere gissingen! Wat den naam Gr.~ Kirkaia, Lat.~ Circaea betreft, zie beneden Circaea- planten. Ndl.~ Alruin, Alrun, Alru (Dod.~), Mnl.~ Alrne. hgd.~ Alraun, Gotisch (naar Jordaens) Haliuruna, schijnt de oudste Germaansche benaming te zijn. -- Franck- van Wijk: `Waarschijnlijk uit het Duitsch: ohd.~ os.~ alrne v.~ (nhd.~ alraun, v.~ m.~), eig.~ de naam van een voorspellenden geest, die volgens 't volksgeloof uit den wortel gesneden werd. Het tweede lid is germ.~ "*" rn v.~ got.~ rna, on.~ rn, mnl.~ rne (zeldzaam), ohd.~ os.~ rna, ags.~ rn v.~, geheim, geheim(zinnige), beraadslaging, vertrouwelijk gesprek, runenstaafje'. -- Vercoullie: `het eerste deel der samenstelling is wellicht adel "=" edel; het tweede is wellicht rna "=" ge- heim; het geheel kan beteekenen: waarzegster, toovergeest, een naam dien de plant verdient om haar wondere krachten en den vorm van haren wortel'. -- Weigand: `Mhd, die alrne, ahd.~ die alrna, alrn, ursprngl. "=" weissagender teuflischer Geist, ist Name der genannten Pflanze, weil nach dem Aberglauben jenes kleine weissagende Wesen aus ihr geschnitten wird. Grimm.~ Myth.~ 376. Zusammeriges. mit ahd, die rna "=" Geheimnis, geheimnisvolles Zuflistern'. -- Zw.~ alruna "=" waarzegster, zegt Kannegiesser, 111, en de Wortel van Mandra- gora heet Alraun, naar de hem toegeschreven magische kracht. -- Vgl.~ hiermee Leunis, 588: `De Ouden verstonden onder den naam Alrunen een soort van waarzeggende Priesteressen Witte Vrouwen of Heksen die, barvoets, met han- gende haren en in hun linnen hemd rondliepen en uit het bloed der krijgsgevan- genen de toekomst voorspelden'. -- Tacitus (Germ.~ 8 en Hist.~ IV, 61, 65, V, 22, 24) gewaagt van de bij de Germanen vereerde Waarzegster Aurinia, `Handschriftlich Aliruna, Aljaruna "=" die anders, unverstndlich Redende' zegt Paul Herrmann (D.~ M.~, 480), doch hij beweert dat men daarvoor Albrna moet lezen, d.~ i.~ `das mit der Runenkraft der Elbe, das mit Zaubermacht und Weissagung begabte Weib'. Op een andere plaats (p.~ 126) verklaart dezelfde Mytholoog (naar Wackernagel): `Albrna ist die mit der Zauberkraft des Elbe begabte'. J.~ Grimm vereenzelvigt met hgd.~ Alraune, ndl.~ Alruine, d.i.~ zegt hij, de Alwetende. Na de opkomst van het Christendom werden de Alruinen daemo- nische Wezens en men vertelde van hen alle mogelijke Duivelarijen. Van toen af bleef de Alruine geen bovenaardsche en welwillende vrouwelijke Geest, maar zij werd een booze Galgeplant, ontstaan uit het zaad van den opgehangene. (Vgl.~ Shns, 93-4). "*" Deze manvormige Wortel gaf nog de Ndl.~ namen: Aard- of Eerdman- neken; -- Geld- en Geluksmanneken: de drager van Mandragora werd rijk en had veel geluk; -- Galgenmanneken (in Vlaanderen eenvoudig Manneke of Menneke, Poppeke en Galgenaas): omdat, naar 't gemeen volksgeloof, het Kruid groeide op de Galgevelden; de Zigeuners en Tooverkonstenaars beweerden dat het Kruid ontstond uit de pis of het zaad der opgehangenen; vandaar nog de vroegere naam Pisdiefje en (bij Holl) `Pissedieb' (Pritz.~ u.~ Jess.~). Z.~ beneden Galgepianten. "*" Mandragora heet ook Doolwortel, misschien een volksetymologische vervorming van Dolwortel, omdat men meende dat zij liefdevol maakt. Zie beneden. Dodoens (z.~ boven Hanevoetachtigen) dacht dat de `Baaras' van Josephus onze Pioen^_(1)_^ is. Velen echter vereenzelvigen de `Baaras' met de Mandragora; o.a.~ Matthiolus (Comm.~, 602). Ziehier overigens de woorden zelve van Josephus (l.~ 7, c.~ 25 van zijn Joodsche Oorlogen): `In de vallel die noordwaarts de stad omringt, is er eene plaats genaamd Baaras, waar groeit een Wortel van denzelfden naam, die eene kleur als vuur heeft en 's avonds glinstert als de stralen van de zon. Men komt er moeilijk bij en rukt hem even moeilijk uit; want hij vlucht verder en blijft enkel staan, indien men vrouwepis of maandstondenbloed er op gegoten heeft. Indien iemand hem aanraakt, moet hij zeker sterven, zoo hij hem niet, aan de hand hangende, draagt. Men neemt hem zonder gevaar als volgt: Men doet er rond de aarde weg, zoodat maar een klein deel der Plant nog in de | | ^(1)^ Paeonia officinalis L. | den grond blijft; men bindt aan den Wortel eenen hond die, zijnen meester willende volgen, den Wortel licht uittrekt; onmiddellijk sterft de hond in de plaats van zijnen meester die hem zou hebben uitgerukt. Van dit oogenblik kan men den Wortel zonder gevaar in de hand nemen. Men trotst al die gevaren ten einde dezen Wortel te bezitten, en dat wel om een enkele kracht die hij heeft: want deze Wortel op het lichaam gelegd, verjaagt de Booze Geesten, welke ook de Geesten der slechte personen zijn, die de levende lichamen bezitten en doen sterven, zoo men geen hulpe biedt'. Een Latijnsche schrijver der 9"e" eeuw (z.~ Anzeiger van Mone, III, 202) wijst insgelijks op de gevaren welke den uitrukker van Mandragora bedreigen: `Mandragoras ostendit similitudinem feminae et dicitur, qui eam eradicat, non posse vivere'. (Roll.~ VIII, 123). -- Te Weenen berust een handschrift van 't werk van den Griekschen Botanist Dioskorides (5"e" eeuw); hierin vindt men eene afbeelding van de Godin der Ontdekking, die aan Dioskorides den Wortel van Mandragora (van menschelijke gedaante) toereikt; er naast ligt te sterven de ongelukkige hond die zij gebruikt heeft om den Tooverwortel uit te rukken. (This.~ 317-18). Eene Armenische sage leert ons dat Mandragora een vervloekte leerling is en zij verklaart tevens waarom hij die ze uitrukt, moet sterven: Een leerling- dienaar, met name Loshtak, was in dienst van een bisschop, die, jegens hem, al te ruw handelde. Om zich hierover te wreken stak Loshtak tijdens den slaap van zijnen meester, dezes baard in brand. De bisschop vervloekte hem, zeggende: `Kruip in den grond!' En de leerling kroop in den grond. Doch de meester berouwde zich over zijn daad en wenschte nu dat Loshtak een geneesmiddel voor de menschen zou zijn. Maar Loshtak antwoordde uit onbeschoftheid: `Dan zullen ze mij uit den grond trekken!' Daarop vervloekte de bisschop hem voor de tweede maal: `Hij die u uit den grond zal trekken, zal zelf in den grond verdwijnen!' En om thans dit Kruid in zijn bezit te krijgen, moet men het door eenen hond, aan een touw gebonden, laten uitrukken. Doch Loshtak slaakt alsdan zulken luiden schreeuw dat de hond er van openbarst. Keysler (Antiquit.~ select.~ septentrional.~ et celticis, anno 1720) geeft verschei- dene afbeeldingen van amuletten, die men uit Mandragorawortels vervaardigde en voegt er de volgende bemerkingen bij: `De Alrnken, Mandragora, zijn Wortels van een zeker Kruid, dewelke door bedriegers, door middel van een kunstgreep, de gedaante van het menschelijk lichaan bekomen, doordien zij Haver^_(1)_^ of Gerstekorrels^_(2)_^ steken, daar waar zij haren willen doen ontstaan. Het is vooral de Wortel van Mandragora, die tot zulk doel wordt aangewend. Anderen verkiezen de Bryonie^_(3)_^ (z.~ Komkommerachtigen). Pisdifje^_(4)_^ worden deze beeldekens door het gemeene volk in Belgi genoemd; en dit gelooft, evenals het Duitsche, dat zij, onder de galgen uit de vergoten pis of het gestorte | | ^(1)^ Avena sativa L. | | | ^(2)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(3)^ Bryonia dioica Jacq. | | | ^(4)^ Thans niet meer bekend, meen ik. In Vlaanderen spreekt men nog van | het Galgenaas. het Menneke en het Poppeke; en van een gelukzak heet het: | `hij heeft een Galgenaas of een Menneke in z!jnen zak!' | zaad der opgehangen dieven spruiten. Men vertelt verder dat men deze Wortelen enkel met gevaar des levens kan uitgraven; een hond wordt aan het kruid gebonden om het uit de aarde te rukken, nadat de gravers zich zorgvuldig de ooren hebben gestopt, ten einde het geschrei van den Wortel niet te hooren, waardoor zij insgelijks in gevaar zouden verkeeren hun leven te verliezen. Hedendaags dichten de Rabbijnen dat de Laren van Laban dusdanige Alrunen geweest zijn. Anderen beweren dat de Jonkvrouw van Orleans, door de hulp van de Alrnken, de daden die de wereld verbaasden, verricht heeft'. Z.~ over dat alles en meer nog J.~ Scheible, Die gute alte Zeit, I, 128, waar men ook bovenvermelde afbeeldsels van Alruinen vindt. -- `Dudaim' is de naam van de Laren van Laban in den Bijbel. Velen vertalen door Mandragora. Doch Linnaeus noemt een Komkommerachtige Cucumis Dudaim en identiliceert dus niet Dudaim met de Alruine; zoo is ook de meening van Harris (Bibl.~ nat.~ hist.~; vgl.~ Picke- ring). -- Mrat en de Lens, Dict.~ passen den naam Dudaim toe op den Banaan- boom^_(1)_^. Anderen denken aan de Truffel^_(2)_^, den Citroen^_(3)_^, de Liefdesappel^_(4)_^, de Lelie^_(5)_^, de Viool^_(6)_^, de Vijg^_(7)_^, de Kokosnoot^_(8)_^, de Framboos^_(9)_^ en aan ander Planten nog. (Vgl.~ over Dudaim: Ludovicus, Observat.~ Dudaim in: Misc.~ cur.~ nat.~, 1673; Lentibus, Observat.~ ad Ludovici Obs.~, en id.~ appendix; O.~ Rudbeck, Dudaim Rubenis, 1733). -- Jeanne d'Arc, waarover Keysler spreekt, zou dus zulke Alruine bezeten en er mee haar militarisch Tooverwerk verricht hebben: in haar verhoor is er sprake van Mandragora en, zooals men weet, werd de ongelukkige als Heks veroordeeld en verbrand! Thans wordt de Jonk- vrouw van Orlans door Rome heilig verklaard. Om de Plant te verkrijgen doet men iets dergelijks in de Abruzzen bij Chieti (Itali): Men gelooft er vast dat, zoo een mensch de Mandragora uitrukt, hij sterven zal; de boeren binden dus hun hond, met den staart, aan het gevaar- lijk Kruid; vervolgens roept de meester het beest, dat ijlings naderspringt en zoo de Plant ontwortelt, doch aldra sterft. (Gub., 11, 215). Wil men in het gebergte van Pistoia (Itali) de Mandragora uit den grond trekken, ,zoo gebruikt men tot dien gevaarlijken arbeid, een Eiken stok met eene koord. (Guk.~, II, 215). Dat de Alruine kan kreunen als men ze uitgraaft, gelooft men ook in Engeland. Ben Jonson (Masque of Queens) laat een Heks die `Mandrake' voor hare Hekserij gegaard had, zeggen: | | ^(1)^ Musa paradisiaca L. | | | ^(2)^ Tuber-soorten, vooral T.~ melanosporum. | | | ^(3)^ Citrus limonium Lois. | | | ^(4)^ Lycopersicum esculentum Milll. | | | ^(5)^ Lilium candidum L. | | | ^(6)^ Viola odorata L. | | | ^(7)^ Ficus carica L. | | | ^(8)^ Cocos nucifera L. | | | ^(9)^ Rubus idaeus L. | `Den laatsten nacht lag ik heel alleen Op den grond om de Mandrake te hooren kreunen; Ik plukte hem, ofschoon hij zeer diep groeide, En, toen ik gedaan had, kraaide de haan.' Ook aldus in Saksen. Op het zoo genaamde Wortelveld (`Wurzelfeld') aan den `Valten' ("=" Faltenberg) vinden Gelukskinderen op St.~-Jansdag den wonderbaren `Alraunwurzel'. Hij draagt een hoop hoog glanzende Blaren, trekkende op die der Tulpen. Met kleine roestvlekken zijn zij dicht-bestrooid. Deze Wortels vormen twee vuistgroote vingerknollen. Men moet ze, in het middernachtsuur van St.~-Jansdag uitgraven en naar huis dragen. Midderwijl zal de wortel luide schreien en zoo lang droevig kreunen, tot men er uit duimgroote poppen heeft gesneden en deze met Wijn en Olie gezalfd heeft. Deze popkens heeten `Querxe' of `Alraunmnnchen', `Heinzelmnnchen', `Galgenmnn- chen'. Zij kunnen veel nut bijbrengen, indien men ze prachtig kleedt, in een zacht bedje op een veilige plaat te slapen legt, nu en dan met lekkernijen voedt en elken Zondag in wijn en water baadt. Dan maken zij, als men hen naar de voorgeschreven wijze ondervraagt, de toekomst bekend, onthullen het verledene en verraden de gedachten en de hartgeheimen van allen, wier van hen ontvangen brood, zout en licht men aan die popkens offert. Deze Galgenmannekens bevor- deren allen arbeid, helpen de werken al spelend verrichten, heilen iedere, zelfs de gevaarlijkste ziekte, beschermen tegen alle gevaar en kunnen liefdedranken brouwen, die nooit hun kracht verliezen. (Meiche, n"r" 391). In Frankrijk heet de Mandragora, hier en daar, `Madagoire', `Man- degloire', `Main de gloire' en `Main de gaure' -- alle vervormingen van Mandragora (z.~ deze en andere Fransche benamingen, bij Roll.~ VIII, 122 en vvgg). Zij maakte rijk en bracht heil bij. Ducange (s.v.~ Mandragora) schrijft: `Ils croyoient que tant comme ils avoient un Madagoire, mais qu'il fust bien nettement en beaux drappeaux de soye ou de lin envelopp, que jamais jour de leurs vies ne seroient pauvres'. -- En hiermede klopt het volgende uit Les Evangiles des Quenouilles: `Qui porroit finer d'un vrai Mandegloire et le couchast en blancs draps et lui presentast mengier et boire deux fois le jour, combien qu'n ne mengue ne boive, cellui qui ce feroit deviendroit en peu d'espace moult riche et ne sauroit comment'. Vgl.~ Roll.~ VIII, 126. "*" In het Zuiden van Oost-Vlaanderen (aldus te Zegelsem) bewaart men zorgvuldig het zoo genaamde Galgenaas -- dat met de amulet uit Mandragora gelijk staat -- in een klein doosje waar het rust op zuivere watte. Het volk meent dat het Galgenaas een klein beestje is, dat iedere week versche watte moet ontvangen, anders krijgt de drager er slagen van. Die zulk doosje in zijn zak heeft, kan alles wat hij verlangt, bekomen en alles, wat hij onderneemt, slaagt. (Is Teirlinck, Zovl.~ Idiot.~ i.v.~). Z.~ beneden. Te Riga (in Lijfland) was een boer die veel ongeluk had: zijne huisdieren stierven alle; zijn wijn en bier verzwonden uit zijn kelder; hij leefde in oneenig- heid met zijne vrouw. Zijn broeder uit Leipzig, zond hem een `Alruniken' of Eerdmanneken. dat hij gekocht had van eenen beul: deze ontving er voor 64 thaler en zijn knecht eenig drinkgeld. Na het ontvangen van dezen `Erd- mann' moest de Lijflandsche boer hem drie dagen laten rusten; vervolgens hem baden met warm water, en met dit water zijn vee besproeien en ook de dorpels van den huize. Alle jaren moest de boer dat `Alruniken' viermaal baden en het daarna in zijn kleeren winden: nl.~ in vier doekjes van hemelsblauwe, roode, gele en groene zijde. (Seifart, o.~ c.~ / Scheible, G.~ A.~ Z.~ I, 180-82). Naar Perger (blz.~ 11) moest `Alraun' iederen Vrijdag in rooden wijn gebaad, in een kleed van roode en witte zijde gehuld en in een mantel van zwart fluweel gewikkeld worden. Zulke heilaanbrengende Wortel werd over- gerfd, niet door den oudsten, maar door den jongsten zoon. In Berry (Frankr.~) heet de Mandragora `Herbe du pic' (d.i.~ Specht- kruid). `Het Spechtkruid geeft aan den specht de kracht de hardste Boomen te doorboren. Men vindt het soms in het nest van zulken vogel. Men kan zich de Plant aanschaffen met den Specht af te loeren: ziet men dat hij zijn bek aan zekere Plant afwrijft, zoo is .dat de gezocht kostbare talisman. Doch wacht u wel ijzer te gebruiken om ze te plukken en uit te rukken, want door simpele aanraking van dat metaal zou het alle kracht verliezen... Als de specht zijn spotgelach laat hooren, heeft hij zoekers van de magische Plant ontwaard... Hij die Spechtkruid over zich draagt, bezit Herkuleskracht. Volgens de eenen is dit Spechtkruid de Mandragora, volgens anderen een soort van Orchis...'. (Laisnel de la Salie, 216-220; Roll.~ VIII, l.~ c.~). Nagenoeg aldus in dp.~ Allier. Men zegt er dat het Kruid Matagon des nachts glinsterend is; doch des daags kan de specht alleen het doen ontdekken: hij vliegt op zeker bepaalde manier, als hij Matagon wil vastgrijpen; dat Kruid hardt zijnen bek. Gelukkig is de osseleider die het heeft gevonden: zijn sterke en kloeke ossen zullen aan alle vermoeienis wederstaan. (Boudant, Hist.~ de Chantelle, 195; Roll.~ l.~ c.~). Doch de echte Mandragora is en was, in de Noord-Europeesche tuinen, immer een zeldzaamheid. Daarom gaf men de hooger opgegeven namen aan andere inlandsche Planten, vooral aan de Bryonie^_(1)_^ met grooten vleezigen Wortel. In Secrets merveilleux du Petit Albert (anno 1815) o.a.~ leest men: `Ik herinner mij gelogeerd te hebben bij eenen rijken boer, die nochtans eertijds arm en ellendig was, zoodat hij bij anderen als daglooner moest werken; en vermits ik hem in zijn vroegeren ellendigen toestand gekend had, nam ik de gelegenheid waar om hem te vragen wat hij gedaan had, om, in zoo'n korten tijd, rijk te worden. Hij zei tot mij dat, op zekeren dag, hij iemand belet had eene Zigeunerin te mishandelen en te slaan en zij toen hem het geheim had geleerd om Mandragora te maken; en dat hij sedertdien altijd was vooruitgegaan'. En ziehier hoe de Zigeunerin hem had geleerd die Mandragora te maken: men moet nemen een Bryoniewortel, die eenigszins de menschelijke gestalte heeft; deze Wortel zal men uit de aarde halen, op een Maandag van de lente, als de maan in een gunstig gesternte staat, hetzij in conjunctie met Jupiter, of met Venus; men snijdt de uiteinden van dezen Wortel af, evenals de hoveniers die een Gewas willen verplanten; vervolgens moet men hem begraven op een kerkhof, in 't midden van een graf en hem besproeien, gedurende eene maand, | | ^(1)^ Bryonia dioica L. | vor Zonsopgang met koemelkwei, waarin men drie vleermuizen heeft verdron- ken; na dien tijd haalt men den Wortel uit den grond en men bemerkt dat hij reeds beter op een mensch trekt; men doet hem drogen in eenen oven met IJzer- kruid^_(1)_^ heetgemaakt, en men bewaart hem in een stuk linnen, waarin een menschenlijk is gewikkeld geweest. Zoolang men zulken mysterieuzen Wortel bezit, is men gelukkig, men vindt iets kostbaars op den weg, of men wint in het spel, of men doet immer goede handelszaken; zoodat alle dagen het vermogen vemeerdert. (Roll.~ VIII, 124-5). Bij den Engelschen Kruidbeschrijver Gerarde leest men dat de luiaards, die weinig of niets anders doen dan eten en drinken, een deel van hunnen tijd ge- bruiken om de Wortels van Bryonie te snijden in de gedaante van een man of eene vrouw, omdat het ongeleerde volkje ze aanziet als de echte Mandragora. (This, 316). Anderen steken op de plaatsen van den Bryoniewortel; waar zij haren willen doen komen, Haver-^_(2)_^ of Gerstekorrels^_(3)_^. Toovenaars, Bedriegers en Marktkwakzalvers vervaardigen Mandragoren of Alruinen met Rietwortels^_(4)_^. Zij snijden deze Wortels in de gedaante van een mensch en planten ze daarna. En hierop ontstaan kleine Worteltjes als haren en baard, en zij krijgen in den grond de bruine Wortelkleur. (Blancardus, Lex.~ i.~ v.~ Mandragora). Uit de Viktoriewortel of Allemansharnas^_(5)_^ worden ook Alruinen ge- maakt. (Perger, 83; Leunis, 789). Sommigen beweren dat de `Main de gloire' of `Main de gaure' eigenlijk een Diefshand is. `Ik woonde driemaal de veroordeeling van vermaarde dieven bij, die op de pijnbank bekenden dat zij, in hunne rooverijen, zich badienden van een Diefshand' -- hunne `Main de gloire' of `Main de gaure', zooals reeds gezegd is: volksetymologische vervorming van Mandragora. `En als hun gevraagd werd wat dit werkelijk was, hoe zij deze bekomen en gebruikt hadden, antwoordden zij; Het nut dezer hand is dat zij al wie zij wordt vertoond, ver- dooft en hem onbewegelijk maakt, als ware hij dood. De hand was die van eenen gehangene en werd als volgt toebereid: Men steelt de rechter- of linkerhand van eenen langs de publieke straat opgehangene, hield ze in een stuk van een lijklinnen, waarin men ze goed perste, om het weinige bloed dat er nog zou in zijn, uit te duwen. Daarna legt men ze in een aarden pot met Cinnamom^_(6)_^, Salpeter, Zout en Lange Peper^_(7)_^, alles ondereen fijn gestooten. Men laat ze veertien dagen in dezen pot, neemt ze er dan uit en droogt ze, in de zonnehitte van de Hondsdagen. Heeft de zon ze niet genoegzaam gedroogd, zoo voltooit | | ^(1)^ Verbena officinalis L. | | | ^(2)^ Avena sativa L. | | | ^(3)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(4)^ Phragmites communis L. | | | ^(5)^ Allium victorialis L. | | | ^(6)^ Cortex cinnamomi, de schors van Cinnamomum ceylanicum Nees, de | Kaneelaurier. | | | ^(7)^ Vruchtkolf of -aar van Piper longum L. | men het drogen in een oven die gebed wordt met Varenkruid^_(1)_^ en IJzerkruid^_(2)_^. Vervolgens bereidt men eene Kaars met het Vet van den gehangene, Maagdenwas en Laplandsch Sesamkruid (of Vlasdotter^_(3)_^, de Diefshand dient echter als kandelaar, want men steekt de gemaakte kaars tusschen twee vingers van die hand. Overal waar men met dit vreeselijk tuig komt, zullen de aanwezigen onbeweeglijk blijven. Op de vraag of er een middel tegen dit Tooverwerk bestond, antwoordden zij: de Diefshand is zonder kracht en de Dieven kunnen er zich niet van bedienen, indien men den dorpel der huisdeur of dien van de ander plaatsen, waar de Roovers zouden kunnen binnendringen, insmeert met zekere Zalf, die bestaat uit de gal van eene zwarte Kat, het vet van een wit Hoen en het bloed van den Boomuil. Doch deze Zalf moet tijdens de Hondsdagen bereid worden'. (Scheible, l.~ c.~ 217-18; Roll.~ VIII, 124). Het Alruineken of Geldmanneken is, meenen eenigen, een Tooverwezen dat woont onder eenen Hazelaar^_(4)_^, waarop een Marentak groeit. Zekere Lukas, de zoon `des Vogtli von Galten, in Frickthal' (Zwits.~) vond op de `Sinzen- matte' zulken Hazelaar met een Marentak^_(5)_^. Hij vertelde dat; en toen een Zwartkunstenaar hiervan hoorde, vroeg hij Lukas hem den Struik te toonen. Zij gingen en zouden te zamen `den Alraun' meester worden. Doch Lukas kreeg zulken schrik onder het uitgraven, dat hij heenliep. Nu bekwam de ander den `Alraun' voor zich alleen; hij deed ermede reizen en keerde, weinigen tijd daarna, schatrijk weder. Aan Lukas gaf hij een klein geschenk. (Perger, 247; naar Birrcher, 66). De Mandragora werd ook met Dieren vereenzelvigd. Het is een Serpent: het verbeeldt den Duivel. Men bracht het ter tafel en plaatste het daarna in eene doos. 's Avonds legde men nevens het Dier een muntstuk: 's anderendaags morgens vond men er twee. Al de lieden die snel rijk werden, bezaten zulke `Main de gaure', soms `Paulette' geheeten. Stierf de eigenaar van zulk Serpent, dan erfde het een zijner kinderen; en wilde niemand het Beest, zoo kroop het eerst op de kist van den doode en ging dan op zoek naar gunstiger gezinde lieden. Indien men het door de velden zag kruipen, moest men een servet of een ammelaken gaan halen en het vor de `Main de gaure' open- spreiden; het rolde er zich op ineen en zoo droeg men het met zich. Doch in haastige oogenblikken was het voldoende een neusdoek vor het Dier te leggen. Men noemt heden nog in de streek (nl.~ in Poitou) eenige families, wier geluk aan zulke Mandragora te wijten was. Men toonde zelfs eene plek, waar het Serpent was blijven liggen en waar men dagelijks deze woorden hoorde: `Wie de Main de gaure opneemt, zal in deze wereld gelukkig, en ongelukkig in den anderen zijn!' (Roll.~ VIII, 125-6). | | ^(1)^ De groote inlandsche Filicineen als Asplenium filix-foemina Bernh.~, | Polystichum filix-mas Roth.~ en Pteris aquilina L. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. | | | ^(3)^ Came!ina sativa L. | | | ^(4)^ Corylus avellana L. | | | ^(5)^ Viscum album L. | Of het is een Mol: `Toen ik eens eenen boer vroeg hoe hij Mistel^_(1)_^ plukte, vertelde hij mij, dat aan den voet van den Eik^_(2)_^, waarop Mistel groeide, een Main de gloire was; dit Wezen leefde in den grond, waaruit de Mistel sproot; 't was een soort van Mol. Wie dezen vond, moest hem voeden met brood, vleesch en eenig andere spijs. Hij die hem eens gevoed had, moest het blijven doen, en immer in dezelfde mate, anders zou Main de gloire den vergetenden zonder twijfel doen sterven. Twee zijner kennissen, die hij mij noemde, hadden aldus hun leven verloren. Tot belooning evenwel schonk de Main de gloire 's morgens het dubbel van hetgene hij daags te voren had ont- vangen. En indien de bezitter geld uitgaf voor haar voedsel, zoo kreeg hij des anderendaags 't dubbel van 't gebruikte geld terug. En alzoo ging het met alle andere dingen. Een landsman, die hij noemde, was aldus rijk geworden, geloofde men, omdat hij een Main de gloire gevonden had'. (This, 316-17; naar Saint- Palaye). Eindelijk was de Mandragora een Doolkruid: Indien men op de Mandragora trapt, kan men zijnen weg niet meer vinden. Aldus in Prigord. (Roll.~ l.~ c.~). -- in het dp.~ Allier is de `Matagot' (een ander vervorming van Mandragora) een ingebeeld wezen dat in ieder Weide een Plant zaait, welke het hoofd doet draaien van al wie er op treedt, en hem belet de best bekende plaatsen te herkennen. (Idem)._ Naast de Mandragora mag men de Datura plaatsen -- de giftige Dol-, Doorn- of Steekappel^(3)^, die, in ons land, niet zelden op puinhoopen en mestbarmen groeit en genoegzaam gekenschetst is door haar groote, witte, trechtervormige Bloemen en de stekelige Vruchten. Datura was een Heksenkruid. _In 't Ndl.~ heet men het wel Duivelskruid of Duvelskruut (in Twenthe, Salland, de Graafschap Zutphen; zie Heuckels, Wdb.~); -- in Frankrijk; `Herbe des Magiciens' ("=" Toovenaarskruid), `Herbe des Sorciers' en `Herbe du Diable'; -- in Walloni:`Yeppe di makr' ("=" Heksenkruid); -- in Duitsch- land: `Hexenkraut'. (Salomon-Voss). Het is ook een Zigeunerkruid. De Zigeuners waren echte meesters in de Zwarte Kunst; op hun zwerftochten, voerden zij wellicht met zich veel Steek- appelzaden en zij schijnen aldus de Plant uit het Oosten (Middel-Azi) naar het Westen verspreid te hebben; want hunne Hekserijen en Wicheltoeren steunden hoofdzakelijk op de krachten van Datura. (Leunis; Rel.~ u.~ Bohnh.~; Perger, 183; Marzell, 173 en vooral Dr.~ H.~ v.~ Whislocki, Aus dem Innem Leben der Zigeuner, Berlin 1892, 44, 56, 97, 123, 157 vvgg.~). In de Heksenzalf (z.~ boven) was Daturazaad. | | ^(1)^ Viscum album L. | | | ^(2)^ Quercus robur L. | | | ^(3)^ Datura stramonium L. | Dieven gebruikten de narkotische Plant: zij strooiden het Zaad op gloeiende stoofplaten of in brandende haarden, ten einde aanwezigen door den bedwel- menden reuk te verdooven en ongestoord hun schandewerk te kunnen volvoeren. -- Ofwel Nux Methel^_(1)_^ (naam van den Steekappel bij de Arabische Meesters, naar Matthiolus) `wordt van sommighe quaet-doenders by de spijse oft dranck ghedaen vande ghene die sy van eere oft goed berooven oft anders beschadighen willen: want sy doet den mensche slaepen / oft sijn verstandt voor eenen tijdt langh verliesen'. (Dod.~ 753). Ch.~ Pickering (p.~ 596 en 622) zegt (naar Graham) hetzelfde van Datura methel L.~ en Datura ferox L.~ (deze laatste, zoo De Candolle beweert, is misschien niet verschillend van D.~ stramonium L.~). Men gebruikte dit Heksenkruid om berookingen te doen -- rook van vele Planten bezat magische kracht -- en aldus Booze Geesten te bezweren of te verbannen: te dien einde werden de Steekappelzaden met voorzichtigheid op gloeiende kolen gestrooid. Indien iemand de verdoovende dampen inademde, overviel hem een eigenaardige roes; en in dien toestand van bedwelming geloofde hij werkelijk te zien en te hooren, wat de fantazie hem had voorgespiegeld. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 165). Daarom heet L.~ Fuchsius deze Solanacee `Rauchapfelkraut' ("=" Rookappelkruid). In Frankrijk (naar de Zwitsersche grens toe) meenen herders dat, zoo men een Kring rond een of meer personen met Datura maakt, de ingeslotenen enkel met toestemming van den kringtrekker, den kring verlaten kunnen. Beau- gnier, Faune et Fl.~ pop.~ d.~ l.~ Franche-Comt, 2, 1910, 201). Ook bij het Schatgraven benuttigde men Steekappelzaad. Datura was een lachverwekkend Kruid. Cardanus zegt dat de Steekappels die men ziedt of braadt en opeet, `een dullicheydt met een ghedurigh lachen veroorsaecken'. (Dod.~ 753). Het is overigens een gewas `de Mandragora nerghens in wijckende' (Idem). -- Om in extase en in onmiddellijk verkeer met de godheid te zijn, dronken de Zonnepriesters der Andes (Amerika) Steekappelsap. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ l.~ c.~)._ Evenals in de twee vorige Solanaceen was het Bilzen- kruid^(2)^, met de droefgele, akelige, zwartgeaderde Bloemen van scherpen narkotischen onaangenamen reuk, een Heksenkruid. _In 't ndl.~ heet dit Giftkruid Bilzen- of Bilsenkruidt, bij Blancardus Bilsem- kruid, mnl.~ Belsemcruut en Bilse, vr.~ n.~ Bilzen, o.~ en vr.~ (mdl.~ Wdb.~), en Beelde, vr.~ n.~ Beeldensaet. De oorsprong van het woord is onbekend, doch gissingen ontbreken niet. (Z.~ Vercoullie; Franck-Van Wijk; Kannegiesser; Perger, 101-2, 180; Shns, 66). Sommige hgd.~ benamingen toonen het verband aan met de Tooverwereld. | | ^(1)^ Doch Linnaeus geeft den naam van Datura methel aan een verwante | Oostersche Plant. Z.~ hierover: Slevogt (J.~ A.~): Diss.~ qu demonstrat nucem | methel Avicennae esse daturam modernarum, 1695. | | | ^(2)^ Hyoscyamus niger L. | `Hexenkraut', `Zigeunerkraut', `Zigeunerkorn' en `Prophetenkraut'. (Roll.~ VIII, 96). Het is een Heksenkruid, want de oude Wijven, zegt Lonicerus, gebruiken het tot hunne Tooverijen^_(1)_^ en zeggen dat al wie den Wortel bij zich draagt, onverwondbaar is. (Shns, 67). De Heksen dronken een afziedsel van Bilzenkruid en hadden alsdan die fantastische droomen en vizioenen, welke zij als werkelijkheid aannamen. (Perger, 181). -- Het is een Profeten- of Waar- zeggerskruid: in de omstreek van Valence (dp.~ Drome) plukken de vrouwen een Bilzenbloem: kunnen zij, met den eersten slag, de bloem op 't voorhoofd doen openklakken, dan is 't een bewijs dat haar man ze bedriegt. (Roll.~ VIII, 97-8). Vgl.~ aangaande deze waarzggende kracht van Bilzenkruid, de oude namen Pythonion (van Pithyos "=" Apollo de waarzegger) bij Dioskorides en Apollinans bij de Latijnm. De beste Heksmzalf (z.~ boven) werd met Bilzenkruid bereid. Over de verstand-verwarrende krachten van deze Giftplant leest men nog dat, in zeker klooster, bij 't bereidm van Pastinaken^_(2)_^, eenige Wortelen van Bilzenkruid, door onachtzaamheid, in de spijs geraakten. De monniken, die ervan aten, werden in hunne hersenen gestoord: de letters van hun boek schenen, voor den eenen, rondloopende mieren te zijn; een andere meende dat wilde beesten hem vervolgden en hij sprong op den oven, dien hij voor een Woudboom nam; een derde dacht dat hij Noten kraakte en hij deed de gebaren van iemand die de schalen wierp naar ingebeelde pauwen. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 166). Toovenaars gebruikten ook de Plant om geesten te bezweren. Het was ook een regen-voortbrengend kruid. Om het, gedurende een aan- houdende zomerdroogte, te doen regenen, nam men een Bilzenkruidstengel, dopte hem in een bron en besproeide daarmede het door de zongegloeide zand. (Perger, 181; naar Montanus). -- In de 4"e" eeuw reeds deed men het nog anders; een ontkleed meisje trok, met den kleinen vinger van hare rechterhand, een Bilzenplant uit, dat men dan aan den kleinen teen van haren rechtervoet bond; eindelijk werd het kind door andere meisjes naar de naaste rivier geleid, waar men het met water besproeide; op zulke manier kon men de droogte zekerlijk doen opbouden en kwam de regm (Burchard van Worms; Mone, Nord.~ Heiden- thum, II, 417; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 166; Perger, 182). Of Hller (Volksmedicinische Botanik d.~ Germanen, 1908, 91) gelijk heeft in zijne verklaring (`Die toxischen Gehrhalluzinationen... nach dem Genusz von Bilsenkraut' "=" `Gerusch nie- derstrmenden Regens'), laat ik in bedenking. Waarom is 't niet voldoende te wijzen op het gebruik van Bilzenkruid in velerlei tooverarbeid? Bilzenkruid, ingenomen, maakte dol, razend, krakeelachtig; daarom noemt Scribonius het Altercum (van Lat.~ altercari, kijven, twisten). -- Soms verheugt het den mensch evenals zijn verwante, de Steekappel (z. boven). Lobelius (328, 330) heeft em jong vrouwken gezien dat door Bilzenkruid van de tandpijn genezen werd en `bycants drije daghm lanck blyde was'. | | ^(1)^ Zie b.v bij Marzell, 168-169, twee heksenprocessen (het 1"e" in Pommerani, | het 2"e" te Gos)ar) van de 18"e" eeuw. waarin ellendige Heksen, zekerlijk gedwongen, | zich beschuldigen Bilzenkruid tot heksenwerk gebruikt te hebben. | | | ^(2)^ Pastinaca satlva L. | Dezelfde Lobelius verhaalt ons hoe `de Muylstooters, stoute quacksalvers, landtloopers ende schalcke bedrieghers' het magische Bilzensap bereiden: `Sij nemen de gheheele plante met de Wortel in Julio mde Oogstmaend tusschen de twee Onze Vrouwe daghen' -- Lobelius bedoelt O.~ L.~ Vr.~ Bezoeking (2 Juli) en O.~ L.~ Vr.~ Half-Oogst (l5 Aug.~) -- `niet sonder supersticie (want d'moet bereydt worden alst cruydt is in sijn meeste cracht) ende ghestooten zijnde, legghen die in eenen aerden pot die onder veel gaetkens heeft, den welcke sy stellen op eenen anderen pot, ende leggen dan daer op een decksel dat sy vast met een lutement^_(1)_^ maecken, ende bestrijcken oock alle de locht-gaten met lutement; ende graven die alsoo in mest, laten dat staen rotten, tot dat de olle oft vetticheydt in den ondersten pot drupt, welck sy verwaeren tot tghebruyck vande medicijne'. -- Doch naar Legran (Sci.~ et Mag.~ 30) moet Bilzenkruid geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en onder Tarwe^_(2)_^ of Gerst^_(3)_^ bewaard blijven. Dit Kruid was eene Planeetplant der Sterrewichelaars: zij stond onder dm Invloed van Jupiter; en onder al die sterrebeelden `die voeten hebben' werkte zij weldadig op die deelen van het mmschelijk lichaam, over dewelke zulke sterrebeelden `hunnen schijn wierpen'. (Perger, 182). Bilzensap is zoo krachtig dat zelfs een zilveren tas, waarin men het be- waart, aan stukken springt. (Mag.~ Nat.~ 81). Eindelijk nog een toovertoertje van wildstroopers: Indien zij Bilzensap vermengen met het bloed van een jongen haas, het mengsel in dezes huid doen en deze op zekere plaats leggen, zullen al de hazen van de streek aldaar verga- deren. (Mag.~ Nat.~, l.~ c.~; Roll.~ VIII, 97)._ Het Doodkruid^(4)^ wordt tot de Walkuren (nu tot Heksen vervormd) gebracht. _In Zwaben heet de besdragende Plant `Walckenbaum' ("=" Walkyrin- boom), zeggen Pritzel en Jessen, en in den Nederrijn `Walckerbaum'. Het was ook een Hekateplant (vgl.~ beneden). Thans gelooft men nog dat de ziel van iemand die door Belladonna gedood werd, niet kan verrijzen. Aldus te Naintr (dp.~ Vienne). Roll.~ VIII, 121. Een Hongaarsch volksgeloof beweert dat de kaartspeler, die op het naakte lijf de Plant draagt, niet verliezen kan. Zie Marzell, 164._ De aan Doodkruid gelijkende Scopolia^(5)^, die in Karinthi groeit en vroeg in de lente bloeit, is ook een Walkureplant. _Men noemt ze aldaar `Walckenbaum' (Pritz.~ u.~ Jesen, naar Schkuhr) m ze vervangt er onze Belladonna. (Marzell, 163)._ | | ^(1)^ Kleefdeeg, waarmede men vast- of dichtmaakt, d.~ i.~ luteert. | | | ^(2)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(3)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(4)^ Atropa belladonna L. | | | ^(5)^ Scopolia camiolica Jacq. | Ook de in onze akkers en tuinen zoo gemeene Zwarte Nacht- schade^(1)^ was een Heksenkruid. _De ndl.~ naam Nachtschade, mnl.~ Nachtscade en Nachtscadu(w)e, ohd.~ Nahtscato, nbgd.~ Nachtschatten wijst hierop; eig.~ schaduw van den nacht. Het woord duidt speciaal de Solanum-soort met zwarte bessen aan, zegt Franck- van Wijk. `Nachtschatten, schwarzer Schaden', zwarte schade, dus Vijand. (Vgl.~ Kannegiesser; Prahn). `Nachtschaden' is de uitvarende Heks en den door haar veroorzaakten hagelslag. (Rel.~ u.~ Bohnh.~). Leunis (II, 581) wijst, ter ver- klaring, op den reuk die sommige Morella-soorten des nachts verspreiden. -- Andere namen die met daemonologie en magie in verband staan, zijn: hgd.~ `Stinkteufel' ("=" Stinkduivel); -- fr.~ `Herbe des Magiciens' ("=" Toove- naarskruid; Gill.~ et Magne, Fl.~ fran.~); `Verjus du Diable' ("=" Duivelswijn of -sap); -- `Erbo bouimnco' ("=" Bohemers- of Zigeunerskruid; aldus in dp.~ Var, Roll.~ VIII, 101 en vvgg.~).; -- Waalsch: `Pe d'Macrale' ("=" Hek- senerwt; Roll.!). Ook in Engeland beschouwt men de `Nightshade' als een Tooverkruid: een Heks somt eenige harer kruiden op en schikt er onder de Zwarte Nachtschade (aldus in Ben Jonson's Masque of Queens; This.~ 64). Of stond de Plant in verband met de Noorsche godin Skadhi, de dochter van den winterreus Thiassi? Skadhi was, te oordeelen naar verschillende sagen, een nachtelijke Schaduwgodin. (Rehl.~ u.~ Bohnh.~; vgl.~ Herrmann, N.~ M.~ 436-8)._ Met een berooking van Jodenkers^(2)^ konden Zwartkunste- naars een Toovertoertje doen. _Om al die in huis zijn te doen schijnen `inder manieren van Paerden oft Olephanten' moet men Alkekengi nemen, het kruid wrijven en vermengen met het vet van een Meerzwijn; men maakt er daarna Zaad af `gelijck rijs', dat men op vuur legt met drek van eene Koe die melk geeft; de rook, die gevormd wordt, mag enkel het huis uitgaan door een gat, dat in de aarde gemaakt is: al die in huis zijn, schijnen te worden Olifanten en groote Paarden. (Alb.~ Magnus, Boeck der Secreten, E VJ, verso; uitg.~ van Leyden, c.~ 1551)._ 36. IJzerkruidachtigen (of Verbenaceen). Het gemeene IJzerkruid^(3)^ is eene Heilplant; en toch werd zij -- 't gebeurde wel meer met weldoende Kruiden -- ook door Heksen gebruikt. _In dp.~ Ille-et-Vilaine (Frankr.~) heeft de Verbena den naam van `Herbe aux Sorders' ("=" Toovenaarskruid; Roll.~ VIII, 39). Zij kwam voor in de Heksenzalf (z.~ boven). | | ^(1)^ Solanum nigrum L. | | | ^(2)^ Physalis alkekengi L. | | | ^(3)^ Verbena officinalis L. | Het was een Wenschkruid. Wie er zich mee zalfde, zag al zijn wenschen vervuld. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 187). `Want sommighe wtsinnighe vryers ende rasende tooveressen segghen, dat (Verbena) een sonderlinghe cracht heeft om yemandt tot liefde te verwecken ende om te beletten eenighe grouwelicke dinghen ende naeckende schaeden'. Aldus Lobelius (I, 634). Doch onze Vlaamsche Rijselaar beschouwt dit als `boosheden ende godloosheden' en hij heeft `daer mede ghespot'. Dodoens (223) heeft nog iets vreemders: `Als den Medicijn, het Iser-cruydt over hem draghende, den krancken gaet besoecken, ende hem vraeght hoe dat het met hem is, ende als den krancken antwoort dat het al wel is, oft redelijck, dan sal hij van die sieckte op staen: in dien hij seght dat het niet wel en is, of dat soude moghen beter wesen, dan sal hy van die sieckte sterven'. Doch `het is spottelijck', voegt hij er bij. Indien men, gedurende zeven weken, IJzerkruid in vette aarde legt, zullen er uit wormen komen, die de menschen, welke zij aanraken, doen sterven. Legt met het in een duivenkot, zoo zullen al de duiven van den omtrek er naartoe komen. Stoot men het tot poeder en legt men dit in de zon, zoo zal deze blauw- achtig schijnen. Werpt men dit poeder in een gezelschap of tusschen twee geliefden, dan zal korten tijd daarna twist ontstaan. (Mag.~ Nat.~, 82). Doch wilde men al de krachten in dit Heksenkruid behouden, zoo moest het op speciale wijze en op een bepaalden dag worden uitgegraven: men haalde het uit den grond met een gouden of zilveren werktuig -- want beroering met ijzer ontnam aan de Plant alle kracht; men las over haar een pater-noster en een `credo-domini' en sprak: `Ik neem u, edele Verbena, in name des Vaders, des Zoons en des H.~ Geestes, en bij de twee-en-veertig namen van den Almach- tigen God, bij de vier Engelen Michal, Gabril, Raphal en Anthonil, en bij de vier Evangelisten!' Na die uitgraving en bezwering moest het Kruid blijven liggen, tot de morgendauw er op viel; men mocht het evenwel niet alleen laten. En eerst voor zonsopgang mocht men het opnemen. Zulks moest geschieden op O.~ L.~ Vr.~ Hemelvaart of op St.~ Jansavond. (Perger, 147); naar een hs.~ uit de 14"e" eeuw, berustende in de Hofbibliotheek te Weenen, Cod.~ Manuscri.~ 2524). -- Plinius echter schrijft, dat de Magirs dit Wenschkruid zamelden bij den opgang der Hondsster en zonder dat zon of maan het bescheen. (Id.~ 147). -- Naar Thurneysser moet IJzerkruid op Goeden-Vrijdag worden uitgegraven: `Verbeen, Agrimonia^_(1)_^, Madelger^_(2)_^, Charfreyags graben, hilft dir sehr, dasz dir die frawen werden hold, doch brauch kein eisen, grabs mit goldt!' d.~ i.~ `Verbeen, Agrimonia, Madelgeer op Goeden-Vrijdag graven, Helpt u zeer dat de vrouwen u genegen worden, Doch gebruik geen ijzer, graaf 't met goud'. (Shns, 110). | | ^(1)^ Agrimonia eupatoria L. | | | ^(2)^ Gentiana cruciata L. | Legran (Sci.~ et Mag.~ 30), ngt dat het moet geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en bewaard blijven onder Tarwe^_(1)_^ of Gerst^_(2)_^._ 37. Lipbloemigen (of Labiaten). Ofschoon de Labiaten in het algemeen weldoende en geurige Kruiden zijn. toch vinden wij er eenige in de Magische Flora vermeld. De rechtopstaande Andoorn^(3)^ heet in den Elzas `Beruf- kraut' (d.i.~ Betooverkruid) en in Henneberg in Schmalkalden `Beschreikraut' (dat hetzelfde beteekent). _Pritz.~ u.~ Jessen. Leunis echter verklaart dat het Kruid (dat ook in Belgi wast) aldus wordt genoemd, omdat het tegen kinderbetoovering wordt aange- wend. Het zou dus veeleer een antimagisch Kruid zijn._ De eenjarige Andoorn^(4)^ heeft in Duitschland den naam `Hexenkraut' ("=" Heksenkruid). _Pritz.~ u.~ Jessen; naar Schkuhr, Bot.~ Handbuch._ De naverwante Sideritis^(5)^ heet ook `Beruf-' of ` Beschrei- kraut'. _Pritz.~ u.~ Jessen. Volgens deze twee Botanisten is 't de `Herba judaica' of het Jodenkrutd bij de Middeleeuwsche Schrijvers. Doch Dodoens (127) noemt een andere soort van dit geslacht, groeiende in de Landen van de Middellandsche Zee, nl.~ de ruigharige Sideritis^_(6)_^. `Glidt-cruydt. of Herba Judaica'. Hij beschouwt het als de Sideritis van Dioskorides; doch zulke pogingen om de Grieksche en Latijnsche Plantnamen der Oude Schrijvers op Planten onzer West- en Noord-Europeesche Flora toe te passen loopen noodzakelijkerwijze dikwijls verkeerd uit; ook de identificaties van den grooten Linnaeus laten dikwijls veel te wenschen over. Dodoens schrijft over deze ruigharige Sideritis: `Men noemt dese eerste soorte van Glidt-cruydt Sideritis, al ofmen Ferraria int Latijn / oft IJzercruydt in 't Nederduytsch seyde / nae het Griecks woordt Sideros, 't welck Yser beteekent; om dat het de versche wonden die met Yser ghedaen zijn / ge- nesen ende toe heelen kan'. -- Heukels (Flora) heet Sideritis op zijn Ndl.~ IJzerkruid, Verbena IJzerhard en Scutellaria Glidkruid._ Een ander `Berufkraut' is de gemeene Hennipnetel^(7)^ | | ^(1)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(2)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(3)^ Stachys recta L. | | | ^(4)^ Stachys annua L. | | | ^(5)^ Sideritis scordioides L. | | | ^(6)^ Sideritis hirsuta L. | | | ^(7)^ Galeopsis tetrahit L. | (Sal.~-Voss); naar Pritz.~ u.~ Jess.~ is 't de Raai^(1)^, insgelijks in ons land niet zeldzaam, die in Henneberg (Centraal Duitschl.~) `Be- schreikraut' wordt genoemd. De overal verspreide witte Doovenetel^(2)^ is in Duitschland onder die namen -- `Beruf-' of `Beschreikraut' -- hier en daar bekend. _Sal.~-Voss; Pritz.~ u.~ Jessen (in hun register): deze voegen er nog de purpere Doovenetel^(3)^ bij._ In Frankrijk heet men het Hertsgespan `Patte de Sorcier' ("=" Toovenaarspoot). _Aldus te Quiberville (dp.~ Seine-infrieure). Roll.~ IX, 3; ook bij Littr: naar de handvormige bladeren?_ De volksnaam voor de Betonie is, in Gruyre (Zwitserland) `Herbe intzryi' ("=" Fr.~ Herbe ensorceler, ndl.~ Betoover- kruid). _Roll.~ VIII, 207. -- Betonie was `Domina omnium herbarum', d.~ i.~ de Meesteres van alle Kruiden. (J.~ Camus, Op.~ Sal.~, 42; geciteerd door Roll.~ VIII, 206). Toovenaars lokken de jonge meisjes tot zich door middel van een Betonie- blad, dat zij op haren schouder hechten. Aldus in dp.~ Laudes. (Roll.~ VIII, 208; naar La Garde: Les Laudes, 27). Het was een Doolkruid: wie op Betonie trapte, doolde van den weg af. (Idem)._ Legran (Sci.~ et Mag.~, p.~ 30) wijst nog drie magische Lip- bloemigen aan: het Kattekruid^(4)^, de heelkrachtige Salie^(5)^ en `Mlisse serpentine'. _Zij moeten echter geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en bewaard worden onder Tarwe^(6)^ of Gerst^(7)^. Het Kattekruid wordt door de Katten gezocht en Katten zijn, in 't volks- geloof, Heksendieren. `In onze tijden heeft dit ghewas den naem van Katte-cruydt gekregen; in 't Latijn Cattaria, ende Herba catti; ende dat by oorsaecke dat de Katten groote genoeghte in dit cruydt nemen; want men siet dikwijls / dat | | ^(1)^ Galeopsis ladanum L. | | | ^(2)^ Lamium album L. | | | ^(3)^ L.~ purpureum L. | | | ^(4)^ Nepeta cataria L. | | | ^(5)^ Salvia officinalis L. | | | ^(6)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(7)^ Hordeum vulgare L. | sy door den lieflijcken reuck van Katte-cruydt bevangen zijnde / haer selven daer aen komen wrijven / en haer daer in wentelen / iae met grooten lust de soppen ende bladeren daer van komen eten'. (Dod.~ 135-6). Vgl.~ Blancardus (Lex.~) die hetzelfde beweert: `Cataria... videtur vox ficta Belgico idiomate een Kat / Cattus: quia catti sive feles hac planta delectantur et vescuntur'. -- De Chaldeers heeten dit Tooverkruid `Bicith'. Indien met het vermengt met eenen steen, dien men in 't nest van den Hopvogel vindt, en er mede den buik van een dier wrijft, zal dit bezwangerd zijn en een pikzwart jong voortbrengen. Steekt men dit mengsel in den neus van een beest, zoo zal dit sterven doch weldra opnieuw levend worden. Bestrijkt men de bijkorven met `Bicith', dan kunnen de bijen er niet meer uit; ja, indien deze dood zijn, hoeft men ze maar in bovengenoemd mengsel te leggen en zij zullen weder levend worden. Hetzelfde Heksenkunstje kan men op verdronken vliegen toepassen. (Mag.~ Nat.~, 73). -- In Aargau (Zwits.~) beweert men dat Kattekruid toornig maakt; daarom moet een al te weekhartige beul, vor ieder halsrechting, eenige bladeren van dit Toover- kruid opeten. (Perger, 193). De Salie (of Savie) is het nest der Padden, en Padden zijn Heksendieren: `Salvia bufonum nidus esse dicitur'. (Roll.~ VIII, 180; naar Ephemera nat.~ cur.~ 1697-8, Append.~, p.~ 87). De Italianen planten Ruit^_(1)_^ bij Savie om deze Padden te verjagen. (Roll.~ VIII, l.~ c.~; naar Garidel, 1716). Het is zeker, voor het bijge- loovig volkje, dat onder de Savie zich eenige Giftdieren vergaderen en de Plant met hunnen adem giftig maken. (Idem). -- Een oude Hortus (1485) vertelt: Uit Savie, die men. gedurende vier weken, in mest legt, groeit een vogel die een staart als die eener slang heeft; en hij is wit en gelijkt op eenen vogel, in 't Latijn Merula, dat is een Merel (`Drostel' in hgd.~ "=" dus lijster). Dezen vogel zal men verbranden tot asch en poeder. Wilt gij aardige dingen met dit poeder doen, zoo neem eene lamp en doe daarin olie en dit poeder, en steek daarin eene wiek van een slangenhuid en Boomolie (nl.~ Olijfolie^_(2)_^), en wanneer die wiek brandt als een licht, dan meenen al die in huis zijn, dat het huis vol Slangen is, en dat hebben ons, van de `Salvay', de Magi geschreven. (Shns, 128-7). -- Het boekje (Mag.~ nat.~, 76) schrijft het eenigszins anders: `Cette herbe tant pourrie sous du fumier dans une fiole de verre, il s'en forme un certain Ver, ou un Oiseau, qui a la queue comme un Merle; si de son sang on en frotte l'esto- mac de quelqu'un, il perdra le sentiment pendant plus de quinze jours. Que si l'on fait brler ces Vers, et qu'on en jette la cendre dans le feu, incontinent on entendra comme un horrible coup de tonnerre. Ou bien si on met cette poudre dans une lampe, qu'on allume ensuite, il semblera que toute la chambre sera pleine de Serpens'. De lichtgeloovige schrijver voegt er naevelijk bij: `On en a fait plusieurs fois l'exprience'. -- Willen Toovenaars eene beek doen uitdrogen, zoo werpen zij er een Saliestengel in. (Perger, 144; naar Montanus, I, 147). Het derde Heksenkruid, waarvan Legran gewaagt, de `Mlisse serpentine' | | ^(1)^ Ruta graveolens L. | | | ^(2)^ Olea europaea L. | duidt eigenlijk twee Planten aan: 1"o" De eigenlijke Melisse of Konfilie-de- Grein^_(1)_^, een Lipbloemige uit onze tuinen, waarvan Magie naturelle (blz.~ 77) verhaalt: dat indien men deze Melisse, met sap van een eenjarigen Cipres^_(2)_^, in de soep of brij werpt, deze vol wormen zullen schijnen te zijn; dat wie de Plant over zich draagt, voor ieder aangenaam en boven alle vijanden zal zijn; dat, indien men ze aan den hals van eenen os bindt, deze moet volgen den persoon die het Kruid aangebonden heeft; en dat, indien men Melissesap met een derde deel zweet van een ros mensch vermengt en in dit mengsel eenen riem steekt, deze in eens en in 't midden zal openspringen; -- 2"o" Het magische Vijfvinger- kruid ^(3)^ (z.~ boven Roosachtigen)._ De Magirs gebruikten Bloemen van Marjolein^(4)^ bij hun magisch Woensdagwerk. _Lvy, H.~ M.~ II, 118; z.~ Lelieachtigen. -- Om een meisje in haar hemd te doen dansen, nam men, vor Zonsopgang, den dag vor St.~ Jan, een handvol Marjolein, een weinig IJzerkruid, Mirtebladeren, drie bladeren en drie wortels van Venkel; men liet alles in de schaduw drogen en stootte het tot poeder, dat men in de richting blies van de plaats waar het meisje zich bevond. Aldus in Frankrijk in de Middeleeuwen. (Roll.~ IX, 24)._ 38. Helmkruidachtigen (of Scrophulariaceen). Te vermelden zijn: Het Alpische Leeuwenmuiltje^(5)^, in 't hgd.~ `Goldenes Ver- schreikraut' (d.~ i.~ Gulden Tooverkruid). _Aldus in de streek van Werfen, in Pongau en Lungau (in de omstr.~ van Salzburg). Pritz.~ u.~ Jessen._ Het kleine Vlaskruid^(6)^, bij Schwenckfurt `klein Berufkraut' (d.~ i.~ Klein Betooverkruid) genoemd. _Pritz u.~ Jessen._ Het giftige Vingerhoedskruid^(7)^. _Om een persoon te beheksen moet men hem een Doorn^_(8)_^ doen dragen, die den vorm van een kruis heeft en waarop een Vingerhoedsbloem steekt. Aldus te Matignon (dp.~ Ctes du Nord; Roll.~ VIII, 139). | | ^(1)^ Melissa officinalis L. | | | ^(2)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(3)^ Potentilla reptans L. | | | ^(4)^ Origanum majorana L. | | | ^(5)^ Antirhinum alpinum L. | | | ^(6)^ Linaria minor L. | | | ^(7)^ Digitalis purpurea L. | | | ^(8)^ Crataegus-soorten. | Een enkele Vingerhoedsbloem in een huis is voldoende om er de melk zuur te maken (in Bretagne; Idem)._ 39. Bremraapachtigen (of Orobanchaceen). De Bremrapen^(1)^ hebben magische kracht en toonen, als signatuur, den beetafdruk van den Duivel. _De Klaverdood of kleinste Bremraap heet in de omstreek van Lucern en hier en daar elders in Zwitserland `Kleeteufel' en `Kleetfel' (d.~ i.~ Klaver- duivel). -- Holl noemt ze `Teufelsabbiss' en te Werfen (Salzburg) duidt men ze aan met den naam `Teufelsablass'; beide namen staan gelijk met ndl.~ Duivelsbeet: het raapvormige onderste deel van den vleezigen Stengel is als afgebeten en de Plant doodt de Klaver._ De Franschen noemen soms den Schubwortel^(2)^ `Herbe magique' ("=" Magisch of betooverd Kruid). _Roll.~ VIII, 164 (naar Saint-Germain. 1784). De zonderlinge Plant leeft onder den grond en toont, enkel gedurende haar bloeitijd, den nauwkeurigen en vorschenden voorbijganger haar paarse Bloemen._ 40. Hertshooiachtigen (of Hypericaceen). Ik wees er reeds meermaals op: Heilkruiden zijn (of waren) vaak Heksenkruiden. Zoo komt het dat het doorboord Hertshooi of St.~ Janskruid^(3)^, dat, naar 't volksgeloof, zooveel goede eigen- schappen bezit, ook tot de Heksenflora behoort. _De Tooverboeken van de Heksenmeesters moesten gedoopt worden en deze gebruikten hiertoe een sproeikwastje (of `Aspergillum') van St.~ Janskruid. Dat blijkt uit het proces van de Toovenaars van Mantes (op de Seine, Frankr.~), die, bij arrest van het Parlement van Parijs, in de maand November 1586, verbrand werden: `De Toovenaars, die de Duivels willen bezweren en ter hulpe roepen, om toekomstige dingen te weten, of om waar te zeggen, of om ander Satantoeren uit te voeren, hebben de gewoonte hunne Boeken, waarin hunne bezweringen, phylakterin (of Tooverteekens), Tooverletters, enz.~ besloten zijn, door eenigen priester, die een stool rond den hals draagt, te laten wijden. Deze priester besproeit de Boeken met wijwater door middel van een kwast van St.~ Janskruid, en zegt intusschen deze woorden: `Ik doop U in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes'. En terwijl hij dat doet, moet hij een gewijde kaars vasthouden. Daarna legt hij deze Boeken, onder het altaarlaken naast het Evangelie ais hij de mis doet, op drie Vrijdagen. Den | | ^(1)^ Geslacht Orobanche; de gemeenste is O.~ minor L.~ of Klaverdood. | | | ^(2)^ Lathraea clandestina L.~ en L.~ squamaria L. | | | ^(3)^ Hypericum perforatum L. | laatsten Vrijdag wendt hij rond ieder gedoopt Boek een kruisband en legt het daarna weg op een reine en geheime plaats'. Dat getuigden vermelde Toovenaars van Mantes. (Crespet, Haine de Satan, l.~ 1, disc.~ 12; Delrio, Disquis.~ mag.~ l.~ 5, sect I5; Thiers, II, 71-2). Montanus noemt dat roodsappige Kruid `Alfblut' en `Elfenblut' (Alf- bloed, Elfenbloed); in Zwitserland (omstr.~ van Bern) draagt het den naam `Hexenkraut'. 't Was overigens een Doolkruid: indien men, na zonsondergang op St.~ Jansavond, op Hertshooi trapt, rijst uit den grond een Feenpaard (Toover- paard); het rijdt met den onvoorzichtige den heelen nacht rond en laat hem enkel met den dageraad vrij. Aldus op het eiland Man (Groot Bretanje). Roll.~ III, 180; naar Moore, Folkl.~ of the Isle of Man, 1891, p.~ 152). 't Was nog een Waarzeggerskruid (z.~ beneden)._ 41. Maankopachtigen (of Papaveraceen). De gemeene giftige Gouwe^(1)^ met het gele bijtende sap en de vierbladige gele Bloemkronen moet eerst vermeld worden. Het was een Heksenkruid. _Het gele Sap is Heksenmelk (z. boven) of `Truddemlch' (z.~ beneden). Wie Gouwe, met het hart van eenen mol, over zich draagt, zal boven alle vijanden zijn en zich weten te redden uit alle slechte zaken en gedingen. (Mag.~ nat.~ 72). `Ende het verdrijft alle twist ende gheschil'. (Leidensche uitg.~). Aangaande het plukken van Gouwe of van al ander Heksenkruid schrijft Mag.~ nat.~ (l.~ c.~): `Il faut remarquer, et avertir tout ensemble, que ceux qui voudront se servir utilement de ces Herbes, ne les doivent cueillir que depuis le vingt-troisime jour de la Lune jusques au trentime' -- anderen zeggen juister tot den 29"e""n" -- `en commenant par Mercure; on peut les amasser pendant toutes les heures du jour, mais on doit scavoir, qu'en I'arrachant on nommera les vertus de l'Herbe, et rusage que ron en veut faire. Ensuite prenez cette Herbe, et la mettez sur du Froment^_(2)_^ ou de l'Orge^_(3)_^, jusques ce que vous en voudrez servir quelque chose'. Vgl.~ Legran, Sci.~ et M.~, 30._ Een ander Heksenkruid was de min gewone Hoornheul^(4)^, de `Ghehorende Heul' van Dodoens, een ook in ons land gevonden Strandkruid met groote, mooie gele Bloemen._ | | ^(1)^ Chelidonium majus L. | | | ^(2)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(3)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(4)^ Glaucium flavum Crantz. | Zie Ben Jonson (Witches Song): `Yes, I have brought to help your vows, Horned Poppy, Cypress boughs, The Fig-tree wild that grows by tombs, And juice that from the Larch tree comes'. d.~ i.~ `Ja, ik heb gebracht, om u in uw wenschen te helpen, Gehoornde Maankop, Ciprestwijgen^_(1)_^, Den Vijgenboom^_(2)_^ wild die groeit bij graven, En sap dat van den Lorkboom^_(3)_^ komt'. This.~ (64) merkt aan dat men de Plant, in de Middeleeuwen, Ficus infer- nalis noemde. Doch verkeerd; want de Hellevijg is een ander plant: Closius heelt deze voor 't eerst beschreven, en zijne beschrijving vindt men ook bij Do- doens (734, b.~): `Doornachtigen Heul' of Papaver spinosum; `sommighe noemen 't Fico del inferno, dat is Hel-vijghe / oft Ficus infernalis in 't Latijn'. Bij Baillon (Dict.~) is Ficus infernalis de Purgeernoot^(4)^._ De Opiumplant^(5)^ schonk een Tooversap, het Homerische Nepenthes. _Naar velen is Nepenthes: Laudanum opiatum of Extractum Opii. (Zwin- gerus uitte het eerst deze meening). -- Anderen noemen nog: 1"o" de Alant^_(6)_^ en zij denken bij 't zien van den naam Helenium aan Helena, de vrouw van Menelaus die Nepenthes (uit Egypte) gebruikte en in den wijn van Telemachus deed, ten einde dezes treurnis te verdrijven (aldus bij Homeros, IV, 220 en vvgg.~); Nepenthes komt van gr.~ n, niet. en penthos, rouw: dus een treurnis of kommer verdrijvende Plant of Toovermiddel, een zorgenbreekster (Leunis, II, 205); -- 2"o" de Ossetong^_(7)_^ aldus Galenus; -- 3"o" de Bernagie^_(8)_^, aldus Plutarchos; -- 4"o" de Koffie^_(9)_^, aldus de reiziger Pietro della Valle (Gub.~ II, 238); -- 5"o" het wit Bilzenkruid^_(1O)_^ of de verwante soort Hyoscyamus datura L. (Leunis, 205, en Adanson); -- 6"o" de Saffraan^_(11)_^, aldus Muat en De Lens (Dict.~ s.~ v.~ Ne- penthes d'Homre); -- 7"o" Hennipblaren^_(12)_^. -- Het Linneaansche geslacht Ne- penthes heeft niets met de Homerische Plant te maken. Zie Wedel, Programma de Nepenthe Homeri; en ander bibliographlsche aanwijzingen bij Mrat en De Lens (Dict)._ | | ^(1)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(2)^ Ficus carica L. | | | ^(3)^ Larix europaea L. | | | ^(4)^ Jatropha curcas L. | | | ^(5)^ Papaver somniferum L. | | | ^(6)^ Inula helenium L. | | | ^(7)^ Anchusa italica L.~, of misschien A.~ officinalis L. | | | ^(8)^ Borrago officinalis L. | | | ^(9)^ Coffea arabica L. | | | ^(10)^ Hyoscyamus alba L. | | | ^(11)^ Crocus sativus L. | | | ^(12)^ Cannabis sativa L. | De verwante Duivenkervel^(1)^ (eigenlijk een Fumariacee) werd door den Magir voor zijn Woensdagwerk gebezigd. _Lvy, H.~ M.~ II, 118 (vgl.~ Lelieachtigen)._ 42. Kruisbloemigen (of Cruciferen). Kruisbloemigen komen om zoo te zeggen in de Tooverflora niet voor. Enkel het volgende mag hier vermeld worden omdat de Roode Kool^(2)^ er eene rol speelt. _In het jaar 1659 werd vrouw Aagt Germontsdr.~ van Abbekerk (bij Meden- blik, Holland) onthoofd. Haar schelmstuk? Zij had een kind gebaard met een lichaam als een stokvisch, waarvan de staart was gespleten en als twee voetjes omgekromd; de armen waren twee met gort gevulde bloedbeulingen en het hoofd was een Roode Kool! (Knipscheer, V, 46; naar B.~ Bekker)._ 43. Resedachtigen. De Wouw heet, in Silezi, `Hexenkraut'. _Pritz.~ u.~ Jess.~; Salomon-Voss._ 44. Vioolachtigen. De Vrijdag is een Venusdag: en de Magir doet liefde- tooverwerk en gebruikt hiertoe Viooltjeskronen^(3)^. _Zijn kleed is azuurblauw, de behangsels groen en roos, de sieraden van gepolijst koper. De kronen zijn gemaakt van Viooltjes, de guirlandes van Rozen^_(4)_^, Mirt^_(5)_^ en Olijf^_(6)_^. Zijn ring is versierd met een turkoois, de tiara en agraffen met lapis-lazuli en beril. Zwanepluimen vormen de waaiers. En op zijn bont draagt de Magir een koperen talisman met het kenteeken van Anal en deze woorden: Aveeva Vadelilith. (Lvy, H.~ M.~ II. 119)._ 45. Komkommerachtigen (of Cucurbitaceen). De Pompoen^(7)^ wordt gebruikt om menschen te betooveren: men deed hun Pompoenen eten. _Roll.~ VI, 26._ | | ^(1)^ Fumaria officinalis. | | | ^(2)^ Brassiea oleracea capitata. | | | ^(3)^ Viola odorata L. | | | ^(4)^ Rosa centifolia L. | | | ^(5)^ Myrtus communis L. | | | ^(6)^ Olco europaea L., | | | ^(7)^ Cucurbita pepo L. | De Heggerank of Bryonie^(1)^ vervangt dikwijls de Heksach- tige Mandragora^(2)^. _Z.~ boven Mandragora bij de Nachtschaadachtigen. Eenige Fransche bena- mingen doelen op Hekserij of Duivelarij: `Vigne au Diable', `Raisin du Dia- ble', `Navet du Diable', `Verjus au Diable'. (Roll.~ VI, 47 en vvgg.~). En raadpleeg een interessante verhandeling over de Heggerank als Man- dragora bij de Russen: Jaworski, Die Mandragora im sdrussischen Volksglaube (in: Zeitschr.~ f.~ sterreich.~ Volkskunde 12 (1896), 353 vvgg; 3 (1897), 63 vvgg)._ De Magir bezigt, voor zijn magisch Maandagwerk, het Zaad van Komkommer^(3)^. _Lvy, H.~ M.~ 118; z.~ Hanevoetachtigen._ 46. Kloksjesachtigen (of Campanulaceen). Hier mag gewezen worden op het Grimmsche sprookje `Ra- punzel'. _Hgd.~ `Rapunzel', vervorming van mlat.~ Rapuncium, evenals de Ndl.~ namen Raponsje en Rapunsel, en de Fr.~ Raiponce. Rapuncium, waarnaast Rapunculus, komt van lat.~ Rapa "=" Ndl.~ Raap. (Z.~ Vercoullie). In het sprookje is er kwestie van een Kruid (`Rapunzel') dat in eenen tuin van eene Heks groeit en een zwanger vrouw aanlokt; deze eet er van, waardoor de Heks macht over het te baren kind bekomt. Vgl.~ Herrmann, D.~ M.~ 248._ 47. Samengesteldbloemigen (of Compositen). Als Heksenkruid staat de scherpe Fijnstraal^(4)^ bekend. _Duitsche namen bewijzen het: `Berufkraut' ("=" Betooverkruid) in Silezi, Zwaben, Elzas; `Rufkraut' bij Nemnich; `Beschreikraut' in Schmalkalden. (Pritz.~ u.~ Jess.). Deze Fijnstraal is ook antimagisch (z.~ beneden)._ Insgelijks het Duitsch Viltkruid^(5)^, dat (bij Sal.~-Voss) `Berufskraut' heet. _De Filago-soorten (vooral F.~ germanica L.~ en F.~ minima L.~) schijnen te zijn Herba Impia van Plinius (l.~ 24, c.~ 19); Dodoens meent het althans en schrijft (blz.~ 89): `Herba Impia wordt ghenoemt dat grijsachtigh cruydt / 't welck de Roosmarijn in 't aensien ghelijckt als eenen thyrsus, tuylken oft tros bekleet ende verciert met uytstekende knopkens; daernae spruyten daer andere tackskens | | ^(1)^ Bryonia dioica L. | | | ^(2)^ Atropa mandragora L. | | | ^(3)^ Cucumis sativus L. | | | ^(4)^ Erigeron acre L. | | | ^(5)^ Filago germanica L. | uyt / die oock haere hoofdekens oft knopkens dragen: ende daerom noemtmen dit ghewas Impia (als ofmen Eerloos oft Ongodtvruchtigh seyde) om dat de ionghers boven de ouders uytsteken / want de ionge bloemen verdrucken in dit cruydt de oude / mits datsy langer steelen krijgen'._ Zoo ook het Kruiskenskruid^(1)^, dat in alle akkers groeit en bloeit. _`Berufkraut' (Pritz.~ u.~ Jess.)._ De veeleer antimagische Wolverlei^(2)^ heet te Grardmer (Vogezen): `Fi d'hhnhh' (d.i.~ Heksenbloem). _Aldus bij Roll.~ VII, 18._ Hier en daar, in Duitschland, worden Donderkruid^(3)^ en Vlookruid^(4)^ gebruikt om te betooveren. _Hun naam is (naast andere) `Berufkraut'. (Pritz.~ u.~ Jess.~; Sal.~-Voss). Doch het waren veeleer antimagische Planten._ Aan de Averone^(5)^ kent men magische krachten toe. _Aldus in Frankr.~ en in Itali. (Gub.~ II, 2)._ Ook aan den Alsem^(6)^. _Indien men de handen van een kind, vor het einde van zijn twaalfde levensweek, met Alsemsap overwrijft, zal het, gedurende zijn heele leven, door warmte noch koude gekweld worden. (Gub.~ II, 2; naar Johnston, Thaumatogra- phia naturalis). De Magir gebruikt, voor zijn magisch werk van den Maandag en den Dinsdag, Alsem en de verwante Bijvoet als krans rond reukaltaar en driepikkel. (Lvy, H.~ M.~ II, 118; vgl.~ Hanevoetachtigen)._ De Bijvoet^(7)^ werd door de Magirs (z.~ boven Alsem) ge- bruikt en bezat ook de kracht den mensch alles te doen vergeten. _Een Russische sage uit het distrikt Starodubsk: op den dag der Kruis- verheffing gaat een meisje in 't woud om Kampernoeljen^_(8)_^ Zij ziet er een groot getal ineengekronkelde Slangen; zij wil ijlings naar huis terugkeeren, doch | | ^(1)^ Senecio vulgaris L. | | | ^(2)^ Amica montana L. | | | ^(3)^ Inula conyza L. | | | ^(4)^ Pulicaria dysenterica L. | | | ^(5)^ Artemisia abrotanum L. | | | ^(6)^ Artemisia absinthium L. | | | ^(7)^ Artemisia vulgaris L. | | | ^(8)^ Eetbare Agaricus- en Boletus-soorten. en wel andere nog. | komt terecht in een hol, dat de woonst der Slangen is. Dit hol is duister, maar in 't diepste ligt een blinkende steen; de Slangen hebben honger en hun Koningin leidt ze tot den steen, waaraan de Slangen likken en daardoor verzadigd zijn. Het meisje doet ook alzoo en blijft in het hol tot de volgende lente. Alsdan kronkelen de Slangen te zamen en vormen een trap, waarop het meisje klimt om uit het hol te geraken. Bij het afscheidnemen schenkt de Slangenkoningin haar de gave de taal der Kruiden te verstaan en hunne heilkrachten te kennen op en voorwaarde: d.~ i.~ nooit de Bijvoet (op zijn Russisch `C'ornobil' "=" hij die zwart is) te noemen: want indien zij den naam `C'ornobil' uitspreekt, zal zij alles wat zij in 't Slangenhol geleerd heeft, vergeten. En, waarlijk! het meisje verstaat nu alles wat de Kruiden tot elkaar zeggen. Doch eens, op 't onverwacht, vraagt haar een man: `Hoe heet het Kruid dat in de velden langs de kleine wegeltjes groeit?' `C'ornobil', zegt ze:;en op denzelfden stond vergeet zij alles wat zij weet. En sedertdien heet het Kruid `Zabutko' d.~ i.~ het Kruid van het Vergeten. (Gub.~ II, 17; naar Rogovic'~)._ In Silezi is het Nieskruid^(1)^ een `Berufkraut' ("=" Hek~ senkruid). _Pritz.~ u.~ Jessen._ Tot magische doeleinden wordt de Voorjaarsbloem^(2)^ gebezigd. _Gemsjagers en Koordedansers eten er van om zich tegen het vallen te behoeden. (Prahn, 147). Vanhier de Ndl.~ naam Duizelkruid en de hgd.~ `Schwin- delkraut': veeleer naar de signatuurleer, zegt Kannegiesser, want de Plant wast op hooge bergen in Tirol en kent geene duizeligheid._ Wat ik boven gezegd heb van het Duizendguldenkruid^(3)^, is misschien ook toepasselijk op de eigenlijke Santorie^(4)^. _Want beide Planten heetten, bij de Ouden, Centaurium._ 48. Vorschenbeetachtigen (of Hydrocharitaceen). Een `Hexenkrud' ("=" Heksenkruid) is de in 't water levende Krabbenklauw^(5)^. _Deze naam werd gebezigd in Unterweser bij Oberneuland, naar Pritz.~ u.~ Jessen. De Wortelen van dit inlandsch kruid vlotten vrij in de poelen, moeren en vaarten: `De laughe draeykens / die dit cruydt in stede van wortelen strecken | | ^(1)^ Achillaea ptarmica L. | | | ^(2)^ Doronicum pardalianches L. | | | ^(3)^ Erythraea centaurium L. | | | ^(4)^ Centaurea centaurium L. | | | ^(5)^ Stratiotes alodes L. | ende de ghedaente van wormen schijnen te hebben / worden van sommighe stuyt-vossen ende landt-vaerders of quacksalvers in fiolen oft flesschen met water gedaen / ende op hunne tafelen ten toone ghestelt: ende dan maecken sy den slechten huysman wijs / dat het wormen zijn / die met haer Poederen / Suycke- ren / Salven oft andere dinghen / die sy te koope hebben / den mensche (zijn) afghegaen'. (Dod.~ 933). Een bedriegelijk gebruik dat steunt op de signatuurleer._ 49. Lelieachtigen. Zelfs met de witte. pure Lelie^(1)^ werd getooverd. _Zij moat geplukt worden van den 23"e""n" tot den 29"e""n" dag der maan en onder Tarwe^_(2)_^ of Gerst^_(3)_^ bewaard worden. (Legran, Sci.~ et M.~ 30). Om iemand het slapen te beletten deed men het volgende Heksentoertje: men plukte Lelin, terwijl de zon in het teeken van den Leeuw was en men vermengde deze Bloemen met Lauriersap^_(4)_^; 't mengsel werd gedurende eenigen tijd onder mest gelegd; er kwamen wormen in, die men tot poeder stootte en rond den hals of in de kleeren van den te kwellen persoon deed: deze kon niet wpen, zoolang dit Tooverpoeder bij hem bleef. (Mag.~ nat.~, 74). Bestreek men iemand met die wormen, zoo kreeg hij aanstonds de koorts. (Id.~ 75). Om koeien te beheksen deed men Lelin in een vat met melk en overdekte dat met een witkleurige koehuid: al de koeien van den omtrek moesten hunne melk verliezen. (Idem). "*" Wolf (Ned.~ S.~, n"r" 268) geeft een Tooverlelie-sage op. Te Leiden ver- telde men hem dat, in vroeger tijden, aldaar een Toovenaar was, die den men- schen het hoold alhieuw en het naderhand weer op den hals kon zetten. Toen de Toovenaar nu eenmaal zijn kunst toonde, trad in de kamer waar het ge- beurde, een varende gezel en zag toe: Op de tafel vor den Toovenaar stond een groot glas met gedistilleerd water gevuld, en iedermaal dat een kop werd afgesneden, groeide uit het glas een witte Lelie omhoog, welke door den Hek- senmeester de Levenslelie werd genoemd. Toen nu de Toovenaar, op een anderen dag, opnieuw een hoofd had afgehouwen, trad snel de varende gezel met een scherp mesje naar het glas toe en sneed, ongemerkt en buiten de wete van den Toovenaar, den Stengel der Lelie door. De Toovenaar wilde daarna opnieuw den kop op het lijf zetten, doch het ging niet meer. Hij werd vastgegrepen. veroordeeld en verbrand. 't Zou in 't jaar 1528 gebeurd zijn. Doch dat is eenvoudig een vervormde Faustus-sage (z.~ beneden, waar ze uitvoeriger voor- komt). Voor zijn magische Woensdagarbeid -- de Woensdag was aan weten- schappelijke magie en aan Merkuur toegewijd -- deed de Magir een groen ofwel veelkleurig kleed aan. Zijn halssnoer bestond uit met kwikzilver gevulde | | ^(1)^ Lilium candidum L. | | | ^(2)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(3)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(4)^ Laurus nobilis L. | holle paarlen. De gebruikte reukstoffen waren Benzoin^_(1)_^, Macis^_(2)_^ en Storax^_(3)_^; de Bloemen: Narcis^(4)^, Lelie en Bingelkruid^(5)^, Duivenkervel^(6)^ en Marjo- lein^_(7)_^; de edelsteen: agaat. (Lvy, H.~ M.~ II, 118)._ Alos werd gebruikt door den Magir in de reukstoffen van zijn magisch Maandagwerk. _Lvy, H.~ M.~ II, 118 (z.~ Hanevoetachtigen). De bittere stof Alos wordt gewonnen uit verschillende soorten van 't geslacht Alo; vooral uit Alo socotrina L.~ Z.~ Leunis, II, p.~ 796._ 50. Aspergieachtigen (of Asparaginaceen). "*" Pariskruid^(8)^ was een Doolkruid: wie er op trapte, verloor zijnen weg. _Daarom heette L.~ Fuchsius dat Woudplantje Doolwortel; in West-Vl.~: Doolkruid (DB). Vervorming van Dolkruid: de Bes is giftig._ 51. Narcisachtigen (of Amaryllidaceen). De Magir benuttigde voor zijn magisch Woensdagwerk Narcisbloemen^(9)^. _Lvy, H.~ M.~ II, 118. De bekendste Narcissus-soorten zijn, behalve N.~ poeticus: N.~ pseudo-Narcissus L.~ en N.~ tazetta L.~ (de laatste, uit Zuid-Europa, was Pluto's Narcis)._ 52. Irisachtigen (of Iridaceen). Voor zijn magisch Zondagwerk wordt, door den Magir, tot reukstof Saffraan^(10)^ gebezigd. _Lvy, H.~ M.~ II, 117, 119 (z.~ boven Laurierachtigen en Katjesdragers). Saffraan is aromatisch en tevens bedwelmend._ 53. Grasachtigen (of Gramineen). De Gramineen zijn meestal nuttige Gewassen. Doch het vol- gende behoort tot de Hekserij: | | ^(1)^ Benzoin officinarum Hayne. | | | ^(2)^ Arilla of Zaadmantel van de Muskaatnoot (Myristica fragrans L.~). | | | ^(3)^ Styrax officinalis L. | | | ^(4)^ Narcissus-soorten, denkelijk N.~ poeticus L. | | | ^(5)^ Mercurialis annua L. | | | ^(6)^ Fumaria officinalis L. | | | ^(7)^ Origanum majorana L. | | | ^(8)^ Paris quadrifolia L. | | | ^(9)^ Narcissus poeticus L.~ denkelijk. | | | ^(10)^ Crocus sativus L.~, nl.~ de Stempels der Bloemen. | Er bestaat, in Nederlandsch Indi, een magisch Bamboeriet^(1)^: het groeit op den top van de bergen en wordt niet hooger dan een span. _Het is herkennelijk aan de doode vogels, die er onder liggen. De persoon die zulk magisch Bamboeriet bezit, kan alles verkrijgen wat hij maar verlangt. (De Clercq, Wdb.~ n"r" 408)._ Haverkorrels^(2)^ worden soldaten. _Pumphut en Generaal Sybilski waren twee Saksische Toovenaars. Op ukeren dag kwam Pumphut bij Sybilski en pochte op zijn Toovermacht. Als antwoord wierp Sybilski zwarte Haverkorrels in den kachelpot, die terstond in soldaten (voetvolk) veranderden, uit den pot klauterden, zich op den koer van Sybilski's slot verzamelden, en man"oe"uvreerden, en daarna zich opnieuw in hun koperen kazerne -- den pot namelijk -- begaven en opnieuw daar als zwarte Haverkorrels lagen. Pumphut nam nu uit eenen bij het venster staanden bak eenige Erwten^_(3)_^, wierp ze ook in den pot en er uit stegen wel gekwipeerde ruiters. Doch daar hij Sybilski's tooverwoorden niet kende, kon hij die ruiters niet weder in den kachel pot krijgen. Ja, zij sloegen, met hunne degens, op Pumphut's rug en enkel Sybilski's machtwoorden konden ze weer in den pot tooveren. (Meiche, n"r" 678). Een gelijkende sage wordt verteld van den Wendischen Toovenaar Krabat. Op zekeren dag stort hij Haverkorrels in eenen poel: en ieder korrel wordt een soldaat, als hij iets uit het 7"e" Boek Mozes leest. Daarna leest Krabat een ander vers uit hetzelfde Boek: de soldaten keeren terug naar den poel en worden zwemmende eenden. Doch Krabat's koetsier heeft het spel afgeloerd: bij neemt gedurende de afwezigheid van zijnen meester het Boek en leest, terwijl hij Haver in den poel schudt; soldaten verschijnen en vragen hem werk: de koetsier beveelt hun de mest uit te voeren, daarna al de zandkorrels op enen hoop te dragen (de heuvel bij Srchen is nog heden ten dage te zien!). Krabat wordt het gedoe van zijnen Koetsier gewaar en komt snel naar huis: de soldaten zijn bezig met den knecht, die niet meer weet welk werk hun op te leggen, ferm af te ranselen. Krabat verlost hem. (Meiche, p.~ 547)._ Ook Stroo -- de dorre Halmen van Rogge^(4)^ en Tarwe^(5)^ vooral -- werd in de Tooverij gebruikt. _In Hessen (Duitschl.~) steekt men een Stroohalm in de nageboorte van een huisdier, om aldus veulen of kalf te doen sterven. (Wuttke, 120; naar Wolf, Beitr.~ z.~ deutsch.~ Myth.~, 1852). | | ^(1)^ Bambusa magica Wray. | | | ^(2)^ Avena sativa L.~ en de verwante A.~ orientalis Schreb. Doch door zwarte | Haverkorrels wordt misschien Avena fatua L.~, een ergerlijk Onkruid bedoeld. | | | ^(3)^ Pisum sativum L. | | | ^(4)^ Secale cereale L. | | | ^(5)^ Triticwn vulgare Vill. | Er zijn Heksen die het hart van eenen mensch uitzuigen en een Stroowisch in de plaats leggen. (Herrmann, D.~ M.~, 61). Het is gevaarlijk losgemaakte Stroobanden in den stal als strooisel te ge- bruiken: daardoor worden de Heksen meesteres over het vee. (Wuttke, 210)._ 54. Gemberachtigen (of Amomaceen). Als reukstof, noodig tot zijn magisch Donderdagwerk. benut- tigt de Magir Paradijszaad. _Lvy, H.~ M.~ II, 119 (vgl.~ Katjesdragers). -- Paradijszaad of Granum paradisi is een aangenaam riekend driehoekig Zaad en wordt voortgebracht door een Guineesche Plant, Amomum granum-paradisi Afzel._ *IV. Planten met bekende Heksen of Toovenaars in verband.* Eenigszins uitvoerig wil ik hier gewag maken van Planten die in min of meer nauwe betrekking stonden met bij name bekende of vermaarde Heksen en Toovenaars, of bij voorkeur door hen ge- bruikt voor hun kunstjes en goocheltoertjes. a. *Hekateplanten.* Hekate -- volgens eenigen de dochter van Perses en Asteria, volgens anderen de dochter van Zeus en Demeter, of van Zeus en Hera, of van Zeus en Pharnia, of van Zeus en Admete of van Zeus en den Nacht (Lat.~ Godin Nox, Gr.~ Nux) -- was bij de Grieken in den beginne eene geheimzinnige Nachtgodin. Als dus- danig werd zij een Godin van de Onderwereld, en eindelijk eene Godin van alle nachtelijk Gespook en Gedrocht, de Meesteres der Heksen^(1)^, de Godin die nachtelijke tochten met hare huilende Honden deed, over de graven rondwaarde en zich met het bloed en het vleesch van dooden voedde, Giftkruiden kende en vergaarde, en aan de Heksen alle Tooverkunsten leerde. Zij werd bij de kruiswegen vereerd. Door narkotische Kruiden kon zij de demo- nische Slangen in slaap krijgen. En bij de rivier Phasis -- thans Rion, die van den Kaukasus naar de Zwarte Zee vloeit -- stond haar tuin, waar zij hare Tooverkruiden kweekte en verzorgde. _Deze tuin was omringd door onoverklimbare muren, omtrent negen halve- roeden (nagenoeg 18 meter) hoog. Zeven bastions beschermden hem en drie metalen deuren sloten hem geheel. Aan een poterna stond Artemis -- Hekate werd met Artemis (of Diana) gedentificeerd -- met den vreeslijken blik: geen sterfelijk wezen kon dezen blik verdragen, tenzij het reinigingsofferanden had gedaan. (Dierbach, 178-9; Sprengel, Gesch.~ d.~ Botanik, I, 45). | | ^(1)^ Ja, Hekse zou, naar Kleinpaul (Das Fremdwort im Deutschen, 3"e" uitg.~ | 1910, bl.~ 99) niet anders zijn dan Hekate, waaruit het 1"e" woord `unmittelbar | durch lautverschiebung entstanden ist (Hekate : Hekte : Hechze : Hechse : Hecse : | Hexe). Das niederlndische Hekse, jetzt: Heks, ist aus dem Hochdeutsehen | entlebnt. Die althochdeutsehen Formen (Hagzissa, Hagazussa usw.~) sind Bildun- | gen wie Abatissa, Basilissa und beruhen auf Hekatissa; sie sind nachgerade | wieder fallen gelassen worden'. Doch vgl.~ boven I, a. | Joh.~ Hendr.~ Voss geeft de namen van deze Hekateplanten op in zijn vertaling van Hesiodus en van de (aan Orpheus toegeschreven) Argonautika, (1806, p.~ 315). In Hekate's tuin groeiden: 1"o" Hekate's Mandragoras. Naar Dierbach (178) zou 't wel de Mandragora van Theophrast kunnen zijn; deze Plant werd, door Dodoens (748) vereen- zelvigd met het giftige Doodkruid^_(1)_^, zijn `Dulle-bezien' die de zinnen van den mensch beroert en hem `rasende ende dul' maakt. -- Te Toulon (Frankr.~) is de Atropa thans nog een Duivelskruid, `Erbo doou diabl'. (Roll.~ VIII, 121). In het kanton Bern (Zwitserl.~) noemt men de dood ende Bessen `Teufelsbee- ren' ("=" Duivelsbessen; Pritz u.~ Jess.~); Rolland (l.~ c.~) heeft ook den Duitschen naam `Teufelskirsche' ("=" Duivelskers). -- Aan den Nederrijn staat de Plant in verband met de in de lucht varende, heksachtige Walkuren (z.~ b.v.~ Herrmann, D.~ M.~, 405): de aldaar gebruikte namen `Walkerbeeren' ("=" Walkurenbessen) en `Walkerbaum' ("=" Walkurenboom) bewijzen het / wie zulke Bessen at, viel in de macht der Walkuren. (Perger, 182). 2"o" Hekate's Thryon. Dierbach (l.~ c.~) meent dat het misschien de Zwarte Nachtschade^_(2)_^ is; -- Dodoens (774) zegt dat sommigen Solanum manicum of Solanum furiosum (Gr.~ Struknon manikon), d.i.~ Razernij-makende of Dul-makende Nachtschade, Thryon (Gr.~ Truon) en ook Persion (naar Perses, Hekate's vader) noemen; doch voegt hij er bij, `de Dul-maeckende soorte van Nascaye en is hedendaeghs niet wel bekent'; -- zijn commentator Van Ravelingen denkt dat Lobelius ze houdt voor het Kristoffelkruid^_(3)_^, en Fabius Columna voor den Steekappel^_(4)_^: eenigen, zegt hij verder, nemen er voor de Wolfsbes^_(5)_^, of den Liefdesappel^_(6)_^, of de Aethiopische Nachtschade^_(7)_^. Al de bovenge- noemde Planten -- behalve Liefdesappel -- die men met Thryon, heeft willen vereenzelvigen -- zijn vergiftig. -- Boisacq (Dict.~) vertaalt Thryon eenvoudig door `jonc'. 3"o" Hekate's Maankop of Heul. Het is zeer waarschijnlijk de Gehoornde Heul^_(8)_^ (zie boven Hoofdst.~ III). 4"o" Hekate's Akoniton. Voor Dierbach is het de Grootbloemige Monniks- kap^_(9)_^; -- anderen (Leunis b.~ v.~) nemen er voor de gewone Monnikskap^_(10)_^; Hekate zou deze Plant ontdekt hebben (Pickering, 160; naar Diodorus, IV, 45); het is wel Hekatois Herba (Hekate's Kruid) van Ovidius (Metamorph.~ VI, 139); en daarom heet Duchesne (De Stirpibus, 1544) ze terecht Hecateis Ovidiana. (Roll.~ I, 96); vgl.~ `Teufelswurz' ("=" Duivelswortel), Duitsche naam van de gewone Monnikskap. (Pritz.~ u.~ Jess.~). | | ^(1)^ Atropa belladona L. Zie overigens Marzell, 162. | | | ^(2)^ Solanum nigrum L. | | | ^(3)^ Actaea spicata L. | | | ^(4)^ Datura strarnoniurn L. Vgl.~ Marzell, 170 vvgg. | | | ^(5)^ Paris quadrifolia L. | | | ^(6)^ Solanum lycopersicum L. | | | ^(7)^ Solanum aethiopicum L. | | | ^(8)^ Glaucium flavum L. | | | ^(9)^ Aconitum cammarum L.~, nog A.~ stoerkeanum Rchb.~ genoemd. | | | ^(10)^ A.~ napellus L. | 5"o" Hekate's Aegolethron. Naar Toumefort en Dierbach (die niet twijfelt) is het de Pontische Zandroos^_(1)_^. Doch Dodoens (708) beweert dat de Egelkoolen^_(2)_^ vermoedelijk het Aegolethron zouden zijn, maar hij kan het geens- zins waarachtig verzekeren. Gesnerus identificeert het met zijn Kwaden of Boozen Hendrik (waarschijnlijk de Schubwortel^_(3)_^; doch naar Pritz.~ u.~ Jess.~ de Bremraap-soorten^_(4)_^. Aegolethron van Plinius (l.~ 21, c.~ 13) was een Kruid dat de Geiten schadelijk was (Geiten weerstaan nochtans aan de gevaarlijkste Giftkruiden) -- en hiervan komt de naam Aegolethron ("=" Geitenpest) -- en den honig giftig maakte. (Mrat et De Lens, Dict.~; Gleditsch, Mm.~ de l'Acad.~ de Berlin, 1759). 6"o" Hekate's Kuklaminon. Naar velen zou het ons Europeesch Varkens- brood^_(5)_^ zijn. Dierbach helt over tot Cyclamen hederaefolium Alt.~; en Leunis (562) tot C.~ graecum L.~ en C.~ persieum Mill.~; Pickering (163) beschouwt deze laatste Plant als de Kuklamis van de Argonauten, doch C.~ hederaefolium Ait.~ is voor hem (p.~ 379) het Kuklaminon van Theocritus. -- Dioskorides zegt dat Kuklaminon (nl.~ C.~ europeaum L.~) voor de zwangere vrouwen zeer schadelijk is / `sommige gelooven / dat soo wanneer een vrouwe / die van kinde swaer is / over de wortel van Verckens-broot quame te schrijden oft te treden / dat sy terstond misvallen soude'. (Dod.~ 544). -- Ook de Oostenrijksche naam `Teufelsauge' ("=" Duivelsoog) wijst op kwade eigenschappen. (Pritz.~ u.~ Jess.~). 7"o" Hekate's Kupeiros. Het is vooral het ronde Cypergras^_(6)_^ of Galigaan van Dodoens, waarvan de Wortel, als diaphoretisch middel, ten tijde van Dioskorides gebruikt werd. Dierbach verwijst tevens naar C.~ officinalis N.~ v.~ Es.~, die geurige, kastaniebruine, eetbare Knollen heeft. Pickering (173, 209, 224) brengt met dit Hekatekruid in verband, behalve C.~ longus en C.~ rotundus, ook C.~ esculentus (met eetbare Knollen). Celsus (III, 21) duidt C.~ pertenuis van Hindoestan als Kupeiros van de Grieken aan. (Pickering, 472). Naar Dodoens (548) waren deze Waterplanten ook Rookkruiden: `Apollodorus schrijft dat den Cyperus in oude tijden veel ghebruickt wierdt heel Asien door / soo dat de Barbaren des morgens ninunermeer uyt en ginghen / sonder een beroockinghe van de selve ontfanghen te hebben'. 8"o" Hekate's Stoechas. Naar Dierbach en Dodoens is het het Stichas- kruid^_(7)_^, een Zuid-Europeesche Lipbloemige, `schoon / seer wel ende lieflijck rieckende cruydt', dat de zinnen, het verstand en de memorie versterkt. (Dod.~ 442. -- De Apothekers noemen ook Stoechas de gele Immortelle^_(8)_^. 9"o" Hekate's Poluknemon. Het is de Hertsmunt^_(9)_^ uit Zuid-Europa | | ^(1)^ Azalea pontica L. | | | ^(2)^ Ranunculus flammula L. | | | ^(3)^ Lathraea squamaria L. | | | ^(4)^ Orobanche L. | | | ^(5)^ Cyclamen europaeum L. | | | ^(6)^ Cyperus rotundus L. | | | ^(7)^ Lavandula stoechas L. | | | ^(8)^ Helichrysum stoechas L. | | | ^(9)^ Mentha cervina L. | (volgens Dierbach) en niet Polycnemum van Linnaeus (waarvan het Knar- kruid^_(1)_^ inlandsch is). Leunis (308) gist dat het Poluknemon der Ouden een soort van Duizendknop^_(2)_^ moest zijn: de naam (gr.~ polus, veel, en kneme, scheenbeen, dus lid, knar) schijnt die gissing te staven. Pickering (342) en Fraas verwijzen naar Ziziphora capitata Pluk.~, een Lipbloemige uit het Oosten der Middellandsche Zeestreek. 10"o" Hekate's Polion. Naar Dierbach en Leunis zou het Polion een soort van Gamander^_(3)_^ zijn. Linnaeus deelt die meening, Dodoens (455 en vvgg.~) beschrijft als Polium vier Gamanders, die, volgens Courtois, zijn: Teucrium achaemenis L.~ "=" Dodoens'~ `Ghemeyn oft Eerste Polium'; Teucrium supinum Spreng, of zijn`Tweede oft Smalle Polium, dat is Kleyn Polium'; T.~ gnapha- loides L'Hr.~ of zijn `Derde oft Kruypende Polium'; en T.~ pumilum L.~ of zijn `Vierde Polium oock Kruypende'. Naar Fabius Columna is het `Oprecht Polium der Ouders' het Cipreskruid^_(4)_^; en Van Ravelingen zegt hier met reden bij: `Oft hij daer in ghelijck heeft / oft niet / staet noch te ondersoecken: immers de redenen die hy bij brenght zijn seer waerschijnlijck: ende voorwaer het is te beklagen / dat de Ouders soo duyster oft onbescheijdelijck gheschreven hebben / datter verscheyden cruyden dickwijls ghevonden worden die met eenighe beschrijvinghe van hun ghedaen seer wel over een komen / midts datsy het rechte kenteeken der cruyden seer selden aenmerckt oft aengeteekent hebben'. (Dod.~ 458). -- Lobelius (574) voegt bij de boven aangegeven Polium-soorten nog zijn Polium-Wijfken, nl.~ Teucrium montanum L.~: `Want sij is de soorte van Polium zeer ghelijck / ende oock een medesoorte van dien / hoe wel datse bycans gheenen reucke en heeft / ende slapper van smaecke is / waerom dat van sommighe gheheeten wordt Polium wijfken'. Dit Teucrium montanum L.~ is dus eigenlijk geen vrouwelijke Plant; het heeft als de andere Teucriumsoorten mannelijke en vrouwelijke organen in dezelfde Bloem, maar het heeft min reuk en smaak. -- Plinius (l.~ 21, c.~ 7) schrijft dat de Grieken Musaeus en Hesiodus Polium bezongen hebben en zeggen dat het Kruid goed is voor alles, inzonderheid om eer en waardigheden te bekomen en dat het wonderbaar is, omdat, indien 't waar is wat zij zeggen, zijn Bladeren des morgens wit, des middags purper en des avonds blauw zijn; maar, weerlegt Mathiolus (494), Plinius `a bien lourdement failli, confundant le polium avec le tripolium'. 11"o" Hekate's Karpason. Dierbach aarzelt niet: het is een Afrikaansche Boom, die de Ethiopische Peper levert, nl.