        UIT HET LEVEN VAN
*KONING GORILLA


  Koning Gorilla,* uit wiens misdadig leven wij ons voorstel-
len hieronder eenige tafereelen te schetsen, was de oudste
zoon van een vorst, die denzelfden naam droeg en behoorde
tot het *Gorilla*-geslacht, dat door wanbestuur en knevelarij
het volk diep ongelukkig had gemaakt en dan ook door het
volk herhaaldelijk werd weggejaagd, doch zich telkens, steu-
nende op vreemd geweld, weer op de troon wist te herstellen. 
Reeds in zijn jongelingsjaren openbaarde zich bij onzen *Go-
rilla* de bedorven aard van zijn geslacht door een liederlijk
leven, uitsluitend aan Venus en Bachus gewijd.  Bij herha-
ling vond men hem dronken in de goten zijner residentie,
waarop hij als een zwijn door zijn aanstaande onderdanen
werd thuisgebracht.  Bij dergelijke gelegenheden maakte hij
het meermalen zoo bont, dat de toekomstige vorst dikwijls
een welverdiend pak slaag opliep, waarbij het soms meer
geluk dan wijsheid was, dat hij het leven er nog afbracht. 
Zoo bevond hij zich reeds vroeg in vertrouwelijken omgang
met de mainten<e'>e van zekeren meneer H... te D... die,
eens toevallig binnentredende, hem daar aantrof en onmid-
delijk van alle trappen afsmeet, met de boodschap: `Ga nu
aan je koninklijken vader zeggen, dat ik je van de trappen
heb afgedonderd!'  Beneden gekomen, had hij nog zoo'n vaart
en vluchtte hij zoo haastig, dat hij stellig in de gracht zou
zijn terechtgekomen, indien niet twee werklieden daar voorbij
komende, hem nog bijtijds hadden gegrepen.
  Hij zonk al dieper en dieper, zoodat de oude *Gorilla,* terwille
zijns zoons in schulden gedompeld, eindelijk besloot hem van
het hof te verbannen.  *Gorilla* begaf zich daarop naar een
ander land, na eerst de juweelen van zijn moeder te hebben
gestolen, die hij zoo vrij was in den vreemde te verkoopen. 
Van de opbrengst dezer zoo schandelijk verkregen gelden
kon hij weer geruimen tijd een leventje leiden met Wijntje
en Trijntje, doch toen al het geld opnieuw was verbrast en
verzwendeld, begaf hij zich naar zijn vaderland terug, om
nog eens te probeeren geld van den ouden *Gorilla* los te krij-
gen.  Wij zullen zien hoe hij terugkwam en welke de vreeselijke
gevolgen zijner geldafpersing zijn geweest.
  Het was een donkere avond in het voorjaar, toen de schild-
wacht aan het ijzeren hek van het buitenverblijf des ouden
*Gorilla's* een schamel gekleed persoon den weg naar 's ko-
nings woning zag opkomen; zijn gelaatstrekken waren te-
rugstootend en droegen de sporen van een weinig ingetogen
leven.  Een zware roode baard omkrulde zijn vervallen gelaat
en zijn kleeding bestond in een nauwsluitend frak en een
dito broek met sous pieds.  Zijn hoofd was bedekt door een
flambard en zijn hand omvatte een doornen stok met looden
knop, een zoogenaamden ploertendooder.
  Was het te verwonderen dat de schildwacht aan dezen vreem-
deling van zulk een ongunstig voorkomen den toegang tot
het buitanverblijf weigerde!  Zeker niet, althans de schild-
wacht versperde hem den weg.
  Hieruit ontstond een woordenwisseling en de dienstdoende
commandant der wacht, de brigadier Jossens, die op het ge-
rucht toesnelde, bedreigde den vreemdeling in arrest te
zullen stellen, indien hij zich niet verwijderde.
  De vreemdeling van een hartstochtelijk karakter, dreigde
op zijn beurt de wacht met zijn stok, totdat er eindelijk voor
allen uitkomst kwam opdagen in den persoon van een ver-
trouwden dienaar des konings, wiens woorden: het is prins
*Gorilla!,* den schildwacht en den brigadier als een donder-
slag troffen.  Prins *Gorilla* begaf zich met een sarcastischen
glimlach op het gelaat, voorbij de ontstelde wachten in de
tuin van het paleis, terwijl de dienaar van den koning en
de brigadier Jossens eenigen tijd op en neder wandelden en
het geval verder bespraken.  Het was ongeveer zeven uur des
avonds toen deze heide vrienden afscheid van elkaar namen. 
Omstreeks tien uur van denzelfden avond, na aflossing der
wachten, wandelde de brigadier Jossens, nog een oogenblik
in den tuin, toen hij bemerkte, dat er nog licht brandde in de
werkkaner van den koning, wat anders zelden het geval was. 
Door nieuwsgierigheid gedreven, drentelde hij een weinig
nader tot het paleis en vernam terzelfder tijd een heftige
woordenwisseling.  Hoewel hij de woorden, die daar gespro-
ken werden, niet kon verstaan, bemerkte hij dadelijk, dat de
koning en zijn zoon twist hadden, hetgeen ook af te leiden
was uit beider heftige bewegingen, die door het venster zicht-
baar waren.