~ de aromatische Habzelia^_(5)_^. Mat- thiolus schrijft dat Carpasum-sap `cause un sommeil profond, et soudain estrangle la personne', twijfelt zeer: `Quelle plante auiourd'huy puisse estre le Carpason, certes ie confese ne le sauoir, et croy qu'i1 n'y a personne en | | ^(1)^ Polycnemum arvense L. | | | ^(2)^ Polygonum. | | | ^(3)^ Teucrium polium L. | | | ^(4)^ Santolina chamaecyparissus L. | | | ^(5)^ Habzelia aromatica DC.~, een Anonacee. Naar Leunis, 483, is H.~ aromatica | DC.~ de Guineesche Peper en H.~ aethiopica DC.~ de Ethiopische of Negerpeper. | Italie qui en puisse dire plus que moy' (Comm.~ 808). Boisacq (Dict.~) omschrijft door `plante vnneuse'. 12"o" Hekate's Chamaemelon. Het is onze gewone Kamille^_(1)_^: `Den Latijnschen ende Grieckschen naem Chamaemelum^_(2)_^ is ghekomen door dien dat de bloemen van dit cruydt den reuck van eenen Appel (die in 't Griecksch Melon heet) hebben: welcke reuck in de ghemeyne soorte van Camille die over t al meest ghebruyckt wordt / soo merckelijck is / dat men daer uyt alleen seer lichtelijck sou de moghen raden ende oordeelen / dat dese onse Camille het oprecht ende waerachtigh Chamaemelum van de ouders is'. (Dod.~ 410). Anderen nemen er voor de Edele Kamille^_(3)_^. 13"o" Hekate's Kemos. Men kent verscheiden gissingen. Naar Sprengel is deze magische Plant een Samengesteldbloemige, de kleine rechtopstaande Micro- pus^_(4)_^, die op onze Filago- en Gnaphalium-soorten trekt, en, evenals deze, met wolachtig dons bedekt is. Fraas houdt voor het Leontopodion -- een ander naam voor het Kruid Kemos -- de Dwerg-Filago^_(5)_^. Dodoens verwijst naar Veil^_(6)_^, naar ons Katterpootje^_(7)_^ en naar het mooie Edelweiss^_(8)_^, (ook aldus Linnaeus, te oordeelen naar den naam Gnaphalium leontopodium L.~); doch deze laatste Plant groeit niet in Griekenland noch in Klein-Azi. Met Kemos maakte men liefdedranken. 14"o" Hekate's Adianton. Het is het Vrouwenhaar^_(9)_^, de zeer verspreide Varensoort (ze ontbreekt echter in ons land). Zij was den Hellegod Plutus toegewijd. (Dierbach, 182; Chartarius 125). Vrouwenhaar werd veeleer gebruikt om te onttooveren (z.~ beneden). Een oud wondertoertje: `Dit cruydt met ander eten voor de Hanen / Kamp-hanen ende oock Quackels gheworpen / maeckt haer seer kloeck / ende seer stout om te vechten'. (Dod.~ 768). Bestonden, reeds in Dodoens'~ tijden, de wreede Hanegevechten? Over Kwakkelgevechten heb ik echter nooit iets gehoord noch gelezen. 15"o" Hekate's Klumenon. Volgens Linnaeus en ook Dierbach zou deze Plant de Oostersche Platerwt^_(1O)_^ zijn. Doch er zijn ander gissingen: Fabius Columna identificeert met het gesleufde Schorpioenkruid^_(11)_^; -- Turnerus met het Water-Helmkruid^_(12)_^; -- anderen met de Kamperfoelies^_(13)_^ (Picke- | | ^(1)^ Matricaria chamomilla L. Vgl.~ over de Kamille der Ouden: Marzell, Unsere | Heilpfl.~, 212. | | | ^(2)^ Chamaimelon: gr.~ chamal "=" laag, op den grond, gr.~ melon "=" appel. | | | ^(3)^ Anthemis nobilis L. | | | ^(4)^ Micropus erectus L. | | | ^(5)^ Filago pygmaea L. | | | ^(6)^ Hedera helix L. | | | ^(7)^ Antennaria dioca L. | | | ^(8)^ Leontopodium alpinum Cass. | | | ^(9)^ Adiantum capillus-veneris L. | | | ^(10)^ Lathyrus clymenum L. | | | ^(11)^ Scorpiurus sulcatus L. | | | ^(12)^ Scrophularia aquatica L. | | | ^(13)^ Lonicera periclymenum L.~ en L.~ caprifolium L. | ring, 160); of met het Mansbloed^_(1)_^; of met de breedbladige Platerwt^_(2)_^; of met de Akker-Goudsbloem^_(3)_^. (Leunis, 717). Zie hierover vooral Dodoens en Lobelius. 16"o" Hekate's Kardamon. Het is de veelgekweekte Tuinkers^_(4)_^ (of Boter- hamkruid), een uitstekende Heilplant: `De kleynmoedighe ende bloode menschen pleeghmen in oude tijden te ghebieden Kersse te eten / om hun wat moets ende hertigheydts te doen hebben : ende / als sommighe segghen / de Kersse is Carda- mum gheheeten / om datse het leven ende kracht des herten bewaert', Gr.~ Kardia "=" hart. -- Eenigen aanzien de Waterkers^_(5)_^ voor het Kardamon. (Kannegiesser, l.~ v.~ Nasturtium). Kannegiesser beweert zelfs dat Kerse, hgd.~ `Kresse' zou kunnen komen van Gr.~ Kardamon dat Perzisch is: loutere, niet waarschijnlijke gissing (z.~ b.v.~ Franck-van Wijk). 17"o" Hekate's Alkea. De Alkea zou, naar Dierbach, de Zuideuropeesche Maluwe van Toumefort^_(6)_^ zijn. Bij Leunis (318) is 't een ander Maluwachtige Malope malacodes L.~, die insgelijks omtrent de Middellandsche Zee groeit. Dodoens, Linnaeus, Pickering en anderen beschouwen Alkea als zijnde het Sigmaarskruid^_(7)_^ dat ook in ons land voorkomt. -- In allen gevalle was 't een Heilkruid: `Alces, fort ab alke, auxilio' (Lemery, 18); Gr.~ `alkeo, strken'. (Leunis, 19). 18"o" Hekate's Orminon. Naar Dierbach is het Orminon de Oostersche Sesam^_(8)_^, doch dit beantwoordt veeleer aan Sesamon der Ouden. Dodoens, Mattbiolus, Blancardus, Linnaeus, Pickering en vele andere Botanisten, houden er voor een Zuideuropeesche Salie nl.~ Salvia horminum L.~; eenigen denken aan de verwante Scharlei^_(9)_^, die men wel eens in onze hoven met de vorige aantreft; Boisacq vertaalt enkel door fr.~ Sauge. Orminon (Lat.~ Horminum) werd in liefdephilters gebruikt. `Horminum, ah orman, id est, impetu feri; om dat men gemeent heeft, dat dese plant de Venusdriften verwekte'. (Lemery, p.~ 341; vgl.~ hiermee Dod.~ 473). 19"o" Hekate's Smilax. Iedereen houdt er voor de Stekende Winde^_(10)_^, die, in Zuid-Europa, zeer gemeen is en om hare genezende kracht welbekend was. Uit het bovenstaande blijkt dat Hekate, voor haar Tooverkunsten, giftige naast heilzame Kruiden gebruikte, hetgene de Heksen, zoo 't schijnt, haar hebben nagedaan en nog nadoen. Een ander Hekateplant, die deze Grieksche Tooveres in haren tuin kweekte, was de Saffraan^_(11)_^ (Gr.~ Krokos) -- een Bloem wier Stempels de Saffraan | | ^(1)^ Androsaemum officinalis All. | | | ^(2)^ Lathyrus latifolius L. | | | ^(3)^ Caienduia arvensis L. Vgl.~ Marzell, 231. | | | ^(4)^ Lepidium sativum L. Zoo ook Boisacq (Dict.~): `tymologie obscure', | voegt hij er bij. | | | ^(5)^ Nasturtium officinalis R.~ Br. | | | ^(6)^ Malva tournefortiana L. | | | ^(7)^ Malva alcea L. | | | ^(8)^ Sesamum orientale L. | | | ^(9)^ Salvia sclarea L. | | | ^(10)^ Smilax aspera L. Doch vgl.~ Boisacq (Dict.~). | | | ^(11)^ Crocus sativus L. | van den handel opleveren en veel in de geneeskunst werd aangewend. Zelfs wondere dingen vertelt men er van: `Drij vierendeel loots van den Saffraen inghenomen / soo men seydt / maeckt de menschen soo vol blijdschap, / datse hen selven te bersten lachen!' (Dod.~ 330). En terzelfderplaatse: `Saffraen met wijn inghenomen maeckt uytermaten droncken / ende verheught de menschen soo seer / dat sij bijnae dul schijnen te wesen: 'twelck nochtans te verstaen is / alsmen daer een groote menighte van inneemt: want anders strijdt hy teghen de dronckenschap'. -- Vrouwen en juffers mogen, in Oostenrijk, de Saffraan niet plukken; dat wordt alleen gedaan door mannen, knapen en kleine meisjes: anders verwelken de verzamelde Stempels en verliezen deze alle vervende kracht. (Perger, 85)._ Ook de Grieksche Populier^(1)^ stond met Hekate in verband. _Om zich Hekate's magische kunst aan te eigenen, brandde Orpheus te harer eere een opgericbten stapel, bestaande ten deele uit Populierenhout. (Dier- bach, 31; naar Sprengel, Hist.~ d.~ la Md.~ I, 50)._ Eveneens de Ajuin^(2)^ (gr.~ Kromuon). _Hekate ter eere legde men Ajuinen op de Driestraten, waar zij door armen en bedelaars werden gegeten. (Passow)._ Het botanisch geslacht Hecatea van Dupetit-Thouars (Hist.~ d.~ vgtaux dans les les austr.~ d'Afr.~, 1806, p.~ 27 du t.~ 5) heeft, behalve den naam, niets met Hekate te maken. _De gever van dien naam bedoelde wellicht de giftigheid van dit Wolfs- melkachtig geslacht. Hecatea biglandulosa Dup.~-Th.~ is een 20 voet hooge Boom van Madagaskar. Naar Engler en Prantl.~ is Hecatea synoniem met geslacht Omphales L.~ (eenigen schrijven Omphales). De Thas geeft de volgende ver- klaring: `Hecatea. Ses fleurs poctent des tamines trois scissures; leur pistil a trois stigmates; et comme la couleur en est sombre et la qualit suspecte, M.~ Aubert du Petit-Thouars en a fait une allusion la triple Hcate, desse des enfers'. De drievuldige Hekste had drie hoofden (of lichamen) en werd op driesprongen afgebeeld._ b. *Kirkeplanten.* Kirke (fr.~ Circ) was de dochter van Helios (Apollo) en de Zeenimf Perse, en verwant met de vorige Hekate, want haar broeder was Perses, Hekate's vader. Zij bewoonde het fabeleiland | | ^(1)^ Populus graeca Ait. | | | ^(2)^ Allium cepa L. | Aiai (of Aeae^(1)^, waar Ulysses, op zijn zwerfreis, met zijne tochtgenooten strandde. De Heks Kirke veranderde, door middel van een zeker Tooverkruid, de gezellen van Ulysses in zwijnen en deze later weer in menschen. Ulysses, beschermd door de anti- magische Moly (z.~ beneden), bleef op Aiai een jaar, deed zich door Kirke beminnen en won bij haar den ongelukkigen Telegonus, die, later, zonder het te weten, zijnen vader met een pijl doodde. _Welke Plant was eigenlijk dat Tooverkruid van Kirke -- de Kirkaia van Dioskorides -- die door de Heks in eenen Tooverdrank aan de gezellen van Ulysses werd toegediend? De meeningen loopen zeer uiteen. 1"o" Kirkaia (lat.~ Circaea) is de Mandragora (z. boven Nachtschaadachtigen). Dodoens (749) verdedigde die meening: `Voorts soo was dit Cruydt' -- Mandragora nl.~ -- `Circaea in oude tijden geheeten / omdat de voorseyde too- veresse Circe de wortel daer van by haer drancken pleegh te vermenghen / om de iongmans tot liefde te verwecken: waer in de selve hedendaeghs oock ghe- looft wordt eenighe krachten te hebben'. Vgl.~ ook Lobelius, 323; Leunis, 219; Dierbach, 186. 2"o" Het is de met vorige Plant verwante Zwarte Nachtschade^_(2)_^. Aldus Mrat en De Lens, Dict.~ i.~ v.~ Circaea. 3"o" Het is de Zwarte Zwaluwwortel^_(3)_^, uit Zuid-Europa. Evenals uit Mandragora sneed men uit den Wortel dezer Plant amuletten tegen Tooverij. (Leunis, 219). Ook Pickering, 339, beschouwt Kirkaia als zijnde een Asclepias nl.~ A.~ dioscoridis. 4"o" Het is de giftige Alfsrank^_(4)_^, een Nachtschaadachtige die rankt en in ons land gemeen is. `Oock is 't Circaea ghenoemt gheweestom eenighe ghelijcke- nisse van crachten diet heeft / als wel behoort / met de Mandragora, want de naem van de Mandragora was Circaea, ende werden bij auentuere beyde ghe- bruyckt in Minnedranckskens...' (Lob.~, 323). 5"o" Het is de Braziliaansche Peper^_(5)_^, insgelijks een Nachtschaadachtige die ons de Cayenne-Peper geeft. Dat beweert althans Caesalpinus. (De Plantis, l.~ 5, c.~ 22). 6"o" Het is de Fluweelbloem^_(6)_^, een bij ons veelgekweekte Tuinbloem (naar Hieron.~ Bock; Dod.~, 282). 7"o" Linnaeus heeft den naam Circaea gegeven aan een onschuldig Woud- plantje dat ook hier te lande zeer gemeen is, aan het Stevenskruid^_(7)_^. Hiernaar in 't Ndl.~ Heksenkruid en Toovenaarskruid (Heukels, Wdb.); in 't hgd.~ `Heksen- kraut'; in 't fr.~ `Herbe aux Sorciers', `Sorcire', `Herbe des Magiciennes', | | ^(1)^ Vanhier: Aeaeae artes "=" Tooverkunsten. en Aeaeae carmina "=" Toover- | formulen, Tooverzangen. | | | ^(2)^ Solanum nigrum L. | | | ^(3)^ Asclepias nigra L. | | | ^(4)^ Solanum dulcamara L. | | | ^(5)^ Capsicum annuum L. | | | ^(6)^ Amaranthus caudatus L.~; en ook Celosia cristata L.~, de Hanekam. | | | ^(7)^ Circaea lutetiana L. | `Herbe aux Vaudois' ("=" `Sorciers' of Toovenaars, aldus in Fribourg, Zwits.~), `Herbe aux sorcilges' (aldus te Dagny-Lambercy, dp.~ Aisne) , `Herbe en- chanteresse'; in 't eng.~ `Enchanter's Nightshade' ("=" Toovenaars Nachtschade). Doch het Stevenskruid kan niet de Kirkaia der Ouden zijn. Blancardus (Lex.~) die zeer juist ons inlandsch Plantje beschrijft, zegt o.~ a.~: `Vocatur Mandragora, quia hac herb quondam alios fascinare Circe magica inventrix solis filia putatur, vel quia hujus plantae fructus se vestibus affigit, hocque modo, ad se trahit, sicut Dea Circe suis incantamentis facere credebatur'. Lemery (195) houdt aan de laatste verklaring: `Circaea, Circe, omdat de vrucht van deze plant, die met stekelen bezet is, zich aen de kleederen vasthecht, en de menschen naer zich trekt, gelyk als de Circe der Poten de menschen door hare betoove- ringen naer zich trok'. -- Prahn (137) wijst op het volgende hgd.~ volksgeloof aangaande dat gemeene Kruid: als iemand in het woud verdoolt en deze Plant aantreft, is het hem een teeken dat Heksen aan zijn ongeluk schuld hebben. Vgl.~ nog Ovid.~ (Hersch.~ l.~ 14, c.~ 1) waar Circ, door haar Giftkruiden, Scylla, de door Glaukus beminde, in een bassend zeemonster vervormt; en Ovid.~ id.~ l.~ 14, c.~ 5, waar zij door haar Tooverroede Pikus in Specht verandert._ c. *Medeakruiden.* Medeia (lat.~ Medea), de vermaarde Tooveres, was de dochter van den Kolkischen koning Aetes (broeder van de vorige Kirke) en van de Nimf Idyia (anderen zeggen van Hekate zelf). Zij werd beschouwd als zijnde de schutsvrouw van de Tooverplanten, die zij alle kende. Als speciale Medeakruiden staan min of meer goed beschreven: _1"o" Medea's Ephemeron. Naar de meeste commentators is het de giftige Herfst-Tijloos^_(1)_^. Men heette dit Kruid: Ephemerum lethale aut strangulatorium ("=" doodelijk of worgend Ephemerum; Dod. 313) en Ephemerum venenosum ("=" giftig E.~; Blanc.~ Lex.~): men geloofde dat hij die van de Knollen at, nog denzelfden dag moest sterven. Vanhier de naam Ephemerum (gr.~ ephemeros, slechts en dag durend): het op nen dag den dood aanbrengend Kruid. (Z. ~ Leunis, II, 802: Blanc.~, Lex.~; Matth.~, Comm.~ 616). Nikander (Ther.~ 849 en Alex.~ 250) zegt dat Medea dit Ephemeron heeft ontdekt. (Pickering, 164). Eene sage vertelt dat Medea een Tooverdrank brouwde om den ouden Aeson, dcn vader van haren gemaal Jason, te verjongen. Daartoe verzamelde zij, in 't gebergte, gedurende negen nachten, al de krachtige en giftige Kruiden die haar bekend waren. Doch eenige droppels van het brouwsel vielen, bij toeval, op den grond en daaruit ontsproot het giftige Ephemeron of Colchicum. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ 382; Shns, 84). Zie de zeer aardige beschrijving bij Ovidius, Me- tamorph. | | ^(1)^ Colchicum autumnale L. | Over het niet doodelijke Ephemeron, Ephemerum non lethale der Ouden, loopen de meeningen zeer uiteen. Fuchsius zegt dat het het Lelieke-uit-den- Dale^_(1)_^ is. (Dod.~ 317; Lob.~ 212; doch 't is verkeerd, beweren onze beide Botanisten); Dodoens (312) verkiest er den Hondstand^_(2)_^ voor te houden; Fabius Columna wijst op het Vingerhoedskruid^_(3)_^; Matthiolus en, na hem, Linnaeus beschrijven als Ephemerum een soort van Wederik (Lysimachia ephemerum L.~) uit het Oosten, en de echte Diptam heeft insgelijks dien naam ontvangen. (Dod.~ 451). Vgl.~ Dierb.~ 183. De `Ephmre' ^_(4)_^ der Franschen heeft niets met Ephemeron der Grieken te maken: de naam ziet op den korten duur der Bloemen, en 't is alsof men Eendagsbloem zegde. 2"o" Medea's Knekos (of Knikos, lat Cnicus). Knekos is, naar alle waar- schijnlijkheid, het Saffloer of de Basterdsaffraan^_(5)_^, een distelachtige Samen- gesteldbloemige uit het Oosten, als purgeerplant aangewend. Men noemt ze nog Verversdistel, omdat zij ons een roode kleurstof (het eigenlijke Saffloer) levert. Zij wordt soms in onze tuinen aangetroffen. Pickering (295) gist dat Knekos de Kretische Carthamus^_(6)_^ zou kunnen zijn. 3"o" Medea's Anchusa. Naar Dierbach is het de Ververs-Ossetong^_(7)_^ uit Zuid-Europa. De Wortel houdt het Alkanna-rood (een purperroode verfstof) in. 4"o" Medea's Chrusanthemon of Chalkanthon (lat.~ Chrysanthemum of Chal- canthum). Velen (Dierbach, Leunis, enz.) houden er voor de Gekroonde Ganzebloem^_(8)_^, in onze hoven dikwijls gekweekt. Dodoens meent dat het de inlandsche Akker-Ganzebloem^_(9)_^ of Vokelaar zou kunnen zijn; doch 't is verkeerd. 5"o" Medea's Strouthion (lat.~ Struthium). Het Kruid is niet met zekerheid bekend. Eenigen (Linnaeus, Mrat en De Lens, Dierbach) verwijzen naar den Egyptischen Zeepwortel^_(10)_^. -- Leunis en Pickering meenen dat het echte Zeepkruid^_(11)_^ veeleer dien naam (het Strouthion van Euryphon nl.~) verdient. -- Anderen denken aan den Meesterwortel^_(12)_^, aldus om zijne groote heilkrachten genoemd (Dod.~ 514); -- of aan de opgeblazen Silene^_(13)_^, ook in ons land gemeen, en met heelkrachtigen Wortel (naar Pickering, het Strouthion van Theophrast); -- of aan Silene spinescens (het Strouthion van Plinius, XIX, 18; | | ^(1)^ Convallaria maialis L. | | | ^(2)^ Erythronium dens-canis L. | | | ^(3)^ Digitalis purpurea L. | | | ^(4)^ Tradescantia virginica L. | | | ^(5)^ Carthamus tinctorius L. | | | ^(6)^ Carthamus creticus L. | | | ^(7)^ Anchusa tinctoria L. | | | ^(8)^ Chrysanthemum coronarium L. | | | ^(9)^ C.~ segetum L. | | | ^(10)^ Gypsophila struthium L. | | | ^(11)^ Saponaria officinalis L. | | | ^(12)^ Imperatoria ostruthium L. | | | ^(13)^ Silene inflata Sm. (Cucubalus behen L.~). | naar Pickering); -- of aan de Bloem van Konstantinopel^_(1)_^, in onze hoven welbekend. (Dod.~ 269). -- Onze Mechelaar gist nog dat het de Madelgeer^_(2)_^ zou zijn, een Tooverplant: `De Italianen houden veel van dit cruydt / in sonderheydt in de ghenees-middelen die sy bereyden teghen de pest / vergift ende beten oft steken van allerhande quaedt fenijnigh of verwoet ghedierte / ende oock tegen de wonnen. Selfs sy seggen dat het niet Pettimborsa (als sommighe dat noemen) maer Mettimborsa behoorden te heeten / als weerdigh wesende om als goudt oft ghelt in eeren ghehouden te worden / ende in de borse bewaert te wesen; oft ten minsten / om dat het de ghene die dat ghebruycken veel doet winnen / ende de borse met goudt doen vullen kan'. (Dod.~ 556). -- Aldrovandi spreekt van de Spoorvaleriane^_(3)_^ onzer tuinen (Dod.~ 569); Fabius Columna van een Santorie^_(4)_^ of een Scabieuse^_(5)_^; en Mrat en De Lens (Dict.~) van de Wouw^_(6)_^. 6"o" Medea's Psullion (lat.~ Psyllium). Het is het Zuideuropeesche Vloo- kruid^_(7)_^, naar de gelijkenis van het Zaad met eene vloo (Dod.~ 159) of, omdat het, in de huizen gebracht zijnde, de vlooien verjaagt en belet te groeien (idem). Doch, naar de Signatuur-leer, moesten vloovormige Zaden zonder twijfel zulke krachten hebben. Z.~ nog Psyllium in Blanc.~ (Lex.~). 7"o" Medea's Kedros (lat.~ Cedrus). Kedros is de Zuideuropeesche aromatische Jeneverboom^_(8)_^. Voor haar magischen arbeid brandde Medea houtstapels van Kedros, van Griekschen Populier^_(9)_^ en van Rhamnos^_(1O)_^. (Dierb.~ 185). 8"o" Z.~ nog Medea's gift, door haar bereid voor Theseus (Ovidius, Met.~ L.~ VIII): deze giftdrank werd gemaakt met Monnikskap^_(11)_^. Het geslacht Medea Klotsch (in Wiegm.~ Arch.~ VII, 1811, p.~ 198) behoort tot het geslacht Croton L.~ (z.~ Engler en Prantl): deze Medea is een giftige Euphorbiacee en werd daarom met de giftmengster Medea in verband gebracht._ d. *Canidiaplanten.* Horatius (Epod.~ v) brengt ten tooneele de oude Heks Canidia, bijgestaan door andere Tooveressen, waronder Sagana, Veia en Folia: door Tooverkunst wil zij opnieuw winnen de liefde van den insgelijks oud geworden Varus. Onder meer andere Toover- middelen gebruikte zij, voor haren magischen vuurstapel. Kruiden | | ^(1)^ Lychnis chalcedonica L. | | | ^(2)^ Gentiana cruciata L. | | | ^(3)^ Centranthus ruber L. | | | ^(4)^ Gesl.~ Centaurea L. | | | ^(5)^ Gesl.~ Scabiosa L. | | | ^(6)^ Reseda luteola L. | | | ^(7)^ Plantago psyllium L. | | | ^(8)^ Juniperus oxycedrus L. | | | ^(9)^ Populus graeca Alt. | | | ^(10)^ Lycium europaeum L. | | | ^(11)^ Aconitum napellus L. | van Iolcos (waar Jason geboren werd) en van Iberia (een streek ten Oosten van Colchis, thans Georgi) en de twee volgende Tooverboomen: _1"o" Canidia's Caprificus. Het is de oude wilde Vijgeboom^_(1)_^, gewassen op graven, een onheilsboom: `Jubet sepulchris Caprificos erutas' (vs.~ 17). 2"o" Canidia's Cupressus. Het is de altijdlevende Cipres^_(2)_^ -- een Helleplant en Pluto toegewijd, tevens een Rouwboom, dien men vor de deur van den overledene plaatste (indien deze een persoon van aanzien was), in de brand- stapels deed, waarop men 't lijk legde en waarmede men de graven versierde. In Epod V, VS.~ 18: `Jubet Cupressus funebres'. Ook op een plaats (Od.~ I.~ 2) spreekt Ovidius van den `gehaten' Cipresboom. In Aeneis VI, 125, heet de Boom: `Cupressus feralis' d.i.~ Cipres den dooden toegewijd; id.~ III, 69: `Cupressus atra' zwarte Cipres. 3"o" Ik voeg bij die twee Canidia-Boomen het Magisch Look^_(3)_^, dat door Salisbury (Gen.~ Pl.~ Fragm.~ 1866, p, 92) Canidia magica wordt genoemd._ e. *Alphesibeaplanten.* Het IJzerkruid^(4)^ werd door Alphesibea gebruikt in hare bezweringen. _Om den man die haar afsloeg, tot minne te bewegen, deed zij, gedurende hare incantaties, berookingen met I]zerkruid. Z.~ hierover Virg.~, Herderszangen._ f. *Drie-Koningenplanten.* De Drie-Koningen, die bij de geboorte Christi naar Bethlem kwamen, waren Magirs (in het vervlaamschte Nieuwe Testa- ment heeten ze Wijzen). En de Magirs stonden bij de Iranirs, Grieken en Latijnen bekend als Astrologen, Wichelaars, Waar- zeggers, Toovenaars. In de Christene legendenliteratuur werden de drie Magirs uit het Oosten Balthazar, Melkior en Gaspar(d) (Caspar) geheeten en tot Heiligen verheven. Men viert ze op Drie-Koningendag en men eert hunne relikwien te Keulen. Myrrhe en Wierook staan met hen in verband. _Evangelist Mattheus (II c.~) schrijft dat de drie Wijzen uit het Oosten, door de Wonderster geleid, te Bethlem kwamen en `gaande in het huis, hebben | | ^(1)^ Ficus carica L. | | | ^(2)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(3)^ Allium magicum L. | | | ^(4)^ Verbena officinalis L. | zij het Kind gevonden met Maria zijne moeder en, nederknielende, hebben zij dat aanbeden, en nadat zij hun schatten opengedaan hadden, hebben zij hem gaven geofferd: Goud, Wierook en Myrrhe'. Wierook (lat.~ Thus orientale) is de Hars van den echten Wierookboom^_(1)_^, een groote Boom uit Arabi van de Oostkust van Afrika. Myrrhe is de Gom (Gummi Myrrhae) van den echten Myrrhenboom^_(2)_^, uit Noordoost-Afrika (vooral uit het Somaliland). Een der Drie Koningen is wit, de ander zwart, en de derde bruin: de witte offert Goud, symbool van leven en licht; de zwarte Myrrhe, zinnebeeld van dood en nacht; de bruine Wierook, emblema van het Goddelijk Dogma, dat de twee Princiepen vereenigt. (Lvy, H.~ M.~, II, 98)._ In de volgende Driekoningen-legende werd gewag gemaakt van het edele, welriekende Koningskruid^_(3)_^. _De Drie Wonderteekens of Vizioenen der Drie-Koningen. Gedurende den heiligen Kerstnacht zag ieder der Drie-Koningen een Wonderteeken. Kaspar, had gekweekt -- 't was zijn Vizioen en Wonderteeken -- eenen Struisvogel, en deze had, zooals hij 't gewoonlijk deed, twee eiers gelegd en ze bebroed: uit het eene ei kwam een Lam en uit het andere een Leeuw. Toen riepen de menschen dat zulks een groot Wonder was en nooit meer zou gezien worden. Het Lam beteekende de H.~ Godheid en Christus'~ deemoedig lijden onder de menschen. -- Balthazar kweektte -- 't was zijn Vizioen en Wonderteeken -- in eenen tuin een Boompje, het droeg het edele Basilicum of Koningskruid, en ook een Bloempje dat schooner dan de Roos^_(4)_^ was. En te midden van dat Bloempje stond een balgje. En gedurende den nacht dat Maria den Heiland baarde, ging het balgje open en een Vogeltje, rood als robijn, vloog er uit en sprak met menschelijke stem: `Eene Vrouw heeft een Kind gebaard: het is de Schepper van hemel en aarde; het is waarlijk de God-en-Mensch en de wereld is hem onderdanig'. -- En aan Melkier -- het was het Derde Wonderteeken en Vizioen -- werd in den Kerstnacht een kind geschonken. Het stond, nauw geboren, op zijne voeten; en het sprak en groette lieden en het strekte zijne handen ten hemel en openbaarde: `Heden nacht is uit eene Maagd een Kind geboren; zij heeft het ontvangen van den H.~ Geest. Het zal leven 33 jaar; en als dat zal gebeurd zijn, zal ik sterven na 33 dagen'. En Melkior's kind stierf, zooals het had voorzegd. Z.~ Gebhart, Kirchl.~ Jahr, 7-8; Is.~ Teirlinck, Planten- kultus, 269-70. Het Koningskruid komt uit het Oosten, en 't bovenstaande zal wel steunen op geleerde volksetymologie._ | | ^(1)^ Boswellia sacra Flck. | | | ^(2)^ Balsamodendron myrrha Nees. | | | ^(3)^ Ocymum basilicum L. | | | ^(4)^ Rosa centifolia L.~ vooral. | g. *Ceridwensplanten.* Ceridwen was, naar de sage, de vrouw van den edelen Tegid Voel, wier land in 't midden van het meer Llyn Tegid (Wallis, in Eng.~) of Bala lag. Men heeft ze vereerd als Godin, later daalde ze af tot Tooveres. Zij kende de krachten der Tooverkruiden, voorspelde de toekomst en kon zich in allerhande dieren vervor- men. Zij bezat een wonderbaren Tooverketel, waarin zij de door haar verzamelde Kruiden en ander stoffen ondereen brouwde. _De sage vertelt: Ceridwen won bij Tegid Voel een zoon Morvrad ap Tegid, daarna de schoone dochter Creirwy, eindelijk een tweeden afzichtelijken zoon, voor wien zij eenen Ketel bereidde, ten einde aan dit derde kind, dat reeds door speciale geestesgaven uitmuntte, ook de gave van de toekomst te doorblikken te geven. De jonge Gwyon, zoon van Gwreang van Llanveir, zou op de toebereiding van den Ketel letten; de blinde Morda stak het vuur aan en moest opletten dat het zieden van het bereide Ketelwater en jaar en en dag voortging, en wel zoolang tot de drie gezegende droppen van de gave van den Geest zouden bekomen worden. Ceridwen ging intusschen gedurig voort met de sterren te wachten, den loop der planeten gade te slaan en zeldzame Kruiden van alle soort te zamelen. Op het einde van het jaar toen zij nog bezig was met Kruiden te zoeken, gebeurde het dat drie droppen van het Krachtige Water uit den Ketel vlogen en op Gwyon's vinger nedervielen. Zij verbrandden den vinger, dien Gwyon ijlings in zijnen mond stak: onmiddellijk zag hij al de gebeurtenissen der toekomst en ontwaarde hij dat hij zich voor Ceridwen had te hoeden. Hij snelde huiswaarts. De Ketel barstte in tween, want al het overige Water (behalve de drie gezegende droppen) was giftig: het liep in een gracht en vergiftigde de paarden van Gwyddno Garanhir, die uit de gracht dronken. Toen kwam Ceridwen thuis en zag dat haar gansch jareswerk verloren was. Zij nam eenen roerstok en sloeg den blinden Morda zoo hevig op den kop, dat een zijner oogen op zijne wang viel. Morda riep dat hij onschuldig was; en Ceridwen sprak: `Ja, Gwyon de Kleine heeft mij beroofd!' Zij achtervolgde Gwyon. Doch deze veranderde zich in eenen haas, doch Ceridwen werd jacht- hond en joeg hem naar een vloed. Hij liep er in en werd visch, doch zij werd otterwijfke. Hij nam de gedaante van eenen vogel aan en vloog in de lucht; zij werd valk. Hij ontwaarde een hoop Tarwe^_(1)_^ op een dorschvloer, sprong er te midden in en werd Tarwekorrel. Zij werd een zwarte hen, schartte in den hoop en ontdekte den gezochten korrel, dien zij inzwolg. Daarvan werd Ceridwen zwanger en negen maand daarna baarde zij een allerliefsten zoon. Zij legde hem in eene boot met een vel overdekt en liet het schuitje in het Meer, waar het gevonden werd door Elphin, den zoon van Gwyddno. Dat kind was | | ^(1)^ Triticum vulgare Vill. | de Bard Taliesin, die de orde van den Ketel van Ceridwen instelde. (Nork, Myth.~ 662 en vvgg.~ waar de sage uitvoerig voorkomt en verklaard wordt). Onder de zeldzame Kruiden, die de Druden in Ceridwen's Ketel brouwden om het `Sap der Begeestering en van het Weten' te bekomen noemt Nork (759; naar Romeinsche schrijvers): De Sleutelbloemen^_(1)_^, Tarwe^_(2)_^, Kraak- bessen^_(3)_^, IJzerkruid^_(4)_^ en Selago^_(5)_^, die alle vor de Nieuwe Maan moesten geplukt worden; men deed er nog Klaver^_(6)_^, honig en Mede bij. Negen maagde- lijke Drudinnen of Ceridwen's Priesteressen verhitten dit Sap door hunnen adem tot het begon te zieden en aldus en jaar en en dag voortkookte, en tot de drie droppen van den Waarzeggersgeest op den vinger van de novicen vielen; deze staken den verbranden vinger in den mond en sedertdien was de toekomst hun onthuld. (Vgl.~ Teirl.~ Plantenk.~, 114). -- Bij deze Ceridwen's Planten moeten ongetwijfeld nog gevoegd worden de Plineaansche Samolus^_(7)_^, en de Selago, alle bei tot nu niet gedentificeerd. (Id.~ 114)._ h. *Merlinsplanten.* De Toovenaar Merlin (liever gallisch Merddhin) was de zoon van een nachtgeest (Incubus) en van een koningsdochter die hem in een klooster, te Caermarthen (Wallis) ter wereld bracht. Hij was Drude en Barde van Koning Emrys Wledig (die op het einde der 5"e" eeuw) de invallende Saksers bestreed. _1"o" De gouden Appelen van Merlin. In de Keltische sagen staat Merddhin bekend als Toovenaar. Hij schonk Koning Arthur de Gouden Appelen, die aan het koninklijk hof werden bewaard en er door eenen ridder gestolen werden. Owen, de zoon van Urian, had den last gekregen den roover op te zoeken. Aldus in de Peredursage (gallisch gedicht waarschijnlijk uit het begin der 12"e" eeuw, door Fransche dichters omgewerkt in Bretagne). Z.~ hierover Nork, Myth.~ VS.~, 771 en 788. Uit den volksmond van het landvolk van Bretagne (Fr.~) hoorde Villemarqu eene sage, waarin Merlin aan Koning Arthur drie gouden Appelen aanbiedt met de woorden: `Voici trois Pommes d'or brillant, Elles appartiendront aux trols plus belles. C'est moi Merlin qui le prdis.' | | ^(1)^ Primula elatior Jacq.~ en veellicht ook P.~ officinalis Jacq. | | | ^(2)^ Triticum vulgare L. | | | ^(3)^ Vaccinium myrtillus L. `Bergbeeren' schrijft Nork, en. naar Holl (Pritz.~ | u.~ Jess.~) zijn de `Bergbeeren' Ribes alpinum L.~, zie hierover Teirlinck, Plan- | tenk. 113. | | | ^(4)^ Verbena officinalis L. | | | ^(5)^ Z.~ Teirl.~ Pk.~, 113-114. Een ons onbekende Plant en wel zeker niet de | Linneaansche Selago die een Kaapsche Plant is. (Leunis, blz.~ 639). | | | ^(6)^ Trifolium pratense L. | | | ^(7)^ Linnaeus noemt een inlandsche Primulacee: Samolus valerandi. | Vgl.~ met den gouden Appel, die door Paris aan Minerva werd toegekend (een Venussage) en met de door Herkuul geroofde Gouden Hesperidenappels (eene Heraklessage); ook met de Appelen van Iduna. 2"o" Merlin wordt in een toren onder een Hageboom gebannen. Merlin wordt door de schoonheid van Niniane (of Viviane) zoo getroffen dat hij heur zich gansch overgaf. Om haar te vermaken leerde hij heur alle soorten van Toovertoeren, die zij hem nadeed. Op eenen dag merkte hij jn haar heele wezen groote droefheid. Hij vroeg naar de oorzaak. Zij antwoordde dat zij verlangde te weten hoe men eenen man kon binden zonder keten, zonder toren en zonder muren, enkel door de macht der Tooverkunst. Toen Merlin dat hoorde, zuchtte hij diep en liet zijn hoofd zinken. `Ik weet', zei hij, `dat gij mij aldus behouden wilt, en ik bemin u zoo zeer, dat ik het u leeren zal'. `Ik wensch', zei Niniane, `dat wij voor ons een Tooverwoonst oprichten, waar wij ongestoord kunnen samenleven en vroolijk zijn met ons beiden'. `Dat zal gebeuren', antwoordde Merlin. `Neen, neen, zoete vriend, gij zult dat niet doen, gij zult mij leeren hoe het te doen is, opdat die woonst in mijn geweld blijve'. En Merlin, verliefd, leerde het heur. Op eenen dag gingen zij hand in hand naar het woud van Broceliande. En als zij vermoeid waren, zetten zij zich onder een grooten Hagedoorn ^_(1)_^, die zoet te geuren stond, in het hooge Gras neder en minnekoosden er. Merlin lei zijn hoofd in Niniane's schoot en zij streelde zijne wangen tot hij insliep. Als zij zeker was dat hij sliep, stond zij zachtjes op, nam haren langen sluier, omringde er mee den Hagedoorn, onder denwelken Merlin sliep, en voleindde de betoovering, juist zooals hij ze haar geleerd had. Negenmaal ging zij rond den gesloten kring, negenmaal her- haalde zij de Tooverwoorden, tot hij niet meer zou kunnen vrijgemaakt worden. Toen trok zij weder in den kring, zette zich zachtjes op hare eerste plaats en lei Merlin's hoofd opnieuw in haren schoot. Als hij wakker werd en rond zich keek, dacht het hem dat hij opgesloten was in een ontzettend hoogen toren en dat hij lag op een heerlijk kostbaar bed. Toen riep hij: `O mijn zoetelief, gij hebt mij bedrogen en indien gij mij nu verlaat, kan geen ander mij uit dezen toren verlossen!' `Mijn zoete vriend,' antwoordde zij, `word rustig, ik zal dikwijls in uwe armen zijn'. Die belofte bleef zij getrouw, want weinige nachten vergingen zonder dat zij bij hem was. Merlin kon de plaats niet verlaten, maar zij ging en kwam naar welgevallen. Nadien zou zij hem wel willen de vrijheid weergegeven hebben, want het deed haar leed hem in zulke gevangenis te zien; maar de Toover was te sterk, en het lag niet meer in hare macht zulks te doen. Daarom teerde zij in treurigheid weg. (Nork, Myth.~ d.~ Volkssagen, 721-2, ook 706; naar Schlegel, Rm.~ Dicht.~ d.~ Mittelalt, 176 en vvgg.~). Een verspreid thema ook in de volksliteratuur: betooveren kan, bij geval een oningewijde, maar onttooveren niet (reeds bij Lucianus in zijn Philopseudes)._ | | ^(1)^ Crataegus oxyacantha L.~ en C.~ monogyna Jacq. | i. *Albertus-Magnuskruiden.* Albertus, Graaf van Bolstdt (Duitschl.~), gewoonlijk Albertus Magnus geheeten, zag het daglicht, in 1193. te Lauingen in Zwa- ben, en stierf te Keulen in 1280. Eerst was hij dominikaan. later bisschop van Regensburg, eindelijk lector te Keulen en hier raad- gever van den aartsbisschop Konrad van Hochsteden. Thomas van Aquino en Thomas Catimpratensis waren zijne leerlingen. Zijn kennissen -- niet alleen in de natuurkunde, maar op alle wetenschappelijk gebied -- waren zoo uitgebreid^_(1)_^ en schenen, voor zijn tijd, zoo ongewoon dat eenigen hem als Toovenaar ver- dacht maakten. En niettegenstaande zulke verdachtmakingen werd hij, in 1562, gelukzalig verklaard. Vele sagen zijn over Albertus Magnus in omloop gekomen en Tooverplanten dienden hem tot zijn bovennatuurlijke kunsten. Deze Planten vindt men opgesomd in het boekje dat bekend is onder den naam Liber aggregationis en dat, te recht of te onrecht^_(2)_^, hem door sommigen wordt toegeschreven. _Hier volgen deze Tooverplanten naar gemeld `Liber aggregationis seu liber secretorum Alberti Magni de virtutibus herbarum, lapidum et animalium quorundam' (1"o" uitg.~ Geneve, 1477). Dat zonderling boekje -- waarin^_(3)_^ men nl.~ zegt `dat die conste Magia niet quaet en is. Want door dye selve kennisse machmen schouwen het quaet, ende volgen het goet' -- werd algauw vertaald in 't Nederlandsch met den titel^_(4)_^ van `dat Boeck der Secreten Alberti Magni'; in Holland althans, te Leiden, verscheen er eene (de eenige ons bekende), waarschijnlijk in 1551^_(5)_^ (een exemplaar berust op de Univ.~-Bibl.~ te Gent; doch het titelblad ontbreekt). -- Ik citeer naar de Leidensche uitg.~, of ook wel naar een Fransche vertaling van `Liber aggregationis' (die ik in mijn bezit heb en verschenen is in: `La Magie naturelle ou Mlange divertissant', Amsterd.~ Robert le Turcq, 1726, blzz.~ 69-112. | | ^(1)^ Bij den geleerden Trithemius heet hij: `magnis in magia naturali, major | in philosophia, maximus in theologia'. | | | ^(2)^ Eenigen beschouwen Hendrik van Saksen als schrijver van dit werkje. | Velen beschouwen Albertus Magnus van den titel als een schuilnaam. Zie | Marzell, 60. | | | ^(3)^ In de Leidensche nederl.~ vertaling. | | | ^(4)^ Ten minste aldus in de approbatie van de Leidensche uitg. | | | ^(5)^ Te oordeelen naar de reeds vermelde approbatie `door den Geestelijeken | Houe van Therrenburg' gegeven tot Brugge den 15"e""n" dag van Januari 1551. | Doch dit jaartal doelt misschien op eene ons onbekende Vlaamsche uitg.~ en | niet op de Leidensche, die later zou kunnen verschenen zijn. Z.~ nog over het | werkje Versl.~ en Meded.~ Kon.~ Vl.~ Acad.~, 1900, 535-552. | Er zijn vermeld in 't boekje 16 Tooverkruiden en 7 Planeetplanten (waarvan 3 ook bij de eerste 16 voorkomen): alle bezitten buitengewone Wonderkrachten. De 16 Tooverkruiden zijn: 1"o" Heliotropium van Albertus Magnus. De 1"e" uitg.~ (van Geneve, 1477) heet de Plant Elitropia ("=" Gr.~ Eliotropion). Het is de Europeesche Zonne- wende^_(1)_^, reeds boven bij de Heksenplanten (z.~ Bernagieachtigen) vermeld. Hare Bladeren wenden zich naar de zonne; of 't zijn hare Bloemen^_(2)_^ die het doen; of zij opent de Bloemen, als de zonne schijnt (Kannegiesser); of nog omdat, zooals Oodoens schrijft (94), `het omtrent den eersten dagh van den Somer bloeyt / dat is wanneer de Sonne / verst van den Equinoctiael vertrocken oft ghescheyden zijnde / sijnen keer wederom nae den selven neemt'. Dit Kruid heeft, naar Liber aggregationis, verwonderlijke krachten: indien men het in de maand Augustus plukt, als de Zon is in het teeken van den Leeuw, en men het, in een Laurierblad^_(3)_^, met een Wolfstand over zich draagt, kan niemand van den drager kwaadspreken, noch hem door boosaardige woorden schaden, en iedereen zal hem goede dingen toezeggen; wie het 's nachts onder zijn hoofd legt, zal zien en kennen den dief die hem wil bestelen; en indien men het in eene kerk legt, kunnen de vrouwen, die hunne echttrouw verbroken hebben, niet uit den tempel, zoolang het er in blijft. (Mag.~ nat.~, 70-71). En zonder de minste aarzeling wordt hier bijgevoegd: `Ende dat is lest beproeft ende warach- tich bevonden'. (Leidensche uitg.~). 2"o" Urtica van Albertus Magnus. Zie boven Netelachtigen waar de Too- verkrachten van de Netels^_(4)_^, naar Magie naturelle, reeds zijn vermeld. 3"o" Virga Pastoris, van Albertus Magnus. Het is de Kaardebol^_(5)_^. Z.~ boven Kaardebolachtigen, waar men de Tooverkrachten opgesomd vindt. 4"o" Chelidonium (Celidonia, ed.~ 1477) van Albertus Magnus. Het is de groote Gouwe^_(6)_^. Z.~ boven Maankopachtigen en voeg bij de aldaar vermelde krachten: Indien men Chelidonium op het hoofd van eenen zieke legt, zal hij luide zingen zoo hij sterven moet, en weenen zoo hij genezen zal. (Mag.~ Nat.~, 72). 5"o" Pervinca (Proventalis vel Provinca, ed.~ 1477) van Albertus Magnus. Pervinca of Vinca, fr.~ `Pervenche' is de naam van de Maagdepalm^_(7)_^. Z.~ de Tooverkrachtcn boven bij Maagdepalmachtigen. De Nederl.~ vertaling van 1551(?) zegt nog: Het vijfde Kruid `ghepuluerizeerd mct Eertwormen ombewonden' `maeckt goede minne tusschen man ende wijf, ist dat zijt gebruicken in spijse'. | | ^(1)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(2)^ De 1"e" uitg.~ van 1477 schrijft: `apud latinos Elitropia; cujus interpretatio | dicitur ab elijos quod est sol et tropos, quia conversa est ad solem'. De heele | Plant zou zich dus naar de zonne wenden. Ook Passow zegt dat Bladeren en | Bloemen zieh naar de zonne keeren. | | | ^(3)^ Laurus nobilis L. | | | ^(4)^ Urtica dioica L.~ en U.~ urens L. | | | ^(5)^ Dipsacus fullonum L.~ en ook wel D.~ silvestris L. Naar Mrat en De Lens.~ | Dict.~ is Virga Pastoris eigenlijk D.~ pilosus L. | | | ^(6)^ Chelidonium majus L. | | | ^(7)^ Vinca minor L. | 6"o" Nepeta (Nepta en Nepita, ed.~ 1477) van Albertus Magnus. Bedoeld wordt het geurige Kattenkruid^_(1)_^. Z.~ boven Lipbloemigen en de Wonderkrach- ten van die Plant. 7"o" Cynoglossum (Lingua Canis, ed.~ 1477) van Albertus Magnus. Het zal wel de gewone Hondstong^_(2)_^ zijn. Over de krachten wordt gesproken boven bij Bernagieachtigen. (Z.~ ald.~). 8"o" Hyoscyamus (Jusquiamus, ed.~ 1477) van Albertus Magnus. Het is het Bilzenkruid^_(3)_^. Z.~ boven Nachtschaadachtigen en men voege erbij, naar de Fr.~ vertaling: `Prenez cette Herbe, et mlez avec du Reagal^_(4)_^ et des Hermodactiles, ensuite faites-la manger parmi quelque chose un Chien enrag, il moura incon- tinent'. (Mag.~ nat.~ 74). Over de Hermodactylen der oudere Pharmacopeia zijn de Schrijvers het niet eens. Men bedoelt er mee zetmeelinhoudende Knollen, die eenigszins vinger- of handvormig zijn (vanhier de naam Hermodactylus "=" vinger van den God Hermes). Velen brachten deze Knollen tot de giftige Herfsttijloos^_(5)_^ (aldus b.v.~ Junius, Nomencl.~; Pritzel en Jessen): sommigen denken liever aan de Oostersche Tijloos^_(6)_^, of aan de Syrische^_(7)_^, of aan de Alexandrijnsche^_(8)_^; anderen wijzen op de Bergtijloos^_(9)_^ (b.v.~ Fe, Cours d'hist.~ nat.~ pharm.~ I, 316); het grootste aantal nemen er voor de Knolvormende Iris^_(1O)_^, en dat blijkt het waarschijnlijkste te zijn. Z.~ vooral Mrat en De Lens, Dict.~ i.v.~ Hermodacte, Hermodatte. 9"o" Lilium van Albertus Magnus. Het is de welbekende Witte Lelie^_(11)_^. Z.~ boven Leliechtigcn. 10"o" Viscum (in ed.~ 1477: Viscus querci, Viscus quercinum) van Albertus Magnus. Zonder twijfel de Magische Marentak^_(12)_^. Hij groeit, zegt ons boekje, op de Boomen die aldus doorboord worden. Met Sylphium^_(13)_^ vereenigd, opent de Marentak alle sloten. Hangt men hem met eenen Zwaluwvleugel aan eenen Boom, zoo zullen er al de vogels van twee uren en half in de ronde bijeenkomen. (Mag.~ nat.~ 75). | | ^(1)^ Nepeta cataria L. | | | ^(2)^ Cynoglossum officinale L. | | | ^(3)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(4)^ Men leze: realgar. | | | ^(5)^ Colchicum autumnale L. | | | ^(6)^ C.~ variegatum L. | | | ^(7)^ C.~ syriacum L. | | | ^(8)^ C.~ alexandrinum L. | | | ^(9)^ C.~ montanum L. | | | ^(10)^ Iris tuberosa L. | | | ^(11)^ Lillum candidum L. | | | ^(12)^ Viscum album L. | | | ^(13)^ Over het vermaard Silphium der Ouden. zie b.v.~ Mrat en De Lens, | Dict. Het waren Schermbloemigen. die dit kostbare Hars opleverden. Naar | Sprengel kwam het Silphion medikon van de Asa-foetida (Ferula scorodosma | Benth.~ en Hook; naar Viviani werd het met goud gewogen Silphion kurenaikon | (het Cyrenisch Silphium) gegeven door Thapsia silphium Viv. In allen gevalle | heeft Silphion der Ouden niets met het Linneaansche geslacht Silphium te maken. | Vgl.~ Leunis, II, 263, 265 en 699. | 11"o" Centaurium (ed.~ 14771 Centaurea) van Albertus Magnus. Zeer waar- schijnlijk het Duizendguldenkruid^_(1)_^. Zie de wonderbare krachten dezer inland- sche Plant bij Gentiaanachtigen, boven. 12"o" Salvia van Albertus Magnus. Het is de heelkrachtige Salie^_(2)_^. Zie boven Lipbloemigen. 13"o" Verbena van Albertus Magnus: zonder twijfel het heilige IJzerkruid^_(3)_^. 14"o" Melissa (ed.~ 1477: Melisophilos): het is onze Konfilie-de-Grein^_(4)_^. 15"o" Rosa van Albertus Magnus. Over de Tooverkrachten der Roos^_(5)_^, zie boven Roosachtigen. 16"o" Quinquefolium (daarnaast in ed.~ 1477: Serpentina) van Albertus Magnus. Het is 't overal verspreide Vijfvingerkruid^_(6)_^. Een laatste woord over deze zestien Wonderkruiden: Vooraleer hunne krachten te doen kennen. somt de Schrijver van Liber aggregationis deze Planten op. Zoo doet ook de Nederlandsche vertaler van het boekje; doch naast de Latijnsche benamingen plaatst hij Nederlandsche, aldus: `Elitrophia Kersouwen cruyt. Visculus quercinus Mosch van den eycken boom. Celidonia Gout wortel. Verbena Yser cruyt. Jusquiamus Bilsen cruyt. Lelium Lelien. Virga pastoris Caerden. Salvia Sauie. Lingua canis Honts tonghen. Urtica Netelen. Centaurea Sauetorie. Provinca Melissophylas Confilie de greyn. Rosa Roose. Nepta Catten cruyt. Serpentina Vijfuinger cruyt'. Verkeerd zijn 1 `Kersouwen cruyt', want Kersouwe is de naam van de Madelief^_(7)_^, die evenwel (evenals menige andere Bloem) den loop der zon volgt; ook `Mosch van den eycken boom', want de Marentak gelijkt wel het minst op Mos; en `Sauetorie' is drukfout van `Sanctorie'. Die Nederlandsche benamingen vindt men overigens niet meer bij de bovenstaande Wonder- krachten._ | | ^(1)^ Erythraea centaurium L. | | | ^(2)^ Salvia officinalis L. | | | ^(3)^ Verbena officinalis L. | | | ^(4)^ Melissa officinalis L. | | | ^(5)^ Geslacht Rosa, vooral R.~ centifolia L. | | | ^(6)^ Potentilla repens L. | | | ^(7)^ Bellis perennis L. | De Magirs en Toovenaars geloofden dat al wat leeft, den invloed van de zoogenaamde zeven Planeten ondergaat. Liber aggregationis noemt bepaaldelijk zeven Planeetplanten, `ende die virtuten oft crachten hebben si ghehadt nae dye influentien der Planeten' (ndl.~ vertaling), `si l'on en croit l'empereur Alexandre' (fr.~ vertaling: Mag.~ nat.~, 78). _De zeven krachtige Planeet planten van Albertus Magnus zijn: 1"o" Asphodelus (Affodillus: ed.~ 1477) of Saturnusplant. `Affodisius' in de Leidensche uitg.~; `Offodilius' in Mag.~ nat.~ (79). Pickering (752) identificeert met onze gemeene gele Narcis^_(1)_^: `Called in Britain lent-lily or daffodil or daffadownlily, by al the older writen `affodilly', in medieval Latin `asphodelus''. -- Liber aggregationis roemt de krachten dezer Plant: haar sap is zeer goed om de pijnen der nieren en de kwalen der beenen te verzachten en te genezen. Men geeft ze nog aan die, welke aan de blaas gekweld zijn. Indien men den Wortel een weinig kookt en hem daarna, in een wit linnen gewonden, te dragen geeft aan bezetenen en melankolieken, zoo zullen deze verlost zijn. Dezelfde Wortel verjaagt de Booze Geesten uit den huize (Mag.~ nat.~ 79). `Ende tis goet dat se tsnachts een man over hem draghet, want hi en sal niet vreesen noch ghequetst worden von ymanden' (aldus in de ndl.~ vertaling). -- Dodoens (318) geeft den naam gr.~ Asphodelos, lat.~ Asphodelus, nld.~ Affodille aan de vertakte Asphodelus^_(2)_^; en Leunis (795), die ze als Saturnusplant vermeldt, is deze meening toegedaan. 2"o" Polygonum (ed. 1477: Poligonia of Corriggola) of Zonneplant. Is Varkensgras of Vogel-Duizendknoop^_(3)_^, het overal groeiende Onkruid. Men noemt ze eene Zonneplant, omdat zij zeer vruchtbaar is, zegt Mag.~ nat.~ (79); eenigen heet en ze zelfs het `Huis van de Zon'; de ndl.~ vertaling schrijft: `Dit cruyt heetent andere te wesen Alcone, dat is thuys van den sonnen'. Polygonum bezit vele Heilkrachten, die men in 't boekje opgesomd vindt; o.a.~: wie het sap van dit Kruid drinkt, kan `seer veel met vrouwen conver- seren' (lat.~ uitg.~: `multum coire'). 3"o" Chrynostates (ed.~ 1477: Chynostates) of Maneplant. Ik heb veel gezocht en nergens een gelijkenden naam gevonden. Deze Wonderplant wast en vermindert met de Maan. Zij zuivert en geneest de nieren. is goed voor zielke oogen en tegen Markoenszeer, helpt de spijsvertering. (Mag.~ nat.~, 80). 4"o" Arnoglossum (ed. 1477: Arnoglosa; ed. 1498, Antw.: Arnoglossa) of Marsplant. Is de gewone Wegbree^_(4)_^: een geneeskrachtig Kruid tegen hoofdpijn, verrotte zweren, bloedloop, speen, enz. (Mag.~ nat.~, 80). `De Wechbre was bij de Ouders soo seer ghesocht ende ghepresen, dat Themison den oudea Medicijn' (een Griek uit de 1"e" eeuw vor Christus) `daer een gantsch boeck | | ^(1)^ Narcissus pseudo-narcissus L. | | | ^(2)^ Asphodelus ramosus L. | | | ^(3)^ Polygonum aviculare L. | | | ^(4)^ Plantago major L. | af ghemaeckt heeft, als den eersten ervinder van de groote krachten van dit ghewas, ghelijck Plinius in het achtste capitel van sijn 25. boeck betuyght'. (Dod.~ 149). Heden nog wordt de Wegbree in de volksgeneeskunde vaak aange- wend. -- Gr.~ Amoglossos bet.~ ndl.~ Lamstong. 5"o" Pentaphyllum of Merkuurplant. Ed.~ 1477: Penthaphilon ("=" Pentaphyllon, Vijfblad) en Pentadatilus ndl.~ vert.~: Pentadactilus ("=" Pentadaktulos, Vijfvinger- (blad); -- ed.~ 1477: Sededinam; ndl.~ vert.: Seepe declinam ("=" dikwijls neergebogen?); -- ed.~ 1477: Calipentalo; ndl.~ vert.~: Calipendalo ("=" Calli- petalon, bij Dioskorides, "=" Schoonblad). Het is ons gemeen Kruipend Vijfvin- gerkruid^_(1)_^. Het helpt grootelijks wie het over zich draagt; wil men iets van koning of prins bekomen, zoo heeft men het maar bij zich te nemen; het maakt den mensch geleerd en doet hem verkrijgen al wat hij wenscht. (Mag.~ nat.~, 81). Zie boven het 16"e" Kruid van Albertus Magnus. 6"o" Hyoscyamus (ed.~ 1477: Acharonia n.~ Jusquiamus) of Joviskruid. Dat is het Zwarte Bilzenkruid^_(2)_^. Bilzenkruidwortel over zich gedragen belet het ontstaan van zweeragin; het maakt den drager vroolijk en aangenaam, en de vrouwen zullen hem beminnen. (Mag.~ nat.~, 81). Vgl.~ boven het 8"e" Tooverkruid van Albertus Magnus. 7"o" Peristereon^_(3)_^ of Venuskruid. Het is het heilige IJzerkruid^_(4)_^. Van de talrijke Wonderkrachten van die Planeet plant geef ik op: zij zet tot liefde aan; in een huis gelegd maakt het welstellend; in een akker of wijngaard gestoken doet hun veel opbrengen; de Wortel is goed gebruikt bij het planten van Druivelaars of andere Boomen; kinderen die het over zich dragen, krijgen een goede opvoe- ding, beminnen de wetenschap, zijn wakker van geest en goed van inborst; zij verjaagt Booze Geesten en Duivels. (Mag.~ nat.~ 82; z.~ boven de 13"e" Albertus- Magnusplant). Peristereon (of Peristereos) lokt de Duiven aan (gr.~ peristera "=" duif): `Verbenaca... qu columbae unic delectantur' (Tetraglotton i.~ v.~)._ Pickering (752) gewaagt nog van een ander Albertus-Ma- gnus-kruid. nl.~ Gariofilata of Sanamunda of Pes leporis van Albertus Magnus. Het is het Benedictenkruid^_(2)_^, zeer gemeen langs onze hagen. _Dodoens (200) noemt de Plant Caryofyllate (naar den giroffelnagelreuk van den Wortel): `Sommighe draghen de wortelen ghedrooght zijnde over hun in | | ^(1)^ Potentilla repens L. | | | ^(2)^ Hyoscymus niger L. | | | ^(3)^ In ed.~ 1477: Piscereon voor Pistereon (als in Ndl.~ ultg.) en dit voor | Peristereon; -- en Hyeroboram (In ndl.~ uitg.~ Hieroboran) voor Hierobotan (gr.~ | "=" Heilig Kruid, een der oude namen van Verbena); -- en Herba Columbaria. | `Dat is duyven cruyt ende Verbena', zegt de Ndl.~ vertaler. Duiven trokken de | kar van Venus. | | | ^(4)^ Verbena officinalis L. | | | ^(5)^ Geum urbanum L. | een sacksken / ende meynen dat sy met den reuck daer van hun ghemoet verquicken konnen / de gheesten vermaken / de herssenen verstercken / ende het herte van de peste ende quade locht bewaren'. De naam Sanamunda wijst ook op deze Wonderkrachten: `quia sanat et mundat'. (Blanc.~ Lex.~)._ Vermaarde Toovenaars vonden er genoegen in, groote heeren en dames, die zij ten feest hadden uitgenoodigd, door hun kunst te verbluffen. Zoo schiep Albertus Magnus, in 't midden van den winter, een en Wondertuin met Bladeren, Bloemen en Vruchten op de Boomen. _Op eenen dag noodde Albertus, te zijnent, Keizer Willem (geboren circa 1227, gest.~ 1256) met zijn gevolg. De Keizer kwam en Albertus leidde allen in zijnen tuin, waar men, tusschen de ontlooverde Boomen, te midden van sneeuw en ijs, het maal opgediend vond. De hovelingen begonnen te morren, want dat scheen hun een allerzonderlingste scherts vanwege den gastheer. Doch nauw hadden Keizer en gasten zich rond den disch nedergezet, of de zon begon te glanzen en te warmen evenals in den zomer; op een oogenblik smolten sneeuw en ijs, de aarde werd warm en de Boomen schoten botten en bedekten zich met Bladeren en Bloemen; tusschen het loover blonken rijpe Vruchten en in de lucht weerklonken de lieve gezangen der vogelen, de warmte werd zoo drukkend dat de gasten hun kleederen moesten uitdoen en, halfnaakt, de schaduw der Boomen opzochten. Toen het eten gedaan was, verdwenen, als nevel, de talrijke, sier- lijke dienaars, die het werk hadden verricht; de lucht werd duister, de Boomen verloren hun Bladeren, Bloemen en Vruchten, sneeuw en ijs lagen daar weder en 't was zoo bijtend koud dat de gasten bibberend in huis liepen en rond het vuur samendrongen! (Graf, Gesch.~ d.~ Teufels, 258 en vgg.~). Vgl.~ beneden Faust's Wondertuin._ Men verhaalt nog dat Albertus Magnus,`over de maeltijt in het bysijn van de Fransen Koning, een Boom met Bladen, Bloemen en Vruchten heeft voortgebracht'. _Aldus Kircherus, Ond.~ Wer.~ II, 363._ j. *Doctor Faust.* De welbekende en wijdvermaarde Dr.~ Johannes Faust was een der grootste Heksenmeesters die ooit bestaan^(1)^ hebben, en eenige Faustsagen staan met Planten in verband. In de hier vol- gende sagen worden vermeld; als Vruchtboomen. de Wijngaard, | | ^(1)^ Dr.~ Joh.~ Faust zou. naar de thans meest aangenomen meening, werkelijk | bestaan hebben, hij leefde op het einde der 15"e" en het begin der 16"e" eeuw. | Z.~ b.v.~ Hauffe. Die Faustsage und der historische Faust. Luxemb.~ 1862. | de Kerseboom, de Perelaar, de Appelboom, de Oranje-, Limoen- en Citroenboomen, de Granaatboom; als Vruchten: Dadel, Vijg en Kastanje; als Sierboom de Palm; als Woudboom de Den; als Bloemen: Rozen, Lelin, Tulpen, Narcissen, Hortensia; eindelijk ook Stroo en Hooi. _1"o" Faust's Wondertuin. Faust bewoonde, in een schoon en rijk huis, twee zalen. Hier hoorde men, zelfs te midden van den winter, het liefelijkste vogel- gezang. Er toe behoorde een Toovertuin, niet zeer groot, doch overheerlijk, waar nooit de winter woedde: het was er immer lustige zomertijd met allerlei Gewassen, Loover en Gras en de bontste Bloemen. Men zag er schoone Wijn- stokken^_(1)_^ met veel en altijd rijpe Druiven behangen; veelkleurige Tulpen^_(2)_^, dubbele Jozefsstaven^_(3)_^ en ander Narcissen, gloeiende Rozen^_(4)_^ bloeiden en vlamden daartusschen. Langsheen de tuinmuren stonden, in rechte rijen, Gra- naat-^_(5)_^, Oranje-^_(6)_^, Limoen-^_(7)_^ en Citroenboomen^_(8)_^; overal groeiden Kerse-^_(9)_^, Pere-^_(10)_^ en Appelboomen^_(11)_^ het heele jaar door met malsche Vruchten beladen. Ja, daar kon men echte Wonderplanten zien: Pereboomen die Dadels^_(12)_^ droegen, jonge Kerseboomen met Vijgen^_(13)_^. en dichtgelooverde Appelaars met zwarte Kastanjen^_(14)_^. (Schwab, II, 287-8). 2"o" Faust's Lusthof. Faust verbleef eens een ganschen winter aan bet hof van den Graaf van Anhalt. Toen de lente aanbrak en hij wilde afscheid nemen, bad hij: `Ik heb hier door uw grafelijke genade zoovee1 goeds genoten dat ik den moed heb u nederig te verzoeken heden mijn gast in mijn klein lusthuis te willen zijn'. De Graaf en de Gravin zagen Faust verwonderd aan, want zij hadden nooit hooren zeggen dat Faust in den omtrek een lusthuis bezat. Toch namen zij aan. Op Faust's verzoek zette zich het heele hof in beweging; want de Toovenaar had verzekerd dat men enkel door de grafelijken tuin hoefde te gaan om dit lusthuis te bereiken. Nauw kwamen Graaf en Gravin in hunnen hof of zij ontwaarden op een hun welbekenden heuvel, den zooge- naamden Roomschen Heuvel, een prachtig luchtkasteel. Toen zij nader kwamen, zagen zij dat het door een diepe en breede watergracht was omringd. In het helle water plasten goud- en zilvervischjes en er op zwommen sneeuwwitte | | ^(1)^ Vitis vinifera L. | | | ^(2)^ Tulipa gessneriana L. | | | ^(3)^ Narcissus pseudo-narcissus L. | | | ^(4)^ Vooral Rosa centifolia L. | | | ^(5)^ Punica granatum L. | | | ^(6)^ Citrus aurantium L. | | | ^(7)^ C.~ limonium Risso. | | | ^(8)^ C.~ medica L. | | | ^(9)^ Cerasus vulgaris L. | | | ^(10)^ Pirus communis L. | | | ^(11)^ Malus communis L. | | | ^(12)^ Phoenix dactylifera L. | | | ^(13)^ Ficus carica L. | | | ^(14)^ Castanea vesca L. | zwanen. De ophaalbrug was nedergelaten, de poort van 't slot open; guirlandes van zeldzame. welriekende Bloemen hingen langs de brug en boven de slotpoort. De gansche weg was met frissche Rozen^_(1)_^ en Lelin^_(2)_^ bestrooid, en toen het grafelijke paar over de brug trad, klonk hun schoone muziek uit het Kasteel tegen. Er waren vier hoektorens met wimpels en vlaggen. Aan den ingang stonden nog twee torens, door een galerie verbonden, en hier fladderden twee zijden vlaggen met de wapens van Anhalt versierd. Rond den tuin verhieven zich, in dubbelrij, bloeiende Oranje- en Granaatboomen, en in 't midden stond een krans torenhooge Palmen^_(3)_^, en tusschen deze sproot eene bron, die een kristallen bekken met goudhellen wijn vulde: Op de twijgen der Boomen zaten de zeldzaamste vogels, die door hun hemelschen zang het hart verheugden of door hun veerenpracht de oogen verrukten. Bonte vlinders en kolibri's fladderden van Bloem tot Bloem. Op de Palmboomen klefferden potsierlijke apen om- en rond. De Graaf en de Gravin gingen nu in het kasteel zelf en hier heerschte dezelfde pracht. Na een heerlijke maaltijd genoten te hebben, verlieten de uitge- noodigden het Tooverpaleis van Faust en toen zij terug aan 't grafelijke slot kwamen, hoorden ze drie kanonschoten; allen keken om: Faust's kasteel stond in laaie vlammen en er uit sprongen omhoog lichtwaaiers en lichtkogels. 't Was een grootsch vuurwerk, dat eindelijk in een rozigen wasem verging. Doch Faust was spoorloos verdwenen. (Hgd.~ Volksb.~, 46 en vvgg.~, uitg.~ Breitkopf en Hartel, Leipzig, z.~ j.~). 3"o" Faust schenkt de Gravin van Anhalt frisch Ooft in den winter. Op eenen winterdag zat Faust aan tafel met Graaf en Gravin van Anhalt. En de Gravin, die in een gezegenden testand was, zei dat zij een onweerstaanbaren lust naar versch Ooft voelde, en dat verlangen liet haar dag en nacht zonder rust; en zij vroeg eindelijk raad aan Faust, den wereldberoemd en dokter, hoe ze toch die goesting zou kunnen kwijtgeraken. `Er is geen ander middel, genadige Gravin,' antwoordde Faust, `dan van zulke Vruchten te eten zooveel het u lusten mag'. -- `Dat weet ik wel; doch ik vraag u raad, omdat in dit jaar- getij zulks onmogelijk is'. -- `Onmogelijk?' zei Faust, `toch niet! Wacht even een oogenblik en uwe wenschen zullen bevredigd zijn'. Faust stond recht, liet zich door een dienaar drie zilveren vruchtkorven brengen en plaatste ze vor het venster. Daarna keerde hij tot 't gezelschap terug, at en dronk, en praatte op 't mooist met de aanwezigen, zonder een enkele maal aan het verlangen van de Gravin te herinneren. Toen echter het dessert ter tafel kwam, riep hij een dienaar en beval hem de drie vruchtkorven bij te brengen en ze aan de Gravin te overhandigen: in een der korven lagen prachtige Appelen, in den tweeden kostelijke Peren en in den derden de zoetste Wijndruiven. En de Gravin kon haren lust bevredigen. (Volksb.~). -- Bij Meiche (n"r" 665) vindt men een gelijkende Toovenaarssage, doch Faust wordt er in niet genoemd. | | ^(1)^ Rosa centifolia L. | | | ^(2)^ Lilium candidum L.~ en ander tuinsoorten van het geslacht Lelie. | | | ^(3)^ Phoenix dactylifera L.~ en ander Palmsoorten. | 4"o" Faust's Hortensia^_(1)_^. Dr.~ Faustus woonde op het slot Waardenburg bij Bommel (Holland), waar hij dag en nacht over de boeken lag om den Steen der Wijzen te zoeken. En in den slottuin bloeide altijd een groote Hortensia en deze was, winter en zomer, versierd met de kostbaarste Bloemen. Te midden van den winter had Faustus rijpe Druiven, en te midden van den zomer sneeuw en ijs. (Wolf, N.~ S.~, n"o" 266; naar Heldring, Oudheidk.~ Wandelingen, en naar Kunst- en Letterblad, 1841, p.~ 95). 5"o" Keizer Maximiliaans slaapkamer wordt een Toovertuin. Keizer Maximi- liaan had met buitengewone vriendelijkheid Dr.~ Faust te Innsbruck ontvangen. Uit dankbaarheid deed Faust het volgende: Op eenen morgen, bij zijn ontwaken, kon Maximiliaan zich niet inbeelden waar hij lag: zijne slaapkamer was een echte Wondertuin; aan beide zijden stonden schoone Boomen met groene Twijgen; daarnaast zag hij er andere beladen. met rijpe Kersen en menig Ooft; rond zijn bed verhieven zich nog edeler Boomen, als Oranje- en Limoen-, Granaat- en Vijgeboomen met verlokkelijke Vruchten. De Keizer stond toen op, wikkelde zich in zijn nachtpels en zette zich genoeglijk in zijnen zetel neder; en hij hoorde alsdan nachtegalen en velerhande vogelen lieflijk zingen, en om hem trippelden sneeuwitte konijntjes en jonge hazen. Daar Maximiliaan, bij dit prachtgezicht, langer bleef dan naar gewoonte meenden de dienaars dat hij onpasselijk was geworden en kwamen kijken wat er hem scheelde; zij ook zagen den Wondertuin. En de Keizer liet de voornaamsten van het hof roepen, en zij ook bleken aangenaam verwonderd. Doch na een uur begonnen de Bladeren van de Boomen te verwelken, daarna de Bloemen en Vruchten; en er kwam een wind die alles wegwoei, zoodat het allen scheen dat zij gedroomd hadden. (Schwab, 318-19). 6"o" De Keldermeester van den bisschop van Salzburg op den Denneboom. Faust was een lustige drinkebroer en tevens een onovertreffelijke kluchtmeester. Op eenen avond onthaalde hij eenige vroolijke snaken in zijn huis te Wittenberg. Ze bleven tot laat in den nacht aan tafel en maakten overdreven pleizier: De spijzen waren kostelijk en de wijn voortreffelijk. En, toch merkte een der gezellen aan: `Dokter, gij hebt een goeden kelder, maar die van den bisschop van Salzburg is beter; want het is bekend dat deze eerwaardige heer den fijnsten wijn van het heele kerstdom bezit'. -- `Welnu,' zei Faust, `we gaan hem proeven; we moeten kennis maken met den wijn van den bisschop en onder- vinden of gij waarheid zegt'. -- `Hoe kan dat gebeuren?' vroeg een ander. -- `Komt maar allen mee, we zullen wel den weg naar den bisschoppelijken kelder vinden'. En Faust stond op; de kameraden volgden hem. Hij leidde hen naar zijnen hof, en hij deed ze een voor een op eene ladder klimmen, die tegen eenen Boom stond. Daarna plaatste hij zichzelf op de onderste sport en riep: | | ^(1)^ Hydrangea hortensia L.~ (Hortensia speciosa Pers.~). Natuurlijk een betrek- | kelijk jong Fausttoertje: De Hortensia werd ontdekt in China door Ph.~ Commer- | son (geb.~ 1727 "+" 1773) en door hem aldus genoemd naar zijn geliefde Hortense | Lepaute, die hem overal op zijn verre reizen in jager verkleed vergezelde. J.~ | Banks, ook botanist-zeereiziger zou de plant in 1790 naar Europa gebracht | hebben. Aldus Leunis, Syn.~ 241. | `Houdt u goed vast, de reis begint'. En de ladder steeg in de lucht en, na korten tijd waren zij, te Salzburg, in den kelder van den bisschop, Faust zorgde voor licht en de gezellen zetten zich genoegelijk rond de volle vaten, dronken en zongen uren lang; tot op eens de deur van den kelder openging en de dikke keldermeester binnentrad: hij had het gejuich gehoord en wou zelf zijn dorst nog eenmaal lesschen. Bij het zien van het gezelschap sperde hij muil en oogen open en wou wellicht door geschreeuw zijne knechten ter hulp roepen, toen Faust hem bij de haren greep en er mee op de ladder voer, waarop al de overigen reeds plaats hadden genomen. In eenen oogwenk was de ladder met haar last hoog in de lucht en de dikke keldermeester spartelde erbarmelijk tusschen hemel en aarde. Daar zweefden ze boven een zeer groot woud: Faust liet nu den keldermeester los, die geloofde dat zijn laatste uur was geslagen, en een angst- kreet slaakte. Het geluk was hem evenwel gunstig, want hij bleef hangen tusschen de takken van een geweldig hoogen Denneboom^_(1)_^. Hij kramde er zich vast en met ontzetting keek hij naar de diepte die onder hem gaapte. Goed klauteren kon hij niet, zoodat hij het niet waagde naar beneden te klefferen en dus het eenige deed wat hem nog redding brengen kon: hij schreeuwde zoo gedurig en luide dat hij na een half uur heel heesch was geworden. Daar kwam eindelijk de zon op en, na eene wijl, hoorde hij een koets op de landstraat naderkomen. De man verzamelde zijn laatste krachten en riep om hulp. De heer, die in de koets zat, was niemand anders dan zijn meester de bisschop; deze hoorde het angstgeschreeuw, stond stil en keek van waar het geroep kwam; hij herkende zijnen keldermeester. `Om aller heiligen wille, ' zei de bisschop, `keldermeester, wat komt u over dat gij des nachts op de Boomen stijgt om vogelnesten te rooven? Is dat nu een passie, die met uw ambt en uwen buik overeenkomt?' Maar de klagende keldermeester kon niet zoo gemakkelijk van den Denneboom gebracht worden. Men moest de boeren van het naaste dorp halen, die met touwen en ladders bijkwamen en den dikken man met een koord, als een emmer ter bronne, ter aarde nederlieten. De bisschop gunde hem een plaatsje in zijne koets en toen vertelde de man wat gebeurd was. En de bisschop hield gauw op met spotten en dacht met droefheid aan zijn beste leeggezopen wijnvaten. Intusschen lagen Faust en zijn kameraden in hun bed te Wittenherg en versliepen hunnen roes (idem, 30; vgl.~ Schwab, 325, waar men eene lichte variante vindt). 7"o" De Levenslelie. Dr.~ Faust bevond zich eens op de groote foor van Frankfort en hij hoorde dat, in zeker huis, vier Toovenaars of Goochelaars een wonderlijk kunststuk uitvoerden, dat veel volk tot hen lokte en hun veel geld opbracht. Zij sloegen elkaar, beurtelings, met een zwaard het hoofd af, gaven dit aan een barbier over, die het waschte, schoor en reinigde; daarna zetten zij het hoofd op den romp, en romp en hoofd groeiden weder aaneen en de onthoofde stond frisch en gezond recht. Het vertoornde Faust dat die vier menschen de Tooverkunst zoo gemeen maakten en hij beneed ze tevens om het vele geld dat zij op zulke wijze verkregen. Hij ging des, nadat hij zich onzicht- baar had gemaakt, in de plaats waar de vier Zwartkunstenaars hunne kunst | | ^(1)^ Abies pectinata DC. | lieten zien en hij zag goed toe hoe zij te werk gingen. Daar bemerkte hij op eene tafel een bloempot, waaruit zich vier Lelinstengels verhieven. Zoodra nu een kop werd afgeslagen, neeg een der Lelin^_(1)_^ de bloemkroon, en als de kop weder op den romp werd gezet, rechtte zich de nikkende Leliestengel met zijne Bloem op, en juist op dit zelfde oogenblik keerde het leven in het lichaam van den onthoofde terug. Faust wachtte tot de beurt kwam van den Goochelaar dien de drie anderen hun Meester noemden. En toen dezen het hoofd werd afgehouwen en dit den barbier overhandigd, ging Faust naar de neigende Lelie en sneed den Stengel door. De Toovenaars plaatsten daarna den Kop op den romp; doch daar de Leliestengel waarop de Levensbloem van den Heksenmeester stond, was doorgesneden, kwam het leven in het lijk niet terug en de Meester was en bleef dood. De toeschouwers waren erg getroffen, de drie Toovenaars nog meer. Hunne kunst was hun te schande gekomen, en zij moesten ijlings vluchten, wilden zij niet in de handen van 't gerecht vallen. (Idem, 55-6; Schwab, 305). -- Z.~ boven een variante dezer sage bij Lelieachtigen; en over Planten wier leven met dat van menschen vereenzelvigd is, zie b.v.~ Mannhardt, Bk.~ 32-33. 8"o" Hooi- en Stroobundel worden paarden. Dr.~ Faust bedroog eenen paar- denkoopman op de volgende manier: Hij verkocht hem een paard, doch toen de koopman er mee bij den paardenvijver kwam, werd het gekochte dier een Stroobundel. Snel ging de koopman naar de herberg waar hij Faust verlaten had: hij wou hem 't koopgeld terug vragen. Hij vond er den Doktor slapende op eene bank. Door roepen wilde de koopman den slaper wakker maken; doch daar Faust niet te hooren scheen, greep hij een der voeten van den slaper en trachtte dezen van de bank te trekken. Hoe verschrikte de koopman, toen hij Faust's been uitrukte en de Toovenaar een luid gehuil aanhief en om hulp riep! Toen liep de bedrogene haastig uit de herberg en liet zijn geld in den steek. En Faust sprong schaterlachende recht op zijn twee beenen. (Idem, 32). In een gelijkend toertje werden Hooibussels paarden. Een ridder die 't gewaagd had met Faust's kunst te spotten en aan wien de Toovenaar twee hertshoornen op 't voorhoofd getooverd had -- hoornen die Faust afnam na des ridders bevestiging dat Faust's kunsttoeren geen bloote goochelarijen waren -- wilde zich over dien smaad wreken. En toen Faust des Keizers hof te Innsbruck verliet, achtervolgde hem de edelman met knechten te paard. Faust die enkel met zijn dienaar vooraan reed, werd de troep gewaar, keerde zich om en draafde de achtervolgers te gemoet; maar de ridder zag, niet Faust en zijnen knecht, maar wel honderd gewapende ruiters; hij kreeg schrik en wendde zich rechtsom. Doch zie! ook van die zijde kwamen een even groot getal ruiters en na weinige oogenblikken was de ridder met zijn volk ingesloten. Faust ontnam hun paarden en wapens. `Doch, zegde hij, ik wil edelmoedig zijn: hier zijn beter wapens en paarden'. En hij gaf den edelman glanzende wapens en heerlijke paarden. De ridder en zijn knechten reden nu weg. Vor Innsbruck moesten zij door een diep water; en toen zij hierin kwamen, werden de geschonken paarden Hooi- bussels, de lansen en zwaarden Stroohalmen en het blinkende harnas op der | | ^(1)^ Lilium candidum L. | ridders borst een afschuwelijke pad! Met moeite redden zij hun leven en kwamen te voet en doornat te Innsbruck terug. (Idem, 53-4); vgl.~ Meiche, n"r" 678: de Heksenmeester Martin Pumphut (uit Saksen) verandert de paarden van een koopman in Stroowissen, omdat deze koopman den vermoeiden Pumphut niet op een zijner paarden laat zitten. 9"o" Voer Hooi wordt Stroohalm. Naar de sage heeft Dr.~ Faust te Erfort (Duitschl.~) gewoond. Hier is een straatje zoo smal dat twee personen, die er malkaar tegenkomen, niet verder kunnen. Op zekeren dag ging Faust met studenten een wedding aan: hij zou door het straatje met een vierspannig voer Hooi passeeren. De wedding werd aangenomen en 's anderen daags onder grooten toeloop van volk uitgevoerd. Vier ossen trokken een geweldig voer Hooi voort en bleven vor het straatje staan. Plots verandert de wagen in eenen Stroohalm, de vier ossen in vier mestkevers (naar anderen in witte muizen) en 't wonderlijk gespan rijdt met 't grootste gemak door het straatje. Aan den uitgang wordt alles opnieuw een hooiwagen en vier ossen. Sedertdien heet dat straatje Doctor-Fauststraatje. (Henne-am Rhyn, D.~ Vs.~, n"r" 768; naar Prhle, D.~ S.~, p.~ 249). 10"o" Faust's knecht moet uitgestrooid Koorn en Meel weer bijeenrapen. Faust had een duivel-knecht, met name Joost. Hij vond er groot genoegen in Joost alle soort van moeilijk uit te voeren werk op te leggen. Joost moest arbeiden den heel en dag en als hij, doodvermoeid, 's avonds meende te gaan rusten, strooide Faust een schepel Koorn in de Doornhagen en Joost moest den heelen nacht al de Graantjes oprapen en verzamelen. Of Faust wierp een groote hoeveelheid Meel in de slotgracht en Joost moest alles er, rein en onbedorven, opnieuw uithalen. (Wolf, N.~ S.~ n"o" 266). Vgl.~ mijne Fl.~ Diabolica, 284-85. Sagen waarin zeer moeilijk uit te voeren arbeid wordt bevolen, zijn talrijk en zeer verspreid. Een der oudste is die van de arme Psyche, die, vervolgd door de jaloersche Venus, gedwongen wordt ondereengemengde Tarwe^_(1)_^, Gerst^_(2)_^, Hirs^_(3)_^ (of Geers), Heulzaad^_(4)_^, Erwten^_(5)_^, Grut, Vitsen^_(6)_^ en Boonen^_(7)_^ van elkander te scheiden. Een heel leger hulpvaardige mieren doen het voor haar. (Apuleius, Guld.~ Ezel). Z.~ beneden Klaas Kunst en Duitsche Schaper. 11"o" Faust's Tooverboek. Naar de sage bezat Faust een Tooverboek, waarin, onder meer, de kunst werd geleerd om Geesten te doen verschijnen en den Duivel te bedwingen. Veel liefhebbers der Zwarte Kunst hebben te vergeefs dit Tooverboek -- dat Hellendwang (Hgd.~ `Hllenzwang') heet -- gezocht, want zij konden den Doornstruik^_(8)_^ niet vinden, waaronder dit boek begraven ligt en die staat achter het slot Chemnitz (Saksen) aan den weg naar bet Kchwald. (Meiche, n"o" 701)._ | | ^(1)^ Triticum vulgare Vill. | | | ^(2)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(3)^ Panicum miliaceum L. | | | ^(4)^ Papaver somniferum L. | | | ^(5)^ Pisum sativum L. | | | ^(6)^ Vicia sativa L. | | | ^(7)^ Vicia faba L. | | | ^(8)^ Crataegus oxyacantha L.~ of Cr.~ monogyna Jacq. | k. *Klaas Kunst.* In Friesland, in het gehucht Jeslumburen onder Achlum, leefde in de 1"e" helft der 18"e" eeuw een boer, Klaas Gerrits (naar P.~ C.~ Scheltema: Klaas Gerrits Wiersma), bij het volk Klaas Kunst geheeten, omdat men hem beschouwde als Toovenaar-kunstenaar. _Dijkstra, I, 78-83, vermeldt een aantal Klaas-Kunstsagen. De volgende behooren tot de Plantlore: 1"o" Hij zicht Koren. Op zekeren morgen gaat Klaas Kunst naar de Franeker kermis. Hij moet voorbij een Koornveld, waar twee knechten aan het zichten zijn. `Gij zoudt zeker liever naar de kermis gaan dan hier staan te zichten?' vraagt Klaas. -- `Natuurlijk. Maar we moeten eerst 't geheele veld afzichten, en dt zou vor vanavond niet gedaan zijn!' antwoorden zij. -- `Komt maar jongens, ik zorg voor het zichten'. Nauw heeft Klaas dt gezegd of het Koren ligt in schooven op den grond. De knechten gaan naar huis om zich aan te kleeden en zeggen dat het Koren gezicht is; Klaas Kunst heeft dit gedaan! De boer gaat zien en vindt dat het waarheid is. Doch 's anderen daags bemerken de knechten dat het Koren dat door de kunst van Klaas gezicht scheen, weer recht stond. (Dijkstra, I, 82). 2"o" Hij gebiedt aan roeken uitgestrooid Klaverzaad op te rapen. Klaas had een groot Tooverboek dat aan een ketting lag met een slot er op. Op eenen Zondagmorgen had hij in zijn boek gelezen en vergeten het boek en de kamer, waar het lag, te sluiten. Klaas trok naar de kerk. Niemand mocht het wagen in dat boek te lezen. Maar zijn knecht was al te nieuwsgierig. vond het boek, opende het en begon te lezen. Daar hoorde hij buiten vervaarlijk vogelengekras en, door het venster ziende, bemerkte hij dat het heele erf vol zat met zwarte roeken. Nu wilde hij ophouden met lezen. maar hij kon niet, en hoe meer hij las, hoe meer roeken er kwamen. Het gelukte hem eindelijk het boek en het kamertje te ontvluchten en hij trachtte de roeken te verjagen. Maar het ging niet. Klaas werd gelukkiglijk in de kerk gewaar dat er thuis iets haperde. In het midden van de preek liep hij naar huis, berispte den knecht en las van achteren op wat de knecht van voren had gelezen. En nog waren de roeken niet vertrokken! Klaas nam twee zakken Klaverzaad^_(1)_^ uit de schuur en wierp het naar alle kanten uit, roepende: `Twee man een Korrel!' En de roeken vlogen bij paren weg en toen al het Zaad uitgestrooid en opgeraapt was, waren de roeken verdwenen. (Id.~ I, 79). Vgl.~ boven de Faustsage, 10, en beneden Duitsche Schaper. 3"o" Varkens worden schooven Stroo. Klaas verkoopt varkens op de markt te Leeuwarden; doch als de twee koopers met de varkens aan een klein door- waadbaar water komen, worden de dieren schooven Stroo. De koopers loopen naar Leeuwarden terug, vinden er Klaas die op eene bank slaapt, willen hem wakker roepen en schudden, en een hunner trekt eindelijk aan een been van Klaas: dat been blijft in zijne handen! Hij werpt het op den grond en snelt met zijn makker heen. (Id.~ 81). Het is dezelfde sage als de Faustsage 8"o", boven._ | | ^(1)^ Trifolium pratense L. | *V. Speciale schadelijke Heksenwerken in verband met de Plantlore.* In het 2"e" Hoofdstuk van dit werk werd gehandeld over echte Heksenkruiden in het algemeen, over het groot getal Planten die door Heksen en Toovenaars gebruikt worden om kwaad te stichten, of om kinderen en zelfs volwassenen te betooveren, of om bedrie- gelijke wondertoeren te verrichten. Hier wil ik spreken over eenige speciale Gewassen, die de Zwartkunstenaars benuttigen tot hunnen den mensch, het dier of de Plant schadelijken Tooverarbeid. _Zulk volksgeloof -- nl.~ dat Heksen en Toovenaars door Tooverkruiden. aan de huisdieren van anderen b.v.~, kunnen kwaad doen -- is zeer oud. Bij Burchard van Worms (C.~ 5 van Magnum Decretorum Volumen) luidt eene biechtvraag: `Hebt gij u beziggehouden met afbindingen' -- lat.~ ligaturae: ligatura is ook ndl.~ nestelknoop, zie beneden -- `en Tooverliederen en veler- hande Hekserijen, zooals nietswaardige lieden, zwijnen- en koeienhoeders en soms jagers doen, die Duivelsliederen zeggen over brood, over Kruiden en over zekere onnuttige banden, en deze dan in eenen Boom verbergen of op eenen kruisweg wegwerpen om beschermd te blijven tegen ziekte en verlies hunner kudden, of om die van anderen kwaad te doen?' Burchard van Worms stierf in 1025. (Herrmann, DM.~, 55; Roskoff, Gesch.~ d.~ Teuf~., 307-9)._ a. *Onweermaken.* Heksen en Toovenaars kunnen onweer maken en aldus mensch en Plant veel schade berokkenen. _"*" Wolf (N.~ S.~ n"r" 289) geeft ons een Audenaardsche sage, waarin gesproken wordt van Heksen die door een door haar gebrouwen donderweer de Akker- vruchten verwoesten en de sterkste Boomen vellen. Toen ik een kind was, vertelde een boer, heeft mij mijn vader dikwijls wonderlijke geschiedenissen van Toove- ressen verteld, die hij zelf gekend en met wie hij persoonlijk gesproken heeft. Op eenen dag was hij op 't veld om het Koren in te doen, als in eens een groot onweer opkwam. Hij kroop in eenen stuik -- schoovenhoop nl.~ -- en keek door een opening om te weten wanneer het weer zou opklaren. Hij zat er nog niet lang, toen een dondersteen in eenen Boom van 't nabij staande Bosch viel en hem tot op den Wortel splinterde. Verschrikt las mijn vader het Sint- Jansevangelie. Hij had hiermee nauwelijks begonnen, of twee dondersteenen vielen neer en spleten twee schoone oude Eiken^_(1)_^; en dat spel ging voort tot acht Boomen op den grond lagen. Toen eindelijk de laatste dondersteen in eenen Boom viel, hoorde mijn vader een luid gelach, als dat van vrouwen hoog in de lucht, en, een oogenblik daarna, zag hij een wijf op eenen Sperreboom^_(2)_^ en daarna op den grond tuimelen. Dat scheen hem zoo aardig dat hij stil bleef zitten om het vervolg af te wachten. Daar vlogen drie vrouwen op den Sperre- boom en hieven eindelijk de eerste op, die bewusteloos op den grond lag; zij waschten ze, totdat zij tot haarzelf kwam, en toen gingen zij weg, behalve eene, die rond de gevelde Boomen liep. 't Was een geburinne van mijnen vader. Hij kroop uit den stuik en sprak heur aan, en vroeg wat zij bij die Boomen deed. Zij verschrikte hard, want nu wist zij dat hij alles had afgeloerd. Doch zij kende hem als een stillen, zwijgenden man en zij verzocht hem toch niets van het gebeurde te vertellen, en zij beloofde hem dat zij zorgen zou dat nooit aan zijne velden en Boomen schade zou gedaan worden. Mijn vader sprak geen woord over de gebeurtenis zoolang zij leefde; maar na haren dood vertelde hij ons dikwijls van haar in de winteravonden._ Om onweer te maken gebruikten de Heksen eene Roede of eenen Tak. waarmede zij in 't water sloegen. Het was veelal een Esschentwijg^_(3)_^, waarmee zij het water kastijdden en het dwongen uit de lucht te vallen. _Dat is een sympathetisch middel, -- Die Onweersroede dragen zij gedurig in hunnen boezem. (Knortz, 5). Een meisje uit het Alpachdal (Tirol) vond, eens dat zij naar de Alm ging, zulk Essehenrijs en raapte het onbedachtzaam op. Zij kwam aan een gracht vol sneeuwwater, waarin Vorschbroeisel en Wegnarren ("=" Triton's of Sala- manders) zwommen en, om deze diertjes te verschrikken, sloeg zij met de Roede in het water. Daar kwam plots een onweer op en het hagelde schromelijk. Deze Esschenroede was aan de handen eener Heks ontvallen! (Alpenburg: Alpensagen, 16; Perger, 307; Rel u.~ Bohnh.~ 42). Hierop doelt misschien ook Vintler (Blume der Tugend, 60) als hij schrijft: Velen zeggen dat de Heksen kunnen onweer maken, en den regen doen heen en weer keeren. Om regen voort te brengen bedient zich de Heks van eenen Twijg of Staf. Doch Vintler noemt de Plantsoort niet. (Herrmann, DM.~, 63)._ Of zij sloegen het water met eenen Hazeltwijg^(4)^. _Knortz, 5. -- Om te doen regenen slaat de Tooveres het water van eenen poel met Hazelroeden. (Wallonia, 1906, 253)._ | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Picea vulgaris L. | | | ^(3)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(4)^ Corylus avellana L. | Matthiolus zegt dat de Onweermakers den Zevenboom^(1)^ gebruiken. _Shns, 45._ Om te doen donderen bezigde men ook de Savie^(2)^. _Men doet Savie in een glazen flesch en laat de Plant onder mest rotten. Er in ontstaan wormen. Zoo men deze verbrandt en de asch in het vuur werpt, hoort men een donderslag. (Mag.~ nat.~, 76). Doch, naar Sprenger, moet deze rotgeworden Savie in een bron worden geworpen; hij citeert Albertus Magnus: `Dicit enim Albertus, de proprietatibus rerum, quod Salvia putrefacta, variis modis, ut ibidem ponit, si, proiecta fuerit in fontem, mirabiles concitabit in are tempestates'. (Sprenger: Malleus malef.~ qu.~ II; Wolf, N.~ S.~, blz.~ 694)._ In de volgende sage wordt er gewag gemaakt van een storm- verwekkende Heks, doch men zegt niet hoe zij den storm ver- oorzaakte. _Onweermakende Heks kromt den kerktoren, een schaper zet hem weder- recht. Eene Heks laat een geweldigen storm over het dorp Ahorn (bij Koburg in Duitschl.~) los; de storm is zoo hevig dat de toren der kerk van O.~ L.~ Vrouw krom gebogen wordt. En om dien krommen toren worden nu de inwoners van Ahorn hevig bespot door die van de omstreek. Een schaper -- schapers zijn in de sagenliteratuur slimme kerels -- biedt zich aan om de zaak te verhelpen. Hij bevestigt aan den toren en aan eene Spar^_(3)_^ een lang Hennipen^_(4)_^ touw van twee duim dik, en door middel van een en `Bindnagel' en onder 't murmelen van magische woorden, trekt hij den toren weder recht. De sage werd opge- teekend in het Kerkeboek van Ahorn en het touw staat nog op den kerkvloer verbeeld. In het midden der 19"e" eeuw zag men nog op den bergrand die sterke Spar. (Nork, Myth.~ VS.~ 894; naar Bechstein, Sagen des Grabfeldes, n"r" 72)._ De Heksen konden ook onweer brouwen in hunnen Toover- ketel. Zij gebruikten hiertoe negenderlei Kruiden. _Die negen Kruiden zijn: de Alant^_(5)_^, het Lieve-Vrouwebedstroo^_(6)_^, de Averone^_(7)_^, de Bijvoet^_(8)_^, de Alsem^_(9)_^, de Valeriane^_(1O)_^, het Boelkens- | | ^(1)^ Juniperus sabina L. | | | ^(2)^ Salvia officinalis L, | | | ^(3)^ Abies excelsa DC. | | | ^(4)^ Cannabis sativa L. | | | ^(5)^ Inula helenium L. | | | ^(6)^ Galium verum L. | | | ^(7)^ Artemisia abrotanum L. | | | ^(8)^ Artemisia vulgaris L, | | | ^(9)^ Artemisia absinthium L. | | | ^(10)^ Valeriana officinalis L. | kruid^_(1)_^, de Reinvaan^_(2)_^ en de Alfsrank^_(3)_^, waarvan alleen de laatste als giftig kan beschouwd worden. Aldus bij Perger, 71 (naar Schindler, Abergl.~ 160). Reling en Bohnhorst noemen drie Planten, waarmee de Heksen onweer brouwden: de Europeesche Zonnewende^_(4)_^, het kwaadaardige Bilzenkruid^_(5)_^ en het heilkrachtige IJzerkruid^_(6)_^. Schmeller insgelijks haalt een ouden tekst aan, waarin het regenvoortbren- gende Bilzenkruid voorkomt: `Zauberei um Regen zu bekommen cum herba jusquiamo, quae teutonice bilisa vocatur'. (Roll.~ VIII, 96). Ontstond een lang- durlge droogte, zoo doopte men een Bilzenstengel in een bron en besproeide daarmee het zongloeiende zand. (Perger, 181; naar Montanus, 141, 6). Heksen gebruikten hiertoe nog de roode bessen van Hulst^_(7)_^; rood en ros was de kleur van Thor, den Dondergod. (Perger, 255)._ De bezem -- vooral die van Brem^(8)^ (of Genst) -- is een geliefd tuig van de Tooveressen; hij is het symbool van den wind en met hem vegen zij storm en hagel bijeen. _Vgl.~ This. 59; Kelly, Indo-European Folklore, 225-7._ Hierop steunt wellicht een gebruik van de Hamburgsche zeelieden: Als zij lang moeten strijden met tegenstrijdig en wind en zij een schip ontmoeten. dat in tegenovergestelde richting vaart, hangen zij vor hun vaartuig een ouden Genstbezem. _Zij hopen daardoor den wind van richting te doen veranderen. (This, 59; Grimm, D.~ M.~; Hardwick, Traditions, Superstitions, and Folk-lore; 117)._ De Indianen van Peru verzamelden zweet van eenen grijsaard, vermengden het met ganzebloed en het sap van zekeren Wortel en wierpen alles in de lucht om regen te bekomen. _De Wortel werd niet genoemd. (Wolf, N.~ S.~, p.~ 693; naar C.~ Stiltillius: Epist.~ peruan.~, anno 1590, 1591). Eveneens een sympathetisch middeltje._ Om te doen regenen gieten de inwoners van de Molukka- eilanden het water dat zich zamelt in de ascidin van de Beker- plant^(9)^ op den grond uit. _Steunt op sympathie. Z.~ Mrat en De Lens, Dict.~ art.~ Nepenthes._ | | ^(1)^ Eupatorium cannabinum L. | | | ^(2)^ Tanacetum vulgare L. | | | ^(3)^ Solanum dulcamara L. | | | ^(4)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(5)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(6)^ Verbena officinalis L. | | | ^(7)^ Ilex aquifolium L. | | | ^(8)^ Sarothamnus scoparius Koch. | | | ^(9)^ Nepenthes destillatoria L. | Een ander sympathetisch middel om regen te bekomen is iemand met water te overgieten of te besproeien; want vallend water lokt vallend water. _Overoud, zegt Herrmann (D.M.~ 56-57), is het gebruik een met Loover bekleeden man (of meisje) met water te begieten om hierdoor het hemelsche water naar beneden te tooveren. Burchard van Worms vermeldt dat de meisjes -- in Hessen en aan den Rijn -- het kleinste onder haar ontkleedden, met Loover omhulden en er mee gingen waar Bilzenkruid^_(1)_^ groeide. Hier rukte het omlooverde meisje een dezer Planten met den pink van de rechterhand uit en men bond het uitgerukte Bilzenkruid aan den kleinen teen van haren rechtervoet. Zoo werd het kleine kind naar de naaste beek gevoerd en er, onder het zingen van Tooverliederen, besprenkeld door middel van Bladerbossen die de andere meisjes in de hand hielden. Daarna trokken allen ruggewaarts, naar huis en dra kwam de regen. (Mone, Nord.