  Plotseling ziet hij prins *Gorilla* met diens doornen stok een
uitval doen naar het lichaam zijns vaders, hij ziet den ouden
man wankelen en op een stoel in<e'e'>nzinken.  Op hetzelfde.
oogenblik snelt prins *Gorilla* naar het venster en sluit de
blinden.  Brigadier Jossens verwijdert zich en begaf zich ter
ruste, maar de slaap ontweek zijn oogleden, steeds stond hem
het schrikbeeld voor zijn oogen van: *een zoon die zijn vader
slaat!*
  Eerst na eenige uren beving hem een onrustige slaap waaruit
hij reeds vroegtijdig werd gewekt, om de treurige mededee-
ling te ontvangen: *`de koning is hedennacht aan een beroerte
overleden!'*
  In allerijl werd een renbode naar de hoofdplaats des rijks ge-
zonden om dit treurige nieuws aan de betrekkingen des vor-
sten te berichten en aan de vorstin, die gescheiden leefde van
baar gemaal.
  Daarenboven werd een bericht gezonden, (let wel), aan prins
*Gorilla,* die, zoo het heette, nog steeds verblijf hield in dat
vreemde land met verzoek uit naam van zijn volk, om de waar-
digheid van koning inplaats van zijn overleden vader te aan-
vaarden en zoo ontving het volk den indruk, dat prins *Gorilla*
toen koning *Gorilla* geworden, niet eens bij het overlijden
zijns koninklijken vader was tegenwoordig geweest.  Arme
prins!
  Brigadier Jossens was echter over dit voorval geenszins te
spreken en toen zijn vriend, de dienaar des konings, hem uit-
noodigde in het, geheim nog een laatste blik te werpen op zijn
overleden meester, voldeed hij hieraan gaarne met meer dan
<e'e'>n reden.  Weemoedig richtten zij zich naar de legerstede des
vorsten: daar lag hij, hun koning, doch... ontzetting greep
beiden aan, toen brigadier Jossens, gedachtig aan hetgeen hij
den vorigen avond had gezien, een onderzoek instelde, en den
dienaar des konings opmerkzaam maakte op een dikte, die op
het lichaam des konings, even onder de plaats waar het hart
ligt, zichbaar was.
  Men onderzocht verder en blauwe plekken deden zich aan
hun oog voor.  Alle bewijzen waren op het lijk voorhanden,
dat de koning geen natuurlijken dood gestorven was, en toen
brigadier Jossens mededeelde wat hij den vorigen avond ge-
zien en gehoord had, waren beiden overtuigd dat de oude
koning een gewelddadigen dood gestorven was.
  Op de vraag waar prins *Gorilla* zich bevond, antwoordde de
bediende, dat hij hem omstreeks elf uur des avonds haastig
had zien vertrekken.  Hij zag er toen zeer ontdaan uit en, in
den corridor op den bediende toetredende, had hij dezen ge-
zegd, dat de koning sliep, en hij, prins *Gorilla,* onmiddellijk op
reis ging.  Dienzelfden nacht moest prins *Gorilla* nog een ha-
venplaats bereikt hebben en den volgenden avond was hij
reeds weder in het vreemde land terug, maar in die 24 uur
was er een verschrikkelijk drama tusschen vader en zoon
afgespeeld.
  Sedert werden allerlei verhalen omtrent den dood van den
ouden koning verspreid: sommigen meenden hem in leven
gezien te hebben in een verwijderd land; anderen beweerden
dat hij nog leefde, maar gevlucht was teneinde zijn schulden
te ontgaan; alles praatjes, anders niets; de hier medegedeel-
de geschiedenis is de zuivere waarheid, door ooggetuigen
verhaald.  Opmerkelijk is ook dat men zijn voorgangers in
den vorstelliken grafkelder mag bezichtigen, maar men wei-
gert u het gebalsemde lijk te laten zien van den koning,
wiens treurig uiteinde wij boven omschreven.
  Zoo werd *Gorilla* dan *Koning* op hetzelfde moment dat hij
*Vadermoorder* werd.  Het zal wel niemand verwonderen, dat
zijn leven als koning een aaneenschakeling werd van beest-
achtigheden in allerlei vorm, en dat de zaken van staat en
volk door hem geheel werden verwaarloosd en ten gronde
gericht.  Dat hij niet opzag tegen verdere moorden, zal ook
een ieder vrij natuurlijk voorkomen en een tweede moord
was dan ook een zijner eerste regeeringsdaden.  Hij had na-
melijk een tante, die in overspel leefde met een harer bedien-
den, Hannes van R... die ze later tot geheimschrijver be-
noemde, met wien ze de halve wereld rondreisde en eindelijk
van plan scheen in het huwelijk te treden.  Toen *Gorilla* daar
de lucht van kreeg, vreesde hij dat het vorstelijk *Gorilla*- 
geslacht daardoor zou worden onteerd en om dit te voor-
komen, liet hij den geliefde van zijn tante eenvoudig ver-
geven.
  Voor al zijn wandaden zocht hij vergetelheid in den drank en
verliederlijkte daardoor zoodanig, dat een zeker koopman
hem den grootsten ploert noemde van zijn rijk.  Zijn geheele
leven was dan ook inderdaad niets anders dan aaneenscha-
keling van misdaad en ploerterij.  Hij vloekte als een ketter
zelfs in het openbaar tegen generaals die voor hunnen troep
stonden.  Hij beleedigde op de grofste wijze oude admiraals
die zijn vader eervol en trouw gediend hadden.  Een zijner
gezanten hield hij aan een officieel diner voor den gek, alsof
het een clown uit een spel was.  De gezant vroeg zijn ontslag. 
De raadgevers van den vorst brachten dezen zijn ongelijk on-
der het oog.  `Goed!  Ik zal hem voldoening geven en hem
daartoe noodigen aan een tweede diner'.  Bij dit tweede diner
maakte hij het nog bonter dan bij het eerste.