~ Heidenth.~ II, 417; Perger, 182; Herrmann, 57 en 422). Dat ge- beurde nog in de 10"e" eeuw._ Als 't stormt en dondert, blazen de Heksen in Stroohalmen. _Aldus in Kamten (Wuttke, 121-2)._ Een zonderling volksgeloof. betreffende de Mandragora^(2)^, heerscht in dp.~ Corrze (Frankr.~). _Het Erbo dey motoco -- dat is aldaar de naam dezer Tooverplant -- groeit in zekere weide bij Tulle. Indien men onwillens de Plant met het Gras afmaait, begint het te regenen; verlangt men regen, zoo gaat men eenige Takjes van dit Kruid afsnijden. (Roll.~ VIII, 127). Hierbij mag vergeleken worden, wat de Bretoenen beweren over de Drudische Selago^_(3)_^: deze Plant -- ook in Belgi groeiende -- heet in 't En- gelsch Cloth of Gold (Kleed van Goud) en mag niet met eenig staal worden afgesneden, anders wordt de lucht duister en eenig ongeluk is op handen. (This.~ 197)._ b. *Melk stelen of bederven.* De Heksen verstonden de kunst om de melk van de koeien van eenen gebuur te stelen of te bederven. Vele sagen en gebrui- ken zijn dienaangaande in omloop en wat hier volgt behoort speciaal tot het gebied der Plantlore. Een Tiroolsche Heks tooverde de melk der koeien in steenen en Boomen. | | ^(1)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(2)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(3)^ Naar This.~: Lycopodium selago L.~; doch vgl.~ boven. | _Door Hekserij kwam de melk van den koeienuier direkt in steenen of Boomen. En als de Heks melk voor haar gebruik noodig had, molk zij eenvoudig de Twijgen dezer Boomen of drukte zij op eenen dezer steenen. De koeien, wier melk zij aldus roofde, gaven intusschen den eigenaar niets dan bloed. Deze Heks werd gevangen genomen en tot den brandstapel gedoemd; doch in de vlammen vervroos zij in stee van te verbranden. Men wierp ten slotte gewijde Kruiden in 't vuur en aldus gelukten de vlammen er in haar te verslinden. (Knortz, 22)._ Een Hessische Heks bekende dat zij des nabuurs koe met het Roedje had geslagen, ten einde de melk van het dier meester te worden. _Dat gebeurde in 1596. Zij had de Koe met het Roedje op St.~ Walpur- gisnacht (1 Mei) geslagen, in des Duivels naam, en zoo kon zij, buiten de wete van den gebuur, het gansche jaar de koe melken. (Mannh.~ BK.~, 272; naar Zs.~ f.~ D.~ Myth.~ II, 72)._ In Vende (Frankr.~) stak men onder de staldeur van den gebuur 5 of 7 Hazelroedjes^(1)^. _Daarna sleepte men deze Roedjes naar huis. (Revue d.~ Tradit.~ pop.~ 1907, 32)._ Eene Heks uit de Bovenpalts (Duitschl.~) bezigde tot zulk Tooverwerk eenen Elzetak^(2)^. _Om melk van eens andermans koe te verkrijgen, gaf zij deze drie slagen met zulken Twijg onder het uitspreken van zekere Tooverwoorden. (Mannh.~ BK.~, 272; naar Schnwerth: Aus der Oberpfaltz, I, 335)._ Tot het melkstelen gebruikte eene Schotsche Heks de Stengel- toppen van de Waterkers^(3)^. _Het is niet lang geleden, vertelt Gtmeron (Galic Names of Plants, p.~ 109), dat, op eenen Meimorgen, een oud vrouwtje bij eene bron en met eene schaar de Toppen van de Waterkers afsneed; dit doende murmelde zij zonderlinge woorden en ook de namen van personen die koeien hadden; onder andere zei zjj: `De helft van 't uwe is 't mijne!' Zij herhaalde deze laatste woorden telkenmale zij een Topje afsneed: dat Topje verbeeldde den persoon wiens melk en room zij wilde stelen. (Roll.~ I, 236)._ Het volgende Toovermiddel benuttigt vier Stroohalmen van Tarwe^(4)^. | | ^(1)^ Corylus avellana L. | | | ^(2)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(3)^ Nasturtium officinale L. | | | ^(4)^ Triticum vulgare Vill. | _En daartoe hoeft men Heks noch Toovenaar te zijn! Men neemt vier Tarwebalmen van 't jaar en men laat ze zegenen op Allerzielendag; daarna houdt men zich schuil en neemt men de benedictie waar, die een priester om de een of ander reden geeft. Vervolgens gaat men, te middernacht, vor de kerkhofdeur, als de maan aan 't minderen is; en men evokeert de ziel van iemand die zonder biecht is gestorven, en wen bezweert ze dat ze ter hulp kome en den melksteler vergezelle naar den stal waar de koeien staan. Op den stal- dorpel legt men ze, des anderen daags, op het uur van Saturnus of van Mars, in het voedsel der beesten, wier melk men stelen wil. Gedurende de acht volgende dagen zal men de begeerde melk in bezit krijgen. (Legran, Sc.~ et M.~, 105)._ Het was een verboden Heksenwerk, in den schoorsteen, zeker Kruid te hangen en te drogen, om aldus de melk in den uier der koeien te doen verdrogen. _Thiers, I, 134. De schrijver noemt het Kruid niet. Een sympathetisch Heksenwerk is 't. Zie nog bibliographische aanteekeningen bij Wolf, N.~ S.~ 694._ c. *Invultatie en soortgelijke Heksenwerken.* Afwezigen konden gepijnigd en gedood worden door magi- sche middelen: dat noemde men invultatie (middellat.~ invultatio, z.~ Du Cange; fr.~ envotement., z.~ Littr). Tot dit doel gebruikte men vooral de tooverkrachtige Hazel- roede^(1)^. _Wie eenen afwezige ferm wil afranselen, gaat op Goeden-Vrijdag vor zonsopgang naar buiten en snijdt (met het gelaat naar bet Oosten gericht en zonder te spreken of aangesproken te worden, in naam van den drieenigen God) met drie sneden den Hazelstok af. Dan neemt men een oud kleedingstuk, spreekt er over uit den naam van den persoon dien men wil aframmelen, en slaat met den Hazelstok er op los, zoolang men kan of wil. (Perger, 245). -- Eens stond een herder -- 't gebeurde in Zwabenland -- op zijnen Hazelstok geleund, toen een troep soldaten voorbijtrok. Een dezer, die een goed schutter was, schoot den staf van onder den herder weg, zoodat deze, daarbij nog erg bespot, op den grond viel. De schaper zei geen woord; doch toen de soldaten heen waren, deed hij zijnen kiel uit en sloeg er ferm op met zijnen Hazelstok: zoo werd de scherpschutter erg afgepriegeld en men hoorde wel een kwartier ver zijn geschreeuw en het hoongelach zijner kameraden. (Perger, 245; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 72; E.~ Meier: Deutsche Sagen, Sitten und Gebruche aus Schwaben, l, 245). | | ^(1)^ Corylus avellana L. | Naar Wuttke, 16, moet de Hazelroede op St.~ Jansnacht afgesneden worden. -- Knortz, 6, beweert dat men zulks op Sinksendag moet doen: naar ~'t volksgeloof gaat de Zon alsdan driemaal op. Wie nu vor den derden zons- opgang met en messnede drie kruisen in de schors van eene Hazelroede maakt en deze daarna met drie sneden glad van den Stam afsnijdt, bezit een Toover- stok, waarmede hij ver-zijnde vijanden kan afpriegelen: hij neemt een kleedingstuk van het lichaamdeel, waarop hij den, vijand wil slaan, en de afwezige zal elken slag hierop gegeven op het bedoelde lichaamsdeel ontvangen. Erger nog: zoo men den afwezige zelfs wil kwetsen of hem eenig lichaams- deel ontnemen, snijdt men, op eenen Zondag vor zonsopgang, een jarigen Hazeltwijg, buigt hem onder het snijden neder en spreekt tot hem: `Ik snijd u in naam van mijnen vijand, dien ik verminken wil'. Daarna gaat men naar huis, legt den Hazeltwijg, in naam van de Drievuldigheid op een Eiken tafel, neemt een scherp mes en doorkerft den Tak, murmelend: `Bald-bleuein-droch- mirroch-betu-baroch-assa-maroth! De H.~ Drievuldigheid straffe hem, die mij dit kwaad heeft gedaan, en late hem niet toe het nogmaals te doen. Eson-elion- emasis-ales erge!' (Perger, 246; naar Montanus, 117, b.~)._ In Frankrijk verbrandt men een Houtmutsaard met Wierook en Witten Aluin. _Na den mutsaard in brand gestoken te hebben, zegden de folteraars (ik geef hier de Fransche tooverformule, naar Thiers, Sup.~ I, 137); `Fagot, je te brle; c'est le c"oe"ur, le corps, l'me, le sang, rentendement, le mouvement, l'esprit de N... N...' (hier de naam van den persoon die moet gepijnigd worden) `qu'il ne puisse demeurer en repos jusqu' la moelle de ses os, par la terre, par le ciel, par l'arc-en-ciel, par les douze lignes, par Mars, Mercure, etc.; au nom de tous les diables, va, fagot, va procder et brler le corps l'me, le sang, le mouvement, l'esprit et rentendement de N... N..., qu'il ne puisse rester en place, ni parler personne, ni reposer, ni monter cheval, ni rivire passer, ni boire, ni manger, jusqu' ce qu'il soit venu accomplir mon dsir et ma volont, quanto, quio, garoco'. Terwijl het Hout brandt en vor de band gesprongen is, gieten zij er driemaal wijn op met zout vermengd en zeggen: `Ourne tourne!' Zulke mutsaard moet verbrand worden op onpare uren van den dag of van den nacht, en indien de afwezige niet genoeg gepijnigd en bedwongen wordt door het verbranden van enen Houtbundel, verbrandt men er negen, telkenmale drie op en dag. Eenigen koopen den mutsaard zonder echter een woord te spreken; ofwel 9, 11, 13 of 15 kaarsen en zeggen terwijl zij branden: `Ce n'est pas pour vous que je brle, c'est le sentiment, le mou- vement, les bras, les jambes, etc. de N... N..., etc.' (Thiers, Sup.~ I, 138)._ Men kan ook `envoteeren' met gewijde Palmtakken (liever Buksboomtakken^(1)^). | | ^(1)^ Buxus sempervirens L.~, althans in Frankr.~ en in ons land. | _Om een afwezende te pijnigen neemt men een stuk gekonsakreerd vet spek van de grootte van een ei; men steekt er spelden in, een dertigtal zonder ze evenwel te tellen, terwijl men bij iederen steek de magische woorden uitspreekt: `Eenmaal vassis atatlos; tweemaal vassis atatlos; enz.' Als het steken gedaan is, legt men er op kruisgewijs twee gewijde Palmtakken en men begraaft alles in onbebouwden grond. (Legran, Sci.~ et Mag.~, 62)._ Soms gebruikt men een Cipres twijg^(1)^. _Bij de eerste ontmoeting volgt men zijnen vijand, en men laat eenen steen vallen op het stuk grond dat door zijne schaduw bedekt is, juist op het oogenblik dat hij naar het Zuiden toegaat. Dan wacht men tot de vijand zich heeft verwijderd en men zoekt een der nagelaten indrukken van zijnen linker- voet. In dezen voetindruk trekt men met eenen Ciprestak, dien men met een gekonsakreerd mes heeft gescherpt, eene streep in de lengte en eene streep in de breedte, en dat herhaalt men tot men er zes heeft. Men raapt het aldus gevormde mul op; men legt het in een blad van maagdenperkement, en men herbegint in eenen anderen indruk van den linkervoet tot driemaal toe. Met dit mul of stof gaat men naar huis; men ontsteekt er een vuur, op den dag en het uur van Mars en op eenen avond van de nieuwe maan, en men werpt er het ingezamelde stof in: een ongeluk zal den vijand overvallen! En indien bij dit in 't vuur werpen, het mul sprankelt, zal hem een doodelijke ziekte of een doodelijke ramp overvallen. (Legran, Sci.~ et M.~, 132)._ Peterseliewortel^(2)^ is ook een invultatieplant. _Indien men een Peterseliewortel uit den grond rukt en hem, in naam van den persoon dien men haat, opnieuw plant, zoo werd deze ziek en sterft. Op zulke duivelsche wijs heeft menige man zijne vrouwen menige vrouw haren man onder de graszode gebracht. Aldus in Pommeren. (Perger, 203, Rel.~ u.~ Bohnh.~, 329; naar Curtze). Zulk volksgeloof bestaat ook in Engeland. John Jonas, uit Glocester, vertelt dat, in zijnen tuin, een werkman beslist weigerde Peterselie te verplanten. Op herhaald aandringen verklaarde de man, dat hij de Peterselie wel wilde uitrukken en vernietigen, doch ze opnieuw planten kon en wou hij niet, en niemand uit de omstreek of uit de verte kende hij, die de gevolgen van zulke vermetele daad op zich zou willen laden. Aldus C.~ Sterne (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 329-30)._ In Saksen werden Dorant^(3)^ en Wederton^(4)^ tot dergelijk misdadig doel gebezigd. _Heks Elisabeth Hanitzschin werd in 1640 te Dresden levend verbrand. | | ^(1)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(2)^ Petroselinum sativum Hoffm. | | | ^(3)^ Hgd.~ `Dorant' "=" Antirrhinum orontium L.~: eenigen nemen er voor | Gentiana campestris L.~ en G.~ pneumonanthe L. | | | ^(4)^ Hgd.~ `Wiederthon' "=" Steenbreekvaren, Asplenium trichomanes L. | Zij had met de hulp van eenen duivel die Hoofdman Meden heette, een kwastje van eenen handdoek en een stukje van den hoek eener tafel die zekere tafel- en stoelmaakster behoorden, bekomen en dt alles met een spaander van de galg, met voor drie penningen `Dorant' en voor drie penningen `Wiederthon', en met rundsbloed, in duivelsnaam, in eenen pot gedaan, dezen op 't vuur gezet en den inhoud omgeroerd, terwijl zij, altijd in duivelsnaam, zei: `Hoofd- man Meden moet die stoelmaakster bezoeken en medenemen!' Waardoor deze en haar man gebrekkelijk zijn geworden. (Meiche, n"r" 633)._ Zelfs Gras was een sympathetisch foltermiddel. _Wilde men eenen afwezige schade en ziekte toebrengen, zonder dat hij bevroeden kon vanwaar de oorzaak kwam, zoo stak men eene Graszode uit, waarop de benadeelde een tijdje lang had gestaan; en men hing ze in den schoorsteen of lei ze achter den haard. De afwezige bleef zoolang ziek als de Graszode er hangen of liggen bleef: het langzaam verdorren van het Gras werd parallelisch beantwoord door het langzaam vergaan van den vijand. Aldus in Oost-Friesland en in den Bovenpaltz (Wuttke, 120; Perger, 89, naar Schindler, Abergl.~, 166; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 371; Herrmann, D.~ M.~, 56)._ Het openbarsten ener Paardeboon^(1)^ bracht het barsten van den afwezige teweeg. _Ziehier wat men in Frankrijk deed om eenen dief te ontdekken en hem te straffen: men wierp eene Boon in den eersten put dien men tegenkwam; barstte de Boon in 't water, zoo moest ook de dief barsten. Dikwijls was 't vol- doende den vermoedelijken roover met de gebarsten Boon te bedreigen. (Roll.~ IV, 234; naar Rgis de la Colombire: Cris populaires de Marseille, 1868, p.~ 280). Ofwel men wierp de Boon in de olie van de lamp, die brandde vor het autaar van St.~ Antonius van Padua -- zooals men weet de heilige voor verloren of ontstolen zaken --; de Boon die barstte, deed den dief kennen; eenigen zelfs geloofden dat zij den dief deed sterven. Dat werd zoo vaak gedaan, dat men zich genoodzaakt vond de lamp zeer hoog en buiten het bereik van het bijgeloovig volkje te hangen. (Idem)._ In Marseille gebruikt men nog eenen Appel^(2)^ om eenen vijand te pijnigen. _Men neemt eenen Appel, steekt er rondom spelden in; zooveel spelde- prikken er zijn, zooveel steken krijgt den vijand in zijn hart, zoodat hij weldra bezwijkt. (Roll.~ V, 87; naar Rgis de la Colombire: Cris, p.~ 281)._ De magische Mandragora^(3)^ en haar vervanger de Wilde Wijngaard^(4)^ werden insgelijks door de folteraars aangewend. | | ^(1)^ Vicia faba L. | | | ^(2)^ Malus communis Poir. | | | ^(3)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(4)^ Bryonia dioica Jacq. | _Men neemt den Wortel van Mandragora of dien van Bryonie, die 't onkundig volk voor Mandragora aanschouwt, en maakt daarmee een leelijk beeld dat men foltert en dat den persoon verbeeldt, dien men schade of pijn wil toebrengen. Aldus in Engeland. (This.~ 65; naar Coles: Art of Simpling)._ Door middel van eenen Wilgetak^(1)^, waarin men eenen knoop maakt, kan men iemand doodknoopen. _Aldus in Hessen (Wolf, Hess.~ sagen; Wuttke, 120; This.~ 278). -- Wie zulke Wilgeknoopen, of aan Boomen gebonden strikken of Stroozeelen losmaakt, wordt zelf geknoopt. Aldus in Silezi (Wuttke, 120)._ De Esp^(2)^ of Sidderpopulier is een Invultatieboom. _In Oost-Pruisen gebruikt men hem om eenen onbekenden dief te straffen. Men legt een bij toeval bewaard deel van het gestolen goed van onder in den haard en men brandt er, op een Donderdagavond, Espenhout in: aldus wordt de dief zelf gebrand. Of men steekt het bewaarde deel in een gat van eenen Espenboom en doet de opening met eene wig toe: de dief zal sidderen als een Espebiad. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 45-6)._ Een Fransch Toovenaar bediende zich van eenen Vliertak^(3)^ om te invulteeren. _Hij leefde in de omstreek van Besanon. Wilde hij iemand (mensch of dier) buikloop aantooveren, zoo verschafte hij zich de fecalin van den mensch of van het dier, deed er een weinig van in een Vliertwijg, waaruit hij het merg had genomen, legde dezen Tak vast in een loopend water onder het uitspreken van zeker Toovergebed; zoolang het water door den Vliertwijg liep, zoolang had de mensch of het beest den buikloop. (Roll.~ VI, 282)._ Ook de Witte Hagedoorn^(4)^ kon hiertoe benuttigd worden. _Men kon met Hagedoom afwezigen schieten. Dergelijk folterend schot heette Heksenschot (hgd.~ `Hexenschuss') en men bedoelde er door wat de geneesheer `lumbago' noemt. Een Saksische Heks en haar twee dochters hadden voor zulk Heksenschot het volgende gedaan: zij namen Witten Hagedoorn en drie gele spelden, wonden alles in een zwart stukje leder en wierpen dat vor de huisdeur van hunnen vijand zeggende: `Gij hebt mij geschoten: ik schiet u ook in dezes of genes naam!' (Meiche, n"r" 631). Doch Heksen zelf konden worden geslagen door Hagedoom. Wil men, zegt Wuttke (n"r" 293) eene Heks die eene koe heeft betooverd, eens ferm afranselen, zoo laat men de koe in eenen zak zeiken en men slaat dezen met een Doornbussel._ | | ^(1)^ Salix-soorten. | | | ^(2)^ Populus tremula L. | | | ^(3)^ Sambucus nigra L. | | | ^(4)^ Crataegus oxyacantha L.~ en C.~ monogyna Jacq. | Gerst^(1)^ en Rijst^(2)^ komen voor in het volgende folterwerk. _Hiertoe moet de invultator zich als volgt voorbereiden: Hij maakt, gedurende veertien dagen, een mengsel van warm water en gewijd Gerstemeel; de drie eerste dagen doet hij in 't water drie grepen Gerstemeel, de drie volgende twee, de zes laatste en; zoo heeft men een en twintig grepen, een fatidisch getal. Iederen dag, drinkt men, in ene teug, het mengsel uit. Den dertienden dag tracht men den vijand een schotel Rijst te doen eten en dt zoo vroeg mogelijk, en, na hem vermaledijd te hebben, zet men hem het eten vor in een schotel, waaruit een zeer hongerig mensch heeft geten en waarin, zoo mogelijk, eenig overschot van wat die mensch at, is gebleven. Na den maaltijd werpt men de rest van de Rijst in eenen vijver waar veel visschen leven: indien deze nader komen en om de Rijst strijden, zal het gelukken van het werk volmaakt zijn; en de vijand zal erge buikpijn krijgen en misschien sterven. (Legran, Sci.~ et M.~, 133-4)._ Een Saksische Toovenaar invulteerde een schaapherder door middel van de Negenderhande Kruiden. _Te Sebnitz woonde een boschwachter en een schaper. Beiden waren Too- venaars. De boschwachter weigerde zijn dochter ten huwelijk te geven aan den herder. Deze wreekte zich door zijne Tooverkracht: de boschwachter kon geen beet meer eten en leed afgrijselijken honger; doch hij merkte algauw wie hem dat leed had aangedaan, en hij zond zijne vrouw naar Pillnitz. Daar zou zij, op een Elbeiland, eenen pot vinden. Dezen moest zij nog vor zonsondergang naar huis brengen en met den tuil van de Negenderhande Kruiden voor hem in den pot eene soep koken. 't Werd alzoo gedaan, en de man at met gretigheid en lust de soep uit. 's Anderen daags ging hij uit, en hij vond op den grond den schaper liggen, die huilde van dorst, want hij kon geen droppel vocht binnen- krijgen. Bij 't zien van den spottenden schaper wist nu de boschwachter dat hij de zwakste was; hij bad om vergiffenis, en de betoovering werd weggenomen. Beiden verzoenden zich. (Meiche, n"r" 722). Die krachtige negenderhande Kruiden waren, naar Perger, 45: 1"o" De Alant^_(3)_^, nog Odinskop geheeten; de Plant is het beeld der Zon, en zij moest in 't midden van den Negenkruidigen Tuil staan; 2"o" Het Boelkenskruid^_(4)_^, ook Hertskruid geheeten, want verwonde herten genezen er zich mee; 3"o" De Keltische Valerlane^_(5)_^; 4"o" De Bijvoet^_(6)_^; | | ^(1)^ Hordeum vulgare L.~ en andere gekweekte soorten. | | | ^(2)^ Oryza sativa L. | | | ^(3)^ Inula helenium L. | | | ^(4)^ Eupatoria cannabina L. | | | ^(5)^ Valeriana celtica L. | | | ^(6)^ Artemisia vulgaris L. | 5"o" De Averoone^_(1)_^; 6"o" De Alsem^_(2)_^; 7"o" Het echte Walstroo^_(3)_^; 8"o" De Alfranke^_(4)_^; 9"o" Eindelijk de Reinvaan^_(5)_^, die men soms Moeder-Godsstaf noemt. Z.~ be- neden Antimagische Flora._ Dat ook wilde volkeren invultatie kennen, zal wel niemand verwonderen. _Als de St.~ Regis-indianen (Amerika) iemand wilden krank maken, sloegen zij eenen Houtnagel in den aardbodem of in eenen Boomstam: hun slachtoffer werd ziek en leefde maar zoolang als de Nagel duurde. (Knortz, 39)._ Met dit folteren, ziek maken of dooden op verren afstand, staat de zoogenaamde Nodatie of het Nestelknoopen (hgd. `Nes- telknpfen', fr.~ `nouer l'aiguillette') in verband: door eenen Knoop in een nestel of snoer te maken. maakte men het `koren' of de vleeschelijke verzaming onmogelijk. De Plantlore leert ons dienaangaande: Eenigen werpen zekere Kruiden op den weg, dien de geknoop- te volgen moest of vor de deur van zijn huis. _J.~ Scheible: die gute alte Zeit, I, blz.~ 204, (Band VI des Klosters), naar Harsdrfer: Schauplatz lust- und lehrreicher Geschichten, I, 211-214. Die Kruiden werden evenwel niet met hunnen naam aangeduid._ Of men deed hem, buiten zijn wete, Zuring zaad^(6)^ over zich dragen. _Doch dat Zuringzaad moest gezameld worden door eenen knaap die nog geene vrouw had bekend. (Idem). Verscheidene tegenmiddelen zijn niettemin bekend. Z.~ beneden Antimagische Flora._ d. *Tooverdranken.* De Tooveressen en de Heksenmeesters brouwden Tooverdran- ken, die zij menschen of dieren ingaven, ten einde ze te schaden | | ^(1)^ A.~ abrotonum L. | | | ^(2)^ A.~ absinthium L. | | | ^(3)^ Galium verum L. | | | ^(4)^ Solanum dulcamara L. | | | ^(5)^ Tanacetum vulgare L. | | | ^(6)^ Rumex acetosa L. | (zelden om hun goed te doen). Soms gebruikten zij die Wonder- dranken voor henzelf. In zulke brouwsels vermengden zij allerlei giften, dus ook veelal Giftplanten (en soms Heilkruiden). Zij benuttigden hiertoe giftige Zwammen^(1)^. _Zij trokken er uit het bijtend en narkotisch sap. (Lvy, H.~ M.~, I, 326)._ En de drie giftige Solanaceen: Bilzenkruid^(2)^, Steekappel^(3)^ en Zwarte Nachtschade^(4)^. _Over het gebruikte Bilzenkruid z.~ Prahn, 130: vor hun vertrek naar den Sabbat dronken de Heksen eenen Tooverdrank met Bilzenkruid bereid. De Zigeuners bereidden hun Tooverdranken met Steekappel (Prahn, 149); zoo deed ook Ben Jonson's Tooveres in Masque of Queens. (This 64, vgl.~ Lvy, H.~ M.~ I, 326). Deze zelfde Tooveres zegt dat zij voor haar Tooverdranken Zwarte Nachtschade plukt. (This.~ 63 en 64)._ Ook nog schadelijke Monnikskap^(5)^. _Dat verklaart bovengenoemde Engelsche Heks bij Jonson (l.~ c.~; This.~ 63, 64)._ En de uiterst giftige Scheerling^(6)^. _This.~ 64._ En de soorten van Wolfsmelk^(7)^. _Heksen kookten het witte Sap van deze Planten en verdronken er in ser- penten (adders en aspik's); Lvy, H.~ M.~ I, 327._ In de Perzik-^(8)^ en Amandelkernen^(9)^ huist een subtiel gift; daarom gebruiken Tooveressen deze Zaden in hunne Too- verdranken. _Dat gift is het Pruisisch-zuur (fr.~ `acide prussique'. Lvy, H.~ M.~ I, 326._ | | ^(1)^ Fungi. | | | ^(2)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(3)^ Datura stramonium L. | | | ^(4)^ Solanum nigrum L. | | | ^(5)^ Aconitum napellus L. | | | ^(6)^ Conium maculatum L. | | | ^(7)^ Euphorbia L. | | | ^(8)^ Amygdalus persica L. | | | ^(9)^ Amygdalus communis L. | Ja, zij doen er in het gift van de twee uitheemsche Wolfs- melkachtigen: den Mancenillenboom^(1)^ en den Maniokwortel^(2)^. _Lvy, l.~ c._ Doch werden ook eenige niet giftige Planten in Heksendran- ken aangewend. nl.~ Adderstong^(3)^ en Maanvaren^(4)^. _Ben Jonson's boven reeds vermelde Heks zegt dat zij voor hare dranken deze twee mystische en magische Varens plukt. (This.~ 64)._ En overigens ook Donderbaard^(5)^ en rechtstandige An- doorn^(6)^. _Z.~ hierover Perger, 145 en 168. Donderbaard moest op eenen Donderdag (den dag van Thor) geplukt worden._ Porta geeft het volgende recept voor het samenstellen van een giftigen Tooverdrank. _Het was Alexander Borgia's gift, zegt hij. Neem een groote pad en sluit ze met adders en aspik's in eene bokaal, geef deze giftdieren, als voedsel, en gedurende eenige dagen, alleen Giftzwammen^_(7)_^, Vingerhoedskruid^_(8)_^ en Scheer- link^_(9)_^, folter deze dieren met ze te slaan, te branden, enz.~ totdat zij van honger en woede sterven; bepoeier ze dan met gestooten kristalschuim^_(10)_^ en Wolfs- melk^_(11)_^; doe alles in een welgesloten retorte-kolf; en slorp langzaam, door vuur, er alle vocht uit; laat eindelijk verkoelen. Zoo bekomt gij twee toover- dranken: een vloeibare en een droge poeiervormige. De eerste drank is zoo verschrikkelijk als de Aqua Toffana^_(12)_^; de tweede doet, op eenige dagen, alle levend wezen uitdrogen of oud-worden; het sterft in de ijselijkste pijnen. (Porta: Mag.~ nat.~; Lvy, H.~ M.~ I, 328-9)._ In de Vlsungasage wordt gemeld dat Gunnar aan Goedroen een Tooverdrank ingeeft die haar alle onderstane beleedigingen doet vergeten. | | ^(1)^ Hippomane mancenilla L. | | | ^(2)^ Iatropha manihot L. | | | ^(3)^ Ophioglossum vulgatum L. | | | ^(4)^ Botrychium lunaria L. | | | ^(5)^ Sempervivum tectorum L. | | | ^(6)^ Stachys recta L. | | | ^(7)^ Fungi. | | | ^(8)^ Digitalis purpurea L. | | | ^(9)^ Conium maculatum L. | | | ^(10)^ Nl~. schuim hetwelk boven kristal of glas, dat gesmolten is, komt zwemmen, | nog anatron geheeten. Mrat en De Lens, Dict.~ (s.~ v.~ cume of sel de verre). | Dat schuim werd vroeger in de geneeskunde gebruikt. | | | ^(11)^ Euphorbia-soorten. | | | ^(12)^ Gift dat in de 16"e" en 17"e" eeuwen in Itali vermaard was en arsenik bevatte. | _Deze drank was vermengd met vreeselijk krachtige stoffen, met meewater en met het bloed van Goedroen's zoon, en in den drinkbeker waren allerlei Runen gesneden en met bloed geroodverfd, gelijk hier gezegd wordt: Waren in den horen Allerlei Runen Gesneden en geroodverfd; Niet kon ik ze raden: De lange lindworm Van 't land der Haddingen, Ongesneden Aren, Ingang der dieren^_(1)_^. Er was in den biere Veel boosheid te zamen: Sap aller Boomen En verbrande Eikels^_(2)_^, Dauw der aarde^_(3)_^, Offers-gedarmte; Gezodene Zwijnslever, Zoo de smart verdoofde. (Vlsunga-saga, vert.~ Von der Hagen, 165-6)._ e. *Planten door Tooverij ziek gemaakt of verdorven.* Planten -- vooral de door den mensch gekweekte -- worden door Heksen en Toovenaars verdorven. Des nachts, en somwijlen ook des daags, varen zij in of boven of rond de akkers, tuinen, fruitgaarden en maken er de Gewassen ziek of dooden ze. Boomen doet men vergaan, indien men er eenen doodkist- nagel in slaat. _Aldus in Karnten (Wuttke, n"r" 191)._ Indien men eene Roos van eenen Rozelaar plukt en ze in eene doodkist legt, zal de Rozelaar verslensen en sterven. _Dat gelooft men in Hessen (Wuttke, n"r" 125). Evenals 't vorige gebruik steunt dit op sympathie._ | | ^(1)^ Dat zijn namen van drie Tooverrunen; zie nota op blz.~ 166 van F.~ H.~ | von der Hagen's Vlsunga-saga. | | | ^(2)^ Quercus robur L. | | | ^(3)^ D.~ i.~ asch ofwel schouwroet. | De Zwartkunstenaars maken zich schuldig aan 15 groote schelmstukken; en het vierde is: de Vruchten der aarde te doen sterven en een geheele landstreek aan hongersnood en onvrucht- baarheid bloot te stellen. _Zie de opsomming dezer 15 schelmstukken bij Bodin; Dmonom.~, l.~ 4, c.~ 5; en bij Thiers: Sup.~ I, 128._ Zij kunnen, door Tooverspreuken, den wasdom der Planten beletten. _Zij doen 't vooral gedurende St.~ Walpurgisnacht (1"e""n" Mei), den nacht van Donar. Aldus in Nedersaksen. (Wuttke, n"r" 23)._ De beroemde bulle van Paus Innocentius VIII (5 Dec.~ l484) Summis desiderantes affectibus, die zooveel vrouwen, mannen en zelfs kinderen ten brandstapel voerde, spreekt over dit Hek- senwerk. _Personen van beiderlei geslacht, zegt de bulle, vernietigen, versmachten en doen vergaan de Vruchten der aarde, de Druiven der Wijngaarden, de Vruchten der Boomen, ook de Wijngaarden, de Boomgaarden, de Beemden en Weiden, de `Blada' (? vanhier fr.~ `bled, bl'), de Granen en andere Plukvruchten (lat.~ legumina) van de aarde. De heele bulle, die de gewichtigste booze daden der Heksen en Toovenaars opsomt, staat bij Roskoff, II, 222. -- `On ne peut pas douter', zegt Thiers, Sup.~ I, 133, `que ce ne soit un malfice que de faire mourir les hommes, les btes, et les Fruits de la terre, par le moyen de certaines poudres, de certaines eaux, et de certaines drogues magiques'._ "*" Te Vollezeele schreven wij eene sage op van eenen Boom- gaard die door eene Tooveres betooverd was. _Nabij de dorpsplaats stond eene hoeve. Op den Boomgaard groeide welig Gras, maar de Fruitboomen brachten weinig of geen Vruchten op. In dat welig Gras joeg de boer zijn vier veulens: ze aten en aten er, doch werden niettemin mager en magerder. Op zekeren dag ontwaarde de boer een brandenden lanteern (mannelijk in Brab.~) in de Haag; hij nam en trok er mee bij den pastoor. Deze hield den lanteern op de pastorij. Reeds denzelfden dag kwam de Tooveres en vroeg den lanteern. Hij gaf hem; doch de vrouw moest hem beloven het land te verlaten en naar Frankrijk te vertrekken. Sedertdien was de Boomgaard onttooverd en de veulens groeiden flink op. (De Cock en Teir- linck, Br.~ S.~, I, 33-4)._ Wanneer de lente-nachtvorst den bloesem der Druiveboo- men^(1)^ en Boomgaarden verzengt, dan zegt men dat eene Heks dat gedaan heeft. _Herrmann, D.~ M.~ 63._ Om de Wijngaarden van een benijden gebuur te verderven, zieden de Heksen Wijnstokranken. _Grimm, D.~ M.~ 1043; een sympathetisch middeltje._ Tot dergelijke schanddaden bezigden Toovenaars ook zeker poeder. _De Fransche koning Karel IX beval dat men bij hem, na zijn diner, een vermaarden Toovenaar, genaamd Trois-Eschelles, zou brengen. Hij had Trois- Eschelles genade geschonken op voorwaarde dat de Toovenaar zijn Toover- gezellen zou verraden. -- En onder anderen beleed Trois-Eschelles, in 't bij- wezen van den Koning en verscheidene groote heeren, dat de Toovenaars zekere poeders gebruikten om menschen, beesten en Vruchten te dooden. En daar iedereen zich over deze bekentenis verwonderde, vertelde de aanwezige Admiraal Gaspar de Coligny, dat hij, weinige maanden vroeger, eenen jongen gevangen had genomen, die beschuldigd was twee edellieden te doen sterven hebben. De jongen bekende dat hij de knecht van die twee ridders was en gezien had dat zij zeker poeder op huizen en Koren wierpen, zeggende: `Vloek over deze Vruchten, over dat huis, over dat land!' Hij vond daarna dat Tooverpoeder en wierp het in het bed dezer edellieden, die men, heel opgezwollen en zwart, in hun bed doodvond. De rechters spraken den jongen vrij. -- Een derde vertelde nog dat eens twee Heksen in eene herberg kwamen en er zorgvuldig twee flesschen op zij zetten. Doch vermits de waard hen had hooren spreken van Granen en Wijnstokken te dooden, zoo nam hij de twee flesschen en goot den inhoud, een zeker water, in het bed, waar zij sliepen, en zij stierven ter- stond. -- Alsdan vertelde Trois-Eschelles veel. dergelijke geschiedenissen. (Thiers, I, 134; Bodin: Dmonom.~, l.~ 3, c.~ 5)._ Graangewassen vooral hadden te lijden door Hekserij. _Reeds in de Romeinsche Wet der Twaalf Tafelen, zegt Bekker (I, 23) werd straf gesteld op die welke het Koren betooverden. "*" In Vlaanderen is, naar 't volksgeloof, de Masscher^_(2)_^ (nl.~ de schadelijke Ustilaginee, die het Tarwegraan^_(3)_^ in een zwart stof verandert) het booze werk eener Tooveres. Men beweert Heksen gezien te hebben die, soms wel bij klaren dage, dat zwarte poeder in de Tarwevelden zaaien. Den Masscher bewaren zij en dragen zij naar de akkers in ledige eierdoppen: daarom moet | | ^(1)^ Vitis vinifera L. | | | ^(2)^ Tilletia caries Tul. | | | ^(3)^ Triticum vulgare L. | men, na een rauw ei gezopen te hebben, den dop teenemaal breken. Tegen die Hekserij wordt het Zaaigraan met Wijpalm^_(1)_^ en Wijwater gezegend en spreekt men er het gebed van den H.~ Bruno over; en op Palmenzondag wordt Wijpalm in de akkers gestoken. Aldus in het Zuiden van Oost-Vl.~ (Zegelsem, enz.~). "*" Hetzelfde volksgeloof bestaat betreffende den Korenbrand^_(2)_^, die de gansch Korenaar in zwart stof vervormt, en Tarwe^_(3)_^, Gerst^_(4)_^, Haver^_(5)_^ en andere Grassoorten opvreet. Ustilago carbo wordt echter min gevreesd dan Tilletia Caries omdat deze laatste Poederzwam met het Graan wordt ingeoogst, in het meel blijft en het brood bederft, terwijl Ustilago carbo, vor het pikken, door den wind wordt weggewaaid. In den Harz meent men dat de Tarwe tegen zulke betoovering beschermd blijft, indien de zaaier het Zaaigraan stilzwijgend op den kop neemt en terzelf- dertijd lichtjes murmelt: `Weizen, ich setze dich auf den Band, Gott behte dich vor Tresp en Brand!' (Prhle, in Zs.~ F.~ D.~ Myth.~ I, 2001 Wuttke, n"r" 232; Perger, 113). `Tresp' "=" Dolik^_(6)_^, een Giftgras. Wanneer er nogal wanorde in huis of in werk heerscht, zegt men in Friesland dat de Duivel in het Koren is. In eigenlijken zin werd de zegswijze vroeger gebezigd als in het te velde staande Graan Brandaren voorkwamen. (Dijkstra, II, 195). Dijkstra verwart echter Brand^_(7)_^ met een andere Zwamsoort, het Moederkoorn^_(8)_^, die het Graan in een zwart-purperen tand vervormt._ De Heksen beschadigen de Rogge^(9)^ daar zij zich, naakt, in die Graansoort baden: want Roggedauw maakt krachtig en verjongt. _Perger, 111-112. Het vroegere volksgeloof verbeeldde zich de Heksen naakt. (Herrmann, D.~ M.~ 63)._ In het Koren ontwaart men vaak strepen, waar de Halmen neder liggen: de Heksen hebben er schuld aan, zegt het volk, en niet, zooals 't is, de hazen of ander wild. _Naar het Beiersche volksrecht werd die `Aranscharti' ("=" hgd.~ `Ernte- scharte', ndl.~ Oogstscharte) met 12 solidi gestraft. (Herrmann, D.~ M.~, 63). -- Men heet ze nog `Hexenstiege' (id.~ 68; vgl.~ beneden Bilwitz)._ | | ^(1)^ Buxus sempervirens L. | | | ^(2)^ Ustilago carbo Tul. | | | ^(3)^ Triticum vulgare L. | | | ^(4)^ Secale cereale L. | | | ^(5)^ Avena sativa L. | | | ^(6)^ Lolium temulentum L. | | | ^(7)^ Tilletia caries Tul.~ en ook Ustilago carbo Tul. | | | ^(8)^ Secale cornutum der Apothekers, voortgebracht door Claviceps purpurea Tul. | | | ^(9)^ Secale cereale L. | Ook Gras en Hooi lijden door het bezoek of het werk van Heksen. _Het Dauwstrijken. De Heksen strijken den morgendauw met roode Wilge- roeden^_(1)_^ af en verderven aldus, door ontstane nachtvorst, Gras en Bloesem. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 361). -- Als Dauwstrijkster (hgd.~ `Taustreicherin ') strijkt de Heks den dauw van de Weide om aldus, voor de kudde, den eersten Weide- gang te verderven. (Herrmann, D.~ M.~, 63)._ Het opgetaste Hooi, vooral als het, niet droog zijnde, op den schelf wordt gelegd, verhit zich en kan zelfs in brand komen. Voor 't volk is dit verhitten een Tooverwerk. _In Friesland heet men dezen broeibrand de Pok in het Hooi. Des winters (aldus Dijkstra, II, 198), wanneer van een blok Hooi alle dagen iets afneemt tot voedering van het vee, ontdekt men soms dat, midden in zulk een blok, en van onder naar boven, een zwarte streep loopt, nu recht, dan slangvormig, en bestaande uit verkoold Hooi. Men denkt dat een booze Geest langs deze baan door het Hooi is gekropen, met het doel den heelen boel in brand te steken; maar dat mislukte, omdat het vuur niet tot uitbarsting kon komen._ Stigandi, een Toovenaar en Habjrn's broeder, had den Boozen Blik en belette er mee het Gras te groeien. _De Laxdla-sage zegt (p.~ 38): Door list werd Stigandi eens gevangen genomen en men wierp hem, om zich tegen zijnen boozen blik te beschermen, eenen zak over den kop. Maar in dezen zak was een hol, zoodat de Toovenaar langs daar nog eenmaal kon naar buiten kijken; en op den kant van den Berg, dien door zijn blik werd getroffen, groeide van dien tijd af geen Gras meer, en het scheen alsof een wervelstorm er over ware gevaren. (Herrmann, N.~ M.~, 347-8)._ Heksen en Toovenaars maken Klaver^(2)^ en Haver^(3)^ ziek en betooveren er beesten mee. _"*" Jan Vindevogele filius Arents, gezeid De Coninck, geboren en woon- achtig te Ooike bij Audenaarde (Oost-Vl.~) was een Toovenaar, die verkozen had den Duivel Salamas voor zijn `hulpe ende meester'. Op den ouderdom van 55 jaar werd Vindevogele veroordeeld om `patibulair gexecuteerd te worden met den viere datter de Doot naer volght, behaudens te vooren gewoelt te worden aen den staecke daer dexecutie zal geschieden, ende (zyn) lichaem aldaer als op een radt te laeten liggen, verclaerende (zyn) goedt tzy leen, erf te ofte catheyl, waer hetselve gestaen ofte gelegen is, verbeurt ende geconfisqueert | | ^(1)^ Salix purpurea L. | | | ^(2)^ Trifolium pratense L. | | | ^(3)^ Avena sativa L. | 's Heeren profytte'. 't Gebeurde in 1652. En waarin bestond des mans Toover- kunst? Onder andere heeft hij met een Duivelspoeder, twee koeien en een vaars van Arent van den Borre betooverd `met wat groene Claevers by (hem) getrocken uyt den Claeverbulck van Michiel Portois, alsdan staende niet verre van de weede van den voorseyden Vanden Borre, welcke Claevers (hy heeft) bestreken met (zyn) duyvels poeder, ende deselve koeyen ende veerse teten geworpen in de weede ende alsoo betoovert, dat de veerse geswolten ende de koeyen gebetert sijn met geestelijcke remedi'. Hij heeft ook betooverd `het swart veulepeert van Willem van Merhaeghe, werpende duyvelspoeder in sijn Haever, smorgens aleer het te wercken trock, het welcke daervan is geswolten'. Zie het heele stuk in Volk en Taal, II, 162-6._ Het heilzame Kruid Kamille^(1)^ wordt ook door Heksen be- dorven. _Men moet deze Theebloemen vor St.~ Jansdag plukken, omdat na dien dag de Tooveressen er op wateren. Aldus in Westpruisen. (Marzell, 213). -- En spruit hieruit het volksgeloof in Zevenburgen dat de echte Kamille op St.~ Jansdag een wilde Hondskamille^_(2)_^ wordt? (Id.~)._ Soms dooden zij Planten omdat zij er in de Koorts -- een demonische ziekte -- verbannen. _De betooverde Pereboom^_(3)_^. Zekere boer, zegt Dijkstra (II, 176-7) die aan de derdendaagsche Koorts leed, raadpleegde een Duivelbannner en deze zei: `Ik kan je Koorts wel afnemen, maar dan moet ik haar op een ander over- brengen. Heb je misschien ook iemand, dien je wel eens wat kwaads gunt?' De boer antwoordde `Ja, dat kan wel zijn, maar dit gaat toch wel wat te ver. De derdendaagsche Koorts is een groote plaag, die durf ik mijn ergsten vijand niet toe te wenschen'. `Welnu,' hernam de Wonderdokter, `wil ik haar in je Pereboom brengen?' Als dit kon, gaf de boer hiervoor zijn toe- stemming. Toen de man thuis kwam, stond de Pereboom met slap nederhangende Bladeren te rillen en te beven, juist als iemand die een erge Koorts heeft. De boer bleef vrij van de Koorts, maar de Pereboom bestierf het. Aldus in Friesland (Dijkstra). De betooverde Perzikboom. Te Marseille wacht een door de Koorts gefol- terde tot de ziekte zonder gevaar kan `afgesneden' worden; dan legt de zieke zich te slapen met den rug leunende tegen eenen Perzikboom^_(4)_^; twee of drie uren zijn voldoende. De zieke ontwaakt gansch genezen, maar de Perzikboom begint geel te worden, verliest zijne Bladeren en sterft aldra. (Roll.~ V, 290; naar Rgies: Mat.~ md.~, 51)._ | | ^(1)^ Matricaria chamomilla L. | | | ^(2)^ Anthemis arvensis L. | | | ^(3)^ Pirus communis L. | | | ^(4)^ Amygdalus persica L. | Op eersten Meidag breken de rondzwervende Toovenaars, met en gebaar. al de toppen van de Mispelaars^(1)^. _Aldus in Mayenne (Frankrol Roll.~ V, 141). In dp.~ Loiret (Frankr.~) is het de Duivel zelf, die de Mispelaars verderft. Daarom giet men aan hunnen voet op 1"e""n" Mei Wijwater om den Duivel te beletten dat hij de Takken afsnijdt. Aldus te Chtillon-sur-Loing (idem). Te Montargis wijdt men op Meiavond de Mispelaars; anders komt de Duivel de jonge loten slaan en verminken. (Idem, 140)._ En zij schijnen den Lijsterbesseboom^(2)^ te haten; want zij snijden de jonge scheuten af. _Aldus te Hermannsdorf in Saksisch `Erzgebirge' (E.~ John: Abergl.~, Sitte u.~ Brauch im Schs.~ Erzgeb.~, 1909, p.~ 226)._ Hier en daar in ons land kweekt men wel eens den Papier- boom^(3)^, uit het Oosten herkomstig; ons Vlaamsch volk noemt hem Tooverboom. omdat hij betooverd is. _In West-Vlaanderen (Pque, Bijv.~): men denkt dat de Boom betooverd is, omdat meestal de Bladeren een verschillenden vorm vertoonen; eenige zijn gaafrandig, andere eenigszins gelobd of diep gekerteld met alle overgangen van den gaven rand tot den diep-lappigen._ Des nachts waren de Heksen rond en betooveren zekere Planten. waarin zij hun schadelijk gift bereiden. _Een dezer Planten is de Nachtwortel (Eng.~ `Nightwort'). Aldus in de Nederlanden, schrijft Thiselton (58), die er bij voegt dat juist daarom de ervaren schaapherders hun kudde, na zonsondergang, niet meer laten grazen. Welke Plant door den naam Nachtwortel wordt bedoeld, is, evenals zulk volksgeloof in Nederland, mij teenemaalonbekend._ f. *Vruchten stelen.* Niet alleen dooden en verderven de Heksen en Toovenaars de Planten hunner vijanden of naburen, maar zij weten ook, door Toovermiddelen, den Oogst en de Vruchten van anderen te stelen. Het was, reeds bij de Romeinen. een oud volksgeloof, dat men door Tooverij, het Koren van eens andermans akker tot zich lokken kon. | | ^(1)^ Mespilus germanica L. | | | ^(2)^ Sorbus aucuparia L. | | | ^(3)^ Broussonetia papyrifera L. | _Zie Virg.~ Eclog.~ VIII, 99; Tibull.~ El.~ 8, 19; Roskoff, II, 208. En de Germanen geloofden dat Dwerggeesten het Graan van akker en zolder konden rooven. Het 6"e" Concilie van Parijs (a"o" 829) spreekt van Toovenaars die, door hun duivelskonstenarijen, de Vruchten van den eenen stelen om ze eenen anderen (of hunzelf) te geven. (Thiers, I, 16)._ Agobard (gest.~ 841). aartsbisschop van Lyon (Frankr.~), het helderste hoofd zijner eeuw, zegt Soldan (p.~ 86), teekent met smart aan dat het volk van Frankrijk geloof hechtte aan het bestaan van een Duivelsch genootschap dat het Koren in groote hoeveel- heid weg stal en het per luchtschip -- een voorlooper dus van onze aronef's en avion's -- naar een fabelachtig land, Magonia voerde om het aldaar te verkoopen. _Zie Agobard's schrift bij Migne, Patrologie latine, CIV); en vgl.~ Roskoff, 299; Knipscheer, II, 21. "*" Hiermee hangt samen het geloof onzer voorouders aan het bestaan van een zoogenaamd Nevelschip: Toovenaars vervaardigden zulk schip uit nevels en hagelwolken, en daarmede voerden zij den Oogst van andere men- achen weg. (Coremans: t'Anne de l'anc.~ Belg.~, 133). "*" In West-Vl.~ geeft men heden nog den naam van Appelschip aan een hagelvlaag of aan een buige wolk (DB). Roofden de Zwartkunstenaars, met zulk schip, de Appels van den Boomgaard? "*" Zulke wolk heet, in de Kempen, eenvoudig een Schip en als ze aange- dreven komt, zegt men: `daar komt weer een Schip!' Of: `ze zijn weer een Schip aan 't laden!' (Volksleven, VIII, 235)._ Gelijkerwijze stalen `Unholde' -- nagenoeg zooveel als Heksen en Toovenaars -- de Druiven^(1)^ en vreemde Wijngaar- den: zij gingen 's nachts en schudden de ranken, waaraan Bessen hingen; en zoo kwamen deze aan de ranken hunner eigen Wijn- gaarden hangen. _In Duitschland (Perger, 224; naar Grimm, Myth.~, 1043)._ En in Lechrain (Duitschl.~) zegt men dat de Heksen storm- winden doen ontstaan, zich in de draaiende luchtlagen verbergen en aldus het Koren en Hooi der lieden stelen en naar hunne woonst voeren. _Leoprechting: Lechrain, (p.~ 15, 101; Mannhardt: Aut.~ Wald- u.~ Feldk.~, 92). "*" En zoo iets ook gelooft men in het Zuiden van Oost-Vlaanderen._ | | ^(1)^ Vitis vinifera L. | "*" Ook in de Nederlandsche sagenliteratuur vindt men eene sage betreffende dat Vruchtenstelen. Er is sprake van eene Heks die al het Graan. dat op een akker stond, langs een buis op haren zolder doet rollen. _Daar ging een Tooverwijf rond eenen akker, die vol rijp Koren stond, en zij sprak het vers uit: `Super aspidem', enz. Toen zij thuis kwam, liep zij op haren zolder, nam er eene buis in beide handen, sprak opnieuw hetzelfde vers uit, en daar rolde al het Graan van den akker door de buis vr haar neder op den zoldervioer, zoodat zelfs op het veld, geen enkel korreltje overbleef. (Wolf, N.~ S.~, n"r" 288; naar Beetzius: praecept, I, expos.~ ult.~; en Delrio: Disquis.~ Mag.~, p.~ 400)._ *VI. Andere meestal onschadelijke Heksenwerken in verband met de Plantlore ^(1)^* In het vorige hoofdstuk werden meestal schadelijke Hekse- rijen onderzocht. Doch er bestaan ook magische doenwijzen, die voor Heks of Toovenaar zelf, of voor een gewonen mensch nuttig en voordeelig zijn zonder in het minste aan eenig wezen. rechtstreeks of onrechtstreeks, vor, gedurende of na het gedane Tooverwerk, eigenlijke schade te berokkenen. Over zulke onscha- delijke Heksenwerken wordt hier in dit uitgebreid hoofdstuk gehandeld, wel te verstaan indien zij met de Plant in verband staan. Zooals men het echter wel bemerken zal, kan men schade- lijkheid en onschadelijkheid niet altijd streng van elkaar scheiden. Al de Planten, waarover in dit hoofdstuk wordt gehandeld, zijn dus veeleer Toover- dan echte Heksenkruiden. a. *Het Schatgraven, het Bronnen- en Ertsenzoeken, en soortgelijke Wonderwerken.* _Die werken behooren tot tweederlei gebied: tot het gebied van de Tooverij en tot dit van de Waarzeggerij._ 1. Door de Tooverroede. Toovenaars en Waarzeggers -- ook wel de gemeene man -- gebruikten hiertoe eene roede, veelal Tooverroede geheeten. _Ook Wichelroede, Raadroede (Kircherus, O.~ W.~ II, 175-6); hgd.~ `Wnschelrute, Wnschelgerte, Zeigrute'; in Zwitserland nog `Brunnen- schmeckerin' "=" roede verlekkerd op bronnen; Nork, M.~ d.~ VS.~, 76, naar Tobier, 8a); -- fr.~ `Baguette divinatoire' en `Baguette magique'. (Lvy, H.~ M.~, II, 128, maakt onderscheid tusschen deze beide roeden: de 1"e" is recht, de 2"e" gevorkt; z.~ beneden); -- eng.~ `Divining-rod, Wand, Divining-wand'; -- lat.~ Virga of Virgula divinatoria. In eene ohgd.~ glosse (Glossae junianae, 383) heeft men reeds het woord `Wunschiligarta' (Weigand, Wtb.~); mhgd.~ `Wunschelruote' en `Wnschelgerte'. | | ^(1)^ Vgl.~ Hoofdstuk III. | Vgl.~ in het Nevelingenlied (1064) den naam `Wunsch': `der wunsch der lac darunter, von golde ein ruetelein, der daz het erkunnet... der mhte meister zin wol in al der werlte... ber islichen man'. Naar de hgd.~ vertaling van Simrock (Nib.~, p.~ 204) vertaal ik in ndl.~; `de wunsch, die lag daaronder, een gouden roedelijn, wie dat bezit, die kan meester zijn op de wijde aarde wel over ieder man'. Men onderscheidde. zegt Perger (251): `Feuerruthen, Brandruthen, Spring- ruthen, Schlagruthen und Beberuthen'. Voor de bibliographie, z.~ vooral: Graf Carl von Klinckowstrm, Bibliogra- phie der Wnschelrute._ "P" Tooverroede in het algemeen (d.i.~ niet gemaakt van een bepaalde Plantsoort). Met zulke Tooverroede -- hier wel Tooverstaf of Tooverstok -- tooverden de Zwartkunstenaars (ook niet-Toovenaars. zelfs Heiligen) en voerden wonderbare werken uit. Mozes~ en Aaronsroede. Mozes en Aaron gebruikten eene Tooverroede; eveneens de Magirs of Wijzen en Pharao. Merkwaardig is de Toover- strijd tusschen de eersten en de laatsten. _De roede van Mozes en Aaron was Gods roede. (Exod.~ IV cap.~). Die Roede, door Aaron op den grond geworpen, werd eene Slang; deze. bij den staart genomen, werd opnieuw eene Roede (id.~ c.~ IV en VII; Koning.~ I, 29-30, waar men zegt dat het een Draak was). -- De Magirs van Pharao -- er waren er twee en ze heetten Jannes en Mambres (Nork, Fest-Kal.~ 40) -- wierpen hunne Roeden op den grond: het werden Draken; maar de Slang van Aaron verslond de Draken van de Magirs. Aaron slaat het water van den vloed met zijne Tooverroede en het water van den vloed en van heel het land van Egypte werd bloed. Maar de Magirs deden hetzelfde wonder met hunne Roeden. Aaron slaat met zijne Roede het stof der aarde: en het stof wordt veranderd in Muggen. De Magirs konden het niet nadoen. (Cap.~ VIII). Mozes steekt zijne Roede ten hemel: donder, bliksem, hagel loopen over Egypte omme, en al wat buiten is -- menschen, beesten, Kruiden en Boomen -- worden vernield. Mozes steekt zijne Roede uit over Egypte: een dorre wind waait en dag-en-nacht en brengt, 's morgens, ontelbare Sprinkhanen. (Cap.~ X). Mozes scheidt met zijne opgeheven Roede de wateren der Roode Zee en vereenigt ze daarna weder over Pharao en zijn leger. (Cap.~ XIIII). Mozes slaat met zijne Roede op de steenrots Horeb en er springt helder water uit. (Cap.~ XVII). Ook in de woestijn Sin doet hij, met slagen van zijne Roede, water uit eenen steen vloeien. (Num.~ Cap.~ XX). Een Bijbeische sage betreffende Aarons Roede: Aarons Roede bloeit. Mozes zet de twaalf Roeden der twaalf Geslachten, met die van Aaron in het Tabernakel van de Getuigenis; en des anderen daags ziet hij dat Aarons Roede groen is geworden, dat uit de opgezwollen Botten Bloemen zijn gesproten, en dat deze zelfs tot Amandelen^_(1)_^ gespeend waren. (Num.~ cap.~ XVII). -- Rabbi Simeon zegt. dat deze groeiende en bloeiende Roede van Aaron dezelfde was als die waarmede hij en Mozes in Egypte Wonderen hadden verricht. -- Naar den Rijmbijbel (5883) kwamen Noten op deze Roede: `Tsanderds daegs... vondsi ghelovert Aarons roede, ende Noten^_(2)_^ ooc ghewassen daer aen'. Deze Roede zou ook het Hout (of de Boom) zijn. dien God aan Mozes in de woestijn heeft aangewezen om het bitter water Marath zoet te maken. (Exod.~ c.~ XV). Zij werd afgesneden van den Boom des Levens. die door Engelenhanden in het Paradijs geplant werd. En toen Adam zijnen zoon Seth naar het Paradijs stuurde om, door een ootmoedig gebed, van God vergeving zijner zonden af te smeeken, was het deze Roede die de Engelen aan onzen eersten Vader zonden. Terzelfdertijd gaven zij aan Seth bevel om ze te planten en voegden er bij dat zoodra deze geplante Roede Vruchten zou dragen, de Goddelijke ontferming zou nederdalen; en meteen op dienzelfden stond zouden de poorten des Hemels, die totdantoe gesloten waren gebleven, geopend worden. Seth plantte deze Roede in de woestijn; zij werd er een Boom en Mozes vond er hem. Hij sneed er een en Tak af, die sedertdien den naam van Gods Roede heeft gedragen. Deze Roede is ook dezelfde Boom, waaraan Mozes het Serpent heeft opgehangen (Num.~ c.~ XXI), waardoor de Heer gewild heeft dat de heele wereld behouden zou worden en tevens besloten zijne barmhartigheid neerwaarts van den Hemel op Adam te zenden, zoodra Koning Messias zou gekomen zijn. (Koning.~ I, 31). Het volk heeft den naam Aarons roede op verschillende Planten overge- bracht: 1"o" Arum maculatum L.: Vlaamsch Aronsstaf (Paque, VN.~); hgd.~ `Arons- stab'. Volksetymologisch spel: Aaron en Arum hebben nagenoeg denzelfden klank en de stafvormige bloeikolf werd met den staf van Aaron gelijkgesteld. -- Hier eene phytogenetische sage: Oorsprong van Arum maculatum. Josua en Kaleb, uitgezonden naar Chanan, namen Aarons Roede mede en droegen er op den zwaren Druiventros^_(3)_^. Nadat zij dezen van de Roede hadden gedaan, staken zij den Staf in den grond: het Arum schoot op en, tot heden, blijft deze Plant een zinnebeeld van gezegenden Vruchtenoogst. (Menzel, Symbol.~ I, 3; Perger.~ 185; Teirl.~ Plantl.~ 152; Dhnh.~, I, 319). | | ^(1)^ Amygdalus communis L. | | | ^(2)^ Juglans regia L. Of zijn hier Amandelnoten bedoeld? | | | ^(3)^ Vitis vinifera L. | 2"o" De wolbladige Toorts^_(1)_^: Ndl.~ Aronsstaf, Aronsstok (Heukels, Wdb.~; eng.~ `Aarons rod' ("=" Aaronsroede; Roll.~ VIII, 149). Naar den stafvormigen bebloeiden Stengel. 3"o" De gele Affodille^_(2)_^: hgd.~ `Aronsstab', om gelijke reden. (Sal.~-Voss). 4"o" Het purperen Standelkruid^_(3)_^: hgd.~ `Aronsstab': de bebloeide Stengel is roedevormig. (Sal.~-Voss). 5"o" Het pyramidaalvormige Klokje^_(4)_^: hgd.~ `Aronsrute' (Sal.~-Voss); de hooge met talrijke blauwe Bloemen versierde Stam is een pyramiede gelijk en werd met de in het Tabernakel bloeiende Aaronsroede vergeleken. 6"o" De Hemelsleutel^_(5)_^: eng.~ `Aarons rod' (aldus in Noord-Westamerika: Pickering, Chr.~ H.~ of Pl.~, 303); de eenigszins stijve, doch vleezige Stengel draagt rood-purperen Bloemen. Sommige Botanisten houden voor de Mozesroede eenen Twijg van den Aleppischen Blazenstruik^_(6)_^. (Leunis, Syn.~ 114). In Basse-Normandie (Frankr.~) heet de magische Hazelroede `Verge d'Aaron'. (Roll.~ X, 198)._ Ook in Babyloni gebruikten de Magirs Tooverroeden. _Fr. Lenormand: Chald.~ Mag.~; This.~ 263._ Caduceum van Mercurius. De Roede. waarmede Mercurius (gr.~ Hermes) twee vech- tende Slangen scheidde, was wel een echte Tooverroede, die zegen en rijkdom bijbracht. _Eerst was het Caduceum (ook Caduceus, m.~; gr.~ Kerukeion) een gaffel- vormige Roede; later eene Roede met twee haar omslingerende Slangen, wier koppen tegenover elkander staan, en boven de spits twee vleugels. Later nog werd de Hermesroede een Herautstaf. Virgilius (Aen.~ IV) somt de Wonderkrachten van het Caduceum op. Jupiter zendt Mercurius naar Carthago om Aeneas voor Dido en de Carthagi- neezen te waarschuwen. Mercurius gehoorzaamt en `Tum virgam capit: hc animas ille evocat Orco Pallentes, alias sub Tartare tristia mittit; Dat somnos adimitque, et lumina morte resignat'. | | ^(1)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(2)^ Asphodelus luteus L. | | | ^(3)^ Orchia purpurea L. | | | ^(4)^ Campanula pyramidalis L. | | | ^(5)^ Sedum telephium L. | | | ^(6)^ Colutea haleppica Lam. | D.i.~ naar Voss: `Toen vat hij den Staf, die bleeke zielen, van Orcus, Oproept, of ze naar beneen in den treurigen Tartarus zendt, Sluimer geeft en ontneemt, en van den dood ook de oogen ontzegelt'. Mercurius'~ Tooverroede kon dus: 1"o" de Zielen van gestorvenen terug op de wereld doen komen; 2"o" de zielen naar den Tartarus zenden; 3"o" ze doen slapen of beletten te slapen; 4"o" de stervenden tot het leven terugroepen (z.~ over deze Aeneis-passage, b.v.~ Ch.~ Anthon: Aened of Virgil, 1879, p.~ 197). -- Met zijn `Slaapstaf' of `Slangestaf' (aldus Valentijn en Smids, de vertaler en de commentator van Ovidius: Herscheppingen) streelt Mercurius het aangezicht van de maagd Chione, waarop hij verliefd was, en Chione valt in slaap. (Ovid.~ Met.~, l.~ XI, c.~ 5). -- Het was ook met dezen slaapverwekkenden Slangestaf dat Mercurius den honderdoogigen Argus de oogen streelde en in slaap bracht, waarna hij Argus tusschen hals en nek doodt en van de steile rots werpt (id.~, l.~ I, c.~ X). -- Vgl.~ beneden met Odin's slaapverwekkenden Staf. Bibliographie: Muller, Uwer den Hermesstab, Kopenh.~ 1864; Preller (in: Philologus, Band I)._ Thyrsus van Bacchus. Thyrsus (gr.~ Thursos) van Dionysos (of Bacchus) was een ombladerde en ombloemde staf of spies, die de God als wapen of teeken droeg, eveneens de Bacchanten. _Daarom werd Bacchus `Thursophoros', d.i.~ Thursosdrager geheeten. Dodoens (270) beschrijft hem duidelijk genoeg; hij zegt dat Thyrsus of Thursos `beteekent by de Griecken een roede / spiesse, stock oft torse met bladeren oft met Veyl^_(1)_^ rondom bedeckt ende bewonden: wiens opperste met meer bladeren oft bloemen bedeckt ende verciert is dan het onderste: ende soo eenen bol oft bal van bloemen oft bladeren schijnt te ghelijcken'. Naar de meening van velen was de Thyrsus de stijve Stengel van het gewoon Roedekruid^_(2)_^, een Schermbloemige die soms vijf meter hoog wordt; deze Stengel was omwonden met Klimop- of gewoonlijk met Wijnstokranken^_(3)_^ en boven op het uiteinde droeg. hij een Pijnappel^_(4)_^. Men noemt hem in 't ndl.~ Wijnrankstaf, Wijnrankpiek, Wijnranklans of eenvoudig Rankpiek, -lans of -staf (z.~ b.v.~ Ovidius'~ vert.~ door Valentijn en Smids, blz.~ I, 66). De Bacchanten sloegen elkaar met den Thyrsus en geraakten alzoo aan het hollen (id.~ blz.~ 67). Toen de Reuzen den Olympus wilden bestormen en de Goden ombrengen, | | ^(1)^ Hedera helix L. | | | ^(2)^ Ferula communis L. | | | ^(3)^ Vitis vinifera L. | | | ^(4)^ Vrucht van Pinus pinea L. | sloeg en doodde Bacchus den reus Eurytus met zijnen Thyrsus. (Schwab: Sch.~ S.~ 95). Met zijn Rankstaf doet Bacchus wijn uit de rots springen (Nork, M.~ d.~ VS.~, 76), evenals Mozes water uit de steenrots (z.~ boven): Thyrsus was dus wel een echte Tooverroede. Wij mogen als Thyrsusplanten beschouwen; 1"o" Klimop^_(1)_^, die den Staf of de Spies omwond; evenals 2"o" Wijnstok^_(2)_^, de Bacchusheester door Bacchus geplant en voortgebracht (z.~ Is.~ Teirl.~ Pk.~, 53 en vvgg.~; vooral Dhnh.~ I, 298-314). 3"o" De Zuideuropeesche eetbare Pijnappel^_(3)_^, die den Staf bekroonde. En voorts, in 't algemeen, al de Kruiden, `die sulcke ronde bollen op hun t'sop dragen...'(Dod.~) als; 4"o" Het gemeene Roedekruid^_(4)_^, wiens Stengel den eigenlijken Staf vormde (z.~ boven; Teirl.~ Pk.~, 83; Dierb.~ 63-64). Doch zie beneden Narthex van Pro- metheus. 5"o" De kopvormende Tijm^_(5)_^, door Dodoens vereenzelvigd met het Thursion van Dioskorides, omdat dit kruid `op sijn steelkens een rondachtigh bolleken draeght'. (Dod.~ 270). Mrat en De Lens (Dict) beschouwen ons gemeen Lieve-Vrouwen-Bed- stroo^_(6)_^ als zijnde het Thursion der Grieken; doch 't zal wel verkeerd zijn, want hier moet sprake zijn van een Zuideuropeesche Tijm. 6"o" De kopvormende Keule^_(7)_^, die voor Matthiolus (Comm.~) het echte Thursion zou zijn. 7"o" De Bremraap-soorten^_(8)_^, Thyrsine geheden, omdat zij eenen Stengel hebben die boven dikker en grover is dan onder (Dod). 8"o" De gekweekte Latuw of Sla^_(9)_^: `Insgelijcks vintmen / dat de steel van de Lattouwe somtijds Thyrsus geheeten wordt / die oock in een breede krans- ghewijse kroone eyndight / als de Ferula doet'. (Dod.~)._ Vuurroede van Prometheus. Prometheus ontrooft aan de Goden het heilige Vuur en brengt het op de aarde in een hollen Plantstengel: `Narthex'. _Daarom noemt Valentyn -- de ndl.~ vertaler van Ovidius -- hem den Vuurdief (I, 184 der ndl.~ vert.). Deze klassische Prometheussage is genoeg | | ^(1)^ Hedera helix L. | | | ^(2)^ Vitis vinifera L. | | | ^(3)^ Pinus pinea L. | | | ^(4)^ Ferula communis L. | | | ^(5)^ Thymus cephalotus L. | | | ^(6)^ Thymus serpyllum L. | | | ^(7)^ Saturela capltata L. | | | ^(8)^ Orobanche-soorten. | | | ^(9)^ Lactuca sativa L. | bekend (z.~ b.v.~ Hesiod.: Opera et dies, 52; Theogonia, 567). Narthex bet.~ doos in 't gr. De Plant, in wier hollen Stengel de vermetele Vuurdief het hemelsch Vuur naar beneden bracht, is: 1"o" Naar 't gemeen gevoelen het gewone Roedekruid^_(1)_^, met wit stengelmerg dat gemakkelijk brandt en thans nog in Sicielje als tondel wordt gebezigd. Het wordt ook beschouwd als zijnde `Thursos' van Bacchus (z.~ boven), omdat de Stengel, zegt Dod.~ (270), `opsijn t'sop een breede ende ronde kroone / eerst bol van bloemen ende daernae van saet / eenighsins de ghedaente van eenen Thyrsus uytdruckende', heeft: `waer van oock het woort Narthex oft Ferula van sommighe ghebruickt wort / om den Thyrsus te beteeckenen; ende om de selve oorsacke wort den Godt Bacchus / die by de Poten ende dichters Thyr- sophoros ghemeynlijck geheeten is / oock somtijts Narthecophoros Narthekophoros ghenoemt / nae de Thyrsi oft stocken diemen in de feest van dien Af-Godt pleegh om te draghen ende te schudden nae de wijse van de oude Heydenen'. Dodoens schijnt dus geen onderscheid te maken tusschen `Thursos' en `Narthex'. -- Over deze gemeene Ferula leest men bij Pickering, 127: `Ferula communis... in which we recognize the `nartheca' or `ferula' employed to preserve fire stuck from the rock; an arth taught by Prometheus'. Deze zou dus iplv.~ vuurdief de eerste vuurslager geweest zijn. 2"o" Naar Tournefort (Voyage dans le Levant, I, 377) het Zeegroene Roedekruid^_(2)_^, in Griekenland gemeen. 3"o" Naar sommigen de Asa-foetida^_(3)_^, die ook een Ferula is. 4"o" Naar Berggren (in; Isis, 1828, j.~ 196) de Tandenkoter-Ammi^_(4)_^ (aldus genoemd omdat, heden nog in Spanje b.v.~, de welriekende Schermsteeltjes als tandenkoter gebezigd worden), insgelijks een Schermbloemige uit Zuid-Europa: het Vuur zou bewaard geweest zijn in de kleine witte Schermen met samen- getrokken Bloemtuiltjes (als die der rijpwordende Peen bij ons). 5"o" Naar Hecker (Wdb.~), een eenvoudige Vliertwijg^_(5)_^, die zeer hol al witmergig is. 6"o" De Botanist Mhring (gest.~ 1792), uit Dantzick, heeft den naam Narthe- cium -- diminutief van Narthex -- gegeven aan de Beenbreek^_(6)_^ of Arenlelie, nog gewoon in de moerassige Kempen: misschien heeft de eenigszins stijve Stengel, die men ook in de scholen als slagstok bezigde, (z.~ Kannegiesser) evenals de Ferula, aan Narthex doen denken. Verkeerd is het echter deze lelie- achtige met Prometheus'~ Narthex te identificeeren. Over deze met fabels omringde Plant, zie Simon Pauli (Quadripartitum, 532) en Gleditsch (in: Mm.~ de Berlin, 1781, 68). Over Narthex, raadplege men Andreas Pantecovius, De Herba Promethei, | | ^(1)^ Ferula communis L. | | | ^(2)^ Perula glauca L. | | | ^(3)^ Ferula narthex Boiss.~ ("=" Narthex asa-foedida Falconner). | | | ^(4)^ Ammi visnaga L. | | | ^(5)^ Sambucus nigra L. | | | ^(6)^ Narthecium ossifragum L. | Apollonii et Propertii (in: Act.~ Mar.~ Balth.~, anno 1708); -- Plin.~ VII, 57 en XIII, 43; -- Aeschylus, Prom.~ 109; -- Euripides, Bacch.~ 695, -- Xenophon, Cyr.~ II, 3, 7._ De Tooverroede van Circe (Kirke). Circe, als alle Tooveres, bezat een (gulden) Tooverroede, waarmede zij den koningszoon Pikus in Specht vervormde. _Pikus was, naar de sage, koning van Latium en overschoon van gestalte. Eens ging hij jagen in het land van Laurente en kwam in een bosch, waar Circe Tooverkruiden plukte. Toen zij den jongeling in 't oog kreeg, sloop terstond de liefde in haar, maar Pikus, die Canens (de Zangster) minde, versmaadde Circ's minnevlam. De gehoonde Tooveres keert zich nu tweemaal naar 't Westen, tweemaal naar 't Oosten, streelt den jongeling driemaal met haar gulden Tooverstaf en spreekt driemaal een Tooververs uit: Pikus wordt Specht, die met zijnen bek in de Eiken en ander hooge Boomstakken prikt en boort; en wiens veren de roode verf van des jagers rijrok hebben, en de gouden gesp, waarmede deze rond den hals is vastgemaakt, wordt een gouden kleurring als halsband voor den Vogel. De jachtgezellen, die Pikus zochten, kwamen bij; doch Circ besprengde ze met het giftig Sap harer Kruiden en veranderde ze, door het bestrijken van hun aangezicht met haar venijnige Roede, in wondere dieren. (Ovid.~ Met.~, l.~ XIV, c.~ V; Virg.~ Aeneis, VII, vs.~ 189 en vvgg.~). Men zegt niet van welke stof die schadelijke Tooverroede van Circe was vervaardigd._ Tooverroede van Medea. _Het was een Vlierstengel^_(1)_^. Met Jason ging Medea naar het heilige Woud waar het Gulden Vlies aan eenen Eikehoom^_(2)_^ hing en er door den slaaploozen draak bewaard werd. Met hare Vlierroede sprenkelde zij eenen Tooverdrank in de oogen van het ondier, dat in slaap viel. Zoo roofde Jason het kostelijke Vlies. (Schwab, die Sch.~ Sag.~ 65). Naar Ovidius, (Met.~ VII, 1) is het Jason zelf die het gedrocht `met vergeet-sap' besproeit en tegelijkertijd `drie-werf sijn slaep-toover-vers' her- haalt. (Z.~ de vert.~ van Abr.~ Valentyn B, 188). Ovidius gebruikte: `sparsit Lethaei gramine suci'._ Tooverroede der Magirs. Met een Tooverroede trokken de Magirs hunnen Toover- kring. _Gubern.~ I, 57._ | | ^(1)^ Sambucus nigra L. | | | ^(2)^ Quercus-soort, wellicht Q.~ aegilops L. | Naar Avesta werkten de Perzische Priesters met Toover- roeden. _Het waren eigenlijk Roedenbundeltjes, `Baresmn' geheeten. Die Roeden moesten op bepaalde tijden en naar bepaalde riten gesneden worden. (Reinach: Relig.~ vol.~ d'oiseau, II, 6)._ De Tooverroede is ook in de Germaansche en Noorsche mythologie bekend. In de Eddaliederen en in andere gedichten wordt er melding van gemaakt. _De Tooverstaf was onmisbaar voor een Noorschen Toovenaar, zegt Herr- mann (NM.~, 55). Een driedubbele slag met den Tooverstaf op de linkerwang ontnam alle geheugen, doch zulke slag op de rechter schonk het terug. Een simpele beroering met den Staf deed den beroerde alles vergeten. De Tooverroede had eenen ring: zoo men de Roede met de spits in loopend water stak en op den ring beet, dreef het tegengehouden water terug naar zijn oorsprong. Aldus Herrmann ter aangehaalde plaatse. Odin's Tooverstaf. Odin was niet alleen een groot God, maar ook een Toovenaar. Een zijner namen is `Gondli' d.i.~ Drager van den Tooverstaf. (Herrmann. NM.~, 306). -- Die Tooverstaf werd hem geschonken door den reus Hlebard, en daarmede ontroofde Harbard ("=" Grauwbaard, een bijnaam van Odin) Hlebard het verstand. (Harbardlied, 20; Perger, 249). Die Roede heet in de Edda `Gambantein', woord dat Lning (Edda) vertaalt door `Springwurzel^_(1)_^, Wnschelrute'. -- Vgl.~ boven Medea's Tooverroede. Odin's Slaapdoorn, waarmede hij Brunhilde in slaap dompelt (Helreid Brynhildar, 6 en vvgg.~; Sigrdrifuml, 4; Nevelingenlied) is, naar Hagen, een `Wunsch' of Tooverstaf, -- naar anderen de Hondsroos^_(2)_^; -- naar Perger (288) de Slaapappel^_(3)_^; -- naar enkelen de mystische Marentak^_(4)_^. Skirni's Tooverstaf. Skirni, dienaar en vriend van den Wanengod Frey, rijdt naar de schoone Gerd en zegt: `Ik heb hier elf Appels, gansch van goud, die zal ik u, Gerd, geven, om uwe liefde te koopen en opdat gij bekennet dat geen liefster voor u leeft dan Frey is'. Gerd antwoordt: `Die elf Appels neem ik van u niet aan, en geen mans liefde: nooit kunnen ik en Frey, zoolang wij ademen, te zamen zijn'. Zij weigert nog, als Skirni haar den gouden ring Draupni aanbiedt, Odin's ring, die ieder negenden nacht acht zulke ringen neerdroppen laat. Zij blijft weigeren zelfs als Skirni bedreigt haar en haren vader met zijn Tooverzwaard, | | ^(1)^ Nu, de `Springwurzel' zou Euphorbia lathyrus L.~ zijn. | | | ^(2)^ Rosa canina L. | | | ^(3)^ Mosachtige uitwas. door de larven van een insect (Rhodites rosea L.~) | op de Hondsroos teweeg gebracht: onder het hoofdkussen gelegd deed het slapen. | | | ^(4)^ Viscum album L. | Frey's zwaard dat zich vanzelf rondzwaait, het hoofd af te houwen. Eindelijk gebruikt Skirni verwenschingen: Vermits Gerd zijne geschenken afwijst, zal zij, eenzaam, in tranen haar lot betreuren; leed zal op haar wegen; ongehuwd, onvruchtbaar en zonder voedsel, zal zij verderven als de Distel^_(1)_^, die dringt in des ovens opening. En hij voegt er bij: `Tot den heuvel is hij gegaan, in 't diepe woud om er een Tooverroede^_(2)_^ te vinden; en een Tooverroede(2) heeft hij er gevonden. Hierin zal hij nu onheilvolle Runen snijden: een `Thurs' voor Gerd en drie Runen (Onmacht, Waanzin en Ongeduld). Doch hij zal die onheil- volle Runen afschaven en den Toover lossen, als Gerd gewillig toestemt'. En de schoone Gerd stemt nu toe: in het woud Barri zal zij, na negen nachten, Frey toebehooren. (Skirnis mal; Gylf.~, 37; Herrm.~ NM.~ 209-210 en 534; Simrock, 33 vvgg.~). Vgl.~ nog een Skaldenlied, waarin de Reuzin Grid -- een onweermaakster, die uit hare neusgaten storm, stortregen en hagel blaast -- aan God Thor haren Krachtgordel, hare ijzeren Handschoenen en haren Tooverstaf leent. (Herrm.~ NM.~ 368-370)._ Zelfs Heiligen bezaten zulke Wonderroeden of -staven, die, in den grond gestoken, groeiden en bloeiden, of bronnen deden ontspringen. _Dorre staven groeien. 1"o" Jozef's Staf bloeit. St.~ Jozef dingt met ander jongelingen om de hand van Maria. Zij komen bij den opperpriester en allen hebben een dorre Roede in hunne hand. De uitverkoren zal zijn die, wiens Staf bloeit, en indien een witte Duif zich op het uiteinde van den Staf nederzet. De bloeiende Staf was die van St. Jozef (z.~ het apokryphe evangelie: De Nativitate Mariae; Hennecke: Neutestamentliche Apokryphen, Leipz.~ 1904). Vele varianten van die apokryphi- sche legende zijn bekend. (Perger, 284; This.~ 249; Oomen, 66; Gub.~ I, 192, II, 257; Teirl.~ Plantl.~ I, 152, Pk.~ 216; vooral Dhnh.~, II, 265 en vvgg; O.~ Schade: Liber de Infantia Mariae et Christi Salvatoris, Knigsb.~ 1819, 19 vvgg.~ en 114; Bolte in: Euphorion, 4, 323-333, en Zschr.~ f.~ VK.~ 15, 393; 18, 455: Basset: Le Bton qui reverdit). Welke Bloemen bloeiden op Jozef's Staf? a) De Oleander^_(3)_^: naar een Toskaansche legende (Gub.~ l.~ c.~; Folkard: Plantlore, 40; Pitr e Salomone-Marino: Archivio, 14, 720). Daarom heet de Sierheester it.~ `Mazza di San Giuseppe' "=" St.~ Jozefsstaf. Bij Rolland, VIII, 30, `Fleur de St.~ Joseph, Bton de S.~ Joseph'. b) Het witte Klokje^_(4)_^: naar een legende uit Bologna (Dhn.~ II, 266, naar Berti: Appunti di Botanica Bolognese, 1875, p.~ 8). Hier heet de Plant `Bastunzein | | ^(1)^ Geslachten Carduus en Cirsium. | | | ^(2)^ In de Edda staat tweemaal `Gambantein'. | | | ^(3)^ Nerium oleander L. | | | ^(4)^ Campanula medium L.~, var.~ met witte Bloemen? | d'San Jusf' "=" it.~ `Bastoncino di S.~ Gueseppe' "=" St.~ Jozefstok(je). -- "*" Vgl.~ hiermee de Waalsche naam: `Fleur du Saint Djsef' "=" St.~ Jozefsbloem, naam van het pyramidale Klokje^_(1)_^ te Oneux en Theux (Roll.~ VII, 226). c) De Stokroos^_(2)_^, naar een legende uit Malta. (Dhnh.~, 11, 265). "*" d) De Witte Lelie^_(3)_^, in West-Vl.~ St.~ Jozefslelie en in Waas nog St.~ Jozefspalm, naar de algemeene ikonographische opvatting: men verbeeldt den heiligen gewoonlijk met eene Lelie in zijn hand. -- In St.~ Gall (Zwits.~) heet de roode Lelie^_(4)_^ `St.~ Josephs Ilga'. (Pritz.~ u.~ Jess.~). e) De gele Narcis^_(5)_^, te oordeelen naar den naam van de Plant in Lausitz en te Ulm: `St.~ Josephsstab' (Pritz.~ u.~ Jess.~), `Josephsstbel' (Sal.~-Voss). f) De Pyramidale Steenbreek of het Navelkruid^_(6)_^, naar den naam te oordeelen, die deze roedvormige en bebloemde Stengelplant te La Hague (dp. Manche) draagt: `Bton S.~ Jos' (Roll.~ VI, 113). g) De Maagdepalm^_(7)_^, omdat, vertelt ons een Tiroolsche legende, Jozef op den dag van zijn huwelijk, zijn Wandelstok in den grond stak, ter plaatse dat lieflijk Bloempje ontstond en zich snel rond den Stok omhoogrankte; daar Jozef dat zag, liet hij de Plant voortwoekeren en deze welkte nimmer, jaaruit jaarin, en groende voort als alle Boomen hun loof lieten nedervallen; daarom wordt heden nog dit Gewas `Immergrn' geheeten. (Dhnh.~ II, 266; naar Heyl: Volkssagen aus Tirol, 44 vvgg.~). Vgl.~ hiermee den engelschen naam van het Blauwe Speerkruid^_(8)_^ `Josephs Walking-stick' "=" Jozefs Wandelstok. (Roll.~ VIII, 53). h) De welriekende Pijpenstruik^_(9)_^, een welbekende Sierstruik, hier en daar, in Duitschl.~ `Josephsstab' geheeten. (Sal.~-Voss). Vele schilders hebben deze mooie legende vereeuwigd. Om enkel oude Belgische schilders te noemen: de schilderij aan den Meester van Flmalle toege- schreven (Prado te Madrid); die toegeschreven aan Rogier Van der Weyden (Kathedraal van Antwerpen); die toegeschreven aan een leerling van den Meester van Flmalle (kerk te Hoogstraten); die van Hendrik met de Bles (verzam.~ van Sir Fr.~ Cook, Richmond); een drieluik (Gununaruskerk te Lier). Zie hierover L.~ van Puyvelde, Onderzoek naar de Oorzaken der Wijzigingen in de Iconogra- phie der oude Nederlandsche Schilderkunst (in: Versl.~ en Med.~ Kon.~ Vl.~ Acad.~, p.~ 564 en vvgg.~). "*" 2"o" Sint-Jansappelen. St.~ Jan bijgenaamd het Lam, was een landbouwer | | ^(1)^ C.~ pyramidalis L. | | | ^(2)^ Althaea rosea L. | | | ^(3)^ Lilium candidum L. | | | ^(4)^ L.~ bulbiferum L. | | | ^(5)^ Narcissus pseudo-narcissus L.~: naar eenigen N.~ poetieus L. (`Josefsstift' | bij Sal.~-Voss). | | | ^(6)^ Saxifraga cotyledon L. | | | ^(7)^ Vinea minor L. | | | ^(8)^ Polemonium c"ae"ruleum L. | | | ^(9)^ Philadelphus coronarius L. | uit Tihange en leefde in de 7"e" eeuw. Op eenen dag ging hij rond zijn erf en ontmoette een pelgrim, die hem zei dat de bisschopsstoel van Tongeren open was en God hem beval bisschop te zijn. Jan antwoordde dat hij ongeleerd was en hij niet gelooven kon dat zulks de wil van God zou zijn, zoo min als dat hij kon gelooven dat zijn droge Stok groeien en Vruchten zou dragen. Hij stak den Stok in de aarde en, zie! hij schoot Wortels, Bladeren en werd een Appel- boom^_(1)_^, en deze droeg Appels die men sedertdien St.~ Jans-Appelen heet. (Teirl.~ Folkl.~ flam.~ p.~ 52; Plantl.~ 152; Pk.~, 209). H.~ Welters (Limb.~ Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen, p.~ 74) zegt dat er kwestie was van den bisschopsstoel van Maastricht, die Jan in 631 besteeg. Wolf, N.~ S.~ (n"r" 141) spreekt echter van den stoel van Tongeren, en hij zal wel gelijk hebben (naar: Chapeavillus ad Harigerum, I, 72; J.~ Molani natales Sanctorum Belgii; De Reiffenberg: Nouv.~ Arch.~ hist.~ p.~ 155). "*" 3"o" De Eik van St.~ Guido te Anderlecht. Guido (Gwijde; in den volksmond Sinter-Wijen) is de patroon van de voorstad Anderlecht (Brussel). Hij was knecht bij een landbouwer. Op eenen dag was hij bezig met land te beploegen en stapte achter de werkdieren met zijnen Akkerstok; hij stak dezen in den grond ten einde te kunnen knielen en bidden: De Stok kreeg Wortels, groeide, toonde Bladeren en werd een Eik^_(2)_^. De Eik van Sinter-Wijen bestond, naar de sage, omtrent zes honderd jaar. (Teirl.~ Plantl.~ 153; Pk.~ 308; De Cock en Teirl.~, Br.~ Sagenb.~, II, ). "*" 4"o" De groenende Stokken van Gommarus en Rumoldus. Gommarus van Lier (prov.~ Antw.) en Rumoldus (Rombaut) van Mechelen gingen elkaar bezoe- ken. Zij kwamen elkaar tegen, omtrent halverwege Lier en Mechelen, niet verre van Duffel. Zij wierpen er hunnen Wandelstaf op den grond: de twee Stokken begonnen Wortels, Stam en Bladeren te schieten. (Teirl.~, Plantl.~; Pk.~, 305; Gen.~ Leg.~, II, 369). "*" 5"o" De Hagedoorn van St.~ Guibert. Guibert (Guibertus of Witbertus) is de patroon van het stadje Gembloers, (fr.~ Gembloux, pr.~ Namen, Belg.~). Op eenen dag plantte hij zijnen Staf -- Guibert was abt -- in den grond: de staf werd een bloeiende Hagedoorn^_(3)_^, die de Walen heden nog, na 1400 jaar, `Buisson de St.~ Guibert' heeten. Op zijn feestdag 23 Mei gaat te Gembloers de zoogenaamde Nachtelijke Processie uit: iedereen draagt brandende fakkels en kaarsen en doet den bedevaartweg, die vier uren duurt. Deze weg loopt voorbij den Wonderbaren Doornstruik; hier blijft de Processie stilstaan, terwijl jongens op den Doorn kruipen en bloeiende Takken naar de omstanders werpen, die ze mede naar huis dragen en ze er godvruchtig als gunstig amulet bewaren. Begrij- pelijk is 't dat de `Buisson de St.~ Guibert', dien men heden nog ziet, een plaats- vervanger van den oorspronkelijken is. "*" 6"o" De Eik van Bemardus te Robermont (Villers-la-Ville, Brabant). Robermont is de naam van de rotshoogte, die, noordwaarts, de kerk van de | | ^(1)^ Malus communis L. | | | ^(2)^ Quercus robur L. | | | ^(3)^ Crataegus oxyacantha L.~ of Cr.~ monogyna Jacq. | vermaarde puinen van de abdij van Villers-la-Ville beheerscht. Op dezen heuvel Robermont plantte St.~ Bernardus -- vooraleer deze abdij in 1147 te verlaten -- zijnen Staf in den grond: de Staf schoot Wortels en werd een prachtige Eik^_(1)_^. Daar werd een kapel opgericht, waarvan men nog eenige overblijfselen kan ontwaren. Naar een volksoverlevering werd deze Eik door den bliksem den 28 Febr.~ 1697 vernield; op hetzelfde oogenblik stierf aan een geraaktheid den abt Moniot. (E.~ Van Bemmel: Guide de l'Excursionniste, 11"e" uitg.~ 1894, bewerkt door Albert Dubois, p.~ 59). 7"o" De wonderbare Den^_(2)_^ van Maternus. Maternus, bisschop van Trier, bezat eenen Staf, die in zijn appelvormig uiteinde, eenen vinger met den ring van den H.~ Theobald droeg. Op eenen avond kwam de vermoeide Matemus bij eenen Den, in den Elzas, zette zijnen Staf tegen den Stam, klom op den Boom en sliep in. Doch zie! des anderen daags waren Bisschopsstaf en Dennestam innig vergroeid! Ter herinnering aan dit wonder werd de bedevaartsplaats van Thann -- hgd.~ Tanne "=" Den -- gesticht. (Perger, 340; naar Menzel Symb.~. II, 433; Teirl.~ Pk.~ 337). 8"o" De Linde van Procopius. Deze heilige was abt van Sauwa in Bohemen. Hier, in het dorp Mukow ziet men een groote Linde^_(3)_^ en, naar het volk vertelt, heeft Procopius te dier plaatse zijnen Wandelstok in den grond gestoken, waarop de Stok dadelijk begon te groeien en te bloeien. (Reinsb.~, Fest-Kal.~ 340; Teirl.~ Pk.~ 352). 9"o" De groeiende Staf van Fingal. Men vertelt dat de H.~ Fingal zijnen Wandelstaf in den grond stiet en dat de dorre Stok Bladeren en Bloemen kreeg. (Perger, 284). 10"o" De Bloeiende Stok van Friard. De H.~ Friard ("+-" 590, geerd te Nantes, Frankr.~) wordt met eenen Boom verbeeld, omdat hij zijnen Staf nat maakte, in de aarde stak en deed groeien. (Reinsb.~-Dr.~ op Aug.~ 1; naar Surius; Perger, 284). 11"o" Ook de Staf van den martelaar Melorus (geerd te Chartres en Dreux, Frankr.~), in den grond gestoken, groeide en bloeide. (Teirl.~ Pk.~ 339). 12"o" Insgelijks die van Tresanus (te Reims geerd). Teirl.~ Pk.~ 373; Per- ger, 284). Zulk wonder gebeurde ook bij heilige vrouwen. "*" 1"o" De Hazelaar^_(4)_^ van de H.~ Alena. Alena woonde te Dilbeek (Brab.~) in de 7"e" eeuw. Te Vorst (bij Brussel) woonde toen een Christen persoon, die de Nieuwe Leer verkondigde; en iederen nacht ging Alena door het woud dat Dilbeek van Vorst scheidde, om in deze laatste plaats de morgen vergadering bij te wonen. Hier stond eene Kapel en deze was niet overlommerd. Daarover was Alena bedroefd. Eens stak zij haren Wandelstaf in de aarde, vooraleer in de Kapel te gaan. Den dienst gedaan zijnde, kwam zij buiten en zij bevond dat | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Abies pectinata DC. | | | ^(3)^ Tilia europaea L.~; nl.~ T.~ grandifolia Ehrh.~ of T.~ parvifolla Ehrh. | | | ^(4)^ Corylus avellana L. | haar Staf bloeide en Bladeren had gekregen: hij was een Hazelaar geworden. Het volk beweert dat deze Hazelaar, voor eenige jaren nog, naast de kerk te zien was. (Teirl.~ Pk.~, 260; De Cock en Teirl.~, Br.~ Sag.~, II, ). 2"o" De Ermelienedoorn^_(1)_^. Ermelindis -- in den volksmond Enneliene -- overleed te Meldert (Brab.~; fr.~ Maillard: A"o" 598). Op eenen dag werd zij door den wulpschen heer van Bevekom (fr.~ Beauvechain) achtervolgd; zij verborg zich in een kudde schapen, na haren Wandelstok in den grond gestoken te hebben. Terstond werd de Stok groen en kreeg Bloemen en Bladeren. De achter- volger kwam, een weinig daarna, ter plaatse, en daar hij Ermelindis niet ont- waarde, vroeg hij den herder of daar geen jonge maagd was voorbijgegaan. `Ja zeker, was het antwoord, maar het is al lang geleden, want zie! zij heeft hier dat lief Doornboompje geplant en het staat al in volle Bloem!' Als het zoolang geleden was, werd alle vervolging nutteloos, dacht de jonge heer, en hij trok terug naar Bevekom. (Leven van de H.~ Ermelindis, 22; Hagelander, VI, 118; Teirl.~ Pk.~, 295). 3"o" De Staf van Etheldrede wordt Boom. Ook Ediltrudis en Audrey gehee- ten. Deze Engelsche heilige wordt eens door haren gemaal, koning Egfred, achtervolgd, omdat zij belofte van zuiverheid heeft gedaan. Vermoeid rust zij op den kant van een gracht en slaapt in, na haren Staf in den grond gestoken te hebben. 't Is zomer en zeer heet. En bij haar ontwaken ziet zij dat zij onder een lommerrijk welfsel van beschermend Loof ligt: op min dan en uur was haar Staf een dichtbebladerde Boom geworden! (Saints et Ftes du Calendrier Angli- can, in: Rev.~ brit.~, 1852, op 17 Oct.~). Eenige Parallelen mogen hier aangehaald worden. 1"o" Drie samengewrongen Twijgen worden een Boom. Seth kwam in het Paradijs -- na de verdrijving zijner ouders Adam en Eva -- om de hem beloofde Olie van Bermbertigheid te halen voor zijn zieken vader en de engel, die de Olie bewaarde, schonk hem drie Twijgen: den eersten van een Olijfboom^_(2)_^, den tweeden van een Ceder^_(3)_^ en den derden van een Cipres^_(4)_^. De engel zei: `Als deze Boomen zullen Olie geven, zal uw vader gezond opstaan'. Maar Seth, bij zijnen terugkeer, vond te Ebron zijnen vader dood. De drie meegebrachte Twijgen werden samengevlochten en op Adams graf geplaatst: zij werden er een enkele Boom. Deze werd eerst geplant op den berg Libanon, daarna bij Jerusalem. En thans vindt men daar een klooster van Grieken, genoemd Mater Crucis. (Gub.~ I, 8; naar Marignolli, Cronicon Bohemorum, en Goffredo van Viterbo; Teirl.~ Pk.~, 237). Het is een greco-palestijnsche sage. 2"o" Drie Roedstukken worden drie Boomen. Eene Klein-Russische Kruisle- gende: Adam was oud en ging sterven; doch voor den Heer pochte hij dat hij sterk en onsterfelijk was. De Heer zou zijn hoogmoed straffen. Toen Adam zich voelde oud worden en in onmacht komen, zond hij zijn zoon Seth naar het | | ^(1)^ Crataegus oxyacantha L.~ of C.~ monogyna Jacq. | | | ^(2)^ Olea europaea L. | | | ^(3)^ Pinus cedrus L. | | | ^(4)^ Cupressus sempervirens L. | aardsch Paradijs om er een gouden Appel^_(1)_^ te plukken. Doch Seth bracht, iplv.~ den gouden Appel, de Roede, waarmede Adam uit het Paradijs werd ver- jaagd. Adam sneed ze in drie stukken, maakte er drie ringen van en wond deze rond zijn hoofd dat groote zeer deed. De hoofdpijn verdween schielijk, doch snel daarna stierf Adam. Na zijnen dood plantte men de drie Roedestukken in den grond; en zij werden drie Boomen: een Cipres, een Ceder en een `driemaal gelukzalige Boom'. Van dezen laatsten -- waarschijnlijk een Olijfboom -- werd het Kruis van Christus gemaakt. (Gub.~ I, 7-8; een Klein-Russische sage van Dragomanoff, Malorusskiya, enz.~, 1876, p.~ 93; Teirl.~ Pk.~, 236-7). 3"o" Drie Brandstokken worden Boomen. Abraham ontmoette, langs den Jordaan, eenen herder, die zich berouwde over eene zonde die hij bedreven had. Abraham raadde hem aan drie Brandstokken in den grond te steken en ze met zorg te begieten. Na veertig dagen hadden de drie Stokken de gedaante van eenen Cipres, eenen Ceder en eenen Pijnboom^_(2)_^, met afzonderlijke ver- schillende Takken en Wortels, doch met denzelfden eenigen onverdeelden Stam. De Wonderboom groeide tot den tijd van Salomo, die hem tot het opbouwen van zijnen tempel liet omhouwen en wilde gebruiken; maar het lukte hem niet; eindelijk besloot Salomo den Boom tot zitbank voor de bezoekers van den tempel te laten dienen. Doch de Sibylle Erythraea (nl.~ de koningin van Saba), bij het bezoek aan den tempel, weigerde op de bank te zitten en riep uit: `Driemaal gezegend is het Hout, waarop de Christus, God en Koning, zal gedood worden!' Toen liet Salomo dit Hout op een voetstal zetten en versierde het met dertig zilveren kronen of kringen. Deze dertig kronen verbeeldden de dertig zilver- penningen van den verrader Judas, en het Hout zou later voor het Kruis van den Heiland dienen. (Grieksche legende: Gub.~ I, 14-15; Teirl.~ Pk.~ 224, naar Mussafia, die te Weenen, bij Gerold, 1870, een verhandeling over de Legende van het Heilig Hout liet verschijnen; de legende werd opgeteekend door Gretser). 4"o" "*" De Jakobsstaf. Naar de volksnamen te oordeelen is deze Staf geworden: het St.~ Jakobskruid^_(3)_^, naar den stafvormigen geel-bebloeiden Stengel; `Jakobs- stab' bij Augsburg (Pritz.~ u.~ Jess.); -- de wolbladige Toorts^_(4)_^, om dezelfde reden: eng.~ `Jacob's staff' (Roll.~ VIII, 149); -- de gele Affodille^_(5)_^, om dezelfde reden: fr.~ `Bton de Jacob'; -- of het Perzikbladige Klokje^_(6)_^, de Stengel is stafvormig, doch de Bloemen zijn gewoonlijk blauw: fr.~ `Baton de Jacob' en `Bastoun de Jacob' (Roll.~ VI, 227); -- of het gewone Klokje^_(7)_^: fr.~ `Baton de Jacob' of `Baton de St.~ Jacques' (Roll.~ VI, 229). Eene sage dienaangaande is mij evenwel onbekend. | | ^(1)^ Citrus decumana L.~, de Adamsappel (Teirl.~ Pk.~, 225); it.~ `Pomo d'Ada- | mo'. (Roll.~ III, 369). | | | ^(2)^ Misschien de Aleppo-Pijn. Pinus halepensis Mill. | | | ^(3)^ Senecio jacobaea L. | | | ^(4)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(5)^ Asphodelus luteus L. | | | ^(6)^ Campanula persicifolia L. | | | ^(7)^ C.~ rapunculus L. | 5"o" Mozes'~ Staf wordt Plant. Eene Steppenplant uit Turkestan zou ontstaan zijn uit den Staf van Mozes, begraven in de omstr.~ van Buchara. De Plant heet `Asa-i-Musa'. (Dhnh.~, II, 266). De wetenschappelijke naam hiervan ken ik niet. 6"o" Drie Staven worden Boomen. Eenen dag plantte Jezus de drie Staven van eenen herder en van dezes twee dochters: de Staven werden drie Boomen met Bloemen en Vruchten bedekt. Die Boomen bestonden nog ten tijde van den Egyptischen Bisschop Cyriacus, die het wonder vertelt. (Dhnh.~, II, 266-7; naar R.~ Hofmann: Leben Jesu, p.~ 184). -- Vgl.~ boven 3"o" waar nagenoeg hetzelfde op Abraham wordt teruggevoerd. 