  Hij hield veel van soldaatje spelen, en het ontwerpen van
schoudergeweren voor het leger was zoowat zijn eenige
staatszorg, waarbij hij soms zelfs nog jammerlijke blijken
van onkunde gaf.  Zoo bracht hij eens een bezoek aan zijn le-
ger bij de manoeuvres in het kamp M... en moest toen
met alle geweld zijn militarisme luchten door zelf te kom-
mandeeren.  Maar hij bleek zelfs in zijn moordenaarsbaantje
z<o'o'> slecht op de hoogte van zijn tijd te wezen, dat hij *oude*
kommando's gaf, jaren herwaarts in gebruik, waarvan de
soldaten niets meer verstonden en die ze natuurlijk niet kon-
den uitvoeren.  Inplaats van in te zien dat dit zijn schuld
was, voer hij op de schandelijkste wijze uit en gaf allen ar-
rest!  Doch daarbij bleef het niet.  Den volgenden dag ont-
moette een wandelaar in het park van zijn lustslot op L.~ tot
zijn vorwondering alle schutters, gewapend met geweren! 
Op zijn vraag wat dit te beteekenen had, antwoordden zij
schouderophalend: `Och meneer, de koning heeft ons last
gegeven om alle officieren die in het bosch komen onmidde-
lijk dood te schieten'.
  Een ander maal, toen hij zich in genoemd kamp bevond, be-
gaf hij zich, wetende dat de dagbladen zijn volksliefde luide
zouden verkondigen, naar de veldkeuken, waar hij den kok
gelastte een weinig soep te laten proeven.  Door den hevigen
wind woei er eenig stof en zand in den ketel, dit bemerkte
*Gorilla* waarop hij den kok toevoegde: `Jij moet Godverdom-
me zorgen dat er geen zand in de soep waait!'  Zeer gevat ant-
woordde de kok: `Gelast dat aan Hem, die het laat waaien'! 
Toornig verliet *Gorilla* den kok, die er bij uitzondering goed
afkwam, althans niet gestraft werd.
  In datzelfde kamp kwam eens een generaal M... L... om-
ringd van talrijke officieren voor de koninklijke tent om hem
te vergasten op een speech.  De *Gorilla* was ongelukkig stom-
dronken en verschlint na lang dralen eindelijk aan den in-
gang van zijn tent, waggelend op zijn beenen.  Niettegen-
staande *Gorilla* duidelijk zichtbaar in `kennelijken staat'
was, stak onze generaal met allen ernst, zijn speech af.  Plot-
seling valt *Gorilla* hem brullend in de rede: `M... L...!
M... L...! kom in mijn armen!' en waggelend schuift het
monster naar voren om den generaal in zijn pooten te slui-
ten.  Ongelukkigerwijze was de generaal tegen die omhelzing
niet bestand en viel achterover, terwijl de *Gorilla,* luidkeels
brullende over hem heen donderde en als een zwijn bleef lig--
gen.  De aanwezige officieren schoten dadelijk toe, tilden
*Gorilla* op en brachten hem in zijn tent om hem zoodoende te
onttrekken aan de blikken van de soldaten der wacht.
  Den volgenden dng maakten de groote bladen den volke diets
dat er in het kamp van M... een hoogst aandoenlijke ont-
moeting had plaats gehad, waarbij Zijne Majesteit Koning
*Gorilla* zichtbaar bewogen (inplaats van zichtbaar dronken)
den generaal M... L... in zijn armen had gesloten!
  Uit een dergelijke daad van dronkenschap bedachten diezelf-
de groote bladen later een der schoonste heldenfeiten zijns
levens!  *Gorilla* was namelijk koning in een land, waar wel
eens watersnood was.  Groot gaven de bladen op van de stou-
te stukken, die *Gorilla* daarbij uitvoerde.  De waarheid echter
is, dat hij bij dien watersnood geregeld dronken was en de
alleronzinnigste dingen deed, zoodat men meer last dan ple-
zier van hem had.  Zoo wilde hij eens, toen hij een zwaar stuk
in had, dwars over de rivier de W... loopen, waarin hij na-
tuurlijk zou zijn verzopen als zijn adjudanten hem niet met
kracht en geweld hadden tegengehouden.
  Niet alleen bij dergelijke gelegenheden echter was hij meest-
al dronken, maar zelfs bij intochten en andere officieele plech-
tigheden; als hij werd verwelkomd door ambtenaren met
toespraken, die overvloeiden van liefde en gehechtheid.
  Zoo deed hij met zijn tweede vrouw een tocht door de hoofd-
stad van zijn land.  De vrouwelijke bevolking, die men had
wijsgemaakt dat *Gorilla* een vader was voor de kinderen
des lands, staken hem hunne kinderen toe, opdat hij ze zege-
nen zoude.  Maar wel verre dat hij het wenschelijk vond dat
de kinderen tot hem kwamen, stiet hij moeders en kinderen
vloekend van zich af, ja sloeg zelfs de hand aan zijn degen. 
De bij zulke gelegenheden gehouden toespraken moest hij
gowoonlijk onbeantwoord laten, wegens tijdelijke verstands-
verbijstering.  Was het echter onmogelijk niet te antwoorden,
dan deed hij dat in bewoordingen die een dronken hoerebaas
hem zou benijden.  Ziehier een proefje zijner vorstelijke wel-
sprekendheid, in een rede gehouden met het glas in de hand
aan een galadiner in tegenwoordigheid van vele buitenland-
sche gezanten: `Mijne Heeren, het Vaderland!... de Ko-
ning!... en zijn ge<e">erbiedigde Zonen...  Godverdom-
me!'  Zooals ge ziet, een rede kort maar krachtig!  Zonder
ijdele woordenpraal toch alles herdacht waar het op aankomt
tot zelfs den god bij wiens gratie hij regeerde.
  Schandvlekte hij, dusdoende land en volk, een andermaal
had zijn dronkenschap de meest rampzalige gevolgen voor
zijn `geliefde' onderdanen kunnen hebben.  Tijdens een oor-
log tusschen twee groote mogendheden namelijk liep de dron-
ken *Gorilla* met de oorlogsverklaring aan een dier mogend-
heden in zijn zak.  De dringende vertoogen zijns ministers
hielpen niet, maar gelukkig wisten anderen hem over te ha-
len, zich naar bed te begeven en toen hij zijn roes had uitge-
slapen was hij het geval geheel vergeten.  Zoo zouden door
een daad van dronkenschap van *Gorilla* duizenden en dui-
zenden kinderen des volks een rampzaligen en vroeg-
tijdigen dood gevonden hebben en duizenden weduwen en wee-
zen hun mannen en vaders hebben beweend.  Dat *Gorilla* zich
van zulke dingen niets aantrok, moet ons niet verwonderen,
waar wij weten dat hij zijn geliefde volk bestempelde met de
namen `stomme ossen, canaille en rapaille'.
  Een andermaal wilde hij een deel van zijn grondgebied ver-
koopen aan een vreemde mogendheid, wier vorst hem daar-
toe had weten te verleiden door middel van een zijner minna-
ressen.  In dit voornemen om land en volk te verschacheren
werd bij alleen verhinderd door de tusschenkomst van een
derde mogendheid, die hare belangen daardoor bedreigd acht-
te.
  Behalve deze daden van `Staatszorg', is er op dit gebied
niets anders van hem bekend, dan dat hij 's lands belangen.
gelijk we reeds opmerkten, nauw betrokken achtte bij de
uniformen van zijn soldaten, ja zelfs bij die zijner lakeien,
waarop hij mede zeer nauwkeurig toezag.  Onder aan de broek
der bedienden zaten, naar wij meenen, twee knoopjes.  Die
knoopjes moesten beide boven de rijlaarzen uitkomen.  Eens
ontmoette bij een lakei, bij wien een der knoopjes onder de
rijlaarzen was verborgen.  De man heette niet gekleed en
kreeg een maand schorsing!  Is het te verwonderen, dat de
lakeien, die hem in de verte zagen aankomen, niet wisten hoe
gauw zij zich uit de voeten zouden maken en soms bepaald
vluchtten in huizen?
  Bij zulke dingen bepaalde zich echter zijn dronkemansgeest
niet alleen.  Dikwijls moest hij zich natuurlijk ook bezighou-
den met opsporen van allerlei middelen ter verfrissching en
dan kon men hem zien zitten, omringd van wel vijftig keu-
kenboeken, waarin hij zich verdiepte om zijn eigen menu te
maken.  Bij die gelegenheid was dikwijls de telegraaf tus-
schen zijn paleis en zijn heele rijk uren lang in werking.  Wie
echter meende dat die drukke correspondentie liep over ire-
wichtige staatszaken, vergiste zich.  Och neen!  *Gorilla* ver-
langde onmiddelijk.., een haring of wel een andere visch-
soort, soms in zijn land geheel onbekend.
  Als hij soms hij al die gewichtige(!) zaken nog tijd over had,
bemoeide hij zich veelal met dingen waar hij volstrekt geen
verstand van had.  Zoo liet hij eens een houten gebouwtje in
zijn park zetten.  Dat moest natuurlijk dadelijk klaar en er
werd dan ook dag en nacht, aan gewerkt.  Op zekeren avond
kwam *Gorilla* eens kijken en ziet de teekeningen liggen van
het gebouw.  Hij neemt ze op en verscheurt ze, zeggende:
`Wat 'n stomme kerels, dat ze nog een teekening noodig heb-
ben om dat te bouwen!'
  Men behoeft na deze staaltjes niet te vragen wat een beul
*Gorilla* was voor zijn omgeving.
  Zijn eerste vrouw, die, volgens iemand die veel aan de hoven
verkeerd had, een der meest gedistingeerde vorstinnen van
Europa was, beleedigde hij op de schandelijkste wijze.  Of-
schoon hij vorst, echtgenoot en vader was, bezocht hij op ze-
keren dag een bordeel zijner hofstad.  Zijn vrouw, daarvan
verwittigd, zond hem daar, voor zijn straf, een galarijtuig,
bespannen met zes paarden.
  Letterlijk niets was hem heilig:  Zoo had hij dezelfde maitres
als zijn zoon en deze vond eens bij haar een sigarenkoker, dien
zijn moeder aan zijn vader had geschonken.  De zoon bracht
het aandenken weder naar huis.
  Aan een andere maitres schonk onze held een zeldzaam snoer
paarlen, dat aan zijn moeder had behoord!  Men kon de bijzit
daarmede getooid zien in de schouwburg.
  Het spreekwoord: zooals de waard is vertrouwt hij zijn gas-
ten, vond zich ook te zijnen opzichte bewaarheid.
  Een zijner adjudanten of ordonnans-officieren moest op ze-
keren dag naar Parijs en werd door de vorstin verzocht, zich
te belasten nlet het overbrengen van een kostbaar pakje.  De
vorst, die zijne echtgenoote naar zich zelven beoordeelde,
dacht aan overspel en noodigde de officier uit tot een wan-
delrit.  Nauwelijks was hij buiten de residentie, of hij voegde
hem toe, in zijn kazernetaal, te gemeen om hier woordelijk
weer te geven: `Jij slaapt met mijn vrouw'.
  De officier nam natuurlijk zijn ontslag.