7"o" Dorre Staf van Christus wordt Olijfboom^_(1)_^. Op eenen dag (25 Mei) stak Christus een dorren Staf in de aarde: hij werd een Olijfboom, die nog heden groent in Buk, niet ver van Moharrak. (Dhnh.~, II, 267, naar Paulus: Samml.~ merkw.~ Reisen, 3, 79). 8"o" De Knots van Hercules wordt Olijfboom. Toen Herkuul aan Atlas die den Hemel droeg, zijn last ontnam, ontsproten uit zijn Knots, nieuwe Wortels en Botten. Naar Pausanias (II, 31, 10) was de Boom, dien hij zelf gezien had, de wilde Olijfboom. (Dhnh., II, 266). -- Clava herculis is voor velen de witte Waterlelie^_(2)_^ (Teirl.~ Pk.~, 86); -- anderen noemen de Knodsvormige Flesch- kauwoerde `Massue d'Hercule' (Roll.~, IV, 33) en `Herkuleskeule' (Sal.~-Voss). 9"o" De Lans van Minerva wordt Olijfboom^_(1)_^. Cecrops sticht een nieuwe stad. Neptunus en Minerva betwisten elkander het beschermrecht er over: Neptunus sloeg met zijn drietand op den grond en er kwam een paard uitge- sprongen; Minerva stak hare lans in de aarde en het wapen werd in Olijfboom herschapen; daarom is de Olijfboom haar toegewijd en kreeg de nieuwe stad haren naam: Athene. (Teirl.~ Pk.~ 38; Oomen, 241). 10"o" De Lansen van Frankische Jonkvrouwen worden groen en bloeien. Vgl.~ hiermee wat het Rolandslied zingt. Na den dood van Roland en de wraak die Karel de Groote hierover nam, staken Frankische Jonkvrouwen hunne lansen in den grond: zij groeiden en bloeiden. (Perger, 284; Teirl.~ Plantl.~, 153). 11"o" De groenende Staf van den Paus. Tannhuser gaat tot den Paus om vergiffenis zijner zonden te bekomen. Doch de Paus zegt dat die zonden niet kunnen vergeven worden: evenals zijn Staf, dien hij in den grond steekt, niet groenen kan. En zie! de dorre Staf van den Paus groeit! Een teeken voor den Paus dat alle zonde kan vergeven worden en men nooit mag wanhopen. (Perger, 285; Teirl.~ Plantl.~, 153). Vgl.~ hiermee eene Armenische sage: een jonge graaf verkoopt zijne ziel aan den duivel en moet de dochter eener heks trouwen, hij komt tot inkeer, gaat bij een heremijt: deze steekt zijnen Staf in den grond; de jonge graaf moet er vor bidden totdat de Staf groen wordt; na drie iaar gebeurt het! (Men leze het | | ^(1)^ Olea europaea L. | | | ^(2)^ Nymphaea alba L. Naar den dikken wortelstok. | | | ^(3)^ Cucurbita lagenaria L.~ var.~ clavata. | vervolg bij: Wlislocki: Mrchen u.~ Sagen der Bukowinaer u.~ Siebenbrger Armenier, p.~ 156 en vvgg.~). "*" 12"o" De Boog wordt Boom. De St.~ Amandsboom stond (in de 14"e" eeuw nog) vor de Kerk van Oedelem (West-Vl.~). Amandus predikte te Oedelem. Onze heidensche Voorvaderen wilden den Apostel dooden, en een hunner beste boogschutters zette zijnen boog met en uiteinde op den grond, met het doel zijn wapen sterker te spannen: de boog dringt in de aarde, schiet Wortelen en wordt een hooge Boom, de St.~ Amandsboom. (Teirl.~ Pk.~, 262; Wolf, N.~ S.~, 660, naar Gillis de Wevel: Leven van St.~ Amand, uitg.~ Blommaert, 1842). "*" 13"o" De drie Roedjes worden drie Linden^_(1)_^. Adilia was de overste van het klooster van Groot-Orp (fr.~ Orp-le-Grand, Brabant). Op zekeren dag kwam bij haar een man met drie Roedjes van een Linde en zei: `Vrouwe, ontvang die Rocdckens en plant ze, opdat, opdat zij namaals tot uw gedachtenis zouden blijven'. Zij nam de Roedjea en beval drie putten te graven. Maar een der zusters kwam tot Adilia en waarschuwde: `Vrouwe, en wil deze Roedekens niet planten, want daar komen zeer dikwijls, van deze Boomen, schadelijke wormen'. En Adilia antwoordde: `En wil niet beroerd zijn, want er zal niets kwaads van die Boomen komen'. En zij nam een Roedje en zei: `Ik plant u in den naam des Vaders', en zij nam het tweede en zei: `en des Zoons', en zij nam het derde en zei: `en des H.~ Geestes'. De Roedjes werden groote Linden, ze leefden nog in 1711. (Ribadineira, Gen.~ Leg.~, uitg.~ van Rosweyde, 592; Teirl.~ Pk.~, 257). 14"o" Bij de Kongoleezen (in Mayombe) bestaat een soortgelijke sage. De oudste der Mayombsche `Bakongo's', Koning Makaba kwam met zijn acht broeders en zijn volk uit den zuidelijken `Simu Kongo' (Portugeeschen Kongo) en ??? Nzadi (Kongostroom) over, geholpen door zekeren `Nzondo' (een ??? mensch of mankepoot, zijn Fetisch-priester). Deze plantte in 't mid- den van een stroom eenen Stok met Toovermiddelen: de Stok groeide en werd een gr??? `Nsanda' (Vijgeboom. Ficus dusenii). `Nzondo' spreidde dan een Toover???tje over het brecdc water en zette er mee Makaba en zijn volk over. (Bittremieux. 34B; vgl.~ ook blz.~ 556, waar het Nzondo's lijfkoordeken is dat de groote Boom wordt)._ Wonderroeden geven water. Sagen betreffende Wonderroeden die bronnen doen ontsprin- gen, zijn in de volksliteratuur zeer talrijk. Zulke Roeden of Staven behoorden aan Goden, Heiligen, Toovenaars. Onder de Neder- landsche Heiligen die met zulk doel hun Staf gebruikten. kan ik vermelden: _Mannen. "*" 1"o" De Gommarusbron. Gommarus bevond zich, op zekeren dag, te | | ^(1)^ Tilia europaea L. | Emblehem bij Lier (prov.~ Antwerpen). Daar was geen drinkbaar water. De heilige maakt, met zijn Wandelstaf, een put in den grond en daar sproot ter- stond een klare, overvloedige bron, die nog bestaat en veel zieken lokt en geneest. (Gen.~ Leg.~, II, 369). "*" 2"o" De Rombautsput. In de Dijkstraat te Steenokkerzeel (Brabant) ziet men een bron die St.~ Rombautsput heet. Op eenen stikheet en dag werkten oogsters op het veld en werden door den dorst gekweld; en daar er geen drinkbaar water was, kwamen zij bij St.~ Rombaut, die alsdan op het kasteel te Steenokker- zeel verbleef en juist langs den graanakker voorbij ging, en smeekten hem hunnen brandenden dorst te lesschen. Rumaldus sloeg, met zijnen Stok op den grond en daar ontsprong een klare bron, die thans nog te zien is en de menschen goed water schenkt. (Brab.~ Folklore, N"r" 2). "*" 3"o" De Veronusbron. Te Lembeek-bij-Hal (Brabant) heeft men den Veronusput of de Veronusborre. Veronus woonde te Lembeek. Eens steekt hij zijnen Stok in den grond en het wonderwater ontspringt. (De Cock en Teirl.~: Br.~ Sagenb.~ II, 310). "*" 4"o" De Landelinusbron. Landelinus, 1"e" abt van Lobbes, is ook de stichter van de abdij van Crespin. Door den dorst gefolterd stak hij zijn Wandelstaf in de aarde en het helder water borrelde zoo overvloedig omhoog dat het was `als eene gekrolde wolle: (want crespe in 't Franois, soa veel te segghen is, als gekrolt' (Gen.~ Leg.~ I, 632). Van dit Crespe heeft deze Fransche gemeente Crespin (dp.~ Nord, op de Belgische grens) haren naam ontvangen! "*" 5"o" De Omaarsbron. De St.~ Omaarsput wordt gevonden op de gemeente Alveringem (West-Vlaanderen). St.~ Omaar wil te dier plaatse een blind kind doopen, doch ziet nergens water: hij graaft met zijn Staf een putje in den grond en het verlangde doopwater komt er in. Sedertdien wordt dit putje ieder jaar een weinig grooter en thans is het een echte put. (Biekorf, 2-4). Vrouwen. "*" 1"o" De Reinildisbron. Te Laubecq-bij-Saintes (Brabant) werkt Reinildis (patrones van Saintes, bij het volk Sent Ernelle geheeten) met volk aan den hooioogst. Het is zeer heet en de arbeiders krijgen dorst. Nergens water! Reinildis steekt hare hark in den grond en eene heldere bron ontstaat, de St.~ Emelleborre. (De Cock en Teirl.~: Br.~ Sagenb.~, II, 284). Hier is geen Staf meer, wel een hooirijf. "*" 2"o" De Verona's borre. H.~ Verona wordt te Berthem (Brabant) vereerd. Op zekeren dag kwamen aldaar twee pelgrims voorbij en zegden aan Verona, dat zij dorst hadden en geen water vonden. Verona stak haren stok in de aarde en de Verona's borre, die te Berthem nog bestaat, ontsproot. (De Cock en Teirl.~, Br.~ Sagenb.~, II, 313). "*" 3"o" De Godelievebron. Men ziet ze nog te Longfort (in het Land van Boulogne, Frankr.~). Godelieve van Ghistel (West-Vl.~) stoot haar spinrokken in den grond en de mirakuleuze fontein borrelt omboog. (Volksleven, II, p.~ 197; naar Bertrand: Prcis de l'Hist.~ de Boulogne, II, 182). Vgl.~ met bovenstaande sagen: 1"o" De Mirakelroede van Colombanus. Deze beroemde heilige, abt van Luxeuil (Frankr.~), bezat een echte Tooverroede. `De riviere Bosius groeyde op eenen tijdt soo seer / dat den meulen van 't klooster in groot perijckel was om van het water wegh ghevoert te worden: den H.~ Colombanus beval aen zijnen diaken Sinoaldus / dat hij sijnen stock nemen soude; ende het teecken des H.~ Cruys maeckende aen de rivlere van zijnen weghen bevelen soude / dat sy eenen anderen wegh nemen soude. Sinoaldus beval 't; de riviere was ghehoor- saem'. (Gen.~ Leg.~ II, 506). -- Colambanus schonk zijnen Tooverstaf aan eenen armen man, die den Stok, op aanhitsen zijner vrouw, evenwel verbrak. (Perger, 250; naar Scotus: Vita S.~ Canisii, c.~ 24). 2"o" De Staf van Rhea. Naar Callimachus lokt Rhea, de Moeder der Goden, water uit de rots. (Nork, M.~ VS.~, 95). 3"o" De Bronroede van Juturna. Juturna, de Aquae Virgo, de Romeinsche Bronnimf, droeg eenen Staf in de hand; daarmede ontdekte zij verborgene bron- nen. (Plinius, XXXI, 3, 27; Perger, 249, Nork, M.~ VS.~, 75). En zie wat boven over de Tooverroede van Mozes en den Thyrsus van Bacchus (die wijn uit de rots doet springen) gezegd wordt._ Ook in sprookjes wordt dikwijls gewag gemaakt van Too- verroeden, en het zou mij te verre leiden, moest ik trachten zelfs maar een beknopte opsomming van die sprookjes hier te doen. "P""P" Tooverroeden van bepaalde Plantsoorten vervaardigd. De Tooverroede was gewoonlijk een Hazeltwijg^_(1)_^, waarom zij veelal Hazelroede wordt geheeten. Doch zij kan van velerhande Hout zijn, zelfs van geen Hout, een metalen Roede. De Hazel- roede mag niettemin als het type van de Tooverroede beschouwd worden. _Soort. -- Knortz (6) beweert, dat de hiertoe gekozen Hazelaarsoort eene `Weiszhaselstaude' moet zijn, d.i.~ een struik van den Witten Hazelaar. Hier- door wordt wellicht aangeduid de gewone wilde Hazelaar, waarvan het zaad der Noot in witte vliesjes besloten ligt: `de keernen van de Haselnoten zijn van binnen ghemeynlijck met een wit velleken bedeckt / te weten als sy in 't wildt groeyen: dan als sy in de hoven ende boomgaerden onderhouden ende gheoef- fent worden, dan zijn die vellekens roodtachtigh / ende de keernen soeter ende beter van smaeck'. Men noemt deze laatste `in 't Nederduytsch Roode Hasel- noten'. (Dod.~ 1280). -- Fusi (in zijn Mastigophore, 1609, p.~ 89) zegt dat de maagdelijke Hazelaar die nog niet gedragen heeft, zich buigt naar de ertsaders. (Roll.~ X, 197). -- De Hazelaar moet boven een mijnader gegroeid zijn. (Kircher, II, 176). -- Heden bezigt men nog zulke Hazelroeden in Itali. (Gub.~, II, 240; This.~, 266). | | ^(1)^ Corylus avellana L. | Vorm en lengte. -- De Hazelroede is een gegaffelde of eenvoudig een rechte Twijg (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73; Perger, 250-1). Sommigen zeggen dat zij moet gegaf- feld zijn. (Wuttke, N"r" 139; Chruel, Dict.~ hist.~ d.~ instit.~, m"oe"urs et cout.~ de la France, art.~ Baguette divinatoire). Het is een Hazelstok met drie aangewassen Roeden. (Von Schulenburg, Wend.~ VS.~ und Gebr.~ aus d.~ Spreewald, 1880, blz.~ 209). Lvy (H.~ M.~, 128) spreekt van de `Baguette magique' of echte Tooverroede, `qui doit tre d'un seul jet, parfaitement droit' en van `Fourche magique' of Toovervork. die gegaffeld is (id.~, 226). Zij moet njarig zijn: omdat zulke Twijg weinig den invloed der weer- gesteldheid heeft ondergaan en juist daardoor gevoeliger is dan de meerjarige. (Perger, 251). Zij moet driemaal de lengte van den wijsvinger hebben. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73); -- of de lengte van den arm of voorarm. (Lvy, H.~ M.~, 130). Manier van ze te snijden. -- De Hazelroede mag niet met een metalen tuig. dus niet met een mes gesneden worden, wel met een scherpen vuursteen. (Perger, 251; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73). In Tirol snijdt men ze met een mes dat men nog niet gebezigd heeft. (Wuttke. N"r" 139; Zingerle). Ook aldus, vroeger, in Frankrijk. (Roll.~ X, 198). Men snijdt ze met de magische Sikkel of gouden Sikkel. (Lvy, H.~ M.~, 128). Men moet ze zoo snel mogelijk snijden, in eenmaal, opdat men den Hazelaar den tijd niet gunne om de geheimnisvolle kracht die in den gesneden Twijg zit, tot zich terug te roepen. (Perger, 252; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73). In Rasse-Bretagne (Frankr.~) snijdt men ze in drie sneden. (Roll.~ X, 198). Men moet op de Hazelroede in de schors, met ene snede, drie Kruisen en daarna haar, met drie sneden, glad-af van den stam snijden. (Knortz. 6). Vooraleer te snijden moet men de Roede met de warme hand vastnemen, want de warme temperatuur bevordert de kracht der Roede (Perger. 525). De `Duytschen', zegt Digby (Th.~ symp.~, 218), nemen een tenger Takje van den Hazelaar, snijden het in het midden door, maken in het eene deel eene holte, aan het andere een spits en voegen aldus de twee stukken in elkaar. Ofwel, voegt hij erbij, eenigen zoeken en snijden een dun Takje `uyt welckers eynde twee andere zijn gesproten'. dus een Hazelvorkje. Men moet ruggelings naar den Hazelaar gaan, de gewenschte Roede tus- schen de twee beenen trekken en ze, naar voren toe, afsnijden. (Wuttke, N"r" 139). Tijd waarop ze gesneden moet worden. -- Op alle tijden mag men het doen, beweert Meiche (N"r" 756). Men moet de Hazelroede snijden, als de Heester gaat bloeien. (Lvy. H.~ M.~, 129). Op St.~ Jansnacht (Perger, 251; Wuttke, N"r" 10; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73); -- op St.~ Jansmiddernacht (Wuttke, N"r" 139); -- op St.~ Jansdag (Shns, 106); -- op den dag van den Zonstilstand (Kircher, II, 176). Op Kerstnacht (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73); -- op eenen Heiligen Nacht, vooral op Kerstnacht (Knortz, 6). Op Drie-Koningendag (Rel u.~ Bohnh.~, 73; Shns, 106). Op Vastenavond (Perger, 252; Shns, 106). Op Goeden-Vrijdag (in Tirol, Wuttke, N"r" 139); -- op Goeden-Vrijdag- nacht (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73). Op Paaschzondag (Kircher II, 176). Op Pinksterzondag (Knortz, 6). Op eenen Wodansdag ("=" `Godestag, Donnerstag', zegt Perger, 252; veeleer onze Woensdag). Men moet de Hazelroede snijden voor zonsopgang (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73; Lvy, H.~ M.~, 128); -- onmiddellijk voor zonsopgang (Perger, 252); -- als de zon begint op te staan (Shns, 106; Roll.~ X, 198): `want de wijzende kracht verbreidt zich door het aangename temperament van den nacht, tot in de uiterste spits van den Boom'. (Perger, 252; naar Lyncker, 103). De maan moet daarbij schijnen (Shns, 106); -- eenigen snijden ze met met volle maan (Digby, 218); -- anderen zoeken ze, als 't nieuwe maan is. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73). Tooverspreuken. -- Onder het snijden murmelen sommigen Tooverspreuken of Bezweringsformulen. In Lechrain zegt de snijder, `Ich schneide dich, Uwe Ruthen, Dass du mir musst sagen, Was ich dich wil fragen, Und dich so lang nit rhren, Bis du die Wahrheit thust spren'. (Perger, 252; naar Leoprechting. 98). ofwel (Perger, 252-3; naar: Buch der Welt, 1841 (Stuttgart, p.~ 241): `Ich beschwre dich, Sommerlatte, Aus des Waldes grne Matte, Dass du mich weisest, so recht und wahr, Als Maria eine reine Jungfrau war, Wo Gold und Silber liegt blank und klar'. Eene derde formuul begint, `Gott grsse dicht edles Reis! Mit Gott dem Vater such'~ ich dich, Mit Gott dem Sohne find'~ ich dich, Mit des heiligen Geistes Macht brech'~ ich dich', enz. (Perger, 253). Na het snijden: Soms wordt de afgesneden Roede min of meer vervormd in de gestalte van een menschelijk lichaam: de twee Takken van de Gaffel verbeelden de beenen. Aldus in de Mark, Lausitz (Wuttke, N"r" 139). In sommige streken wordt de Hazelroede gedoopt: Men steekt ze in de windsels van eenen doopeling en laat ze aldus met dezen doopen. (Mekkelenburg, Lausitz, Mark, Harz: Wuttke, N"r" 139). -- Dat moet gedaan worden op den eerstkomenden Paaschdag en zij bekomt den naam van het te doopen kind; daartoe windt men ze in lurven en legt ze op een witte telloor; zulk eene Roede werd te Bettschau gedoopt en ontving den naam Christiana. (V.~ Schulenburg: VS.~ a.~ d.~ Spreewald, blz.~ 204-5). -- In Tirol doopt men ze zelfs op den naam der Drie-Koningen. (Wuttke, N"r" 139). Na de Roede gesneden te hebben, doorboort men ze in de lengte, zonder ze te splijten noch te breken, en men steekt er eene evenlange magnetische naald in; aan een der uiteinden hecht men een driehoekig prisma, aan het andere eveneens zulk prisma doch van zwarte Hars; het midden der Roede omvangt men met twee ringen, eenen van rood koper en eenen van zink; men verguldt de Roede, van de ringen af tot de zwarte Hars; men verzilvert de overige helft; daarna omkleedt men ze met zijde; op den koperen ring en op den zinken staan Hebreeuwsche letters. Eindelijk wordt deze Tooverroede gewijd, en die wijding duurt zeven dagen, beginnende met de nieuwe maan; deze consecratie moet gedaan worden door eenen genitierde, bezitter van de `grands arcanes' en van een dergelijke gewijde Roede. Men moet zulke Tooverroede met zorg ver- bergen; want wordt zij door eenen profaan aangeraakt, zoo verliest zij alle kracht. De Magirs gebruiken zulke Wichelroede. (Lvy, H.~ M.~, 129). Gebruik. -- Iedereen kan de Hazelroede niet gebruiken. En 't gebeurt zelfs dat sommigen, die ze met goed gevolg sedert hunne kindsheid gebezigd hebben, haar niet meer kunnen in verroering brengen, omdat zij door ziekte zulke macht over haar verloren hebben. (Meiche, N"r" 756). "*" Om de Wichelroede te gebruiken -- Waalsch `jeter la baguette' -- moet men met den helm (Waalsch `hamelette "=" helmet' met letterverspringing) geboren zijn. (Hoek, 50). -- Eenige beweren dat de drager van de Hazelroede een Kermis- of Zondagskind moet zijn. (VL, II, 110; Kircher, II, 176); of een Kerstdagkind (Roll.~ X, 197): of hij mag zijn ouders niet gekend hebben (id.~); of hij moet geboren zijn als de Hazelaar bloeit (id.~). De gegaffelde Hazelroede of Hazelvork moet gedragen worden derwijze dat elk der twee einden van de vork met eene hand gevat wordt en de verbin- dingsplaats der twee Takjes naar boven is, zoodat zij gemakkelijk naar beneden kan slaan en naar het gezochte nijgen. (Perger, 251; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73). -- Men neemt in de eene hand het uiteinde van een der Twijgjes van de vork, zonder het te veel te drukken, in de andere hand het tweede uiteinde; de palm van de handen moet naar boven gericht zijn en het ongegaffelde deel der Roede met den horizont parallel loopen; en zoo gaat men langzaam naar de plaats, waar men het gezochte hoopt te vinden. (Gub.~ I, 51-52; naar Cheruel, Dict.~). -- De `Rutengeher' ("=" hij die met de Roede gaat en ze gebruikt) neemt elk der twee Takken van de Gaffelroede in eene hand, tusschen duim en de gesloten vingers; en als hij op eene plaats komt, waar aardspleten en -gangen zijn, en de drager ze opwaarts houdt, buigt zij zich met geweld nederwaarts; ja, indien zij al te stevig gehouden wordt, wringt zij zich in tween; is er niets in den grond, zoo blijft zij onbewegelijk. (Meiche, N"r" 756). De rechte ongegaffelde Hazelroede moet op duim en wijsvinger in evenwicht gelegd worden; zij kan dus gemakkelijk balanceeren en door hare beweging het gezochte aanwijzen. (Perger, 252; R.~ u.~ Bohnh.~, 73). De Toovenaar mag enkel zijne Wichelroede gebruiken als hij alleen is en, zonder noodzakelijkheid, mag hij ze niet aanraken. Vele oude Magirs maakten ze van de lengte van den voorarm en verborgen ze onder hun breede mouw; en toonden, aan het publiek, alleen de eenvoudige Raadroede (fr.~ `baguette divinatoire', verschillend met de `baguette magique' of echte Tooverroede) ofwel een of anderen allegorischen Staf van ivoor of Ebbenhout^_(1)_^, volgens den aard van het uit te voeren magisch werk. De Tooverroede is het Verendum (wat moet gevreesd en geacht worden) van den Magir; hij mag er niet over spreken met klare en duidelijke woorden, hij mag niet op het bezit er van pralen. (Lvy, H.~ M.~, 130-131). Men moet weten hoe men de Hazelroede hoeft aan te spreken: thuis vraagt men haar waar men zou naartoe gaan: dan draait zij zich om en wendt het dikke einde naar het doel. Aldus in het Spreewald (Duitschl.~: V.~ Schulen- burg.~, 205). -- Doch onder het gebruik mag men niet spreken. Voorai onder het Schatzoeken moet zij met de grootste stilzwijgendheid gebruikt worden; daarom trachten de Geesten die den schat bewaren, den schatgraver door schrikaanjagen of zonderlinge toeren tot spreken, schreeuwen of lachen te dwingen. (Wuttke, N"r" 312). Wie de Hazelroede wil gebruiken, moet eerst zorgvuldig ult dezer nabijheid alle metaal verwijderen: hij mag geen metaal over zich dragen (Perger, 251). De monnik en alchimist Basilius Valentinus (van Strassburg) geeft zeven gebruiksmanieren van de Hazelroede op: opdat zij ten volle de verschillende invloeden van de zeven metalen die in de zeven Planeten werkzaam zijn, onderga. (Perger, 250). Nut van de Hazelroede. Zij diende vooral om onderaardsche en verborgen zaken te ontdekken. 1"o" Ertsen. Goud vooral werd gezocht door de Ertsroede. -- Swift (in: Virtues of Sid Hamet the Magician's Rod) zegt: `Men vertelt ons iets vreemds en raars Over zekere Magische Roede, Die, buigende neer haren top, raadt Telkens of de grond heeft Goudmijnen; waar er geene zijn, staat zij recht, -- Versmadende te toonen den minsten eerbied. Maar gereed was de Roede van Sid Te buigen waar Goudmijnen waren geborgen. In Schotsche heuvels vond zij kostbaar Erts, Daar waar nooit te voren naar gezocht werd'. (This.~ 266). De Goudzoekers `nemen een swack tacksken, het selve doorsnijdende, en makende in het een deel een holligheyt, en aen het ander een punt, deselve | | ^(1)^ Diospyros ebenum Retz. | dan in malkanderen gevoeght zijnde, en tusschen twee vingeren gehouden, sal aenstonds trecken na de plaetsen, alwaer eenigh Goudt verborgen leght'. (Digby, 218). De Hazelroede wijst ook Zilvererts aan. (Perger, 251). En min kostbare Ertsen als IJzer, Koper, Lood, Tin. -- De Mendipmijn- werkers (in Cornwallis, Engeland, waar veel Koper en Tin is) gelooven aan de Kracht der Hazelroede, en vinden er mee de ligging en richting der Koper- en Tinertsen. De behendigsten onder hen merken zelfs op den grond de breedte van de ader. Zij heeten de Hazelroede `Josing' (Bellingsley: Agricultural Survey of tbe County of Cornwall, 1797; This.~ 266). Met de Hazelroede ontdekt men Zoutlagen (Leunis, Syn.~ 241; vgl.~ bene- den). "*" En in Vlaanderen beweert men nog dat men er mee Steenkolen vindt (Land van Audenaarde). 2"o" Schatten. Verborgen Schatten en Gouden en Zilveren (ook min kostbare) Muntstuk- ken of Voorwerpen worden door de Hazelroede aangewezen. (Wuttke, N"r" 139). Digby (218) zegt ons dat de Gegaffelde Hazelroede zal `na het Goudt of Silver trecken, het zy dat hetselve in een tafel, of aen iemandts lijf is: waer van de ervarentheyt noch onlangs by verscheyde geloofwaerdige tot Haerlem genoatenis'. Een der vermaardste Stokwichelaars was Jacob Aimar-Vernai, een boer van St.~ Vrand (dp.~ Isre, Frankr.~), die in de tweede helft van de 17"e" eeuw werkzaam was. Vallemont (Physique occulte ou Trait de la Baguette divina- tolre, Paris, 1693) verhaalt: In tegenwoordigheid van eenen rechter en van andere geloofswaardige personen sneed Aimar een tweespaltig Rijsken uit een bessem die het naast bij de hand was, hij nam de twee uiteinden met de beide handen en deed drie Zilveren kronen of rijksdaalders onder zijnen rechtervoet leggen: terstond draaide het Rijsken. En legde men er meer stukken bij, zoo draaide het ook veel meer. Op eene tafel plaatste men eenige hoeden en onder sommige wat geld. Naar deze laatste hoeden draaide het Rijsken en naar de overige niet. Doch om het te doen draaien moest Aimar zijn een been op de tafel leggen, anders lukte het niet. Men deed nog meer proeven van dien aard, met alle nauwlettendheid om na te zien of er geen bedrog schuilde. Men wond zelfs wat geld in eenen doek om na te gaan of het Rijsken nog draaien zou, want Aimar had gezegd dat zijn Stoksken niet had willen draaien naar het houwmes, waarmede een moord was gepleegd (vlg.~ beneden), omdat het aldus omwonden was, nochtans draaide het Rijsken hier als elders. (Bekker, IV, 211). -- De slimme Aimar werd echter ontmaskerd door den zoon van den grooten Cond in 1693. Linnaeus was eens op reis en zijn secretaris prees grootelijks de kracht van de Raadroede. Om te bewijzen dat zulke Roede onmachtig was, verborg Linnaeus onder een Hanevoet^_(1)_^, in eene weide, eene beurs met honderd dukaten, | | ^(1)^ Ranunculus acris L. | en hij vroeg zijnen secretaris of hij die beurs ontdekken kon. De Roede echter ontdekte niets. Linnaeus wilde toen zelf het goud gaan halen, maar hij had vergeten, waar hij het juist gelegd had, en was onbekwaam het te vinden. De man met de Raadroede hielp hem in 't zoeken en zei dat men het niet vinden zou op den weg dien men genomen had, maar in een tegenovergestelde richting, want de Roede toonde zulks aan; men zocht in deze nieuwe richting en men vond de beurs. (This.~, 268-9; naar Basing-Gould: Curious Myths of the Middle Ages). Een boer uit het Badische (Duitschl.~) sneed eene Hazelroede en wilde er mee een verloren geloopen zwijn zoeken. Toevallig raakt hij met zijne Roede eenen rotswand, die zich plots opende en een gewelf toonde, waarin een in 't wit gekleed vrouwtje en vele kisten te zien waren. Het vrouwtje zei hem dat hij uit de kisten met goud mocht nemen zooveel hij wilde. De boer nam, doch bij 't heengaan vergat hij het beste, nl.~ zijn Tooverroede. (Perger, 253; naar Panzer: Beitrge, II, 296). Dat vergeten van het beste komt veel voor in schatsagen. De Hazelroede kan den bezitter op een dwaalspoor leiden, soms meent men dat zij een ertsader aanwijst, als 't eenvoudig een eenmaal verloren penning is. (Perger, 251). De gegaffelde Hazelroe!fe toont wel eens metaalerts aan, zonder dat zij hoeft gedragen te worden. Snijd een Hazeltwijg, die aan een uiteinde als eene y gevorkt is. Pel de schors af en droog de Roede in gematigde warmte, steek ze daarna in sap van Aronskelk^_(1)_^ of Nachtschade^_(2)_^ en scherp het onvertakte onderste einde. Indien gij onderstelt dat een rijke mijn of verborgen schat ergens te vinden is, hecht, door middel van een haar, aan de spits van een takje van de gaffel, een stukje van het metaal dat gij denkt te ontdekken, en doe hetzelfde aan de spits van het tweede takje. Steek nu het scherpe einde van de Gaffelroede lichtjes in den grond, bij het ondergaan der zon en bij wassende maan, en des morgens, bij zonsopgang, als door natuurlijke sympathie, zult gij de aangehechte metaalstukjes gebogen zien naar de plaats waar het erts of de schat verholen ligt. (This.~, 270; naar: Shepherd's Calendar). In de omstreek van Parijs doet bovenvermelde Stokwichelaar Aimar met zijne Roede wondertoeren. Hij ontdekt er verscheidene goudstukken, die men in den grond geborgen had; -- hij ontdekt er twee zilveren kandelaars, die sedert meer dan drie jaar gestolen zijn, ook de tafel waarop zij stonden en den goud- smid die ze heeft gekocht, -- hij ontdekt een zilveren tafelbord dat langen tijd in eenen mesthoop heeft gelegen. (Bekker, IV, 212). 3"o" Bronnen. "*" De Hazelroede wijst onderaardsche bronnen aan. Een zeer verspreide volksmeening, zelfs in Vlaanderen (vgl.~ Bekker, IV, 209). Dr.~ Hutton bezat een akker dicht bij het Woolwich-College (Eng.~), dat den akker koopen wilde. Door middel van de Hazelroede ontdekt zekere juffrouw N.~ eene bron in dat veld, en 't gevolg van die ontdekking was, dat Dr.~ Hutton | | ^(1)^ Arum maculatum L. | | | ^(2)^ Solanum nigrum L. | zijn goed duurder kon verkoopen. (This.~, 2661 naar: Quarterly Review, XXII, 275). Vgl de bron-aanwijzende Tooverroeden van Heiligen en anderen (boven). 4"o" Landpalen. Met de Hazelroede vindt men onderaardsche Landpalen of Grenssteenen. (Perger, 2511 Meiche, Nr 756). Toen de Tuin van Luxemburg (te Parijs) tusschen de familin Orlans en Guise verdeeld werd, plantte men Scheidssteenen, die echter na eenige jaren met aarde bedekt en met planten overgroeid waren. Men roept de hulp van Aimar in, die met zijne Roede de palen ontdekt. (Bekker, IV, 212). Le Camus, bisschop van Grenoble, beroofde van de Communie al de per- sonen, die beweerden door de Hazelroede de verborgen Landpalen te ontdekken. (Z.~ de Ordonnances Synodales van zijn diocees, gedrukt te Parijs in 1690, Tit.~ 1, art.~ 3, N"r" 1, 11, 12 en 14). -- Ook in de Ripuarische Wetten (69, 4) werd het Waarzeggen of Tooveren met Roeden verboden. (Perger, 250). 5"o" Rotsen doen springen. Met eene Hazelroede slaat de Duivel op een Rots, die in tween springt, en haalt er uit, voor Paracelsus, twee fleschjes: het eene met de Tinktuur waarmede men alles in goud kan veranderen, en het tweede met de alle ziekten genezende artsenij. (Tiroolsche Sage; Nork: M.~ VS.~, 419). Een bij ons zeer verspreide Plant met stijven Stengel en witgele Bloemen heet Salomonsstaf^_(3)_^ (Schuerm.~ Vl.~ ldiot.~; Teirl.~ Pk.~ 361), hgd.~ `Salomonsstab', omdat zij Salomon, bij 't opbouwen van den Tempel, van groot nut was: met dien Staf deed hij de Rotsen, die hem de steenen moesten leveren, vaneen springen. En daarom heet de Plant ook Springwortel. (Prahn; Shns, 105). 6"o" Verzonken goederen vinden. De Hazelroede toont nog verzonken goederen in de Zee aan. (Perger, 251). 7"o" Verdwaald vee opzoeken. Zie boven de Badische Sage van den boer, die zijn verloren zwijn met een Hazelroede zoeken wil. Indien een mensch verdoolt, kan hij met de Hazelroede zijn weg terug- vinden. (Perger, 251). 8"o" Moordenaars en Dieven ontdekken. Den 5"e" Juli 1692 werden, te Lyon, een wijnkoopman en zijn wijf ver- moord in hunnen kelder gevonden. Men bracht den `Rhabdomancien' Jakob Aimar bij den prokureur des Konings van die stad. Aimar nam aan de schuldigen op 't spoor te volgen en te vinden: daartoe moest hij beginnen van de plaats, waar de moord begaan was, ten einde aldaar een blijvenden indruk te krijgen. Die van het gerecht staan hem dit toe. Aimar gaat dus naar den kelder met een Rijsken in de hand, gelijk hij gewoon is daartoe te nemen: een Rijsken van gelijk welk Hout of Boom, of op wat tijd van 't jaar gekapt. Ter plaatse gekomen wordt hij ontroerd: zijn pols verheft zich als in felle koorts, en het Rijsken | | ^(1)^ Polygonatum multiflorum L. | draait snel naar de belde kanten, waar men den man en de vrouw heeft vermoord gevonden. Door hetzelfde Rijsken geleld, ook door de inwendige roering die hij gevoelt, gaat hij vervolgens door de straten, langs waar deze moordenaars zijn gegaan, ter stad uit langs de Rhne; hij is vergezeld van drie personen die 't gerecht hem medegaf. Hij komt in eens tuinmans huis, toont er de tafel aan dewelke de misdadigers gezeten hebben; twee kinderen, die alleen thuis waren, bevestigen zulks. Dan gaat Aimar voort langs de Rhne, wijst gemerkte voet- stappen in 't zand en zegt dat zij daar zijn te scheep gegaan. Hij volgt ze nettekens te water, aanieggende overal waar zij aan land zijn getreden, daarna gedurig voortgaande tot de plaats waar zij gepeisterd hebben: hij teekent aan de bedden waarop zij gelegen, de tafels waaraan zij gegeten en de voorwerpen die zij behandeld hebben. Aan de plaats geheeten `Camp de Sablon' bevindt hij zich meer beroerd en gelooft daardoor de moordenaars te zien. Maar hij durft de proef met zijn Rijsken niet voortzetten, uit vrees dat hij daardoor het krijgsvolk op den hals zou krijgen. Hij keert dus haastig naar Lyon terug, ont- vangt er `geloofsbrieven' en ijlt opnieuw naar bovengemeld `Camp', doch ondervindt dat de misdadigers vertrokken zijn. Hij achtervolgt ze echter tot Beaucaire toe -- wel vijftig uur van Lyon -- altijd met zijn Rijsken. Daar blijft hij staan voor de deur van een gevangenhuis en zegt dat aldaar zeker een der moordenaars moet verblijven. En onder de twaalf of vijftien, die in de boeien zitten, ontdekt hij zekeren `Bossu' die er vor een uur, om een kleine dieverij is binnengebracht. Men zoekt ook de andere moordenaars, doch ondervindt dat zij langs een voetpad naar Nimes zijn gegaan. `Bossu' ontkent in den eerste: hij is nooit te Lyon geweest! Hij wordt naar deze Stad gebracht, waar men hem weldra herkent. Nu loochent hij niet langer en wordt met den dood gestraft. Aimar wordt nog uitgezonden om de anderen -- zij waren twee, zegt hij, -- te vinden. Hij volgt hun spoor tot Toulon, waar zij op zee vertrokken zijn. Aimar gaat nu te scheep en ondervindt dat zij op de Fransche kust van tijd tot tijd aan land zijn afgestapt; hij komt eindelijk aan de grenzen van Frankrijk, waar hij 't op moet geven. (Bekker, IV, 209-11). Aimar's Roede draaide dus zoowel op het water als op het land. Hij zegde ook dat als hij in 't vervolgen van het spoor eens moordenaars, dat van een tweeden kwam te treffen, hij echter geen ontroering gewaar werd. Hij kon zelfs onderscheid in de manier van moorden ontwaren door de verscheiden be- wegingen die hij daardoor gevoelde. Het gebeurde wel meest, doch niet altijd, dat zijn Rijsken niet draaide, als de moordenaar tot bekentenis was gekomen. Hij beweerde insgelijks dat hij niet met zekerheid kon vinden hoelang de moord begaan was. Hij zei dat de eerste moord die aldus door hem werd aan 't licht gebracht, meer dan twintig jaar te voren was geschied. En ook dat zijn Rijsken niet draaide omtrent het lijk van iemand die begraven en zijn eigen dood gestorven was, en dat hij 't getal der moordenaars weten kon, indien zij maar niet allen waren gegaan in ene richting, hetgeen zelden gebeurde. (Id.~ 211-12). Op zekeren keer had een knecht zijnen heer omtrent 25 patakons ontstolen. Met zijn Wichelrijsken ontdekte Aimar het vertrek en het laadje waaruit het geld genomen was, ging door al de plaatsen langs waar de dief was gegaan, toonde het bed en de plaats op het bed waar hij gelegen had. Daarna deed men al de dienaars van het huis komen: de Wichelaar zette zijnen voet op dien der knechten, beurtelings, en het Rijsken dat draaide toen hij op het spoor van den dief was, bleef nu roerloos, omdat niemand der aanwezigen schuld aan den diefstal had. -- Daar men echter wilde weten of Aimar wel zekerlijk een dieverij kon ontdekken, zoo nam de vrouw van den heer (een rechter!) heimelijk de beurs van een aanwezige. Maar Aimar's Roedje verroerde zich niet. En daar men hem zei dat er niettemin een dief in huis was, antwoordde Aimar koeltjes dat de dieverij geen ernst kon wezen en enkel uit boerterij gebeurd was. (Id.~ IV, 211). Zie nog wat Meiche (n"r" 756) over zulke dingen vertelt. 9"o" Andere Krachten van de Hazelroede. De Hazelroede toont aan: of het nieuws dat men vertelt, waar of valsch Is; -- of een afwezige ziek of gezond, dood of levend is; -- of een zwangere vrouw eenen zoon of eene dochter baren zal. (Perger, l.~ c.~). Men kan er vijanden mede ontdekken; -- afwezigen afranselen indien men den persoon dien men wil slaan, bij name noemt (Wuttke, N"r" 18; In Noord- Duitschland): of indien men drie Tooverroeden, van drie verschillige Struiken gesneden, gebruikt. (Id.~ N"r" 1391 In Tirol, naar Zingerle). Vgl.~ het bekende Vlaamsche Sprookje van Hoepentoep met zijnen Tooverstok (VK.~, II, 158) en van Klippelke-uit-den-zak (de afranselende Klippel). Met Tooverroeden of -stokjes kon men iemand onbewegelijk maken. -- Olaus Magnus -- Zweedsche Kronijkschrijver -- vertelt In zijn 19"e" Hoofdstuk dat in Oostergotland een groot meer is -- genaamd Veten --, waarin ligt een langwerpig eiland met twee kerken; onder eene dezer is een hol van onmetelijke diepte; men komt er In langs een lange kromte en met brandende lanteernen en een kluwen garen (een Ariana-draad) om het pad, dat men genomen heeft, terug te vinden. In dit hol is een Toovenaar Gilbert te zien, die, sedert oude tijden, aldaar verwonnen en gebonden is door zijnen leermeester Katyllus, toen hij tegen dezen den baas begon te spelen. `Dit soude dus te werk gesteld zyn, dat een klein Stoxken met sekere Russische en Gottische letteren oft teikenen besneden, hem van den meester toegeworpen, en door den selven Gilbert opgenomen wierd: waarop hij aanstonds vast en onbeweeglyk bleef: in voegen dat hy 't Stoxken met de tanden niet los krygen konde, als ofse met de allertaaiste lym vast kleefden, noch enen voet versetten konde, so vast hy door meesters loosheid daar gehouden wierd'. (Dekker, Bet.~ W.~ IV, 153-4). De Tooverroede opent sloten. (Z.~ beneden). Zij verjaagt alle kwaad, nl.~ den Duivel (Gub.~, I, 51); -- dus ook de duisternis (idem); -- en de Heksen en zij kan deze dwingen, te verschijnen (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 73; Knortz, 6); -- en alle schadelijk gewormte en venijn (Gub.~, I, 51); -- vooral de Serpenten: de H.~ Patricius had eenen Tooverstaf, waarmede hij de Slangen en de Booze Geesten uit Ierland verdreef en in de zee joeg. (Teirl.~ PK.~, 347; Perger, 248; Ed.~ Swift: the Life and the Acts of S.~ Patrick, 226). Vincenzo Maria da Santa Caterina verhaalt dat de Wijzen (of Magirs) van Hindoestan eenen Stok dragen, waarmede zij alle verleiding, bekoring en kwaad kunnen verjagen. (Gub.~, I, 64)._ Doch ander Planten dan de mythische Hazelaar schonken den Stokwichelaars hunne Raadroede en den Tooverkunstenaars hunne Tooverroede. De Els^(1)^ groeit het liefst bij het water en in moerassen; daarom toont een Elzeroede bij voorkeur de verborgen bronnen en waterloopen aan. _`Een Tack van een Elsen-boom wijst de Waeterloopen aen onder de Aerde, Indien hij van twee Taksjes gemaeckt is als een Zeyl-naelde' (Digby, 186, en 434-5); vgl.~ Cheruel, i.~ v.~ Baguette divinatoire: `rameau fourchu d'Aune' staat er. Naar Kircherus, Ond.~ W.~ II, 177) moet de Roede voor een deel van Els zijn en voor het ander deel van een Hout dat geen sympathie voor water heeft. En hij wil verklaren: `So werd door middel van een Roedeken, gemaakt uit Planten die gemeenschap met water hebben, als daar is de Els-boom, de Water-munte^_(2)_^, de Plompen^_(3)_^, enz.~ en uit ander hout, dat daar mede geen gemeenschap heeft, verborgen water ontdekt; want de waterige damp, trekkende In de plant daarse gemeenschap mede heeft, doet de selfde overwegen en nederwaarts hellen, gelijk de ondervinding mij geleerd heeft'._ De Esscheroede^(4)^ toont koperlagen aan. _Want de Esch heeft een bijzonder neiging tot koper. (Digby, 434). Vgl.~ Kircherus, II, 176; Perger, 251._ Eenigen gebruiken eene Berkeroede^(5)^ iplv.~ van de Hazel- roede. _Cheruel; Gub.~, I, 51._ De Denneroede^(6)^ gevoelt sympathie voor lood. _Perger, 251. -- Digby (181) generallzeert en beweert dat alle `Tack van een Boom, daer Peck ofte Peckachtigen Hars uyt-drupt, de Loodt-mijnen' aanwijst. Dat betreft dus alle Kegeldragende Plant._ | | ^(1)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(2)^ Mentha aquatica L. | | | ^(3)^ Nymphaea alba L.~ en Nuphar luteum Sm. | | | ^(4)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(5)^ Betula alba L. | | | ^(6)^ Abies pectinata DC. | In Frankrijk meent men dat de Vlier^(1)^ onderaardsche bron- nen aanwijst. _Aldus in dp.~ Mayenne. (Roll.~ VI, 281; naar Dottin)._ Tot Raadroede benuttigt men ook de Wilgeroede^(2)^. _De `Weede-struik' (hgd.~ Weide "=" ndl.~ Wilg) ontdekt IJzer, zegt Kirch.~, II, 176. Zie nog Wuttke, n"r" 139 (In Silezi, beweert hij); en Schulenburg (blz.~ 205), die bepaald de `gelbe Weide'^_(3)_^ noemt. Heksen hebben soms eene Koningin. Deze draagt als Tooverschepter een Wilgeroede. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 361)._ Stokjes van Tamarisk^(4)^ werden door de Magirs van Chal- dea gebruikt om de toekomst te voorspellen. _Zij wierpen deze voorspellende Stokjes op den grond (Lenormant: Mag.~ Chald.~; This.~, 265). Vgl.~ het Runenwerpen bij de oude Germanen._ De Raadstaf was een Kruisdoornroede^(5)^. _Aldus In Mekkelenburg (Wuttke, n"r" 139)._ De meisjes van Silezi en uit den Harz (Duitschl.~) bezigden `Wnschelruten' van Zuren Kerseboom^(6)^ en van Seringen^(7)^. _Zij sneden deze Roeden op St.~ Andriesavond (29 Nov.~) en plaatsten ze in water; op Kerstdag zagen zij de bottende Bloemen na en naar dezer getal en kleur, bepaalden zij den komenden huwelijksdag. (Wuttke, n"r" 53). Vgl.~ Teirl.~ Pk.~, 265._ De Amandelroede^(8)^ wijst onderaardsche schatten aan. _Aldus in Toskanen (This.~, 270). Naar Lvy (H.~ M.~, II, 128) kan de ongevorkte Amandelroede de ongevorkte Hazelroede als Tooverstaf vervangen._ De Raadroede wordt nog door den Appelboom^(9)^ geschonken. _Gub.~, I, 51; Cheruel, l.~ c.~ -- 't Schijnt dat de Druden hun Tooverroeden van den Appelaar sneden. (This.~, 266)._ | | ^(1)^ Sambucus nigra L. | | | ^(2)^ De soorten van Salix, vooral die welke men Teen heet. | | | ^(3)^ Salix viminalis L. | | | ^(4)^ Waarschijnlijk Tamarix gallica var.~ mannifera Ehrenb. | | | ^(5)^ Rhamnus cathartica L. | | | ^(6)^ Onze Kriekeboomi Prunus cerasus L.~ hgd.~ `Sauerkirsche'. | | | ^(7)^ Syringa vulgaris L.~ hgd.~ `Trkische Flieder'. | | | ^(8)^ Amygdalus communis L. | | | ^(9)^ Pirus malus L. | Of het was een Mispelroede^(1)^ die de Toovenaars gebruikten. _Zulke Tooverroede moest op St.~ Jansnacht gesneden worden, bij zonsop- gang. (Roll.~ V, 141; naar Dottin). Aldus in dp.~ Mayenne (Frankr.~)._ In China zijn 't Perzikroeden^(2)^. _This.~, 265._ En in Sicielje doet een Granaatboomroede^(3)^ zulken dienst. _Zulke Roede ontdekt verborgen schatten en doet verloren voorwerpen terugvinden. (This.~, 271)._ Hier en daar in Keltisch Engeland is het een Hulsttwijg^(4)^. _Z.~ b.v.~ Jacobs, Celt.~ 136: een Toovenaar gebruikt er een Roede van `Holly' "=" Hulst._ In Zuidelijk Itali is 't een Twijg van den wilden Olijf- boom^(5)^. _Men zoekt en vindt er mee schatten en verdwaalde ossen. (Gub.~, I, 177). -- Naar Digby (181) toonen Olijftakken sympathetische aantrekking voor Goud en Zilver._ Goud en Zilver trekt ook de Palmroede^(6)^ naar zich. _Digby, 181._ In Amerika bezigde men Twijgen van den Tooverstruik^(7)^ als Raadroeden om Erts- en Zoutlagen en Bronnen te ontdekken. _Aldus Leunis (Syn.~ 241). Doch Knortz, 6, meent dat men dezen Noord- amerikaanschen struik, niettegenstaande zijn hgd.~ naam `Zauberstrauch' of `Zaubernusz' nooit als Toovermiddel heeft aangewend._ Het zou verwonderlijk zijn moest de wonderbare Marentak^(8)^ als Tooverroede niet gebruikt geweest zijn. _Met een Marentak kon men Schatten vinden. (Shns, 102). Op den Triglawberg in Krain kwam een oud man bij herders die er een schamele hut bewoonden, en vroeg spijs en herberg. De herders gaven hem te | | ^(1)^ Mespilus germanica L. | | | ^(2)^ Amygdalus persica L. | | | ^(3)^ Punica granatum L. | | | ^(4)^ Ilex aquifolium L. | | | ^(5)^ Olea europaea L. | | | ^(6)^ Phoenix dactylifera L. | | | ^(7)^ Hamamelis virginica L. | | | ^(8)^ Viscum album L. | eten en een plaats aan den vuurhaard. Toen vertelde de man dat hij eertijds een roofridder was geweest en, tot boet, drie honderd jaar in de wereld had moeten ronddolen. Nu was de tijd om en hij wou de ontvangen gastvrijheid beloonen. Op eenen Eik^_(1)_^ groeide een Misteltwijg en er aan hing een Kristus- beeld; dien twijg moesten zij plukken, er mee gaan naar zijne burg, die op den top van den Triglaw stond, en aldaar in eenen kelder, met behulp van den Marentak eenen schat vinden en hem nemen. Na lang zoeken vonden de herders den Eik en den Misteltak en ontdekten er mee, in den kelder, een schatkist. Zij werden rijke lieden en lieten ter plaatse een kapel bouwen. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 81). Met zulke Mistelroede kon men ook dieven bannen. (Id.~)._ Niet alleen Boom- en Heestertwijgen sneed men tot zulke Toover- en Raadroeden; ook Kruiden. die min of meer roede- vormig zijn. werden hiertoe benuttigd. _Met een stijve Schermbloemige, die sedertdien Herkuleskruid^_(2)_^ heet, ontdekte Herkules den dief Kakus. (Gub.~, I, 177). Een Roedeken van Watermunt^_(3)_^ of van Plompen^_(4)_^ toont Water aan. (Kirch.~ II, 177). In Engeland ontdekt de Guldenroede^_(5)_^ onderaardsche Bronnen en Goud- en Zilverschatten. (This.~, 196 en 270)._ *2. Zonder de Tooverroede.* Doch niet altijd werden Roeden gebruikt om schatten. metalen. bronnen, enz.~ te ontdekken: gewone. niet roed-vormige of roed- vormende Planten werden daartoe ook aangewend. De Wonderbloem. Het was eene blauwe Bloem en door hare hulp bemachtigde men schatten. _Naar het gemeene volksgevoelen was de Wonderbloem (hdg.~ `Wunder- blume') het mooie Vergeet-mij-niet^_(6)_^ en dat steunt op volksetymologie. (Per- ger, 72; z.~ beneden). Voor anderen was het een `Onbekend' of `Ongenoemd' Kruid. Vele Sagen betreffende deze Wonderbloem zijn, vooral in Duitschland, verspreid, en de hoofdinhoud is: Een knaap of een man, een boer of een edelman vindt toevallig of ontvangt van een schoone hem onbekende jonkvrouw deze Wonderbloem. Plots ontwaart hij in eene rots of in eenen berg eene deur. | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Herba heraclea gr.~ Erakleion: is, naar velen, Heracleum panaces L. Zie | mijn PK.~, 85 | | | ^(3)^ Mentha aquatica L. | | | ^(4)^ Onze Waterlelin. Nymphaea alba L.~ en Nuphar luteum Sm. | | | ^(5)^ Solidago virga-aurea L. | | | ^(6)^ Myosotis palustris L.~ en verwante soorten. | Hij raakt deze aan met de ontvangen Bloem: de deur gaat open en hij ziet vor hem schatten liggen. De jonkvrouw of een waarschuwende stem roept hem toe het beste toch niet te vergeten. Hij legt de Bloem neder, grijpt wat hem het beste schijnt, nl.~ den schat, en gaat Daar buiten zonder de Bloem. Donderend valt de deur toe en is voor hem niet meer zichtbaar: want hij heeft in de rots, of in den berg het beste, de Wonderbloem vergeten: den eenigen sleutel die hem den weg tot den schat openen kan! Aldus Perger, 71-2 (en hij verwijst naar Bechstein: Sagen van Thuringen, 1, 3, 4, 16, 146, 210, 211; en naar Grimm: Myth.~, 923). Z.~ nog Wolf: Hess.~ Sagen, n"r" 41; Meier: Schwab.~ n"r" 36 en 37._ Naar andere sagen heeft de Wonderbloem eene gele kleur. _De gele Wonderbloem bij Unterblauenthal (Saksen). Bij Unterblauenthal was een rotsspleet, thans met gestruik overwassen en daar had men eens een ijzeren deur gezien. 't Gebeurde dat in de nabijheid een inwoner Gras maaide eq hij, op 't middaguur, onder een lommerigen Boom zat om zjjne zeis te scherpen. Daar stond eensklaps een Zwarte Ridder vor hem en uit den grond, vor zijne voeten, zag de maaier een gele Bloem ontspringen. De Ridder zei dat de maaier ze zou plukken: want zij was de sleutel voor de ijzeren deur; uit het hol dat deze sloot, mocht hij van den schat nemen zooveel het hem behaagde; `doch, voegde de Ridder hierbij, laat de Bloem niet liggen, anders zijt gij verloren'. De man deed aldus, kwam in het hol: de wanden waren met edelsteenen bezet en op den bodem stonden veel kisten vol goud en zilver. Plots werd het hol een groote zaal, waar de Ridder met zijn gevolg aan eene tafel met kostbare spijzen en dranken zat. Dwergen bedienden de eters. Ook de maaier at en dronk. Daarna, op verzoek van den Ridder, nam hij van het goud en de edelsteen en zooveel hij maar kon en ging buiten. Daar vloog de deur met geknal toe. De man wilde zijne Bloem grijpen; doch hij had ze in het hol laten liggen. Na weinige dagen stierf hij: zijn gezicht was naar den nek omgedraaid en goud en edelsteenen waren verdwenen. Thans nog heet de rots `Teufelsfels' ("=" Duivelsrots). (Meiche, n"r" 752; naar Khler: Sagen- buch, n"r" 346). Vgl.~ ook Meiche, n"r" 754: `die Wunderblume des Teufelsteins bei Lauter'. Deze gele Bloem, die als sleutel dient, is denkelijk de Sleutelbloem^_(1)_^ (zie verder)._ Soms is de kleur purper met goud omlijst en geen botanist heeft ooit deze Wonderbloem gevonden en bepaald. _Een deel van den Lbauerberg (Saksen) heet Kruidengaard ("=" `Kru- tergarten') naar de talrijke Bloemen, die aldaar groeien. In den nacht vor St.~ Jansonthoofding (29 Aug.~), op klokslag 11 uur, bloeit aldaar eene Wonder- bloem: hare kleur is purper met gouden omlijsting; hare Bladeren zijn groen met zilverranden; haar Stengel is vioolblauw; haar Stempel glanzend hemelblauw. | | ^(1)^ Waarschijnlijk Primula officinalia L.~, die op bergen wast. | Zij heeft de gedaante van de Lelie, doch is prachtiger, en zij riekt liefelijk zoet. Geen sterfelijk oog heeft ooit haren Wortel gezien. Als het te Lbau twaalf slaat, verzwindt de Wonderbloem met een en knal. Alle honderd jaar bloeit zij eens. Wie rein van hert is, kan ze licht uit den grond trekken en bekomt daardoor hooge eer en veel geld, want de Bloem en de groote Wortel zijn van puur goud, zilver en kostbaar gesteente. Wie niet rein is, beroere ze niet, anders verliest hij het leven. (Meiche, n"r" 824). Naar een tweede Sage heeft deze Wonderbloem van den Lbauer berg eenen Stengel van groene smaragd, Bladeren van robijn en een kelk die een groote diamant is. Uit de Bloem die meer glinstert dan maan en sterren, stijgen liefelijke zangen. (Idem, n"r" 825)._ In de volgende sage uit Marienberg (Saksen) is het eene bonte Bloem. _Op den Schladen- of Schlettenberg bloeit, op St.~ Jansdag, een schoone bonte Bloem. De berg gaat open vor hem die de Bloem vindt en plukt, en zij toont een groote zaal: hier staat een gouden brouwpan en hierin een gouden jongetje. Beide worden door eenen hond bewaakt. Maar men toont aan het dier de bonte Bloem en dan kan men pan en kindje wegnemen. Nu moet men wegijlen: is men niet over de plaats die Hammergraben heet, dan moet men den hond, die den vluchtende achternaloopt, pan en kindje teruggeven. De hond snelt er mee in den berg, die zich daarna opnieuw sluit. (Idem, n"r" 765)._ Soms is de kleur van de Wonderbloem niet aangewezen. _Keizer Otto, de Roodbaardige, is, naar de sage, in den Kyffhuizerberg (Duitschl.~) opgesloten, omdat hij met de geestelijkheid in strijd was geweest. De kudde van eenen schaper verdwaalde eens op een St.~ Jansavond. De man liep door het gebosch van den Kyffhuizerberg om ze te zoeken. Zonder het te weten streek hij met de voeten de Wonderbloem af, en deze bleef aan zijne schoengesp hangen. Wie deze Bloem, die enkel in den St.~ Jansnacht bloeit, over zich draagt, kan de rondwarende Geesten zien. Toen het in het dal elf uren sloeg was de schaper dicht onder den top van den berg; en hij zag hoe deze openging en Keizer Otto met vele ridders er uit kwam. Zij begonnen met de kegels te spelen. En toen het twaalf uren sloeg, gingen zij terug in den berg, die zich onmiddellijk sloot. Als bewijsstuk voor het gebeurde nam de schaper den grootsten kegel, den koning, mee naar huis. Des morgens ondervond hij dat deze kegel van louter goud was. (Nork, Myth.~ VS.~, 217; naar Harrys: Nieder- schs.~ Sagen, n"r" 1). Te Neu-Johnsdorf bij Zittau (Saksen) bloeit op eenen rotssteen (den `Schalkstein'), tusschen Heidekruiden en nederige Boomen, in het midden van het woud, enkel op St.~ Jansnacht, een Wonderbloempje, dat bij zonsopgang verwelkt. Wie het bloeiende Bloempje plukt, wordt meester over een grooten schat, die aldaar begraven ligt; maar de plukker moet zonder schuld en rein van herte zijn. (Meiche, n"r" 819; Daar Haupt: Sagenbuch der Lausitz, I, p.~ 246). Eene witte Jonkvrouw woont in de Burgbron op den `Harzeburg' en geeft op de St.~ Antoonsplaats een eenen kolenbrander eene Bloem die hem in den Berg leidt, waar de Jonkvrouw hem den zak vult; hij mag echter dezen niet openen voor hij over zeker water was; hij vergeet de Bloem, opent te vroeg den zak: 't was paardedrek! In de hoeken was echter wat blijven steken; thuis ziet hij dat het goud is! (Prhle, Harzsagen, p.~ 4). Vgl.~ nog: id.~, n"r" 9, p.~ 28. Bovengenoemde schat-ontdekkende Wonderbloem heeft niets te maken met eene in onze tuinen veel gekweekte Bloem, insgelijks Wonderbloem^_(1)_^ genoemd, omdat bare Bloemen 's avonds open- en 's morgens toegaan en, op den zelfden Stam, verscheidenvervig zijn._ De Geluksbloem. De Geluksbloem bracht den bezitter geld en rijkdom. evenals de Wonderbloem. _Hgd.~ `Glcksblume', eene onbekende Bloem. `Luck- of Key-flower' der Germaansche folklore, zegt This.~ (51) en te oordeelen naar den laatsten naam schijnt hij te denken aan de Sleutelbloem^_(2)_^. En hij vertelt van eenen schaapherder, die zijne kudde over den Iselstein leidt, er rust op zijnen staf en den berg ziet opengaan, want op zijnen staf draagt hij deze `Luck-flower'. In den berg, waarin hij gaat ontwaart hij eene Jonkvrouw, die hem toelaat van hare schatten te nemen wat hij verkiest. Hij vult zijne zakken en daar hij zich haast om die mysterieuze plaats te verlaten, waarschuwt zij: `Vergeet toch het beste niet!' Hij let niet op en ijlt naar buiten. Daar wordt hij door den donder in tween geslagen: hij heeft . in den berg, het beste vergeten, nl.~ de Geluksbloem! (This.~, 51-2). Vgl.~ Gub.~, I, 259; en zie beneden: Sleutelbloem. -- En de `Glcksblume' van den Burgberg bij Grimma (Saksen), nl.~ een Tulpenvormige Bloem van wondervolle kleurenpracht en lieflijken reuk, die door een knaap voor een oogenblik werd gezien en, naar het volksgeloof, den bezitter alle schatten en eeuwige jeugd en schoonheid schonk. (Meiche, n"r" 778). Ik wijs hier nog op een bloedrood, insgelijks onbekend Kruid, dat groeide. op de plaats waar eene moord werd gepleegd. (Perger, 73; naar Mullenhoff, 140)._ Doch andere bekende en genoemde Kruiden en Boomen be- zaten die ontdekkingskracht. 1"o" Kryptogamen. Ik noem: Inzonderheid Varenzaad -- van Mannetjes-^(3)^ of van Wijf- jesvaren^(4)^ en wel van ander gemeene soorten^(5)^. | | ^(1)^ Mirabilis jalappa L.~; Mirabilis "=" Wonderbare Bloem. | | | ^(2)^ Primula elatior Jacq.~ en P.~ officinalis Jacq. | | | ^(3)^ Aspidium Filix-mas L. | | | ^(4)^ Athyrium Filix-foemina L. | | | ^(5)^ Als Pteris aquilina L.~, Blechnum splcant L.~, Polypodium vulgare L.~, | Asplenium ruta-muraria L. | _Varenzaad (vgl.~ boven III, b.~ 1) wijst verborgen Schatten aan (Heymans en Thijsse: Door het Rietland, 226); -- het ontdekt Schatten en brengt op het spoor van verdwaaalde Ossen (Gub.~, I, 177, 259) , -- het weet waar Goud ver- borgen ligt (This.~ 270); aldus in Tirol, waar men het `Wish-seed', d.i.~ Wenschzaad heet. In Tirol `heft' men, in St.~ Jansnacht, zoogenaamde `bloeiende' Schatten door middel van Varenzaad. Onder het Kruid legt men, den avond er vor, eenen kelkdoek; gedurende den nacht valt het Varenzaad er op, dat men evenwel vor zonsopgang moet inzamelen, anders verdwijnt het opnieuw, met zulk Zaad kan men den Schat vinden en nemen. (Wuttke, n"r" 311, Zeitschr.~ f.~ D.~ M.~, 3, 339). In Rusland spreekt men van de `Varenbloem'. Varenbloem bloeit gedu- rende St.~ Jansnacht en verjaagt alle onzuivere Geesten. In dien nacht ziet men Varen Botten schieten, die ontroerd zich bewegen, opengaan en donkerroode Bloemen worden. Te middernacht komen deze gansch open en verlichten alles wat omringt. Maar juist op dit oogenblik verschijnt de Duivel en plukt de Bloemen van den Stengel. Hij die dus de Varenbloem wil meester worden, moet ten woude gaan vor middernacht, zich bij de Varen plaatsen en er rond eenen kring trekken. En als de Duivel komt en roept, de stem van eenen verwante, van de verloofde, enz.~ napende, mag de wachtende er niet naar luisteren noch het hoofd omkeeren; want keert hij het om, zoo blijft het omgedraaid. Hij die zulke Varenbloem in zijn bezit heeft, hoeft niets meer te vreezen, door haar kan hij Schatten ontdekken, onzichtbaar worden, de heerschappij voeren over aarde en water, den Duivel trotseeren. Wil men eenen Schat vinden, zoo werpt men de Bloemen in de lucht, indien eene als eene ster ronddraait over den grond en eindelijk loodrecht op eene plaats nedervalt, zoo is het zeker dat aldaar een Schat verborgen ligt. (Gub.~, II, 146; naar Markevic). Ook in Litauen gelooft men dat Varenbloesem gelukkig en alwetend maakt. Het brengt goud bij: Op Jansnacht ging een man door het woud, kwam in bloeiende Zlmedis ("=" Varenkruid?) en vond 's anderendaags in een zijner holleblokken goud. (Marzell, Uns.~ Heilpfl.~ 10, naar Bezzenberger, Lit.~ Forschun- gen, 1882, 76)._ Het Maanvaren^(1)^ wees Goud aan. _Hertog Karel, zegt een Oostenrijksch hs.~, zocht eens dit Kruid op, vond het en zag hoe het met gulden dauw overdekt stond: daarom moet Goud gevonden worden daar waar het wast. (Perger, 216; naar een hs.~ der K.~ K.~ Hofbiblioth.~, n"r" 7360, fol.~ 56, b.~)._ Ook de gemeene Paardestaarten^(2)^ staan met Goud in ver- band. | | ^(1)^ Botrychium lunaria L. | | | ^(2)^ Equisetum-soorten. | _"*" Zij hebben lange onderaardsche koordvormige Stengels, die zich diep en langs alle zijden uitstrekken en waarvan het uiteinde om zoo te zeggen niet te krijgen is. Indien men den diepsten Wortel -- naar de meening van het volk is het een Wortel en niet een Stengel -- kan uittrekken, zal men aan 't uiteinde een gouden ring of een gouden penning vinden. Aldus te Oostmalle (prov.~ Antwerpen: VL.~, III, 129)._ 2"o" Phanerogamen. Onder de Phanerogamen of Zichtbaarbloeiende Planten moe- ten hier vermeld worden: 1"o" Een Hanevoetachtige: het Kristoffelskruid^(1)^, een zeldzame Plant in Belgi met geelwitte Bloemen en zwarte Bessen. _Naar een oud volksgeloof was de H.~ Christophorus de meester over alle Geesten, dus ook over de Dwergen die de onderaardsche Schatten bewaarden. Daarom had deze hem toegewijde Plant bijzondere ontdekkingskracht. Raakte men met het Kristoffelskruid de plaats aan, waar Schatten verholen lagen, zoo moest de Geest die ze bewaakte, wijken en de toegang werd vrij. Terwijl men aldus deed, las men een bijzonder Kristoffelgebed en dat bezweren heette Kristof- felen (hgd.~ `Christophelen'). Rel.~ u.~ Bohnh.~; Shns, 107; Moser: Unterricht vom Reich der Geisten, III, 501)._ 2"o" De Indische Lotusbloem^(2)^, van de familie onzer Water- lelin. _Zij toont verborgen Schatten aan. (Gub.~ I, 256)._ 3"o" Drie Roosachtigen: _De Lijsterbessenboom^_(3)_^, die het goud aantrekt en het aanwijst; De Hagedoorn^_(4)_^, die liefst wast waar een Schat ligt, die evenwel zeer moeilijk te nemen valt. (Perger, 319); En de wilde Rozelaar^_(5)_^: Eene Saksische sage spreekt van eene vrouw die op een veld, bij den `Gemeindeberg' te Oelsnitz, op een steenhoop een wilden Rozenstruik zag en er naast een grauw Mannetje met gele laarzen, die in de eene hand een zakje droeg en met de andere wenkte. De vrouw ging echter er niet naartoe, maar kwam 's anderendaags terug: de Rozenstruik was uitge- stoken en op de ontbloote plek lagen drie Twintig-Kruisers (hgd.~ `Zwanzig- kreuzer'), daaronder twee Vierpenningstukken en heel van onder een Driepen- ningstuk (hgd.~ `Dreier'). Zij nam het geld. Zij kwam elf dagen achtereen al | | ^(1)^ Actaea spicata L. | | | ^(2)^ Nelumbium speciosum L. | | | ^(3)^ Sorbus aucuparia L. | | | ^(4)^ Crataegus oxyacantha Jacq.~ en C.~ monogyna Jacq. | | | ^(5)^ Rosa canina L. | vond altijd dezelfde stukken in dezelfde orde. Toen vertelde zij het aan haren man. Maar den twaalfden dag was de plaats met gras gesloten en geen geld meer te zien. (Meiche, n"r" 847). -- Een herder hoedt zijne kudde op Staufenburg; eene zeug voert hem naar een hol, vor hetwelk eene Roos bloeit. Hij plukt ze en een Jonkvrouw verschijnt en neemt hem mee in het hol. Daar mag hij zooveel geld nemen, als hij dragen kan. Hij gaat heen, en de Roos, die hij laat liggen, roept: `vergeet het beste niet!' Buiten ziet hij dat zijn geld drek is! (Prhle: Harzsagen, 42)._ 4"o" De Baulerlinde wijst door hare schaduw eenen Schat aan. _Bauler is een Pruisisch dorp, vier mijlen van Vianden. Daar staat een overgroote Linde^_(1)_^, zichtbaar van wijd en zijd. Naar de sage luidt, ligt bij den `Bauler Kleschen' -- zoo heet het volk deze Linde -- negen voet diep in den grond een Schat begraven en wel juist op die plaats, waar op den middagstond de schaduw van de Lindekruin valt. Men heeft opgravingen gedaan, doch den Schat niet gevonden, zoodat men denkt dat de sage doelt op een thans verdwenen Baulerlinde. Daar men echter niet weet waar die Linde heeft gestaan, heeft men ook alle verdere opzoeking moeten staken. (Th.~ Bassing, 1904, p.~ 48)._ 5"o" Onder eenen Ahorn^(2)^ vindt een arme man een ketel met oud geld. _De man droomt driemaal achtereen dat een oude herder hem zegt: `Op de Regensburgerbrug vindt gij het ware geluk'. Hij gaat naar de Regensburger- brug, doch vindt er niets. Hij bereidt zich om naar huis te keeren, en ontmoet er een man aan wien hij zijnen droom vertelt. Deze tweede man heeft ook een droom gehad: hij moest naar Stelzen in Vogtland (Saksen) reizen en er graven onder eenen grooten Ahorn, hij zou er veel Geld vinden. De eerste man kent dezen Boom, want hij staat vor de deur van zijn huis, hij ontvangt van den anderen een gulden als teerpenning op de terugreis. Thuisgekomen graaft de arme man onder den Ahorn en vindt er waarlijk een koperen ketel met schoon oud Geld. De Ahorn stond hier nog vor korten tijd en was zoo hoog en schoon dat men hem vijf uren wijd ontwaren kon. (Meiche, n"r" 846)._ 6"o" De Vierklaver^(3)^ toont Schatten. _Aldus Leunis (Syn.~ 107). "*" Overigens zegt men in Vlaanderen dat wie een Vierklaver vindt en over zich draagt een geluksvogel is._ Ook de gewone Klaver^(4)^ en Mos wijzen Goud aan. _Z.~ de sage uit den Harz bij Prhle (Harzsagen, 33, naar Prtorius, Alectro- mantia, uit het jaar 1680)._ | | ^(1)^ Tilia europaea L. | | | ^(2)^ Acer pseudo-platanus L. `Kiefer' schrijft Meiche en verklaart door | `Ahorn'; doch de gemeene `Kiefer' is de gemeene Pijn (pinus silvestris L.~). | | | ^(3)^ Trifolium pratense L.~ met vier Blaadjes. | | | ^(4)^ Trifolium pratense L. | 7"o" De reeds zoo vaak vermelde Hazelaar^(1)^ wijst Schatten aan. _Zie beneden Marentak._ 8"o" Ook de mythische Marentak^(2)^. _Groeide een Marentak op eenen Hazelaar, -- een zeldzaam verschijnsel -- zoo duidde hij aan dat onder den Struik een Schat verborgen lag. (Gub.~ I, 259; Perger, 229; Shns, 102). Twee mannen bemerkten eens op eenen Hazelaar eenen Mistelstruik, die Bessen droeg, klaar en glanzend als Zilver en van de ongewone grootte eener Noot. Daar moat een Schat verholen liggen! Op eenen Zondag, gedurende den Kerkdienst, trokken zij er naartoe om den Schat uit te graven. Nadat zij den Hazelaar hadden uitgedolven en den bodem doorwoelden, liep eerst een driebeenige, lamme haas naar hen toe; doch zonder een woord te lossen graafden zij voort. Toen verscheen plots de wachter van den Schat, een zwarte hond met een na zich sleepende keten, en hij sprong naar de delvers. Een dezer liet eenen angstschreeuw, en op dit zelfde oogenblik waren de hond en ook de schat, dien zij reeds met de spade hadden gevoeld, verdwenen. De twee mannen wierpen den Hazelaar terug in den put, en het volgende jaar stond hij weder groen en de Marentak droeg opnieuw zijn wonderbare Besssen. Ditmaal gelukte het den gravers den Schat meester te worden. Voorzichtigheidshalve hadden zij echter nooit verraden hoeveel Goud zij gevonden hadden en niemand heeft ooit de plaats gekend waar zij den Schat bewaarden; overigens zij waren arm en bleven arm, tot zij, het volgende jaar, beiden stierven juist op den tijd dat zij den Schat genomen hadden. Aldus in Pruisisch Samland. (Rel.~ u.~ Bohnb.~, 81). In Zwitserland is het de Marentak, die op eenen Eik groeit, die een Schat aanwijst. (Roll.~ VI, 230; naar Blavignac: Empr, 239). -- Ten andere wie een Eikemistel vindt, is rijk genoeg, zegt men in het Land van Albret. (Id.~; naar Dardy, I, 310)._ 9"o" Indien lichten des nachts boven Netels^(3)^ zweven, ligt er onder een Schat bedolven. _Aldus Rel.~ u.~ Bohnh.~, 347. -- Te Reichholzlheim (Duitschl.~), aan de straat van Bromberg, in het tweede huis, was op eenen nacht zulk geraas, dat de bewoners dachten dat de schoorsteen naar beneden stortte. Terzelfdertijd ver- toonde zich in den hof, boven de Brandnetels, een helder licht; toen beraad- slaagde men of men den Schat zou uitgraven of niet; doch intusschen ver- minderde het licht en stieff het eindelijk geheel uit. (Perger, 156: in: Anz.~ f.~ K.~ der Vorzeit, 1854, 122)._ | | ^(1)^ Corylus avellana L. | | | ^(2)^ Viscum album L. | | | ^(3)^ Urtica dioica L. | 10"o" Door middel van Ruit^(1)^ kan men verholen Schatten bemeesteren. _Men moet hiertoe bezitter zijn van den kop van de witte Slang. Dan legt men in een vat, iederen nacht tusschen elf en twaalf uren, dezen Slangekop met Ruit en een ei. De bezitter van zulken kop kan alsdan alle slot openen, verborgen Schatten vinden, zich onzichtbaar maken en den Duivel eenen Wissel- thaler afdwingen. Aldus in Duitschl. (Perger, 204, naar Birrcher, 65). Vgl.~ hiermee de volgende fr.~ bezwering. Om geld te bekomen ziedt men wijwater en werpt er in een Ruitetwijg, zeggende: `0 Rue, belle Rue! toi si belle fais que tout homme en passant apporte ici or et argent'. Daarna giet men dat wijwater vor de deur uit als iemand voorbij gaat. Aldus in dp.~ Gironde (Frankr.~). Sbillot, 1906, 487._ 11"o" Het Vergeet-mij-nietje^(2)^ is een Schattenontdekkende Bloem. _Volgens eenigen is het de blauwe Wonderbloem. (Z.~ boven). -- In de volkssagen vermag het Bloempje rotsen en bergen te openen, waarin onderaardsche Schatten verborgen liggen. De vinder steekt de Bloem op zijnen hoed; en indien hij in de rots- of bergholte, bedwelmd door de vele kostbaarheden die er verholen liggen, den hoed met de Bloem aflegt, om zich met meer gemak de zakken te vullen, en daarna ijlings de plaats verlaat, dan roept de achtergelaten Bloem: `Vergeet toch het beste niet!' Doch het is te laat: de opening slaat toe en de berg blijft gesloten! (Prahn, 149; vgl.~ Perger, 171)._ 12"o" Naar anderen is het blauwe Viooltje^(3)^ deze Wonder- bloem. _Eene sage uit het Vorstendom Waldeck: Een herdersknaap vindt een groote Viool; zijn vader neemt ze hem af, omdat hij gedroomd heeft dat hij eene Bloem waaraan hij driemaal rieken moet, bekomen zal. De vader riekt driemaal aan de Viool en terzelfder tijd verschijnt hem een Mannetje dat beveelt hem te volgen. De vader wordt in het hol van het Mannetje gevoerd; daar zaten twaalf even kleine Kereltjes en aten. De Schaper keert naar huis, en hier vindt hij Geld, Schapen en Paarden, die hem de Dwergen, om zijn vertrouwen in hen, geschonken hebben. (Perger, 151; naar Curtze, 49; Volksueberlieferungen des Furstentums Waldeck, 1860)._ 13"o" Eenigen beschouwen als Wonderbloem de Sleutelbloem^(4)^ die in Tooverbergen de Schatten die er in sluimeren, aanwijst. | | ^(1)^ Ruta graveolens L. | | | ^(2)^ Myosotis palustris L.~ en andere soorten. vooral M.~ alpestris Schmidt. | | | ^(3)^ Viola canina L.~ of V.~ silvestris Rchb.~ of V.~ riviniana Rchb. | | | ^(4)^ Primula officinalis Jacq.~ en P.~ elatior Jacq. | _Dat steunt op volksetymologie: de Sleutelbloem heeft sleutelvormige Bloemen, die een sleuteltros vormen en zulke onderaardsche Schatplaatsen openen (Prahn, 146; Shns, 103; This.~, 270: `Key-flower'; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 93). De krachtigste Sleutelbloem was die, welke men bloeiende vond in den Kerstnacht (een onmogelijkheid!) of in den Vastenavondnacht. (Perger, 174). Over zulke Schatten heerscht de Sleuteljonkvrouw; zij draagt, evenals Godin Freya, waarmede zij gedentificeerd wordt, een gouden Sleutel in hare kroon. Later werd zij door de Kristenen met Maria in verband gebracht. Sleutelbloemsagen, tevens Schatsagen. 1. Bij de ruine Blankenhorn, in Zwaben, vond een koeherder, in den laten herfst, een Sleutelbloem en stak ze op zijnen hoed, die hem weldra te zwaar werd. Hij deed den hoed af en ondervond dat de Sleutelbloem een zilveren sleutel was geworden. En daar stond vor hem eene Jonkvrouw, die hem zei dat hij daarmee de tot nu toe gesloten deur in den Heuchelberg moest opendoen en, van 't gene binnen lag, mocht meenemen wat hij wou, doch in 't heengaan het beste niet mocht vergeten. Hij ging, en, in den berg, vulde hij gulzig zakken en mouwen, doch liet echter het beste liggen, nl.~ de Sleutelbloem. (Perger, 175; naar Meier, I, 37). 2. Eene Jonkvrouw voerde eenen schaper van Kolbenkamm, in Baden, naar eene plaats waar Sleutelbloemen bloeiden. Met eene dezer opende hij eene deur en, binnen, vond hij drie kisten met schaapstanden. Bijna tegen zijnen dank nam hij er eenige handvollen van en ging daarna buiten, zonder zich om de openende Sleutelbloem te bekommeren. Binst den volgenden nacht werden deze tanden louter Goud; doch hij had ook het beste vergeten en vond den weg niet meer. (Perger, 175; naar Baader: Neue Volkss.~, n"r" 111). Vgl.~ nog This.~, 82._ 14"o" Hier een paar Schataanwijzende Solanaceen. De Alruine^(1)^. Deze Heksenplant (z.~ boven) toont verbor- gen Schatten aan. _Gub.~, 259; This.~, 271; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 353. Shns (95) gewaagt van zekere vrouw, die, tooverformulen mompelende, onder eene galg tijdens de Zonnewende en in het laatste Maankwartier, de Alruine uitgraaft. Zij neemt ze in hare armen en draagt ze naar huis, waar zij het opgedolven Monstertje op een zacht bedje legt. De Alruine heeft borstels in stee van haren; en de vrouw steekt, als oogen, een paar Jeneverbessen^_(2)_^ in haren kop: deze worden werkelijk en zeer snel een paar niet ovale, maar kringvormige oogen. Nu kweekte de vrouw haar Alruine liefderijk op; doch zij kan haar niet hooger dan een driejarig kind doen opgroeien. Verzuimt zij het hatelijk schepsel te baden in onvervalschten wijn, dan huilt het op ijselijke manier. Opgewassen toont zich de Alruine in al haar dulvelsche boosheid; zij springt | | ^(1)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(2)^ Juniperus communis L. | en kleffert over huis en dak en beangstigt haar opkweekster, die zij ten slotte hoont en bespot. Toch toont de Alruine haar, in de aarde verborgen Schatten, en daarom noemt men dat Heksenkruid in Duitschland `Heck-' of `Geld- mnnchen'. De vrouw graaft deze Schatten uit en wordt zeer rijk, maar over dezen rijkdom hangt de vloek der hel: De vrouw wordt ongelukkig, dat geld brengt twist en moord in hare familie, haar vader sterft als hoogverrader, haar bruidegom en haar broeder vallen beiden in een kamp tegen elkaar, en de Alruine spot met hare tranen, en brengt haar opvoedster door hare duivelarij tot waanzin. Eindelijk blaast de vrouw onder dezelfde galg, waar zij het Monster uitgraafde, hare ziel uit. (Naar Wagner: Vorzeit)._ Ook de Steekappel^(1)^ werd in de Schatgraverij benuttigd. _Z.~ Rel.~ u.~ Bohnh.~, 164._ 15"o" Het heilig IJzerkruid^(2)^ toont eveneens Schatten aan. _Gub.~, I, 259, -- men moet de Schatten met IJzerkruid zoeken in den St.~ Jorisnacht. (Perger, 146)._ 16"o" In den Harz (Duitschland) wordt in eene sage gewezen op St.~ Janswortel of St.~ Jansbloem^(3)^ die er `Springwurzel' zou heeten. _Deze Bloem is geel en glinstert in den nacht. Zij blijft niet stil en roerloos staan evenals de ander Bloemen, maar huppelt gedurig om en weer. Wie ze kan plukken, weet door haar kracht waar al de schatten der aarde verborgen liggen en wordt aldus zeer rijk. Zie die sage bij Prhle (Harzsagen, p.~ 100) en het plukken dezer Wonderbloem kost er den vermetele het leven._ 17"o" Onder de Samengestelbloemigen kan men hier noemen: De Bijvoet^(4)^. _Waar deze Plant groeit, ligt geld begraven. (Dijkstra, II, 241). Aldus in Friesland. Vgl.~ Gub.~, I, 259. Of, indien men op Goeden-Vrijdag achterwaarts en stilzwijgend naar de Bijvoet gaat, den wortel uitgraaft, zoo vindt men hierin een zwart wormpje, dat men zorgvuldig in een fleschje bewaart. Gedurende negen dagen mag nu de eigenaar niet bidden en zich niet wasschen en moet alle dagen, al middagmalend een stukje brood onder de tafel werpen, anders wordt de worm boos en alles wordt te vergeefs gedaan. Gebeurt echter alles in orde, dan begint het beestje den negenden dag te spreken en geeft den bezitter alles wat hij verlangt, doch | | ^(1)^ Datura stramonium L. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. | | | ^(3)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(4)^ Artemisia vulgaris L. | het geld dat hij dagelijks krijgt, moet ook dagelijks verteerd worden. Marzell (Heilpfl.~, 228) vermoedt dat het bedoeld wormpje de kleine rups van een galvoortbrengend vlindertje zou kunnen zijn (nl.~ van Conchylis hilarana)._ De Melkdistel^(1)^. _Eng.~ `Sow-thistle'. Als men de `Sow-thistle' aanroept, ontsluit hij ver- borgen Schatten. (This.~, 271)._ 18"o" De Salomonszegel^(2)^. _Deze Plant, de echte Springwortel, doet sloten en rotsen springen, en ontdekt Schatten. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 87; Shns, 105. Vgl.~ boven)._ 19"o" De Vlier^(3)^ groeit op Schatten. _Eene Pommersche sage spreekt van twee vrienden, die zich onder eenen Vlierboom in 't Gras hadden gelegd. Een der twee sliep aldra in. Toen zag de andere, uit den wijdgeopenden mond van den slaper, een muisje sluipen, dat recht naar de Vlier huppelde en algauw in den Struik verdween. Na ruimen tijd kwam het muisje uit den Boom te voorschijn, liep naar den slaper en ver- dween in zijnen mond. Daarop werd de man wakker en vertelde dat hij een zonderlingen droom had gehad: een muis was uit zijnen mond gekropen en naar de Vlier getrippeld, en, weinige voeten onder den grond, had het dier eenen grooten aarden pot vol geld gevonden. De twee vrienden haalden eene spade, dolven, stootten op een hard voorwerp: nl.~ den pot gansch met Goud- en Zilvergeld gevuld. (Herrmann, D.~ M.~, 21)._ 20"o" De Lelie^(4)^ is soms de schattenontdekkende Bloem. _Een schaper valt in slaap nevens zijne hut. Hij ontwaakt, ziet een Lelie, plukt ze en steekt ze op zijnen hoed. De zoogenaamde spokende Jonkvrouw- met-den-Sleuteltros verschijnt, neemt den schaper mee naar den Sachsenstein, waar hij hoopen Goud en Zilver vindt: hij mag er van meenemen zooveel hij kan. Eerst vult hij zijnen herdersransel, daarna zijnen hoed, doch buiten zijn weet valt de Bloem. `Vergeet het beste niet!', waarschuwt de Jonkvrouw. De geldgierige let hierop niet en vertrekt zonder de Wonderbloem. De bergdeur slaat Illet geweld hem op de hielen toe. (Prhle, Harzs.~, 211). Zeer verspreide bergsage._ 21"o" De Palm^(5)^ toont eveneens schatten aan. _Gub.~, I, 256._ | | ^(1)^ Sonchus-soorten, de gemeene nl.~: S.~ asper All.~, S.~ arvensis L.~ en S.~ olera- | ceus L. | | | ^(2)^ Polygonatum multiflorum L. | | | ^(3)^ Sambucus nigra L. | | | ^(4)^ Lilium candidum L. | | | ^(5)^ Phoenix dactylifera. | 22"o" De vermaarde Boom Paribon van Ctesias trekt tot zich Goud, Zilver, Koper, Steen, ja alles. uitgezonderd Electrum of Amber. _Paribon (of beter Parebon) groeit in Indi, alleen in de koninklijke hoven, en is zoo groot als een Olijfboom. Hij brengt noch Bloem noch Vrucht voort. Hij heeft vijftien Wortelen, zoo dik als een arm. Een stuk hiervan, eene spanne lang, trekt bovengenoemde Metalen aan; een stuk van de lengte van eenen cubitus (anderhalven voet) trekt tot zich heele lammeren. De Indianen vangen er vogelen mee. Een stuk van dezelfde Wortelen in water geworpen maakt het zoo dik dat men het als was met de hand kan bewerken; doch daags daarna wordt het weder dun. (Dod.~, 1489). Ctesias, de reiziger, leefde in de V"e" eeuw vor Christus. Naar Ad.~ Kuhn is de Paribon de Heilige Vijgeboom de Avattha^_(1)_^ der Hindoestani. (Gub.~, I, 259, die er bijvoegt dat de Boom Goud aantrok en ontdekte)._ Bij het bovenstaande mogen de volgende algemeene kentee- kenen, waardoor de schuilende Metalen door Planten ontdekt worden, gevoegd worden: _1"o" Daar zijn eenige Planten, `die haar verlusten in de buursaamheid der metalen' en als een zeker sympathetisch teeken zijn van dezer aanwezigheid. Het zijn gewoonlijk zulke Planten die geene of een kleine Vrucht dragen: de lage Jeneverheester^_(2)_^, de `Klem' (Klimop^_(3)_^, de wilde Pijnboom^_(4)_^ en vele stekelige Planten. (Kirch.~, II, 176). 2"o" De Wijngaardbladeren^_(5)_^, `die van de goude wasemen geel geverwd werden, gelijk in Hungarien dikwils gebeurd', wijzen goud aan. (Id.~ 175; Digby, 438). 3"o" Een ander teeken van schuilende Metaaladers is, wanneer de Bladeren der Boomen in de lente paars of blauwachtig zijn; of de Takken, voornamelijk de bovenste, met een zwarte of andere niet natuurlijke kleur geverfd zijn; of wanneer de Bladeren der Boomen bleek zijn, haast afvallen en de Takjes teer en schraal zijn. (Id.~, 175-6). 4"o" Indien er nooit rijp op zekere Kruiden komt, dan staan deze, naar allen schijn, op Metaaladers, `daer van so heete wasem opgaat. dat 'er geen rijp op kan vriesen'. Of indien deze Kruiden zeer laag blijven en flauw gekleurd zijn, hetgene aan den heeten wasem der Metaaladers te wijten is. (Id.~, 175)._ | | ^(1)^ Ficus religiosa L. | | | ^(2)^ Juniperus communis L. | | | ^(3)^ Hedera helix L. | | | ^(4)^ Pin us silvestris L. | | | ^(5)^ Vitis vinifera L. | b. *Planten die rijkdom en geluk aanbrengen.* Deze rubriek hangt innig met de vorige samen. Hier mogen geschikt worden: De gewone Mannetjes-varen^(1)^. _Men moet de Plant uitgraven of plukken, of het magisch Varenzaad inza- melen op St.~ Jansdag; vanhier de hgd.~ benaming `Johanniswurzel' "=" St.~ Janswortel (Wuttke, n"r" 138). Vgl.~ boven hoofdst.~ III, b, 1. Zoo men bij geld Varenzaad legt, vermindert het geld niet. (Perger. 213). Met het mystische Varenzaad ontneemt men den Duivel den Wisseldaalder (hgd.~ `Wechselthaler'). -- die, na hem uitgegeven te hebben, bij zijnen bezitter terugkomt. (Perger, 212). Vgl.~ DB, i.v.~ Hekepenning en Vliegende Pauw._ De diabolische Alruine^(2)^. _De Mandragora brengt rijkdom mee voor den bezitter of den drager. (Wuttke, n"r" 134; vgl.~ boven Hoofdst.~ III, b.~ 34). Zooals men weet, wordt de zeldzame Alruine vaak door Bryoniewortel^_(3)_^ vervangen._ Het gezegende IJzerkruid^(4)^. _Het was een `Wnschkraut' ("=" Wenschkruid). zeggen de Duitschers: men plukt het eer het door zon of maan beschenen was en vor den opgang der Hondsster (Sirius); en wie er zich mee inzalft, bekomt alles wat hij maar wenscht; en daar men gewoonlijk veel geld wenscht, werd zulke ingezalfde zeer rijk. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 187-8)._ De Peenen^(5)^. _Om het gansche jaar geld te hebben, moet men op Nieuwjaarsdag Peenen (Wortelen) eten. (Perger, 202; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 337)._ De Witte Kabuiskool^(6)^. _Men moet Zuurkruid (dat men met de Witte Kabuiskool bereldt) eten op Kerstdag en men heeft het gansche jaar veel Zilvergeld. Aldus in Hessen. (Wutt- ke, n 14). Zuurkruid "=" hgd.~ `Sauerkraut', vervormd tot fr. `Choucrote'._ De gele Raap^(7)^. _Goud ontbreekt nooit, indien men, op den 1"e""n" dag van het jaar, Gele Rapen | | ^(1)^ Aspidium filix-mas L. | | | ^(2)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(3)^ Bryonia diolca L. | | | ^(4)^ Verbena officinalis L. | | | ^(5)^ Daucus carota L. | | | ^(6)^ Brassica oleracea var.~ capitata L.~ met witten Krop. | | | ^(7)^ Brassica rapa L.~ met gelen Knol. | eet (id.~). Dat Peenen, Witte Kabuiskooien en Gele Rapen zulke kracht hebben, steunt op de Signatuurleer: de kleur van de Plant (kool of Wortel of Bloem) komt overeen met de kleur van geld (Goud of Zilver)._ De Linze^(1)^. _Men moet ze eten op Kerstavond (Perger, 205) of op Goeden-Vrijdag. (Liebmann: Christl.~ Symbolik, 110). Aldus in Thuringen en het `Erzgebirge'). -- Doch in Zwaben beweert men dat men op Goeden-Vrijdag geene Linzen mag eten, anders krijgt men zweren. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 329). -- Dat geld-krijgen door het eten van Linzen steunt op den muntvorm van Linzezaad (leer der Signaturen)._ De heilaanbrengende Vierklaver^(2)^. _Indien men ze te middernacht plukt, verkondigt zij een rijke erfenis (Perger, 196) en al wie ze over zich draagt, wint in het spel. (Idem). Les Evangiles des Quenouilles (ed.~ Jannet, 1855) schrijft: `Celui ou celle qui trouve le treffle quatre feuilles, s'il le garde en rverence, sachiez qu'il sera eureux et riche toute sa vie'. (Roll.~, IV, 146)._ Het blauwe Viooltje^(3)^. _De booze God der Wenden, de duistere Czorneboh, bezat een prachtige burcht, waar hij heerschte. Doch de kristen apostels vernielden zijne kracht: Czorneboh werd in eene rots veranderd en zijn schoone dochter in een Viooltje, dat slechts alle honderd jaar, op St.~ Walpurgisnacht vermocht te bloeien. Wie echter het geluk had dat bloeiend Viooltje te plukken, kreeg tot vrouw het schoone meisje en al de Schatten van haren vader. (Meiche, n"r" 1267; naar Grsze, II, n"r" 779). Vgl.~ Perger, 150-1; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 250._ De Vogelkerseboom^(4)^. _Iemand die rijk wil worden, moet een Twijg met drie Botten van dezen Heester op het bloote lijf dragen. Aldus te Elsenerz (Duitschl.~), Perger, 254._ De Salomonszegel^(5)^. _Op St.~ Jansdag gaan de Wenden naar den Valtenberg (Saksen) en graven er den St.~ Maria-wortel, onzen Salomonszegel. Zij snijden dezen Wortel tot amulet dat welstand en geluk verleenen moet en `Glckwurzel' heet. Deze Gelukswortel, die men in 't geheim bewaart, heeft ongeveer den vorm van een zeer klein Klimopblad zonder steel, en op de oppervlakte van zulk Blad ziet men een gelijke veel kleinere afbeelding. De Gelukswortel heeft dus drie scherpe | | ^(1)^ Ervum lens L. | | | ^(2)^ Trifolium pratense L.~ met vier blaadjes. | | | ^(3)^ Viola odorata L.~, V.~ canina L.~ en andere soorten met blauwe Bloemen. | | | ^(4)^ Prunus padus L. | | | ^(5)^ Polygonatum multiflorum L. | lobben, waarvan een zijdelingsche, als hand van den Goeden Geest opgevat werd: deze lob blijft immer frisch, terwijl de andere, die men Klauwen des `CZert' ("=" Duivel) noemt, snel verdorren. De Wendische vrouwen, die naar de markt gaan, leggen op den bodem van haren korf dezen gelukaanbrengenden talisman. (Meiche, n"r" 814)._ De Gerwe^(1)^, het veel verspreide Geneeskruid. _In 't Westen van Bohemen heet ze `Margaretenkraut', omdat men ze acht dagen vor St.~ Margriet (13 Juli) uitgraaft: men vindt in een soort van galuitwas roode wormen (van een insect: Rhopalomyia millefolli). Om deze is het te doen: wie deze wormen over zich draagt, heeft geluk in 't leven. (John, Sitte, enz.~ im deutschen Westbhmen, 1905, 22)._ De groote Madelief (Chrysanthemum leucanthemum L.~), het Klokje (Campanula) en de Wolverlei (Arnica montana L.~) bren- gen den kinderen geld. _Op St.~ Jansdag maakten zij het Johansbed, een Kussentje, met de drie ge- naamde Bloemen en legden er heiligenbeeldjes op: 's anderendaags 's morgens vonden zij er geld onder. Aldus in Saksisch Zwitserland (te Daubitz). Zeitschr.~ f.~ sterr.~ VKSK.~ 6 (1900), 126._ c. *Heksen-Toovergeld.* In vele Sagen wordt er melding gemaakt van Toovergeld, waarmede de Heksen betalen: het is vaak schijnbaar geld dat. na 't verdwijnen der Heksen, opnieuw voor den bezitter een nietig en waardeloos ding wordt. Doch het tegenovergestelde bestaat ook: die nietige en waardelooze dingen worden en blijven Goud. Het zijn dorre Bladeren. _Op eenen Goeden-Vrijdag wandelt eene arme vrouw met haar tweejarig kind op den sagenrijken Valtenberg (Saksen). Zij bemerkt naast den weg een opening in eene rots. Zij gaat in die `Goldgrotte' met haar knaapje binnen, vindt de koperen brouwpan met de goudstukken, zet haar kind op den grond, vult hare voorschoot met Goud, stort het uit vor de rots buiten en herhaalt dat nog tweemaal. De derde maal slaat de rots toe: geene opening meer en haar jongetje ls binnen! Allerdroevigst weenend snelt zij naar huls met een deel van het goud in hare schort, na het overige onder woudstroo, getwijg en steenen geborgen te hebben. Zij vertelt alles haren man. Beiden gaan met eene kar naar den Valtenberg, de man laadt den schat op: de vrouw zoekt naar de | | ^(1)^ Achillaea millefolium L. | opening, doch te vergeefs! Zij keeren huiswaarts. De kar wordt immer lichter en zij bemerken eindelijk dat alle Goud tot dorre Blaren is geworden; ook het Goud dat thuis bewaard ligt. Doch, op den eerstkomenden Goeden-Vrijdag, vindt de moeder opnieuw de rots geopend, ze vindt haren knaap naast de met goud gevulde brouwpan: zij snelt er mee buiten en denkt niet eens meer aan den Schat. (Meiche, n"r" 903; naar Pilk: Der Valtenberg und seine Sagen). "*" Heksengeld wordt droge Eikebiaren^_(1)_^, of dorre Elzeblaren^_(2)_^, of verwelkte Beukeblaren^_(3)_^. (Z.