  Zelfs in het openbaar, bij officieele plechtigheden, zag hij er
niet tegen op, zijne echtgenoote uit te schelden.  Zoo ging hij
op zekeren dag, begeleid van zijne adjudanten, naar zijn ge-
malin, die hem wachtte, omringd van hare hofdames.  Nauwe-
lijks was *Gorilla* binnen of hij voegde haar toe: `Kanaille'
en ging weer heen!
  Bij beleedigingen bleef het echter niet, alleen, onze ploert
mishandelde haar zelfs.
  Eens stoof hij driftig, na zulk een tooneel *<a`> Sganarelle,* uit
haar kamer en zag den gouverneur van zijn zoon in den cor-
ridor op en neer wandelen.  Hem zonder reden verdenkende
van beluistering, wierp hij hem op den grond en trapte hem
de borst in.
  Zoo openbaarde zich zijn *Gorilla*-natuur tegenover allen, die
met hem in annraking kwamen.
  Tegen hoogleeraren eener inrichting, waarvan hij bescherm-
heer was en met wie hij eens een verschil van meening had,
trok hij zijn degen!
  Een zijner kamerheeren gaf hij een schop, omdat hij gerookt
had.  Een ander, een zijner adjudanten, kwam hem mededee-
len, dat hij verloofd was met mejuffrouw...  `Zoo', luid-
de het antwoord, `ben jij ge<e">ngageerd met de dochter van
die...' volgde de scheldnaam van een vroeger anti-vorste-
lijk gezinde partij.  's Middags daarop ging hij wandelen met
dienzelfden adjudant.  Toen zij beiden waren gekomen op
een smal bruggetje, gaf de vorst hem een duw, waardoor de
adjudant in den vijver viel.  Alsof er niets gebeurd was, liep
de vorst door.  De adjudant liet zijn koffers pakken en ging
heen.
  Dergelijke hondsche bejegeningen ondervonden ook de dames
van het hof der tweede vrouw van *Gorilla,* die blijkbaar op
zijn ouden dag niet meer zooveel van de vrouwen hield als
vroeger.  Langs zijn paleis te S... namelijk liepen balcons,
waarop de dames diwijls gewoon waren een luchtje te schep-
pen.  Op een goeden dag bemerkte hij de dames op het balcon
en geeft woedend last de ramen dicht te spijkeren!  De dames
wendden zidh tot zijn vrouw en deze weet in een gunstig
oogenblik de belofte van hem te verkrijgen, de ramen niet
dicht te laten maken.  Iets later gaf hij evenwel bevel de bal-
cons af te zagen... zijn woord had hij dus gehouden!
  Soms pakte hij z<o'o'> smerig uit dat zelfs zijn omgeving -- en
dat wil wat zeggen -- hem walgelijk vond.
  Op een tocht in het zuiden van zijn land werd hij door een
schaar edellieden als eerewacht vergezeld.  Het paard van een
der heeren die naast het rijtuig reed, begon te steigeren, zoo-
dat de ruiter, vreezende voor ongelukken, het paard de zweep
deed gevoelen, waarop *Gorilla* hem toevoegde: `v... E...
sla jij Godverdomme je luizen!'  Schaamrood zag de edelman
voor zich en waagde het niet meer zijn paard een aanmaning
tot kalmte te geven.
  Tegenover zijn ministers gedroeg hij zich even ploertig.
  Aanvankelijk had hij ministers, die tenminste iets beduidden,
manr wegens hun ernst stak hij den draak met hen onder
zijn hofrekels.  Een zijner eerste ministers wilde hij zelfs te
lijf, zoodat deze zich in staat van verweer moest stellen.  Een
andere minister kwam hem in plechtige audi<e">ntie het be-
richt brengen dat een zijner ambtgenooten was overleden. 
`Zoo', werd hem toegevoegd, `is die schoelje eindelijk ka-
pot!'  De minister dorst niet meer te zeggen dan dat het hem
leed deed dat de vorst zich op deze manier uitliet over een
man die zoo lange jaren naar zijn beste weten het vaderland
had gediend en dien hij als premier aan Zijne Majejsteit tot
die hooge waardigheid had voorgedragen.  Het zal zeker wel
niemand verwonderen dat *Gorilla* ten laatste geen andere
ministers en raadslieden kon krijgen dan beginsellooze schur-
ken en ellendige hof-ploerten.
  Behalve aan Bachus was zijn dierbaar *Gorilla*-leven voor de
andere helft aan Venus gewijd.  Vooral in het buitenland
zwijnde hij zoo liederlijk, dat zelfs de meeste vorsten van
Europa vermeden *Gorilla* op hunne reizen te ontmoeten.  En
dat wil wat zeggen, want die heeren hebben al zeer weinig
recht den neus op te trekken voor anderen.  Maar toch deden
zij het nog over hun neef *Gorilla* en terecht.  Te L... wag-
gelde hij smoordronken ovet straat en liep gevaar door de
ruiten van de bazar te rollen.  Te V.~ deed hij op klaarlichten
dag de vuilste sletten in het logement komen waar hij lo-
geerde, terwijl hij de villa A.~ geheel bevolkte met veile deer-
nen  Te C.~ in het Hotel R.~ vertoonde hij zich naakt als een
zwijn in den tuin, terwijl dames voorbijkwamen.  Een Ameri-
kaan, die met zijn vrouw en dochters in dezelfde plaats ge-
logeerd was, dreigde hem voor zijn raap te blazen als hij
zich niet behoorlijk kleedde... klaagde hem bij de politie
aan wegens `aanslag tegen de goede zeden'.  *Gorilla* werd
daarop gedagvaard, maar antwoordde dat hij `onschendbaar'
was en heesch ten teeken daarvan boven het logement de
vlag van zijn land, die met roem gewapperd had op alle zee-
en en nu moest dienen tot bescherming van de bestialiteiten
van dezen mandril.
  In diezelfde plaats noodigde hij Dr.~ M.~, een zeer achtenswaar-
dig geneesheer, als gast aan zijn tafel.  Onze eskulaap ver-
scheen, deftig in zwarten rok en witte das.  De vorstelijke
gastheer was gestoken in een vuil lakensch vest en leidde het
gesprek recht vorstelijk in met deze taal:
  `Jullie doktoren hebt toch een lekker baantje!  Je komt bij
alle vrouwen en kunt overal je vingers insteken'.
  De geneesheer antwoordde, dat hij niet gekomen was om
smeerlapperij te hooren, nam zijn hoed en vertrok.
  Onze *Gorilla* heette ook een beschermer van `de schoone kun-
sten'.  Op zekeren dag zag hij in een bazar schilderwerk op
porcelein.
  `Wie heeft dat gemaakt?'
  `Mejuffrouw R...d.'
  De kunstenares werd ontboden.  Hare oogen en ander natuur-
schoon wekten den `kunstzin' van onzen Mecaenas, die ha-
ren vader deed komen en hem aanbood, zich te belasten met
de zorg voor hare verdere ontwikkeling.  De papa was een
man, rijker aan talent dan aan geld, en deed de eerste oogen-
blikken denken aan het versje van B<e'>ranger:

    Ah, monsieur le S<e'>nateur
    Quel honneur! quel honneur!

  Maar eenigzzins bekend met het begrip door den vorst ge-
koesterd omtrent kunst en schoonheid, waagde hij het te vra-
gen, wat het lot zijner dochter zou zijn na de voltooi<i">ng van
hare artistieke opvoeding
  `Wel, ik zal haar verbinden aan den schouwburg van mijne
hofstad'.
  Papa maakte bezwaar, waarop *Gorilla* heel zijn vuile ziel
blootlegde in de opmerking: `Wel, als ik voor haar betaald
heb zal ik toch wel met haar kunnen doen wat ik wil'.
  De Mecaenas bleef nuchter van zijn boutje.
  Zijn stierenaard deed hem gelijken op god Apis en hij wilde
dan ook als andere goden bediend worden door nimfen, want
hij was `zeer vernikkerd' (om een officieele uitdrukking
van den gouverneur-generaal Ryklof van Goens te bezigen)
op maagdelijnen.  Hij deed dus nimfen opsporen en uitkie-
zen.  Mevrouw P...d, te C.~ zag daarin een toekomst voor
haar dochter.  Zij had gehoord dat de vorst behoorde tot een
kerksch, bijbelsch, theologiseerend volk.  Zij verbeeldde zich
dus dat hare dochter hem zou moeten voorlezen uit de
bergrede: `Zalig zijn de reinen van harte, want zij zullen
god zien', of uit Paulus'~ *Brieven* over de toovermacht van
Christus'~ kruis.  Maar het gold hier een ander kruis.  De nimf
moest den afgdeefden god telkens na zijn bad in zijn kruis
kittelen om zijn bijna-uitgebluschten mamdrilaard weder te
doen ontvonken.  Moeder P...d, bijtijds ingelicht, zag van
het `goddelijk' eerbetoon af.  Maar zij rilde van afgrijzen
bij de gedachte aan de beleediging waaraan haar onbedor-
ven, met zorg en liefde opgevoed kind had blootgestaan.  Zij,
een christelijke en republikeinsche vrouw, en anderen voel-
den afkeer opwellen van de bloem eener natie, die hulde be-
wees aan zulk een ondier: van predikanten die God elken
Zondag smeekten om het behoud van zijn kostelijk leven,
van officieren of `mannen van eer' die zich vrijwillig ver-
laagden tot adjudanten bij zulk een `vuilbuik', van rechters,
die in naam van dezen straffeloozen moordenaar, onschuldi-
ge medeburgers veroordeelden tot gevangenisstraf; van dich-
ters, verrotte volksvertegenwoordigers en hoogepriesters der
openbare meening, die hun wierookkelken aan stukken sloe-
gen op den rooden neus van dat zwijn.
  In eigen land hield hij even beestachtig huis.  Op zijn 46e jaar
deed hij een reis door het zuiden van zijn rijk, waanvan wij
boven reeds spraken.  Er woonde toen in het gehucht A.~ een
beeldschoone boerendochter, de eenige steun van bejaarde
lieden.  Koning *Gorilla* zag die dochter aan het hek staan,
gebood zijn koetsier stil te houden en begaf zich in de woning
van den boer.  Hij wist te bewerken dat de dochter hem den
veestal zou laten zien.  Daar gekomen zwichtte het onnoozele
kind voor zijn schoone beloften en bedreigingen, hij onteerde
haar en op den bepaalden tijd verscheen de vrucht van koning
*Gorilla's* `liefde' tot zijn volk!
  Zijn kunstliefde, waarvan hij in het buitenland reeds zulke
schitterende bewijzen had gegeven, liet zich ook hier niet on-
betuigd.
  Eens liep onze Mecaenas te wandelen toen plotseling zijn be-
kende lust bovenkwam in `de studie naar het naakt-model'. 
Een boerenmeid uit A... kwam langs den weg gewandeld
en kreeg bevel zich naakt uit te kleeden.  Toen ze hieraan niet
gereedelijk voldeed, gaf de adjudant haar te verstaan, dat de
vorst haar geld zou geven en mooie kleeren.  Hierdoor overge-
haald ging zij er toe over.  Nadat de vorst zijn studie had vol-
tooid, werden haar kleeren baldadig in het water gworpen en
liet men haar naakt op den weg staan.  Des avonds kreeg zij
geld en kleeren.