~ boven, I, e). Vgl.~ Meier, n"r" 53, 55, 56; De Cock en Teirl.~ I, 23, 24; Henne-Am Rhijn (n"r" 728, waar het opgeraapte geelglanzend Loover echt goud wordt; aldus bij Rapperswil, Zwitserland)._ Of Stroo. _In de twee volgende Saksische Sagen is het de Schat van den Greifenstein die zich in de zonne `zomert'. Twee meispes gaan door hen woud, waarin de Greifenstein ligt. Zij hebben Stroo gezameld en dragen het in hunne korven naar huis. In eens zien zij, op eenen smallen dalenden weg, langs weerskanten, aan de Dennen^_(4)_^, Stroohalmen hangen. Daarover verwonderen zij zich, want geen met Stroo geladen wagen kan alhier voorbijrijden. Thuis gekomen schudden zij hun Stroo uit: er tusschen lagen gouden kettingen. Eenige der hangende Stroohalmen zijn in hunne korven gevallen; in den vorm van Halmen heeft zich de Schat van Greilenstein `gezomerd' op dezen zonnigen dag. (Meiche, n"r" 869). De Vorster Tlpel van Ehrenfriedersdorf rijdt op eenen dag langs den Greilenstein voorbij. Er hangen zooveel Stroohalmen van de Boomen langs den weg dat de Vorster met moeite er door kan rijden. Eenige Halmen blijven aan zijnen hoed hangen. Als hij dezen thuis afneemt, hangt er aan een gouden ketting. (Idem). Vgl.~ een zevental dergelijke Stroosagen bij Meier, blz.~ 62, 68, 69._ Of Kaf. _Meier: Schwab.~, n"r" 60._ Of Houtspaanders. _Godin Perchta (of Berchta), later tot Heks afgedaald, betaalt een Berg- werker, die van Bucha naar Kniz huiswaarts keert, met Houtspaanders, omdat de man bereidwillig in den Perchtennacht voor haren wagen een nieuwe wig uit Hout heeft gesneden. Thuis gekomen vindt hij in zijne zakken in stee van Spaanders Goudstukken. Duitsche Sage. (Nork, M.~ d.~ VS.~, 471). | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(3)^ Fagus silvatica L. | | | ^(4)^ Abies excelsa Lm. | Eene vrouw uit Bermsgrn (Saksen) gaat door een woud en ziet er wel geordende hoopjes van ronde Schorsstukken van Sparren^_(1)_^. Zij neemt er eenige van mede in haren korf naar huis: hare kinderen zullen er mee spelen. Thuis ziet zij dat al de Schorsstukjes geldstukken zijn geworden. Snel ijlt zij terug, doch vindt geene Spaanders meer. (Meiche, n"r" 863)._ Ook wel een Tak. _Van Keizer Otto werd aan 't volk verteld dat hij schielijk gestorven was, en men deed zelfs de plechtige begrafenis; doch in de doodkist, die in den grond werd gestoken, lag Otto niet: hij zat levend in eene gevangenis. En toen hij eindelijk na vele jaren stierf, vond zijn geest geen rust in het graf, maar dwaalde rond tot hij den Kyffhuizerberg tot woonplaats verkoos. Op eenen dag trokken eenige reizende muzikanten door het dal bij den Kyffhuizerberg en speelden vor de huizen; nergens ontvingen zij de geringste gift, zoodat zij zich den heelen dag vergeefsche moeite hadden gegeven. En tegen den avond zeiden zij: `Wij zullen den Keizer Otto een deuntje gunnen; misschien geeft hij ons wel iets'. Zij speelden; en toen het muziekstuk ten einde was, kwam de Kastelein van den Keizer uit den berg en gaf aan ieder eenen Tak. Doch de muzikanten wierpen de Takken weg en lachten: `Of wij niet meer verdien- den! Zulke Keizerlijke genade konden wij ook op andere plaatsen vinden!' Een van hen stak den Tak op zijnen hoed en zei: `Zoo heb ik toch een gedenke- nis van Keizer Otto!' Toen zij s avonds in de herberg kwamen, was de Twijg louter Goud geworden. De anderen ijlden nu naar den berg om er hunne Takken te zoeken, doch deze waren verdwenen. Den volgenden dag speelden zij opnieuw vor den Kyffhuizer, ja wel drie dagen achtereen, maar de kastelein bracht hun niets ten dank. (Nork, M.~ d.~ VS.~, 216-17; naar Harrys: Niederschs.~ Sagen, n"r" 1). -- Z.~ Over de Kyffhuizersagen, b.v.~ Prhle: Deutsche Sagen, 277 en vvgg._ Of nog Gerstekorrels^(2)^. _Op den `Breitenberge' (bij den Papenberg (Harz) was een Tooverbron, waaruit Gerstekorrels borrelden. Op zekeren dag nam eene vrouw die Korrels mede naar huis voor haar hoenders en daar zag ze dat dit Gerstegraan Geld was. (Prhle, Harzsagen, blz.~ 5)._ d. *Steen der Wijzen.* Met den Steen der Wijzen beweerden de Alchimisten alle Metaal in Goud (ook Zilver) te kunnen veranderen. Men heet hem nog Roode Leeuw, Groot Elixir, Magisterium; fr.~ `Pierre philosophale'; hgd.~ `Stein der Weisen'. Eenigen spreken van Goudtinktuur. | | ^(1)^ Picea vulgaris L. | | | ^(2)^ Geslacht Hordeum. | Het is een oud volksgeloof dat men met zekere Planten Goud uit onedele Metalen kan maken. Onder die goud-makende Ge- wassen worden geschikt: Het Maanvaren^(1)^. _Deze zeldzame Varensoort werd door de Alchimisten zeer geacht. Men bezigde ze tot Goud- en Zilverbereiding. (Perger, 215; This.~, 208; Wier, Praest.~ daem, I, c.~ 18). -- `De Alchymisten willen met dit cruyt wonderen bedrijven / ende hunnen Mercurius congeleren ende fixeren; waer door te gelooven is dat het soo krachtig is als eenigh ander Cruydt soude moghen wesen'. (Dod.~) -- Het was overigens een Maankruid, een Lunaria, en bijgevolg nuttig bij het vervormen van Kwik in eigenlijk Zilver._ De gele Gouwe^(2)^. _De Alchimisten meenden in deze gemeene Plant een zeer krachtig Gewas ontdekt te hebben: het goudgele Sap bevatte de vier elementen en daarom vermoedden zij er in den Steen der Wijzen te vinden; daarin ligt ook de reden waarom zij den naam Chelidonium -- van Gr.~ Kelidon "=" Zwaluw (z.~ Kannegies- ser) -- in Lat.~ Coeli donum "=" Hemelsgave veranderden. De goudmakende kracht van het gele sap berust op de Signatuurleer. (Kircher, II, 2S0; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 253-4)._ De rondbladige Zonnedauw^(3)^. _Dit Kempische Kruidje heeft op de Bladeren kliertjes, die op dauwdroppen gelijken. Vanhier de namen der Plant in de verschillende talen. Die schijndauw, die bleef voortglinsteren zelfs in den Zonneschijn, deed de Goudzoekers denken dat Zonnedauw een `Miraculum Dei' nl.~ een Wonder Gods was (aldus Kunrath: Medulla destillatoria, 274) en daarom gebruikten zij Zonnedauw tot hun mysterieuzen arbeid. (Perger, 163; Shns, 27)._ De Lieve-Vrouwemantel^(4)^. _De dauw, die in het midden van het mantelvormige Blad wordt opge- vangen, diende in de Goudmakerskunst. (Prahn, 7). `De Alchymlsten versekeren dat sy met dit cruydt hunnen Mercurius congeleren konnen: immers sy doen alle daghe hun beste om dat te versoecken ende te proeven'. (Dod.~, 20S). Doch Van Ravelingen, de commentator van Dodoens, voegt hier bij: `maer oft het naer hun hope luckt / dat en willen wy een ieghelijck niet ontdecken'. | | ^(1)^ Botrychium lunaria L. | | | ^(2)^ Chelidonium majus L. | | | ^(3)^ Drosera rotundifolla L.~ vooral. | | | ^(4)^ Alchemilla vulgaris L. | De naam Alchemilla wijst op die transmutatiekracht; hij zou komen van Arabisch `Alkemelych', en Leunis, 161, vertaalt Alchemllia door `Kleine Alchimistin'. -- Alchemilla, `sic appellatur, quod Alchimistarum praeconils est celebrata'. Aldus verklaart Blanc. (Lex.~). -- Pritz.~ u.~ Jess.~ hebben den naam `Alchemistenkraut' "=" ndl.~ Alchemistenkruid._ Het Zuid-europeesch Paardsijzer^(1)^. _Met deze Vlinderbloemige wilde men Kwik in Zilver veranderen. Zij bezat de kracht om aan de Alchimisten den gewenschten Steen der Wijzen te doen bekomen, en zij verhoopten daarmee wondere dingen op het Kwikzilver uit te werken. (Dod.~, 872). En Matthiolus (Comm.~ 520) schrijft dat de Alchimisten `la hautlouent comme propre pour faire de l'argent'._ De Wolfsmelk^(2)^. _Insgelijks een zilvermakende Plant, omdat zij wit melksap inhoudt (Signa- tuurleer). Met dit sap wilden de Alchimisten hunnnen Mercurius stremmen. (Kircher, II, 250)._ De Martagonslelie^(3)^. _Zij heeft een gelen onderaardschen Bol en, naar de Signatuurleer, kon zij onedele Metalen in edel Goud vervormen. Dat volksgeloof is ook de oorzaak van de hgd.~ namen `Goldwurz, Goldapfel' "=" Goudwortel, Goudappel. (Shns, 65; Kircher, II, 249)._ Kircherus (II, 250) spreekt nog van het goudmakend sap van `Perse-kruid', `Padde-kruid'. `Slange-kruid ' en `Wilge- bladen'. _Het `Perse-Kruid' Is het Penikkruid^_(4)_^ en Killaan heeft insgelijks dezen naam (naar lat.~ Persicaria "=" Plant met Bladeren van Perzikboom). Ik weet niet wat Kircherus door `Padde-Kruid' wil aanwijzen. Is het het gemeen Paddegras^_(5)_^? Of de rechtstandige Andoorn^_(6)_^, die in 't fr.~ soms `Crapaudine' wordt genoemd? `Slange-kruid' is de Drakenwortel^_(7)_^, in onze moerassen groeiende. De Wilgebladeren^_(8)_^ zijn iedereen bekend._ | | ^(1)^ Hippocrepis unisiliquosa L. | | | ^(2)^ Euphorbia-soorten. | | | ^(3)^ Lilium martagon L. | | | ^(4)^ Polygonum persicaria L. | | | ^(5)^ Juncus bufonius L. | | | ^(6)^ Stachys recta L. | | | ^(7)^ Calla palustris L. | | | ^(8)^ Salix-soorten. | In een goudmakend mengsel komt fijngestooten Eikeschors^(1)^ en Rozewater^(2)^. _Neem een gewijden nieuwen aarden pot: doe er in een half pond koper met een halve pint sterkwater en laat het een half uur zieden; doe er daarna drie oncen kopergroen bij en laat alles een uur koken; daama twee oncen en half arsenik en laat het ook een uur zieden; doe er drie oncen fijngestooten Eikeschors in en laat het een half uur koken; vervolgens een potje Rozewater en laat het twaalf minuten zieden; eindelijk drie oncen schouwroet en laat alles koken tot alles goed is. Om te weten of het mengsel goed is, steek er eenen nagel in: indien het mengsel er aan hangt, neem het van het vuur en 't zal u een pond en half fijn Goud geven; hangt het niet aan den nagel, zoo is het niet voldoende gekookt. (Legran: Sci.~ et M.~, 46-7: hij noemt die tinktuur `Composition de mort ou Pierre philosophale')._ De Goudzoekers vereenzelvigen den Steen der Wijzen of hunne `Stof' waarmede zij edele Metalen maken met eenen alle- gorischen Boom die zeven Takken heeft. _Zie hierover Kircher, II, 250._ Eene Sleeswijksche Sage spreekt van twee ander `Steenen' -- die wijsheid en verstand den bezitter schonken, -- en onder een kwijnenden Populier^(3)^ verborgen lagen. _Een Populier staat in den hof van den Koning. Hij wil niet groeien. Dat bedroeft den Koning. Een zijner dienaars zegt: `Koning, ik zal den Populier genezen, indien gij mij alles wilt geven, wat ik onder den Boom zal vinden'. Toegestaan! De dienaar rukt den Boom uit: tusschen de Wortelen liggen twee groote Edelsteenen en een gouden Boek; hij neemt Steenen en Boek en zet den Populier op zijn oude plaats terug; de Boom begint te groeien dat het een lust is. De dienaar steekt de Steenen in zijnen zak, en nu is hij wijzer en ver- standiger dan alle mensch op aarde, en hij kan het geheime schrift in het Boek lezen. Hij geneest de blinde dochter van den Koning met de Populierbladeren, trouwt er mee en wordt ten slotte koning van het land. (Perger, 318; naar Mllenhof: Sagen aus Schlesw.~-Holst.~, 1854, 427)._ Hier nog een woord over het Grieksch Kruid Chrysopolis. _Als men de Bladeren van dat onbekend Wonderkruid met louter Goud aanraakte, vervormden zij zich in gouden Bladeren. (Gub.~, I, 215). Zie over deze Chrysopolis: H.~ Stephanus, Thesaurus Graecae Linguae (1865, vol.~ 8)._ | | ^(1)^ Quercus robur L. | | | ^(2)^ Aqua rosarum (vooral van Rosa centifolla L.~) | | | ^(3)^ Populus-soort. | e. *Planten die openen.* Men zou ze Sesamplanten kunnen noemen. Zij zijn talrijk en staan natuurlijk in verband met de andere rubrieken, omdat zij vaak den weg naar Schatten en Rijkdommen aantoonen. De eigenlijke Sesamplant^(1)^ moet hier eerst vermeld worden. _Deze kruidachtige, olie-inhoudende Bignoniacee, uit Oost-Indi, opent deu- ren, spelonken, bergflanken, (This.~, 196). -- In het Sesamzaadje, dat niet grooter dan een Vlaszaadje is, schuilen, door Toovermacht, wonderlijke werelden en al de geheimen der Hekserij. (Gub.~, II, 247). -- In een der vertellingen van Duizend- en-en-Nacht, ontsluiten zich, voor Ali-Baba. alle deuren door de Tooverformuul: `Sesam, ga open!' Zoo opent de held de spelonk der roovers, waar hij schatten vindt en bemeestert._ Doch in de Middeleeuwen was de merkwaardigste dezer openende Planten de Springwortel. _Ndl.~ Springwortel en Springkruid: -- hgd.~ `Springwurzel'; -- eng.~ `Blastingroot' of `Spring-wort'. -- In Grooten Herbarius: Sprengwortele: Kil.~: Sprinckwortel, Sprinck-kruyd, Sprinck-koren (Koren "=" Korrels, zaden); Dod.~: Spring-cruydt, Springh-wortel. -- Pritz.~ und Jess.~ hebben nog: `Springkraut', `Springkrner' en `Springsamen'. -- Al deze namen vinden hunnen oorsprong hierin: `dat de saden / die in drijvoudige huyskens wassen / door de hitte der Sonnen / als sij rijp zijn / uytspringhen'. (Dod.~, 610, b). Welke Plant is de Springwortel uit de Plantlore? Velen spreken er in 't algemeen over zonder een bepaalden Wortel te bedoelen. Meestallen identificeeren hem met een Wolfsmelksoort, de Kruisbladige Wolfsmelk^_(2)_^, die men niet zelden in of naast tuinen aantrelt. -- Zoo ook Dodoens, die nochtans ook het Kruidje-roer-mij-niet^_(3)_^ Spring-cruydt heet (de Zaden springen uit de rijpe Vruchten naar alle zijden uit). -- Sommigen (Shns. b.v.~, 1O5) denken aan den Salomonszegel^_(4)_^, dien Salomon gebruikte om de rotsen te doen springen. A.~ de Gubematis. (M.~ Zool, I,280) die, systematisch, in alle volksgeloof een natuurmythe meent te ontdekken, zegt dat dit openend Kruid `peut tre la lune elle-mme qui ouvre les cavernes de la nuit, ou la foudre qui ouvre les cavernes du nuage'. Plinius (XXV, 5) spreekt reeds over zulk kruid: `Demokritus heeft het gezegd en Theopbrastus geloofde er aan, dat er een Kruid is, dat, als het door | | ^(1)^ Sesamum orientale L. | | | ^(2)^ Euphorbia lathyris L. | | | ^(3)^ Impatiens noli-tangere L. | | | ^(4)^ Polygonatum multiflorum L. | eenen Vogel bij eenen Boom werd gebracht, door bloote aanraking de wigge, welke de herders er in sloegen, uittrekt'. Die Vogel zou de Specht zijn. De Vader der Dietsche dichters, Jacob van Maerlant (Nat.~, Bl.~ I, blz.~ 282), rijmt over de Specht of Picus: `In holen boemen maect hi sijn nest, Daer broet hi sijn jonghen best. Slouge ooc iemen ijser of hout In die gate met ghewout (geweld), Ende picus niet in ne mochte, Hi vloghe hein ende sochte Een cruut daer mede utvloghe dat, So hoe vaste et stac int gat. Oude boeke segghen dat Van desen crude tere stat Datmer mede mach ontsluten Alrehande slote van buten, Die de wort daer toe can segghen, Diere mede an legghen; Negeen mensche kennet echt Sonder bi naturen die Specht'. Knrad van Megenberg (Puch der Natur, Augsburg, 1475) schrijft (ik vertaal in ndl.~): `Een vogel heet in 't Latijn Merops^_(1)_^ en in 't Duitsch `Baum- hckel' (Specht) en nestelt in de holle Boomen, en als zijne kinderen opgesloten zijn door middel van eene wigge, zoo brengt hij een Kruid en houdt het vor de wigge en dan komt de wigge uit den Boom. Dat Kruid heet Herba meropis, d.i.~ `Baumhckelkraut' ("="Spechtkruid), en het heet in het Tooverboek: Chora, en 't zou niet goed zijn dat alleman het kende, want daarmede gaan alle sloten open'. Doch niet alle schrijvers denken dat de vogel die den Springwortel weet te vinden en te gebruiken, de Specht is. Men noemt ook de Ekster_(2)_ (aldus in Zweden), -- de Hop (in Zweden en Zwaben en Zwitserland; -- de Raaf (aldus Plinius: naar This.~, 197 in Zweden); -- de Zwaluw (in Zweden, Zwit- serland en Normandi). Men zie hierover: Perger, 10: This.~, 57, 197; Schindler. 187). -- In Oost-Indi kent men ook zulk Kruid en de Vogel is er de Valk (Gub.~, I, 260); naar een Rabbijnsche Sage is het de Auwerhaan. (Tetrao Urogallus L.~; Perger, 9). Hoe kwam de mensch in het bezit van dezen Tooverwortel? Als de Specht met het Kruid weder tot zijn nest keert om er de wigge te doen uitspringen, maakt men groot gedruisch en getier: en de Vogel laat den Springworte1 vallen (Perger. 9); -- ofwel men houdt gereed eene pan vol water of vuur (This.~, 51); -- ofwel men spreidt onder den Boom een witten | | ^(1)^ Een der oude Spechtnamen, die Linneus gebruikt om Merops apiaster L.~, | een anderen vogel aan te duiden. | of rooden doek: de Vogel laat er op den Wortel vallen, als hij de wigge uit het gat heeft doen springen (Perger, l.~ c.~; This.~, 197); ook aldus in Friesland, Dijkstra, II. 181); -- ofwel men vertoont zich plotseling, nadat de Vogel zijn nest heeft bevrijd: de verschrikte Specht laat het Kruid vallen. (Shns, 105; Grimm, D.~ M.~, c.~ XXXII; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 87; This.~, 51). Alb.~ Magnus (Boeck d.~ Secreten) zegt: `Wildy sloten ende banden open doen / gaet int bosch ende siet waer dye Aecxter met haer Jonghen haren nest heeft / ende wanneer ghy daer zijt / so climt op den boom / ende die Aecxter sal van haren nest vlieghen / ende bindt dan tgat vanden neste toe waer mede dat ghy wilt ende als si dat siet / so vliecht si om sommige cruyt twelck si opt dinck (leght) daer tgat vanden neste mede ghebonden is / ende terstont soo breket / ende dat cruyt sal vallen op dye aerde opt laken dat ghi onder den boom moet spreyden'. (E Vj, recto, uitg.~ van Leiden). Eene Rabbijnsche Sage vertelt: Salomo moest den Schamir hebben, om de rotsen die hij tot het opbouwen van zijnen Tempel noodig had, te doen springen. Hij liet dus het nest van eenen Auwerhaan opzoeken en met kristal bedekken. Daar de Auwerhaan nu niet meer bij zijne jongen kon geraken, vloog hij heen en haalde den Schamir en wou hem op 't kristal leggen. Doch nu begonnen Salomo's knechten zoo luid te schreeuwen, dat de Vogel verschrikte en den Schamir liet vallen (Perger, 9; naar: Altdeutsche Wlder, 98). Deze rotsopenen- de Schamir zal wel paralleel zijn met onzen Springwortel. In Tirol omwindt men een Zwaluwnest met eenen sterken draad en sluit het alzoo. De Zwaluw haalt den Springwortel om den draad te doen openspringen. En daarna kan men zich van het Wonderkruid meester maken. (Wuttke, n"r" 139; naar Zingerle). In Zwaben neemt men een of meer eieren uit een Ravennest, kookt ze hard en legt ze daarna terug in 't nest. Om ze weer frisch en broeibaar te maken, haalt de oude Raaf den Springwortel en legt hem in zijn nest. Nu heeft men enkel den Wortel te nemen. (Wuttke, n"r" 139; Meier: Schw.~ S.~ 220). -- In Zweden vertelt men hetzelfde van de Raaf, en ook van de Ekster, de Hop en de Zwaluw. (Perger, 10; naar Schindler, 187). In den Kerstnacht kan men zonder behulp van den Vogel den Springwortel vinden en uitgraven. (Wuttke, n"r" 139; naar Zingerle). Wie zulken Tooverwortel bezit, kan het volgende uitvoeren: 1"o" Alle slot of deur openen. In Friesland beweren sommigen dat de dieven wel eens zuik Springworteltje in hun bezit hebben: daarmee komen zij in alle huizen en vluchten uit alle gevangenissen. (Dijkstra, II, 181). 2"o" IJzer en steen doen springen (z.~ boven de Schamirsage; Shns. 105). 3"o" Bergen openen. In een gedicht van Meester Altschwert (ed.~ Holland, 70) vindt de dichter aldus den toegang tot den Venusberg: nauw heeft hij het Kruid gebroken, of een Martinsvogeltje komt bijgevlogen; hij volgt het en ontmoet eenen dwerg die hem in den Venusberg brengt. (Gub.~, M.~ Zool.~, II, 281; Simrock, 415). 4"o" Verborgen onderaardsche Schatten vinden en meester worden. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 87; This.~, 270; Shns, 105). 5"o" Tanden uittrekken. Neem Tarwemeel^_(1)_^ en Rogge^_(2)_^, vermeng ze met Springwortel, maak er een deegje van en steek het in den hollen tand; na korten tijd valt hij vanzelf uit. (Perger, 10: naar Helwig: Zauberartzt, 81). 6"o" Wiggen uittrekken (zie boven). 7"o" Gezoden eieren weer frisch maken (z.~ boven). 8"o" Banden en boeien breken (z.~ boven). 9"o" Meisjesharten openen en zien wie er bemind wordt. (Shns, 105). 10"o" Het Geluk dwingen. (Wuttke, n"r" 149). 11 "o" Het onweer scheiden en verdrijven. Bij Owen in Zwaben, op den Beurerberg, groeit zulke donderwerende Springwortel. (Perger, 10). Om der wille van haren hemelschen oorsprong zegt men, dat zulke begeerde Plant, op den top van eenen berg ligt begraven, den bliksem tot zich trekt en het onweer scheidt. (This.~, 51). Een speciaal verhandeling over den Springwortel: R.~ Lentitius, De Radice effractoria vel apertoria, vulgo Sprengwurzel (in: Misc.~ eur.~ nat.~ Dec.~ 8, jaar VII en VIII, 1699 en 1700, p.~ 144)._ Nagenoeg hetzelfde wordt verhaald van het Laurierblad^(3)^, indien het aan eenen ring met een Wondersteen gehecht is. _Deze Steen kan alleen door een Raaf worden ontdekt en wel op de wijze reeds bij den Springwortel aangegeven: men rooft des Vogels eieren en laat ze koken, daarna legt men ze weer in 't Ravennest, de Raaf vliegt heen naar een eiland waar Alodricus begraven ligt en brengt van daar den gezochten Wonder- steen, waarmede hij de gekookte eieren aanraakt, die in vorigen verschen staat terugkeeren. Neemt men nu dezen Steen en vat men hem in eenen ring, waaraan men een Laurierblad hecht, dan zullen de boeien, waarmede iemand geketend is, losspringen, indien men ze met ring en blad aanraakt, en een daarmede aange- raakte deur zal opengaan. (Mag.~ nat.~, 106)._ De magische Hazelroede^(4)^ opende insgelijks door aanraking sloten en deuren. _Gub.~, I, 259. Vgl.~ boven Tooverroede._ De Marentak^(5)^ bezat dezelfde kracht. | | ^(1)^ Triticum vulgare L. | | | ^(2)^ Secale cereale L. | | | ^(3)^ Laurus nobilis L. | | | ^(4)^ Corylus avellana L. | | | ^(5)^ Viscum album L. | _Virgilius (Aeneis, VI) vertelt in prachtige verzen hoe Aeneas met den goudgroenen Marentak de deur van de Hel (Tartarus) opent. Geen levend mensch kan in de Onderwereld zonder dezen magischen Twijg van Proserpina. (Teirl.~ PK.~, 64-5). Vanhier het nog bestaande Volksgeloof dat deze Boomplant alle sloten kan opendoen. (Perger, 229). Albertus Magnus (Mag.~ nat.~ 75) zegt dat men er het Kruid Sylphium moet bijdoen: `Elle croit dans les Arbres qui sont percez, et etant jointe avec une autre que l'on nomme Sylphium, ouvre toute sorte de serrure'. Dit Sylphium (of beter Silphium, gr.~ Silphion), eene wonderbare Heilplant, die ook de ver- maarde Cyrenasche Laser (zooveel waard als Goud) schonk, is, naar velen een Noordafrikaansche Schermbloemige^_(1)_^ (Leunis, 265: Mrat et De Lens: Dict.~ i.v.~ Laser, Pickering, 226)._ En de reeds meermaals vermelde Maanvaren^(2)^. _Die meening was in Engeland verspreid. (This.~, 64, 196, Culpepper: British Herbal). Vgl.~ boven, en Roll.~ XI, 87 (in Romaansch Zwitserland en in Provence). Geen Ijzerwerk noch slot kon aan de macht van het Maankruid weerstaan. Du Bartas (Divine Weekes, geciteerd bij This.~, 196) zegt (Ik vertaal uit het Eng.~): `Paarden die, grazende op de grassige heuvels, Treden op Maanvaren met hun holige hoeven, Ofschoon pas beslagen, des Dachts, gaan barvoets huiswaarts, En hun meester peinst waar hun ijzers bleven. 0 Maankruid! zeg mij, waar gij bergt den smid, Den hamer en de nijptang, waarmee gij ze ontnageld hebt. Helaas: welk slot of ijzeren tuig is er Dat kan aan uw subtiele geheime kracht weerstaan? En de beste hoefsmid kan geen ijzer zetten Zoo sterk, of gij, snel, kunt het ontdoen'._ Deze hoefijzer-ontnagelende kracht werd echter door ander Kruidliefhebbers toegekend aan de Hoefijzerklaver of Paardsijzer. _Deze Vlinderbloemige heeft Peulen, die den vorm van een hoefijzer hebben en dus, naar de Signatuurleer, met dit voorwerp werden in verband gebracht. Van Ravelingen (Dod.~, 872) kent zulke kracht toe aan dit `Peerdta- ijser'^_(3)_^: `De hauwe van dit ghewas heeft doen verwonderen de gevers van naemen / (seydt Lobel) die dat ghehuten hebben Sferro cavallo (oft beter Sferra cavallo) dat is te segghen Wederuyttreckende een Hoefijzer / oft liever | | ^(1)^ Thapsia silphium Viv. | | | ^(2)^ Botrychis lunaria L. | | | ^(3)^ Hippocrepis unisiliquosa L. | / Cruydt dat de Peerden vernagelt / oft Vernaghel-cruydt, oft oock Ontnaghel- cruydt. Want men seydt dat de Peerden / die daer op treden / hun hoefijzers laten vallen'. Doch Lobelius (II, 95) voegt er skeptisch bij: `want wij die greetich zijn gheweest om te versoecken / so wy groote menichte van dien ontrent Marseille ghevonden hadden / hebben dickwils te vergheeefs tselve versocht'. Vgl.~ nog Matthiolus, 521. Pickering, 850, This.~, 208 en Mrat et De Lens (Dict.~ i.v.~ Sferro cavallo) brengen de Plant tot de in Midden-Europa welbekende Hippocrepis comosa L.~: `called in Britain Horseshoe Vetch' (ndl.~ Hoefijzer-vitse) `of Unshoe-the- Horse' ("=" ndl.~ Ontschoent-het-Paard). Rolland (IV, 248) wijst enkel op het geslacht Hippocrepis en niet op een bepaalde soort en zegt (naar A.~ Chabert) dat de Plant de eigenschap bezit muilezels te ontnagelen, waarschijnlijk omdat de Peul gebogen is als een hoefijzer en zij groeit op steenachtige en bergachtige plaatsen, waar de muilezel kans heeft zijn hoefijzers te verliezen. Op blz.~ 1489 (Dod.~) wijst Van Ravelingen, ter plaatse waar hij spreekt van dat `Vernaghel-Cruydt, in 't Latijn Ferrum equinum', op een ander, niet duidelijk aangeduide Plant: `in Italien toonen sommighe een cruydt daer voor; op wiens bladeren een plack staet als een hoefijser / anders als Netel-cruydt'. De oorzaak van den naam is dus hier te zoeken in den vorm, niet van de peulvrucht, wel van eene bladvlek._ Alle Varen -- vooral Mannetjes-^(1)^ en Wijfjes-Varen^(2)^ -- brak sloten en boeien. _Dod.~ 759 b; Gub.~, 259._ Al wie wilde Suikerei^(3)^ over zich draagt, is vrij van alle banden. _Indien men iemand, buiten zijn weten en bedurende zijnen slaap met boeien bindt, zoo vallen deze van zelf los, indien de slapende Suikerei over zich draagt. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 171; Perger, 126)._ De dieven gebruikten Savie^(4)^ om wat gesloten is, te openen. _Perger, l44; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 384. Doch dat is Plinius nagezegd: deze beweert dat het Kruid Aethiopis^_(5)_^ alles wat gesloten is, door simpele aanraking, opent. (Plin.~, XXIV, 102, en XXVI, 9). Vgl.~ Kircher, O.W.~, waar verkeerd Aethiolis staat. -- De Aethiopis (een Aethiopisch Geneeskruid) van Dioscorides, is, volgens Linnaeus, eene Savie; volgens anderen zou het de wolbladige Toorts^_(6)_^ zijn._ | | ^(1)^ Polystichum filix-mas L. | | | ^(2)^ Aspidium filix-femina L. | | | ^(3)^ Cichorium intybus L. | | | ^(4)^ Salvia officinalis L. | | | ^(5)^ Een Zuid-Europeesche Saviesoort. Salvia aethiopis L. | | | ^(6)^ Verbascum thapsus L. | Zulke openende eigenschap kende men insgelijks toe aan de gele Sleutelbloem^(1)^ en aan het blauwe Vergeet-mij-niet^(2)^. _Zie boven. Naam en vorm der Sleutelbloem gaven waarschijnlijk hiertoe aanleiding. Het Vergeet-mij-niet was een Geluksbloem. Zie boven a en b._ Ik noem hier nog volgende welbekende Planten: De Bijvoet^(3)^ (Gub.~, I, 259); -- de Salomonszegel^(4)^ (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 87); -- de Mandragora^(5)^ (Gub.~, I, 259); -- het IJzerkruid^(6)^ (idem); -- de Ruit^(7)^ (Perger, 204); -- het Paris- kruid^(8)^ (aldus in IJsland, naar This.~, 197, doch aan het voorko- men dezer Plant op dit eiland mag getwijfeld worden). En onder de uitheemsche openende Planten mag men aan- halen: _De Russische Rasriv-trava. Het zeldiaam Kruid groeit in vochtige beemden. Het is zeer buigzaam, doch hedt geen speciale onderscheidende kenteekenen. Hoe bekomt men het? Daar waar men onderstelt dat Rasriv-trava groeit, snijdt men het Gras; en men werpt den afgesneden hoop in een rivier of beek; indien ook Rasriv-trava is afgesneden, zoo vlot het boven en, wat wonder is, zwemt tegen den stroom op. -- Doch enkel de drager van het Kruid Plakun (een Salicaria-soort, beweert Gubematis) en van Paporotnik (alle Varen) kan ze vinden. -- De dieven gebruiken de Plant: zij raken er mee de sloten aan en deze gaan onmiddellijk open. -- De Rasriv-trava heeft nog de kracht alle metaal in kleine stukjes te breken; en de sloten van de poorten der Hel kunnen enkel door zulke Plant worden geopend. -- Z.~ Gub.~ I, 258 en vvgg.~; This.~, 197. In Indoestan, naar een gissing van Gub.~ (l.~ c.~), bezit de Avattha of heilige Vijgeboom^_(9)_^ zulk openende kracht. De Veds vermelden een Kruid Pata (d.~ i.~ die opent, die breekt): de Valk vindt het, de Ever ontwortelt het en het beschermt de etenskast tegen roovende Dieren. (Gub.~, I, 259). De reiziger Vincenzo Maria de Santa Catarina spreekt van een Indischen Wonderwortel, dien hij Nervilliri heet en waarmede de vogel Paperone (soort van groote Gans) de tralin van de Kooi breekt, waarin zijne jongen gevangen zitten. (Idem). | | ^(1)^ Primula elatior L.~ of P.~ officinalis L. | | | ^(2)^ Myosotis palustris L.~, of een andere soort van dit geslacht. | | | ^(3)^ Artemisia vulgaris L. | | | ^(4)^ Polygonatum multiflorum L. | | | ^(5)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(6)^ Verbena officinalis L. | | | ^(7)^ Ruta graveolens L. | | | ^(8)^ Paris quadrifolia L. | | | ^(9)^ Ficus religiosa L. | En naar een Grieksche Sage vindt en opent Herakies de spelonk van den roover Kakus door middel van een Kruid, het Herakleion (Herakleon, Heraklion). lat.~ Heraclea of Heracleum, Herba heraclea. -- Verschillende Kruiden werden met Herakleion vereenzelvigd: 1"o" Onze inlandsche Berenklauw^_(1)_^; -- 2"o" Herac- leum panaces L.~, Oosteuropeesche Berenklauw (naar Dodoens; Panaces Heraclium van Dioskorides; ook Dierbach, Fl.~ m.~, 173); -- 3"o" Sideritis syriaca L.~ of wollige Sideritis, uit Griekenland (Pickering); -- 4"o" Het gemeene Robrechts- kruid^_(2)_^ (Dod.~; Pickering, `Heracleon Sidereon'; -- 5"o" Het glanzend Helm- kruid^_(3)_^: -- 6"o" De Europeesche Sanikel^_(4)_^, een Schermbloemige uit Zuid- europa en het Oosten, die een gomachtig Hars oplevert (naar Pickering, 158, "=" `Panakes Erakleion'); -- 8"o" De Hazenkummel^_(5)_^ uit Griekenland (Pickering, l.~ c.~); -- 9"o" De Kretische Origan^_(6)_^, uit Zuid-Europa en zeer gemeen op Kreta (Pickering: "=" `Erakleion' en ook `Panaces Heracleon' van Plinius; vgl.~ Dod.~, 458); -- 10"o" Het overal verspreide Varkensgras^_(7)_^ (bij Apulleius Heraclea geheeten: Dod.~, 156); -- 11"o" De rechtstandige Andoorn^_(8)_^; en, naar Tragus, is Heraclea de stinkende Bosch-Andoorn^_(9)_^ (Dod.~, 225); -- 12"o" Het Glas- kruid^_(1O)_^, ook inlandsch (Dierb.~, 174); -- 13"o" Het wit Bilzenkruid^_(11)_^ (Dod.~, 738; daarom wordt Herakles met een kroon van deze Plant verbeeld (Gub.~ II, 177). Zie over Herkulesplanten Teirl.~ PK.~, 85-87. Sommige der hierboven ge- noemde Kruiden werden met Herakles in verband gebracht, omdat hij hunne heilkrachten heeft ontdekt. In de Roos van Bakavala vindt de jonge held een ongenoemden Boom die de sterkste sloten opent en de hardste voorwerpen breekt. (Gub.~, I, 247). Over openende Wonder- en Geluksbloemen, z.~ boven a, 2._ f. *Planten die onzichtbaar maken.* Toovenaars en Heksen trachten zich onzichtbaar te maken; en de gewone mensch wilde het hun nadoen. In de Planten kent men menig vlijtig gezocht en vurig gewenscht Gewas dat onzicht, baar maakt. | | ^(1)^ Heracleum sphondylium L. | | | ^(2)^ Geranium Robertianum L. | | | ^(3)^ Scrophularia lucida L. | | | ^(4)^ Sanicula europaea L. | | | ^(5)^ Lagaecia cuminodes L. | | | ^(6)^ Origanum creticum Hayne; naar Linn.~ O.~ heracleoticum L.~ (Mrat). | | | ^(7)^ Polygonum aviculare L. | | | ^(8)^ Stachys recta L. | | | ^(9)^ Stachys silvatica L. | | | ^(10)^ Parietaria officinalis L. | | | ^(11)^ Hyoscyamus albus L. | Hazelnoten^(1)^ maakten den drager onzichtbaar. _Aldus in Zweden. (This.~, 61 en 207)._ Wie een kruis van Vogelkerseboom^(2)^ bezit, is onzichtbaar. _Perger, 254; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 230._ Wie reeds de kunst verstaat om zich onzichtbaar te maken, verandert zich soms in eenen Jeneverboom^(3)^. _Niemand mag of kan alsdan dien Boom aanraken. De honden alleen zijn door die metamorphose niet verschalkt: zij kunnen echter in den Struik niet bijten, maar door hun reuk geleid omsnuffelen zij al grollende den onzichtbaar geworden. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 66). -- Dit volksgeloof vindt wellicht zijn oorsprong in een bekende Mariasage: Maria vluchtte met het Kindeke Jezus en Jozef naar Egypte. Herodes'~ soldaten volgden hen op de hielen. Genst^_(4)_^ en Cicer^_(5)_^ kraakten als ze voorbijgingen; het Vlas^_(6)_^ bleef rechtop staan; maar de mede- lijdende Jeneverboom opende zijne Twijgen en maakte aldus de vluchtelingen onzichtbaar. Daarom blijven Genst en Cicer kraken; het Vlas, om zijn tengerheid, kreeg vergiffenis; doch de Jeneverboom werd gezegend. (Gub.~, II, 153)._ Ook de mythische Marentak^(7)^ maakt onzichtbaar. _Aldus in Tirol. (This.~, 62)._ En van den Laurier^(8)^ vertelt men: _Doe in een Laurierblad den steen Obtalmus; wie dit over zich draagt, wordt `onsienlijck'. Daarom wordt deze steen geheeten `een bereydinghe der moor- denaren'. (Alb.~ Magnus, B ij). Mag.~ nat.~, 84, heeft den naam Ophtalme. Z.~ Ophtalmius bij Larousse, Dict._ In de Roos van Bakavala maakt een `ongenoemde' Boom den held onzichtbaar. _Het is voldoende dat deze eenen hoed draagt, die uit de Schors van den Boom gemaakt is. (Gub.~, I, 247)._ Het getal Kruiden, die onzichtbaar maken, is grooter dan het getal Boomen. | | ^(1)^ Corylus avellana L. | | | ^(2)^ Prunus padus L. | | | ^(3)^ Juniperus communis L. | | | ^(4)^ Sarothamnus scoparius L. | | | ^(5)^ Cicer arietinum L. | | | ^(6)^ Linum usitatissimum L. | | | ^(7)^ Viscum album L. | | | ^(8)^ Laurus nobilis L. | Vooreerst dient genoemd het wonderbare Varenzaad^(1)^. _Varen behoort tot de Signatuurflora: haar zoogenoemde Zaad (eig.~ de Sporen) is een bijna onzichtbaar poeier en daarom kan het hare onzichtbaarheid den drager overmaken. Vgl.~ de min aannemelijke verklaring van Kelly (Indo- european Tradition and Folk-lore, p.~ 197): Varen ontstond door den bliksem, het hemelsche licht dat uit de wolk komt, en hare onzichtbaar-makende kracht komt van die onzichtbaar-makende wolk! -- Shakespeare, een folklorist -- wat was die geniale man niet? -- wist het reeds: Gadshill (in: Henry IV, II, 1) zegt: `Wij hebben het recept Varenzaad, wij wandelen onzichtbaar'. -- En Ben Jonson (New Inn, I, 1) laat iemand zeggen: `Ik heb geen medicijn hier dat onzichtbaar maakt, noch Varenzaad in mijn tesch'. In Steiermark beweert men dat zulk onzichtbaar Varenzaad, op Kerstnacht, door den Duivel zelf wordt gegeven: het is noodig dat men in eenen Toover- kring staat en het gewenschte Zaad in negen kelkdoeken ontvangt. (Wuttke, n"r" 331, naar: Zeitschr.~ f.~ D.~ M.~, 2, 30). Varenzaad, dat in de schoenen valt, maakt den wandelaar onzichtbaar: Een Westfaalsche boer zocht, op Midzomerdag, naar een veulen dat verdwaald was; hij ging door eene weide, juist als het Varenzaad rijpte, en dat viel in zijne schoenen. Enkel des morgens kwam hij thuis, ging in de familiezaal nederzitten; doch 't scheen hem wonder dat noch zijn wijf noch iemand van de huisgenooten op hem acht sloeg. Hij Zei: `Ik heb het veulen niet gevonden'. Daarop sprong iedereen in de zaal recht en keek verschrikt rond; want zij hoorden de stem van den boer, doch zagen hem niet. Zijne vrouw riep hem toe, denkende dat hij zich verborgen had; maar hij antwoordde: `Waarom roept gij mij? Ik sta hier juist voor u!' Op 't laatste werd hij gewaar dat hij onzicht- baar was, en 't viel hem in dat hij, den vorigen dag, over de weide was gestapt en dat hij wellicht Varenzaad in zijne schoenen droeg. Hij deed ze uit, het Varenzaad viel op den vloer, en hij bleef niet langer onzichtbaar. (Grimm, D.~ M.~, 1160; Perger, 212). Zeer gelijkend is een Saksische Sage; doch er wordt melding gemaakt van een bijzondere Varensoort, dat, in tegenstelling met de andere, zichtbaar bloeit en in en en denz;elfden nacht, nl.~ op St.~ Jansnacht, uit den grond spruit, Bloemen en Vruchten en Zaad draagt: 't is dus een wonderbare Varen. Zij groeit op den Valtenberg. Eens ging een Inwoner van Neukirch over den Valten- berg, binst den St.~ Jansnacht, en beroerde de Plant, wier Zaad in zijne schoenen viel. Hij kwam eenen vriend tegen en zei goeden-avond; de vriend, die hem niet zag, maar wel hoorde, vlood verschrikt weg; nader bij het dorp ontmoet hij een zijner nichten en vraagt of zij nog niet slapen is; de nicht ook vlucht heen. Thuis hetzelfde: vrouw en dochter, die nog op waren, hooren hem en zien hem niet, en zij denken dat hij een Geest is. Hij trekt zijne schoenen uit en eerst alsdan herkennen zij den vader. (Meiche, n"r" 815). | | ^(1)^ Al de soorten van Landvarens (vooral de ondergroep Filicales). | Vgl.~ nog Rel.~ u.~ Bohnh.~, 113; Kelly: Indo-Eur.~ Trad.~ and Folkl.~, 1863, blz.~ 193-198; This.~, 205-6; Ralston: Russian Folk-Songs, 1872, blz.~ 98; Heimans en Thijsse: Door het Rietland, 226; Marzell, Uns.~ Heilpfl.~, 9-11._ Ook de Maanvaren^(1)^ werd gebruikt om zich onzichtbaar te maken. _Uit dit lunarisch Kruid bereidden de Alchimisten eenen onzichtbaar ma- kenden Steen. (Perger, 215; naar Wier: Praest.~ daem.~, I, c.~, 18). Vgl.~ Roll.~, XI, 87: Maanvaren moet geplukt worden op St.~ Jansavond als de nacht valt en ruggelings gaande naar de plaats waar zij groeit; men herkent de Tooverplant door den phosphoorglans dien zij van zich straalt._ Evenals de Mandragora^(2)^. _Aldus Leunis (Syn.~ 587)._ Eenige Vlinderbloemigen bezaten zulke mysterieuze kracht. _De Vierklaver^_(3)_^. Indien een wandelaar, vermoeid, zich bij zekere bronnen tot slapen nederlegt, zoo gebeurt het wel eens dat witte duiven bijgevlogen komen met Vierklaver in hunnen bek en deze op het hart van den slaper laten nedervallen. Ontwaakt deze voor de Vierklaver verslenst is, zoo kan hij, indien hij ze in den mond neemt, zich onzichtbaar maken en de geheimzinnige grotten der zoogenaamde Zalige Jonkvrouwen, aan wie deze duiven toebehooren, met zekerheid vinden. Aldus in 't Passeierdal, Voorarlberg. (Perger, 196; naar Beda Weber: Passeier, I, 235). Ook in de Vogezen beweert men dat de drager van eene Vierklaver niet kan gezien worden. (Roll.~, IV, 146; naar Montmont: Voyage dans les Vosges). De Erwt^_(4)_^. Het waren Erwten die op Goeden-Vrijdag geplant waren: men moest hiertoe echter een doodskop vinden, die met aarde was gevuld en hierin de Erwten steken, daarna den doodskop onder den oziedrop der kerk vergraven. Wie in den mond eene uit den schedel gegroeide Erwt nam, kon door niemand gezien worden. (Perger, 27-28; vgl.~ Meier: Schwab.~ n"r" 269). De Boon^_(5)_^. Het is een akelig iets: De bewoners van de Moezelstreek namen de nog niet verrotte tong uit eenen menschenschedel, kookten ze en legden ze daarna weder in den schedel. In de lente begroeven zij kop en tong, planten er boven drie Boonen en gaven aan elke Boon een der namen van de Drievuidig- heidspersonen. Zij plukten dan de rijpe en dorre Peulen en bewaarden de Boonen. Hij die zulke Boon op zijn tong lei, was onzichtbaar. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 327; Perger, 207; naar Wolf, in: Zschr.~ f.~ D.~ M.~, I, 241)._ | | ^(1)^ Botrychium lunaria L. | | | ^(2)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(3)^ Trifolium pratense L.~ met 4 Blaadjes. | | | ^(4)^ Pisum sativum L. | | | ^(5)^ Vicia faba L. (Faba vulgaris Mnch). | Onzichtbaar-makende Samengesteldbloemigen zijn: _De Reinvaan^_(1)_^. Oeze Ruikplant bloeit enkel in St.~ Jansnacht tusschen elf en twaalf uur. Een boer uit de streek van Brodewin (Mark, Duitschl.~) rijdt, met zijne vrouw 's nachts naar de stad om bier te halen. De paarden kunnen met moeite voort, want er is veel zand op den weg. De boer stapt af en gaat nevens den wagen. In eens bemerkt de vrouw dat haar man verdwenen is; zij ziet toch dat de teugel evenals vroeger gehouden wordt. Zij roept den man en hij antwoordt, doch zij ziet hem niet. Zij komen in de stad; de waard en zijn gezin hooren den boer, doch zien hem niet. De waard was een slimme kerel. Hij doet den boer zijn schoenen uittrekken en oogenblikkelijk is hij zichtbaar. In de schoenen zljn Reinvaanbloemen gevallen, terwijl hij naast den wagen stapte. De waard neemt de Bloemen en bewaart ze voor zljn eigen nut. (A.~ Kuhn: M.~ S.~ u.~ Mrchen, n"r" 191). Het Rozenkransje^_(2)_^. Men moet het stilzwijgend uitgraven, op eenen Dob~ belen Zondag (d.~i.~ een Zondag die met een feestdag samenvalt). Perger, 130. De wilde Suikerei^_(3)_^. Doch het moet de zeldzame witbloemige variteit zijn. Wie ze zwijgend op St.~ Jacobsdag (25 Juli) met een goudstuk uitgraafde, kon er mee zich onzichtbaar maken, (Perger, 127; Shns, 77; vgl.~ Meier, 238-239). De witte Chamaeleon^_(4)_^. Er bestaat een dier Chamaeleon en ook een distelachtige Plant van dien naam. Plinius zegt van het dier: `Men vertelt / dat den slincken voet van dit dier in den oven gheroost wordt / met het cruydt van den selven naem / ende met eenigh vet oft smeer tot koeckskens ghekneedt wordt / ende in een houten busken bewaert: ende die buskens hebben sulcken kracht / dat de ghene diese over hun draghen invisibel zljn / dat is onsienlijck / ende van een ander niet ghesien en kunnen worden'. (Dod.~ 1192). Doch Van Ravelingen voegt hiertoe: `'t welck soo lachelijck is / als qualijck om te gheloo- ven'. Zie nog Dod.~ 1489._ De Duivekervel, de Amarant, de Ruit, de Zonnewende en de Herderstasch moeten nog worden vermeld. _Toovenaars en Heksen werpen Duivekervel^_(5)_^ in hun offervuur en maken zich aldus onzichtbaar. (Perger, 162; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 182). In Zwitserland zegde men dat O.~ H.~ Hemelvaartstuilen van Amarant^_(6)_^ beletten den drager te zien. (This.~, 62). Ruit^_(7)_^ met een ei tusschen elf uur en middernacht in het vat gelegd waarin | | ^(1)^ Tanacetum vulgare L. | | | ^(2)^ Gnaphalium dioicum L. | | | ^(3)^ Cichorium intybus L. | | | ^(4)^ Atractylis gummifera L.~ (naar Mrat en de Lens: Dict.~); Carlina acaulis | L.~ (naar Matthiolus en Lobelius). | | | ^(5)^ Fumaria officinalis L. | | | ^(6)^ Amarantus caudatus L. | | | ^(7)^ Ruta graveolens L. | de Kop van de Witte Slang bewaard is, maakt de bultter onzichtbaar. (Perger, 204; naar Birrcher, 65). Men neemt den steen Heliotroop en het Kruid Heliotroop^_(1)_^; men bevoch- tigt met het sap van het laatste den eersten, en men bindt hem over het voorhoofd: men wordt onzlchtbaar. (Perger, 171). Om de schapen voor den wolf onzichtbaar te maken hing men Herders- tasch^_(2)_^ aan hunnen nek. Aldus in Ierland. (Roll.~, II, 110; naar Wh.~ Stokes: Medical Ms.~)._ Onbepaalde of ongenoemde onzichtbaarmakende Planten zijn: De Geluksbloem. _Eng.~ `Luck-flower'; hgd.~ `Glcksblume'. Vgl.~ boven. Deze Bloem moet bij toeval of geluk gevonden worden; want al wie ze met voorbedachtheid zoekt, vindt ze nooit. Aldus in Noord-Duitschland. (This.~, 207)._ Het Kruidje van Sidrach. _Het boek van Sidrach spreekt van een klein Kruid, zoo hoog als de middelvinger lang is, met zwarte Bladeren: wie het in zijnen mond steekt, kan niet gezien worden. (Gub.~, I, 211)._ De Wortel van Wieland. _Held Wieland zoekt zijne geliefde. Bij een eenzamen woudberg ontwaart hij drie duiven, die zich in eene bron willen baden; nauw beroeren zij den grond of 't worden Jonkvrouwen; eene dezer is de verdwenen geliefde. Zij ontkleeden zich en springen in het water. Wieland, onzichtbaar geworden door zekeren Tooverwortel, neemt de kleederen (van vederen). De Meisjes schreien luide. Wieland, opnieuw zichtbaar geworden, treedt vooruit en verklaart dat hij de kleederen zal teruggeven, indien eene van de drie hem tot man verkiest. De Meisjes stemmen toe en Wieland kust zijn verdwenen geliefde, die nu in hem haren Frederik van Zwaben terugvindt. (Herrmann, D.~ M.~, 143; naar het 14"d" eeuwsch mhgd.~ gedicht: Friedrich von Schwaben; vgl.~ Jiriczek: Deutsche Heldensage, 30-31)._ g. *Planten die onwondbaar maken.* De krijgers en wapenlieden trachtten zich, door allerhande middelen, onkwetsbaar te maken. Zij wendden zich hiertoe veelal tot Tooverij; en Planten, die onwondbaar maakten, zijn talrijk genoeg. | | ^(1)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(2)^ Capsella bursa-parstoris L. | _Onwondbare menschen waren `vast' of `hard' (Bekker, IV, 154), `schotvrij, steekvrij' (Knipscheer, II, 27). `schoot- en steeckvrye' (Jonctys). De kunst zich vast te maken (hgd.~ `festmachen') heette Passauerkunst, `Passawsche konste' (Bekker, IV, 158): omdat het leger, dat in 1611 in Bohemen is gevallen, om Passaw (Neder-Beieren) vergaderd was en de soldaten deze kunst hebben gebruikt om Praag in te nemen (z.~ hierover Sennertus). Ik bepaal me hier bij de Plantlore en zal dus enkel over vastmakende Gewassen spreken._ Zulk onwondbaar-makend Kruid kende Gea, de aloude Aard- godin. _Toen de kinderen van Gea, de Giganten nl.~, tegen Jupiter en de andere Olympusgoden streden, was Gea er op bedacht haar kroost onkwetsbaar te maken door zeker Tooverkruid -- een ongenoemd -- en zij zocht het op. Doch Jupiter verbood aan het Morgenrood, aan Maan en aan Zon te schijnen, zoodat Gea in de duisternis moest rondzoeken. Middelerwijl sneed Jupiter zelf het Tooverkruid af, en de Giganten werden verslagen. (G.~ Schwab: Schnste Sag.~, 94)._ De Tooveres Medea maakte Jason onwondbaar door zekere Tooverzalf, gemaakt met het zwarte sap van eenen Tooverwortel. _Die Tooverzalf was de Prometheusolie. Uit Prometheus'~ lever, dagelijks door Jupiters Arend opgevreten en ook dagelijks opnieuw gegroeid en hernieuwd, dropte, op de Kaukazusheiden, het bloed van den gefolterde. En uit dit bloed kiemde een Wortel met zwart sap. Medea had dit sap in eene mossel opgevangen, en er uit de Prometheusolie bereid en bewaard. Zij gaf die Tooverzalf aan Jason, die er mede zijn lichaam inzalfde, waardoor hij, den dag der inzalving, door geen zwaard gekwetst en door geen vuur kon verbrand worden: den heelen dag ook bleef hij sterker dan zijne tegenvechters. En door dit Tooverkruid overwon hij. (G.~ Schwab: Sch.~ Sag.~, 58)._ Een Wildeman had zich onkwetsbaar gemaakt door zeker Tooverkruid. _Held Dietrich bevrijdt een jammerlijk schrdenden Dwerg -- met name Bal- dung, Alberlch's zoon -- dien een Wildeman wil ontvoeren: deze Wildeman is onwondbaar door de kracht van een ongenoemd Tooverkruid. Aldus in het jongere Sigenotlied. (Herrmann, D.~ M.~, 143, 174)._ De held uit `De Roos van Bakavali' vindt een Wonderboom, die roode en groene Vruchten voortbrengt; wie de groene Vruch- ten op zijn hoofd plaats, is onwondbaar. _Deze Wonderboom wordt bewaakt door een Serpent dat zelf onwondbaar is. Met de roode Vruchten krijgt de held, die door Tooverkunst in raaf vervormd is, zijn vroeger gedaante terug. En de groene, onder zijnen gordel gestoken, geven hem vleugels, waarmee hij vliegen kan. (Gub.~, I, 246-7)._ De Javaansche Boom Ma di rado maakt onkwetsbaar. _Niccolo di Conti (in zijne reis in Indi) zegt dat men, in 't midden van den Boom, een ijzeren roedje vindt, zeer fijn en zoolang als de Stam; wie er een stukje van over zich draagt op zulke wijze dat het het vleesch van den drager raakt, kan niet door ander ijzer gekwetst worden; ook steken het velen onder de huid. (Gub.~, I, 247). Deze Boom is misschien de echte IJzerboom^_(1)_^, een Mirtachtige -- reeds door Julius Scaliger Metrosideros (van Gr.~ metra "=" houtmerg, en sideros "=" ijzer, dus IJzermerg, naar de ijzerhardheid van het Hout) -- `van standt kleyn^_(2)_^ / maer so harden mergh in sijn houdt hebbende / van onder tot boven toe / datmen 't voor ijser houden ende ghebruycken soude moghen. De inwoonders van 't selve eylandt' -- Java nl.~ -- `ghelooven dat de ghene die een stuck van dit IJserhout over hun draghen / met geen ijser gequetst en konnen worden'. Dod.~, 1413). Dat geloof vindt zijn verklaring in de Signatuurleer._ Het boek van Sidrach vermeldt ook een ongenoemd onkwets- baar-makend Kruid. _Het is zes palmen of min hoog: het heeft fijne Bladeren als de Roze- marijn^_(3)_^, groene Bloemen, zwarte Zaden, vermiljoenroode lange en borende Wortels. Wie dat Kruid over zich draagt en komt in een ander land bij de vijanden, kan door geen enkel dezer kwaad worden aangedaan. (Gub.~, I, 247)._ In Tirol maakt men zich schotvrij door een weinig van zijn bloed in een versch geboord hol van eenen welkdanigen Boom te laten vergroeien. _Wuttke, n"r" 229 (naar Zingerle)._ De Bosjimans gebruiken tot dit doel een heelkrachtig Zuid- afrikaansch Kruid, met name Shl. _Voor zij ten strijde trekken wrijven zij hunne handen met Shl. -- Zij wrijven er mede ook den krijgsman, die doodelijk gekwetst is, ten einde hem in leven te behouden. -- Wie Shl uittrekt, moet aanstonds een Stuk van den Wortel in den grond steken, opdat de Plant opnieuw schiete. Een man die, zonder die voorzorg te nemen, dat Kruid had uitgerukt, vond men stom en roer- loos, omringd van Slangen; men verdreef deze met een stuk van den Wortel in de aarde te planten. (Gub.~, II, 348). Ik weet niet welke de wetenschappelijke benaming van Shl is._ | | ^(1)^ Metrosideros vera Rumph. | | | ^(2)^ M.~ vera is echter een hooge Boom, zegt Leunis, 210. | | | ^(3)^ Rosmarinus officinalis L. | Onder de bekende Planten die tegen houw, steek of schot beschermden, bekleedt het Allemansharnas^_(1)_^ eene eereplaats. _Bij Blancardus: `Victori-wortel, Das-look, Veld-Look'; -- bij Dod.~: `Bergh-Loock': -- bij Lobelius: `Serpent-Loock'; -- hgd.~: `Allermanshar- nisch, Siegwurz, Alpenlauch, Bergalraun' en ander namen. (Z.~ Pritz.~ u.~ Jessen). Het is een uitheemsch Berg- en Alpenlook. De Plant behoort tot de Signatuurflora: de Bol of Ajuin is omringd door een soort van netvlies, dat men met een pantser heeft vergeleken; om die reden maakte zulke Ajuin onwondbaar. Dat amulet, aan den hals gedragen, beschermde tegen steek en schot, en gaf de zege: daarom heette men dat Gewas Lat.~ Victorialis, hgd.~ `Siegwurz', `Allemansharnisch', `Neunkraft' ("=" Negen- kracht, Prahn, 128). Ndl.~ Victorie-wortel en Allemansharnas. Tijdens den franco-duitschen oorlog van 1870 kwam ijlings een vrouw in den Berlijnschen kruidtuin geloopen en vroeg den Wortel die onwondbaar maakt. Hier wist men niet juist welken Wortel zij bedoelde, toen een jonge knecht op de gedachte viel dat het Allemansharnas moest zijn; hij haalde den Bol. De vrouw, zeer verheugd. snelde er mee heen naar het Anhalter-station, doch kwam te laat, haar zoon was vertrokken. En hij sneuvelde waarlijk te Grave- lotte! En de moeder heeft altijd geloofd dat haar kind nog zou geleefd hebben, indien hij den Tooverworte1 over zich had gedragen. (Shns, 82; mededeeling van Dr.~ Beyer). De naam is echter Allium victorialis en niet A.~ victoriale, zegt Leunis (787) en werd gegeven naar den Mons Victorialis (fr.~ Mont St.~ Victoire) in Provence, waar de Plant, zegt men, groeit. Mrat en De Lens (Dict.~) hebben nochtans Allium victoriale L. Vgl.~ Shns, 81-82; Perger, 83; Heros, 66; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 173._ Andere Planten werden voor de Victorialis of het Allemans- harnas gehouden. _De Moeras-Zwaardlelie^_(2)_^ en ook wel de gewone Zwaardlelie^_(3)_^, de laatste alleen in Zuid-Europa groeiende, hebben den Bol insgelijks met een netvormig weefsel (als een pantser) omwonden; vanhier de namen hgd.~ `Aller- mansharnisch' en `Siegwurz' ("=" Zegewortel) naar de Signatuurleer (vgl.~ Leunis, 778; Shns, 81). Gladiolus communis L.~ wordt door Dodoens (323) Victorialis femina geheeten (naar Valerius Cordus) en Victorialls rotunda (met ronden Bol), terwijl onze Mechelaar Allium victorialls L.~ of het echte Allemansharnas Victo- rialis longa en Victoriae radix heet. Victorialis mas (of mascula), dus de Look- soort, heeft zeer breede Bladeren, Victorialis femina (de Zwaardleliesoort) | | ^(1)^ Allium victorialis L. | | | ^(2)^ Gladiolus palustris Gand. | | | ^(3)^ Gl.~ communis L. | smalle: de oude Botanisten, die de geslachtsorganen der Planten niet kenden, noemden Mannetje of Mas de soort die grooter, sterker, langer, dikker of breeder was, Wijfje of Femina de zwakkere of smallere. Kannegiesser (76) meent dat deze Zwaardlelie `Siegwurz' en `Aller- mansharnisch' wordt genoemd. eveneens naar de Signatuurleer, evenals lat.~ Gladiolus ("=" klein zwaard) en ndl.~ Zwaardenkruid (Blanc.~) en Sweerdekens- cruydt (Van Ravelingen): nl.~ naar de zwaardvormige Bladeren die dus de oorzaak waren dat men de Plant tegen verwonding door zwaard of ander houwtuig aanwendde. Ook de Maanvaren^_(1)_^ wordt door Prahn (14) `Allermansharnisch' ge- noemd; -- en in sommige streken van Oostenrijk (Karnten) heet men de Salomonszegel^_(2)_^ aldus. (Pritz u.~ Jess.~). In een heksenproces (te Ulm, Zwaben) van het jaar 1663 verklaart een zekere Philip Berger, dat hij, dronken zijnde, Varenzaad `geschpt' (gezameld) heeft om zich vast te maken. De Varensoort is hier niet aangewezen. Daarna heeft hij dat nog zesmaal gedaan: de eerste maal te Kerstnacht, de andere malen op eenen Goeden Vrijdag, telkens op eenen kruisweg bij een Jeneverstruik^_(3)_^. De duivel was er bij en heeft het Zaad door negen doeken geslagen; op den eersten lagen zoo iets als tien zwarte korrels, die hij in Duivels name moest inslikken, waardoor hij een jaar vast is geweest. (Marzell, 8-9, naar Birlinger, Volkst.~ aus Schwaben, 1861, 340)._ St.~ Janskruid^^ beschermt den strijder en maakt hem onwond- baar. (Shns, 108; Rel.~ u.~ Bohnh.~ 173). En de Wortel van Bilzenkruid^(5)^. _Zoo beweert de oude Lonicerus ("+" 1586)._ En het onsterfelijke Rozenkransje^(6)^. _Doch het moest stilzwijgend geplukt worden op een Dobbelen Zondag. (Perger, 130; Shns, 120; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 198). De Plant sterft niet, het is een Immortelle; wie ze over zich draagt, sterft dus ook niet._ Ook de Wilde Suikerei^(7)^. _Men moest ze, zonder te spreken, op St.~ Jakobsdag (25 Juli) met een goudstuk uitgraven. (Perger, 127; P.~ V.~ Maiwald: een lnnsbrcker Herbar vom Jahre 1748, Braunau, 1898)._ | | ^(1)^ Botrychium lunaria L. | | | ^(2)^ Polygonatum multiflorum L. | | | ^(3)^ Juniperus communis L. | | | ^(4)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(5)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(6)^ Gnaphalium diocum L. | | | ^(7)^ Cichorium intybus L. | Ook de Gemswortel^(1)^, indien men hem op den rechten tijd uittrekt. (Perger, 132). Om schotvrij te zijn gedurende twee dagen eten Gemsen een soort van Berg-Aster^(2)^. _Zij doen het vor zonsopgang. (Perger, 134)._ De Hoogduitschers beschouwen een soort van Strandkruid, de Lamsoor^(3)^, als bevrijdende tegen stoot en steek: daarom heeten zij het `Widerstoss' ("=" Wederstoot). _Prahn, 15O. Het schijnt een volksetymologisch spel te zijn: Statice van Gr.~ statikos, staande makend, tegenhoudend nl.~ bloedvloed. (Leunis, 564), of naar hare adstringeerende en obstipeerende werking (Kannegiesser, 171); of van lat.~ stare, staan, omdat zij de vochten van het lichaam doet stilstaan. (Lemery, 681). `Widerstoss' zou dus de vertaling van Statice zijn? En later heeft het volk dezen laatsten naam in verband gebracht met het stootvrij-maken. -- De etymologie van Kannegiesser houdt geen steek: `Wiederstosz, sie stszt aus ihrer Wurzel eine Menge zarter Bltter hervor' (met vraagteeken). Heeten nog hgd.~ `Widerstoss' (met of zonder e, naar Pritz.~ u.~ Jessen): 1"o" De Dag-Koekoeksbloem^_(4)_^, bij Bock en bij Tabernaemontanus `Rother Widerstoss'. 2"o" De Avond-Koekoeksbloem^_(5)_^, bij Tabernaemontanus `Weisser Wi- derstoss'. 3"o" De opgeblazen Silene^_(6)_^, In den Elzas bij Weissenburg `Widerstoss' (ook bij Bock) en in de Mark Brandenburg en in Thurlngen `Wiederstoss'. 4"o" De gebogen Silene^_(7)_^, in Silezi `Wilder Wiederstoss'. 5"o" De melige Toorts^_(8)_^, bij Toxites `Widerstoss'. 6"o" De Steenbreekvaren^_(9)_^, naar Nemnich._ Men kan zich vast of hard maken door middel van een gewijde Hazelnoot^(10)^. _Men holt de Noot uit; op een zeer fijn papiertje schrijft men het St.~ Jans- Evangelie, steekt het in de Noot en legt deze onder het Altaardoek; men laat er, | | ^(1)^ Doronicum pardalianches L. | | | ^(2)^ Waarschijnlijk Aster alpinus L. | | | ^(3)^ Statice limonium L. | | | ^(4)^ Melandryum rubrum Garcke. | | | ^(5)^ M.~ album Garcke. | | | ^(6)^ Silene Inflata L. | | | ^(7)^ S.~ nutans L. | | | ^(8)^ Verbascum lychnitis L. | | | ^(9)^ Asplenium trichomanes L. | | | ^(10)^ Corylus avellana L. | buiten de weet van den priester, drie missen over lezen en men hangt ze daarna als amulet aan den hals. (Perger, 246; naar Hartmann: Teufelsknste, 13)._ Met zulk doel eet men van den Levensboom^(1)^, een veel gekweekten Heester. _Het is een onsterfelijke Levensboom en wie er van eet, wordt onwondbaar. (Rel u.~ Bohnh.~, 222)._ Eveneens worden de Kongoleezen (Belgisch Kongo, Mayom- be) door den Feticheur-Toovenaar (nl.~ den Nganga van den Oorlogsgod Simbu) onkwetsbaar gemaakt. _De Planten door den Nganga daartoe gebruikt zijn: `Malemba-lemba'^_(2)_^; `Bisemo' (een niet bepaalde Plant); `Ditondo'^_(3)_^; `Mimfukisi' (niet be- paald); `Biala-mioko' (soort van groote Banaan); `Masisa-sisa' (een niet bepaalde Geneesplant); `Nsaku-nsaku' (niet bepaald); `Tsanga-mukama' (soort van veel opbrengende Banaan); `Tsanga tiba' (soort van slechte Banaan); `Mayuka' (soort van Maniok?); eindelijk `Lubota'^_(4)_^. Zie den heelen toe- gang van het onkwetsbaar-maken bij Bittremieux. (Mayomb.~ ldiot.~, 603-7)._ De Bloem der Overwinning is de Bloem van de Koesoema^(5)^. _De Koesoema is een Javaneesche Boom van de familie der Nyctagineen (waartoe de Schoone-bij-Nachte^_(6)_^ behoort). Wie ze draagt, overwint en is onkwetsbaar. Z.~ hierover De Clercq: Wdb.~, n"r" 2750._ Eenige Kruiden heeten in ndl.~ Wederdood, in hgd.~ Wiedertod, dat is Kruid-tegen-den-Dood; zij maakten schot en steekvrij. _Wie het Kruidje `Wiedertod' In den loop van zijn geweer steekt, kan schieten, maar verwondt niet (dier of man): maar wie hij treft, blijft als vast- gegroeid onbeweeglijk staan! En wie dat Kruidje bij zich draagt, kan niet geschoten worden; wie naar hem schiet, moet blijven stilstaan tot de drager hem verlost en laat voortgaan. (A.~ Silbersteln: Deutsche Hochlands-Geschichten, 1877, I; VK.~, II, 79). Welke Plant is deze Wederdood? 1"o" De Steenbreekvaren^_(7)_^, een gemeene, kleine Varensoort. (Dod.~ 769: `het wordt in onse tael ghemeynlijck Wederdoot gheheeten'; Blanc.~ Lex.~ i.~ v.~ Trichomanes; Heukels, Schoolflora; Pritz.~ u.~ Jess.~). | | ^(1)^ Thuya occidentalis L.~ en T.~ orientalis L. | | | ^(2)^ Brillantesia alata. | | | ^(3)^ Canna indica L. | | | ^(4)^ Milletia, soort van ijzerhard hout. | | | ^(5)^ Pisonia silvestris T.~ et B. | | | ^(6)^ Mirabilis jalappa L. | | | ^(7)^ Asplenium trichomanes L. | 2"o" De Mossen van het geslacht Polytrichum, vooral de Gulden of Gemeene Wederdood^_(1)_^ (Dod.~ `Gulden Wederdoot', p.~ 775; in Oost-Pruisen `Wider- tod', Pritz u.~ Jess.~; ook aldus bij Brunfels en L.~ Fuchs; bij Bock `Widdertodt'. 3"o" De Zonnedauw^_(2)_^ (Pritz.~ u.~ Jess.~; bij Bock `Widdertod'. 4"o" De Knol-Spiraea^_(3)_^, ook in onze tuinen gekweekt. (Pritz.~ u.~ Jess.~; bij Toxites `Widertod'). Doch die vier Planten worden in hgd.~ ook `Wider-' of `Wiederthon' genoemd. Daarnaast nog (naar Pritz.~ u.~ Jessen): Vijf Varensoorten: het Vrouwenhaar^_(4)_^; de gewone Muurruit^_(5)_^; de Noordsche Streepvaren^_(6)_^; de Maanvaren^_(7)_^; de Addertong^_(8)_^; -- en de kleine Wolfsklauw^_(9)_^. Het gemeene Penningkruid^_(10)_^; -- de Druiven-Steenbreek^_(11)_^; -- de gele Poelruit^_(12)_^; -- de Akeleibladige Poelruit^_(13)_^; -- de Kraaiheide^_(14)_^; -- de Kroezelmunt^_(15)_^; -- de Kuifdragende Graslelie^_(16)_^; -- en de witte Bryonie^_(17)_^. De oudste vorm (naar eene glosse uit de 13"e" eeuw, uitg.~ door Hoffmann von Fallersleben) zou zijn `Wdertam', naam van het Vrouwenhaar (Capillus veneris). Daarna `Wiedertn' en `Wiedertt', omdat `-tam' voor het volk onverklaarbaar was geworden. De oorsprong blijft donker: `Wiedertn' is participium voo `Wiedertuon, Wiedertn' "=" ongedaan maken, weder goed maken en wordt als subst.~ gebruikt; de `Wiedertan' zou dus een Kruid zijn dat iets wat behekst of betooverd is, weder goed kan maken, vooral de door betoovering ontnomen mannelijkheid (`abthun der Mannheit') kan wedergeven. Van `Wiedertn' kwam `Wiedertt', het Kruid da. weder goedmaakt: en van `Wiedertt' reeds in de 16"e" eeuw `Widdertod, Wiedertod', dat door het volk werd opgevat als: Kruid tegen den dood. (Z.~ over dit alles Weigand, Wtb.~ i.v.~ Widerthon). -- Doch Shns, 29, kan de afleiding `von thun "=" anthun, behexen (also wider das Behexen)' niet aannemen. Hij leidt `Widertt' ("=" ndl.~ Wederdood) af van ahd.~ `towjan-', mhgd.~ `touwen', oudsaks.~ `dan' nd.~ `tn' "=" sterven, waarvan het participium `tt' is. Z.~ nog Kannegiesser, 62, i.~ v.~ Drosera; en beneden Antimagische Flora b, 1, Kryptogamen. En de Wdb.~ van Vercoullie en Franck-van Wijk i.~ v.~ dood._ | | ^(1)^ Polytrichum commune L. | | | ^(2)^ Vooral Drosera rotundifolia L. | | | ^(3)^ Spiraea filipendula L. | | | ^(4)^ Adiantum capillus-veneris L. | | | ^(5)^ Asplenium ruta-muraria L. | | | ^(6)^ Asplenium septentrionale L. | | | ^(7)^ Botrychium lunaria L. | | | ^(8)^ Ophioglossum vulgatum L. | | | ^(9)^ Lycopodium complanatum L. | | | ^(10)^ Lysimachia nummularia L. | | | ^(11)^ Saxifraga aizoon L. | | | ^(12)^ Thalictrum flavum L. | | | ^(13)^ T.~ aquilegifolium L. | | | ^(14)^ Empetrum nigrum L. | | | ^(15)^ Mentha crispa L. | | | ^(16)^ Anthericum comosum L. | | | ^(17)^ Bryonia alba L. | Sennertus gebruikt in de twee volgende recepten deeg van Tarwe en zeker Mos. _Op middernacht van 's Heeren Geboorte schrijft men op maagdenperkament de vier letters I.~ N.~ R.~ I.~ (Jesus Nazarenus Rex Judaeorum). Men omsluit dit blad met ballekens gemaakt uit eenen klomp Tarwedeeg en versteekt alles heime- lijk onder het Altaardoek; men laat er over, op verschillende tijden, drie missen doen. Een dezer ballekens, 's morgens ingeslikt, maakt gedurende dien dag onkwetsbaar. (Bekker, IV, 157-8). Des morgens, vor zonsopgang, rooft men het bekkeneel van eenen opge- hangene of van eenen geradbraakte, waarop Mos is gegroeid; men schrapt er het Mos af, terwijl men zekere gebedekens prevelt; en dat Mos steekt men in zijne kleeren of draagt het onder den linkerarm: het maakt den drager onwond- baar. (Idem, 158; vgl.~ De Vries: Satan in zijn Weesen, 1, 492; Wolf, N.S.~ p.~ 692)._ "*" Een woord over het zoogenaamde Noodhemd of St.~ Jorishemd dat den drager steek- of kogelhard of -vrij maakte. _Het Noodhemd (hgd.~ `Nothemd, Georgenhemd, Hllen-camisol') komt in Vlas-^_(1)_^ of Linnensagen. Zulk hemd moet, stilzwijgend en onder het uitspreken van geheime bezweringen, gesponnen, geweven en genaaid worden. Eene reine maagd wordt hiertoe gekozen; doch ter wille van dezen grooten Tooverarbeid valt zij de Duistere Machten ten prooi. (Perger, 195; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 148). Naar eene ander sage moet het Noodhemd-Vlas op eenen enkelen daartoe bepaalden nacht gesponnen worden, door zooveel reine maagden als voor dat werk noodig zijn. Zij moeten spinnen, weven en naaien in Duivels name. Zulk hemd moet reiken van den hals tot het halve lichaam; op de borst, rechts, moet een behelmd, baardig hoofd, links een schrikkelijke gekroonde Duivelskop ver- beeld staan. (Perger, 195; Hartmann: Neue Teufelsknste, 25). In de Ragnar-Lodbrokssaga geeft Aslang haren man Ragnar zulk Noodhemd, doch het is van zijde en niet van Vlas, en zonder naad: `Neem dees hemd van zijde, Nergens is 't genaaid, Liefdevol is 't geweven Uit fijne grauwe draden. Zwaarden zullen u niet snijden, En wonden rood niet bezoedelen Dit heilige gewaad, Want den Goden was 't gewijd'. (Ragnar-Lodbroks-saga und Norna-Gests-saga, vert.~ van Fr.~ H.~ von der Hagen, p.~ 77). | | ^(1)^ Linum usitatissimum L. | Toen Ragnar in Engeland tegen Koning Elli vocht, kon niemand van de vijanden hem door kappen of steken eenige schade doen en hij ontving niet de minste wonde. (Id.~ 80). Men wierp hem in de Slangengroeve; doch geene Slang naderde noch stak hem. Toen beval Elli dat men hem het Overkleed zou uitrukken; het geschiedde, en gauw vielen de Slangen Ragnar van alle zijden aan en doodden hem. (Id.~ 81-2). Vgl.~ Herrmann, N.~ M.~ 546; Wolf, D.~ S.~ 254. Zulke Noodhemden werden bewaard in de Kunstkamer van Keizer Rudolf II, te Praag en in andere Rariteitskamers te Weenen. (Vulpius: Curios.~ III, 458)._ Vgl.~ nog het Zevenjaarsgaren (hgd.~ `Siebenjahrsgaren') dat onwondbaar maakte. _Een meisje van min dan zeven jaar -- vanhier de naam -- heeft het gesponnen; het lijnwaad, dat men er mee geweven heeft, legt men onder bet Altaardoek en men laat er drie missen over lezen. Wie een hemdkraag van zulk lijnwaad draagt, is schot- en steekvast; en een geweer met Zevenjaarsgaren geladen, mist nooit zijn doel. (Perger.~, 194)._ "*" Eenige wonderbare Tooverdegens en Wapenen staan met de Plantlore in verband. _Een strijder is onwondbaar, indien de spits van zijnen degen in het vuur is gegloeid en met Ruit^_(1)_^ overstreken. (Wolf, N.~ S.~ p.~ 692; naar Jonctys: Verhand.). Ridder Hincke van Wurben had eenen Tooverdegen, dien hij van eenen monnik had gekregen. Deze degen was gekocht geweest in het uur dat de planeet die den Krijgsgod Mars is toegewijd, regeert. Het kruis er van was op eenen Dinsdag gesmeed en gereedgemaakt. In het hecht was een stukje Hout gesloten, waarop de Bliksem was gevallen (vgl.~ Thiers, I, 262); ofwel een stukje Hout van het rad waarop een misdadige werd gebroken. Dat alles moest gedaan worden in het uur van Mars. Deze Tooverdegen deed alle zwaard van den tegenkamper in stukken springen. (Wolf, N.~ S.~ n"r" 279; De Vries: de Satan al zijn Weesen, I, 491)._ Andere Planten dienden om Wapens te `feien', d.i.~ dwingen onfeilbaar hun doel te treffen. _Daartoe gebruikte men Klaverzuring^_(2)_^ (Rel.~ u.~ Bohnh.~ 378); -- of de gewone Zuring^_(3)_^ (Shns, 77) -- of de gewone Klaver^_(4)_^ (Perger, 196). | | ^(1)^ Ruta graveolens L. | | | ^(2)^ Oxalis acetosella L. | | | ^(3)^ Rumex acetosa L. | | | ^(4)^ Trifolium pratense L. | St.~ Janskruid^_(1)_^ vertoont, op St.~ Jansdag, bloeddroppen, die men vindt als men het alsdan behoedzaam uitgraaft. Met dit bloed (naar het volk meent, het Bloed van St.~ Jan den Dooper) bestrijkt men den loop van het geweer, dat daarna met zekerheid bij ieder schot treft. Aldus in de Mark (A.~ Kuhn: Mrk, S.~ u.~ M.~, p.~ 387). Heel het Kruid bevat een bloedrood sap. (Signatuurleer). Nagenoeg dezelfde kracht wordt toegekend aan de Zonnedauw^_(2)_^. De jager die een tuiltje Zonnedauw over zich draagt, heeft een onfeilbaar treffend schot; doch hij moet zich wel wachten het geheim aan anderen bekend te maken, want door die bekendmaking verliest het Plantje alle Tooverkracht. (Perger, 99, 163, Shns, 27). Jagers doen het volgende: ze vangen tene Slang, steken hare oogen uit en leggen in de twee oogholten eene Erwt^_(3)_^, eene derde Erwt in den muil van het dier dat nu op een vochtige plaats wordt gelegd; de Erwten groeien en bren- gen Erwten voort; een op die wijze geteelde Erwt wordt in het metaalmengsel gelegd waaruit zij hunne kogels gieten; zij laden zulk een kogel op hun geweer, zien aldus het wild eerder dan anderen en schieten nooit mis. (Sloet: Dieren, 333; Birlinger: Volksthmliches aus Schwaben, I, 107; naar L.~ H.~ Lutzen: Ophiographia Physico- Chymico- Medica, 1670)._ h. *Planten die onvermoeibaar maken.* De Plantlore leert ons Kruiden kennen die onvermoeibaar maken in het gaan of in het werken. 1. In het gaan. Het vermaardste Kruid was de Bijvoet^(4)^. _"*" Dat volksgeloof steunt op volksetymologie: 1"o" De Grieksehe, ook Latijn- sche naam Artemisia wordt door sommigen gebracht tot gr.~ artemes "=" frisch, gezond, want de voetganger die het draagt of aan de voeten bindt, blijft, naar Plinius, frisch en onvermoeid (of blijft frisch en gezond, wegens de Heilkracht der Plant, naar Leunis, 705, Kannegiesser, 19); -- doch Dod.~ 40 (en ook Plinius) brengt het Kruid in verband met Artemisia, vrouw van Koning Mausolus van Kari; -- anderen (b.v.~ Van Ravelingen, in Dod.~ 42) wijzen op Artemis, Griek- schen naam van Diana, omdat het Kruid goed is tegen de gebreken der vrouwen, van dewelke Diana Ilithya de `overste' vroedvrouw was. (Z.~ Kannegiesser, 19). -- 2"o" En Bijvoet, naar de volksetymologisten, is de Plant die in of aan den schoen, dus bij den voet wordt gedragen en den wandelaar belet vermoeid te | | ^(1)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(2)^ Drosera rotundifolia L. | | | ^(3)^ Pisum sativum L. | | | ^(4)^ Artemisia vulgaris L. Of de Pliniaansche Artemisia wel deze soort is, | moet nog bewezen worden. Vgl.~ Dierbach, Fraas, Marzell en andere botanisten | hierover. | zijn; Kil.~ schrijft: `dicitur bij-voet, ut interpretatur Becanus, quod pedibus euntium adsit et opituletur'; z.~ over de onzekere etym.~ Franck-Van Wijk en Vercoullie: het waarschijnlijkste is dat het tweede deel moet gebracht worden tot goth.~ bautan (eng.~ to beat) "=" stooten, slaan: vgl.~ ndl.~ boeten en dial.~ booten (vlas booten, vlas slaande breken). Bijvoet zou dus een Geneeskruid zijn dat men bij iets anders stoot of stampt. Een reizende, die Bijvoet aan zijnen voet of aan zijn lijf heeft gebonden, zal geene vermoeidheid gevoelen. (Plin.~ door al de latere botanisten afgeschreven; Dod.~, 41; Apuleius: De Virt.~ Herb.~). Om bovengenoemde volksetymologische reden heet de Plant St.~ Jansgordel (hgd.~ `Johannis grtel') en men verziert dat St.~ Jan de Dooper Bijvoet aan zijnen gordel heeft gedragen en zieh nooit vermoeide in 't gaan. (Shns, 58). Anderen zeggen dat de lieden Bijvoetgordels, onder het murmelen van Toover- spreuken, gedurende het Zonnewenden in het St.~ Jansvuur werpen en dat zulke gordels alle onheil en ziekte voorkwamen. (Kannegiesser, 20; Shns, 58). Doch opdat Bijvoet die onvermoeibaar-makende kracht hebbe, moet het Kruid acht dagen vor St.~ Bartholomeusdag (24 Aug.~), als de Zon in het teeken der Jonkvrouw staat, geplukt worden. (Shns, 58; Perger, 123). "*" In Waasland neemt de reiziger met zich de Sinksen-Bijvoet (die op Sinksen geplukt wordt?) om niet moe te worden. (Vlaamsche Zanten, II, 68). Of dit gebruik wel in Waas bestaan heeft, of nog bestaat?_ Aan de met Bijvoet verwante Alsem^(1)^ werd dezelfde kracht toegeschreven. _In de middeleeuwen maakte men kousebanden van Alsem die tusschen twee riemen van Hazevel genaaid waren (de Haas is een onvermoeibare, snellooper!); en met zulke kousebanden kon de drager honderd uren lang gaan zonder moe te worden; en het sterkste paard kon het tegen hem niet uithouden. (Roll.~ VII, 69; naar A.~ de Chesnel: Dict.~ du Superst.~)._ Bijna even krachtig was het IJzerkruid^(2)^. _Men lei het in de schoenen of maakte er kousebanden van. Het moet op denzelfden tijd geplukt worden als de bovenvermelde Bijvoet. Aldus in Tirol. (Shns, 110). Zeer verspreid volksgeloof in Frankrijk. `Pour n'estre point-las en allant, prena Verveine cueilli la veille de la Saint-Jehan et la porte sur toy'. (Roll.~ VIII, 41; naar: Bastiment des receptes, 1544). Als ze moeten naar de Sabbat gaan, dragen de Duiveltjes kousebanden van IJzerkruid om zonder vermoeienis te kunnen gaan. Aldus in dp.~ Charente- infrieure. (Idem). In Zwitserland spreekt men ook van die vermoeienis-tegenwerkende kracht. | | ^(1)^ Artemisia absinthium L. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. | Om gemakkelijk bergen te bestijgen `les armaillis et surtout les garons de chalet mettent leur jarretire un rameau de Verveine qu'ils appellent Vervna corre: Verveine courir'. Aldus in Gruyre. (Idem; naar Chenaux: le Diable et ses Cornes, 53). `Wil men tien mijlen per uur afleggen, zoo moet men op de milt een plaaster leggen bestaande uit verschillende ingredinten, waaronder zeven Bladeren van IJzerkruid'. Aldus in Bernerland. (Idem). Zeven is een Toovergetal. Wilt gij dat uw paard niet moe wordt, hang er aan een grooten Wolvetand en, rond den hals, Wortels van IJzerkruid en Bijvoet. Aldus in Fribourg. (Idem)._ Wie St.~ Janskruid^(1)^ vor zonsopgang plukt en in de schoe- nen legt, is onvermoeibaar. _Aldus in Tirol. (Wuttke, n"r" 3291 naar Zingerle)._ De gewone Wolfsklauw^(2)^ diende ook tot het vervaardigen van krachtgordels. _Te Ulm (Duitschl.~) heet dit Kruid `St.~ Johannesgrtel' ("=" St.~ Jansgordel), en men droeg er deze kruipende Plant als gordel tegen vermoeienis. (Shns, 119)._ Reizigers legden Wegbree^(3)^ in hun schoenen om niet moe te worden. _Aldus in Duitschland (Grimm, Myth.~, 3, 462). Dat volksgeloof steunde op den naam van de Plant: `Wegerich' ("=" Wegbeheerscher). Doch Marzell (p.~ 184) denkt dat de groote malsche Wegbreeblaren tegen voetverwonding be- schermden._ Ook een Tak van den Kuischboom^(4)^ werd hiertoe gebruikt. _`Men seydt oock van Agnus castus / dat de reysende lieden / die daer af een tacksken over hun dragen / niet moede en worden / noch geen versmert- heydt oft vervellingbe tusschen bun beenen oft elders en sullen ghevoelen; ghelijck Dioscorides daer van gheschreven heeft'. (Dod.~ 1214). -- En Matthiolus (141) voegt hierbij: `On dit que qui en portera la main une verge par les chemins n ne s'escorchera en aucune partie de son corps'._ Een Jenevertakje^(5)^ op den hoed gedragen heeft hetzelfde uitwerksel. | | ^(1)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(2)^ Lycopodium clavatum L. | | | ^(3)^ Plantago major L.~ vooral. | | | ^(4)^ Vitex agnus-castus L. | | | ^(5)^ Juniperus communis L. | _Aldus in Tirol (Shns, 46). -- Ofwel indien men door het reizen doodver- moeid is, legt men zich, voor korten tijd, onder eenen Jeneverboom te slapen, en men zal zich gauw opnieuw sterk en onvermoeid gevoelen (id.~, 48). Vgl.~ hiermee een citaat uit Konrad von Megenberg (Buch der Natur, 15"e" eeuw) bij Kannegiesser, 96. Want Jeneverstruik is immergroen en verliest dus zijne kracht niet: hij deelt deze den vermoeide mede._ De drager van Everwortel^(1)^ wordt onvermoeibaar. _Ja, dat Kruid ontneemt de gaankracht aan de medereizigers van den drager en brengt ze dezen over. -- De vermaarde Paracelsus ("+" midden van de 16"o" eeuw) leert het ons; hij noemde de Plant Carduus angelicus: een engel toonde, gedurende een pest, de krachten van Everwortel. -- Om gelijke reden hing men Everwortel aan den hals van renpaarden. (Perger, 122; vgl.~ Mattuscka, Flora Silesiaca, 2, 1777, p.~ 228)._ Zoo ook Knoflook^(2)^. _Het vergemakkelijkt het bergbeklimmen. Men vertelt dat de Spanjaarden, die over de Pyreneen willen komen, eenige stukken geroosterd en met Knoflook overwreven brood meenemen en langzaam, bij beten, opeten. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 335). -- Om vechtende hanen sterk en onvermoeibaar te maken gaven de Grieken hun Knoflook. (Id.~). -- Morgensoep met Knoflook belet den arbeider moe te worden. Aldus in Duitsch Bohemen. (Id.~)._ "*" Wie konserve van Genoffelbloemen^(3)^, met suiker bereid. inneemt, wordt nooit moede door het gaan. _Aldus schrijft Dod.~ 265._ De heilbrengende Savie (Salvia officinalis L.~ of een verwante soort, als S.~ triloba, gr.~ elelisphakon) belet vermoeienis. _Men bindt ze aan de voeten van den reiziger met Bijvoet (zie ald.~). Aldus reeds bij Plinius (Nat.~ hist.~ 26, 150)._ 2. In het werk. Wie Varenzaad^(4)^ bezit. kan zoo veel arbeid verrichten als twintig man en worot nooit moe. _Perger, 212._ | | ^(1)^ Carlina acaulis L.~ en ook C. vulgaris L. | | | ^(2)^ Allium sativum L. | | | ^(3)^ Olanthus caryophylleus L. | | | ^(4)^ Sporen van alle Filicineen. | De gemeene Groote Gouwe^(1)^ maakt ongelooflijk sterk. _Shns, 62._ De zeldzame Varen, die Adderstong^(2)^ heet, maakt een wer- kend paard onvermoeibaar. _De paardenmenner bindt die Varen aan het eindsnoer van zijn zweep en slaat er, 's morgens, eenmaal het paard mee: het zal den heden dag vlijtig trekken. (Panzer,: Beitr.~ II, 206; Perger, 217)._ Men maakt een paard sterk, zoodat het kan drie dagen ach- tereen zonder eten en zonder vermoeienis loopen, door de kracht van Meesterwortel^(3)^, van Berenwortel^(4)^, van Hertenwortel^(5)^ en van de reeds boven genoemde Everwortel^(6)^. _De drie eerste Planten zijn Berg-Umbelliferen met aromatischen Wortel. Aldus in Duitschland. (Gub.~ I, 270; naar Jhns: Ross und Reiter, Leipzig)._ Indien de ossenleider `l'Herbe de Matagon' ("=" Mandrago- ra^(7)^ gevonden heeft. zijn zijne ossen onvermoeibaar. _Dit Kruid blinkt gedurende den nacht; gedurende den dag kan de Specht alleen het Kruid Matagon ontdekken: de vogel fladdert op speciale manier voor- aleer het te grijpen; hij hardt er zijnen bek mee. (Roll.~ VIII, 126; naar Boudant: Hist.~ de Chantelle, 1862, p.~ 195)._ i. *Planten die den mensch verjongen.* De Tooveres Medea kon een Tooverdrank maken, waarmede zij den ouden Aeson, Jason's vader, verjongde. _Zij deed het op het verzoek van haren beminde, Jason, na den terugkeer der Argonauten in Jolkos, het rijk van Aeson. Men leze de omstandige beschrij- ving van die verjonging bij Ovidius. (Met.~ VII, 2). Voor mijn doel is het voldoende te zeggen dat Medea, negen dagen en negen nachten, Tooverkruiden plukte in Haemonia ("=" Thessalia) op de bergen Ossa, Pelion, Othrys, Pindus en Olympus: eenige Kruiden (`Herbas') trok zij uit om den Wortel, andere sneed zij het Loof met een koperen zeis af; -- dat zij nog Kruiden (`Gramina') las | | ^(1)^ Chelidonium majus L. | | | ^(2)^ Ophioglossum vulgatum L. | | | ^(3)^ Imperatoria ostruthium L. | | | ^(4)^ Meum athamanticum L. | | | ^(5)^ Peucedanum cervaria L. | | | ^(6)^ Carlina vulgaris L.~ en C.~ acaulis L. | | | ^(7)^ Mandragora officinalis L. | aan den oever van de rivieren Apidanus, Amphrysus, Enipeus, Peneus, Sperchius en Boebes (een meer met Biesovers); -- dat zij plukt te Antedon het Altijd groenend Kruid (`Vivax Gramen')^_(1)_^, dat daarna Glaukus'~ lichaam tot zeegod vervormde en hem onsterfelijkheid schonk (z.~ beneden); -- dat de reuk der Krui- den de draken van haar gespan een nieuwe huid schonk; -- dat zij twee autaars van Graszoden oprichtte en ze omstak met IJzerkruiden (`Verbenis')^_(2)_^ en groene Meien; -- dat ze daarna door Tooverzang Aeson in slaap zong en hem op gestroolde Kruiden uitstrekte; -- dat in een koperen ketel haar krachtige hutsepot (`validum medicamen') begon te koken en te schuimen; daarin waren de Wortelen, het Zaad, de Bloemen en de bittere Sappen van de Tooverkruiden; -- dat zij het brouwsel met eenen Olijftak^_(3)_^ omroerde, die lang dor was geweest, doch in 't heet Sap begon te groenen, en Bladeren en Olijven te dragen; -- dat het schuim van den ketel op de aarde viel en deze groende en Bloemen en zachte Aardplanten opwierp; -- dat zij eindelijk, bij het zien van de kracht van haar brouwsel, den ouden man de keel afstak, hem het oude bloed aftapte en hem met haar Tooversap opvulde: Aeson's haar en baard werden zwart, zijn lichaam kreeg een gezonde kleur, de holle en leege ren zwollen door nieuw bloed en zijn leden werden opnieuw jeugdig! Vgl.~ boven IV, Medea-kruiden; naar eenigen werden de op den grond gespatte droppels van dit Levenssap het Kruid Epheme- ron of Herfst-Tijloos^_(4)_^._ De vermaarde Cagliostro verjongde zich alle vijftig jaar. In zijn verjongingskuur gebruikte hij Ruit^(5)^, Salie^(6)^, Valeriane^(7)^, IJzerkruid^(8)^ en Melisse^(9)^ -- alle Heilkruiden. _Ziehier overigens het geheim van Cagliostro's regeneratie-methode: Alle vijftig jaar moest men eene `retraite' van veertig dagen doen -- een soort van jubilaeum -- met een getrouwen persoon en in 't volle veld en in den tijd van de volle Meimaan; -- gedurende die veertig dagen vastte men, en men dronk niets anders dan Meidauw, dien men op het groene Koren met een zuiver en wit linnen verzamelde, en men at niets anders dan tengere en versch opgeschoten Kruiden; -- elke maaltijd moest men beginnen met een groot glas dauw en | | ^(1)^ Gr.~ Azoon. Naar Dierbach: Sempervivum heptapetalum Poir.~; naar Leunis | is Azoon van Theoprast Sedum amplexicaule DC.~ en het groot Azoon van | Dioskorides Sempervivum arboreum L. Vgl.~ Teirl.~ PK.~ 81. -- Het geslacht Azoon | van Linnaeus en de soorten Sedum azoon L.~ en Saxifraga azoon Jacq.~ hebben | niets met het Azoon der Ouden te maken. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. Doch eenigen meenen dat Verbenae gewijde Takken | (of van Laurier, Laurus nobilis L.~, of van Mirt, Myrtus communis L.~, of van | Olijf, Olea europaea L.~) waren. Z.~ Teirl.~ PK.~ 112. | | | ^(3)^ Olea europaea L. | | | ^(4)^ Colchicum autumnale L. | | | ^(5)^ Ruta graveolens L. | | | ^(6)^ Salvia officinalis L. | | | ^(7)^ Valeriana officinalis L. | | | ^(8)^ Verbena officinalis L. | | | ^(9)^ Melissa officinalis L. | eindigen met een beschuit of een korste brood; -- den 17"e""n" dag lichte bloedlating; -- en 's morgens nam men zes druppels Balsem van Azoth^_(1)_^ en 's avonds ook zes; en alle dagen, tot den 32"e""n", verhoogde men de dosis met twee druppels; -- men liet nogmaals lichtjes bloed bij morgenschemering, en vervolgens sliep men en bleef men te bed tot het einde van de veertig dagen; -- na deze bloedlating nam men, bij 't eerste ontwaken, `un premier grain de mdecine universelle^_(2)_^' -- daarna viel men in bezwijming die drie uren duren moest; men kreeg stuipen en zweette hard; men evacueerde veel; daarna veranderde men van lijnwaad en van bed; -- nu nam men een `consomm' van ossevleesch, toebereid met Ruit, Salie, Valeriane, Verbena en Melisse; -- daarna een tweede `grain de mdecine universelle'; -- daarna een lauw bad; -- den 36"e""n" dag dronk men een glas Egyptischen wijn en den 37"e""n" een derde en laatste `grain de mdecine universelle'; -- vervolgens viel men in een diepen slaap; en de haren, de tanden en de nagels vernieuwden zich, ook de huid; -- den 38"e""n" dag nam men een bad gereedgemaakt met de bovengenoemde aromatische Kruiden; -- den 39"e""n" dag dronk men twee lepels rooden wijn en tien druppels van het Elixir van Acharat (nl.~ van Cagliostro, want hij noemt zichzelf Acharat); -- den 40"e""n" dag was 't verjongingswerk voleind en de oude mensch jongeling geworden. (Lvy: Hist.~ d.~ l.~ Magie, 433; z.~ ook Lvy H.~ M.~ I, 287). Cagliostro beweerde, door deze methode, verscheiden eeuwen geleefd te hebben. De waarheid is dat Joseph Balsamo -- dt was zijn echte naam -- maar ruim 50 jaar (1743 tot 1795) geleefd heeft._ Osseo maakt zich opnieuw jong met door een hollen Eik^(3)^ te kruipen. _Osseo is een der personages van Longfellow's Hiawadha. Z.~ b.v.~ de verta- ling van G.~ Gezelle, blz. 103._ Nieswortel^(4)^ verjongt. _Zoo leert ons Dod.~ (632): `Inghegheven zijnde op bequaemen tijdt ende bequaeme persoonen / maeckt een beter complexie / ende daerom oock veel beter zeden ende manieren / ende 't lichaem ghesont / ende al oft het iongh waere'._ Ook het afkooksel van het Leeuwenmuiltje^(5)^. _En met Leliesap^_(6)_^ vermengd bewaart het de jeugd. (Perger, 172)._ | | ^(1)^ Bij Paracelsus beteekent Azoth een Mercurius metallicus die uit het vol- | maakte Metaal verwerkt wordt. -- of de Mercurius philosophorum duplicatus. | die uit Zwavel, Goud en gemeenen Mercurius bestaat; of ook bij sommigen het | Grootste Geneesmiddel uit Mercurius Aurum (Goud) en Argentum (Zilver) be- | staande; -- of den Mercurius fixus of Grootste Geneesmiddel van Paracelsus | (Woyt, 96). | | | ^(2)^ D.i.~ van Mercurius astralis vermengd met Zwavelgoud. | | | ^(3)^ Quercus, en wel een Amerikaansche soort als Q.~ rubra L.~ en andere. | | | ^(4)^ Helleborus niger L. | | | ^(5)^ Artirrhinum majus L. | | | ^(6)^ Lilium candidum L. | En honig van Squilla-azijn maakt gezond en jeugdig. _Squilla is de naam van den Zeeajuin^_(1)_^. Zeeajuin-Honig (Oxymel scilliti- cum), een reeds bij de Ouden gebruikt Heilmiddel, `bewaert de ghesontheydt ende houdt den mensche langh ieuchdigh ende iongh / maer maeckt hem maegher'. (Dod.~)._ Niet alleen Meidauw van het groene Koren (z.~ boven), even- eens het heldere water dat zich verzamelt tusschen de vergroeide Bladeren van de Kaardebollen^(2)^, verjongt. _`L'eau qui sjourne dans les feuilles du Bnitier' -- Fransche volksnaam -- `a les mmes proprits que l'eau bnite de Pques, et elle fait devenir beaux les jeunes et rajeunit les vieux qui s'en servent pour se laver la figure'. Aldus te Bournois (dp.~ Doubs): Roll.~ VII, 14; Daar Roussey, p.~ 381._ Om een jong aangezicht te hebben wascht men het met Anijs- water^(3)^. _Aldus Perger, 202._ De drager van het wonderbare Varenzaad^(4)^ blijft eeuwig jong. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 112). Senneblaren^(5)^ maken een jeugdig lichaam. (Dod.~). Insgelijks gekonfijte Myrobolanen^(6)^. _De nog groen zijnde Myrobolanen, in suiker gekonfijt, `verachteren... den ouderdom / maecken den mensche ieuchdigh / doen hem een goede verwe ende oock goeden reuck over sijn lichaam krijghen ende behouden'. (Dod.~ 1397)._ In China spreekt men van twee vermaarde Planten, die ver- jongden en aan oude menschen nieuwe kracht schonken, nl.~ Gin- seng en Pusu. _Ginseng (of Genseng) is de naam der eerste Plant. Het is een soort van veeljarige Araliacee^_(7)_^ met peenvormigen Wortel, soms tweespletig en gelijkende op de twee beenen van den mensch. Deze Wortel was het Plantdeel dat men | | ^(1)^ Scilla maritima L. | | | ^(2)^ Dipsacus fullonum L. | | | ^(3)^ Pimpinella anisum L. | | | ^(4)^ Alle gemeene groote Varensoorten. | | | ^(5)^ Cassia sena L.~, de bekende purgeerplant. | | | ^(6)^ De gele Myrobolanen zijn de Vruchten van. den gelen Myrobolanenboom | (Tenninalia chebula Roxb.~), een Oostindische Combretacee, ofwel die van den | zwarten Myrobolanenboom (Emblica officinalis L.~), eene Euphorbiacee. | | | ^(7)^ Panax ginseng C.~ A.~ Meyer. | benuttigde; de namen Sineesche Krachtwortel (hgd.~ `Kraftwurzel') en Leven- verlengende Wortel (hgd.~ `Lebensverlngerungswurzel', aldus bij Leunis), de Fransche `Recette d'Immortalit', `Merveille de l'Univers', `Esprit de la Terre' en `Premire des Plantes' wijzen op de wonderbare krachten van den Ginsengwortel: hij verlengde het leven, verjongde, maakte onsterfelijk, sterk, (in den mond gehouden) bestreed alle vermoeienis, ja, hij was een echt Panacea (een Alheelkruid: gr.~ pan "=" al, akos "=" heelmiddel) d.i.~ een universeele remedie tegen alle ziekten. -- De 17"e"-eeuwsche missionaris Martini (naar Kircher, China illustrata) beweert: `Nomen sinicum illi' (nl.~ Ginseng) `a figura, divaricatis quippe cruribus hominis formam refert (gin porro hominem significat)'. Gen- seng wil zeggen `semblable l'homme' naar de gevorkte gedaante der Wortelen (Mrat en De Lens, Dict.~ i.v.~ Panax). Vgl.~ Gub.~ I, 222. Eenigen identificeeren Ginseng met de Sino-Japaansche Schermbloemige Ninsing (of Ninzi)^_(1)_^, wiens Wortel insgelijks wonderbare heilkrachten bezat. Over het Kruid Pusu weet men niets meer dan hetgene Kircher (naar Martini) er over vertelt: Pusu, in water geweekt en gedronken, verandert grijs haar in zwart en maakt den mensch, door ouderdom gebroken, weder jong. (Gub.~ I, 221)._ j. *Planten die onsterfelijk maken; Verrijzenisplanten.* Bij de verjongende Gewassen sluiten zich natuurlijkerwijze aan de Planten die beletten te sterven, of die aan de gestorvenen het leven terugschenken. 1. Onsterfelijk-makende Planten. De Goden -- evenals alle levende wezens -- moesten eten en drinken, ten einde onsterfelijk en eeuwig jong te zijn en te blijven. De Grieksche Goden aten Ambrosia en dronken Nektar, de Indische Amrita of Soma (Haoma). _Over Ambrosia, het aangenaam riekende en smakende Godenvoedsel, en Nektar, den Godendrank, raadplege men de speciale werken over Greco-Latijnsche Mythologie. Bij Virgilius is Ambrosia een Plant met welriekende sappen waarvan met te vergeefs de identificatie zou zoeken. De Ambrosia van Dioskorides en Plinius was misschien een soort van Bijvoet, voor eenige de Zee-Bijvoet^_(2)_^ (aldus b.v.~ Dodoens); -- voor anderen de Zee-Ambrosia^_(3)_^ (aldus Leunia, 699). -- Linnaeus gebruikt den naam Ambrosia voor een geslacht van welriekende Samen- gesteldbloemigen. Vgl.~ Teirl.~: Plantl.~ 138. | | ^(1)^ Sium ninzi L.~ ("=" S.~ ninsing Thunb.~). | | | ^(2)^ Artemisia maritima L. | | | ^(3)^ Ambrosia maritima L. | Over Amrita (-ta) of Soma zie Teirl.~ PK.~ 114 en vvgg.~ -- De Soma, die men thans nog in Indi gebruikt, is een Asclepiadacee: naar Roth.~ (Gub.~ II, 350) Sarcostemma acida (S.~ brevistigma); -- Daar Hille Ria Lambers (Wijzen van het Oosten), Sarcostemma viminalis. Anderen brengen de Onsterfelijk-ma- kende Plant tot den Indischen Kuischboom^_(1)_^. (Gub.~ l.~ c.~), -- of tot den Kokkelsstruik^_(2)_^ (Mrat en De Lens, Dict.~); -- of tot den Bonduc^_(3)_^, een Capparidaceechtige Boom, -- of tot de Hazelbladige Psoralea^_(4)_^, een Vlinder- bloemige. Met de Amrita worden nog de volgende Planten in verband gebracht (z.~ Gub.~ I, 33-34): de drielobbige Suikerboon^_(5)_^; -- de Amlaboom^_(6)_^ die de zwarte of grauwe, eetbare Myrobalanen geeft; -- de citroengele Myrobalanen- boom^_(7)_^; -- de hartbladige Kokkelsboom^_(8)_^; -- de lange Peper^_(9)_^; -- het heilig Basilicom^_(10)_^; -- de Kolokwint^_(11)_^; -- de Wondererwt^_(12)_^; -- de Gevingerde Hondstand^_(13)_^; -- de Wijnstok^_(14)_^. A.~ Kub (Die Herabkunft des Feuers u.~ d.~ Gttertranks, 1886) heeft de Soma met de Amrita gedentificeerd (z.~ nog Gub.~ II, 349 vgg.~)._ In de Noorsche mythologie bewaart Godin Idun, Bragi's ge- malin in hare lade de wonderbare Appelen^(15)^, waarvan de Goden aten ten einde opnieuw jong te worden als ze begonnen te ver- ouderen, en die hen dus onsterfelijk maakten. _Op een schild dat den Skald Thjodolf von Hwin (c.~ 900) geschonken werd en dat hij beschrijft, stond de Roof dezer Onsterfelijkheidsappelen door den Reus Thjazi afgebeeld. De sage luidt; De Goden Odin, Loki en Hni zijn op wandel en zieden eenen Os, maar het vleesch kan niet gaar komen. Want Thjazi, die als Arend boven hen op eenen Boom zit, verhindert dat, tot zij eindelijk hem een stuk van den Os beloven. De Arend grijpt onbescheiden toe: tot eersten beet neemt hij eene lende en de twee voorschouders van den Os! Vol toorn stoot Loki Thjazi eene stang in het lijf. De vogel vliegt op, en, daar de stang in hem vast steekt en Loki ze overigens ook vasthoudt, moet deze mee. De Arend vliegt zoo dichtbij den | | ^(1)^ Vitex negundo L. | | | ^(2)^ Cocculus suberosus DC. | | | ^(3)^ Guilandina bonduc L. | | | ^(4)^ Psoralea corylifolia L. | | | ^(5)^ Phaseolus trilobus Willd. | | | ^(6)^ Emblica officinalis Gaertn. | | | ^(7)^ Terminalia citrina Roxb. | | | ^(8)^ Cocculus cordifolius DC. | | | ^(9)^ Piper longum L. | | | ^(10)^ Ocimum sanctum L. | | | ^(11)^ Cucumis colocynthis L. | | | ^(12)^ Cardiospermum halicacabum L. | | | ^(13)^ Panicum dactylon L. (Cynodon dactylon Pers.~). | | | ^(14)^ Vitis vinifera L. | | | ^(15)^ Malus communis L. | bodem dat Loki met zijne voeten Steenen en Hout strijkt en dat zijne armen uit zijne oksels dreigen gerukt te worden. Loki smeekt den Arend om vrede; doch Thjazi wil hem niet loslaten, eer Loki zweert dat hij hem Idun met hare Appelen zal overleveren. Loki zweert het, komt los en keert terug bij zijne reisgenooten. Als de met den Arend afgesproken tijd daar is, lokt Loki Idun naar een Woud; hij heeft daar wonderschoone Appelen gevonden en hij bidt Idun hare Appelen ter vergelijking mee te nemen. Thjazi, in Arendsvorm, komt nu in het Woud en vliegt met haar voort. De Goden missen hunne Onsterfelijkheidsspijs en worden snel grauwharig en oud; zij vorschen naar den schuldige en ontdekken Loki, die, op doodsstraf, Idun met hare Appelen moet wedergeven. De verschrikte Loki belooft het, doch Freyja moet hem haar Valkenkleed (dat haar in Valk herschept) leenen. Als Valk vliegt Loki naar Thjazi. Deze is op zee gevaren, Idun alleen thuis. Loki verandert ze in eene Noot^_(1)_^, die hij in zijnen klauw houdt en vliegt naar de Goden heen. Bij zijn terugkeer vindt Thjazi Idun niet, hij doet zijn Arendskleed aan en achtervolgt Loki. Als de Goden den Arend zien naderen, verzamelen zij, op en hoop, Houtspaanders, en nauw heeft de Arend zich binnen de Burgmuren nedergelaten, of zij werpen vuur in de Spaanders; Thjazi kan niet snel genoeg opvliegen, het vuur brandt hem de vederen, de Goden snellen bij en dooden hem; Thor is 't die hem versloeg en ten aandenken zette hij Thjazi's oogen als sterren aan den hemel. (Naar Herr- mann, N.M.~ 442). De verjongende en onsterfelijkmakende Appelen van Idun zijn veeleer symbolische Appelen, want de `Nordleute kannten am Ende der heidnischen Zeit nur die wilden Aepfel, uod es ist kaum glaublich, dasz deren bitterer scharfer Geschmack die Vorstelluog von der wuoderttigen Kraft der Aepfel hervor gerufen haben'. (Herrm.~ l.~ c.~). Ook verwijst Herrmann, ter verklaring van dit eerste mo- tief der sage, naar den Bijbelschen Boom des Levens met de verboden Vruchten (dikwijls als Appelen opgevat). -- De Godin Idun werd met hare Appelen geroofd en dat tweede motief der sage verwijst naar de welbekende Hesperiden- sage._ In het Aardsch Paradijs stond de Boom des Levens, wier Vruchten den mensch de Onsterfelijkheid schonken. _Zie over dezen Wonderbaren Boom, Teirl.~ PK.~ 233-236. Adam en Eva mochten er van eten, vor den zondenval; daarna niet meer. Als Levensboom werden aangegeven de volgende Plantsoorten; 1"o" De Indiaansche Wonderboom (Koning; Lex.~ hier.~ 175) of Mangleboom^_(2)_^; -- 2"o" De Palmboom^_(3)_^ (id.~), -- 3"o" De Thuyaboom^_(4)_^, bij Dodoens Boom des Levens, Arbor vitae; -- 4"o" De | | ^(1)^ Juglans regia L. | | | ^(2)^ Rhizophora mangle L. | | | ^(3)^ Phoenia dactylifera L. | | | ^(4)^ Thuya (Biota) orientalis L. | Zevenboom^_(1)_^; -- 5"o" De Pijn bij de Perzen; -- 6"o" De Cipres^_(2)_^, ook in Perzi; -- 7"o" De Sykomoor^_(3)_^ (Woenig, 285, 287). De Babylonirs en de Assyrirs kenden insgelijks eene Plant des Levens. (Reinach, I, 17, 20)._ Door de kracht van een Strandkruid met groene, daarna blauwwordende Bladeren wordt de visscher Glaucus in een on- sterfelijken Zeegod herschapen. _Dat Tooverkruid zou zijn het Vetblad met zeven Kroonblaadjes^_(4)_^, en het droeg den naam van Azoon d.i.~ Eeuwiglevend Kruid (vgl.~ ook boven, i.~). -- De Sage luidt (naar Ovid.~ Met.~ XXIII, 5): Glaucus vischte bij Anthedon (in Beoti), en wierp zijn gevangen visschen in 't gras; `de vis op 't gras gesmakt begost te spartelen, sig om te wippen, en op 't land gelijk in 't water te swemmen' (vert.~ van Valentijn); daarna springen al de visschen opnieuw in 't water; de kracht van zeker aldaar groeiend Kruid had dt uitgewerkt; Glaucus plukte het, kauwde het: hij kreeg een vreemden trek van 't land naar 't water; hij duikelde in de zee, sprak negenwerf een `besweer-vers' uit om zijn zondig vleesch te reinigen en werd honderdwerf met versche rivieren overstolpt; hij viel in be- zwijming en, na deze, had hij een groenen baard, haarlokken die hij over zee nasleepte, hooge schouders, blauwe armen, ineengekrolde dijen en beenen, en een gevinden visschestaart: hij was door de kracht van het Wonderkruid in Zeegod herschapen. Z.~ ook Teirl.~ PK.~ 87; Dod.~ 1110; Dierb.~ 195._ Het Kruidje Wederdood bewaarde voor den dood, belette dus te sterven. _Zie boven blz.~ 229._ Ook met Zonnedauw^(5)^ maakten de Alchimisten een en on- sterfelijksdrank. _Aldus Shns, 27._ Wie alle dagen een Jeneverbes^(6)^ eet, zal eeuwig leven. _Zoo zeggen de Italianen. (Shns, 46; naar Leoprechting: Am Lechrain, 1855)._ En Ginseng (Panax ginseng Meyer) bezat onsterfelijk-ma- kende kracht. | | ^(1)^ Juniperus sabina L. | | | ^(2)^ Cupressus sempervirens L. | | | ^(3)^ Ficus sycomorus L. | | | ^(4)^ Sedum heptapetalum Poir. | | | ^(5)^ Drosera rotundifolium L. | | | ^(6)^ Juniperus communis L. | 2. Planten die den doode het leven terugschenken. Men zou ze kunnen Verrijzenis-planten heeten. Het zijn `on- genoemde' Wonderplanten. Hier mogen gerangschikt worden: De Tooverwortel van den Dwergenkoning Engel. _De Reus Kuperan bewaakt, op den berg, eene maagd, die door eenen Draak werd geroofd. De jonge held Hoornen Seyfried verlost ze: hij overwint eerst den Reus, daarna den Draak; doch is door den hevigen strijd zoodanig vermoeid dat hij naast de verloste jonkvrouw als dood nedervalt. Engel haalt eenen Heelwortel die hem weder levend maakt. (Mannh.~: Ant.~ W.~ u.~ Feldk.~, 55)._ In Grimm's mooi Sprookje `de Twee Broeders' komt een Tooverwortel voor, waarmede een onthoofde opnieuw levend wordt. _Dit Sprookje gelijkt zoowat op de Sage van den Hoornen Seyfried: Een jonge jager verlost eene Koningsdochter, die door eenen Draak zou verslind worden. 't Gebeurt op eenen berg. De jager doodt den Draak en valt door vermoeienis in slaap, evenals de Koningsdochter. Hij heeft vijf getrouwe dieren: een Leeuw, een Beer, een Wolf, een Vos en een Haas. Zij moeten over de slapende waken: eerst de Leeuw, die ook vaak krijgt en den Beer gebiedt te waken; deze brengt hetzelfde gebod over aan den Wolf en valt ook in slaap; en zoo slapen de vier eerste dieren en de Haas alleen waakt. Doch deze valt op den duur zelf in slaap, en de nijdige hofmaarschalk, die mede gekomen is, houwt den jager den kop af en vlucht naar het paleis met de Jonkvrouw. Hier zal bij zeggen dat hij de Koningsdochter verlost heeft. De dieren worden wakker en zien hunnen heer onthoofd liggen, de maagd is weg. De vier sterkste willen nu den Haas dooden, die smeekt: `Dood mij niet, ik zal onzen Meester opnieuw levend maken: ik ken eenen berg, daar groeit een Wortel; wie hem in den mond heeft, wordt van alle krankheid en wonden genezen'. En de Haas haalt den Tooverwortel, steekt hem in den mond van zijnen meester; het hoofd wordt op den romp gezet en de meester wordt levend. Doch de Leeuw heeft, te haastig, het hoofd verkeerd geplaatst; hij rijt het van het lijf, zet het goed op en door den Tooverwortel is de jager als eerst geworden. (Grimm, K.H.M.~, n"r" 60). Gemelde Tooverwortel doet een derde maal een gelijk wonder. -- Men leze in Grimm's deel III, de interessante aanmerkingen op dit Sprookje._ Het Tooverkruid van Oriande schenkt aan Malegijs het leven terug. _Toen Oriande haar lief zag liggen dood `tegen die aarde', `is gegaen tot Malegijs daer hi lach, ende heeft hem den helm ontsloten ende den mont open gebroken, ende heeft hem een sonderlinge Cruyt gegeven, so dat hi begonste te blasen ende azem te geven'. (Ed.~ Kuiper, 66)._ De Tooverkruiden van Ist (!solde) en hare moeder brengen hetzelfde uitwerksel teweeg op Tristan. _Hier is opnieuw sprake van eenen Draak die in Ierland land en lieden leed toebrengt. De Koning zweert dat de dooder van den Draak zijne dochter tot vrouw zal krijgen. Tristan doet het, snijdt den draak de tong uit en steekt deze in zijnen boezem. In de woestenij, in een verborgen plaatsje, legt hij zich ter ruste, want hij is zoo afgemat dat hij nauw nog leeft. De zeever die uit de Draketong vloeit, beneemt hem om zoo te zeggen het leven. De drossaard van den Koning komt, zoekt te vergeefs naar Tristan, doch vindt den dooden Draak en zegt ten paleize dat hij de dooder is. Doch Ist en hare moeder gelooven hem niet; zij gaan naar de strijdplaats en vinden Tristan, die als ontzield dood ligt. Zij verwijderen de Drakentong en door middel van een Theriak, dat uit Wonderplanten en Honig bestaat, roepen zij den held tot het leven terug. (Mannh.~ A.~: W.~ u.~ FK.~, 55; naar Gottfrit's Gedicht)._ Door de krachten van een zoogenaamd Slangenkruid wordt de doode Petru Firitschell opnieuw levend gemaakt. _Petru Firitschell grijpt een duimgrooten Dwerg bij zijnen baard en volgt hem, met zijne broeders, in een diep hol, waar de broeders hem in den steek laten. Hier doodt hij menigen Draak. Eindelijk overwint hij een twaalfkoppigen Draak, wien een Keizersdochter ten offer is gebracht. Hij snijdt de twaalf tongen uit de twaalf koppen en valt op den schoot der Jonkvrouw in slaap. Een Zigeuner doodt hem; maar een heelkrachtig Slangenkruid roept hem tot het leven terug (Mannh.~ l.~ c.~). Eveneens een variante van hetzelfde thema._ Met den Wondertwijg van Gilgamsh zouden Ebani verrijzen en de inwoners van Oeroek onsterfelijk worden. _De Assyrische stad Oeroek bevond zich onder de macht van de Elamieten. Om de stad te redden schiepen de Goden den held Gilgamsh. Deze verlost Oeroek, geholpen door Ebani, een monster-halfmensch, die hij hiertoe verleiden kon. Doch bij 't terugkeeren verstiet Gilgemsh de liefde van de Godin Ishtar, die uit wraak hem met melaatschheid sloeg. Orakels zegden kem dat, verre in het Oosten, in een eiland een wonderbron opborrelde, die hem genezen en onsterfelijk zou maken. Maar de weg was vol gevaar en Ebani werd gedood al zijnen vriend te verdedigen. Gilgamsh kwam toch eindelijk in het eiland en Xisoathros, een der Koningen van de Schepping, leidde hem naar de bron. Gilgamsh werd genezen, vertrok en nam met zich mede eenen mirakuleuzen Twijg, waardoor Ebani zou verrijzen en de inwoners van Oeroek onsterfelijk worden. Maar dat maakte de Goden zeer ongerust: zij zonden tegen Gilgamsh een Serpent dat hem de Tooverplant ontroofde. Ehani kon niet tot het leven teruggeroepen worden; maar zijne ziei mocht, in het paradijs der Goden, die van de helden vervoegen die op de slagvelden gesneuveld waren. (Larousse, i.v.~ Gilgamsh; naar P.~ Haupt: das Babylonische Nimrod-Epos, 1884-1892)._ Naar Albertus Magnus'~ Sekreten is het Kattenkruid^(1)^ een Verrijzenisplant. _Het kan doode Vliegen en Bijen weder doen leven. Z.~ boven III, b, 35)_ | | ^(1)^ Nepeta cataria L. | *VII. Heksenschepsels.* Heksen en Toovenaars scheppen wezens: zij willen, ver- waand, evenals de Duivel. den almachtigen God nadoen. Zij scheppen Planten uit reeds bestaande wezens; -- vervormen Planten tot andere wezens (menschen, dieren); -- vervormen bestaande wezens (niet-Planten) door de wonderkracht van zekere Planten. Dat alles behoort tot het gebied der Plantlore. 1. Zij scheppen Planten (Phytogenesis). Een Duitsch sprookje vertelt dat de Peterselie^(1)^ door eenen Toovenaar werd geschapen uit eenen jongen die Peter en een meisje dat Selie (of Silie) heette. _Peter en Silie leefden niet vriendelijk met elkander. Nauwelijks waren zij bijeen of zij twistten en vochten. 't Was een hatelijk gedoe en hierom werden zij vaak bekeven. Nu die kinderen hadden eene kennis, eenen Toovenaar. Het ergerde dezen dat zij zoo vijandig tegen elkaar waren, en hij zel op eenen dag: `Wacht maar, gij leelijke kinders! ik zal u doen aaneengroeien, en zoo zult gij wel moeten samen vriendelijk leven en nooit meer strijden!' Eens Waren belden in den tuin en keken elkaar onvriendelijk aan, en plots brak de twist opnieuw los; Silie sloeg Peter en Peter sloeg Silie. Daar vaarde de Toovenaar uit de lucht bij en raakte ze aan met zijnen Tooverstaf: Peter groeide den grond in als een Wortel, en Silie wies boven hem als groen gesnippeld Kruid met gele Bloempjes; zij waren aaneengegroeid tot ene Plant en de Toovenaar heette deze -- Petersilie? (Rel.~ en Bohnh.~, 330; naar Thekla von Gumpert). Dat schijnt me geleerde volksetymologie van eenen of anderen paedagoog!_ De reiziger J.~ B.~ Tavernier (1605, "+" 1689, te Parijs geboren, maar zijn vader was de Antwerpenaar Gabril Tavernier) ver- haalt hoe Toovenaars een Mangoboom^(2)^ met rijpe Vruchten schiepen. _'t Gebeurde te Baroche (Barotch) in Oost-indi. De Toovenaars namen een klein stukje Hout, plantten het in den grond en vroegen aan een van 't | | ^(1)^ Petroselinum sativum Hoffm. | | | ^(2)^ Mangifera indica L. | gezelschap, welke Vruchten hij begeerde Men. antwoordde dat men Mango's wenschte. Toen bedekte zich een der Toovenaars met een linnen, en hurkte 5-6 maal ten gronde neder. Door nieuwsgierigheid gedreven klom Tavernier in eene booger gelegen kamer en zoo kon hij langs een opening van het gebruikte linnen zien wat de man deed: hij bemerkte dat de Toovenaar, met een scheermes, zijn vleesch onder de oksels doorsneed en met zijn bloed het stukje Hout over- wreef. Iedermaal hij zich ophief, groeide het Hout hooger en. de derde maal, schoot het Twijgen met Botten. De vierde maal stond de Boom met Bladeren bedekt en, de vijfde maal, kreeg hij Bloemen. De Vruchten kwamen niet; want een Engelsche bedienaar van den godsdienst, die bij het Tooverwerk aanwezig was, laakte openlijk de Christenen, die zulke schouwspelen bijwoonden; en hij ging naar den Boom toe. die reeds 4 5 voet hoog was en Bladeren en Bloemen droeg, en brak hem aan stukken. (Lvy, Hist.~ Mag.~, 355-6; naar Clever de Maldigny) . Vgl.~ ook Faust's en Alb.~ Magnus'~ Tooverwerken, boven IV._ Menschen worden ook door Heksen of Toovenaars in Planten herschapen. De Pruisische Generaal Joachim von Ziethen (1699. "+" 1786) -- tevens een Heksenmeester -- veranderde op zekeren dag zijne soldaten in Boomen. _Oostenrijkers en Russen, in overmacht, achtervolgen zijn leger. Hij zegt: halt!, slaat een kruis en murmelt eenige Tooverwoorden: zijn leger is Bosch geworden! Hijzelf klautert op eenen Eik. De vijanden komen, loopen door het Bosch, kappen toornig hier en daar eenen Tak af en snellen verder. Als ze weg zijn, verandert Ziethen opnieuw de Boomen in zijn soldaten. Nu blijkt het dat eenige zijner mannen een kap gekregen of zelfs het hoofd verloren hebben. De Pruisen vallen den vijand ruggewaarts aan en verslaan hem. Aldus in de Altmark. (Teirlinck, Plantl.~, 86-87; Perger, 268; naar Temme: Die Volkssagen d.~ Alt- mark, 68). -- In Bohemen beet men de Kamillen (Matricaria chamomilla) `Her- mnnchen' en men verklaart dat het verwenschte soldaten zijn. (Grohmann, Abergl.~ aus Bhmen, enz.~ 1864, 100)._ Toovenaressen vervormden menschen in Boomen door middel van betooverde Vruchten. _Een held of eene heldin waren noodig om het tooverwerk te breken. (Gub.~ I, 157)._ Een Zwabische Sage zegt dat de wilde Suikerei^(1)^, die men langs de wegen bloeiende vindt -- vanhier de naam Wegewarte -- een betooverde Jonkvrouw is. | | ^(1)^ Cichorium intybus L. | _Zie de sage bij Meier, nr 264 (3). Naar het volksgeloof zijn al deze Wegewarten (Weghoedsters) betooverde of verwenschte menschen: de gemeenste blauwe zijn booze lieden, de zeldzame witte integendeel goede. (Perger, 127)._ Toovenaars en Heksen konden des noods, door eigen macht, Planten worden. _Zie boven I._ Uit hun speeksel ontstaat de Hertszwam^(1)^, tamelijk gemeen in onze bosschen. _Bij Salomon-Voss heet zij daarom `Hexenspizet' ("=" Heksenspeeksel). -- Naar Theophrastus, Matthiolus en anderen komt zij voort uit het op den grond vallende zaad der Herten, als deze spelen of genereerende zijn. (Van Sterbeeck: Tonn.~, 317)._ En uit hun uitbraaksel spruit de Zwam, die Heksenboter^(2)^ heet. _Zie over Heksenboter meer boven II, 24._ En uit den navel eener Heksendochter ontspruit een gouden Scheerling^(3)^. _Door die Scheerling herkent de moeder-Heks hare dochter. Aldus een Finsch sprookje. (Emmy Schreck; Finn.~ Mrchen, blz.~ 70)._ Waar zij dansen. ontstaan de Heksenringen. _Zie I. Vgl.~ aldaar ook de Lycopodium-soorten, die hier en daar in Neder- land Heksendans worden genoemd._ Waar zij op Boomen nederzitten en rusten of rijden, groeien Heksenbessems. _Of worden er nagelaten door de rustende Tooveressen. Z.~ boven I, d._ 2. Zij herscheppen Planten in andere wezens. Eene Saksische Sage (uit de Lausitz) gewaagt van twee Too- venaars die zwarte Haverkorrels^(5)^ en Erwten^(6)^ in soldaten herschiepen. | | ^(1)^ Elaphomyces granulatus Fries. | | | ^(2)^ Fuligo septica Gm.~; -- of ook Spumalia alba DC. | | | ^(3)^ Conium maculatum L. | | | ^(4)^ Avena fatua L.~ met rosbruine haren. | | | ^(5)^ Pisum sativum L. | _Een tegenhanger van het bovenaangehaalde Goocheltoertje van Generaal von Ziethen. De Toovenaars waren de Poolsch-Saksische Generaal Jan-Paul Sybilski (geb.~ 1677, "+" 1763) en zekere Martin Pumphut. Deze kwam op eenen dag bij Sybilski en pochte op zijn Tooverkunst. Daarop greep Sybilski n handvol zwartbruine Haverkorrels en wierp ze in den kachelpot: zij werden er voetvolk, klauterden er uit, verzamelden zich op het kasteelplein en exerceerden er; daarna kropen zij terug in den pot en werden er opnieuw zwartbruine Haver- korrels. En Pumphut nam uit een vat dat vor het venster stond, een greep Erwten, smeet ze in den pot, waaruit zij als flink uitgeruste ruiters stegen. Doch vermits hij Sybilski's Tooverwoorden niet kende, kon hij ze niet terug in den pot tooveren; zij sloegen met hunne klingen op zijnen rug en zij luisterden eindelijk naar Sybilski's machtwoorden. (Meiche, n"r" 678)._ Bloemen worden Ratten. _De Stavenhagensche Tooveres -- te Galnow in Pommeren in 1678 levend verbrand -- bekende dat zij van Anna Bartholtz het Tooveren had afge- leerd, en dat Anna haar twee Bloemen had gegeven, waaruit twee Ratten ontstaan zijn. (Bekker, IV, 255)._ Heksen herschiepen Appels^(1)^ in Padden. (Teenstra, 31). Of Pruimen^(2)^ in Padden en Eikels^(3)^. _In een Friesch sprookje gebeurt die herschepping, (Dijkstra, II, 76-7). Vgl.~ hiermede de Wonderplant Suikerei^_(4)_^, wier Wortel alle zeven jaar een Vogel wordt; aldus Paracelsus. (Perger, 125)._ Zij veranderden Kaf, Stroo, Erwtenstroo, droge Bladeren, bepaaldelijk Elze-^(5)^, Beuke-^(6)^ of Eikebladeren^(7)^ in goud; of een Aardappel^(8)^ wordt zilveren beker, of een Braamblad^(9)^ een geneverglaasje. _Doch dat Heksengoud wordt vaak opnieuw Kaf, Stroo of dor Blad. Zie I, e; VI, c._ Of Schooven en Hooibundels worden, door hun Toovermacht, Paarden of Varkens en daarna opnieuw Stroo en Hooi. _Zie boven, IV, j, 8"o"; IV, k, 3"o"._ | | ^(1)^ Pirus malus L. | | | ^(2)^ Prunus domestica L. | | | ^(3)^ Quercus robur L. | | | ^(4)^ Cichorium intybus L. | | | ^(5)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(6)^ Fagus silvatica L. | | | ^(7)^ Quercus robur L. | | | ^(8)^ Solanum tuberosum L. | | | ^(9)^ Rubus-soorten. | 3. Zij vervormen menschen in andere wezens door middel van Tooverplanten. _Dat gebeurt vaak in Sprookjes. Een enkel voorbeeld: in het Sprookje van Goudhaantje (hgd.~ `Goldhhnchen'), een Thuringisch vertelsel, geeft eene Heks een Tooverkruid aan de Koningin, waardoor de Koning -- een voormalig Ezel- drijver -- Ezel wordt. Door het toedienen van een tweede, insgelijks ongenoemd Tooverkruid wordt hij opnieuw mensch. (Bechstein, 260-1). Vgl.~ Apuleus'~ Gulden Ezel, p.~ 94._ *VIII. Botanomancie of Waarzeggerij door Planten.* Waarzeggers voorspellen de toekomst of maken geheime dingen bekend. Zij kunnen terzelfdertijd Toovenaars zijn -- en waren het werkelijk dikwijls. Ook gewone menschen voorspellen wel eens wat gebeuren moet. De Waarzeggers Widolf en Iamos hebben een naam die met de Plant in verband staat. _Widolf was een Noorsche Reus, een `Wolf des Wouds' (wid "=" woud; olf "=" wolf). Hij bezat de gaven van het waarzeggen en was de vader van alle Waarzegsters (Herrmann, N.~ M.~, 168; naar: Hyndlaljp). -- De gekwetste Held Halfdan vlucht naar het Woud, waar Vitolfus ("=" Widolf) leeft en heerscht: hij verbergt er zich en verpleegt zijne wonden met den Bast der Woudboomen, met heilzame Kruiden en Wortelen van den Woudgrond. Vitolfus doet de ver- volgers van Halfdan door nevelen verdwalen, zoodat zij alle spoor van den Held verliezen. (Idem; naar Saxo Grammaticus: Gesta Danorum). Iamos was de zoon van Apollo en Evadn: hij werd geboren in een Woud, en werd er door zijne moeder verlaten op een bed van Viooltjes; vanhier zijn naam (gr.~ ion "=" Viooltje). Twee Serpenten voedden hem met honig en daarna werd hij door den Arkadir Epytos opgebracht. Apollo schonk hem de Waar- zeggersgave en Iamos ging naar Olympia, waar hij, op het altaar van Zeus, de toekomst voorspelde. (Larousse, i.~ v.~)._ Botanomancie is de algemeene benaming voor het Waarzeg- gen door middel van Planten. Xylomancie is Waarzeggerij door Houtstukjes, en een onderafdeeling wordt Rhabdomancie of Waar- zeggerij door Roedjes geheeten. De Divinatorische Planten kunnen in twee kategorien ge- schikt worden. a. *Divinatorische Planten in het algemeen.* 1. Ongenoemde Waarzeggende Planten. Bij de Germanen bestond de lotgissing met Twijgjes. Tacitus beschrijft ze als volgt: _Eenen telg van eenen Vruchtdragenden Boom gesneden, korten zij tot lootjes; aan elk dezer geven zij een bijzonder merk en werpen ze dan alle rompslomp door malkaar op een wit laken: Waarop de Priester, indien 't staats- zaken zijn, of de familievader, zoo 't hem en zijn huis raakt, met opgeslagen oogen de Goden bidt, ieder lootje driemaal opneemt en, naar elk teeken dat er op gesneden is, verklaart. Is 't dat deze teekens het voorgestelde werk afslaan, zoo valt er op dien dag over de zaak niet meer te beraden. Doch zoo zij 't toestaan, moet men nog het verder bescheid der Wichelaars zoeken. (Vgl.~ Bekker, I, 17; Herrmann, D.~ M.~, 484 en vgg.~). De Vruchtdragende Boom is, naar veier meening, de Beuk^_(1)_^ voornamelijk, of de Els^_(2)_^, de Hazelaar^_(3)_^, de Vlier^_(4)_^, de Jeneverboom^_(5)_^. (Herrmann l.~ c.~). De teekens der Staafjes kregen den naam runen, eindelijk ook de Lootjes zelf. (Herrmann, D.~ M.~, 484; Vercoullie, Et.~ Wdb.~ i.~ v.~ rune). Elk Staafje werd nog got.~ tains, on.~ teinn, ofr.~ tn, ags tn, hgd.~ en mhgd.~ zein, mnl.~ en ndl.~ teen (twijg) genoemd._ 2. Genoemde Waarzeggende Planten. =Boomen en Heesters.= De Eiken^(6)^ van Dodona waren Orakelboomen. _De Priesters luisterden naar het ruischen dezer Eiketwijgen, om aldus de orakels der Goden te kennen. (Z.~ hierover meer in Teirlinck, PK.~ 17 en vvgg.~)._ In het schip der Argonauten bevond zich een waarzeggend Hout. _Naar eenigen was het de mast, naar anderen het midden van de kiel. Dat Hout kwam van een Eik uit het heilige Dodonabosch. Het waarschuwde de varenden tegen alle nakend gevaar. (Teirl.~, PK.~, 18; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 7; G.~ Schwab: Die schnsten Sagen, 68), enz.~)._ Virgilius zegt dat de Eiken, door den bliksem getroffen, voor- spellende Boomen zijn. _`De caelo tactas memini praedicere quercus'; hetgene Bekker, I, 16 vrij vertaalt: `Een Eike kon vooraf van 't ongeluk gewagen, Door zwaren donderkloot geplet of neergeslagen'._ | | ^(1)^ Fagus silvatica L. | | | ^(2)^ Alnus glutinosa L. | | | ^(3)^ Corylus avellana L. | | | ^(4)^ Sambucus nigra L. | | | ^(5)^ Juniperus communis L. | | | ^(6)^ Quercus esculus L.~ ofwel Q.~ aegilops L. | De bekende Orakelspreuken van Praeneste stonden gegrift op den Eikeboom. _Zie de Sage van den droomenden Suffius bij Peucer (De Praecipuis Gene- ribus Divinationum, Wittenberg, 1580) en Gub.~ II, 65._ Wie onder eenen Hazelaar^(1)^ slaapt, heeft waarzeggende droomen. _Zie Perger, 245._ De Priester van Zeus raakte de Klimop^(2)^ aan, die hem door dit aanraken de prophetische gave meedeelde. _Rel.~ u.~ Bohnh.~, 66._ De drank van Jeneverbessen^(3)^ liet in de toekomst zien. _Gub.~ II, 195 (naar Plutarchus)._ De Daphnomancie was Waarzeggerij met den Laurier^(4)^. _Nadat de Moeder Aarde haar dochter, door Apollo vervolgd, in eenen Laurier had veranderd, heeft deze God den Heester, naar zijn geliefde, Daphne geheeten^_(5)_^; en hij heeft geplukt een Takje dat hij ineen heeft gevlochten als een Kroon, heeft deze op zijn hoofd geplaatst en `van dien tijdt af soo is den Laurus-boom altijdt een teeeken geweest van waersegginghen' (Dod.~ 1328 a); en de `waersegghers gheloofden dat sy daer door diepsinnigher wierden' (id.~ 1729 a); want Apollo was de God der voorspellingen. In de offeranden voor de Goden verbrandde men Laurier: als 't rustig en stil verbrandde, gold het als een slecht voorteeken en het duidde slechte tijden aan; 't waren goede, als het kraakte en knisterde. (Leunis, Syn.~, 487). `De Heydensche waerseggers wierpen de Laurusbladeren in 't vier eer sy iet voorsegghen wouden / om dat sy kraecken als Sout ter wijlen sy branden'. (Dod.~, 1329 a). En de Priesters van Apollo droegen Laurierkransen, om prophetische droo- men te hebben; of zij legden Laurierbladeren onder hun hoofdkussen om ware dingen te droomen. (Dierb.~, 55). | | ^(1)^ Corylus avellana L. | | | ^(2)^ Hedera helix L. | | | ^(3)^ Juniperus communis L. | | | ^(4)^ Laurus nobilis L. | | | ^(5)^ Dat is vast een sage of verdichtsel. Leunis en Kannegiesser brengen den | griekschen naam van den Laurier (nl.~ Daphne) tot phainomai "=" glanzen, met | de versterkende voorlettergreep `da': naar de glanzende Bladeren. De Botanisten | hebben den naam Daphne op een ander Plantengeslacht (ook met glanzende | Bladeren) overgebracht (Mizerieboom en dergelijke Soorten). | De Gods-waarzeggers, die zich met Theomancie bezighielden, bereidden zich tot hun arbeid met Laurierbladeren te kauwen (Dierb.~, 55), want zulks gaf hun Waarzeggingsgeest. En toen Pythia naar den met Laurierbladeren om- wonden driepikkel schreed, kauwde zij het loof van dezen Heester; daarom noemde men haar Daphnephagos ("=" Lauriereetster). (Leunis, 487)._ De Kongoleesche Toovenaars die willen weten of zij een door hen ziek gemaakt mensch mogen dooden en opeten, doen de Palmkernproef. _Zij nemen hun Toovermandje (`pidi kiengele') en werpen met, een Palmkern (`nkandi') driemaal naar dit mandje; komt de Palmkem driemaal op hun voorhoofd teruggekaatst, dan moeten zij den mensch laten leven; doch blijven drie toegeworpen Palmkemen in het Toovermandje liggen, dan kunnen zij, straffeloos, den mensch dooden en opeten. (Bittremieux, 466). Welke Palm- soort hier bedoeld is, wordt niet verklaard._ De Niams-Niams (Wilden uit Midden-Afrika) prophetizeeren met een bankje dat zij maken met het Hout van een Rubiacee (nl.~ Sarcocephalus ruseggeri). _Den Boom heeten zij `Dmma'. Over zulk gepolijst bankje wrijven zij (als met een schaaf) met een blokje van hetzelfde Hout, dat aan een uiteinde insgelijks gepolijst is. Vor het wrijven laten zij op het bankje een of twee druppels water vallen. Schuift het Houtblokje gemakkelijk voort, zoo zal de zaak in kwestie slagen; is er eenig hinder in 't glijden, dan is de zaak twijfel- achtig; kleven bank en blokje aaneen, dan is er geen twijfel: de zaak zal slecht uitvallen. (Gub.~ I, 267; naar Schweinfurth)._ =Kruiden.= Onder de Cerealien moeten vermeld worden: Het Koren (nl.~ Tarwe^(1)^ en Rogge^(2)^. _Men kent de Korenhalmgissing: Op den dag van 't uur van de Zon neemt men, in eenen graanakker, een handvol Korenhalmen, en men zegt, onder het plukken: paar of onpaar. Daarna telt men de halmen en heeft men juist geraden, dan zal gebeuren wat men gewenscht heeft, wel te verstaan indien men den talisman van geluk over zich draagt. (Legran: Sci.~ et Mag.~, 108). -- Over de Uten van dag en nacht, naar de meening der Astrologen-Waarzeggers, zie b.v.~ Mag.~ Nat.~, 114 en vgg._ | | ^(1)^ Triticum vulgare L. | | | ^(2)^ Secale cereale L. | De Gerst^(1)^, die tot de Hanenwaarzeggerij of Alectryomancie diende. _Bij de Grieken en de Romeinen trok men, op den grond, eenen kring en verdeelde hem in 24 vakken; ieder vak vertegenwoordigde eene letter en men legde er een Gerstekorrel in. In 't midden van dezen cirkel plaatste men eenen Haan, die de Korrels oppikte; men nam aandachtig de orde der opgepikte Granen op en trachtte aldus een waarzeggend woord samen te stellen. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 136; enz.~)._ De Rijst^(2)^. _In een gewijd vat legt men gewijde Rijst. Men laat deze koken, en ter- zelfder tijd zegt men het magisch gebed van den dag. Als dat gedaan is, sluit men de oogen, keert ze naar de zon en raadt: `Zij is gekookt' of `ze is niet gekookt!' Men opent de oogen en ziet de Rijst na: heeft men juist geraden, dan zal 't gebeuren wat men gedacht of verlangd heeft. (Legran, 107)._ De Maagdepalm^(3)^ werd ook aangewend. _Op Driekoningendag werpt men Maagdepalmbladeren in het vuur: naar hun min of meer hevig gekraak kunnen sommigen de toekomstige dingen kennen, den gezondheidstoestand van afwezigen, enz. Dat noemt men: faire pt las prinquas ("=" faire peter les pervenches). Aldus in 't kanton Murat (dp.~ Cantal). Roll.~ VIII, 33 (naar Labouderie)._ En het witte Nieskruid^(4)^, met de witachtige Bloemen. _De Waarzeggers gebruikten de Plant voor hun doeleinden. (Prahn, 62). De gestooten Wortel doet niezen en het niezen wordt, thans ook nog in Vlaan- deren, opgevat als een bevestiging van 't uitgesprokene, een waarmaking. `'t Is beniesd!' zegt ons volk, `dus is 't waar'. (Vgl.~ Leunis, 802, nota 6). Geleerde etymologiseerende Botanisten brengen Veratrum tot ml.~ verare, waarheid spreken; ml.~ Verator "=" Waarzegger. De Thas (Gloss.~) brengt het woord tot vere atrum (heelegansch zwart): de verwante soort, nl.~ het Zwart Nieskruid^(5)^ heeft zwartachtige Bloemen._ Kinderen gebruiken, om te raden of hun wensch zal vervuld worden, het Cypreskruid^(6)^. _Een jongen neemt zes tot tien halmen van dat Moeraskruid en reikt ze een meisje over. Deze neemt de halmen aan de spits vast en biedt ze den | | ^(1)^ Hordeum vulgare L. | | | ^(2)^ Oryza sativa L. | | | ^(3)^ Vinca minor L. | | | ^(4)^ Veratrum album L. | | | ^(5)^ Veratrum nigrum L. | | | ^(6)^ Cyperus flavescens L.~ en C.~ fuscus L. | jongen met de onderste uiteinden. Terwijl de jongen aldus de Stengels vasthoudt, knoopt het meisje ze twee aan twee samen. Vormen de geknoopte Halmen, na het opvouwen, eenen krans, dan zal het gewenschte waarheid zijn. Aldus in Duitschland. (Perger, 97)._ Wie het Kruid Theangelis inneemt, voorspelt toekomende dingen. _'t Groeit op den berg Libanon (Kircher: Ond.~ Wer.~ II, 362). Ik weet niet welk Kruid hier wordt bedoeld._ In Peru vindt men Waarzegsters, die den drank Chica met het Kruid Vilca vermengd, tot hun voorspellingen gebruiken. _Zij sluiten zich in hun woon op, zuipen zich smoordronken en, ontnuchterd zijnde, geven antwoord op de haar gestelde vragen. (Bekker, I, 47; naar Monta- nus). Chica (beter Chicha) is het Peruviaansch Masbier; Vilca is waarschijnlijk Ulluco of Melluco (Leunis, 278), een Knollenplant (Ullucus tuberosus Lozano), een Porseleinachtige of, volgens eenigen, een Ganzevoetachtige._ 3. Profetenplanten. Profeten waren Waarzeggers door ingeving van God. Profe- ten kruiden zijn dus in zekeren zin divinatorische Planten. _Toxites heet Profetenkruid (`Prophetenkraut') het zwart Bilzenkruid^(1)^. (Pritz.~ u.~ Jess.~). De Profetenbloem (`Prophetenblume') is het geslacht Macrotomia of Arnebia (Sal.~-Voss), van de familie der Boraginaceen; een soort groeit in Klein-Azi. In Algeri heet de Jerichoroos^_(2)_^ Komcht en nebi "=" Tong van den Profeet. (Roll.~, II, 88). De Profetenkomkommer (hgd.~ `Propheten-gurke', Leunis) is Cucumis prophetarum L.~ met nootgroote stekelige Vruchten: niet omdat de Plant tot profetizeeren werd gebezigd, maar omdat Elisaeus deze bittere Komkommersoort met toevoeging van meel eetbaar heeft gemaakt (4"e" Boek der Koningen, 4"e" kap.~): zij zou dus Pekaim van den Bijbel zijn. -- Mrat en De Lens (Dict) identificeeren Pekaim met een ander bittere Komkommerachtige, nl.~ de Springkomkommer^_(3)_^. Andere vertalen Pekaim door Aardzwam. (Leunis, 664). L.~ Cl.~ Fillion (Ste Bible) acht het waarschijnlijk dat deze Plant de Kolokwint^_(4)_^ is._ | | ^(1)^ Hyoscyamus niger L. | | | ^(2)^ Anastatica hierochuntica L. | | | ^(3)^ Momordica elaterium L. | | | ^(4)^ Citrullus colocynthis L. | b. *Divinatorische Planten tot een bijzonder doel aangewend.* Sommige Planten werden als Waarzegsters en Orakels tot speciale doeleinden gebezigd. 1. Volwassen mensch en Botanomancie. Planten voorspellen dood of genezing. Een bepaalde Plant (of Deel eener Plant) die (of dat) verdort, kondigen den dood aan: Het sterven van Laurierboomen^(1)^ was een slecht voorteeken. _Het jaar van den dood van Nero stierven al de Laurierboomen tot den Wortel toe, en nochtans was de winter buitengewoon mild. (Ingram: Flora Symb.~, 326)._ Nikolaas Walde, pastoor te Schwarzenberg (Saksen), had in zijnen hof een en Pereboom^(2)^, die verdorrende zijnen dood aanwees. _De pastoor stierf 5 Jan.~ 1630. Zijn Pereboom stierf het jaar daarvoren en, toen Walde dat zag, zei hij: `Ik heb lang genoeg van sterven gepredikt, nu wordt mijn Pereboom mijn Preekheer: mijn Boom verdort en ik moet aldra sterven!' Op Nieuwjaarsdag bestijgt hij den kansel; hem overvalt een geraakt- heid en men draagt hem op zijn doodsbed. (Meiche, n"r" 10)._ Een pastoor van Wiesental (Saksen) had in zijnen hof een Mizerieboompje^(3)^ dat zijnen dood voorspelde. _De priester heette Hendrik Ryhel. Zijn Mizerieboompje stond frisch groen en droeg reeds, als naar gewoonte, zijne Bloemen in April. Doch Ryhel werd ziek en het Boompje begon alsdan zichtbaar te verslensen. (Id.~)._ In het algemeen dacht men in sommige streken, dat alle (min of meer zonderling) verwelkende Boom, Tak of Blad den dood voorspelde. _Eenige voorbeelden. Indien een Boom plotseling verdort, zal de eigenaar sterven; ook indien hij neerzinkt of omvalt. (Perger, 272, Mannh.~ BK.~, 50; aldus in Voigtland en in Beieren). Een plots verwelkende Tak had dezelfde bediedenis. (Mannh.~ l.~ c.~). Zijn er verwelkte Bladeren in een huis, waar een kindje gekerstend is, zoo zal dat gauw sterven. (This.~, 272). | | ^(1)^ Laurus nobilis L. | | | ^(2)^ Pirus communis L. | | | ^(3)^ Daphne mezereon L. | Eene zeenimf komt bij een ouden visscher en zegt: `Neem deze drie Zaden en doe ze eten, dezen nacht, door uwe vrouw; zie hier nog drie andere voor uwen hond en drie voor uwe merrie. Als de tijd zal gekomen zijn, zal uwe vrouw drie zonen baren, uwe teef drie hondjes, uwe merrie drie veulens, en drie Boomen zullen vor uw huis groeien. Als een van uwe zonen zal sterven, zal een der Boomen verdorren'. (Gub.~ I, 285; naar L.~ Brueyre). Aldus in Groot- Bretagne. Vgl.~ met een paar Sprookjes beneden._ Bepaaldelijk de Savie (Salvia officinalis L.~) en de Rozemarijn (Rosmarinus officinalis L.~), twee welriekende Planten. _Het verdorren van Savie in den tuin duidt het sterven van een der bewoners van 't huis aan. Aldus in Franche-Comt (Beauquier, Faune et Flore pop.~, 2 (1910), 316). Het is een Zwitsersch volksgeloof, dat Rozemarijn van den tuin met den huisvader sterft. (Marzell, 139)._ Het lot van hen die op reis of om eenige andere reden van huis zijn. kan ook door Planten worden aangewezen: Door het Heidebloempje^(1)^. _"*" Naar een Limburgsch Sprookje. Een jonge ridder vertrekt naar het Heilig Land. Vor zijn vertrek plukken hij en zijn verloofde elk een tuiltje Heide- bloempjes. Zij zetten het op het hoofd van een Mariabeeld en de maagd bidt: `Dat zij door uwe voorspraak, Maria, bloeien zoolang hij gezond is; kwijnen en verdorren, wanneer hij sterft'. Gedurende den Winter, de Lente en den Zomer blijven de Bloempjes bloeien; de Herfst komt: ze verslensen, want de jongeling is doodelijk gewond en sterft. (Joos, IV, 155 en vvgg.~)._ Door Rozelaar, Mizerieboom, Appelsienboom en Palmboom. _In een zeer lang Sprookje, door Joos (IV) opgeschreven en dat er uitziet als een vertelsel van de Duizend-en-en-Nacht wordt gewag gemaakt van eenen Rozelaar^_(2)_^, die zijne Blaren en Bloemen laat hangen als de reizende Prinses in 't ongeluk komt; -- van een bloeienden Mizerieboom^_(3)_^, die zijn Bloemekens laat vallen als de reizende Prins dood is of in 't ongeluk komt; -- van eenen Appelsienboom^_(4)_^, die verdroogt, omdat de tweede reizende Prinses in 't onheil ligt; -- en van eenen Palmboom^_(5)_^, die treurt als de tweede reizende Prins eveneens ongelukkig is. Doch de vier Boomen worden opnieuw frisch en jeugdig als de Prinsen en Prinsessen verlost zijn en wederkeeren._ | | ^(1)^ Calluna vulgaris L. | | | ^(2)^ Rosa centifolia L. | | | ^(3)^ Daphne mezereon L. | | | ^(4)^ Citrus aurantium L. | | | ^(5)^ Phoenix dactylifera L. | In een Sprookje van Grimm zijn het twee Goudlelin^(1)^, die met het leven van twee broeders verbonden zijn. _Sprookje uit de Zwalmstreken (Hessen), n"r" 85: `die Goldkinder' van de Grimmsche verzameling. Een visscher vangt een sprekenden visch die hem zegt: `Snijd mij in zes stukken; geef er twee van aan uwe vrouw, twee aan uw merriepaard, leg er twee in de aarde'. De vrouw schenkt het leven aan twee goudkleurige kinderen, de merrie aan twee gouden veulens, en uit de aarde spruiten twee gouden Lelin. De twee broeders rijden op de gouden paarden de wereld in; een komt terug, de tweede rijdt verder. De thuisgebleven ziet een der Lelin omvallen: zijn broeder zal dood of in groot gevaar zijn. Hij rijdt nu opnieuw weg en dwingt de Heks die zijn broeder in steen heeft veranderd, hem tot het leven terug te roepen: de omgevallen Goudlelie is weder rechtgekomen en heeft voortgebloeid! "*" A.~ Vermast (Vertelsels uit Vlaand.~, 66 en vvgg.~) geeft eene variante: De visscher vangt het sprekende vischje, en, op dezes raad, braadt het; geeft een stuk aan zijn vrouw, een tweede stuk aan zijn paard en den kop aan zijnen hond; de graten worden in den grond gedolven. De vrouw krijgt drie zonen, het paard drie veulens, de hond drie jongen, en uit de graten schieten drie schoone Boomen op, die met het leven der drie zonen nauw verbonden zijn. Een der zonen trekt heen op zijn paard en, met zijn hond, overwint een draak (die de dochter van den koning wil hebben), doch wordt door een heks in een zoutblok veranderd: zijn Boom sterft! De tweede rijdt ook weg en hij ondergaat hetzelfde lot. De derde, een onnoozelaar, redt hen: de twee omgeworpen zoutblokken worden zijne twee broeders en de heks gedood: de twee doode Boomen komen opnieuw in leven. -- Behalve eenige verschillende elementen zijn deze twee Sprookjes zeer gelijkend. In menig ander Sprookje worden dergelijke Planten vermeld._ In een Indisch Volkslied is de voorspellende plant een Spika- nard of Kewra^(2)^. _Een echtgenoot moet, kort na zijn huwelijk, zijn schoone jonge vrouw, verlaten. Vor zijn vertrek plant hij in zijnen tuin een Kewra: zijne vrouw moet, gedurende zijne afwezigheid, op de Plant achtslaan: blijft deze groen en bloeit ze, zoo gaat het met hem wel; verwelkt ze of sterft ze, zoo is hem ongeluk gebeurd. (Grimm, III, 156; naar Broughton: Selections from the popular Poetry of tbe Hindoos, Lond.~ 1814, p.~ 107). -- Spikanard heeft een aangenaam riekenden Wortel, die het kostbare heelmiddel nl.~ Spica nardi of Nardus indica oplevert. (Leunis, p.~ 752). -- 't Schijnt me verkeerd deze Valeriaanachtige met Lavendula spica L.~ of Lavendelstruik te verwarren (gelijk Mannh.~ BK.~ 48, doet)._ | | ^(1)^ Hier worden natuurlijk twee goudkleurige Lelin bedoeld. Doch welke | soort van Lilium? | | | ^(2)^ Valeriana spica Vahl. | Zekere voorwaarden moesten soms worden in acht genomen bij het raadplegen van zulke Divinatorische Planten. Dit was het geval met de Vetplant, die men Hemelsleutel^(1)^ heet en in ons land niet zeldzaam is. _In Neder-Bretagne trekt men eenen of twee Stengels van den Hemelsleutel af en gaat er mee naar het St.~ Jansvuur en daarna naar huis. Thuis gekomen hangt men de Plant aan den balk boven de eettafel: men steekt ze tusschen den balk en de zolderplanken. Leeft de Hemelsleutel voort, dan mag men blijde zijn; verdort hij, zoo zal eerlang een familielid sterven. (Roll.~ VI, 103). Te Baygorry (in de Fransche Pyreneen) steekt men, op St.~ Jansdag, een bloeienden Twijg van de Plant in het wijwatervat; bloeit hij nog op O.~ L.~ V.~ Hemelvaart, dan is 't een teeken van voorspoed; verslenst hij vor dien dag -- hetgene zelden gebeurt, want de afgesneden Hemelsleutel blijft gewoonlijk voort- leven ('t is een soort van Immortelle) -- zoo zal een familielid binst het jaar overlijden. (Id.~, 102). Ook in Friesland, waar het Kruid Hemelloof en St.~ Janskruid wordt ge- noemd, bestaat een dergelijk volksgeloof. (Dijkstra, II, 235). In de omstreek van den Valtenberg (Saksen) is de naam dier Plant Wolfskruid (hgd.~ `Wolfskraut'). Op St.~ Jansdag tusschen twaalf en en uur komt wel eens een oude vrouw op den berg en snijdt Stengel na Stengel af; bij ieder snede fluistert zij eenen naam: de namen van hare geliefde familieleden. Voor ieder dezer brengt zij een Stengel naar huis en alle hangt zij, met de spits naar onder, met een dunnen draad aan de zoldering; het familielid wiens Stengel nog lang groeit, is een lang leven beschoren; wiens Wolfskruid snel vergaat, is zijn einde nabij. (Meiche, blz.~ 657). Naar Shns (p.~ 115) heet men de Plant in Thuringerland `Donarkraut' (het Kruid van God Donar). Daar snijdt men -- niet altijd op St.~ Jansdag -- zooveel Stengels van Hemelsleutel af, als er huisbewoners zijn en men steekt iederen Twijg in een glas water; de Hemelsleutel die het eerst verwelkt, duidt den persoon aan die het eerst moet sterven; die het langst groen blijft, zegt dat de persoon die er mee verbonden is, het langst zal leven. Dezelfde Waarzeggerij werd er met Donderbaard^_(2)_^ uitgevoerd._ En wat deed (of doet?) men in Krain (Oostenrijk)? _Vor zonsopgang moet de uitterende iederen morgen eene Alsemplant afbijten: verdort de Plant, dan is de zieke genezen; blijft ze leven, dan is hij verloren en verkwijnt langzaam. (Hovorka u.~ Kronfeld, Vergleichende Volks- medizin II, (1909), 46). 't Gebruik steunt op overzetting van ziekte in Plant._ De wolbladige Toorts^(3)^ bezit insgelijks voorspellende kracht, indien men ze boven het bed hangt. | | ^(1)^ Sedum telephium L. | | | ^(2)^ Sempervivum tectorum L. | | | ^(3)^ Verbascum thapsus L. | _Dienstmeiden trekken Toortsstengels uit en hangen ze boven hunne bedden; wier Plant eerst verdord is, zal eerst sterven. Aldus in Oost-Pruisen. (Perger, 152)._ En het mystische Hertshooi^(1)^ wordt met dit doel op St.~ Jansdag geplukt. _Voor ieder der huisgasten trekt men eene Plant met den Wortel uit. Men legt alle op den kacheloven; naar het blijven groeien of 't verdorren voorspelt men 't lange of 't korte leven van ieder lid. Aldus in Pruisen. (Roll.~ III, 181; naar Treichel). -- "*" Biekorf (IV, 210) zegt dat men, op St.~ Jansdag, St.~ Jans- kruidtwijgen in een glas water zet; elk takje wordt met een persoon in verband gebracht en wiens Twijgje het eerst `verslenst', voorspelt een aanstaanden dood._ "*" Netelbladeren^(2)^ legt men 24 uren in de pis van den zieke. _Blijven zij groen, dan is er geen gevaar van sterven; doch worden zij slap en verslensen zij, 't beteekent den dood of ten minste een zeer kwade ziekte. (Dod.~ 226; vgl.~ Perger, 159). Vgl.~ dergelijke nog bestaande gebruiken in Frankrijk. (Roll.~ XI, 15-16)._ Een door den bliksem getroffen Denneboom^(3)^ voorspelt den dood van den bezitter (man of vrouw), indien hij verwelkt of verbrandt. _Hetgene zelden gebeurt, want de donder valt bijna nooit op de Harsboomen. Aldus in Engeland. (This.~, 273; naar Lupton; Notable Things)._ Eenige Planten zijn dood-voorspellend, als zij buitengewone of zonderlinge kenteekens vertoonen: Een Kerseboom^(4)^ die Bloemen en terzelfder tijd rijpe Vruch- ten draagt, voorzegt den dood van een kind des huizes. _Aldus in de Mark. (Wuttke, n"r" 45)._ Donderbaard^(5)^ heeft schier altijd purperroode Bloemen en is gelukvoorspellend. _Zijn de Bloemen echter wit -- ik heb er nooit witte gezien! -- dan verkon- | | ^(1)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(2)^ Urtica dioca L. | | | ^(3)^ Pinus abies L. | | | ^(4)^ Prunus avium L.~, de zoete Kerssoorten nl. | | | ^(5)^ Sempervivum tectorum L. | digen zij een nabijzijnde sterfgeval. Verwelkt de beele Plant, zoo zal ook de heele familie in korten tijd evenals de stervende Plant vergaan. En hebben de Bloemen een langen Steel, zoo is een gewichtige gebeurtenis op gang. (Shns, 118). Men mag de Donderbaard op bet dak niet laten bloeien, anders sterft iemand in huis. (Perger, 167; naar Zeitschr.~ f.~ D.~ Myth.~, IV, 174). Wee het huis, zegt Roll.~ (VI, 98) waarop, voor de eerste maal, de Donderbaard bloeit!_ Het gebeurt dat Planten, die gewoonlijk groen zijn, witte of gele Bladeren vertoonen: er zal iemand van den huize sterven! _Aldus voorspellen de Boon^_(1)_^ en de Gouden-Regen^_(2)_^, in Mekkelenburg, Holstein, Harz en Franken. (Wuttke, n"r" 45). En de Rutabaga^_(3)_^ en de Beet^_(4)_^, in de Mark (id.~)._ Noten^^ worden opengedaan en eene die van binnen zwart is, voorspelt den dood in 't volgend jaar. _Dat doen de meisjes op Sylvesteravond (31 Dec.~), en wie zulke zwarte Noot kraakt of openduwt, zal sterven. Aldus in Silezi. (Wuttke, n"r" 73)._ Speciale praktijken staan met de Botanomancie en den mensch in verband. Het mes in den Boom. _Twee broeders zijn door het noodlot gedwongen te scbeiden en, vor het scbeiden, stooten zij hun eenig mes in eenen Boom. Daarna gaat de eene naar het Oosten, de andere naar het Westen. Dit mes in den Boom is een Divinato- risch tuig, waaraan de eene broeder zal zien, hoe het met den anderen vergaan is: want de lemmerkant die gericht is naar Oost of West, zal beroesten, indien een der broeders gestorven is, en blank blijven zoolang bij leeft. (Grimm, I, 281, 296; vgl.~ Herrmann, D.M.~, 29)._ Het zonderlinge Kruid van Monardes. _De Spaanscbe Kruidkundige Nic.~ Monardes (1493, "+" 1578), die over Westindische Planten schreef, spreekt van een ongenoemd Kruid (Herba mortem eut vitam praedicens, bij Dod.~ 14891 `Cruydt de doodt of 't leven bediedende'), `'t welck den krancken in de handt ghegheven hem blijde maeckt / indien hy ghenesen / ende van die sieckte opstaen sal; maer droeve / soo hy daer van sterven sal'. (Dod.~ l.~ c.~)._ | | ^(1)^ Phaseolus vulgaris L. | | | ^(2)^ Cytisus labumum L. Hgd.~ `Kleestaude'. | | | ^(3)^ Brassica napus esculenta; hgd.~ `Kohlrbe'. | | | ^(4)^ Beta vulgaris L. | | | ^(5)^ Juglans regia L. | Met de gemeene Gouwe^(1)^ deed men nagenoeg aldus, doch blijdschap voorspelt dood en droefheid genezing. _Indien men Gouwe op het hoofd van eenen zieke legt, zal bij luide zingen zoo hij sterven moet, en tranen storten zoo hij genezen zal. (Mag.~ Nat.~, 72)._ Het reeds zoo vaak in dit werk vermelde IJzerkruid^(2)^ bezat eveneens voorspellende kracht. _`Als den Medicijn het IJser-cruydt over hem dragbende, den krancken gaet besoecken, ende hem vraeght, hoe dat het met hem is, ende als den krancken antwoort dat het al wel is, oft redelijck, dan sal hy van die sieckte op staen: in dien hy seght dat het niet wel, oft dat het soude moghen beter wesen, dan zal hy van die sieckte sterven'. (Dod.~ 223: naar een Cod.~ Manuscr.~ 2524 uit de 14"e" eeuw, in de Hofbibl.~ te Weenen; vgl.~ Perger, 147). Verbena was een heilig Kruid bij de Druden en dat verklaart genoegzaam bovenaan gegeven sympathe- tisch Heilmiddeltje. Doch onze wijze Dodoens voegt er bij dat het `spottelijck' is. Komt een zieke om genezing bij een Toovenaar, zoo plukt deze bij afgaande maan drie Takjes van IJzerkruid en laat ze gedurende drie dagen en drie nachten in azijn liggen. Hij onderzoekt ze vervolgens bij opgaande maan en weet, door de wijze waarop de Bladeren in elkaar gevlochten zijn, welke ziekte de kranke heeft. Aldus in Frankrijk. (Roll.~ VIII, 41)._ In Tyrol doet men op Sylvesteravond een zonderling proefje met Nootschalen^(3)^. _Men neemt zooveel Nootschalen (of ook wel korken) als er aanwezigen zijn; men plaatst een lichtje met een naam in die Nootschalen en laat deze op water in een schotel zwemmen: wiens licht het eerst uitgaat, zal eerst sterven. (Wuttke, n"r" 73; naar Zingerle)._ "*" Een dood-voorspellende Lelie^(4)^ of Roos^(5)^ vond men, 's morgens, op den zetel van kloosterlingen. _In het klooster van Korvel (Duitschl.~) hing eene Lelie aan het altaar: werd een kloosterling aangewezen om te sterven, zoo nam, drie dagen vor zijnen dood, een onzichtbare hand de witte Lelie en lei ze op den zetel van den kloos- terling. Eens vond een jonge broeder de Bloem op zijnen stoel; hij greep ze en lei ze op den stoel van een ouden kloosterling, die van schrik ziek werd; doch | | ^(1)^ Chelidonium majus L. | | | ^(2)^ Verbena officinalis L. | | | ^(3)^ Juglans regia L. | | | ^(4)^ Lilium candidum L. | | | ^(5)^ Rosa centifolia L. | hij genas den derden dag en de jonge kloosterling lag dood in zijn bed. Sedertdien heeft men de Lelie te Korvei niet meer gezien. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 286, waar men over die gebeurtenis, een gedicht van L.~ Wiese vindt; Nork: Myth.~, 808). Eene witte Roos verving deze Lelie te Hildesheim, als een der Domheeren sterven moest. Zoo ook in den Dom te Lubeck en in de Kathedraal van Breslau. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 285; Nork, l.~ c.~)._ Vgl.~ hiermede het volksgeloof uit Zevenbergen (`Schsisch Regen') dat de Dood zelf -- namelijk een ingebeeld Wezen -- den dood van een kind aankondigt. _De Dood breekt in den tuin van het huis van het kind eene Bloem van haren Stengel en op dien stond sterft het kind. (Mannh.~ BK.~, 50; naar Schuller, Volkstmliche Glaube und Brauch bei Tod und Begrbnisz im Siebenberger Sachsenlande, 1863, p.~ 10)._ Volledigheidshalve volgt hier nog een en ander. Wil men weten of een sleepende ziekte al dan niet den zieke zal doen sterven, zoo wordt het voorspellende Negenderhande Hout gebezigd. _Eene vrouw die eenen tweeling heeft gehad, moet dat Negenderhande Hout, vor Zonsopgang en stilzwijgend, in het woud snijden. Men werpt de negen stukken in vlietend water, die negen stukken verbeelden de negen ziekten die den mensch kan hebben! Zinken slechts weinige Houtstukken, zoo zal de zieke gezond worden; gaat nagenoeg de helft onder, dan is de redding mogelijk doch moeilijk; zinken alle of het meeste deel, zoo moet de kranke sterven. Aldus in Mekkelenburg. (Wuttke, n"r" 71). -- Dit Negenderhande Hout wordt gesneden van de Boomen die in de oudduitsche Mythologie een gewichtige rol speelden, ais Vlier^_(1)_^, Kruisdoorn^_(2)_^, Spaanschhout^_(3)_^. In Pommeren zijn het Boomen die geen Steenvruchten dragen. (Id.~, n"r" 143)._ Om te weten wie in een huis het eerst zal sterven, gebruikt men Bladeren van gewijde Palm^(4)^. _Men plukt zooveel Bladeren als er personen in huis zijn en geeft aan ieder Blad een hunner voornamen; daarna werpt men alle tegelijk in het vuur. Het Blad dat eerst verbrand is, duidt den persoon aan die eerst moet sterven. (Perger, 30). Aldus in Duitschland. Vgl.~ over de voorspellende Buksboombladeren in Frankrijk, Rolland, IX, 248._ | | ^(1)^ Sambucus nigra L. | | | ^(2)^ Rhamnus cathartica L. | | | ^(3)^ Taxus baccata L. | | | ^(4)^ Buxus sempervirens L. | De witte Koekoeksbloem^(1)^ is een Taboeplant. _Men mag ze niet plukken, wie ze plukt, zal sterven, of een zijner verwanten zal door den dood weggerukt worden. Aldus in Oldenburg, waar de Plant om zulke reden `Todtenblume' (Doodenbloem) heet. (Roll.~ II, 245; naar L.~ Strackerjahn, Abergl.~ u.~ Sage aus Oldenburg). -- En de kinderen uit Cumberland gelooven dat eene ramp hunne ouders zaf overvallen, indien zij zulke Bloem durven afrukken. (Idem; naar Britten a.~ Holl: Brit.~ Plant-names)._ Met de Doodvoorspellende hangen innig de Ongelukvoorspel- lende Planten samen. Men mag de Germaansche Lotgissing door Runen (z.~ boven) vergelijken met het Latijnsche Sortilegium (of `Geluklesse', zooals Bekker eigenaardig zegt). _De te lezen letters waren uit Eik^_(2)_^ gesneden. `Sortilegium Geluklesse was eene schikkinge van letteren / by geval / door 't eene of 't ander kind dus of so getrokken / en door malkanderen gemengd, gelijk men sulk gebruik van oude letters maakte / gesneden op eenen Eikenboom; welke dan op verscheidene wijzen geschikt / na 't viel / of desen of genen sin te samen brachten / waar uit geluk of ongeluk te lesen was'. (Bekker, I, 16-17)._ Verwonderlijk mag het heeten dat de val van eenen Boom een gelukvoorspellend teeken kan zijn. _Het geldt hier een Wilg^_(3)_^ die nederviel te Philippi en door het volk als heilvoorspellende gebeurtenis werd beschouwd. (Plin.~ XVI, 32)._ "*" In het Land van Waas hangt men de Sinksenbloem aan de zoldering om te weten of het jaar den mensch geluk of ongeluk zal aanbrengen. _De Sinksenbloem is de Bloem die men op Sinksen plukt, wijdt en draagt. De eigenlijke Sinksenbloem is de Pioen^_(4)_^ of ook wel de Meiroos of Sneeuw- bal^_(5)_^. In Waas wordt wellicht bedoeld de Hemelsleutel^_(6)_^: men hangt de Plant met eenen draad aan den huisbalk; blijft zij groeien, dan zal 't jaar gelukkig zijn; sterft zij, zoo voorspelt dit ongeluk. (Vlaamsche Zanten, II, 68)._ | | ^(1)^ Melandryum album Miller. | | | ^(2)^ Quercus robur L. | | | ^(3)^ Geslacht Salix. | | | ^(4)^ Paeonia officinalis L. | | | ^(5)^ Viburnum opulus L.~ met bolvormende geslachtlooze Bloemen. | | | ^(6)^ Sedum telephium L. | Bloeiende Mirt^(1)^ op de vensterrichel voorzegt geluk. _Aldus in Somersetshire (Engeland): This.~, 271._ De Peterselie (Petroselinum sativum Hoffm.~) is een ongeluks- plant. _In Frankrijk: Wie haar in zijnen hof verplant, sterft niet lang daarna. (S- billot, 463). Ook aldus in Engeland (Devonshire) en in Frankenland (Duitschl.~): Marzell, 100-101._ Men kent ook Divinatorische Planten die aantoonen of een gestorvene zalig is. Aldus bij wintertijd bloeiende Bloemen. _"*" Een meisje verdwaalt op den levensweg en keert boetvaardig tot hare rampzalige moeder terug. Zij leeft voortaan als kluizenares in het bosch (geheeten de Averechten, rest van het groote Waverwald). Op zekeren morgen gaat hare moeder haar bezoeken; het is wintertijd en nochtans staan lieve Bloemen vor de kluis. De moeder treedt binnen en vindt haar kind dood: de bloeiende Bloemen zeggen heur dat hare dochter in den hemel is. (Coeckelbergs: Sprookjes, Leg.~, enz.~, blz.~ 45). Aldus in de omstreek van Heist-op-den-Berg. (prov.~ Ant- werpen)._ Op het graf van een afgestorvene plant men een kruis van Vlier^(2)^; begint het opnieuw te groenen, zoo is de doode zalig. _Dat kruis wordt vor de doodkist gedragen en heet Levelang (`Lebelang'). Aldus in Middel-Vintsgau (Tirol); Wuttke, n"r" 382; Shns, 41; naar Zingerle en Alpenburg._ Groeit eene Toorts^(3)^ op een graf, dan is de ziel van den doode in het vagevuur. _Aldus in Karnthen (Wuttke, n"r" 45; naar Zeitschr.~ f.~ D.~ M.~, 3, 29). "*" In het Land van Waas plantte men op het graf zulke Toorts die men er O.~ L.~ Vrouw-Hemelbrand noemt: verdort ze, de zaligheid van de ziel is twijfel- achtig; treurt ze, de ziel boet in 't vagevuur; schiet ze weelderig op, de ziel is in den hemel. (Vl.~ Zanten, III, 137)._ Sommige Voorspellende of Waarzeggende Planten zijn spe- ciaal met het leven van de vrouw verbonden. Wil men weten of de beminde vrouw getrouwd is? | | ^(1)^ Myrtus communis L. | | | ^(2)^ Sambucus nigra L. | | | ^(3)^ Verbascum thapsus L. | _In Oost-Indi gebruikte mm de Lotusbloem^_(1)_^ om te weten of een vrouw getrouw bleef. (Nork, Myth.~, 900; naar Katha Sarit Sagara, 1839, uitg.~ van Leipzig, p.~ 56 en vvgg.~). In den Perzischen Tutinameh geeft de vrouw den wegreizenden man emen Bloementuil mee: blijft deze frisch. zoo is 't een bewijs dat zij hem trouw is; doch verslenst hij, zoo is zij hem ontrouw. (Grimm: K.~ u.~ Hausm.~, III, 156). Waarlijk een gevaarlijke proef voor de echtgenoote! Ook de sterkriekende Ruite^_(2)_^ kan hiertoe gebruikt worden; want zij sterft en vergaat als zij door eene plichtvergetende vrouw wordt aangeraakt. (Dod.~, 169). Over ontrouw-aanwijzende kracht van de Zonnewende^_(3)_^, zie Hoofdstuk IV. Albertus-Magnusplanten, 1"o"._ Wil een bevruchte vrouw weten of zij goed of slecht bevallen zal? _Zij neemt eene Jerichoroos^_(4)_^ en plaatst ze in water: de bevalling zal goed uitvallen als de Roos hare Twijgjes opent, hetgene bijna altoos het geval is; zooniet zal het een slecht kraambed zijn. Aldus in Provence. (Thiers, I, 185)._ Het volgende nog, betreffende voorspellende Planten en den volwassen mensch. Als een dorre Boom weder levend en groen wordt, beschouwt men dit als een goed voorteeken. _Blijft hij dor, zoo bediedt zulks aanstaande veldslagen. (Perger, 272)._ Onder het consulaat van Publius Aelius en C.~ Cornelius wordt Annibal door de Romeinen te Zama verslagen (anno 202 v.~ Chris- tus); die nederlaag werd voorspeld door Tarwe die op de Boomen groeide. _Plinius, XVIII, 18._ Om den uitslag van een oorlog te kennen. gebruiken de Niams- Niams een soort van olie, die zij trekken uit een rood Hout dat zij `Benghy' heeten. _Zij geven die olie aan eene hen: sterft deze, de oorlog zal noodlottig zijn; blijft zij leven, de zegepraal is zeker. (Gub.~, I, 268; naar Schweinfurth)._ | | ^(1)^ Nelumbium speciosum Willd. | | | ^(2)^ Ruta graveolens L. | | | ^(3)^ Heliotropium europaeum L. | | | ^(4)^ Anastatica hierochuntica L. | 2. Kind en Botanomancie. Er zijn voorspellende Planten die innig met het leven van het Kind verbonden zijn. Geboorteboomen. In eenige streken bestond (of bestaat nog) de gewoonte een Boompje te planten bij de geboorte van een kind. Zulke Geboorteboom was een Voorspellende Boom; zijn leven verbeeldde het leven van het Kind. _In Aargau (Zwitserland) werd zulke planting nog heden gedaan. Indien het Kind een jongen is, plant men een Appelboom^_(1)_^; is het een meisje, een Pereboom^_(2)_^. (Mannh.~ BK.~, 50, naar Rochholz: Alemann. Kinderlied). Men vertelt er dat een zoon zich slecht gedroeg en dat de toornige vader den geplanten Geboorteboom afkapte. (Idem)._ In Polynezi plantte men een Kokosboom^(3)^. _En men geloofde dat de Stengel zooveel knoopen kreeg als het Kind jaren. (Idem, naar A.~ Bastian: der Mensch in der Geschichte, III, 193)._ Het lot van drie Zweedsche familien -- die van dn grooten Linnaeus, van Lindelius en van Tiliander -- was verbonden met dat van een groote Linde met drie Stammen. _Die Linde^_(4)_^ groeide te Jonsboda Lindegrd in Hvitarydssocken (Landschap Finveden). Toen de familie Lindelius uitstierf, verdorde een der Stammen; na den dood van de dochter van Linnaeus schoot de tweede Stam geen Bladeren meer, toen de laatste telg van de familie Tillander stierf, stierf ook de heele Linde. De gestorven Stam staat er nog en wordt in eere gehouden. (Mannh.~, BK.~, 51, naar Hyltn-Cavallius. Vrend, I, 144)._ Twee Boomen voorspelden dat twee meisjes non en een jongen monnik worden zouden. _Een schoenmaker van Basel (Zwitserland), Molber genaamd, ging in een nieuw huis wonen en koos er, in den tuin, voor ieder zijner drie kinderen eenen Boom. De Boomen der twee meisjes (Katharina en Adelheid) kregen, in de lente, witte Bloemen en voorspelden aldus dat zij nonnen zouden worden. De Boom van den broeder (Johannes) droeg een roode Roos en voorzegde dat hij monnik | | ^(1)^ Pirus malus L.~ | | | ^(2)^ Pirus communis L.~ | | | ^(3)^ Cocos nucifera L. | | | ^(4)^ Tilia europaea L. | zou zijn: hij werd Preekheer te Praag en de Hussiten deden er hem den martel- dood ondergaan. (Mannh.~ BK.~, 49-50; naar S.~ A.~ Stber: Zur Gesch.~ d.~ Abergl.~ in Anf.~ d.~ 16.~ Jahrh.~, Basel (1856), p.~ 7)._ Graan is het symbool van rijkdom en voorzegt rijkdom. _Mieren brachten Graankorrels in de wieg van Midas en 't was een bewijs dat hij later zeer rijk zou zijn. (Nork: Myth.~, 500)._ Wil men weten of een gebrekkelijk Kind gezond zal worden? Raadpleeg als volgt de hierna genoemde Planten. _Is een Kind met een gebrek of ziekte ter wereld gekomen, zoo snijdt men op den eerstkomenden Goeden-Vrijdag een dunnen Wilgestam^_(1)_^ open en men trekt het Kind door de spleet. Daarna bindt men deze toe en indien de twee stukken aaneenwassen, zal het kind gezond worden. Aldus in de Bovenpfaltz (Duitschl.~: Mannh.~ BK.~, 32). Of zij doen, vor zonsopgang, het lamme, of aan navelbreuk lijdende, of niet opgroeiende Kind door een gespleten Fruitboom (of liefst door een jongen gespleten Eik^_(2)_^) zwijgend en naakt kruipen. Daarna wordt de spleet toegebonden; en indien zij vergroeit, zal het Kind genezen. (Idem). Zie gelijke sympathetische middeltjes bij Mannh.~ BK.~, l.~ c.~; Grimm, Myth.~, 1118, 1119; Schiller: Tier- und Kruterbuch des Mecklenburges Volkes, III, 30; De Cock, Volksg.~; enz._ Jongens en meisjes -- wel eens, doch zelden, volwassenen -- raadplegen zelfs Orakelplanten om te weten: 1"o" Wat zij later worden zullen? _Varen^_(3)_^. In Auvergne ontbladeren de kinderen een Varenplant, murmelende bij ieder afrukking: `Priester -- getrouwd -- jonggezel?': het laatste Blad (of Blaadje van een Blad?) duidt aan wat het nieuwsgierige Kind weten wil. DC.~ en Teirl.~: Kindersp.~, IV, 130; naar: Rev.~ d.~ Trad.~ pop.~ XII, 552). Madelief^_(4)_^. Is met hare zuster, de St.~ Jansbloem, de meest gebruikte Orakel- plant. In Zwitserland rukt men de Lintbloempjes een voor een af en zegt: `Ledig sin. Hochsig han, ins Chlsterli ga?' (Ledig, d.~ i.~ ongehuwd zijn, trouwen, in 't kloostertje gaan). (Perger, 63; Daaf Rochholz; Wuttke). Of men zegt bij het plukken der Lintbloempjes (ook in Zwits.~): `Edelsfrau, Bettelfrau, Brefrau'; -- of indien 't een jongen geldt: `Edelmann, Bettelmann, B'r, Soldat. Student'; en ook: `Kaiser, Knig, Hr, Tauner'. (Id.~ 131). | | ^(1)^ Salix-soorten. | | | ^(2)^ Quercus robur L. | | | ^(3)^ Een der groote gemeene Varensoorten. | | | ^(4)^ Bellis perennis L. | "*" In Belgische-Fransche pensionaten gebruikt men, naast de kleine Madelief, ook de grootere St.~ Jansbloem^_(1)_^, en het heet er: `Mariage, religieuse, cli- bataire?' (Id.~ 131). "*" Te Ethe bij Virton -- het in 1914 ongelukkige, afgebrande dorp -- vraagt het jonge meisje aan de Groote Madelief: `Fille, femme, chre s"oe"ur?' (Id.~; naar Wallonia, IV, 55). "*" Robinia of Wilde Acacia^_(2)_^. In de omstreek van Brussel (Ukkel, enz.~) trekt het meisje een Robiniablad af en plukt met dit doel ieder Blaadje: bij iedere afrukking wordt een levensstaat genoemd. Ook rondom Nijvel (vgl.~ be- neden) een gelijkende gewoonte. "*" Hulstblad^_(3)_^. Ik heb ook gezien dat (omstr.~ van Brussel) de meisjes een Hulstblad namen en de stekels van het Blad telden; onder het tellen murmelden zij den naam van den toekomstigen staat. "*" De Luiksche meisjes verzamelden zich op 1"e""n" Mei, bij zonsopgang, om de Bies^_(4)_^ te binden (`lier le Jonc'): zij gingen naar een groote wei, liefst daar waar een Egelantierstruik^_(5)_^ het malsche Gras beschutte; zij kozen er drie Grashalmen (`trois foelies d'erbe', zooals Chanson des Loherains zegt); zij sneden ze juist op dezelfde lengte en deden er aan drie draden van verschillende kleur: de zwarte draad verbeeldde het ongehuwd-blijven, de roode een onbekend lief, de groene den in 't geheim beminde. Daarna wachtten ze 10 dagen: het orakel werd gegeven door het Halmpje dat het langste was geworden. (DC en T.~: Kinderspel l.~ c.~, 135-6, naar een art.~ van Stecher in: Revue d.~ Belg.~ 15 Maart 1875)._ 2"o" Of zij bemind worden, hoe en door wie(n)? _Madelief^_(6)_^. Het Bloempje vertelt wie de echtgenoot zal worden van het meisje dat de Lintbloemen afplukt. (DC.~ en T.~, o.~ c.~ 132; naar Boekenoogen: Rijmen, 51). St.~ Jansbloem^_(7)_^. Het laatst geplukte Lintbloempje geeft de eerste letter van den naam van den toekomstigen bruidegom: bij het afrukken worden, nl.~ achtereenvolgens de letters van het alphabet genoemd. Aldus te Aalst (id.~, 132). "*" In Walloni en in onze Fransche kostscholen (en middelbare scholen) zegt men onder het plukken der witte Tongbloempjes: `Il m'aime, un peu, beaucoup, tendrement, passionment, pas du tout!' Het laatste Bloempje zegt hoe men bemind wordt. (Id.~, 135). -- Ofwel: `Amiti, amour, passion!' (Id.~). Ofwel in 't oud hertogdom Berg (Duitschl.~): `Sie (Er) liebt mich von | | ^(1)^ Chrysanthemum leucanthemum L. | | | ^(2)^ Robinia pseudacacia L. | | | ^(3)^ Ilex aquifolium L. | | | ^(4)^ De grootste Juncus-soorten. | | | ^(5)^ Rosa canina L. | | | ^(6)^ Bellis perennis L. Vgl.~ Perger, 63. | | | ^(7)^ Chrysanthemum leucanthemum L. | Herzen, mit Schmerzen, ber alle Maassen, kano von mir nicht lassen, ein wenig, gar nicht!' (Id.~; naar Zeitschr.~ X, 41). Gretchen, in Goethe's Faust, ondervraagt ook de groote Madelief. -- Vgl.~ nog Perger, 63 en de werken aangeduid bij DC.~ en Teirl.~, 135. Appel^_(1)_^. Men knijpt een Appelpitje tusschen twee vingers en terwijl het wegspringt, zegt men (jongen of meisje): `Pitje spring oost, pitje spring west, Pitje spring in mijn zoeteliefs nest!' (Id.~, 133, naar Boekenoogen: Rijmen). "*" Ook aldus in Walloni, te Houtain-St.~ Simon en omstreek. (Id.~, 133; naar Wallonia, IV, 50-51). "*" Robinia^_(2)_^. In de omstr.~ van Nijvel rukken de meisjes de Blaadjes van een Robiniablad af en ondervragen als volgt: `Un droit, un cron (een Kromme, ook wel een bultenaar), un borgne, un chl (een manke)'. Idem, 133 (naar Wallonia, IV, 54; Bull.~ de Folkl.~ II, 214). "*" Ofwel zij trekken de Aartjes af van een Graspluim (id.~). "*" Paarde- of Pissebloem^_(3)_^. Wil een meisje weten hoelang ze nog zal moeten wachten vooraleer te trouwen, zoo blaast zij de rijpe Vruchtjes van de Paardebloem weg. De jaren die ze nog moet wachten, worden door het getal keeren dat ze blaast, aangewezen. (Id.~, 134). Aldus te Iddergem bij Ninove. Te Gent blaast zij driemaal en telt daarna de Kuifjes die nog op den Vruchtbodem blijven staan. (Id.~). Ajuin^_(4)_^. Op St.~ Valentijnsdag (14 Febr.~) kiezen de jonge meisjes ieder 4, 5 of meer Ajuinen, geven ze den naam van bekende of begeerde jonkmans, leg- gen ze bij den haard in orde: de Ajuin die het eerst uitschiet, wijst den naam van den toekomstigen bruidegom aan. Aldus reeds bij den Latijnsehen dichter Nao- georgius. (Nork: Festkal.~; naar Hospinianus, Orig.~ Fest.~ Christ.~ vol.~ 152). Worden nog als Liefdeorakels door meisjes (of jongens) geraadpleegd: De Gemswortel^_(5)_^, de Lischplanten^_(6)_^ en de Beemdgrassoorten^_(7)_^: van de 1"e", een Samengesteldbloemige, gebruikt men de gele Lintboemen; van de twee laatste de Aartjes (of soms Vruchtjes) die de Aar of Pluim vormen. Aldus in Duitschland (Perger, 64). -- Men mag hiertoe de Goudbloem^_(8)_^ niet bezigen: het is een Doodenbloem (hgd.~ `Todtenblume') en scheidt de geliefden in plaats van ze te vereenigen. (Id.~)._ 3"o" Hoeveel jaar zij nog zullen leven? _"*" Paarde- of Pissebloem^_(9)_^. Bijna overal in Vlaanderen (Zegelsem, Den- | | ^(1)^ Pirus malus L. | | | ^(2)^ Robinia pseudacacia L. | | | ^(3)^ Taraxacum officinale Mnch. | | | ^(4)^ Allium cepa L. De lotgissing door middel van Ajuinen heeft den specialen | naam van `Crommyomancie' ontvangen. | | | ^(5)^ Doronicum pardalianches L. | | | ^(6)^ Gesl.~ Carex. | | | ^(7)^ Gesl.~ Poa. | | | ^(8)^ Calendula officinalis L. | | | ^(9)^ Taraxacum officinale Mnch. | derleeuw, Lebbeke, Rupelmonde, enz.~) gebruiken zij hiertoe het orakel der Paarde- bloem. Het getal keeren^_(1)_^ dat zij blazen, duidt het getal jaren aan. (Id.~, 140). In Oldenburg blaast men eenmaal en men telt de overgebleven Vruchtjes (id.~; naar Wuttke). -- "*" Te Gent telt men de Kuifjes die nog op den Vrucht- bodem staan. na driemaal hevig geblazen te hebben (id.~). Ook de groote Madelief^_(2)_^ werd tot zulk doeleinde geraadpleegd: men neemt de binnenste gele Buisbloempjes, werpt ze in de lucht en laat ze vallen op de omgekeerde hand: ieder Bloempje dat er op blijft liggen, telt voor tien jaar. Aldus in Duitschiand (Perger, 131)._ 4"o" Of zij zalig zullen zijn of niet. _"*" Nogmaals raadplegen de kinderen de Pissebloemvruchtjes. Kunnen zij in drie keeren al de Vruchtjes wegblazen, dan gaan zij naar den hemel; kunnen zij dat niet, zoo moeten zij naar de hel. Aldus te Lebbeke (bij Dendermonde; De Cock en Teirlinck: Kinderspel, IV, 136). In de omstreek van Veneti gebruiken zij een knoopigen Grashalm, nemen achtereenvolgens elken knoop vast en beginnen van 't bovenste uiteinde en noemen die drie plaatsen in de volgende orde: Hemel, Vagevuur, Hel. De laatst vastgenomen knoop wijst het lot van het Kind aan. (Gub.~, I, 203). Vgl.~ boven._ 5"o" Of een Kind betooverd is? _Een kunstmatig Klaverblad wordt hiertoe gebruikt. Men rijgt aan een roodzijden draad drie gerfde bloedkoralen en men bindt ze samen, met drie knoopen er op, derwijze dat zij als een Klaverblad naast elkander zitten. Dezen draad bindt men aan den hals van het kind: is, na verloop van 24 uren, een der koralen buiten de knoopen gesnapt, dan is het kind betooverd. Aldus in Friesland. (Dijkstra, II, 171). Zie nog Bekker, IV, 289._ 3. Oogst en Botanomancie. Wij kennen Planten die voorspellen of de oogst goed of slecht zal zijn. In de Middeleeuwen (en ook wel later) toonde een Graan- korrel zulks aan. _Vooraleer slapen te gaan reinigde de bijgeloovige zijnen haard: indien hij 's anderen daags erin een Korengraan, een Gerstekorrel, enz.~ vond, zou de Koornoogst, de Gerstenoogst goed zijn; vond hij er niets in, dan zou het jaar maar mager uitvallen. (Thiers, I, 183). | | ^(1)^ "*" Te Hundelgem (Oost.-Vl.~) zegt dat hoe laat het is (id.~). | | | ^(2)^ Chrysanthemum leucanthemum L. | Of men trok -- onlangs nog in Noordduitschland -- een weinig Stroo uit bet dak van een gerfd huis en dorschte het: vond men eenige Graankorrels, dan zou 't naaste jaar een goed en gelukkig jaar zijn. (Wuttke, n"r" 74; naar Kuhn en Schwartz: Nordd.~ Sagen, 404). Ofwel, indien men den Graanprijs in iedere maand van 't jaar weten wilde, nam men twaalf Graankorrels en elk kreeg den naam eener maand; daarna lei men beurtelings, beginnende met Januari, elk Graantje op eene eenigszins heete vuurschop; sprong het Graantje in de hoogte, dan zou het Koren gedurende die maand duur zijn; bleef het stil liggen, zoo zou het goedkoop verkocht worden. (Thiers, I. 259). Men kon ook weten of de prijs van het Graan stijgen of dalen zou. Men dorschte de ecnte schoof Koren uit, vulde met de Korrels een vat, streek het te vele af en goot daarna het Graan op eenen hoek van eene tafel; dat deed men ook met het Koren van de tweede, de derde en de vierde schoof. Dan vulde men het vat opnieuw met den eersten Graanhoop: was het opnieuw strijkensvol -- dat hing af van de ligging der Korrels -- zoo zou in het 1"e" vierde van 't jaar het Koren goedkoop zijn; was het eenigszins ingezonken en het vat niet gansch vol, zoo moest het Graan duurder worden. Dezelfde proef werd met de drie andere hoopjes gedaan en zoo kende men den Graanprijs gedurende het heele toekomende jaar. (Perger, 107)._ Insgelijks schonken Aren voorspellende inlichting. _Te Wassermungenau (Mittelfranken) had men voor het Wintergraan drie zaaitijden: 5 tot 10 September, 25 Sept.~ tot 10 Okt.~, en einde Oktober. En wilde men weten welke het meest Graan zou voortbrengen, zoo groef men drie rijpe Aren in den grond: de 1"e" vor zonsopgang en naar het Oosten gericht; de tweede des middags naar het Zuiden; en de derde na zonsopgang naar het Westen: de Aar die het grootste getal Halmen schoot, duidde de rijkste zaaitijd aan. (Perger, 108)._ De Lombaardsche boeren raadplegen de Aar van de Lirga. _Gub.~ I, 266, schrijft: `Les paysans lombards consultent l'pi de la lirga; au premier pi, ils disent lirga, au second bonlirga, au troisime bondanza, au quatrime calastria, et ainsi de suite, lusqu' ce qu'ils arrivent au dernier Epi qui doit dire si l'anne sera strile ou fconde' (naar een art.~ van Chrubini in de Rivista Europa, Milano, 1847). Doch dat is onklaar. Wat is de Lirga? Eene Graminacee? En moet men niet iplv.~ `pi' `pillet' lezen?_ Zal eene maand nat of droog zijn? Daartoe kan men als volgt den Ajuin^(1)^ ondervragen. | | ^(1)^ Allium cepa L. | _Men snijdt op Kerstnacht een Ajuin in twaalf stukken, bestrooit deze met zout en legt de schijfjes in een rij, aan ieder schijfje den naam eener maand gevend. Ieder stuk dat bijzonder vochtig wordt, duidt eeen natte maand aan. Aldus in Oberlausitz (Wuttke, n"r" 74). Een soort van Crommyomancie._ Duurte en hongersnood worden voorspeld door de zoogenaam- de Hongerrozen. _Bij de stad Meissen (Saksen) heeft men dikwijls, op Wilgeboomen^_(1)_^, een soort van Bloemen gevonden, op een langen steel, houtkleurig en zoo hard als een Houtspaan. Iedermaa1 dat zij voorkwamen, volgde een zwaar en duur jaar, en daarom heeft men ze `Hungerrosen' (Hongerrozen) geheeten. (Meiche, n"r" 793; naar L.~ Faust: Gesch.~ und Zeitbchlein d.~ Stadt Meiszen, 1588, p.~ 86). -- Die Hongerrozen, ook Wilgeroosjes genaamd, zijn eigenlijk min of meer rozevormige Gallen, voortgebra~ht (naar Leunis: Syn.~ p.~ 503) door de larven van Dipteren en wel inzonderheid door de volgende: Cecidomyia salicina Deg.~, C.~ strobilina Brem.~, C.~ rosaria Lw.~, C.~ tibialis Winn.~, C.~ saliceti Winn.~, C.~ terminalis Lw.~, C.~ iteophila Lw.~, C.~ albipennis Winn.~ en C. limbata Winn. Heukels (Ned.~ Fl.~) verwijst enkel naar C.~ rosaria. Vgl.~ nog Meiche, n"r" 802; in Mei 1759 vond mev op een Wilg verscheiden schoone Rozen en ook een buitengewone groote Bloem, die de ervarenste hoveniers nooit gezien hadden; zulke Wilgebloemen werden als een Symbolum pacis (een vredeteeken) gehouden; vanhier het spreekwoord: `'t Zal vrede zijn, als de Wilgen zullen Rozen dragen'._ Ook het Hongerbloempje^(2)^ zou hongersnood voorspellen. _Aldus Prahn: Pflanzenn.~ 137. Dat is eenvoudig volksetymologisch spel. De kleine Vroegeling heeft den naam Hongerbloempje (hgd.~ `Hungerblmchen') gekregen, omdat het zelfs op de dorste en magerste gronden zeer gemeen is._ | | ^(1)^ Saliz-soorten. | | | ^(2)^ Draba verna L. | *B. ANTIMAGISCHE PLANTEN B. Antimagische Planten.* De vorige bladzijden bewijzen dat de Toover-, Heksen- of Waarzeggersplanten zeer talrijk waren (en zijn). Niet min talrijk, ja talrijker misschien zijn de Gewassen die tegen Tooverij werden (of worden) aangewend, of Betoovering onmogelijk of onscha- delijk maakten, of Heksen (en Toovenaars) deden kennen en ontmaskerden. Het spreekt vanzelf dat Antidiabolische^(1)^ Planten vaak ook antimagische kracht bezaten. a. *Antimagische Planten in het algemeen.* De Roomsche Kerk. die het bestaan van Toovenaars en Waarzeggers niet ontkent, laat toe dat men zeker Kruiden, Vruchten en Bloemen, die volgens voorgeschreven kerkceremo- nin gewijd zijn, tegen Hekserij gebruikt. _Zie hierover b.~v.~ Thiers, I, 148._ 1. Tuilen van Velerhande Kruiden. De Negenderhande Kruiden zijn antimagisch; zij worden, in den vorm van Tuilen. in de kerk op O.~ L.~ Vrouw-Hemelvaart (15 Aug.~) gewijd. _Want op Maria-Hemelvaart zijn alle Kruiden blijde en bloeien het schoonst; zij bezitten alsdan de grootste heilkracht. (Perger, 45). De meestal sterkriekende Negenderhande Kruiden zijn: de Alant^_(2)_^, in het midden van den Ruiker; het gemeene Boeltjeskruid^_(3)_^; de Keltische Valeria- ne^_(4)_^, een zeldzame Alpenplant (Nardus gallica van Plinius); de overal ver- spreidde Bijvoet^_(5)_^; de Averoone^_(6)_^, uit Zuideuropa, eertijds zelfs bij ons in de | | ^(1)^ Zie hierover mijn Flora Diabolica. | | | ^(2)^ Inula helenium L. | | | ^(3)^ Eupatorium cannabinum L. | | | ^(4)^ Valeriana celtica L. | | | ^(5)^ Artemisia vulgaria L. | | | ^(6)^ Artemisia abrocanum L. | tuinen gekweekt; de Alsem^_(1)_^, welbekend en behoorende tot heuelfde geslacht als de twee vorige; het geelbloemige O.~ L.~ Vrouwen-Bedstroo^_(2)_^; de Alfs- rank^_(3)_^, die men driemaal rond den Tuil wond; en de riekende Reinvaan^_(4)_^. (Perger, 45). Soms voegde men er Duizendblad^_(5)_^ en Wijnruit^_(6)_^ bij; en tot sieraad ook wel andere Hofbloemen. (Idem). In het Frickdal (Zwitserland) bond men in den Tuil van de Negenderhande Kruiden den giftigen Steekappel. (Idem, 46). Al deze Planten -- men koos hiertoe de mooiste Bloemen uit -- moesten op Donderdag vor O.~ L.~ Vrouw-Hemelvaart, zonder messnede en vor zonsopgang geplukt worden. In Pruisen moet men ze zamelen zonder te spreken. Men gebruikt ze om slechte oogen te genezen; men naait ze in een stuk van een niet ingekrompen grauw doek; daartoe bezigt men eenen draad garen door een Kind van zeven jaar gesponnen; doch in den draad mag men geen knoop maken en hij mag niet `vernaaid' worden. Alles wordt daarna in een ruw linnen gewikkeld, negen dagen lang op 't lijf gedragen en eindelijk begraven op eene plaats waar noch zon noch maan schijnt. (Wuttke, n"r" 274). Men legde de Negenderhande Kruiden, tegen beheksing, in de slaapsteden; ook in de bronnen, waaruit paard en rund dronken; of men wierp ze met Jene- verbessen^_(7)_^ en Wierook in de gloeipan -- 't werd in de vier Rooknachten gedaan -- en men doorrookte daarmede het heele huis; doch vooraleer dat te doen, moesten de paarden gevoederd en de koeien gemolken zijn; want na het rooken mocht niemand in de stallen gaan. (Perger, 54; naar Leoprechting). In het Lesachdal (Karnten) laat men insgelijks, op 15 Oogst, eenen Tuil van Bloemen en Alpenkruiden door den priester wijden. Naar men meent, ontstond dit gebruik als volgt: de Duivel geraakte verliefd op eene herderin, doch werd verjaagd door Kruiden, die, naar zijn bekentenis zelf, hem het alleronaan- genaamst waren -- nl.~ door Averoone^_(8)_^, Haarmos (hgd.~ Widerthon^_(9)_^ en smalbladige Lavendel (hgd.~ `Speik')^_(10)_^. (Perger, 47; naar Zs.~ f.~ d.~ M.~ III, 36). Op Hemelvaartsdag hing men kransen van witte en roode Bloemen in huis of stal (boven het vee) en men verving ze eerst het volgende jaar door nieuwe. (Nork, Myth.