  Soms ook organiseerde hij om zijn bestialiteit bot te vieren
`volksfeesten', waarover de bladen dan uitweidden als bewij-
zen van 's vorsten liefde voor het volk.  Vorstelijke `liefde'
-- bij vorsten gelijkbeteekenend met dierlijke wellust -- was
er dan ook bij in het spel, dat bestond in mastklimmen door
boerenmeiden van het gehucht U...  Ten aanschouwe van
zijn beminde volk was de vorst dan zoo minzaam en neder-
buigend die meiden wat men noemt `een gatje' te geven, om
ze dan, vlak onder de paal staande, na te staren in de mast,
met half dronken uitpuilende oogen, stralend van `liefde',
opgewekt door het sansculottisme (broekloosheid) dezer boe-
rendeernen.  Wat kon men meer verlangen van een vorst, die
zooveel liefde betoonde zelfs voor sans-culottes.
  In die omgeving was onze stier recht op zijn plaats.  Het speel-
goed moest, voor den woesteling niet al te teer zijn.  Toen hij
indertijd zijn warm vleesch nog betrok uit de G... d...sche
stad A.~ werd hem daar eens `aangevoerd' een zeer jeugdige
Fran<c,>aise.  Dit speelgoed bleek te fijn te zijn... midden in
den nacht werd het arme kind kermende zijn paleis uitgedra-
gen, klagende: `ce n'est pas un homme, c'est un taureau'
(dat is geen man, dat is een stier)!
  Na den dood zijner eerste vrouw en misschien reeds geduren-
de haar lven hield hij het met een opera-zangeres Madelle A...
die hij tot gravin wilde verheffen om 'n morganatisch huwe-
lijk met haar te sluiten.  Zijn oom en anderen werkten hem
echter daarin tegen, waarop het huwelijk met de opera-zan-
geres sleepende bleef en geheel afsprong toen *Gorilla* zin in
een ander boutje kreeg, een jeugdige prinses uit een klein
stamhuis.  De grijze *Gorilla* huwde haar dan ook, hoewel zij
reeds vroeger kennismaking had aangeknoopt met *Gorilla's*
oudsten zoon, tengevolge waarvan een breuk ontstond tus-
schen *Gorilla* en diens zoon.  Dit nam echter niet weg dat de
jonge stiefmoeder nog geruimen tijd lang liever gediend was
van den zoon dan van papa, waaraan evenwel een einde kwam
toen zoonlief in een ander land kwam te sterven, naar men
zegt, afgemaakt door iemand met wiens vrouw hij in overspel
was bevonden.
  *Gorilla* beschouwde die tweede vrouw, wat hij trouwens alle
vrouwen deed, als niet veel minder dan een bijzit, en ontzag
zich dan ook niet haar herhaaldellik zijn wantrouwen te ken-
nen te geven op een wijze, die hemzelf het meest compromit-
teerde, gelijk eens bleek toen haar in zijn bijzijn en in tegen
woordigheid van vele anderen een telegram werd overhan-
digd.  Zij brak dat open en overhandigde het ter lezing aan
haren vorstelijken gemaal, die haar daarop in aller tegen-
woordigheid recht vorstelijk antwoordde: `Nou ja, je belazert
me toch niet!'
  Als men in aanmerking neemt hoe *Gorilla* blijkens bovenstaan-
de zijne vrouwen en zijn hooggeplaatste bedienden behandel-
de, behoeft men niet te vragen wat de zoogenaamde lageren
hadden uit te staan en de werklieden waarmee hij zoo nu en
dan in aanraking kwam.  Ontelbaar zijn de plagerijen en gru-
weldaden jegens dezen bedreven.
  Zoo hield hij er twee hofjagers op na, die op zijn koets moes-
ten staan.  Een dier jagers kreeg bevel dat hij zich gereed
moest houden, want dat *Gorilla* wilde uitrijden.  De man ver-
schijnt gekleed en gereed, doch nauwelijks ziet *Gorilla* hem
of hij begint uit te varen en voegt hem toe: `Ik wil godver-
domme zoo'n leelijkert niet hebben, laat de andere komen!'
  Een ander maal was hij nijdig over het lang uitblijven van
een kist met tuig voor de paarden van zijn dochter en ver-
haalde zijn gram op een ongelukkige ordonnans, die hem niet
begreep omdat *Gorilla* zelf tegen de hof<e'>tiquette had gehan-
deld.  Eerst bulderde hij hem toe: `Ik ontneem je Godverdom-
me het medaillegeld' (de ordonnans had namelijk een paar me-
dailles, waaraan een toelage was verbonden).  Toen de ordon-
nans hem daarop eenige nadere inlichtingen wilde geven,
brulde *Grilla:* `Hou je bek, Godverdomme.  14 dagen inhou-
ding van je traktement'.  De ordonnans ging verslagen heen.
  Soms hield hij op zijn manier ook harddraverijen, waaraan hij
echter zelf niet meedeed.  Hij bleef kalm op zijn paleis en liet
een zijner bedienden opstijgen.  Deze kreeg dan last in en on-
mogelijk korten tijd naar een zekere plaats te rijden en van-
daar een bewijs mede te brengen dat hij er werkelijk geweest
was.  Met het horloge in de hand stond *Gorilla* hem af te wach-
ten en wee hem die over tijd kwam.
  Eens kwam hij te A... aan om zich naar L... te begeven
en eischte dat de koetsier in een ondoenlijk korten tijd hem
daarheen zou brengen.  De koetsier beweerde dat het onmoge-
lijke werd gevorderd, daar de paarden er onder zouden be-
zwijken.
  `Dan rijdt je ze Godverdomme maar kapot!' luidde het bevel
van *Gorilla*.  De koetsier kwam tengevolge van het vallen van
een der paarden 10 minuten te laat te L... en werd daarom
onmiddellijk voor een maand geschorst.  En gold al die haast
nu een staatsbelang?  Och neen, eenvoudig een afspraakje met
een boerenmeid te L... woonachtig, waarmede *Gorilla* den
nacht wilde doorbrengen en met wie hij op 'n bepaalden tijd af-
gesproken had.  Voor overspel moest dus een huisvader in zijn
loon gekort en moesten de paarden doodgereden worden.
  Maar bij zulk ergerlijk tarten en plagen bleef het nog niet
eens.  Hij maakte zich ten aanzien van zijn personeel schuldig
aan mishandelingen, zoo gruwelijk, dat Nero gemakkelijk bij
hem een lesje had kunnen nemen.  Eens toen bij op zijn paleis
te S... gelogeerd was gedroeg hij zich als een echte Rus;
hij schopte en trapte de arbeiders.
  In een zijner andere paleizen had hij een nieuwe badkamer
laten inrichten, die hij op zekeren morgen met een paar adju-
danten kwam bezichtigen.  Een lakei, zijn koninklijken mees-
ter op dat uur in dat vertrek niet verwachtende, opende zon-
der erg de deur om eenige werkzaamheden te verrichten, ver-
schrikt den vorst daar te zien, en te `storen', trekt hij de deur
weer dicht, en wil zich verwijderen.  `Hier...  Godverdomme,
hier!' klonk het uit den vorstelijken mond des koninklijken
meesters.  De man gehoorzaamde.  De koninklijke meester be-
val dat de bediende geheel gekleed in de badkuip zou gaan
liggen.  De man gehoorzaamde.  De koninklijke meester zette
allebei de kranen open.  De man uit `het geliefde volk', bleef
liggen totdat het water aan zijn lippen kwam.  Toen wilde hij
zich oprichten, omdat hij anders stikken zou... doch `de
man van de wereld', het vorstelijk zwijn, de koninklijke ver-
doemeling, gaf den slaaf met zijn lompen stierenpoot een trap
op de buik, zoodat hij bewusteloos ineenzonk.  Maanden lang
bleef hij onder dokters handen en nooit is hij geheel genezen. 
Een andere lakei verbood hij in zijn nabijheid te komen tot
straf omdat hij een schildwacht gewaarschuwd had dat de
vorst aankwam.  Eenigen tijd daarna zag hij dien lakei in zijn
paleis, waggelde naar hem toe en gaf hem vloekende met de
woorden `ben je daar weer schoft!' een trap, dat de man er
bij neerviel.  Had een generaal die in de nabijheid stond den
vorstelijken ellendeling niet opgevangen, dan was hij zelf ook
tegen den grond geslagen.  Toen de man het waagde nog eens
om te kijken naar zijn `weldoener', kwam deze opnieuw vloe-
kende op hem los met de woorden: `Wat, durf je nog om te
kijken!'  Een derde lakei werd op even ergerlijke wijze door
den vorst mishandeld, zoo ergerlijk dat de ongelukkige van
schrik (van opgekropte woede misschien) het spraakvermogen
verloor, om het naar de verklaring van den geneesheer wel-
licht nimmer terug te krijgen.
  Het vorstelijk zwijn geneerde zich nooit en was buitengewoon
zindelijk.  Op zekeren morgen waterde de onverlaat in 'n spons
en wierp die daarna een kamerdienaar in het gezicht!  De man
had niet den moed hem een dolk in het hart te stooten.  Dat
zou men ook `Koningsmoord' genoemd hebben inplaats van
afmaking van een dollen hond.
  Wreedheid en geldzucht gaan gewoonlijk hand in hand en zoo
schraapte ook *Gorilla* millioenen guldens bijeen, zounder hart
voor zijn arme onderdanen, die dit alles met hun zweet en
bloed moesten betalen.  Wel had hij zorg voor zijn paarden en
de berooide schatkist moest de stallen betalen, die op palei-
zen geleken, terwijl tal van onderdanen moesten wonen in
krotten, ja soms geheel van woning waren verstoken.
  En voor dezen afschuwelijken *Gorilla* bogen ministers, volks-
vertegenwoordigers, generaals, admiraals, rechters, predikan-
ten, en al wat zich `hoog' waande in den staat.  Zij hadden
altijd den mond vol van geliefd stamhuis, ge<e">erbiedigd hoofd,
ja noemden *Gorilla* zelfs een modelvorst, alleen omdat hij een
*gekroonde Gorilla* was en wijl zij gevoelden hem als hoofd te
moeten huldigen hunner bende, die het aanlegde op de ver-
blinding, de onderdrukking en de uitzuiging des volks.
  Alleen het werkvolk durfde zijn afkeer toonen.  Walgende van
z<o'o'>veel gemeenheid en zijn slavenjuk moede, gaf het, luide
zijn ontevredenheid te kennen en kwam in verzet.  Wel wer-
den velen hunner gruwelijk vervolgd, wel werden edele man-
nen die hun voorgingen in den strijd gelasterd, gekerkerd en
mishandeld, maar het volk hield moedig vol, ja streed te fel-
ler naarmate de tegenstand heviger werd, totdat het eindelijk
de palm der overwinning wegdroeg die weggelegd is voor al-
le dapperen en braven di<e'> strijden voor het Rijk van

        VRIJHEID, GELIJKHEID en BROEDERSCHAP