~, 292; naar Grter: Bragur, VI, 1, 126). | | ^(1)^ Artemisia absinthium L. | | | ^(2)^ Galium verum L. | | | ^(3)^ Solanum dulcamara L. | | | ^(4)^ Tanacetum vulgare L. | | | ^(5)^ Achillea millefolium L. | | | ^(6)^ Ruta graveolens L. | | | ^(7)^ Juniperus communis L. | | | ^(8)^ Artemisia abrotanum L. | | | ^(9)^ Polytrichum-soorten. | | | ^(10)^ Lavendula spica L.~; doch de Alpenbewoners heeten `Speik' alle mooie | bloem: `Blauwe Speik' is Primula farinosa L.~, `Rothe Speik' is Valeriana | celtica, `Gelbe Speik' Is Geum reptans; zie (Leunis, Syn.~ blz.~ 560, nota 15). | Te Mildenau (Saksisch Ertsgebergte) hangt men, tegen omzwevende Heksen, de Negen Kruiden om den hals. (John, 196). Op St.~ Jansnacht geeft men de koeien meel met de Negen Kruiden: dit is goed tegen Betoovering. (Wuttke, n"r" 233). Aldus in Silezi en West-Pruisen. In een Angelsaksischen antimagischen Zegen spreekt men van Wodan, en van deze heilzame Negen Kruiden, en van de booze magische Slang: `Eene Slang kwam gekropen, verscheurde den mensch, Toen nam Wodan de Negen Krachtkruiden, Sloeg er mee de adder, dat in negen stukken ze vloog'. (Herrmann, DM.~, 324). Prtorius (Rockenphilosophie, 503) zegt dat, te Leipzig, omtrent 1658, eene Brocksbergsche Heks werd verbrand, die bekende dat zij allen had kunnen schaden, uitgenomen twee boeren, die de Negenderhande Kruiden in hun huis bewaarden: zij hadden de Planten op eenen zondag gezameld en het waren de volgende, waarvan de eerste letters der namen dien van den H.~ Iohannes vormden: Iarum^_(1)_^, Origanum^_(2)_^, Herba benedicta^_(3)_^, Allium^_(4)_^, Nigella^_(5)_^ , Navel- kruid^_(6)_^, Excrementa diaboli^_(7)_^, Succisa^_(8)_^. Dit soort van acrostychon bewijst dat men deze Kruiden ook op St.~ Jansdag (of -nacht) plukte; doch het spreekt slechts van Acht Kruiden. (Perger, 48). Wie, op Kerstnacht, onder den Kerstdienst, Negenderhande Kruid over zich draagt, erkent al de Heksen die in de kerk zijn. Aldus in Tirol. (Wuttke, n"r" 183; naar Zingerle)._ Ook het Negenderhande Hout beschutte voor Betoovering of liet toe Heksen te erkennen. _Ik vind nergens aangestipt welke deze Negen Houtsoorten waren. Het was ongetwijfeld Hout van welbekende Boomen of Heesters in de oud-duitsche Mythologie, waaronder te noemen zijn Vlier^_(9)_^, Kruisdoom^_(1O)_^ en IJf^_(11)_^. In Fommeren neemt met er voor Boomen die geen Steenooft dragen: b.v.~ om slee- pende ziekten -- dikwijls aan Beheksing toegeschreven -- te breken, breekt een kundig man, van Negen verschillende Boomen die geen Steenvruchten geven, en onder het noemen der drie Heilige Namen (van de Drievuldigheid) Negen kleine stukjes, die men, onder het zeggen van zekere gebedenformuul, in een | | ^(1)^ Arum maculatum L. | | | ^(2)^ Origanum vulgare L. | | | ^(3)^ Geum urbanum L. | | | ^(4)^ Allium sativum L. | | | ^(5)^ Nigella damascena L. | | | ^(6)^ Naam van Potentilla tormentilla L.~, in Silezi. | | | ^(7)^ Ferula scorodosma Benth.~ et Hook. | | | ^(8)^ Scabiosa succisa L. | | | ^(9)^ Sambucus nigra L. | | | ^(10)^ Rhamnus cathartica L. | | | ^(11)^ Taxus baccata L. | vat met water werpt: door dit `Suchtenbrechen' (Zucht- of Ziektebreken) wordt de ziekte gebroken en vele mijlenver geworpen. (Wuttke, n"r" 276). Als in Thuringen koeien geene melk meer geven -- omdat ze betooverd zijn -- doet men Negenderhande Hout en een trossel haren, die van den koestaart zijn afgesneden, in een vat dat men verbrandt: aldus wordt de Betoovering naar buiten gerookt. (Wuttke, n"r" 10). Wil men Heksen erkennen, zoo zet men zich, te Kerstnacht, op een bankje van Negenderhande Hout: men onderscheidt alle Heks die in of uit de kerk gaat. Aldus in Tirol. (Wuttke, n"r" 183; naar Zingerle en Alpenburg). Ofwel gebruikt men een stukje Hout met een gaatje er in; en onder de mis tuurt men door het holletje en men ziet al de aanwezige Heksen; dat Hout moet op St.~ Jansavond, onder het klokluiden, uit eenen Boom gehouwen zijn. Ook in Tirol. (Wuttke, n"r" 183; naar Zingerle)._ Op sommige plaatsen van Duitschland zamelde men de Vijf- tien Kruiden als antimagischen gewijden Hemelvaartstuil. _De Vijftien Kruiden waren: Hemelbrand^_(1)_^, die zich als eene toorts in 't midden van den Tuil verhief; Lischdodde^_(2)_^; Bevernelle^_(3)_^; Hertshooi^_(4)_^; Akkerklokje^_(5)_^; Duiveisbeet^_(6)_^; Karwij^_(7)_^; Wilde Munt^_(8)_^; Reinvaan^_(9)_^; Ruit^_(10)_^; Mattebies^_(11)_^; Everwortel^_(12)_^; Lavas^_(13)_^; Alfsrank^_(14)_^; en Vijf- vingerkruid^_(15)_^. Aldus in Lechrain. (Perger, 46; naar Leoprechting: Aus dem Lechrain, p.~ 190; vgl.~ Montanus: Die deutschen Volksfeste, I, 40)._ Dat getal Vijftien scheen hier en daar nog onvoldoende, en men maakte antidiabolische en antimagische O.~ L.~ Vrouw-Hemel- vaartruikers met Zeven-en-Zeventig Planten. _In het midden prijkte nog de Hemelbrand of Toorts^_(16)_^; er rond zag men, behalve de boven reeds genoemde Bloemen: Vrouwenmantel^_(17)_^; | | ^(1)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(2)^ Typha latifolia L.~ of T.~ angustifolia L. | | | ^(3)^ Pimpinella magna L.~ of P.~ saxifraga L. | | | ^(4)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(5)^ Campanula rapunculoides L. | | | ^(6)^ Scabiosa succisa L. | | | ^(7)^ Carum carvi L. | | | ^(8)^ Mentha silvestris L. | | | ^(9)^ Tanacetum vulgare L. | | | ^(10)^ Ruta graveolens L. | | | ^(11)^ Scirpus lacustris L. | | | ^(12)^ Carlina acaulis L. | | | ^(13)^ Levistichum officinale L. | | | ^(14)^ Solanum dulcamara L.. | | | ^(15)^ Potentilla reptans L. | | | ^(16)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(17)^ Alchemilla vulgaris L. | Juffertje-in 't Groen^_(1)_^; Maankop^_(2)_^; Wegewachter of Wegsuikerei^_(3)_^; Vrou- wenschoentje^_(4)_^; de gemeene Rolklaver^_(5)_^ (die de zeldzame vorige vaak ver- ving); Brandende Liefde of Konstantinopelbloem^_(6)_^; Schildkruid^_(7)_^; Ossen- tong^_(8)_^ en andere meer. (Perger, 46)._ In het Achendal (Tirol) vormt men zulke Tuilen met niet meer dan Vijf Kruiden. _Het zijn: Eerenprijs^_(9)_^; Agrimonie^_(1O)_^; Haarmos^_(11)_^; Aardveil^_(12)_^ en Ruit^_(13)_^. Deze gewijde Tuil wordt gebruikt om eene Heks te doen verschijnen. (Perger, 47; naar: Zs.~ f.~ d.~ Myth.~, III, 36; vgl.~ This.~, 79)._ "*" Eveneens in Limburg (Belgi) wijdt men Hemelvaarttuilen. Men noemt ze aldaar Kruidwesschen of -wisschen, Kroedwesschen of -wisschen (wesch of wisch "=" bundeltje, tuil). _Zij worden insgelijks in de kerk gewijd en het volk kent hun antimagische kracht toe. Zij verdrijven, veelal door hun rook, den Booze, de Heksen en het Onweder (naar 't volksgeloof door Heksen voortgebracht). Voor die Ruikers gebruikt men veel de sterkriekende Reinvaan^_(14)_^, waarom deze Plant eenvoudig Kruidwesch wordt genoemd. In Zuidelijk Limburg voegt men er aan toe de mystische Bijvoet^_(15)_^. Volgens Celis (Volksk.~ Kal.~, 248) zamelt men op O.~ L.~ Vr.~-Hemelvaarts- dag `Vossenstaart^_(16)_^, Varen^_(17)_^ en Notentakjes^_(18)_^'. Dergelijk gebruik bestaat in sommige streken van Walloni, waar men op dien dag, Reinvaantuilen zegent. (Wallonia, 1899, 194). Ook in de Rijnprovincin: men heet er den Ruiker `Krautwisch'._ | | ^(1)^ Nigella damascena L. | | | ^(2)^ Papaver somniferum L. | | | ^(3)^ Cichorium intybus L. | | | ^(4)^ Cypripedium calceolus L. | | | ^(5)^ Lotus corniculatus L.~ of L.~ uliginosus L. | | | ^(6)^ Lychnis chalcedonica L. | | | ^(7)^ Clypeola jonthlaspi L.~; aldus identificeert Perger, verkeerd: `Schildkraut' | is denkelijk een Alyssum-soort (Alyssum saxatile L.~ of A.~ calycinum L.~). | | | ^(8)^ Anchusa officinalis L. | | | ^(9)^ Veronica-soorten (vooral V.~ officinalis L.~ en V.~ chamaedrys L.~). | | | ^(10)^ Agrimonia eupatoria L. | | | ^(11)^ Polytrichum-soorten. in hgd.~ Widerthon. | | | ^(12)^ Glechoma hederacea L. | | | ^(13)^ Ruta graveolens L. | | | ^(14)^ Tanacetum vulgare L. | | | ^(15)^ Artemisia vulgaris L. | | | ^(16)^ Amaranthus caudatus L. | | | ^(17)^ De gemeene Soorten als Asplenium filix-foemina L.~ en Polystichum | filix-mas L. | | | ^(18)^ Juglans regia L. | In Tirol bewaart men in de huizen de Sacramentsdagkransen (`Frohnleichnamkrnze') en gebruikt ze er tegen Beheksing. _Knapen en meisjes dragen die kransen gedurende de groote processie van Sacramentsdag. Eene sage: een knecht uit de Ster (herberg te Meran) werd door eene Heks in eenen muilezel veranderd (vgl.~ de Vergulde Ezel van Apuleius), hij bekwam zijne menschengedaante terug, toen het hem gelukte een Sacramentskrans vast te grijpen. (Perger, 44; naar Zingerle, 309)._ 2. Rookplanten. Rook verdrijft Duivels en Kwade Geesten, Heksen en Too- venaars: inzonderheid de Rook van verbrande antimagische Plan- ten, of Rook van zaken, waarin of waarmede zulke Planten ver- brand worden. _'t Werd met goed gevolg gedaan gedurende de Vier Rooknachten: den nacht vor St.~ Thomas (21 Dec.~), Kerstnacht, Nieuwjaaravond en Driekonin- gennacht. Die nachten behooren tot de kortste nachten van het jaar, tot de Zes Donkere Weken (drie weken vor en drie weken na Kerstnacht), tot het tijdstip dat Duivel, Spook en Heks hun grootste macht bezitten en hun ergste geweld uitoefenen. Dit Rooken of Berooken bestond reeds bij de Romeinen. Lucanus (Phar- salia, 915-21) noemt de volgende antimagische Rookplanten: Galbanum^_(1)_^; Glaskruid^_(2)_^; Tamarisk^_(3)_^; Kostwortel^_(4)_^; Groote Santorie^_(5)_^; Lork^_(6)_^; Andoorn^_(7)_^ en Averoone^_(8)_^. Bij elken Rooknacht nam de geestelijke bedienaar, na het avondiuiden, de rook- of gloeipan in de linkerhand en met Wierook doorrookte hij het gansche huis; in de rechterhand had hij een stuk gewijd krijt en schreef er mee op al de deuren C.~ M.~ B.~ (Caspar, Melchior, Balthazar, de drie Oostersche Magirs of Wijzen). Zie Perger, 54 (naar Steub, 58). In eene Sage uit Bolsward (Friesland) wordt verteld hoe men een kind onttooverde door het uitrooken van de wieg. Daartoe gebruikte men een zakje met zekere (ongenoemde) Kruiden door een wonderdokter gegeven. Die Kruiden werden, in den laten avond, verbrand in een komfoor dat onder de omgekeerde | | ^(1)^ Hars van twee Perzische Schermbloemigen: Ferula galbaniflua en F.~ ru- | bricaulus Boiss. | | | ^(2)^ Parietaria officinalis L. | | | ^(3)^ Myricaria germanica Desv.~; of Tamarix gallica L. | | | ^(4)^ Costus arabicus L. | | | ^(5)^ Centaurea centaureum L. | | | ^(6)^ Larix europaea L. | | | ^(7)^ Stachys sllvatica L. | | | ^(8)^ Artemisia abrotanum L. | ledige wieg werd geplaatst, nadat men alle deuren en vensters, zelfs de sleutelgaten had dichtgestopt, De kamer was spoedig gevuld met een bijna verstikkenden rook en tegelijk met een ondraaglijken stank. Zoo dik werd de rook dat de lamp dreigde uit te dooven. Middelerwijl jammerde het kind onophoudelijk. En terwijl dat alles op 't hevigst toeging, werd er buiten aan de voordeur gedraald; doch deze was goed gesloten en er werd natuurlijk niet geopend. Achter het huis hoorde men toen hartverscheurend kattengeraas. Nadat al de Kruiden verbrand waren, klaarde de rook een weinig op, de katten buiten zwegen, en 't kind werd rustig. (Dijkstra, II, is de kat een Heksendier. Te Dijken (insgelijks in Friesland) waren twee kinderen en al de koeien betooverd, zij werden onttooverd door het verbranden van een zakje met Kruiden, op bepaalden dag en uur; gedurende het verbranden en het berooken kwam de gefolterde Heks jammeren en schreeuwen. (Id.~, 169). In de middeleeuwen deed men nog het volgende rookwerkje: op enen dag verzamelde men al de schapen en lammeren eener gemeente en men berookte ze met Kruiden -- ongenoemde -- die 't vorige jaar, op denzelfden jaardag, voor zonsopgang waren geplukt: die berooking belette alle Betoovering. (Thiers, I, 260). Ofwel men ontstak vuren van zekere Houtsoorten en men deed de paarden, koeien, schapen, enz.~ er door gaan en daama een aantal keeren er rondloopen, ten einde ze, voor het heele jaar, tegen Betoovering te beschermen. (Id.~, 150). Ook bij wilde volkeren is het berooken met Planten bekend: op Borneo beweert men dat de Kwade Geesten bevreesd zijn voor den rook van Noenang^_(1)_^, een Boom van de familie der Boraginaceen. (De Clercq, Wdb.~). "*" In Tirol -- ook in Limburg -- verbrandt men gedurende een onweer, om den bliksem (dien men veelal aan Heksen toeschrijft) te verdrijven, de gewijde bovenvermelde Hemelvaartkruiden. (Wuttke, n"r" 226, naar Zingerle)._ 3. Een en ander in 't algemeen. In vroegeren tijde ging men zekere Kruiden plukken om Betoovering onmogelijk te maken of om iemand die behekst was, te verlossen. Dit plukken geschiedde naar een speciaal volksrituel. _Hij zondigt, zegt Thiers (I, 149) die, om zich tegen Betoovering te be- schermen, 's morgens vroeg, nuchter, zonder zich de handen te hebben gewasschen, zonder God gebeden te hebben, zonder een mensch aan te spreken of te groeten, zekere Plant gaat plukken en deze daarna legt op den persoon die betooverd is._ Groene Takken beschutten tegen Beheksing. _In de Lausitz steekt men, meestal op Walpurgisnacht, groene Rijzers op staldeuren en mesthoopen. (Meiche, n"r" 637). | | ^(1)^ Cordia subdentata Miq. | Groene Meitakken hing of legde men in alle hoeken van het huis om de Heksen en Booze Geesten te verjagen. Aldus in Duitschland. (Perger, 37)._ Wilde volkeren gebruikten eveneens antimagische Kruiden. _De Bongo's uit Afrika zoeken zekere Wortels om aan den invloed van Booze Geesten te ontsnappen; hunne Toovenaars drijven er handel in. (Gub.~, I, 74; naar Schweinfrth: Voyage au c"oe"ur de l'Afr.~). Wie zich in Rio Grande (Amerika) tegen Heksen beschutten wil, moet eenen wonderdadigen heilige (nl.~ eenen `Milago') een zilverstuk offeren dat den vorm van eenen Boomtwijg had. (Knortz, 41). -- C.~ G.~ Leland beweert dat zulk gebruik nog in Itali bekend is. (Id.~)._ Heksen gebruiken Bessems (van Berk^(1)^, Genst^(2)^ of Vlas- dotter)^(3)^ voor hun magisch werk; en antithetisch gebruikt het volk zulke Bessems als antimagisch middel. _In Engeland en Duitschland gelooft men dat de Heksen niet kunnen stappen over eenen Bessem die dwars over den dorpel ligt. (This.~, 60. Aldus b.v.~ in Oostpruisen en de Lausitz: Wuttke, n"r" 11). Op ander plaatsen (Duitschland) legde men op den dorpel twee Bessems kruisgewijze: Heksen en Booze Wezens kunnen er niet over, dus niet binnen. Zulke twee gekruiste Bessems laten toe Tooveressen te erkennen: zij stooten, vor het binnentreden, de Bessems weg; goede lieden atappen er eenvoudig over. Aldus in Mekkelenburg. (Wuttke, n"r" 146). Om vee te ontheksen zwaait men met eenen Bessem naar alle zijden, als veegde men er het Kwaad mede weg (in Thuringen; Wuttke, n"r" 146). Wil men vee van den stal naar de markt of van de markt naar den stal brengen en het voor alle Hekserij bevrijden, zoo doet men het over eenen Bessem schrijden, die voor de staldeur ligt. In Hessen en Silezi. (Wuttke, n"r" 233). Als de koe bloedige melk geeft, moet men ze door eenen Bessem melken. In Silezi. (Wuttke, n"r" 292). Tegen Beheksing van het vee bindt men witte Bessems met witte stelen tusschen de koehoornen. Aldus in Westfalen. (This.~, 60). Tandpijn kan men als volgt kwijtgeraken: men legt eenen Bessem in de kerk: wie er het eerst over stapt, krijgt de pijn. (Rijnpruisen: Wuttke, n"r" 146). Om Heksen te beletten schade te doen, als zij voorbijvliegen, doet men, in Lausitz, Bessems branden: dat wordt `Hexenbrennen' (Heksenbranden) geheeten. (Meiche, n"r" 631). In Bohemen zoeken de jonge knapen, reeds weken voor Midzomer, al de versleten Bessems op: als de Midzomervuren (St.~ Jansvuren) branden, steken | | ^(1)^ Betula alba L. | | | ^(2)^ Sarothammus scoparius L. | | | ^(3)^ Camelina sativa L. | zij deze Bessems in teer, loopen er mee rond van 't eene vreugdevuur naar het andere, doen ze branden en, na 't uitbranden, worden zij tegen Meeldauw^_(1)_^ in de akkers gestoken. (This.~, 60)._ Het geconsacreerde Pentagram (de vijfstralige Star) beschermde het huis. _Men maakte het antimagisch teeken op den deurdrempel: waren er twee stralen naar buiten gericht, zoo werden de Kwade Geesten en Heksen naar buiten gehouden; twee stralen naar binnen gericht hielden ze in het huis gevan- gen; een straal naar binnen gericht, belette de Goede Geesten het huis te verlaten. Dit Pentagram wordt door de Vier Elementen ingezegend of geconsacreerd; men blaast vijfmaal op de magische figuur; men besproeit ze met wijwater; men verdampt dit door den rook der Vijf Reukstoffen (nl.~ Wierook^_(2)_^, Myrrhe^_(3)_^, Alos^_(4)_^, Solfer en Kamfer^_(5)_^; men mag er een weinig Wit Hars^_(6)_^ en Ambergrijs bijvoegen; men blaast eindelijk nog vijfmaal op het Pentagram, terwijl men de namen der vijf Gnien (Gabril, Raphal, Anal, Samal en Oriphil) uitspreekt. (lvy, H"t""e" Mag.~, II, 95, 97)._ Soms werden antimagische Kruiden in de kleeren genaaid. _Zekere Heks, genaamd Meins, van Purmerend (Holland), had aldus eenige Kruiden in hare kleeren genaaid; zij had ze van eenen Wondermeester ontvangen. Een Jonggezel -- de Duivel nl.~ -- rukte, op zekeren morgen, die Kruiden uit hare kleeren. Die arme Meins werd, in 1555, te Amsterdam levend verbrand. (Wolf, N.~ S.~, n"r" 397; naar Philip van Zesen: Beschr.~ v.~ Amst.~, 1664, p.~ 173-9)._ Of men gaf betooverde menschen eenen drank van zekere Kruiden in. _Een betooverd kind, uit Friesland, nam tweederlei drank in: de eene was half water en half brandewijn waarin tweederhande gedroogde Wortelen gedaan werden; daarvan gebruikte het 's morgens, 's middags en 's avonds een vollen lepel; -- de tweede was bier met groene Kruiden, die versch geplukt en half gekookt waren: daarvan werd ook een volle lepel ingenomen, en uur na den vorigen drank. (Bekker, IV, 291). De namen dier antimagische Wortelen en Kruiden zijn niet aangegeven. John (Abergl.~ S.~ u.~ Br.~ Erzgebirge, blz.~ 196) spreekt van `Bochauer Kruterpulver', een Kruidenpoder, dat men, op Walpurgisnacht, in het voeder | | ^(1)^ Erysiphe graminis L.~ die op Bladeren van de Graangewassen woekert. | | | ^(2)^ Gomhars van Boswellia sacra Flck, een Burseracee. | | | ^(3)^ Hars van Balsamodendron myrrha Nees, van dezelfde familie. | | | ^(4)^ Sap van Alo vulgaris Lam.~, A.~ socotrina Lam.~ en andere soorten: Lelie- | achtige Planten. | | | ^(5)^ Gewonnen uit Camphora officinalis Nees, een Laurierachtigen Boom. | | | ^(6)^ Reukstof uitgezweet door Pinus silvestris L. | van de staldieren doet, om ze tegen rondwarende Heksen te beschermen. De koeien krijgen dit poeier insgelijks op paaschzondag, vor zonsopgang (blz.~ 195). John beschrijft echter dit antimagisch poeier niet._ Vooral het Vee wordt behekst. Als de karn of de melk be- tooverd is en de boter bij 't karnen zich niet afscheidt, gaat men bij den Duivelbanner om een zakje (met zekere Kruiden) dat men in de karn hangt. _Aldus in Friesland (Dijkstra, II, 172)._ Men voorkomt Veebetoovering en doet de koeien veel melk geven, door het toedienen van zoogenaamde Bezworen Kruiden. _Deze niet genoemde Planten moeten, op St.~-Walpurgisnacht door naakte wijven geplukt worden; daarna brengen deze de Kruiden naar huis, zetten een stoeltje bij den haard, bestijgen het (immer naakt) en bezweren ieder Kruid. (Herrmann, D.~ M.~, 482)._ In veel streken van Oost- en West-Pruisen. en bijzonderlijk in Lettauen, laat men het Vee Gewijde Kruiden eten. _Deze Kruiden worden gezegend niet door een Lettauschen protestantschen bedienaar van den godsdienst, maar door een Roomsch Katholieken priester, dien men -- het kost soms veel -- daartoe gaat halen. (Wuttke, n"r" 199)._ Soms werd het betooverd Vee door een eenvoudige Roede aangeraakt. _Het schijnt een indogermaansch geloof te zijn dat zulke aanraking, tijdens zekere feestelijkheden, de ziekten van het vee verdrijft en vijandelijke Geesten verjaagt uit huis, veld en weide. (Hemnann, D.~ M.~ 45). Zie beneden Vogelkers (Prunus padus L.~)._ Om akkers te onttooveren gebruikten de Angelsaksen eenen Offerzegen. _'s Morgens, vor zonsopgang, sneed men, uit de vier hoeken van den beheksten akker, vier Graszoden; dan, op ieder dezer, legde men een weinig heef, melk van ieder melkgevend huisdier, iets van al de op den akker wassende Boomen (behalve van Eiken^_(1)_^ en Beuken^_(2)_^, die Hardboomen zijn en geen zegen noodig hebben), iets van alle bijzondere Kruiden (uitgenomen van Klis^_(3)_^, | | ^(1)^ Quercus robur? | | | ^(2)^ Fagus silvatica L. | | | ^(3)^ Lappa-soorten. | dat een Onkruid is); men besproeide de Zoden met wijwater en sprak daartoe: `Groeit, vermenigvuldigt U en vervult de aarde'. Daarna werd de heele offe- rande (die iets van de nuttige dieren, Planten en Vruchten van den akkerman bevatte) naar de kerk gedragen, waar men het Groene van de offerande naar den autaar richtte; vier missen werden er over gelezen en nog vor zonsondergang werden de Graszoden naar den akker teruggebracht; men sneed vier staafjes uit een Levensboom^_(1)_^, grifte daarin de namen van de Vier Evangelisten en het teeken des H.~ Kruises, en onder ieder Zode legde men een staafje. Eindelijk toen de zon juist onderging, keerde men zich naar het Oosten en men sprak den volgenden Zegen uit: `Oostwaarts sta ik, Hulpe smeek ik, Ik bidde tot den hoogen Heere, Ik bidde tot den grooten Heere, Ik bidde tot de heilige wacht des Hemelrijks; Tot de aarde bidde ik en ook ten Hemel, En tot de waarachtige heilige Maria, En tot des Hemels macht en zijnen Hoogbouw, Dat ik vermoge door des Heeren Genade Met de tanden open te rijten deze betoovering Door moedige Gedachten, Te wekken den Wasdom tot Nut van de Menschheid.' Een monnik uit de 8"e" of 9"e" eeuw heeft dezen Tooverzegen opgeteekend. (Herrmann, D.~ M.~, 361-2)._ Gele Bloemen zijn antimagisch. want Heksen haten ze. _Perger, 320._ 't Gebeurde wel dat eene Heks die op den brandstapel stond, niet verbrandde, omdat door Helsche macht haar lichaam ver- vroos. _In den brandstapel wierp men dan zekere gewijde antimagische Kruiden -- men noemt ze niet -- en daardoor verloor de Heks die macht en verbrandde. (Knortz, 22)._ b. *Antimagische Kruiden in het bijzonder.* Ik schik ze hier naar systematische orde (die van Brner: Volksflora). | | ^(1)^ Thuya-soorten. | 1. Kryptogamen. De Loofmossen^(1)^, de Varens^(2)^ en de Wolfsklauwen^(3)^ schenken ons antimagische Planten. Loofmossen. Het gewone Haarmos^(4)^ bezat antimagische kracht. _Men noemde dat gemeene Mos in 't hgd.~ `Widerthon' en `Glden Wi- derthon' (Pritzel en Jessen), `Goldener Widerthon' (Leunis), naar de gewoon- lijk aangenomen etymologie (zie A, VI, g, ndl.~ Wederdood). Doch ander Planten werden `Widerthon' (var.~`Widertn') geheeten. Zie de opsomming boven A, VI, g. Al de Kruiden die `Widerthon' heetten, beschermden tegen Betoovering of namen Betoovering weg. Doch vooral de gulden `Wiederthon' (Haarmos) bezat zulke kracht, welke het grootst was als het Plantje geplukt werd in de Dertig Dagen (hgd.~ `Dreisgenzeit', `Unser Vrouwen Drizigest': van 15 Aug.~ tot 15 Sept.~) en men onder het plukken den volgende Tooverzegen uitsprak: `Ik groete U, edele Widerthon! Weet gij niet wat O.~ L.~ Vrouw tot u sprak, toen zij u afbrak tegen wat den mensch zoo schaadt? Door datzelfde Woord en door het Goddelijk Woord breek ik u al in den naam des Vaders, in den naam des Zoons en in den naam des Heiligen Geestes, opdat gij het vee en de menschen heilzaam zijt, tegen alle ondaad en tegen alles wat vee en menschen schaadt. Amen.' Daarna leest men nog vijf Onze-Vaders, vijf Wees-gegroeten en en Credo; eindelijk moet men alles nog tweemaal herhalen. (Shns, 30; Alpenburg; M.~ und S.~ aus Tirol 1857). De landlieden, inzonderheid die uit Thuringen, heeten het nog `Berufkraut' ("=" Heksenkruid: `beruofen' "=" bespreken, krankheden bespreken of bezweren). Tot heden nog gebruikt men het als Universeel Heilmiddel, te zamen met `Zuruf' (Herba sideritidis "=" Sideritis scordioides L.~ ofwel Stachys recta L.~), `Widerruf' (Herba hederae terrestris "=" Glechoma hederacea L.~) en `Nachruf' (Herba origani "=" Origanum montanum L.~). Shns, 30. Haarmos maakte deel uit van de Vijf Kruiden (zie boven)._ Varens. Al de Varens zijn antimagisch. _This.~, 70; Gub.~, I, 223. Dodoens (blz.~ 759) schrijft; `Sommighe segghen / | | ^(1)^ Musci. | | | ^(2)^ Filicinae. | | | ^(3)^ Lycopodiinae. | | | ^(4)^ Polytrichum commune L. | dat het saedt van Varen^_(1)_^ macht beeft om alle tooverijen ende quade belesinghen krachteloos te maecken'. Varens zijn overigens antidiabolisch en antiophidisch. (Zie mijne Flora diabolica). Zij werden echter door Toovenaars en Heksen tot hun tooverwerk gebe- dgd. (Z.~ boven)._ Speciaal beschermt de Adderstong^(2)^ tegen betoovering. _`Adders-tonghe is seer begheert van de Alchymisten / ende vrouwkens / die dat over haerlieden draghen teghen tooverijen / soo Lobel betuyght'. (Dod.~, 202b; Lobel, 984). De hgd.~ naam `Widerthon mit Znglein' zou hierop wijzen (zie boven)._ Insgelijks het Maanvaren^(3)^, even zeldzaam als de vorige Adderstong. _Men legt het in de groote zaankommen: het beschermt de melk tegen Betoovering en vermeerdert den room. (Perger, 216). Die Heksentegenwerkende kracht verklaren, naar sommigen, de hgd.~ namen `Rechter Wiederthon' en `Weisser Wiederthon' (z.~ boven)._ In het noorden van Engeland zegt men dat de Heksen de Adelaarsvaren^(4)^ schuwen. _Omdat haar wortel, horizontaal doorgesneden, de letter C vertoont. (This.~, 69; naar: Folklore of the Northern Countries, 1819). De `initial C' zegt This.~: 1"e" letter van Christus? Het wortelmerk gelijkt beter op den Dobbelen Adelaar; vanhier de naam `Aquilina', Adelaars-Varen, fr.~ `Aigle-Impriale'._ De volgende Varens werken insgelijks alle tooverij tegen. _De Muurruit^_(5)_^ en de bruine Streepvaren^_(6)_^, in hgd.~ `Widerthon' ge- heeten ("=" naar eenigen `Tegendoen', nl.~ tegen Hekserij; z.~ boven); -- de Noordsche Streepvaren^_(7)_^, hgd.~ `Kleiner Wiederthon'; -- het Vrouwenhaar, hgd.~ `Glden Wiederthon'. Doch over de etym.~ van `Wiederthon', zie boven A, VI, g, Wederdood. | | ^(1)^ Dod.~ bedoelt vooral Aspidium filix-mas L.~, het Mannetjes-Varen. Ook | ander gemeene Varens. als Eikenvaren (Polypodium vulgare L.~). Wijfjesvaren | (Athyrium filix-foemina L.~), Adelaarsvaren (Pteris aquilina L.~) kunnen in aan- | merking komen. | | | ^(2)^ Ophioglossum vulgatum L. | | | ^(3)^ Botrychium lunaria L. | | | ^(4)^ Pteris aquilina L. | | | ^(5)^ Asplenium ruta-muraria L. | | | ^(6)^ Asplenium trichomanes L. | | | ^(7)^ Asplenium septentrionale L. | Beschut tegen bliksem en hagel is het huis, waar men Varen bewaart, zegt de H.~ Hildegarde (Marzell, Unsere Heilpfl, p.~ 5; het staat in hare Physica: z.~ Migne, Patrol.~, CXCVII). En de mensch die Varen over zich draagt, kan niet behekst worden. (Id.~). Doch het is vooral het Varenzaad dat antimagisch (en ook antidaemonisch) werkt (z.~ mijn Flora diabolica); en men zegt dat dit machtige Zaad (dat eigenlijk geen zaad is, het zijn de soren van de plant) op St.~ Jansnacht moet verzameld worden. En waarom? Naar eene sage (bij Marzell, Uns.~ Heilpfl.~, 8) ontstond Varen, in den kerker, uit het bloed van den onthoofden Joannes den Dooper en sedertdien bloeit zij enkel op St.~ Jansnacht en strooit alsdan haar mysterieus zaad rond._ Wolfsklauwen. De gewone Wolfsklauw^(1)^ was Heksenwerend. _Zij werd op de staldeuren genageld. Men maakte er eenen krans van en hing dezen aan eenen dunnen draad in de slaapkamer; zulke hangende en gestadig beweeglijke krans heette hgd.~ `Unruhe' (Onrust). Aldus in den Harz, zegt Prhle (Harzbilder, 1855, 85); doch `Onrust' hangt roerloos, als een Heks in de plaats treedt. (Shns, 119). Na den tijd der Zomer-Zonnewende krijgen de Heksen grooter macht, omdat het licht dagelijks vermindert. Om zich voor Betooveriug te beschutten, zocht men de ranken van de Wolfsklauw op en omgordde zich er mee. Vanhier de naam Gordelkruid (hgd.~ `Grtelkraut'). Met hetzelfde doel wierp men deze ranken in de St.~ Jansvuren (vanhier de naam St.~ Janskruid). Rel.~ u.~ Bohnh.~, 115. De schaapherders dragen tegen beheksing Wolfsklauwtwijgen op hunnen hoed. Aldus in Moravisch Valachijen: Zdtschr.~ f.~ Osterr.~ Volksk.~ 13 (jaarg.~ 1908), 24)._ De afgeplatte Wolfsklauw^(2)^ had eveneens antimagische werking. _Men noemde de Plant in hgd.~ `Kleiner Widerthon'. Zie boven. In Bhmerwald en Vogtland hoort men den naam `Drudenfuss' (Drude "=" Heks); in Egerland `Drudenkraut'. Zie Marzell, p.~ 17._ 2. Naaldboomen of Kegeldragers^(3)^. Tegen Beheksing diende de Zilverspar^(4)^. _Om Hekserij te voorkomen zette men een Denneboompje achter de staldeur. Aldus in Silezi (VK.~ VII, 9). | | ^(1)^ Lycopodium clavatum L. | | | ^(2)^ Lycopodium complanatum L. | | | ^(3)^ Coniferae. | | | ^(4)^ Abies pectinata DC. | In het Saksisch `Erzgebirge' hangt men, op 1"e""n" Paaschdag, Dennetwijgen in den stal: zij maken de koeien melkrijk, behouden ze in gezondhdd en be- schutten ze tegen Heksen. (John, 195, 197). De eerste Oogstschoof geldt er als heilig. Vooraleer men het eerste oogstvoer aflost, versiert men dezen Schoof met Dennerijzers; men beschouwt zulke doen- wijze als behoedmiddel tegen Booze Geesten en Heksen (id.~, 221)._ Ook de gemeene Spar^(1)^. _In Silezi nagelt men den Zomer (`Summer': Sparretakken, die men met bont papier en klatergoud versiert en op Laetare-zondag, nl.~ Halfvasten, al zingende ronddraagt) op de deuren der staldeuren, ten einde voor ongeluk en Betooveriug te bewaren. (Wuttke, n"r" 139). -- Zie nog Roll.~ XI, 208: antimagisch gebruik in Savooie._ Insgelijks de overal gekweekte Pijnboom^(2)^. _Op Walpurgisnacht brandt men in Tirol de Heksen uit (`Ausbrennen der Hexen'), onder geraas en geluid van bellen, klokjes, pannen en gebas van aangehitste honden steekt men, op hooge staken, Twijgenbussels van Pijnboom, Sleeboom^_(3)_^, Scheerling^_(4)_^, Rozemarijn^_(5)_^ en doet ze branden, men loopt met die brandende bussels zevenmaal rond huis en dorp, aldus jaagt men de Heksen, die gedurende dien nacht rondvaren, weg. (Wuttke, n"r" 188; naar Alpenburg: Mythen, 260)._ Lork^(6)^ was een antimagisch Rookkruid (z.~ boven). De Jeneverboom^(7)^ vooral bezat antimagische kracht: hij draagt, als Signatuur, boven op zijn bes (eigenlijk een vleezig geworden kegel), een soort van kruisje (met zeer veel goeden wil ontwaart men het): doch het volk ziet zoo nauw niet! _Om van een aangetooverde ziekte los te worden, gebruikte men Jeneverboom. (Perger, 71). Men berookt er het huis mede (Id.~, 346). "*" Meester Arnoldus Bierses, kanunnik van O.~ L.~ Vrouw te Tongeren (Limburg) raadt aan Wierook en `Wakelbesen' ("=" Jeneverbesen) met een snoekshert in de slaapkamer op kolen te branden, eer men slapen gaat, `want het verdriefft alle tentacie ende aen- vechtinghe des duvels ende wichelije van toverije en diergelijken'. (Aldus in | | ^(1)^ Picea vulgaris LK. | | | ^(2)^ Pinus silvestris L. | | | ^(3)^ Prunus spinosa L. | | | ^(4)^ Conium maculatum L. | | | ^(5)^ Rosmarinus officinalis L. | | | ^(6)^ Larix europaea L. | | | ^(7)^ Juniperus communis L. | zijn 16"e"-eeuwach Florilegium, z.~ J.~ Gessler, Tongersche Recepten en Tractaten uit de XVI"e" eeuw, in: Volkskunde, 1825). Op de Feestdagen strooit men Jenevertwijgen in huizen en stallen: daardoor djn deze gewijd (Perger, 350). Jeneverboom beschut het vee tegen Tooverij. (VK.~ VII, 8, 9). Men berookt de stallen met Jeneverboom en Jeneverbessen. (Benno Martiny, 28). Met de Bessen maakte men, in de Middeleeuwen, eenen drank die versterkte en allen invloed van Booze Machten tegenwerkte. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 66). Tegen Betoovering der boterkarn gebruikte men eenen karnstaf van Jenever- hout. (Perger, 348; Leoprechting, 1855, 96). De paardeknecht maakte zijnen zweepsteel uit Jeneverhout: geene Heks of Toovenaar kon zijne paarden `festbannen' (d.i.~ ze doen versteld staan of ze beletten voort te gaan). Id.~, in Lechrain, en ook in den Vooreifel. Om Betoovering door den drank tegen te werken, dronk men uit eenen beker van Jeneverhout. (Id.~). Wie zich gedurende de Kerstmis op een schameltje van Jeneverboomhout zet, erkent al de Heksen die binnenkomen. Aldus in Nederoostenrijk. (Marzell, 22; naar Leeb, Sagen Niederst. 1892, 65). Vgl.~ nog This.~, 65; Gub.~, I, 223; Marzell, 21-22._ De naverwante Zevenboom^(1)^ stinkt en is daardoor Hek- senwerend. _Met eenen enkelen Zevenboomtwijg kan men de Heksen verjagen. (Perger, 346). Vgl.~ Meier, Schwab.~ blz.~ 178 (`Neunfingerkraut und Sevenbltter')._ Heksenverdrijvend is ook het Spaanschhout^(2)^. _Misschien omdat men het eertijds veel plantte op kerkhoven. (This.~, 69). Men beschermt zich tegen alle Tooverij door middel van een stukje hout van dezen Boom, dat men als amulet op het bloote lijf draagt. In de Spessart (Duitschl.~) luidt een rijmpje, `Vor den Eiben (naam van Taxus) Kann kein bser Zauber bleiben'. Rel.~ en Bohnh.~ 64. Spaanschhout maakte ook deel uit van het Negenderhande hout. (Zie boven)._ 3. Laurierachtigen of Lauraceen. De edele Laurier^(3)^ beschermde menschen en dieren, huizen en stallen, akkers en gaarden tegen alle Hekserij en Kwaad, | | ^(1)^ Juniperus sabina L. | | | ^(2)^ Taxus baccata L. | | | ^(3)^ Laurua nobilia L, | _"*" `De Heydenisse seyden / dat den Laurus-boom de quade geesten weder- staet / ende alle tooverijen: ende sy gheloofden dat de Lauwer-bladers aen solders / deuren oft vensters van de huysen hanghende / den donder ende blixem daer van keeren, ende Julius Cesar droegh altijdt eenen Lauwer krans op sijn hooft / om hem selven teghen den donder ende blixem te bewaeren. Andere planten desen boom rondom de hoven / om de selve teghen t'onweer te bevrijen. Dan de takskens van de Lauwer-boomen in de Koren-velden ghesteken / bevrijen het Koren van den Roest^_(1)_^ ende Brandt^_(2)_^'. (Dod.~, 1329a)._ Kamfer^(3)^ wordt gebruikt om de Invultatie van 't doorstoken hart (z.~ boven) te verijdelen. _Men moet den ziekgemaakten persoon een lamshart (gereedgemaakt met Savie^_(4)_^ en IJzerkruid^_(5)_^ laten eten; men doet hem tevens dragen een talisman van de planeet Venus of van de Maan, gesloten in een zakje vol Kamfer en Zout. (Lvy, H.~ M.~ II, 248). Om Beheksing onschadelijk te maken en den Kwaaddoener dwingen te verschijnen neemt men een nieuwen geconsacreerden aarden pot met deksel, Kamfer, een pakje naalden en een kalfshart (desnoods kan alle hart van een dierenwijfje dienen). Dat alles heeft men, zonder afdingen, aangekocht. Daarna sluit men goed de deur en men gaat niet buiten, noch laat iemand buitengaan, zoolang de Bezwering duurt. Men legt het hart op een reine teljoor en steekt er de eene naald na de andere in; voor elke naald zegt men, `Tegen zulken of zulke (hier de naam van den vermoeden Toovenaar of Heks) eenmaal vassis atatlos vesul et cremus, verbo sans hergo, biboli herbonos; tweemaal vassis atatlos, enz.~; driemaal vassis atatlos, enz.~ tot al de naalden in het hart steken. Dat gedaan zijnde legt men hart en Kamfer in den pot, zet dezen op het vuur te 11 1/2 ure juist en laat alles zieden ten minste tot en uur na middernacht. 's Anderen daags begraaft men den pot in een niet bebouwden grond. Gedurende het zieden en van 't begin tot het einde zegt men alle vijf minuten bovenstaande Tooverwoorden, terwijl men in den magischen Spiegel ziet, nu al den eenen kant dan al den anderen, het is bijna zeker dat men Behekser of Heks meer dan eenmaal in den Spiegel zal zien voorbijgaan'. (Legran: Sci.~ et Mag.~, 48-49). Vgl.~ mijne Flora diabolica._ 4. Hanevoetachtigen of Ranunculaceen. Eerst moet de mystische Pioen^(6)^ genoemd worden. | | ^(1)^ Puccinia graminis Pers.~, een Zwam van de groep der Uredineen. | | | ^(2)^ Ustilago carbo Tul. Zwam van de groep der Ustilagineen; misschien | ook Tilletia caries Tul. | | | ^(3)^ Afgescheiden door Camphora officinalis N.~ v.~ Es. | | | ^(4)^ Salvia officinalis L. | | | ^(5)^ Verbena officinalis L. | | | ^(6)^ Paeonia officinalis L. | _Het is een Tooverkruid door en ook tegen Heksen gebruikt. Vgl.~ boven. "*" Tegen Kinderbetoovering benuttigde men de Zaden en den Wortel als amulet; vooral tegen de vallende ziekte, die, naar men dacht, het kind aangetooverd was. Galenus -- die nochtans de eerste de beste niet was -- schrijft: `Ik heb een jong kind gezien dat somtijds gedurende acht volle maanden vrij was van de Vallende Ziekte, indien men dezen Wortel aan zijnen hals hing; doch toen de Wortel namaals door ongeluk was afgevallen, zoo kreeg het kind van stonden aan opnieuw dezelfde ziekte; maar toen de Wortel (en het Zaad) weerom aan zijnen hals gehangen werd, dan werd het daarmede niet meer gekweld. Niettemin, om nog meer verzekerd te zijn van deze kracht, docht het mij goed Wortel en Zaad nog eens van den hals te nemen: het kind is opnieuw nedergevallen als te voren. Ik heb het bijgevolg niet meer zonder dezen Wortel willen laten, en het is alzoo volkomen genezen geweest'. (Dod.~, 301). "*" Evenwel is de werking van den Pioenwortel veel krachtiger, `alsmen daer wat Marentack^_(1)_^ bij doet; in sonderheydt als sy in 't afgaen van de Maene ghepluckt wordt, oft in de Hondtsdaghen voor den opgangh van de Sonne'. (Dod.~ l.~ c.~; Rel.~ en Bohnh.~, 293; De Cock, Volksgen.~, 95, 97). Vgl.~ mijne Flora diabolica._ De gemeene Boterbloemen^(2)^ en Hekserij zijn antagonisch. _Aldus in Duitschland (Wuttke, blz.~ 90)._ De grootbloemige Dotterbloem^(3)^ belet de Heksen de boter te stelen. _Roll.~, I, 96._ Als antimagisch amulet diende de gemeene Windroos^(4)^. _Roll.~, I, 23._ De Leverbloem^(5)^ of Paddekaatje werd als Rookplant tegen Beheksing gebezigd. _Onder den naam `Haselmannich' (Perger, 160)._ Antimagisch was ook de gele Poelruit^(6)^. _Het was een soort van `Widerthon'. (Z.~ boven). "*" `Men seydt dat dit cruydt / gheheel / dat is met bloemen / bladeren ende wortelen / in de slaepkameren ghehanghen / oft aen de wiegen ghesteken / de | | ^(1)^ Viscum album L. | | | ^(2)^ Geslacht Ranunculus. | | | ^(3)^ Caltha palustris L. | | | ^(4)^ Anemone nemorosa L. | | | ^(5)^ Hepatica triloba Gil. | | | ^(6)^ Thalictrum flavum L. | ionghe kinders van alle quaedt ende ongheval oft tooverijen bewaeren ende bevrijen kan; ende dat den reuck nut is in de vallende sieckte'. (Dod.~, 77ab; vgl.~ Roll.~, I, 33)._ Eveneens de akeleibladige Poelruit^(1)^, die ik dikwijls in de Vlaamsche hoven aantrof. _Het Vlaamsche volk heet ze Akeleipluimen (Zegelsem b.v.~); hgd.~ `Grosser Widerthon' (z.~ boven)._ Het Juffertje-in 't Groen^(2)^ is het ook. _Het maakte deel uit van de Negenderhande Kruiden en van de Zeven-en- zeventig Kruiden (z.~ boven)._ Het Narduszaad^(3)^ belette de Heksen alle schuld halsstarrig te loochenen. _In 1660 werd te Leipzig een zoogenaamde Heks, Anne Eve, gefolterd; en daar zij niet bekennen wilde, gaf men haar een antimagischen drank in: deze bevatte Eereprijs^_(4)_^, `braunen Taust'^_(5)_^ ("=" bruine Duist), `weiszem Orand'^_(6)_^ ("=" Nieskruid), de lever en de gal van verschen snoek, `Schwarz- kmmel'^_(7)_^ ("=" Narduszaad), `zweitragenden Knoblauch'^_(8)_^ ("=" Knoflook) en St.~ Janskruid^_(9)_^. Doch de Heks, in dees geval, bekende niet en stierf in de foltering. (Meiche, n"r" 628)._ Door de Kerstroos^(10)^ werden Booze Geesten gebannen. _Het was een heilige Plant, die omtrent den heiligen dag, Kerstdag, bloeide. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 235)._ De Oosterse he Nieswortel^(11)^ onttoovert behekste huizen. _De Wortel werd hiertoe gebruikt. Als amulet deed men ook den gekookten Wortel in een stuk maagden-perkament, en men droeg het om de zwarte ge- dachten en alle obsessie te verjagen. (Legran: Sci.~ et Mag.~, 28)._ | | ^(1)^ Thalictrum aquilegifolium L. | | | ^(2)^ Nigella damascena L. | | | ^(3)^ Nigella sativa L. | | | ^(4)^ Veronica, wellicht V.~ officinalis L. | | | ^(5)^ Origanum vulgare L. | | | ^(6)^ Achillea ptarmica L. | | | ^(7)^ Nigella sativa L. | | | ^(8)^ Allium sativum L. | | | ^(9)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(10)^ Helleborus niger L. | | | ^(11)^ Helleborus orientalis L. | 5. Vetplanten of Crassulaceen. De Donderbaard^(1)^ bezat groote Heksenwerende kracht. _In den schoorsteen hangt men Donderbaard; de Heksen, die gewoonlijk dien weg volgen, kunnen niet in huis komen, want over zulk Kruid kunnen zij niet verder. (Shns, 118). Hekserij slaagt niet in het huis, waar Donderbaard op het dak groeit. (Roll.~, VI, 97). Tegen den Nestelknoop eet men Donderbaard. (Thiers, I, 149; Roll.~, VI, 98). "*" Zij verwijdert den Bliksem van de woonst, waarop zij gekweekt wordt (overal)._ Eveneens is de Hemelsleutel^(2)^ alle Hekserij vijandig. _Om Tooverij te bestrijden hangt men, in huis, den Stengel aan eenen draad; of men legt hem op twee nagels; in beide gevallen blijft de Plant leven, groeien en bloeien. Aldus te Maillezais (Vende): Roll.~ VI, 102. Te Baygorry (dp.~ Pyrnes) plukt men Hemelsleutel op St.~ Jansdag en men steekt hem bij het wijwatervat: het immergroene Kruid verjaagt alle Heksen en beschermt het huis tegen alle ongeval. (Roll.~ id.~). Tegen Tooverij en Kwaden Invloed hangt men, in Engeland, St.~ Jans- kruid^(3)^ met groenen Berk^(4)^, Hemelsleutel, Venkel^(5)^ en Witte Lelin^(6)^ boven de deuren. (This.~, 62)._ 6. Waterleliechtigen of Nymphaeaceen. Waterlelin^(7)^ en Heksen bestrijden elkaar. _In de Rijnprovincies plukt men ze tegen Tooverij, onder het uitspreken van eene bezweringsformule (This.~, 69: de schrijver geeft echter de formule niet op)._ 7. Roosachtigen of Rosaceen. De antimagische Roosachtigen zijn talrijk. "*" Heksen betooveren dikwijls door het schenken van eenen | | ^(1)^ Sempervivum tectorum L. | | | ^(2)^ Sedum telephium L. | | | ^(3)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(4)^ Betula alba L. | | | ^(5)^ Foeniculum vulgare Miller; of Anethum graveolens L.~: beide Planten | worden als Venkel gebruikt. | | | ^(6)^ Lilium candidum L. | | | ^(7)^ Nymphaea alba L.~ en ook Nuphar luteum Smith. | Appel^(1)^, eene Peer^(2)^, eene Pruim^(3)^ of een ander gelijkende Vrucht. _"*" Aldus in Belgi en elders. -- Om het Betooveren onmogelijk te maken, moet men het eerst afgebeten stuk wegwerpen. Aldus in Oost-Friesland. (Wuttke, nr 220; vgl.~ n"r" 188). Ofwel moet men de gekregen Vrucht bakken: pruist ze open, zoo wil Heks of Duivel er uit komen en de Vrucht is zonder twijfel betooverd; gebeurt zulks niet, dan mag men ze gerust opeten, (Roll.~ V, 87: in dp.~ Deux-Svres)._ Om de Heks-Onweerbrouwster goedjonstig te maken en ze aldus aan te zetten geen ongeweerte over het land te jagen, laat men, voor haar, den laatsten Appel en de laatste Peer op den Boom staan. _Aldus te Pommerfelden (Duitschl.~). Mannh.~ BK.~, 78, nota 3._ De Pruimeboom^(4)^ en de Sleepruim^(5)^ werden ook als anti- magische middelen gebruikt. _Hier en daar op 't Europeesch Vasteland (This.~, 69). Waar en hoe dat zegt This.~ niet. -- Doch over den heksenwerenden Sleedoorn kan men meer lezen bij Marzell, Unsere Heilpfl.~, 71-72. Om zijne overvloedige Doornen is hij antimagisch in Bohemen, Silezi, Opperpaltz, Slavoni, Bosni en Herzegovina._ Doch vooral de Vogelkerseboom^(6)^. _"*" `De landlieden planten de Vogelkersen meest, om datse ghelooft worden groote kracht teghen de Tooveraers ende quaedtdoenders te hebben'. (Dod.~, 1219). Dat gelooft men ook in Duitschland. (Perger, 71, 254; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 230; Leunis, 154; Knortz, 11). De volgende namen uit Pritz.~ en Jessen wijzen op anti- magische en antidiahollsche kracht: `Alpkirschbaum' (in Silezi en Thuringen); `Drachenbaum' (bij Heppe, Mnchausen, Gleditsch en Burgsdorf); `Drutenblh' (te Nurenberg); `Hexenbaum' (bij Gleditsch); `Trudenbaum' (bij Mnchau- sen); `Trudenblebaum' (in Beieren); `Trudenblthe' (bij Hfer); `Trug- denbaum' (mbgd.~). Perger, 254, heeft nog: `Alpstrauch, Unholdenbaum, Drachenblhbaum'; en Rel.~ u.~ Bohnh.~, 230: `Elfenbaum' (alhoewel `Elsen- baum' de gewone benaming is: Elsen "=" Hexen, Perger, 254). -- Leunis, 154: | | ^(1)^ Pirus malus L. | | | ^(2)^ Pirus communis L. | | | ^(3)^ Prunus domestica L. | | | ^(4)^ Prunus domestica L. | | | ^(5)^ Prunus spinosa L. | | | ^(6)^ Prunus padus L. | `Elsebeerbaum, so heiszt auch Sorbus aucuparia, entweder verderbt aus Erlen- baum, oder von (gr.~) alezein abwehren, weil er Hexen abwehrt'. -- Bij Leunis treft men nog den naam `Elfenbusch' aan, omdat men met de Twijgen Elfen of Heksen verdrijven kon, zooals men in de middeleeuwen geloofde. -- Men meende dus, in Duitschland, dat de Vogelkerseboom de Heksen verjaagt, de Elfen verre van ons houdt, en geen `Truden' noch `Unholde' in zijne nabijheid duldde. (Perger, 254). En deze plantlorist verklaart dat zulk geloof vermoedelijk ontstond omdat Hout en Schors een walgenden reuk bezitten -- vanhier de naam `Paulbaum' (Vuilboom) -- en alle spokerige Wezens voor slechten reuk plachten te vluchten. Wie een aangetooverde ziekte wil kwijtgeraken, moet een zeker getal Kruiden met Vogelkersschors samenbinden en, al over den rug, wegwerpen op een plaats, waar men nooit meer terugkomt. (Perger, 71). -- Onder die Kruiden noemt men: Walstroo^_(1)_^, Bitterzoet^_(2)_^, Allemansharnas^_(3)_^, Vlier^_(4)_^, Jenever- boom^_(5)_^, Kruisdistel^_(6)_^, Zonnedauw^_(7)_^. Om Heksen te herkennen snijdt men, op Goeden-Vrijdag te drie uur 's morgens -- het echte martelieuur van den Heiland -- een Vogelkersroede en gaat er mee naar de kerk. (Id.~, 245). De Heksen boren gaten in huisbalken of in den dorpel, om er in hunne Toovermlddelen te verbergen: zulke gaten stopt men best met Vogelkershout. (Idem). Enkel een kruis van zulk Hout kan den Duivel verjagen, die in den laatsten `Probenacht (Barchtannacht)' den mensch komt aanvechten. (Id.!). Om de vaarzen veel melk te doen geven en de stallen voor alle onheil en Hekserij te bevrijden, deed men, op Walpurgisnacht (1 Mei) in Westfalen en den Nederrijn, het volgende `Klberquicken' (of Kalverdoopsel). Gedurende den schemer van den 1"e""n" Meimorgen ging de dorpsherder naar eenen berg of heuvel in de nabijheid en wachtte hier het opstaan der zon af. De Twijg van eenen Vogelkerseboom dien het eerst door de zonnestralen gekust werd, moest nu met eene enkele scherpe sne afgesneden worden. Met dien Twijg ging de herder naar de hoeve, waar een jarig kalf stond, en sloeg dit, te midden van het hof, en in bijwezen van al de huisgenooten, driemaal op kruis en heupen, terzelf- der tijd in kunstlooze rijmen den wensch uitdrukkend dat, gelijk het sap in de Boomen stijgt, bij de koe de melk in den uier stijgen zou; daarna raakte de herder den uier met den Vogelkerstwijg en gaf aan het dier zijnen naam. De boerin schonk alsdan eieren aan den herder. Des anderen daags werden de doppen | | ^(1)^ Gallum verum L. | | | ^(2)^ Solanum dulcamara L. | | | ^(3)^ Allium victorialis L. | | | ^(4)^ Sambucus nigra L. | | | ^(5)^ Juniperus communis L. | | | ^(6)^ Eryngium maritimum L.~ en E.~ campestre L. | | | ^(7)^ Drosera rotundifolia L. | deur eieren met Boterbloemen^_(1)_^ en bonte linten aan den Twijg bevestigd en deze aan de staldeur opgehangen. In eenige deelen van het Graafschap Mark komt dat gebruik nog voor. (Knortz, 11). -- Alsook te Iserlohn in Westfalen, zegt Mannhardt (BK.~, 270-1). De Twijg heet er `Quekria'. En Wste (Volks- berlieferungen in der Grafschaft Mark, 1848, p.~ 25) geelt de rijmformule op, die men bij 't doopsel gebruikt: `Quik, quik, quik^_(2)_^, Brenk milke in den strik ("=" niertepel), De sp is in den blrken ("=" berken^_(3)_^). En namen kritt de stirken, Quik, quik, quik, Brenk milke in den strik!' In Hemer luidt het (Mannh.~ BK.~, 271): `Salt in die Elche^_(4)_^, Honig in die Buche!^_(5)_^ Den Namen sollst du geneuszen, Kohlhenne (b.v.~) sollst du heiszen!' Te Schrfeld krijgt de herder eenen eierkoek, waarin de boerin zoovee1 eiers slaat, als de Vogelkerstwijg Bladeren, na het `quicken', heeft behouden. Zie nog dergelijke gebruiken bij Mannh.~ BK.~ l.~ c._ Van den Kerseboom^(6)^ zegt men dat van hem de kracht uitgaat om gebannen kwade en boosdoende Wezens te verlossen. _Doch de volgende voorwaarden zijn onmisbaar: Een vogel moet een Kers eten en den steen op den grond laten vallen; uit dezen steen groeit een Kerse- boom; van dezes Hout wordt eene wieg gemaakt; hierin wiegt men het kind dat, grootgeworden de verlossing van de gebannen Wezens verwezentlijkt. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 214)._ Doch geen Boom bezit grooter antimagische kracht dan de Lijsterbesseboom of Averesch^(7)^. _Misschien, zegt This.~ (blz.~ 66) `from its sacred associations with the worship of the Druids'. -- Ofwel omdat het een heilige Thorsboom was. (Z.~ mijn Plantenkultus, 25; Herrmann, NM.~, 368). -- Naar de Finsche mythologie woonde | | ^(1)^ Ranunculus-soorten. | | | ^(2)^ Naam van den Boom. Naar Rel.~ u.~ Bohnh.~, 48, en Leunis, 195, wordt hier | Sorbus aucuparia L.~ bedoeld. Z.~ beneden. | | | ^(3)^ Betula alba L. | | | ^(4)^ Quercus robur L. | | | ^(5)^ Fagus silvatica L. | | | ^(6)^ Prunus cerasus L. | | | ^(7)^ Sorbus aucuparia L. | in den Heester (die `Pihlaja' heette) een beschermende Godheid, nl.~ Pihlajatar. (Mannh.~: BK.~, 30). De Engelsche naam van den Boom is `Rowan-tree', dat sommigen in verband brengen met oudnoorsch Runa ("=" `Zauber', zegt Kannegiesser, 141): `Rowan-tree' was dus de Boom dien men tegen Betoovering aankweekte en gebruikte; van den `Rowan' sneed men de kleine Rune- of Lotstaafjes. (Z.~ boven Alruine en Botanomancie). In Schotland roept men nog: `Rowan-tree and red thread Put the witches to their speed'. d.i.~ ongeveer: `Rowan en roode draad Zetten de Heksen op de vlucht'. In een oude Northumberlandsche ballade `Laidley Worm' ("=" Leelijke Worm) zingt men: `The spells are vain, the hag returned To the queen in sorrowful mood, Crying that witches have no power, Where there is row'n-tree wood'. (This.~, 67; Ingram: Fl.~ symb.~, 283). d.i.~ `De betoovering was vruchteloos, de Heks ging terug Naar de Koningin, droef te moede, Roepende dat Heksen geen macht hadden Waar is Rowan-hout'. Bij Jacob (English Fairy-tales, 185-87) luidt het `Laidly-Worm'-sprookje: een Jonkvrouw is door eene Heks in een leelijken Worm veranderd en haar broeder verlost ze: zijn schip is tegen Tooverij beschermd, omdat de kiel van `Rowan' is gemaakt; en met een `Rowanroede', door simpele aanraking, vervormt hij de Koningin der Heksen in een afschuwelijke Pad. Tegen Hekserij behoedde een roede van `Rnn' (naam van den Boom in Zweden). Z.~ Rel.~ u.~ Bohnh.~, 68 (naar Grimm); Nork, Myth.~, 950. Of men droeg, in zijne tesch, een stukje Avereschhout (Rel.~ u.~ Bohnh.~ l.~ c.~) Aangaande dit volksgebruik vertelt men in Yorkshire: `Eene vrouw was laatstelijk in mijnen winkel en toen zij hare beurs uit haren zak trok, trok zij er ook uit een Houtstukje van eenige duimen lang. Ik vroeg haar waarom zij dat in hare tesch had'. -- `O! zei ze, dat mag ik niet verliezen, anders ben ik zelf verloren'. -- `Hoe zoo?' -- `Wel, antwoordde zij, ik draag dat om de Heksen van mij te houden; als ik dat over mij heb, kunnen zij mij geen kwaad doen'. En daar ik tegenwierp dat den dag van vandaag er geene Heksen meer bestonden, sprak zij onmiddellijk: `Toch wel! Thans zijn er dertien in de stad, maar zoolang ik mijn `Rowan' in mijnen zak heb, kunnen zij mij geen kwaad doen'. (This.~, 68; uit Henderson: Folk-lore of Northern Counties, 1879, p.~ 225). Om die antimagische kracht noemde men in Engeland den Boom nog `Witchwood' ("=" Heksenhout): Kanngiesser, 142. Bij de huizen plant men dikwijls den Heksen-werenden Lijsterbesseboom. Aldus in Engeland. (This.~, 68). Of men legt Takken boven dak of in huls tegen Bliksem, Draken en Booze Geesten. (Perger, 319). Tegen Veebeheksing hing men Lijsterbessetwijgen boven de staldeuren op Walpurgisnacht (Meiavond). Aldus in Noorwegen, Denemarken, Germanje. 's An- deren daags streek men er het vee mede. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 68). In stee van den Vogelkerseboom^(1)^ (z.~ boven) gebruikte men ook Averesch voor het zoogenaamde Kalverdoopsel. Daarom heetten beide Heesters `Quick' (van kwik "=" levendig, naar de zeer bewegelijke Bladeren, of omdat Averesch op den armsten bodem blijft leven). In Kornwallis (Eng.~) wond een boer, die dacht dat zijne koe betooverd was, een Lijsterbessetwijg rond hare hoornen. (This.~, 66). Is de melk behekst en kan men de boter niet afscheiden, zoo beroert men den room met zulken Twijg. Om zulke betoovering te voorkomen is 't nog het beste eenen Karnstok van Averesschenhout te gebruiken. (Id.~, 68). Altijd met antimagische bedoeling maakte men de zweepstelen en osse- prikkeis van datzelfde Hout. `When your whipsticks made of Row'n, You may ride your nag ("=" paard) through any town'. Dat zegt men in Yorkshire (This.~, 67). Engelsche herders bezigden eenen Avereschtwijg om hun schapen voort te drijven. (Id.~, 68). En in Engeland en Finland plantte de herder zijn Avereschroede in het midden van het land en prevelde gebeden voor het heil der aldaar grazende kudde. (Gub.~ II, 352). Eene schatsage wijst hierop: Vor vele jaren werden, in eenen kelder van het kasteel van Penyard (Herefordshire) twee okshoofden vol geld geborgen. Zij wer- den er bewaard door bovennatuurlijke macht. Een boer besloot nochtans den schat meester te worden en gebruikte twintig stieren om de ijzeren deur van den kelder in te stooten. Toen de deur lichtjes open was, zag hij, op een der twee vaten, eene Kerkkraai zitten; doch terzelfder tijd sloeg de deur met een paf toe en een stem riep: `Ware het niet geweest om uwen prikkel van Averesch en dezes pin van Taxushout^(2)^, gij en uw vee. gij waart allen hier binnen getrokken!' (This.~, 67). Boven sprak ik van een schip met beschermende kiel van Lijsterbessenbout. Aldus in Engeland. Zoo ook in Duitschland: zulk schip had de macht den Golventoover te breken en de stormen, door de Zeeheksen `(Meerfeien') te- weeggebracht, te stillen. (Perger, 319)._ | | ^(1)^ Prunus padus L. | | | ^(2)^ Taxus baccata L. | De Mispelboom^(1)^ bevrijdde voor Hekserij. _Een Mispelaren stok doet de Heksen vluchten. Aldus te Aizenay in Vende (Fr.~) en te Segr, dp.~ Maine-et-Loire. (Roll.~ V, 141). In de wieg van het kleine kind leggen de voedstervrouwen een kruis van Mispelhout, ten einde alle Boozen Invloed te niet te doen. (Id.~; naaf Hipp.~ Visleau: Maison du Cap, Bretoensche roman, p.~ 28). Boven de beesten hing men in de stallen, eenen Mispeltwijg om alle Tooverij onschadelijk te maken. (Id.~; aldus in dp.~ Ain)._ Rozen^(2)^ geven den Vergulden Ezel de menschelijke gedaante terug. _In eene stad van Thessali wordt Lucius in eenen Ezel veranderd; want Fotis, de meid eener Heks, die op Lucius eene Tooverdroge wil beproeven, vergist zich, neemt den eenen Tooverataf voor den anderen, zoodat Luciua een Vergulde Ezel wordt. Om Lucius te troosten zegt Fotis dat, om weder mensch te worden, het voldoende is dat hij Rozen eet. Maar het duurt zeer, zeer lang eer de Ezel de verlangde Rozen te eten krijgt. Hij komt van den eenen meester bij den anderen en is wel ongelukkig. Door zulk groot onheil geroerd verschijnt de Godin Isis hem in eenen droom en beveelt hem den volgenden dag in den stoet te gaan, dien men ter eere der Godin zal inrichten, den hoogepriester te naderen en van de Rozen te eten, die de hoogepriester in de hand houdt. Deze raad wordt gevolgd en de Ezel wordt, door de macht van de Rozen, opnieuw de mensch Lucius. (Z.~ hierover meer bij Apulcius, l.~ 11, c.~ 4; vgl.~ de synthesis bij Lvy: Hist.~ Mag.~, 214)._ De Egelantier^(3)^ speelt ook een rol in de Antimagische Flora. _Te Bricquebec en hier en daar in Normandi hangt boven den vloer of de deur eenen Egelantiertwijg; deze verjaagt Hekserij en Koortsen (Roll.~ V, 242). En de Egelantierwortel, uitgerukt op eenen dag van de volle maan, wordt gebruikt niet alleen om over iemand het Kwade Lot te werpen, maar ook om het weg te nemen. Aldus te Forcalquier. (Id.~). "*" Met de roode Vruchten maakt men eenen halskraag, dien men de kinderen omhangt, ten einde alle kwaad te verdrijven. Aldus in Henegouw (Borinage): Id. Indien een stal betooverd is door heimelijk ingraven van zekere Toover- middelen, zoo snijdt men, tijdens de volle maan, een driedeelige Egelantiersroede met drie sneden af: de eerste snede geschiedt, naar omlaag, in Duivelsnaam, de tweede, naar omhoog, in naam der H.~ Drievuldigheid, de derde, weer naar omlaag, onder het uitspreken der slotwoorden: `snijde ik u af!' Daarna grift men in de schors dezer roede de letters J.~ H.~ S.~ ("=" Jesus Hominum Salvator) | | ^(1)^ Mespilus germanica L. | | | ^(2)^ Rosa centifolia L.~ of een ander siersoort. | | | ^(3)^ Rosa canina L. | en legt men kruisgewijze twee Egelantiersdoornen in den rechterschoen en men gaat vervolgens met de gesneden Roede in den stal. Waar zich de bedolven Toovermiddelen bevinden, kan men niet meer voort; men graaft aldaar en men ontdekt er haar, beenderen, ineengewarde dingen, alles vaak zeer ordelijk gelegd. (Perger, 237-8; naar Leoprechting, 29). Heksen durven de witte Hageroos^(1)^ niet afbreken, anden worden zij ontmaskerd en weet men dat het Heksen zijn. (Perger, 234). "*" Is een zieke koe betooverd, dan snijdt men, op Goeden-Vrijdag, eenen zeer stekeligen Egelantierstok en slaat men er de koe mee op kop en borst. Die slagen worden ook door de schuldige Heks gevoeld; deze verschijnt daarop spoedig in den stal en vraagt iets te leen. Gaat men echter voort met slaan, dan is ze wel genoodzaakt den Tooverban op te heffen. (VK.~, VII, 10). Waar? Men zegt het niet. Ook de mosachtige Gal -- veroorzaakt door den steek van de Rozengal- wesp^_(2)_^ en de ontwikkeling van haar ei en larve; in fr.~ `Bdguar' en `Eponge d'Eglantier', in hgd.~ `Schlafapfel' of `Schlafkunze', bij Dod.~ in 't lat.~ Spon- giola Rosae en in ndl.~ `Spongieken van de Roose' geheeten -- bewaart de kinderen voor Betoovering. (Perger, 238)._ De Hagedoorn^(3)^ en Heks zijn antagonistisch. _Men meende dat de Betoovering, door den Zwarten Doorn^(4)^ teweegge- bracht, door den Witten Doorn of Hagedoorn kon opgeheven worden. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 68). Na het zaaien plant men een Hagedoornkruis in den akker om dezen tegen Heksen te beschermen; doch als het gezaaide Koren uit den grond is gekomen, moet men het kruis wegnemen. Aldus in Neder-Bretagne. (Roll.~ V, 161). Den 1"e""n" Mei, voor zonsopgang, plant men eenen Hagedoorntak op den mest en hangt men er aan de staldeuren: zulke doenwijze belet alle Betoovering en vooral den kwaden invloed van de `Cocadrille' ("=" zeker serpent voort- komende van een hanenei). Aldus te Chtillon-sur-Loing, dp.~ Loiret (id.~). Een invultatiemiddel: Neem het hart van eenen dooden aap zonder het te verwonden; leg het op eene nette teljoor; snijd negen Doornen van den Hagestruik -- indien gij geene Doornen kunt vinden, vervang ze door nieuwe nagels -- en steek er eenen in het hart, zeggende in Tooverlatijn: `Adibaga, Sabaoth, Adonay, contra ratout prisons pererunt fini unixis parade gossum'. Neem er twee en ze in het hart stekende, zeg: `Qui fussum mediatur agras gaviol valex'. Neem er twee andere en steek ze er ook in, zeggende `Landa a zazar valoi sator xio parade gossum'. Neem de twee volgende en al stekende zegt s `Avir sunt paradetur stator verbonum offisum filando'. Daarna de twee | | ^(1)^ Vooral Rosa arvensis Huds. | | | ^(2)^ Cynips (Rhodites) rosae L. | | | ^(3)^ Crataegus oxyacantha L.~ en C.~ monogyna Jacq. | | | ^(4)^ Prunus spinosa L. | laatste met de woorden: `Ik roep die, welke den Missel Abel hebben doen maken, overal om ons te komen vinden, al het water en al het land, overal, ~onder uitstel en zonder herroeping'. Bij het uitspreken der laatste woorden, doorsteek het hart met een gewijden nagel. Daarna doet men het aldus doorstoken hart in een zakje van maagdenperkament en men hangt het in de schouw, hoog genoeg om niet gezien te worden. 's Anderen daags moet men het hart uit het zakje nemen en het op eene teljoor leggen. Men trekt den eersten Hagedoorn uit en steekt hem, onder het uitspreken der boven aangegeven woorden, in een ander deel van het hart; daarna doet men hetzelfde met de 1"e" twee, de 2"e" twee, de 3"e" twee, de 4"e" twee Doornen en met den gewijden nagel, altijd onder het zeggen der gepaste woorden en wel toeziende de Doornen niet in dezelfde reeds gevormde gaten te steken. Men herhaalt dat werk gedurende negen dagen. Eindelijk legt men het hart op den rooster en braadt het over gloeiende kolen. De Toovenaar (of Heks) is gedwongen te verschijnen en genade af te smeeken. En zoo 't gebeurt, dat hij gedurende het hart-braden onmogelijk kan komen, zoo zal hij sterven. Men lette wel op dat de kwaaddoener niet bij het hart gerake. (Legran: Sci en Mag.~, 49-50). En een ander nog: als melk betooverd is, zamelt men de pis der behekste koe in eenen zak en priegelt dezen ferm met een Doornen bussel. Aldus in de Harz. (Wuttke, n"r" 293; naar Prhle: in Z.~ f.~ D.~ Myth.~ I, 200). "*" In het Antwerpsch Sprookje Vetmoleken (VK.~ I, 200) wordt eene Tooveres door Doornen bedrogen._ De volgende Roosachtigen behooren nog tot de Antimagische Flora: De Braam^(1)^. _Op den 1"e""n" Meidag zoekt men eenen Braamstengel, die aan ieder uiteinde eenen Wortel heeft (de Botanisten weten dat vele Bramen hunnen Stengeltop naar den grond buigen en adventieve Wortels in den grond schieten). Men neemt en hangt hem, in de gedaante van een halven kring, boven de staldeur om de Toovenaars, die de boter stelen, te verdrijven. Aldus in de omstreek van Lorient, dp.~ Morbihan. (Roll.~, V, 187). -- Vgl.~ hiermee een Engelsch gebruik: Om betooverd vee te ontheksen, doet men het onder dergelijken gebogen Braamtak kruipen (Marzell, 62). Aldus moet de ziekte in de Braam komen._ Het Benediktenkruid^(2)^. _Het maakte de Heksen krachteloos (This.~, 69). Doch men moest het gezegend Kruid op zekere manier en onder het zeggen eener formuie uitgraven en wijden. (Perger, 204; z.~ beneden Ruit). Men bond het in den Tuil van de Negenderhande Kruiden. (Z.~ boven)._ | | ^(1)^ Geslacht Rubus. | | | ^(2)^ Geum urbanum L. | Het Vijfvingerkruid^(1)^ en de Tormentil^(2)^. _"*" De eerste Plant beschut tegen Tooverij (Wolf, N.~ S.~, p.~ 695) en zij komt bij de Vijftien Kruiden. (Z.~ boven). De tweede komt bij de Negenderhande Kruiden. (Z.~ boven)._ De Agrimonie^(3)^. _Zij behoorde tot de Vijf Kruiden. (Z.~ boven)._ En de Vrouwenmantel^(4)^. _Men trof hem aan in den Ruiker van de Zeven-en-Twintig Kruiden. (Z.~ boven)._ 8. Vlinderbloemigen of Papilionaceen. De Klaver^(5)^ ontneemt de kracht aan de Heksen. _Wellicht omdat zij 't symbool der Drievuldigheid is. (This.~, 69). Om het vee tegen Hekserij te beschutten en het gedurende het heele jaar te doen gedijen, neem, 's avonds van Walpurgisnacht (1 Mei), van eens ander- mans veld, en juist van de vier hoeken, stilzwijgend, een handvol Klaver en geef ze aan het vee. (Wuttke, n"r" 24: aldus te Altenburg)._ Vooral de Vierklaver of Klavervier was en is antimagisch. _Omdat zij, met haar vier Blaadjes, den vorm van een kruis heeft. (Roll.~, IV, 146). Zij laat toe alle Goochelspel en Tooverwerk te ontdekken: Te Rottweil (Zwaben) goochelde een Koordedanser die een dikken Boom op zijnen neus deed waggelen. Een meisje dat met een mande Klaver en in de ene hand een Vierklaver voorbijging, bemerkte dat de Toovenaar niet eenen Boom, maar een langen Stroohalm op zijnen neus droeg. Zij maakte zulks aan de toeschouwers bekend. Dat beviel den Koordedanser niet en hij deed, na het meisje de Vierklaver ontfutseld te hebben, haar, door een ander Tooverwerk, gelooven dat zij door een diepe beek moest waden: en zij hief haren rok immer hoog en hooger, zoodat de aanwezige lieden het uitschaterden van lachen. (Perger, 196; naar Meier: Schw.~, I, 252). "*" In het midden van de markt te Itegem (prov.~ Antwerpen) staat een dikke Linde. 't Is jaarmarkt, en onder den Boom doet een `Schamoteur' wondertoeren. Onder andere kruipt hij gedurig door de Linde. 't Volk staat verwonderd toe te kijken. De pastoor komt en glimlacht: de goochelaar ziet het en houdt op tot de | | ^(1)^ Potentilla reptans L. | | | ^(2)^ P.~ tormentilla L. | | | ^(3)^ Agrimonia eupatoria L. | | | ^(4)^ Alchemilla vulgaris L. | | | ^(5)^ Trifolium pratense L. | pastoor weg is; dan berbegint hij. Een oud vrouwken komt bij: ze draagt een bussel Klaver op haar hoofd en een Klaveren-Vier zit er in geborgen, maar ze weet het niet. `Wel, zotte menschen! roept ze; de man kruipt niet door de Linde, maar gaat er rondom'. De Toovereer hoort het, slaat den bussel van haar hoofd en begint opnieuw. `Wel, hemelsche deugd! schreeuwt het vrouwken, hij kruipt er allegelijk door!' (Coeckelbergs: Spr.~ S.~ Lied.~, 79). Een gelijkende sage is in Lorreinen (te Grosblidersdorf) bekend: Daar is 't een haan die eenen balk van versheidene meters lengte schijnt voort te trekken: 't was werkelijk een Stroohalm! (Roll.~, IV, 147). -- "*" Ook te Boisschot (prov.~ Antwerpen) bekend. Een Toovereer doet toeren op de jaarmarkt. Hij heeft eenen haan aan wiens enen poot een Dennestaak vastgemaakt is: het dier sleurt er mee de markt rond! Een man onder 't volk heeft een Klaveren-Vier in zijnen zak en ziet dat de Dennestaak eenvoudig een Stroopijl is. (Fr.~ Coeckelbergs: Spr.~ S.~ Lied.~, 81). -- "*" Nog te Bolsschot: een andermaal laat een goochelaar zich met koorden binden; een toeschouwer heeft een Vierklaver in zijn kerkboek en ziet dat de koorden Stroopijlen zijn. (Id.~). -- In Ierland is 't ook een haan, die op een dak een balk voorttrekt, een meisje houdt in de hand een Graszode met (buiten haar weten) een Vierklaver en ziet hoe de zaak eigenlijk toegaat. Zij vraagt aan de toeschouwers wat wonder zij vinden in eenen haan met een Stroo in zijnen bek? De Toovenaar vraagt haar de Graszode: voor zijn paard, zegt hij. Zij gaf ze, en terstond gilt zij dat de balk gaat vallen en iemand dooden. (Yeats: Ir.~ Folkt.~, 149). Denkelijk ook in Friesland bestaan dergelijke Sagen: want Dijkstra (II, 241) zegt dat Klavervier alle Tooverij laat zien. Vgl.~ hiermede de volgende sage uit dp.~ Cher (Frankr.~): eene Heks blies door eene buis van zwart Hout, en goudstukken van honderd frank rolden er uit. Een der aanwezigen droeg over zich eene Vierklaver, die hij eerst in 't wijwater had gedompeld, en hij zag klaar dat het enkel den adem van de Heks was, die door de buis voer. (Roll.~, IV, 148). Met een Vierklaver kan men ook de Heksen zien: Als men, zonder het te weten eene Vierklaver in het haar draagt, ziet men in de kerk, op Kerstnacht, al de Heksen, want zij hebben den rug naar den autaar gekeerd. (Wuttke, n"r" 181; aldus in Tirol naar Zingerle). -- Als men, op een Zondag, vor zons- opgang, eene Vierklaver in den schoen steekt, erkent men in de kerk al de Heksen, die den rug naar den autaar keeren. (Perger, 197). -- In het land van Albret (Frankr.~) legt men in 't wijwater, gedurende de mis, eene Vierklaver; dan zijn de Tooveressen gedwongen het laatst de kerk te verlaten, en de priester -- doch hij allen -- ziet een licht boven hun hoofd. (Roll.~, IV, 148). Om eene Tooverheks te ontdekken en te gelijker tijd te pijnigen kookte men olie met spelden en naalden er in. Iemand die een `Bezempje stuiver' (een vroegere ndl.~ geldmunt) en een Klavervier bezat, kon alsdan de Tooveres te zien krijgen, zij droeg -- alleen voor zijn oog -- een omgekeerd braadpannetje op het hoofd. Het gebeurde ook dat, gedurende deze invultatie, de Heks van den zolder, enz.~ viel, en zich daarbij een arm of been brak: zij bleef voor haar leven, geteekend. Aldus in Friesland. (Dijkstra, II, 170)._ De gewone Boon^(1)^ is antidivinatorisch. _Als de profeet Amphiaraus voorzeggingen wilde doen, at hij nooit Boonen; tot die voorzeggingen had hij ongestoorde droomen van noode, en het genot van Boonen stoorde den slaap. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 325; vgl.~ Nork: Festk.~, 60 en vvgg.~). De Grieksche Waarzegger Amphiaraus leefde ten tijde van de Argonauten._ Als antimagische Vlinderbloemige Planten staan nog bekend: De gewone Rolklaver^(2)^. _Zij behoorde tot de Zeven-en-Zeventig Kruiden (z.~ boven)._ Het Zevengetijdenkruid^(3)^. _"*" `Sommighe versekeren / dat dit cruydt in de kamers aen de balcken ghehangen alle quade geesten verdrijft / oft ten minsten de verghiftighe dieren verjaeght'. (Dod.~, 908)._ En de Brem^(4)^. _In Vern (dp.~ Ille-et-Villaine) maakt men den Karnstaf uit Brem om de Toovenaan te beletten de boter te betooveren. (Roll.~, IV, 101). Brem verjaagt de Heksen; en Bremtwijgen in den groentenhof gestoken, verdrijven alle aangetooverd ongedierte als Slakken, Rupsen en Aardvlooien. (Perger, 135)._ 9. Katjesdragers of Amentaceen. Op de eerste plaats staat de reeds zoo vaak genoemde mys- tische Hazelaar^(5)^. _De Hazelaar maakt de Heksen schadeloos. (This.~, 79). Tegen Tooverij geeft J.~ Staricius (Heldenschatz, p.~ 479) het volgende middeltje: Men neemt een der grootste Hazelnoten, waarin een worm^_(6)_^ zit, het- gene men aan een gaatje zien kan. Met een groote naald kotert men den heelen inhoud van de Noot uit; maa steekt door het gat den spiegel (de oogvormige vlek) van een pauwever; men giet _er_ kwikzilver in, tot de Noot vol is; daarna stopt men het gat met maagdenwas, windt de Noot in een rood-karmozijne taf en hangt ze als amulet om den hals. (Wolf, N.~ S.~ p.~ 695). Vgl.~ Wolf: Hess.~ Sagen, n"r" 99. | | ^(1)^ Vicia faba L. | | | ^(2)^ Lotus corniculatus L. | | | ^(3)^ Trlgonella c"oe"rulea Ser. | | | ^(4)^ Sarothamnus scoparlus L. | | | ^(5)^ Corylus avellana L. | | | ^(6)^ Eigenlijk de made van een klein Kevertje. Balaninus nucum L. | Van Hazeltwijgen maakt men Tooverroeden, waarmede men Heksen ban- nen of doen verschijnen kan; die Roeden moeten op een Heiligen Nacht (bij voorkeur op Kerstnacht) gesneden zijn. (Knortz, 6). Ofwel men maakt eenen Bessem van Hazelrijzers en veegt er mee het stof uit al de hoeken van het huis; dat stof doet men in eenen zak, waarop men met den Bessem duchtig slaat; zoo worden de Heksen afgerammeld en over- meesterd. (Perger, 244-5). Indien eene Heks de melk eener koe of de boter steelt, dan breekt men, voor zonsopgang, drie Hazelscheuten, waarmede men de melk (die men bij den vuurhaard zet) geeselt: aldus wordt de Heks gefolterd en is zij gedwongen de Betoovering op te heffen. (Id.~, 244). Of anders nog: men neemt twee Hazelroeden; op de eene snijdt men de namen Jesus, Maria, Johannes; op de andere de Tooverwoorden: Tetragramma- ton, Adonai, Otheos. Men verbindt de twee Roeden kruisgewijs; op het kruis legt men een witten doek en de krachtige Averoone^(1)^, en door dien doek zijgt men de betooverde melk, die gansch onschadelijk wordt gemaakt. (Id.~; naar Zs.~ f.~ d.~ Myth.~ IV, 119). Of ook: men zet op het vuur de betooverde melk in eene pan en men slaat ze met eene Hazelroede; zoo wordt insgelijks de Heks gegeeseld en verschroeid; zij verschijnt aldra en vraagt om een brood te ontleenen; weigert men dit, dan moet zij sterven. (Benno Martiny, 27). Eveneens is paardenbeheksing onmogelijk, indien men hunne Haver^_(2)_^ met eenen Hazelaren stok omroert; deze stok moet, in naam van de H.~ Drievuldigheid gedurende het klokluiden gesneden worden. (Perger, 245). De Hazelworm is antimagisch. Hij woont onder eenen Hazelaar, waarop een Marentak^_(3)_^ groeit en die, naar 't volksgeloof, 35 jaar oud moet zijn. Het is een soort van witte Slang van n of meer meters lengte, en zij draagt eene kroon op de feestdagen. Die Slang eet de Bladeren van den Hazelheester en, in ieder Blad bijt zij een rond gat. Zij bezit zulke kracht dat zij door den diksten Eik^_(4)_^ kan varen. Wie zulken Hazelworm in zijne macht krijgt, acht zich overgelukkig, want alle Booze Geesten blijven ver van hem; hij kan zich onzichtbaar maken en is onwondbaar; niemand kan hem gevangen houden, want met de hulp van zijnen Hazelworm komt hij door alle gesloten deuren; hij kent de krachten van ieder Kruid. Graaft men een stuk van de huid en drie ribben van den Hazelworm in de akkers, zoo kan geen hagel de Vruchten ver- nielen, noch geen wild kan ze afvreten. Om zulken Hazelworm meester te worden, gaat men naar den Marentak-voedenden Hazelaar en zegt: `Ik groet u, edele Vrucht Hazelstruik'; en men graaft den heelen Heester uit en bezweert den Worm die er onder woont; deze blijft, in den beginne, rustig liggen, men bestrooit | | ^(1)^ Artemisia abrotanum L. | | | ^(2)^ Avena sativa L. | | | ^(3)^ Viscum album L. | | | ^(4)^ Quercus robur L. | hem met Bijvoet^_(1)_^ en alsdan kan hij niet meer ontvluchten. (Perger, 245-9; naar Thassander: Schauplatz, II, 871). De Hazelaar komt ook in de Waterbezwering voor. Z.~ IJzerkruid, beneden. Vgl.~ Rolland, X, 195 (men slaat den betooverden os kruisgewijze met eenen Hazeltwijg)._ Antimagische Katjesboomen zijn nog: De Eik^(2)^. _Als de koe bloedige melk geeft, moet men ze melken door een zoogenaam- den Eikendop (hgd.~ `Eichendopp'), d.i.~ een stuk van den Elkestam, dat een Twijggat (rond gat door eenen verdorden Twijg voortgebracht) heeft. Aldus in de Mark. (Wuttke. n"r" 292; naar Kuhn: Mrk.~ Sag.~ u.~ Mhrchen, 1843). Wolf (N.~ S.~ n"r" 404) vertelt het volgende: Twee kinderen waren betooverd; eene geburin gaf den raad naar een kruisbrug te gaan en daar uit de beek water te scheppen; daarna Eikespaanders in dat water te zieden; daardoor zou de Heks zich moeten bekend maken en de kinders onttooveren. De ouders geloofden zulks niet; maar toch deden zij het, met gesloten deuren en buiten ieders weet. Bij het eerste opkoken van het water kwam eene geburin op den achterkoer gdoopen en riep: `Gij, Duivelsbanners! gij, Duivelsbanners!' En schreiende bleef zij om- en weerloopen zoolang het vat op het vuur stond; en daaruit bleek klaar, wie de kinders had ziek gemaakt. (Naar Ph.~ van Zesen: Beschr.~ St.~ Amsterd.~, p. 182). "*" Te Lonze (in Walloni) doet men het volgende om eene Tooveres te dwingen te verschijnen: de behekste watert in eene flesch, waarin men Eikebla- deren heeft gelegd; die flesch verbergt men onder het bed van den betooverde: de heks verschijnt aldra en vraagt vergiffenis. (Walloni, 1893, 107)._ De Beuk^(3)^, wiens Blad eene T draagt. _Deze T is het antimagisch Runenteeken van den God Thor: wie zulk Beukeblad bezit, weerstaat aan alle schade en Hekserij. (Perger, 315; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 15)._ De Wilg^(4)^, die weliswaar een Ongeluksboom is en toch antimagische kracht heeft. _Zweedsche vrouwen gingen, op 1"e""n" Mei, vor zonsopgang, de Bladeren van Wilgen (ook wel van andere Boomen) plukken; zij maakten er kransen van, die zij aan den ingang hunner stallen hingen. (Thiers, I, 258-9; Malleus malef.~, 2, p.~ q.~ 2, c.~ 7). | | ^(1)^ Artemisia vulgaris L. | | | ^(2)^ Quercus robur L. | | | ^(3)^ Fagus silvatica L. | | | ^(4)^ Salix-soorten. | Op denzelfden Meiavond (Walpurgisnacht) blaast men op hoonrnen, die van Wilgeschors gemaakt zijn, want daardoor worden de Heksen verjaagd. Aldus te Teplitz en omstr. (Knortz, 8). In Stiermarken wijdt men op Palmenzondag Wngetakken die Katjes dragen: de rook van deu gewijde Twijgen verdrijft den Boozen Vijand, alle Heks en Spook. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 363). Het eerste bad van een pasgeboren kind moet met Wilgenschors gereedge- maakt worden: zoo blijft het behoed voor Hekserij. (Id.~). "*" Tegen veebeheksing gebruikte men den Wilgeboom. Hoe? Dat wordt niet gezegd. (VK.~, VII, 8). De Waterwilg^_(1)_^ liet toe Hekscn te erkennen: op Goeden-Vrijdag sneed men, juist te drie uur (het lijdensuur van dcn Zaligmaker), eene Roede van dezen Boom, bond ze om het bloote lijf en ging ter kerke: al de vrouwen, die Heksen waren. zag men met den rug naar den autaar gekeerd en zij waren met dikke Stroovlechten omhangen. (Perger, 28). Dezelfde Wilg werd als Wijpalm op Palmendag gebezigd. Dezen Wijpalm stak mcn boven de vensters en zoo kon geene Heks langs daar in huis. (Perger, 29). In Silezi stak men den gewijde Wilgetakken rond de akkers om Betoovering onmogelijk te maken. (Wuttke, n"r" 231)._ De Esp^(2)^. _In Rusland legt men eenen Espetwijg op het graf eener vermoedelijke Heks: daardoor wordt den belet uit het graf te komen en rond te waren. (This.~, 70)._ De Berk^(3)^. _Groene Berk werd, met St.~ Janskruid^_(4)_^, Venkel^_(5)_^, Hemelsleutel^_(6)_^ en Witte Lelie^_(7)_^, tegen Beheksing boven de deuren gehangen. Aldus in Engeland. (This.~, 62). Tegen het Kwade Oog hangen de Russische meisjes rood lint rond eenen Berk (id.~, 70). De ranke Takken van den Berk krulsen elkander, beweert men, en zijn daarom den Heksen vijandig. Men hangt (op Walpurgisnacht) groene Berke- twijgen boven de staldeuren: de Heks:n, die will:n binnendring:n, moeten eerst de Bladeren tellen en worden, vor 't gedaan is, door het middernachtsuur verrast. (Schnwerth, Aus d.~ Oberpfalz, 1 (1857), 314); Benno Martiny, 7, 24). In Opper-Oostenrijk drijft men het vee op 1"e""n" Mei uit en men slaat het, om Beheksing te beletten, met gewijde Berkeroeden, die met Bloemen versierd zijn. (Knortz, 12). | | ^(1)^ Salix capraea L. | | | ^(2)^ Populus tremula L. | | | ^(3)^ Betula alba L. | | | ^(4)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(5)^ Foeniculum officinale All. | | | ^(6)^ Sedum telephium L. | | | ^(7)^ Lilium candidum L. | Ecn boer uit Ober-Uzwil zei eens dat iedermaal hij zijne melk ziedde, zij stremde. Men ried hem, onder het zieden, de melk met een Berkerijs om te roeren. De man deed het; en daar kwam de Heks binnen en bad het roeren te staken. De boer roerde echter immer voort, tot de melk genoeg gezoden was; en het wijf stierf terstond. (Henne-am Rhijn, n"r" 114). -- Zie meer nog over den anti- magischen Berk bij Marzell, 43-48._ De Noteboom^(1)^. Met eene Noot kan men insgelijks Heksen erkennen. _Doch 't moet eene Noot met drie pitten zijn. Wie ze heeft, hoeft ze maar te leggen onder den stoel, waarop de Heks zit: deze kan niet meer opstaan, zoolang de Noot er liggen blijft. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 221)._ 10. Lijmkruidachtigen of Loranthaceen. De Marentak (of het Lijmkruid^(2)^) werd (en wordt) vaak tegen Heksenwerk aangewend. _Heks en Marentak zijn antagonistisch. (This.~, 65). In Tirol beschut de Marentak tegen `Trud' en Heks, vooral indien hij gegroeid Is op eenen Eik^_(3)_^, waaraan een Christusbeeld hangt. (Shns, 102). Met Marentak bereidde men eenen drank, een soort van panacea tegen alle Kwade Ziekte, Gift en Hekserij. (Id.~, 101). Ook als amulet diende deze wonderlijke Hester: de Wendische kwakzalver -- aldus in Oostenrijk -- neemt een driemaal gewijd Mistelblad en hangt dat aan den hals van het kind: het Is een weermiddel tegen het `Booze Wezen' en verjaagt alle aangetooverde ziekten. Het Blad moet evenwel zesmaal achtereen, bij ieder Nieuwe Maan, onder het prevelen van zekere geheime Spreuken ver- nieuwd worden. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 81). -- In Duitschland droeg men stukjes Marentak als amulet: men hing ze het kind om den hals tegen magischen invloed; of men zette ze in een zilveren lijstje en droeg ze over zich als talisman. (Dierb.~, 138-9). -- Of 't was een Lijmkruidbes die men in zilver vatte en, tegen Betoo- vering, om den hals droeg. (Perget, 229). Men zette ook Mistelbolletjes in zilver en maakte er ringen van, die men tegen Tooverij rond den vinger stak. (Shns, 102). -- "*" Zoo ook Dod. (1295): `Andere maecken ringhen van dit hout / die sy tot dien selven eynde / ende oock teghen de vallende sieckte aen hun vinghers draghen'. Vallende Ziekte werd aan Betoovering toegeschreven. En tegen Stalheksen hing men Marentak in de stallen. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 82). | | ^(1)^ Juglans regia L. | | | ^(2)^ Viscum album L. | | | ^(3)^ Quercus robur L. | -- "*" Of men hechtte hem aan de staldeuren. (Coremans: Ann.~ de l'anc.~ Belg.~, 1844, p.~ 140). Zalf met Hazelmistel bereid genas betooverden. (Prhle: Harzsagen, 274). Z.~ boven Hazelaar._ 11. Netelachtigen of Urticaceen. _"*" Netel^_(1)_^ is een Onttooveringsplant (VK.~, VII, 10). "*" Reeds Dod.~ (225) leert het ons: `De ghene die de Netelen over hem draeght / met wat bladeren van Vijfvingher-cruydt^_(2)_^ / die sal vrij zijn van alle gheesten ende voorschijnselen die den mensche pleghen te vervaeren: want sij benemen den mensche alle vreese / als sommighe versekeren'. Bestaat zulk gebruik nog in Belgi: bij mijn weten niet. Zij verdrijft aangetooverde ziekten, waaronder de zoogenaamde `Hexen- sperre' ("=" aangetooverde steekten in de zijden). Perger, 158. "*" Tegen Veebeheksing gebruikte men Netels als behoedmiddel (VK.~, VII, 8). Om de melk, die tot de kaasbereiding moet dienen, tegen Betoovering te beschermen, legde men er Brandnetelwortel in. (Rel.~ u.~ Bobnh.~, 347). Een dergelijk gebruik heeft men nog in Hongari (in de Szegeder streek: om de Heksen te beletten de koeien te betooveren snijdt men Netelstengels in den Pinksternacht en men slaat er het vee mede. Zeitschr.~ Ver.~ f.~ rhein u.~ Westf.~ Volkskunde, 8 (1911), 71. Netels stak men ook in den Ruiker van de Negenderhande Kruiden. (Id.~)._ Het Glaskruid^(3)^ is een Rookkruid. _Zie boven._ In den Aharvavda (II, 7, 2) wordt vermeld een antimagische Klimplant, die Gub.~ met den Indischen Vijgeboom^(4)^ wil vereen- zelvigen. _Hare Wortelen komen van den Hemel; zij werkt Tooverachtige Vervloe- kingen tegen. (Gub.~, I, 223)._ 12. Duizendknoopachtigen of Polygonaceen. Een paar inlandsche Planten dezer Familie staan als anti- magisch vermeld: de gemeene, doch bij 't volk weinig bekende Waterpatik^(5)^. | | ^(1)^ Urtica dioka L.~, ook U.~ urens L. | | | ^(2)^ Potentilla repens L. | | | ^(3)^ Parietaria officinalis L. | | | ^(4)^ Ficus indica L. | | | ^(5)^ Rumex hydrolapathum L. | _"*" De Wortelen, die men Over zich draagt, beletten alle Guichelarij. (Dod.~, 1016)._ "*" De Koorts valt op iemands lijf, zegt ons Vlaamsche volk, en zij wordt beschouwd als een aangetooverde ziekte; de gemeene kosmopolitische Vogelduizendknoop^(1)^ heeft antimagische kracht: daarom rukt men haar met de linkerhand uit den grond en hangt ze als amulet tegen driedaagsche koorts om den hals. _Aldus schrijft reeds Plinius (Nat.~ hist.~ 27, 117). Plukt men ze niet met de linkerhand, zoo verliest zij snel hare kracht. (Z.~ Marzell, 51)._ De uitlandsche Peperachtigen (of Piperaceen) zijn met vorige familie verwant, een hooge Kongoleesche Pepersoort, nl.~ de `Lunungu' met handvormige Zaadbollen schenkt aan de Toove- naars een ziekteverdrijvend Toovermiddel. _De Fticheur knabbelt eenige van die Peperbesjes en blaast het geknabbelde op den zieke. In Mayombe (Bittremieux, 190)._ 13. Anjelierachtigen of Caryophyllaceen. De overal verspreide Witte Koekoeksbloem^(2)^ verhindert alle Heksenwerk. _Op St.~ Jansavond, steekt men Tuiltjes van deze Veldbloemen boven deuren en vensters, ook aan de grendels der stallen, opdat niemand aldaar Heksenwerk verrichte. (Roll.~, II, 245; aldus in Pruisen, naar Treichei: Volksthmliches aus der Pflanzenwelt, in: Schr.~ d.~ Naturf.~ Gesellsch.~ in Danzig, N.~ H.~, VI, Heft 2)._ Het Malthezer-Kruis of Brandende Liefde^(3)^ behoort tot de 50 en tot de 77 Kruiden. _Zie boven._ 14. Steenbreekachtigen of Saxifragaceen. Onze knobbelwortelige Steenbreek^(4)^, niet ongewoon in de weiden, laat den drager Heksen zien. _Gedurende Walpurgisnaclit (1"e""n" Meinacht). Aldus in Duitschland (This.~, 63)._ | | ^(1)^ Polygonum aviculare L. | | | ^(2)^ Melandrium album Mill. | | | ^(3)^ Lychnis chalcedonica L. | | | ^(4)^ Saxifraga granulata L. | De Druiven-Steenbreek^(1)^, een uitlandsche Bergplant, was een `Wiederthon'. _Z.~ boven, A, VI, g._ 15. Nachtkaarsachtigen of Oenotheraceen. Het Heksenkruid^(2)^ is ook een Heksenwerend Kruid. _In Silezi, Hessen, Hunsrck. (Wuttke, n"r" 133 en 222). In de stallen hangt men Heksenkruid om Tooverij af te wenden (id.~, n"r" 292). Vgl.~ Leunis: Syn.~ 205, waar men echter de `Kirkaia' der Ouden met de Mandragora^_(3)_^ of met de Zwarte Asclepias^_(4)_^ Identificeert. Op Hemelvaartsdag komen Wendische vrouwen en mannen, van ver en van bij, naar den Valtenberg (Saksen) om er de scheuten van het `Hexenkraut' te plukken: daarmee behoeden zij mensch- en vee tegen Betoovering. (Meiche, n"r" 814). Ik weet niet of Meiche hier wel Circaea bedoelt._ 16. Pijpbloemachtigen of Aristolochiaceen. "*" De Oosterlucie^(5)^ verdrijft alle Kwade Geesten. _De Wortel nl.~ (Dod.~, 524). En onze Mechelaar voegt er bij: `Is 't dat een iongh kindt bedroeft is / men sal 't beroocken met Oosterlucey; ende 't sal blijde worden ende ghenesen / den quaeden gheest verdreven zijnde'._ 17. Vlasachtigen of Linaceen. Hier moet het Vlas^(6)^ genoemd worden. _Men draagt Vlas als een talisman tegen Tooverij. (This.~, 66). Garen, gesponnen door een meisje dat nog geen zeven jaar oud is, heeft groote krachten. Men maakt er antimagisch Lijnwaad van, legt dit onder een altaardoek en laat er drie missen over lezen. Zulk Garen heet men `Siebenjahr- garn': (Zevenjaargaren). Wie een hemdkraag van zulk Lijnwaad draagt, is tegen alle Hekserij beschut. (Perger, 194). Vgl.~ boven Noodhemd, A, VI, g._ 18. Springzaadachtigen of Balsaminaceen. Het lieve Kruidje-roer-mij-niet^(7)^ beschermt tegen Beheksing. _Men draagt het om den hals. (Perger, 164)._ | | ^(1)^ Saxifraga aizoon L. | | | ^(2)^ Circaea lutetiana L. | | | ^(3)^ Mandragora officinalis L. | | | ^(4)^ Asclepias nigra L.~, eene Plant uit Zuid-Europa. | | | ^(5)^ Aristolochia longa L.~ en A.~ rotunda L.~, beide uit Zuid-Europa; de | Wortel was bij onze apothekers vroeger in gebruik. | | | ^(6)^ Linum usitatissimum L.~, de Plant en de gebruikte Vezels. | | | ^(7)^ Impatiens noli-tangere L. | 19. Lindechtigen of Tiliaceen. De Linde^(1)^ is een heilige, antimagische Boom. _Om zich voor Tooverij te behoeden bindt men Lindebast rond de bont. (Perger, 291). Om, in St.~ Jansnacht, de rondzwervende Heksen te beletten in de stallen te komen bindt men de dieren vast met Lindebast, of men windt een band van Lindebast rond de hoornen. Aldus in de streek van Rogasen (Posen): volgens Knoop, Sagen, 90. Plant Linden om uw huis en de Heksen kunnen er niet aan- noch inkomen. Aldus in Saksisch Zevenburgen (Roll.~, III, 129; naar Haltrich: Deutsche Volksm.~ aus dem Sachsenl.~ in Siebenbrgen, 296); hang Lindetwijgen aan de staldeuren en Heksen zijn gedwongen buiten te blijven: naar Knoop, l.~ c. Invultatie, met Linderoeden slaat men het Betooverd vee, en men slaat tevens ook de Heks. (Perger, 291). Om Kruiden, die aangetooverde krankheid genezen, uit te graven gebruikt men Lindenhout; en om aangetooverd gewormte te verdrijven, strooit men op de akkers Lindeasch (id.~)._ 20. Maluwachtigen of Malvaceen. Een paar Planten mogen hier vermeld worden: De Heemst^(2)^. _Om allen schadelijken magischen invloed tegen te werken gebruikte men, in Duitschland, eene zalf gemaakt met Heemstbladeren. (This.~, 69)._ En de Kroezelmaluwe^(3)^. _Als `Rmischer Widerthon' bekend. Z.~ boven._ Geknabbelde Kolanoten^(4)^ geven een rood sap dat de Kon- goleesche Toovenaars gebruiken om eenen betooverden zieke te genezen. _Zij overspuwen er mee het heele lijf van den zieke, doch onder dit spuwen houden zij achtervolgens twee vingeren op voorhoofd, slapen, borst, polsen, bovenarmen, voeten en knien, zoodat op elk van die lichaamsdeelen twee plekjes onbespuwd en zwart blijven. (Bittremieux, 126)._ | | ^(1)^ Tilia europaea L.~ (zoowel T.~ platyphylla Scop.~, als T.~ microphylla Vent.~). | | | ^(2)^ Althaea officinalis A. | | | ^(3)^ Malva crispa L. | | | ^(4)^ Vruchten van Cola (Sterculia) acuminata, die in Mayombe `Makazu' | worden geheeten. | 21. Ahornachtigen of Aceraceen. De Plaanboom^(1)^ en de Veld-Ahorn^(2)^, onze twee gemeenste Ahornen, behoeden voor Tooverij. _Op St.~ Jansavond, vor middernacht, snijdt men Ahorntwijgen en steekt ze, tegen Veebeheksing, voor de deuren der stallen. (Roll.~, III, 154; naar Teichel: Volksthmliches, enz.~). Aldus in Pruisen. Tegen Melkbetoovering boort men gaatjes in de boterkarn en men stopt ze, daarna, met Ahornstaafjes. (Benno Martiny, 34)._ 22. Ruitachtigen of Rutaceen. De heilige Ruit^(3)^, om haren aromatischen sterken reuk en haar blijvende groene kleur in den winter, bezat groote Heksen- werende kracht. _This.~, 65; Gub.~, I, 223; Perger, 204. Dod.~, 169 schrijft, naar Aristoteles, `dat de Ruyte seer goet is teghen alle belesinghen ende tooverijen / daerom ghebruycken sommighe dit cruydt om de gheesten te veriaghen'. Ruit is meer dan goud waard en werkzaam tegen alle Hekserij. Aldus in Noord-Duitschland en Tirol. (Wuttke, n"r" 134). "*" Zij werd ais amulet gebezigd tegen alle aangetooverde ziekte (vooral tegen epilepsie) in Zuid- en Noord-Nederland; te Luik legt men ze onder het hoofdkussen; in Holland bindt men ze rond den pols. (De Cock: Volksg.~, 95, 97). Vooral in Itali speelt de Ruit een groote rol in de Antimagia. In de Abruzzen nl.~ naait men Ruitstukjes met ander kleine dingetjes in een beursje dat men ais talisman tegen Hekserij op de borst draagt; speciaal worden hiertoe Ruiteblaren gebezigd, waarop vlinders hun eieren hebben gelegd. (Gub.~, II, 327). -- Hier nog wendt men Ruit aan tegen het Kwade Oog (This.~, 70); en werd eertijds deze Geneesplant met Benediktenkruid^_(4)_^ uitgegraven terwijl men de volgende Tooververzen uitsprak: `Ik breek u, Edele Kruiden schoon, Door 's Hemels Vaders kroon, En door den Heiligen Geest, Dat gij behoudet Kracht en Deugd met vlijt, Dat gij mij wezet Zekerheid Tegen den Duivel en alle Tooverlui. In naam des Vaders, des Zoons, enz.' | | ^(1)^ Acer pseudo-platanus L. | | | ^(2)^ Acer campestre L. | | | ^(3)^ Ruta graveolens L. | | | ^(4)^ Geum urbanum L. | Daarna nam men beide uitgegraven Kruiden, waskaarsan an zout; en men bond alles te zamen en liet het driemaal wijden. Ten einde voor Duivel en Heks beschut te zijn, maakte men daarmee drie gedeelten, begroef deze onder den dorpel en vernagelde alles met eenen eggetand. (Mone, Anzelger f.~ Kde D.~ Vorzeit, 6 (1837), 460; Perger, 204; Zo andere Ruitbezweringen bij Marzell, 78). Ruit kwam bij de Vijf, de Negen en de Vijftien Kruiden (z.~ boven)._ De Arabische Harmala^(1)^ of Steppenruite bezat dezelfde kracht. _Zij groeit in Zuid-Europa, Noord-Afrika en Middel-Azi, en de heele Plant, bovenal de zwartachtige Zaadjes, rieken sterk en onaangenaam. Dodoens, 171, gewaagt van deze antimagische kracht ais volgt: `De Egyptische Harmala / tuygt Bellonius / wordt bij de Arabers / Egyptenaers ende Turcken seer ghebruyckt; ende sy pleghen hun met den roock van dit Cruydt alle daghe des 'smorghens te beroocken; andere knauwen oft eten dat: want sy laeten hun duncken / dat sy daer mede de boose gheesten afkeeren ende verdrijven; 't welck van de leeringhe van Aristoteles ghekomen magh wesen / die schrijft / dat de Ghemeyne Ruyte alle tooveryen kan haer krachten benemen. Daerom is dit cruydt in die landen soo seer bekent ende gheacht gheweest / dat daer gheen so slechte Winkelen oft Kraemen en zijn die dat niet en hebben / ais een seer kostelijcke ende nutte droghe'._ 23. Schermbloemigen of Umbelliferen. De Schermbloemigen hebben vaak een scherpen. sterken, soms narkotischen reuk; en reuk, evenals rook, is antimagisch. _Die reuk is te wijten aan zekere etherische olie of balsem._ Hier schik ik: De Pimpernel^(2)^. _Zij werd beschouwd als zljnde antimagisch in Engeland (This.~, 66, vooral de kleine gemeenste soort, P.~ saxifraga L.~) en in Duitschland (Perger, 137). Zij geneest aangetooverde krankheid. (Shns, 89). Aldus in Tirol, waar men vertelt dat er eens dergelijke veeziekte woedde en wondere vogels kwamen, die aanraadden: `Ihr Leut, ihr Leut, brockt's Bibernell: Der Schelm (naam der ziekte), der Kunter (Booze Geest) fhrt gar schnell! Die Wurzen gebt's dem Vieh nur ein, Mit 'm Schelmen wird's dann fertig sein'. | | ^(1)^ Peganum harmala L. | | | ^(2)^ Pimpinella magna L.~ en P.~ saxifraga L. | Over dien `Vieh-Schelm' (Veeschelm), zie Alpeburg: Mythen und Sagen Tirols. Pimpernel bood men in den Tuil van de Vijftien Kruiden (z.~ boven)._ Het Anijszaad^(1)^. _"*" Vooral tegen de aangetooverde Vallende Ziekte. (De Cock: Volksg.~, 95)._ Engelwortel^(2)^ en Aartsengelwortel^(3)^. _Twee antimagische Heilkruiden, zooals de namen reeds aantoonen. De laatste is krachtiger dan de eerste. (This.~, 66; Perger, 139). Over beide Planten schrijft Dodoens, 513: `Sommighe willen oock versekeren dat deze Wortelen oock goet ende krachdgh zijn om alle tooverijen / belesinghen ende vervloeckingen van quade menschen te beletten / alsmen die over ons draeght / ghelijck Fuchsius verhaelt'. Als amulet bezigt men nog Engelwortel in Saintonge (Frankr.~): men hangt er het Kruid aan den hals der kinderen tegen Beheksing. (Roll.~, VI, 132)._ De Meesterwortel^(4)^, een bitter aromatische Alpenplant. _Men graaft hem, in St.~ Jansnacht -- zoo vaak met mystische Planten in verband gebracht -- en legt hem op den bovensten dwarsbalk van de staldeur: kwaadwillende Heksen kunnen alsdan niet meer in den stal geraken. Aldus in Zwitserland (Graubunderland): Marzell, 116._ De gekweekte Dille^(5)^. _Gewoonlijk, in Vlaanderen, Venkel^(6)^ geheeten, en sterk aromatisch van reuk en smaak. Tegen Tooverij dragen Bruiden Dille over haar. In de Altmark steekt de Bruid Dille en zout in haar tesch of in de schoenen. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 330; Perger, 202; Wuttke, n"r" 363). In Engeland wordt Dille als talisman tegen magischen invloed gedragen. (This.~, 66). Ook tegen Veebeheksing is Dille goed: Als al de mest uit den stal is getrokken, strooit men driemaal en ruggelings Dillepoeder inden stal. (Per- ger, 202). Nieuwgeboren kalvers bestrooit men met Dille en zout: dan kunnen Heksen hun geen kwaad doen. Aldus in Silezi en in de Mark. (Wuttke, n"r" 90 en 235; Perger, 202). | | ^(1)^ Pimpinella anisum L. | | | ^(2)^ Angelica silvestris L. | | | ^(3)^ Archangelica officinalis Hoffm. | | | ^(4)^ Peucedanum ostruthium Koch. | | | ^(5)^ Anethum graveolens L. | | | ^(6)^ Venkel is eigenlijk Foeniculum officinale All. | Eene Tooveres kwam in eenen tuin te Hildesheim, om er booze dingen te verrichten. Daar zag zij, in eens, Dost en Dille staan en ze riep verschrikt: `Dillen und Dust, Dat hew eck nich ervusst', en zij vlood heen. (Perger, 141; naar Seifart: Hildesh.~, I, 49). Een meisje uit Ahlum (Bruinswijk, Duitschl.~) droeg altijd een kussentje met Dille op de borst. `Ja, zei zij, als ik zulk kussentje over mij draag zullen ze (nl.~ de Heksen) me wel met vrede laten'. -- Een dienstmeid uit Wettin (Merseburg) zegde haren dienst op. Hare meesteres wou ze graag behouden: zij ging bij hare gebuurvrouw die een Heks was en vroeg haar een middel om het meisje te dwingen bij haar te blijven. De Heks sprak: `Ik zal haar den boozen voet aantooveren, zoo kan ze niet weg; zend ze mij'. Het meisje werd naar de buurvrouw gestuurd, en daar ze door den tuin moest gaan, plukte zij er ein weinig Dille. `Ga terug, riep haar de Heks toe, het vleesch is `gedild''. Zij wou hierdoor zeggen: Wie Dille draagt kan niet behekst worden. En zij kreeg zelf den `boozen voet', dien zij het dienstmeisje aantooveren wou. (Mar- zell, 117-118). -- De 1"e" sage naar Voges (Sagen aus dem Lande Braunschweig, 1895, 82; de tweede naar Sommer, Sagen aus Sachs.~ u.~ Thur.~, 1846. 61)._ De echte Venkel^(1)^, die zoo zeer door vorm, grootte. kleur en geur aan de Dille gelijkt dat het volk de twee gewassen ver- wart en ze alle bei Venkel heet. _Op St.~ Jansdag laat men Venkel zegenen en hangt hem als heksenwerend middel in de woningen (aldus in dp.~ Pyrnes, Frankr.~), en Waarzeggers gene- zen er betooverde personen mee. (Sbillot, 1906, 483). Boven de deuren (in Engeland) hing men dit Heksenwerend Kruid met Berk^_(2)_^, St.~ Janskruid^_(3)_^, Hemelsleutel^_(4)_^ en Witte Lelies^_(5)_^. (This.~, 62; naar Stowe: Survey of London; Mason; Folk-lore of British Plants in: Dublin University Magazine, Sept. 1873, p.~ 326-8). Op St.~ Jansavond steekt men Venkel in de sleutelgaten, zeggende: `Indien door dit gat vandaag een Toovenaar wil binnenkomen, riek goed, Venkel, en hij zal schrik hebben en niet durven intreden'. Aldus in Barn (Frankr.~): Roll.~, VI, 156. En in de Landes (Frankr.~) benuttigt men tegen Hekserij Venkel die men negenmaal door het St.~ Jansvuur heeft gezwaaid. (Id.~). Tegen Melkbetoovering wreef men uier en hoornen der koe met Venkel. (Benno Martiny, 28)._ | | ^(1)^ Foeniculum officinale All. | | | ^(2)^ Betula alba L. | | | ^(3)^ Hypericum perforatum L. | | | ^(4)^ Sedum telephium L. | | | ^(5)^ Lilium candidum L. | De Kervel^(1)^. _Evenals Venkel en op dezelfde manier tegen Melkbeheksing aangewend. (Idem)._ De Komijn^(2)^, de bekende inlandsche aromaat. _Als men Komijn (hgd.~ `Kmmel') zaait, moet men duchtig schelden, want alzoo verjaagt men de Kwade Wezens en 't Kruid zal goed gedijen. (Perger, 201). Vgl.~ nog Wuttke, n"r" 134, en Rel.~ u.~ Bohnh.~, 152. Komijn werkt tooverij tegen (in Silezi; Drechsler, II, 211) en maakte deel uit van den Ruiker van Vijftien Kruiden. (Z.~ boven). Deze inlandsche Komijn mag men niet verwarren met de Zuid-Europeesche (de echte of Roomsche Komijn^_(3)_^), waarvan men de Vruchten in den Hollandschen Komijnekaas doet._ De Garganische Thapsia^(4)^ was een Rookplant. _Z.~ boven, a, 2"o"._ De Lavas^(5)^. _Deze antimagische Schermbloemige behoort tot de Vijftien Kruiden. Z.~ boven. Het is een euvelriekend Kruid dat de boeren voor de vensters van den melkkelder plaatsen om de Heksen af te weren en de melk voor Betoovering te behoeden. Aldus in Friesland. (Dijkstra, II, 173). Zie een antimagisch gebruik van deze Plant in Stiermarken, in Rauriser dal, in Silezi, bij Marzell, 111._ De Peterselie^(6)^. _Men kookt Peterselie in wijwater en geeft ze aan den persoon die betooverd is. Aldus in de Pyreneen. (Roll.~, VI, 183). -- In Moravi geeft men aan de koeien Peterselie, tusschen St.~ Jansdag (24 Juni) en 26 Juni om de Heksen het betooveren te beletten. (Marzell, 102)._ De Doorwas^(7)^. _Deze niet gewone Plant is, in Duitschland, antimaglsch. (Wuttke, n"r" 134)._ De Kruisdistel^(8)^. _Men gebruikte hem tegen aangetooverde ziekte. (Perger, 71)._ | | ^(1)^ Anthriscus cerefolium L. | | | ^(2)^ Carum carvi L. | | | ^(3)^ Cuminum cyminum L. | | | ^(4)^ Thapsia garganica L.~ uit Zuid-Europa en Noord-Afrika. | | | ^(5)^ Ligusticum levisticum L. | | | ^(6)^ Apium petroselinum L. | | | ^(7)^ Vooral Bupleurum rotundifolium L. | | | ^(8)^ Eryngium maritimum L.~ en misschien ook E.~ campestre L. | De stinkende Duivelsdrek^(1)^. _Men naaide het Hars Asa-foedida of Duivelsdrek in de kleeren tegen Be- heksing. Aldus in Oost-Pruisen (Wuttke, n"r" 144) en in Friesland (Dijkstra, II, 172). In deze laatste streek begroef men, onder iederen deurdorpel, een Heksen- werend zakje met Duivelsdrek. (Id.~). Of men berookte er de kamers mee. Aldus in Frankenland. (Wuttke n"r" 219). Om geen betooverde melk te hebben bedolf men, in Friesland, een zakje met Duivelsdrek in den koestal. (Dijkstra, l.~ c.~). Asa-foetida behoorde bij de Negenderhande Kruiden (z.~ boven)._ Onder de Rookstoffen bevond zich Moederhars of Galba- num^(2)^. _Z.~ boven. Galbanum, evenals Asa-foedida, komt voort van Perzische Umbelliferen._ 24. Klimopachtigen of Hederaceen^(3)^. _Wie Klimop draagt, ziet en ontdekt de Heksen op Walpurgisnacht. Aldus in Duitschland. (This.~, 63)._ 25. Geitebladachtigen of Caprifoliaceen. Schotsche Tooveressen gebtuikten tegen aangetooverde ziek- ten de Wilde Kamperfoelie (of Geiteblad^(4)^. _Zij doen de zieken negenmaal door een gordel of krans van Kamperfoelie kruipen. (This.~, 64; naar Folkard: Plant-lore, p.~ 380)._ De Vlier^(5)^ bezat groote antimagische kracht. _Vooral de Vlier, die op een Knotwilg is gegroeid (dat gebeurt wel eens), werd aangewend: in Bohemen hangt men een schijfje van eenen, Tak van zulke Vlier om den hals van den betooverden lijder. (De Cock: Volksg.~; naar Gids, 1881, p.~ 446). Om een behekst meisje te genezen beval een Belezer het volgende: Op verzoek van de zieke moest eene maagd eenen Vliertwijg voor zonsopgang snijden en er van een stukje onder ieder Vensterraam en ieder deur van het huis van de betooverde leggen. Aldus te Saint-L in Frankr. (Roll.~, VI, 282-3). | | ^(1)^ Ferula scorodosma Benth.~ et Hook.~, F.~ narthex Boiss.~ en wellicht nog | andere Ferula-soorten. | | | ^(2)^ Hars van Ferula galbaniflua en F.~ rubricaulis Boiss. | | | ^(3)^ Brner (Volksfl.~) heet de familie Araliaceen; zoo ook Leunis (Syn.~). | | | ^(4)^ Lonicera periclymenum L. | | | ^(5)^ Sambucus nigra L. | Tegen de Stalbetoovering plantte men vor de staldeur eenen Vlierboom. Aldus in Bohemen en Gelderland. (Perger, 257; VK.~ VII, 8). -- Of men hing Vliertwijgen aan de staldeuren. (Shns, 41). Om te beletten dat de melk in den kelder betooverd werd, plantte men (in Gelderland) eenen Vlier vor het keldervenster. (VK.~ l.~ c.~). Indien een gedoopt mensch zich de oogen met het groene sap van de binnenste Vlierbast wrijft, kan hij de Heksen in gelijk welke streek van de wereld zien. (This.~, 63). In de `Schwbische Alb.~' doet men anders: in den nacht tusschen Witten- Donderdag op Goeden-Vrijdag, gaat men op een kerkhof, snijdt er op klokslag middernacht een Vliertwijg en haalt er het merg uit; door zulke buis kon men, op Goeden-Vrijdag, in voormiddagschen dienst al de Heksen ontwaren, die in de kerk zijn, want ze zitten er verkeerd (d.i.~ met den rug naar het altaar). Indien de waaghals niet vor het klokluiden uit de kerk is, draaien de Heksen hem den hals om. (Marzell, 192). Wil men Heksen en `Truden' dwingen iemand na te loopen, zoo snijdt men eenen lepel uit Vlierhout, legt dezen op Paaschavond na zonsondergang in goede melk, zoodat room er aan blijft kleven; deze room laat men aan den lepel drogen. Op Zonnewendavond steekt men nogmaals den lepel in goede melk en laat hem met de aanklevende room opnieuw drogen; dan bergt men hem onder de kleeren en den gordel op den rug, en men gaat alzoo 's anderen daags naar het Zonnewendenvuur: daar moeten al de Heksen hem naloopen. (Shns, 42; naar Alpenburg: Mythen u.~ Sag.~ aus Tirol, 1857). Als een onbekende Toovenaar iemand eenig boozes heeft `aangedaan', zoo neemt de Betooverde een zijner kleeren, hangt het aan eene kram en slaat er duchtig op met een Vlierstok; al deze slagen valien op den rug van den Toovenaar, die, in alle haast, zal komen aanloopen en het aangedane kwaad weg- nemen. (Roll.~, VI, 284; naar Migne: Dict.~ d.~ Sci.~ occ.~, col.~ 625). Dit invultatiemiddel werd eens in Gruyre (Zwits.~) toegepast: twee per- sonen gelukten er niet in, in eene kaashut van 't gebergte, hunnen kaas vaardig te krijgen. Zij dachten dat het Kwaad er mee gemoeid was. En een der twee hing zijn bovenkleed aan eene kram en begon er op te slaan met eenen Vlierstok. Maar de tweede die edelmoedig was, riep: `Houd op, ongelukkige, ge zuit den Toovenaar doodslaan!' (Id.~, VI, l.~ c.~). Vgl.~ Cyrano de Bergerac, ed.~ Jacob, 50). De Vlier kwam in den Ruiker der Negenderhande Kruiden. (Z.~ boven)._ 26. Walstroochtigen of Rubiaceen. O.~ Lieve-Vrouwen-Bedstroo^(1)^ had den roep antimagisch te zijn. _Heksen vreesden het Bloempje en men bond het in den Tuil der Negender- hande Kruiden. (Perger, 45, 71; z.~ boven). | | ^(1)^ Galium verum L. | In Indiculus superstitionum luidt n"r" 19: `De petendo quod boni vocant Sanctae Mariae'. Gansch onverstaanbaar, zegt Roskoff, I, 296, tenzij men met Eckhard (ook Binterim vindt die meening^_(1)_^ niet ongegrond) aanneme dat `peten- do' ohgd.~ `Petenstro' "=" nhgd.~ `Bettstroh' is: `boni' ("=" eenvoudige lieden) heetten het Bedstroo van O.~ L.~ Vrouw (`Sanctae Mariae') en maakten er Bun- deltjes van tegen allen Boozen Invloed. Vgl.~ mijn Flora diabolica. -- Rel.~ u.~ Bohnh.~, 183, zeggen dat zulk gebruik nog in de nabijheid van Nurenberg bestaat, waar men tegen Koortsen -- naar de meening van het volk een aangetooverde ziekte -- aan het hoofdeinde van het bed een Lieve-Vrouwen-Bedstroobundel hangt; alle avonden, bij het zich-nederleggen, prevelt de zieke: `Heil zij u, o heilig Kruid, Maak ons tot gezonden; Op den Olijfberg werdt gij Allereerst gevonden; Gij zijt goed voor menig wee En heelt menige wonde; Door der Jonkvrouw heiligen Tuil Maak ons tot gezonden!'_ 27. Valeriaanachtigen of Valerianaceen. De gemeene Valeriane^(2)^ is een kruid met sterken reuk en werd daarom tegen Hekserij benuttigd. _Zij beschermt tegen alle aangetooverde ziekte. In Gttingen (Duitschl.~) heet zij daarom `Hexenkraut'. (Shns, 87; vooral Marzell, 193-195). Eene Heks die Valeriane bij toeval ziet, verliest al hare macht. (Id.~). Als de boter van de melk niet scheiden wil, verdrijft men de Betoovering met de melk door eenen krans van Valeriane te gieten. (Perger, 149; naar Schil- ler, zum Tier- und Kraterbuch, I (1861), 16). Wie de Heksen naar den Brocken wil zien varen, zonder zelf schade te lijden, omwindt zich met Dost^_(3)_^ en Valeriane en gaat, gedurende den Walpur- gisnacht op eenen kruisweg staan. (Shns, 87). Valeriane wordt gebruikt in de Waterbezwering (z. beneden IJzerkruid) en in den Tuil van de Negenderhande Kruiden. (Z.~ boven)._ 28. Kaardebolachtigen of Dipsaceen. De blauwbloemige Duivelsbeet^(4)^ moet hier worden aange- haald. | | ^(1)^ Dhnhardt, Natursagen II acht die verklaring onzeker en verwijst naar | H.~ A.~ Saupe, Der Indiculus superstitionum, Progr.~ des Realgymn.~ zu Leipzig, | 1891, p.~ 25. | | | ^(2)^ Valeriana officinalis L. | | | ^(3)^ Origanum vulgare L. | | | ^(4)^ Scabiosa succisa L. | _Zij was een schutsmiddel tegen alle Tooverij. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 386; Shns, 115). Tegen Beheksing hangt men ze in den stal, of men geeft ze, op St.~ Wal- purgisnacht (1"e""n" Mei, dag waarop de Heksen vooral rondwaren) aan het vee te eten. (VK.~, VII, 9). Men bond ze bij de Negen en de Vijftien Kruiden. (Z.~ boven). In Mekkelenburg schrijft een Heksenwerend recept voor: men neemt voor twee schellingen Duivelsbeetwortel, een halven schelling Duivelsdrek^_(1)_^, twee schellingen Allemansharnas^_(2)_^, daarmede berookt men de behekste plaats; of de betooverde persoon neemt driemaal er van met de punt van een mes en zwelgt het in. (Shns, 29)._ 29. Buksboomachtigen of Buxaceen. De gewijde Palm^(3)^ heeft tegen alle Beheksing de grootste kracht. _Zooals men weet worden Buksboomtwijgjes op palmzondag gewijd. "*" Men hangt Wijpalm in huis, boven den schoorsteen, achter het wijwatervat, in de stallen of in de schuren; men steekt hem, op palmzondag, in de akkers. Aldus overal in Belgi (ook wel elders). Het is een oud gebruik (z.~ Thiers, I, 260). "*" Naar het volksgeloof zijn de ziekten der Graangewassen, als Masscher^_(4)_^, Roest^_(5)_^, Brand^_(6)_^, Wolventand^_(7)_^ (z.~ Joos: Idiot.~) aangetooverd. "*" In het Land van Waas zegt(?) men de volgende bezweringsformule als men zulke Palmtakken op den kant (gewoonlijk op de vier hoeken) van den graanakker steekt: Ik zegen mijn Koorn Tegen Bliksem en Hoorm^_(8)_^, Tegen meisens en knechten, Omdat zij mijn Koorn niet om zouden vechten, En tegen dat duvelsch Zwijneges^_(9)_^ Dat zoo kwaad om pikken is. (Joos: Idiot.~, 233; vgl.~ Vl.~ Zanten, I, 149, II, 21, 192). | | ^(1)^ Ferula scorodosma Benth.~ et Hook. | | | ^(2)^ Allium victorialis L. | | | ^(3)^ Buxus sempervirens L. | | | ^(4)^ Tilletia caries Tul. | | | ^(5)^ Puccinia graminis Pers. | | | ^(6)^ Ustilago carbo Tul. | | | ^(7)^ Claviceps purpurea Tul. | | | ^(8)^ Korenbrand (z.~ Joos: Idiot l.~ v.~). | | | ^(9)^ Polygonum aviculare L.~; hier wellicht algemeene voor alle Akker- | onkruid. | "*" In Limburg maakte men `cuakens' ("=" amuletten) van Palmkruid en hing ze om den hals tegen Beheksing, of dranken die men betooverden ingaf. (J.~ Gessler, Tongersche Rec.~ en Trad.~ in Volkskunde, 1925, aldus in de 16"e" eeuw)._ De immergroene Hulst^(1)^ is met ons Buksboompje verwant en heeft insgelijks antimagischen invloed. _Wellicht om den wille van de stekelige Bladeren. In verscheiden landen van West-Europa plukt men, op Kerstavond, Hulst- takken en hangt ze in huizen en stallen tegen Hekserij (Gub.~, II, 172). Bepaaldelijk in Frankrijk, z.~ Rolland, IX, 110. `Holly' -- Engelsche naam van Hulst -- en Tooveressen zijn antago- nistisch. `In its name they see but another form of the word holy ("=" ndl.~ heilig) and its thorny foliage and blood-red berries are suggestive of the most Christian associations'. (This.~, 66, naar Folkard: Plant-lore and Lyrics, 376)._ Ook de Kraai- of Besheide^(2)^. _In Duitschland hierom `Glden Widerthon' geheeten. (Z.~ boven)._ 30. Wolfsmelkachtigen of Euphorbiaceen. Het Springkruid^(3)^ bezat Heksenwerende kracht. _"*" Het volk meende dat Betoovering kon uitgebraakt worden. `Tien of twaalf van dese saden met een ey inghenomen / dienen om sterckelijck te doen overgheven. Daerom worden sy ghebruyckt van deghene die betoovert oft door eenighe quade belesinghen verhindert zijn'. (Dod.~, 610). Vgl.~ Meier: Schw.~ Sag.~, 2 en 3._ De Blindboom^(4)^ wordt, tegen Betoovering, in de Holland- sche Oost gebezigd. _Daarom schrijft men, hier en daar, op het Blad van dezen uitlandschen Boom, bezweringformules. (De Clercq, Wdb.~ n"r" 1414)._ Ook Maniok^(5)^ wordt in Amerika aangewend. _Z.~ beneden Mas._ 31. Wegedoornachtigen of Rhamnaceen. De gewone Wegedoorn^(6)^ (of Kruisdoorn) werkt Tooverij tegen. | | ^(1)^ Ilex aquifolium L . | | | ^(2)^ Empetrum nigrum L. | | | ^(3)^ Euphorbia lathyris L. | | | ^(4)^ Exc"oe"caria agallocha L. | | | ^(5)^ Jatropha manihot L. | | | ^(6)^ Rhamnus cathartica L. | _Om de okselstandige Doornen, die met de twijgen een kruis vormen. Reeds Matthiolus schrijft (p.~ 118): `On dit que les branches mises en portes et fenestres des maisons chassent hors tous venefices' Vgl.~ Kircher: Ond.~ Wer.~, II, 363. Dod.~ 1184 weidt uit: `De oude Heydenen gheloofden / dat den Rhamnus aen de deuren ende vensters ghehangen / alle tooverijen krachteloos maeckt / de vervaertheydt van de kinderen ende andere menschen die des nachts over komt / als is de nachtmerrie oft mare / belet ende doet achterblijven / ende alle boose gheesten verdrijft'. -- Doch de Heesters die bij Dod.~ Rhamnus heeten, zijn niet Rh.~ cathartica L.~: zijn eerste Rhamnus is de Boksdoorn^_(1)_^, zijn tweede de Duin- doorn^_(2)_^ en zijn derde, die hij `derden Rhamnus van Clusius' heet, de boks- doornachtige Wegedoorn^_(3)_^. Op Walburgisavond (avond vor 1"e""n" Mei) hing men drie twijgen van Kruisdoorn aan de vensters van huis en stal ten einde de Heksen die alsdan rondwaren, te beletten hun onheilvol werk te verrichten. (Schnwirth. Aus d.~ Oberpfalz, 73, 148 (1857). Ook in ander streken van Duitschland is Kruisdoorn antimagisch. In ons land is de heester zeldzaam en Kruisdoom-bijgeloof bestaat hier dus niet. Vgl.~ Marzell, 83-84. Tegen Hekserij beschermt men zich met eenen stok van Kruisdoorn te dragen. (Knortz, 31). Op sommige plaatsen (Duitschland) snijdt men de melklepels en de voor- werpen, waarmede men de boter bewerkt, uit Kruisdoornhout, opdat de Heksen de melk of de boter niet betooveren. (Perger, 320). -- Te Lauenburg maakt men, tegen melkbetoovering, den karnstaf uit zulk antimagisch Hout. (Wuttke, n"r" 221). Dat doen ook de Pommersche boeren, zegt Temme. (Knortz, 31). Men vertelt dat in de stad Grimmen (Duitschl.~) eens twee Tooveressen werden verbrand. De eerste stierf aldra; doch de tweede die Maria Krger heette en een zwarte muts droeg, werd door de vlammen niet verteerd, want deze bogen zicb van haar af. Tot eindelijk een der aanwezige mannen eenen Kruis- doornstok nam en er mee de muts afstiet: oogenblikkelijk werd de Heks door de vlammen verteerd. (Perger, 320). Onder de Negenderhande Kruiden bevond zich de Kruisdoorn. (Z.~ boven)._ 32. Wijnstokachtigen of Vitaceen. Een invultatiemiddel: _Als een kind voortdurend vermagert, niettegenstaande het gebruik van allerhande geneesmiddelen, zegt men dat het betooverd is. Om het te onttooveren legt men over eenen Druivelaar^_(4)_^ eenige kleeren van het kind. Den eerstvol- | | ^(1)^ Lydum barbarum L.~, den `Ramnos' van Theophrast, een Solanacee. | Misschien ook L.~ europaeum L.~ en L.~ afrum L.~, twee andere Zuldeuropeesche | Planten. Naar Marzell, is Rhamnus der Ouden: Rhamnus oleoides L.~ of Paliurus | australis Gaertn.~ ("=" Rhamnus paliurus L.~). | | | ^(2)^ Hippopha rhamnodes L.~, gemeen op het Noordzeestrand. | | | ^(3)^ Rhamnus lycodes L. | | | ^(4)^ Vitis vinifera L. | genden Zaterdag neemt men eene roede van eenen wilden Vijgeboom^_(1)_^ en men slaat ferm op die kleeren; men is overtuigd dat de Heks zelf al die slagen ontvangt en men ze aldus kan dwingen de Betoovering te verwijderen. Dat noemt men: `pic la souco'. Aldus in Languedoc. (Roll.~, III, 278)._ 33. Olijfboomachtigen of Oleaceen. De Esch^(2)^ belet alle Betoovering. _Wie zich voor Beheksing wil vrijwaren. naait een klein Esschetakje met een stukje Olmeschors^_(3)_^ in de binnenzijde van zijn vest. Aldus in Normandi. (Roll.~, VIII, 22). In de schapenkooien legt men gewijde Esschetwijgen om er de Toovenaars te verwijderen. Aldus te Ineuil, dp.~ Cher. (Id.~). Tegen den Nestelknoop eet men de tongvormige Esschevruchtjes, lichtjes in den kacheloven gewarmd. Aldus in Savooie. (Id.~). De Esch komt ook bij de Waterbezwering (z.~ beneden, IJzerkruid) voor._ In Itali beschouwt men den Olijfboom^(4)^ als antimagisch. _Want men hangt er, boven den dorpel, gewijde Takken van Olijf om de Heksen te verjagen. (This.~, 69)._ Om te beletten dat een kind betooverd wordt. legt men Se- ring^(5)^ in zijne wieg. _Aldus in de Mark (Kuhn u.~ Schwartz: Norddeutsche Sagen; Wuttke, n"r" 342). `Blauen Dost' heet er de riekende Plant._ 34. Tweevleugelnootachtigen of Dipterocarpaceen. Met de Sala^(6)^ kan men Heksen ontdekken. _Men neemt, in Oost-Indi, zooveel Salatwijgen als er vrouwen boven de 12 jaar in het dorp zijn; men schrijft er den naam van de vrouwen op en laat ze daama vier uren en half in het water; indien een der Twijgen verslenst, is het zeker dat de vrouw, wier naam er op staat, eene Heks is. (Gub.~, II, 328). De Salaboom levert het echte Oostindische Dammarahars op. -- De Linneaansche naam Vatica verwijst overigens naar lat.~ vates "=" Waarzegger. (Z.~ Thais; en Leunia: Syn.~ p.~ 401)._ | | ^(1)^ Ficus carica L. | | | ^(2)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(3)^ Ulmus campestris L.~, of een verwante Olmsoort. | | | ^(4)^ Olea europaea L. | | | ^(5)^ Syringa vulgaris L. | | | ^(6)^ Shorea (Vatica) robusta Roxb. | 35. Heideachtigen of Ericaceen. De welbekende Heide^(1)^ is antimagisch. _Op St.~ Walpurgisavond (Meiavond) geeft men aan de koeien een afkooksel van Heide te drinken om ze tegen de Heksen die alsdan rondvaren, te beschermen. (John, 196)._ 36. Sleutelbloemachtigen of Primulaceen. Ik vermeld hier de Guichelheil^(2)^ en het Alpenviooltje^(3)^. _Guichelheil, hgd. `Gauchheil' verdrijft `Gauch und Gespenst', zegt Fuchsius. `Gauch' is een simpd en dom mensch; `Gespenst' is Spook, Booze Geest. (Z.~ Weigand, Wtb.~; Perger, 174; Kanngiesser, 13). -- Ndl.~ Wdb.~ brengt Guichelheil tot: Guichel "=" razernij, hondsdolheid, en heil. `Zooveel als salus stultorum, d.i.~ geneesmiddel der gekken', zegt Vercoullie. Om den boozen invloed van Heksen tegen te werken gebruikt men, in Engeland, Cyclamen. (This.~, 66)._ 37. Gentiaanachtigen of Gentianaceen. Tegen Beheksing is het krachtige Duizendguldenkruid^(4)^ behulpzaam. _In den Harz (Duitschl.~) draagt men, op Walpurgisnacht, eenen krans van Duizendguldenkruid op het hoofd, ten einde, zonder gevaar. voor zichzelf, de Heksen naar den Brocken te zien varen. (Shns, 55; vgl.~ Wuttke, n"r" 134). De herders van Moravisch Walachie plukken gedurende den St.~ Jansnacht te zamen met Wondklaver (Anthyllis vulneraria L.~) dit Duizendguldenkruid en hangen het, als heksenwerend In hunne stallen. (Marzell, 130)._ De gemeene Wederik^(5)^ was een `Widerthon'. _Pritz.~ u.~ Jess.~; z.~ boven._ 38. Maagdepalmachtigen of Apocynaceen. De blauwbloemige Maagdenpalm^(6)^ staat bekend als Hek- senwerend. _Op St.~ Jansavond, tusschen 1 en 2 uur 's morgens, gaat men waar | | ^(1)^ Calluna vulgaris L. | | | ^(2)^ Anagallis arvensis L. | | | ^(3)^ Cyclamen europaeum L. | | | ^(4)^ Erythraea centaurium L. | | | ^(5)^ Lyslmachia vulgaris L. | | | ^(6)^ Vinca minor L. | Maagdepalm groeit: in het wilde, of in den hof, of zelfs in potten (in dit laatste geval moet de pot op eene plaats staan, die men slechts bereiken kan met uit den huize te gaan). Stilzwijgend plukt men de Plant en men brengt ze in huis zonder om te zien, zelfs al hoort men gerucht en stappen achter zich; zoo kan niets den drager schaden, want al de dieren vluchten voor hem. Men bewaart deze geplukte Maagdepalm in eene doos. Wil men ze gebruiken, zoo neemt men de eerste Rank, die onder den blik komt, als men de doos opent; men nijpt er den kop af en legt dezen in een stuk maagdenperkament. Men moet negen Bladeren hebben; heeft men er min, dan plukt men er van dezelfde Rank bij. Daarna legt men er bij een erwten-groot korreltje Kamfer^_(1)_^ en men vouwt het perkament in tween, zoodat men niets van den inhoud zien kan. Nu gaat men voort met vouwen en men zegt, indien men het pakje als talisman wil laten dienen: `Voor N... (hier noemt men den persoon), wonende te... (hier de woonplaats) die(n) wij tegen alle Betooverlng willen beschermen, voor N... eenmaal: vassis atatlos, vesul et cremus, verbos san hergo diboli herbonos; tweemaal: vassis atatlos, enz.~; driemaal, vassis atatlos, enz.' Men herhaalt dus, onder het vouwen, die formuul driemaal. -- Doch indien men het pakje wil gebruiken om bestaande Betoovering te verjagen, zegt men, `Voor N..., wo- nende te... die wij van Betoovering willen. genezen indien hij (of zij) betooverd is, tegen die(n) of gene(n) (bier bedoelt men de Heks of den Toovenaar) eenmaal, vassis atatlos, enz.~; tweemaal: vassis atatlos, enz.~ driemaal: vassis atatlos, enz.~'. -- Terwijl men het pakje vouwt, drukt men altijd het perkament op den kleinen kant van den Tooverspiegel; en als het pakje gemaakt is, brengt men het in aanraking met den grooten kant. Daarna geeft men het aan den persoon N... -- Indien het als beschermend talisman moet dienen, neemt N... het met de rechterhand, maakt het teeken des H.~ Kruis en draagt het, in een linnen doekje gewonden, als schapulier. Zulke talisman bewaart zijne kracht gedurende en jaar; dan werpt men hem in het vuur. -- Indien het zakje moet dienen om te onttooveren, neemt N... het nog met de rechterhand, maakt het kruisteeken en hecht het aan zijn hemd derwijze dat het in aanraking zij met de huid ter plaatse waar de aangetooverde ziekte huist. Men laat het aldaar drie dagen, of vijf zoo men het langer wil laten werken. Na dit tijdverloop neemt de Zieke (ofwel Genezer) het zakje, maakt het kruisteeken en smijt het pakje in het vuur, doet er kolen over en gaat onmiddellijk daarna buiten; en als men den voet buiten zet, zegt men: `Dat God ons beware!' -- Het pakje en de Tooverwoorden dienen dus tot verschillende doeleinden. -- Men wete nog dat de Bezweerder het pakje thuis mag maken, het in zijnen zak steken, het dragen of zenden mag (zelfs met de post!) naar den Betooverde. (Legrand: Sci.~ et Mag.~, 52-55; vgl.~ Perger, 24). "*" In Limburg maakte men `-cuskens-' van `Ingruen' ("=" Maagdepalm), die men om den hals als amulet droeg tegen Hekserij, of men ziedde de Plant | | ^(1)^ Camphora officinalis N.~ v.~ E. | tot drank. dien men betooverden ingaf. (J.~ Gessler: Tongersche Rec.~ en Trad.~, in Volkskunde, 1925). Wil men weten of iemand Toovenaar of Heks is? In des Duivels name, plukt men eenige Maagdepalmbladeren, werpt ze beurtelings in eene pan, waarin heete olie is. Bij elk Blad dat men er in laat vallen, noemt men den naam van den vermoedelijken Toovenaar (of Tooveres). Blijft het Blad in de pan, zoo is de verdachte onschuldig; springt het er uit, zoo is de genoemde persoon met den Duivel verbonden. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 311). De Tiroolsche Alpenbewoners gebruiken ook Maagdepalm om Heksen te erkennen: de Heksen gaan meestal rond met omgekeerden kop, zegt men aldaar (vanhier de naam `Kehrhexe'), doch een gewoon mensch bemerkt dat niet. Om zulks te ontwaren hangt men Maagdepalm. die in den `Dreisgenzeit' (15 Aug.~ -- 15 Sept.~) geplukt en gewijd is. boven de deur langswaar de Heks gaat, en men zal duidelijk zien dat zij den kop verkeerd draagt; deze Heksen- toonende Maagdepalm moet echter een tijdlang onder de missaal van den priester gelegen hebben. (Shns, 28; naar Alpenburg). Vinkoorde of Maagdenpalm kwam voor bij de Waterbezwering. (Z.~ IJzer- kruid, beneden)._ 39. Ebbenhoutachtigen of Ebenaceen. Bij sommige volkeren werden de Ebbenhoutboomen^(1)^ als anti magisch beschouwd. _Z.~ Dod. 1462: `De Indiaenen... maecken daer oock bekers, kroesen ende schalen van / gheloovende vastelijck dat dit hout alle tooverijen, vervloeckinghen ende quade belesinghen gantsch krachteloos maeckt'._ 40. Bernagiechtigen of Borraginaceen. Tot die familie behooren de antimagische Ossetong^(2)^ en Noenang^(3)^. _De inlandsche Ossetong noemt men bij de Zeven-en-zeventig Kruiden en de Noenang, uit Nederlandsch Indi, is er een Rookkruid. Vgl.~ boven._ 41. Nachtschaadachtigen of Solanaceen. Vele Nachtschaadachtigen zijn magische Kruiden; eenige toch zijn ook antimagisch. De Alruine^(4)^. | | ^(1)^ Diospyros ebenum Retz.~, en verwante soorten. Vgl.~ Leunis, 567. | | | ^(2)^ Anchusa officinalis L. | | | ^(3)^ Cordia subdentata Miq. | | | ^(4)^ Mandragora officinalis L. | _De oude Grieken en Romeinen gebruikten Mandragora als amulet tegen Tooverij. (Shns, 94)._ De Alfsranke^(1)^. _Tegen Kinderbeheksing legde men ze in de wieg. (Perger, 182). Men bond ze in den Tuil van de Negen en in dien van de Vijftien Kruiden. (Z.~ boven)._ De Steekappel^(2)^. _Het was een Heksenwerende Rookplant. (Perger, 183). Men wond het Kruid bij de Negenderhande Planten. (Z.~ boven). In Vintschgau noemt men de vruchten `Donnerkugeln': vroeger dacht men dat zij onweerverdrijvend werkten en daarom stak men ze in den gewijden `Krater- buschel', op 15 Aug. Marzell, 172._ De Boksdoorn^(3)^. _Als een rund niet eten wil en zich woedend aanstelt, dan is het betooverd. Aan beide kanten van de deur teekent men den Druidenvoet (Marevoet of ma- gisch Pentaculum); men steekt in den haard het vuur aan en men slaat het be- tooverde dier met Boksdoorn: zoo kent en slaat men de Tooveres en zij zal sterven. (Shns, 112)._ 42. IJzerkruidachtigen of Verbenaceen. Het mythische IJzerkruid^(4)^ en Tooverij zijn antagonistisch. _"*" IJzerkruid belet `eenighe grouwelijcke dinghen ende nakende scha- den'. (Dod.~, 222). Het verjaagt de Heksen. (Perger, 146; Wuttke, n"r" 134). Men mag aanmerken, zegt Thiselton Dyer (56, naar Friend: Flower-lore, 529-30) dat Planten die door de Heksen gebruikt worden, ook tegen Hekserij dienden. Aldus de Verbena. Om eene invultatie onmogelijk of onschadelijk te maken bezigt men IJzer- kruid. (Lvy: H"t""e" Mag.~ II, 248; zie hier Kamfer). Heden nog in Griekenland hangt men de Plant, tegen Betoovering en als Gelukskruid, aan de deuren van de veestallen en van de plaatsen, waar men zijderupsen kweekt. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 187). "*" Tegen aangetooverde ziekten (ala epilepsie b.~ v.~) wendde men IJzerkruid aan (veelal als amulet aan den hals gehangen). Dod.~ 223; De Cock: Volksg.~ 97. | | ^(1)^ Solanum dulcamara L. | | | ^(2)^ Datura stramonium L. | | | ^(3)^ Lycium barbarum L. | | | ^(4)^ Verbena officinalis L. | Om het water te bezweren benuttigde men eenen Sproeiborstel gemaakt met Twijgen van IJzerkruid, van Maagdepalm^_(1)_^, van Savie^_(2)_^, van Munt^_(3)_^, van Valeriane^_(4)_^, van Esch^_(5)_^ en van Bazielkruid^_(6)_^, samengebonden met eenen draad komende van spinrokken eener maagd; hij had eenen steel van Hazelaar^_(7)_^ die nog geen Vruchten had gedragen en waarop men, met magische graveerstift, de karakters der Zeven Geesten had gegrift. (Lvy; H"t""e" Mag.~ II, 80). -- Gub.~, I, 223, spreekt van dergelijken sproeiborstel (naar: La Vritable Magie noire, Rome, 1750); hij somt dezelfde Kruiden als bovep op, zegt nog dat men er geen Hysoop^_(8)_^ mag bijdoen, wel Rozemarijn^_(9)_^: `avec ceci tu opreras toutes les fois que tu voudras et sache qu'en quelque lieu que tu aspergeras de cette eau, tu feras disparaitre tous les fantomes, en sorte qu'ils ne pourront donner empchement; de laquelle eau tu te serviras en toutes prparations'._ Het Kruid dat Dodoens (1487) `IJser-cruydt van Peru' en Verbena indica heet, is allerkrachtigst. _`Sijn altijdt groene steelen ende bladeren worden van de Indianen veel gheacht tegen 't verghift, ende teghen alle tooverij'. (Dod. l.~ c.~)._ In den Oost hangt men amuletten van Woeeng^(10)^ aan den hals van het zieke dier om het te onttooveren. _De Clercq, n"r" 2856._ 43. Lipbloemigen of Labiaten. Vele Lipbloemigen zijn sterkriekende Heksenverjagende Heil- kruiden. Ik noem: De Savie^(11)^. _Zij kwam voor als bestanddeel van den magischen Sproeiborstel (z.~ boven, IJzerkruid) en men gebruikte ze tegen Invultatie (z.~ boven Kamfer)._ De Munt^(12)^. _Munt werd aangewend in de Waterbezwering (z.~ boven IJzerkruid). | | ^(1)^ Vinca minor L. | | | ^(2)^ Salvia officinalis L. | | | ^(3)^ Mentha-soorten. | | | ^(4)^ Valeriana officinalis L. | | | ^(5)^ Fraxinus excelsior L. | | | ^(6)^ Ocymum basilicum L. | | | ^(7)^ Corylus avellana L. | | | ^(8)^ Hyssopus officinalis L. | | | ^(9)^ Rosmarinus officinalis L. | | | ^(10)^ Premna leucostoma Miq. | | | ^(11)^ Salvia officinalis L. | | | ^(12)^ Mentha-soorten. | Men bond ze in den Ruiker van de Vijftien Kruiden, en wel bepaaldelijk de Hertsmunt^_(1)_^ (z.~ boven IJzerkruid en St.~ Janskruid)._ De Kwendel^(2)^. _Zij breekt alle Tooverij. Aldus in Tirol en Salzkammergut. (Rel.~ u.~ Bohnh.~ 180). Een Kwendeltuiltje neven of in de melk gelegd, belet alle Betoovering. (Id.~; Perger, 144). Op Trinitatis-zondag plukt men in Thuringen (te Wandersleben) de Kwen- del, 's middags en stilzwijgend. In het naar-huis-gaan vermijdt men over water te gaan; anders verliest de Plant al hare kracht. Men hangt ze daarna, als be- hoedmiddel in stallen en woningen. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 181). In Thuringerwald plukte een handelaar eenen Kwendelstengel, draaide hem driemaal met de rechterhand rond bet hoofd, zeggende: `Quendel, macht Hn- del!' Marzell, 157. Daardoor stroomden klanten bij en deze konden niet door Hekserij belet worden te komen._ De Dost of Duist^(3)^. _Als Heksen In de pijnkamer gefolterd werden, vielen ze in slaap of in onmacht en werden aldus gevoelloos. Ten einde zulke Heksenkracht tegen te werken berookte de beul de slapende of bezwijmende met Dost. (Perger, 141; naar Dpler, Theatrum poenarum). `Rote Dost und Dorant Ist der Hexen ihr Untergang' zegt men in Hertogdom Gotha. (Marzell, 152). Om het Vee tegen Betoovering te beschermen strooide men Dost op den stalvloer. (Benno Martiny, 28). Zie nog boven Dille, Narduszaad aa de Negenderhande Kruiden._ De Diptam-Dost^(4)^. _Deze Kretische Diptam -- niet te verwarren met de echte Diptam^_(5)_^ van de Botanisten -- was een der krachtigste antimaglsche Heilkruiden en kon pijlen uit de wonden trekken. Dodoens (452) zegt er van: `Men prijst dit cruydt veel teghen verghift / ende oock teghen alle tooverijen / ende quade belesinghen; insonderheydt als de nieuwghehoude mans ghebonden oft erghens in beschadight zijn'. Vgl.~ boven Nestelknoop of Nodatie._ | | ^(1)^ M. silvestris L. | | | ^(2)^ Thymus serpylium L. | | | ^(3)^ Origanum vulgare L. | | | ^(4)^ Orlganum dictamnus L. | | | ^(5)^ Dictamnus albus L.~, die geene Lipbloemige, maar wel eene Bukkochtige | of Diosmacee Is. Diktamnos van Theophrast "=" Dictamnus van Plinius was | echter Origanum dictamnus L. Z.~ Leunis: Syn.~, 358. | De Lavendel^(1)^. _In Itali gebruikt men deze welriekende Plant tegen het Kwade Oog. (Gub.~ II. 194, This.~, 69). Vgl.~ boven Botanomancie._ De Rozemarijn^(2)^. _Bij de Grieken Wal bet ten Rookkruid. (Leunis). Die Reukheester werd door de Magirs gebruikt tot het vervaardigen van den antimagischen Sproeiborstel. (Gub.~, I, 223, z.~ boven IJzerkruid). Heksen tooveren tering aan: in Portugal legt men hiertegen Rozemarijn op het hoofd. (Seligmann, Bser Blick, 2 (1910), 84, Marzell, 136)._ De gemeene Betonie^(3)^ onzer barmen. _De subtielste Hekserij wordt door Betonie ontdekt. (This.~, 66). Antonius Musa, geneesheer van den keizer Augustus, heeft eene verhande- ling over deze Plant geschreven. Daarin staat onder andere: `Elle contregarde les corps et les ames des homes, et defend ceux qui vont de nuit de tous charmes et dangiers. Ell'~ asseure les lieux sacrs, et les cimetires de toutes visions estranges, et qui font p"ae"ur. Bref c'est un'~ herbe sainte en toutes choses'. (Matth.~, p.~ 539). "*" En bij Dod.~ 51: `Met korte woorden gheseydt / de Betonie is soo vol vaa deughden en krachten / datmen daerom in Italien een spreeckwoord ghe- bruyckt / Ghij zijt volder van deughden dan de Betonie; Tu hai piu virtu che la Betonica'. Om het Kwade Oog en Betoovering te voorkomen of te genezen neemt men negen vleklooze Betoniebladeren, waarvan de kant (nl.~ het nervennet) niet door insekten is aangerand en negen greintjes zout in een nieuw en ongewasschen lijnwaden doek; men naait toe met ongebleekt garen. Alles wordt aan den hals gehangen, na het kruisteeken over het pakje gemaakt en twee of meer penningen voor den H.~ Geest geofferd te hebben: deze penningen steekt men in den offerblok of men geeft ze aan den priester. Aldus te Cathaix, dp.~ Finisterre. (Roll.~ VIII, 206; naar Cambry: Voyage dans le Finisterre, 1868, p.~ 227)._ De gewone Malrove^(4)^. _Zij verdreef alle Hekserij. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 350)._ De overal verspreide Andoorn^(5)^. _Men wendde hem aan als Rookkruid. (Z.~ boven). Men legde hem onder den dorpel tegen Tooverij. (Perger, 145)._ | | ^(1)^ Lavendula spica L. | | | ^(2)^ Rosmarinus officinalis L. | | | ^(3)^ Betonica officinalis L. | | | ^(4)^ Marrubium vulgare L. | | | ^(5)^ Stachys silvatica L. | Het Aardveil^(1)^. _Deze blauwbloemige Kruipplant belet alle beheksing. (Perger, 140). Alleen, of gebonden in den Tuil van de Vijftien Kruiden (z.~ boven) dwingt het de Heksen te verschijnen. Op Walpurgisdag zet men eenen Aardveilkrans op het hoofd en gaat men ter kerke, waar men alsdan al de Heksen erkent. (Per- ger, l.~ c.~, Rel.~ u.~ Bohnh.~, 387). Om de koeien tegen Betoovering te beschermen moest men ze melken, vor den eersten lente-uitgang ter weide, door eenen ring van Aardveil. (Perger, l.~ c.~; naar: Rockenphilosophie, 962-3). Zie hierover meer bij Marzell, 141-142. `Gutheinrichwurzel' noemt men Aardveil in Saksisch Opperertsgebergte; en als men de Plant met antimagische bedoeling plukte, zegde men (ik vertaal): `Goede Hendrik, ge zijt mijn knecht, Met mijne koe is het niet recht; Ga het dorp op en neder, En breng me mijn Voordeei weder'. Goede-Hendrik was echter eertijds de naam van de bij huizen en stallen groeiende Algoede^_(2)_^._ Eindelijk het Zuideuropeesche Glidkruid^(3)^, dat alle Tooverij voorkwam, en het welriekende Bazielkruid^(4)^, dat men ter ver- vaardiging van den Heksenwerenden Sproeiborstel benuttigde. 44. Acanthaceen. `Dilemba-lemba' is in Mayombe (Belgisch Kongo) een `Nkisi'-plant, een beschuttende Tooverplant. _`Nkisi' beeft een veelvoudige beteekenis (Geest, Fetisch, Toovermiddel, enz. Z.~ Bittremieux, 501). Om een kwaaddoende `Nkisi' te paaien besprenkelt men het dorp met `Dilemba-lemba', dat is Brillantaisia alata, een Acanthacee. (Bittremieux, 124)._ 45. Helmkruidachtigen of Scrophulariaceen. De roodbloemige Orant^(5)^ beschut tegen Hekserij. _Men legt hem in de wieg om het kind tegen alle Kwaad te beschermen. (Wuttke, n"r" 342; aldus in de Mark, naar Kuhn u.~ Schwartz, vgl.~ Perger, 140, 173; This.~, 66). Hij belet het Nestelknoopen. (Perger, 173). | | ^(1)^ Glechoma hederacea L. | | | ^(2)^ Chenopodlum bonus-henricus L. | | | ^(3)^ Sideritis montana L. | | | ^(4)^ Ocymum basilicum L. | | | ^(5)^ Antirrhinum orontium L. | En hij is een Tooveresverdrijvend Rookkruid. (Id.~). Als een hond betooverd is en niet meer bassen kan, geeft men hem Orant in en hij krijgt de stem weder. (Id.~)._ Eveneens de Eereprijs^(1)^. _Men bond Eereprijs in den Heksen-erkennenden Ruiker van de Vijf Kruiden (Z.~ boven). Met andere Kruiden (z.~ boven Hanevoetachtigen, Narduszaad) dwong men een gefolterde Saksische Heks tot bekentenis. (Meiche, n"r" 628)._ En onze gemeene Ratels^(2)^. _Wie zich met een afkooksel van Ratels wascht, kan niet betooverd worden. Aldus te Naintr, dp.~ Vienne. (Roll.~ VIII, 159)._ En het mooie Vrouwenvlas^(3)^. _Tegen Betoovering wascht men het kind met een afziedsel Van de Plant. Aldus in het Saksische Ertsgebergte. (John, 52)._ En de met de Helmkruidachtigen verwante Toorts^(4)^. _Dat Heilkruid werd tegen Tooverij aangewend. (Wuttke, n"r" 134; De Cock: Volksg.~, 95). Apuleius schrijft dat Mercurius aan Ulysses Wollekruid of Toorts gaf, toen hij naar Circ ging, ten einde tegen de Tooverbezweringen dezer Heks bevrijd te zijn. (Dod.~, 210). -- Deze Lucius Apuleius --- Latijnsche naturalist uit de 1"e" helft der V"e" eeuw na Christus -- schreef De Medicaminibus Herbarum Liber (z.~ de uitg.~ van Nurenberg en Altorf, 1788). Op St.~ Jansdag maakt men een wur van Toortsstengeis en men gaat erdoor. Daarna neemt men mede naar huis eenige dezer half verbrande Stengels en men hangt ze, tegen Veebeheksing, boven de staldeuren. Aldus in Poitou. (Roll.~, VIII, 150). De Plant bevond zich in den Tuil van de Vijftien Kruiden (z.~ boven)._ 46. Hertshooiachtigen of Hypericaceen. Groote deugd en macht bezit het St.~ Janskruid of gewone Hertshooi^(5)^. _Dod.~, 1489; Wuttke, n"r" 18, 134, 138; Roll.~, III. 179; Marzell, 90-92, Natur, | | ^(1)^ Veronica-soorten, vooral V.~ officinalis L. | | | ^(2)^ Rhinanthus major Ehrh.~ en R.~ minor Ehrh. | | | ^(3)^ Linaria vulgaris L. | | | ^(4)^ Verbascum thapsus L. | | | ^(5)^ Hypericum perforatum L. | Leipzig, 1918-19, 138-140. Doch het moest op St.~ Jansdag (24 Juni) geplukt worden. of op St.~ Jansnacht. Overigens zijn alle Planten op dien dag geplukt, St.~ Jansplanten en antimagisch. (Thiers, I, 268). Op St.~ Jansdag versiert men met Hertshooi deuren en vensters om de rondzwervende Heksen buiten te houden. Aldus hier en daar in Westelijk Europa. Men voegt er, in Engeland, Berk^_(1)_^, Venkel^_(2)_^, Hemelsleutel^_(3)_^ en witte Lelin^_(4)_^ bij. (This.~, 62). "*" Op denzelfden dag plukte men, in het Land van Waas, een trosje van St.~ Janskruid of van St.~ Jansbijvoet^_(5)_^ en hing het in de huizen op om voor Bliksem. Brand. Tooverij en ander Kwaad verlost te zijn. (Vlaamsche Zanten, II, 85). Ook in den Eifel (Westduitschland), in Zuidduitschland en in Tirol is St.~ Janskruid onweerwerend. (Marzell, 91-92). Op St.~ Jansavond varen de Heksen rond om euvel te verrichten en, in Germanje, draagt men alsdan het beschermende Hertshooi. (This.~, 62). In Languedoc trekt men, op St.~ Jansdag, Takjes met Zaad van deze Plant; en op denzelfden dag zwaait men ze driemaal door de vlammen van het St.~ Jansvuur, iedermaal uitroepende: `Sen Jan la grano!' Met deze Takjes maakt men dan kruisen die men aan de deuren der huizen en stallen tegen Beheksing hangt. (Roll.~ III, 179). In Dordogne plukt men dergelijke Twijgjes; doch men maakt er antima- gische Ruikers van. die men zorgwldig bewaart en het volgende jaar in het St.~ Jansvuur verbrandt. (Id.~). In dp.~ Gard bindt men, op St.~ Jansavond. eenen Ruiker van Munt^_(6)_^ en St.~ Janskruid. Men hangt hem, zeer zichtbaar, in het huis om het tegen het booze werk der Toovenaars te behoeden. Deze zeggen alsdan (Roll.~ III, 179): `M'avez attrapat Quand avez amassa Le vehio de la San-Jan De mento e de trescalan'. Dat wil zeggen: `Gij hebt me beetgenomen, Als gij gezameld hebt, Den nacht van St.~ Jan Munt en St.~ Janskruid'. Vele oude wijven gebruiken, in Duitschland, St.~ Janskruid tegen Kind- en Veebetoovering. Daartoe doen zij de Plant in voetbaden of hangen ze aan kind | | ^(1)^ Betula alba L. | | | ^(2)^ Foeniculum officinale All.~ en misschien de zeer gelijkende Anethum gra- | veolens L. | | | ^(3)^ Sedum Telephium L. | | | ^(4)^ Lilium candidum L. | | | ^(5)^ Artemisia vulgaris L.~, op St.~ Jan geplukt. | | | ^(6)^ Mentha-soorten, vooral M.~ aquatica L. | of dier. (Das Johaniskraut, chemisch-medicinisch abgehandelt van Anthropo-Mago- Botanophilo, 1781, p.~ 28, 660). Ofwel men begraaft St.~ Janskruid onder de deurposten der stallen om het vee tegen Euvel te bewaren. (Benno Martiny, 28). Of anders nog: men geeft paarden en koeien St.~ Janskruid te eten. (Roll.~ III, 180). Als de melk van een vat betooverd is en kleverig wordt, doet men er Hertshooi bij en men melkt opnieuw in het vat. Aldus in Schotland. (Roll.~ III, 179; naar Lightfoot). Het Kruid heeft ook de macht Heksen aan te toonen. (This.~, 62). Om ze te dwingen haar verbond met den Duivel te belijden, doet men ze St.~ Janskruidsap drinken. (Perger, 68). En om de macht van den Duivel, die gedurende de foltering of verbranding de Heksen tegen de pijnen sterk maakt, te vernietigen, geeft men haar eenen drank van Hertshooi en Zaad van Distels^_(1)_^ in. (Perger, 68; naar Montanus). Hypericum kwam bij de Vijftien Kruiden. (Z.~ boven)._ 47. Maankopachtigen of Papaveraceen. Den Slaapbol^(2)^ bond men bij de Zeven-en-zeventig Kruiden. _Z.~ boven, a, 1"o"._ Onze gemeene Gouwe^(3)^ was een antimagisch Kruid. _Men maakte er een soort van Tooverzalf mee, om behekste kinderen en bezetenen te onttooveren. De Letten noemden deze plant Heksenkruid en gebruikten het tegen Heksen in huis. Marzell, Uns.~ Heilpfl.~, 60-61._ 48. Kruisbloemigen of Cruciferaceen. Tegen Stalbetoovering benuttigt men de gewone Kool^(4)^. _In sommige streken van Duitschland steelt men Kool uit den tuin van den derden gebuur en men geeft ze aan ieder dier van den stal. (Perger, 199)._ Heks en wilde Radijs^(5)^ zijn antimagisch. _Zoo draagt men, in Duitschland, Herik (Wilde Radijs) als amulet tegen het Kwade Oog. (This.~, 70; door eng.~ `Radish' bedoelt hij waarschijnlijk onze gekweekte Radijs^(6)^. Of men gebruikt Wilde Radijs om Heksen te ontdekken. (Id.~, 63)._ | | ^(1)^ Cirsium- en Carduus-soorten. | | | ^(2)^ Papaver somniferum L. | | | ^(3)^ Chelidonium majus L. | | | ^(4)^ Brassica oleracea L. | | | ^(5)^ Raphanus raphanistrum L. | | | ^(6)^ Raphanus sativus L. | Om Heksen ver van het huis te houden benuttigt men Mos- taardzaad^(1)^. _Men legt het met dit doel onder den dorpel. Aldus in Itali. (Knortz,41)._ Een Oostindische Mostaardplant, die men Asuri of suri heet, laat toe te weten of eene vrouw eene Heks is. _Te dien einde ontsteekt men, 's nachts, lampen; men vult met water eenige bekers en laat er in, droppel voor droppel, olie van Asuri-zaad vallen, bij elken droppel spreekt men den naam uit van eene vrouw uit het dorp; indien men onder het droppelvallen op het water de gedaante van eene vrouw ontwaart, is de genoemde zekerlijk eene Heks. (Gub.~, II, 343; naar: The Hindoos, London, 1835, II, 24). Asuri of asuri is sanskriet en beteekent, naar Gub.~, de Duivelin, de Tooveres._ De Schildzaad-soorten^(2)^ behoorden tot de Zeven-en-zeven- tig Kruiden. _Z.~ boven, a, 1"o"._ Het `Alusson'. van Dioskorides^(3)^ of schilddragende Steen- zaad bezat Tooverij-verdrijvende kracht. _Dodoens schrijft (121) naar Dioskorides (III, c.~ 89): `In de huysen ghehanghen wordt zeer goedt ende nut ghehouden / om de menschen ende alle dieren des huysghesins te bewaren / ende van alle tooverijen ende quade bele- singhen te bevrijden'. Vgl.~ nog Matth.~, 478; Roll.~, II, 99. Eenigen beweren dat de naverwante Clypeola jonthlaspi L.~ in den Tuil van de Zeven-en-zeventig Kruiden werd gebonden. (Z.~ boven)._ 49. Zonnedauwachtigen of Droseraceen.. De Zonnedauw^(4)^ genas de aangetooverde krankheid. (Per- ger, 71). _Het was een `Widerthon' (Weigand), een `Glden Widerthon' of `Edeler Widerthon'. Pritz.~ u.~ Jessen). Vgl.~ boven. Om den Nestelknoop die den gehuwde machteloos maakte, los te krijgen, gebruikte men Zonnedauw: `Pour dnouer l'aiguillette prenez de l'herbe de Rossolis qui est toute rouge et se trouve dans les prs et qui dans la plus | | ^(1)^ Mostaardzaad werd geleverd door Brassica nigra L.~ of Zwart Mostaard- | zaad, en door Sinapis alba L.~ of Wit Mostaardzaad. | | | ^(2)^ Alyssum. | | | ^(3)^ Farsetia clypeata L.~, een Kruid uit Griekenland. (Leunia. 438). | | | ^(4)^ Drosera-soorten. vooral D.~ rotundifolia L. | graude chaleur du soleil a toujours de l'eau sur la feuille, du Guy^_(1)_^ de Cheane et de l'Armoise^_(2)_^. Nota: que le Rossolis se doit cueillir le 23 septembre, au soleil couchant, et l'Armolse, le 24 juin la mme heure; il faut porter le tout au cou'. (D'Emery: Recueil de curiositez, 1685, p.~ 80; Roll.~ II, 201)._ 50. Tamariskachtigen of Tamaricaceen. Germaansche Tamarisk^(3)^ was een anti magisch Rookkruid. _Z.~ boven._ 51. Komkommerachtigen of Cucurbitaceen. De reeds zoo dikwijls vermelde Wilde Wijngaard^(4)^ verdreef de Hekserij. _Men droeg den Wortel om den hals en geene Heks dierf het wagen, den drager te betooveren. (Perger, 180). De Pseudo-Apuleius (uitg.~ van Ackermann (1788), De medicantibus herbarum, p.~ 231), schreef reeds in de 6"e" (?) eeuw over de Bryonie: `Si in capite vel in clnctu eam tecum portaveris, nulla mala te contingent' d.~ i.~: indien gij haar om het hoofd of in den gordel met u draagt, kunnen u geen onheilen treffen. Of men sneed hem in het Veevoedsel: zoo werden de koeien niet behekst en gaven ze geen blauwe melk. (Bartsch, Sagen enz.~ aus Mecklenburg, 1, 1879, 490). De zwartbessige Heggerank^_(5)_^ was een `Weisser Widerthon'. Z.~ boven._ "*" Pronkappelkernen werden te Liedekerke (Brabant) tegen aangezette Koorts aangewend. _En wel als volgt, Daar de remedie die door een schipper werd aaugegeven: Lees heden negen vaderonzen ter eere vau de H.~ Drievuldigheid, morgen acht, overmorgen zeven, enz. Daarbij haalt gij Kernen vau Pronkappels (Pompoenen^_(6)_^) en begraaft ze zoo diep dat ze niet meer ontkiemen kunnen. (De Cock: Volksg.~, 230). Zoo doende bande men de Ziekte in de Kernen en begroef men ze, met deze, diep in den grond._ 52. Klokjesachtigen of Campanulaceen. Het Akkerklokje kwam voor in den Ruiker van Vijftien Krui- den. _Z.~ boven, a, 1"o"._ | | ^(1)^ Viscum album L. | | | ^(2)^ Artemisia vulgaris L. | | | ^(3)^ Myricaria gennanica Desv. | | | ^(4)^ Bryonia dioica L. | | | ^(5)^ Bryonia alba L. | | | ^(6)^ Cucurbita pepo L. | 53. Samengesteldbloemigen of Compositaceen. Deze groote familie schenkt veel antimagische Planten. Vooreerst de aller krachtigste Artemisia-soorten. En wel in de eerste plaats de Bijvoet^(1)^. _Plinius zegt dat al wie Bijvoet bij zich heeft, door geen Tooverij kan ver- dorven worden. (Dod.~, 42; Gub.~, I, 223). Het Kruid beschermt kinders tegen Beheksing. (Perger, 123). "*" Men draagt het als amulet tegen aaugetooverde Ziekten. (De Cock: Volksg.~, 95). "*" In Limburg maakte men er `cuskens' van, die men tegen tooverij om den hals droeg. (J.~ Gessler, Tongersche Rec.~ en Tract.~ uit de XVI"e" eeuw, in Volkskunde, 1925); -- en ook te Tongeren gaf men betooverden een Bijvoet- drank in. (Id.~). Of als beschermende Gordelplant: vanhier de naam St.~ Jansgordel. "*" Men moet de Bijvoet plukken op St.~ Jansdag, beweert men in het Waasland. (Vl.~ Zanten, II, 85). In de Mark moet men de Plant breken, niet snijden, op St.~ Jansdag (24 Juni) of St.~ Martensdag (4 Juli, of 11 Nov.~?), het zekerste behoedmiddel tegen Tooverij of het beste middel om te onttooveren, is driemaal kloppen of slaan net een Bijvoetbundeltje. (Handtm, 38). -- Men noemt ze hgd.~ `Gertwurz' ("=" Gerdewortel), omdat men met de dunne gerdekens of roedekens den behek- sten persoon sloeg en aldus genas. (Prahn, 135). Op St.~ Jansdag groef men Bijvoet uit; men maakte er kransen van, omgord- de zich er mee en smeet ze daarna in het St.~ Jansvuur om alle aangezet Kwaad kwijt te geraken. (Perger, 123). Men gebruikte ook Bijvoet tegen het Nestelknoopen en men verjoeg ermee alle Kwade Geesten die de gehuwden schade wilden doen. (Id.~). Men hing de Plant aan huis of stal, tegen Beheksing. (Id.~; naar Tettau u.~ Temme: Volkssag.~ Ostpreussens u.~ Lithauens, p.~ 277). Waren de eiers of de melk betooverd, zoo nam men met een slag van Bijvoet het Euvel weg. (Id.~). Men bond het machtige Kruid bij de Negenderhande Kruiden en in den Heiligen Kruidwisch. (Z.~ boven).. Zie meer over de heksenwerende Bijvoet, Marzell, 222 vvvgg._ Daarna de sterker riekende Alsem^(2)^. _Alsem werd aangewend tegen Kinderbeheksing (Perger, 125) en tegen aange- zette ziekte (als Epilepsie; De Cock; Volksg.~, 95, 96). Als een haas rustig den jager ziet afkomen en zelfs met de pooten trommelt, | | ^(1)^ Artemisia vulgaris L. | | | ^(2)^ Artemisia absinthium L. | dan is het geen haas, maar eene Heks; legt de lager aan, zoo gaat het schot niet af, want zijn geweer is behekst en kan enkel door Alsem onttooverd worden. (Perger, 125; naar Montanus, I, 141, 168, II, 98). Alsem was een der Negenderhande Kruiden. (Zie boven, a, 1"o"). -- Zie nog over de apotropeesche kracht van Alsem, Marzell, 219 en vvgg._ En de Averoone^(1)^. _Het was insgelijks een der Negenderhande Kruiden en tevens een Rook- kruid. (Z.~ boven). Ook een Badkruid om Beheksten te genezen. (Prhle; Harzsagen, 274)._ Ook de Distels^(2)^ weren Tooverij of verjagen ze. _De Zuid-Slaven beschermen zich tegen Heksen door middel van Distel- kruisen die zij boven de dorpels hangen. (Knortz, 31). In Silezi en Frankenland hecht men een Distel-bloemhoofdje aan eenen fijnen draad en aan de zoldering; dat noemt men een Onrust (hgd.~ `Unruhe'). Zoolang het Distelkopje draait, blijven de Tooveressen uit het huis; staat het evenwel stil, zoo is 't zeker dat een Heks in de woning is. (Wuttke, n"r" 222)._ De Klis^(3)^ dient tegen Veebeheksing. _In Oost-Pruisen en Lithauen hangt men ze boven de staldeur. (Nork: Fest-K.~, 430; naar Tettau-Temme, 277)._ Men vermeldt ook den Everwortel^(4)^ als Heksverjagend. _Hij werd bij den huisdorpe1 tegen Tooverij gelegd (Roll.~, VII, 110) en men plaatste hem in den Ruiker van de Vijftien Kruiden. (Z.~ boven, a, 1"o")._ De Santorie^(5)^ was een Rookkruid. _Z.~ boven._ De scherpe Fijnstraal^(6)^ stond eveneens in hoogen roep. _Omdat het Kruid antimagisch is, heet men het nog `Berufkraut' (in Silezi, Zwaben, Elzas) en `Beschreikraut' (in Schmalkalden). Men legde het in de baden van betooverde kinderen (Prahn, 130: vgl.~ Leunis, 695); ook in de wiegen (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 185)._ Alsook de hevig riekende Reinvaan^(7)^. | | ^(1)^ Artemisia abrotanum L. | | | ^(2)^ Carduus- en Orsium-soorten. | | | ^(3)^ Lappa major L. | | | ^(4)^ Carlina acaulis L. | | | ^(5)^ Centaurea centaurium L. | | | ^(6)^ Erigeron acre L. | | | ^(7)^ Tanacetum vulgare L. | _Heksen werden door Reinvaan belet hun Tooverwerken uit te voeren. (Perger, 133). Men vond Reinvaan onder de Negen en de Vijftien Kruiden, en in den Kruidwisch. (Z.~ boven)._ En het verwante Balsemwormkruid^(1)^. _Deze aromatische en bittenmakende Zuideuropeesche veelgekweekte Plant diende om Heksenwerende amuletten te maken. (Roll.~, VII, 79)._ Tooverijverdrijvend was de Alant^(2)^. _Mercurius zou aan Ulysses Alant getoond hebben om de hekserij van Circe te weren. Om kinderen tegen beheksing te beschermen naait men Alant in hun klee- deren. Aldus in Bosni. (Marzell, 204). Men bond hem in den Kruidwisch en in den Ruiker van de Negenderhande Kruiden (z.~ boven; vgl.~ Perger, 130; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 390)._ Aan de wilde Suikerij^(3)^ kende men ook zulke kracht toe. _Het was een antimagisch middel in Frankenland: men groef ze uit door middel van een geldstuk en zonder ze met de hand aan te roeren, en onder aan- roeping van de H.~ Drievuldigheid. (Wuttke, n"r" 143). Als amulet droeg men een Suikerijwortel; men moest hem geknield op St.~ Jans-geboortedag (24 Juni), een weinig vor zonsopgang, met goud of zilver aanraken en daarna met ijzer (fr.~ `ferrement') uit den grond rukken; dat alles gebeurde met vele ceremonin en na ze bezworen te hebben met het zwaard van Judas Machabeus. (Prtorius, Epitome de Magia, c.~ 26 en 27; Thien, I, 150; vgl.~ Roll.~, VII, 213). Het behoorde tot de Zeven-en-zeventig Kruiden (z.~ boven)._ Het gemeene Boeltjeskruid^(4)^ kwam in den Ruiker van de Negenderhande Kruiden. _Z.~ boven, a, 1"o"._ Kruiskenskruid^(5)^ is Heksverjagend. _In het Hoogland van Schotland gebruikten de vrouwtjes dat gemeen On- kruid tegen Hekserij. (This.~, 60)._ | | ^(1)^ Tanacetum balsamita L. | | | ^(2)^ Inula helenium L. | | | ^(3)^ Cichorium intybus L. | | | ^(4)^ Eupatorium cannabinum L. | | | ^(5)^ Senecio vulgaris L. | In den Ruiker van de Negenderhande Kruiden is er Gerwe^(1)^ (z.~ boven. a, 1). _Roll.~, 777._ De Purperbloem^(2)^ werd tegen Kinderbetoovering aange- wend. _Dodoens schrijft over deze Zuideuropeesche Immortelle; `De vrouwen van Oostenrijck bewaren dit droogh cruydt alle het iaer door: ende veele van haer ghelooven / dat het water / daer dat in ghesoden is / de kinderen te drincken ghegheven / de selve in alle belesinghen / vervloeckinghen ende tooverijen bevrijt'._ Wit Nieskruid^(3)^ staat als antimagisch vermeld. _Vgl.~ Meiche, n"r" 628: Witte Orant, hgd.~ `Weisser Orant'. Z.~ boven Nar- duszaad. Men gebruikte `Taurant' ("=" Dorant of Nieskruid) 5 handvol + `Stab- wurzel' ("=" Averoone of Artemisia abrotanum L.~) 3 handvol als Badkruiden om een betooverde en in de lenden verlamde te genezen. (Prhle; Harzsagen, 275). Na het bad bestreek men hem met Hazelmistelzalf._ Ook de Paddebloem^(4)^. _"*" Men plukt, op Purificadedag (Lichtmis, 2 Febr.~) een Kamillestruik en hangt hem boven de ingangsdeur van het huis; dit zal daardoor tegen Hekserij beschermd blijven. Aldus te Fexhe-Slins, in Walloni. (Walloni, p.~ 45; Roll.~, VII, 35). Misschien wordt hierdoor `Camomille', de echte Kamille^_(5)_^ bedoeld. -- Vgl.~ hiermede wat men te Sollinge (woudgebied van Brunswijck en Hanover) doet: men hangt er aan den balk van de woonkamer een bundeltje Kamille; komt een Heks in huis, dan verroert zich het bundeltje. (Marzell, 213)._ En het Havikskruid^(6)^. _De Havikskruiden beschutten voor Heksen. (Perger, 133)._ En het Virgiliaansche Kruid Baccharis. _`Den Pot Virgilius schrijft / dat Baccharis seer bequaem was om alle tooverijen ende schadelijcke besweeringhen te beletten / ende alle quade tonghen machteloos te maecken'. (Dod.~, 474). Virgilius'~ tekst is (7"e" Idylle); `Bacchare frontem Cingit, ne vad noceat mala lingua futura'. | | ^(1)^ Achillea millefolium L. | | | ^(2)^ Xeranthemum annuum L. | | | ^(3)^ Achillea ptarmica L. | | | ^(4)^ Anthemis cotula L. | | | ^(5)^ Matricaria chamomilla L. | | | ^(6)^ Hieracium-soorten. | Doch men is het niet eens over het Kruid -- een welriekend Kranskruid -- dat door dien naam -- ook bij Dioskorides -- werd aangewezen. Dierbach (147-8) neemt er voor Gnaphalium sanguineum L.~, door Rauwolf in Syri en Palestina gevonden, -- Fe en Tenore denken dat het Asarum europaeum L.~ is; -- anderen wijzen op Conyza nutans L.~, Valeriana celtica L.~, Digitalis purpurea L.~, Salvia sclarea L.~, Cyclamen europaeum L. (Z.~ b.v.~ Dod.~, l.~ c.~, Baillon: Dict.~; Mrat et De Lens; Dict.~). Linnaeus heeft den naam Baccharis aan een geslacht van Samengesteld- bloemigen gegeven en eene soort heet hij B.~ Dioscoridis (zonder afdoende bewijzen)._ 54. Cipergrasaehtigen of Cyperaceen. De Mattenbies^(1)^ werd onder de Vijftien Kruiden genoemd. _Z.~ boven, a, 1._ 55. Amoomaehtigen of Amomaceen (Zingiberaeeen). De Kostwortel is een Geestenverjagend Rookkruid. _Z.~ boven b. -- Volgens eenigen is de Kostwortd (Radix Costi arabici) het onderaardsche deel van Costus arabicus L.~ (C.~ specious Sm.~), naar Falconer moet de echte Kostwortel (Radix costi) tot eene Samengesteldbloemige uit Kashmir gebracht worden, nl.~ Aucklandia costus Falc. (Vgl.~ Leunis, 772)._ Gemberknollen^(2)^ worden als amulet tegen Betoovering ge- dragen. _In Hollandsch Indi (De Clercq, Wdb.~). In Java kweekt men de grasachtige Gember^_(3)_^ als Heggeplant om Hekserij te voorkomen. (Oomen, 109)._ 56. Leliechtigen of Liliaeeen. De Looksoorten hebben groote faam om hunnen antimagi- sehen geur en smaak. Vooreerst het Knoflook^(4)^: _Als Knoflook geruimen tijd in de lucht hangt, wordt het zwart; naar het volksgeloof neemt of zuigt het rondwarend Kwaad op. (Perger, 82). Bij de Germanen zalfde men, gedurende den vastentijd, borst, oksels en | | ^(1)^ Scirpus lacustris L. | | | ^(2)^ Zingiber officinale Roxb.~ (Amomum zingiber L.~). | | | ^(3)^ Zingiber gramineum. | | | ^(4)^ Allium sativum L. | voetzolen met Knoflook in: men dacht vast daardoor tegen alle Betoovering beschermd te zijn, want de sterke Knoflookreuk was voor de Heksen onverdraag- lijk. Die meening gaat wel op tot de Romeinen en nog veel verder (z.~ Marzell, 31 en vvgg.~: tegen Daemonen en Lemuren gebruikten zij Knoflook. (Perger, 82). Doch ook in Griekenland, sedert Homerostijd, en thans nog, werd Knoflook als antimagisch beschouwd. (Benno Martiny, 28). -- Doch men onthoude dat de gebruikte Looksoort Knoflook moet zijn, alhoewel in sommige speciale gevallen Sjalot^_(1)_^, Bieslook^_(2)_^, Prij^_(3)_^ en Ajuin^_(4)_^ kunnen gebezigd worden. Bij de Indogermanen werd en wordt het Knoflook als apotropeeisch (d.~ i.~ boos getoover afwendend) middel gebezigd. De Zuid-Slaven, de Serben, zelfs de Sineezen, verdreven de Tooveressen met Knoflook. (Grimm, D.~ M.~; Knortz, 31; Rel.~ u.~ Bohnh.~, 336; This.~, 70). Om die groote kracht heet men, in Duitschland, de Plant `Gtterhilfe' ("=" Godshulp). Rel.~ u.~ Bohnh.~, 335. Te Rome, op de groote Piazza San Giovanni verkoopt men, op St.~ Jans- avond, op honderden kraampjes, Knoflook en schellen van aardewerk; daarmede verdrijft de kooper alle Heksen. (Knipscheer, III, 50). Men gebruikte het nog tegen den Nestelknoop. (Perger, 82). En tegen Kinderbetoovering: als de Duitsch-Hongaren voor de eerste maal een nieuwgeboren kind in de wieg leggen, nemen zij drie Knoflookknollen, drie Peperkoren^_(5)_^ en drie stukjes Wierook^_(6)_^, knoopen alles in een doekje en leggen het onder het kind met een Gezangboek. Eenigen doen er nog een mes bij en plaatsen er over het braadspit en den bezem. Zelfs de baker moet Knoflook, Peper en Wierook onder haar hoofd of in het hoofddeksel dragen. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 335). Men bezigde ook Knoflook om gefolterde Heksen tot bekentenis te dwingen. (Meiche, n"r" 628; z.~ boven Narduszaad). En tegen Veebehekslng wreef men de hoornen van het dier met Knoflook. (Benno Martiny, 28). Het moet rood Knoflook zijn, zegt Carrichter (Gotia vel Theurgia, uitg. van 1631, p.~ 231), en men moet de Plant met Wierook en Myrrhe, op eenen donderdagnamiddag stooten. (Z.~ Prhle: Harzsagen, p.~ 267). Men bond het bij de Negenderhande Kruiden. (Z.~ boven). Al die gebruiken en dat Knoflookbijgeloof^_(7)_^ moet tot den bitteren en voor velen stinkenden reuk teruggevoerd worden._ Daarna het Allemansharnas^(8)^. | | ^(1)^ Allium ascalonicum L. | | | ^(2)^ A.~ schoenoprasum L. | | | ^(3)^ A.~ porrum L. | | | ^(4)^ A.~ cepa L. | | | ^(5)^ De Vruchtjes van Piper nigrum L. | | | ^(6)^ Gomhars van Boswellia sacra Flck. | | | ^(7)^ Voor de de bibliographie van dit bijgeloof, zie vooral Marzell, 33, en | men leze zijn systematische groepeering van Knoflooksuperstitie in: Natur und | kultur 9 (1912), 609-614. | | | ^(8)^ Allium Victorialis L. | _Men draagt de Plant over zich tegen Tooverij. (Perger, 84; Wuttke, n"r" 134). Men begroef ze onder den dorpel om de Heksen te beletten binnen te komen. (Id.~). Om kaas en melk voor Betoovering te behoeden legt men Allemansharnas in de Alpische melkhutten. (Id.~, 83). Zij beschermt ook koe en paard, indien men het die dieren te drinken geeft. (Id.~, 84)._ Eindelijk Ajuin^(1)^. _Als een koe gekalfd heeft, moet men, tegen Hekserij, in haren eersten drank, drie Ajuinkoppen, eenen kam en een handvol zout doen. Aldus in Silezi. (Wuttke, n"r" 234). Voor de Prei^_(2)_^, zie boven Anijs._ En ten laatste de Homerische Moly^(3)^. _De antimagische Moly werd door Mercurius aan Ulysses aangewezen om aan de Tooverijen van Circ te wederstaan. `Dese gheslachten van Moly / insonderheyt het tweede' -- nl.~ Dodoens'~ `Moly met breede bladeren' of Al- lium nigrum L. -- `pleghen in oude tijden seer veel gheacht te worden / als groote kracht hebbende om alle belesinghe / vergiftheyt / vervloeckinghe ende tooverijen van de boose menschen te beletten / ende krachteloos te maecken / als Theophrastus betuyght / ende Homerus langhe voor hem met sijn dichten betoont heeft'. (Dod.~, 1071). Over Moly zie o.a.~: Leunis, 789; Gub.~ I, 248; mijn Plantenkultus 81-82; Dierbach, 175; en de speciale verhandelingen: Wedel, De Moly Homeri, 1713, (Wedel meent dat de Moly een Nymphaea-soort is); V.~ G.~ Siber, De Moly, 1699; D.~ W.~ Triller, De Moly Homerico, 1716._ Twee Lelin moeten hier genoemd worden: de witte Lelie^(4)^ en de Martagonslelie^(5)^. _De eerste hangt men in Engeland boven de deuren om Heksen te weren. (This.~, 62). De Zwitser hangt de tweede in zijne kaashutten en boven de staldeuren. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 109)._ De macht der Heksen werd tegengewerkt door den Meer- ajuin^(6)^. | | ^(1)^ Allium cepa L. | | | ^(2)^ Allium porrum L. | | | ^(3)^ Allium moly L., ofwel A.~ nigrum L., of ook A.~ magicum L. | | | ^(4)^ Lilium candidum L. | | | ^(5)^ L.~ martagon L. | | | ^(6)^ Scilla maritima L. | _`Pythagoras seyde / dat Zee-Aiuin aen den post oft oppersten dorpel van de deuren ghehanghen alle tooverije ende guychelrije veriaeght / ende weder- staet / maeckende datse gantsch gheen kracht oft moghentheydt in dat huys en sal hebben / als Plinius verhaelt'. (Dod.~, 1080; vgl.~ Dierb.~, 165; Wuttke, n"r" 134)._ En ook door de vertakte Affodille^(1)^. _Bij de Ouden was zij een behoedmiddel tegen Tooverij: wie ze over zich droeg, was tegen allen boozen invloed beschermd; het was een der Zeven Planeetkruiden en Saturnus toegewijd, die haar die antimagische deugd schonk. (Leunis, 795). Het was de Witte Widerthon, hgd `Welsser Widerthon'; z.~ boven._ De Muzulmannen gebruiken de Alo^(2)^. _De Muzulman die naar Mecca ter bedevaart is geweest, brengt vandaar een Aloplant mede; hij hangt ze, met den Stengel naar Mecca gekeerd, boven zijne deur om allen Boozen Invloed te verdrijven. (Oomen, 307)._ De Eenbes of het vierbladig Pariskruid^(3)^ verdrijft de Heksen. _Aldus in Engeland. (This.~, 66)._ 57. Zwaardleliechtigen of Iridaceen. De gemeene Zwaardlelie^(4)^ vervangt dikwijls het Heksen- verjagende Allemansharnas. _Daarom heet ze ook in Duitschland `Allemansharnisch'. (Kanngiesser; Perger, 84). Vgl.~ boven, Leliechtigen._ 58. Grasachtigen of Graminaceen. Met Rogge^(5)^ kan men Tooveressen dwingen te verschijnen of ze doen openbarsten. _Men neemt drie kistjes van slootjes voorzien; de slootjes moeten kruis- sluiteltjes hebben en de kistjes van verschlllende grootte zijn, zoodat zij in elkander kunnen geplaatst worden, in het grootste het middelste, in dit het kleinste. In dit laatste zet men een glaasje met pis van den betooverden persoon en met drie Roggegraantjes. Zoodra deze ontkiemen moet de Tooveres barsten, ofwel zij moet | | ^(1)^ Asphodelus ramosus L. | | | ^(2)^ Alo perfoliata Thumb.~, of een andere soort, als b.~ v.~ A.~ vulgaris L. | | | ^(3)^ Paris quadrifolia L. | | | ^(4)^ Gladiolus communis L. | | | ^(5)^ Secale cereale L. | zich vertoonen in de onmiddelijke nabij held van de woning van den betooverde. Nog in de laatste helft van de negentiende eeuw werd op die wijze, in Dantu- madeel (Friesland) een oude vrouw ontdekt, die sedertdien altijd als eene Tooveres werd aangezien. (Dijkstra, II, 170). Men beweert dat een geweer betooverd is, als de jager zijn wild niet of slecht treft; om de Beheksing op te heffen, laadt men het roer met Roggekorrels. Aldus in Oost-Friesland. (Wuttke, n"r" 299)._ Masmeel^(1)^ komt voor in de volgende Onttoovering. _Indien iemand, door Zwarte Kunst, u gedurende de nieuwe maan betooverd heeft, of u door een Kwaden Geest laat kwellen, wacht tot den 1"e""n" nacht van de volle maan en, bij klaren nacht, ga naar een loopend water dat, zooveel mogelijk, naar het Zuiden vloeit; doe zwarte kleeren aan; klim op een vlot, door u zelf gemaakt, en ontsteek er een vuur met een handvol stroo genomen uit een stroodak; bak op dit vuur eenen pannekoek, gepoeierd met Masmeel en Maniok^_(2)_^ (Tapiokameel); verlaat het vlot, doe het uiteen en begraaf de stuk- ken; smijt in 't water uw zwarte kleeren en trek er nieuwe aan; doe schoenen aan, die gemaakt zijn uit het leer van een dier dat gedood is (niet gestorven is aan natuurlijken dood of van ouderdom); en ga naar huis zonder om te zien. (Legran; Sci.~ et Mag.~, 126)._ Rijst^(3)^ is antimagisch en doet Tooveressen kennen. _Aldus in Indoestan. Als den Brahmaan een zoon geboren is, doet de vader al de vrouwen weggaan, en legt roodgekleurde Rijst op het hoofd van het kind; zoo denkt men het Kwade Oog verwijderd te hebben. (Gub.~, II, 312; This.~, 70). Men doet Rijst in doekjes, teekent deze met den naam van de vrouwen van het dorp en plaatst alles in het nest van Termiten of Witte Mieren: eten deze de Rijst van een dezer pakjes, dan is de vrouw, wier naam er op staat, eene Heks. (Gub.~, II, 312; naar: The Hindoos, London, 1835, II, 24)._ In den Oost benuttigt men het gulden Bamboesriet^(4)^. _In Zuid-Celebes hakt men fijn de jonge uitspruitsels en draagt ze, ala amulet, tegen Hekserij. (De Clercq, Wdb.~ n 411). Elders grift men Tooverspreuken op dit Riet en men hangt het om den hals tegen aangetooverde Ziekten. (Id.~)._ In Indoestan werkt het Kruid Kua^(5)^ Betoovering tegen. | | ^(1)^ Zea mas L. | | | ^(2)^ Jatropha manihot L.~, eene Euphorbiacee. | | | ^(3)^ Oryza sativa L. | | | ^(4)^ Bambusa vulgaris Schrad.~ var.~ aurea. | | | ^(5)^ Poa cynosurodes. | _Tegen Kinderbetoovering doet men er het volgende: `Lorsque, dans la troisime anne, on coupait les cheveux l'enfant, le pre, plac au sud de la mre, tenait la main 21 tiges de Kua; ces 21 tiges me semblent reprsenter les 21 Maruts ou Vents; en effet bientt aprs suit une invocation au dieu du vent Vyu. Le pre, et, en son absence, un brahmane, prend trois tiges la fois et les fourre dans les cheveux de l'enfant sept fois, la pointe tourne vers le corps de l'enfant, en murmurant: `Herbe, protge-le!'' (Gub.~, I, 223; II, 183). Naar Vedisch geloof moest men, tegen Huisbetoovering, de woning bouwen ter plaatse waar Kua en geurige Virina^_(1)_^ groeiden; men bestrooide de grond- vesten met Kua en men verwijderde alle stekelige Planten (die onheil aanbrach- ten). Zie Gub.~, II, 183._ In Zuid-Celebes wordt het Amboinsche Beemdgras^(2)^ als Heksverdrijvend Rookkruid gebezigd. _De Clercq, Wdb.~ n"r" 2788._ Ook het Stroo^(3)^ werd tot antimagische doeleinden benuttigd. _Tegen Beheksing strooide men Stroo op den huisvloer en op de akkers. (Perger, 110). "*" Misschien komt hiervan 't gebruik dat men, heden nog, des Zaterdags namiddags, na den vloer geschuurd en opgedweild te hebben, Stroo er over strooit. In Vlaanderen (Zegelsem en omstr.~). Gedurende de Twaalf-nachten, inzonderheid op Nieuwjaarsavond werden de Boomen, onder het prevelen van gebeden en tooverformulen, met Stroobanden omwonden; of men knoopt deze rond de Takken. Aldus in Duitschland. (Wuttke, n"r" 13, 14, 231). D"r" Faustus vertelde op zekeren dag aan de inwoners van Leeuwarden (Friesland) dat de stad vol Heksen en Toovenaars was. Hij zou dus op de brug, die men de Langepijp noemt, gaan staan met eenen dikken bussel Stroo onder den arm. Daar zouden alsdan al de Heksen en Toovenaars van Leeuwarden komen en ieder een Stroohalm uit den bussel trekken. En als al de Halmen er uit zouden getrokken zijn, zouden er nog vele van zulk volkje rond Faustus loopen om op hunne beurt eenen Stroohalm te nemen. Hij mocht dit middeltje om Heksen en Toovenaars te herkennen echter niet toepassen, want algemeen werd beweerd dat de vrouw van den burgemeester ook eene Heks was. (Dijkstra, II, 133)._ Dauw van Gras bezat wonderbare kracht. _Des morgens van St.~ Walpurgisdag baadde men zich naakt in den Gras- dauw om voor alle Tooverij beschermd te blijven. Aldus in Nedersaksen (Wuttke, n"r" 23)._ | | ^(1)^ Ook een Graminacee, nl.~ Andropogon muricatum Retz. | | | ^(2)^ Poa amboinicia L. | | | ^(3)^ Droge halmen van de gekweekte Graangewassen (vooral van Triticum | vulgare Vill.~ en van Secale cereale L.~). | 59. Standelkruidachtigen of Orchidaceen. Het mooie Vrouweschoentje^(1)^ noemt men onder de Zeven- en-Zeventig Kruiden. _Zi.~ boven, a, 1"o"._ De gemeene Standelkruiden^(2)^ werkten tegen Betoovering. _"*" Van Ravelingen (Dod.~, 380) leert ons dat men deze Orchis-soorten (en ander gelijkende Orchidaceen met twee onderaardsche Knollen) tegen den zoo gevreesden Nestelknoop gebruikte: `Indien iemandt door tooverijen (seggen de oude schrijvers) geen vrouwen en kan bekennen / so salmen nemen het rechter kulleken / 't welek het grootste is / oft immers het stijfste / ende stooten dat met seven-en-veertigh korenen wit pepers / soo datse t'samen met de voor- seyde wortel een half once wegen / ende vier oncen (andere segghen dry oncen) honigh, ende dat dan in seer goeden wijn ontdoen ende kloppen; ende drij daghen langh daer af nemen 't ghewichte van dry vierendeel loots; ende het sal hem helpen'. Dat gebruik steunt op de Signatuurleer. "*" Witte Koekoeken is de naam van een Standelkruid te Oostmalle (prov.~ Antwerpen), nl.~ van de witbloemige variteit van het gevlekte Standelkruid^_(3)_^. Deze. plant is een behoedmiddel tegen de Kwade Hand. Op St.~ Jansnacht doet men de Knollen uit en begraaft ze onder de deur: de Kwade Hand kan niet meer over den dorpel. (Volksl.~ III, 129; vgl.~ Paque, i.~ v.~ Koekoeksbloemen). Dat berust ook op de Signatuurleer: de Knollen zijn handvormig en hebben dus macht over de Kwade Hand._ Saturion Eruthronion van Dioskorides was antimagisch. _`De ghene die vreesen betoovert oft van de quade menschen belesen te worden / dese wortel over hun daghende / pleghen hun selven daer voor be- schermt te achten'. (Dod.~, 371). Velen beschouwen de Plant als zijnde eene Orchis-soort of ten minste een knoldragende Standelkruidachtige; anderen nemen er voor de gemeene Hondstand^_(4)_^, een gekweekte Leliechtige (Leunis, 785); Sibthorp vereenzelvigt met de Pyreneesche Schaakbloem^_(5)_^, insgelijks een Liliacee; sommigen wijzen op de tweebladige Sterhyacinthe^_(6)_^ die tot dezelfde familie behoort. Vgl.~ Dod.~, Matth.~ en andere commentatoren._ | | ^(1)^ Cypripedium calceolus L. | | | ^(2)^ Orchis maculata L.~ en O.~ latifolia L. | | | ^(3)^ Orchis maculata var.~ albida. | | | ^(4)^ Erythronium dens-canis L. | | | ^(5)^ Fritillaria pyrenaica. | | | ^(6)^ Scilla bifolia L. | 60. Palmachtigen. Tegen Betoovering droegen sommigen een gepolijsten Dadel- kern^(1)^ als amulet. _Zie Bodin, Dmonom.~ l.~ 3. c.~ 5; Thiers, I, 151. Om het kind tegen Tooverij te beschutten, verbinden de Kongoleezen de palen van den toegang tot de moederlijke hut met een in 't midden doorgetrokken Palmblad dat aldus als Fetischplant dienst doet en de hut afsluit. Aldus in Mayombe. Dat Palmblad heet `Lulembe'. Andere dergelijke antimagische Fetischplanten die men `Kinda' heet, zijn: `Mik'iusakruid', `Masisa-sisa' (een Rietsoort), `Malembe-lembe' (Maniokblaren), en `Nkulu- Katende' (een hol halfhoutig Gewas, waaruit de kinderen hun klapbussen ma- ken). (Bittremieux. 229)._ 61. Lischdodachtigen of Typhaceen. De Lischdodde behoorde bij de Vijftien Kruiden. _Z.~ boven, a, 10._ 62. Kalfsvoetachtigen of Araceen. Heksenwerend was de Kalfsvoet^(2)^. _Om Kinderbetoovering te voorkomen legde men Kalfsvoet in de wieg, naar de Signatuurleer: de Bloeikolf van de Plant is omwonden en beschermd door de scheede, evenals een kind door de luren. (Rel.~ u.~ Bohnh.~, 106). Ook tegen Huisbeheksing begroef men Kalfsvoet onder den dorpel. (Id.~)._ | | ^(1)^ Phoenix dactylifera L. | | | ^(2)^ Arum maculatum L. | NOTA BENE. -- "*" duidt de gedeelten aan die speciaal tot de Vlaamsche (of ook soms tot de Waalsche) Plantlore behooren.