*4. DE JONGEN DIE OP REIS GING OM HET GRIEZELEN TE LEREN* =*E*r= was eens een vader, die had twee zoons; de oudste was schrander en verstandig en wist zich in alles te schikken, maar de jongste was dom, hij kon niets begrijpen en niets leren en als de mensen hem zagen, zeiden ze: `Wat zal die vader met hem nog te stellen hebben!' Als er iets te doen was, moest altijd de oudste het doen, maar, liet de vader hem laat in den avond of ook 's nachts wat halen en ging dan de weg over 't kerkhof of over een andere griezelige plek, dan antwoordde hij soms: `Och nee, vader, dat doe ik niet, dat is griezelig,' want hij was bang. Of als er 's avonds bij het vuur verhalen werden verteld, waarbij er kippevel opkomt, dan zeiden de luisteraars dikwijls: `O, hoe griezelig.' De jongste zat dan in een hoek en hoorde er ook naar en kon maar niet begrijpen, wat dat was. `Altijd zeggen ze: o, hoe griezelig! o, hoe griezelig! Ik weet niet wat griezelig is, zeker een kunst waar ik weer niets van begrijp.' Nu gebeurde het dat de vader eens tegen hem zeide: `Hoor eens, jij daar in den hoek, je wordt groot en sterk, je moet toch ook eens wat leren om je eigen brood te verdienen. Zie maar eens wat een moeite je broer zich geeft, maar bij jou is toch alles boter aan de galg.' `Och vader,' antwoordde hij, `ik zou graag wat leren; ja, als 't kon zou ik graag leren wat griezelen is; daar begrijp ik helemaal niets van.' De oudste broer moest lachen, toen hij het hoorde en dacht bij zichzelf: `Wat is die broer toch een domkop; daar zal nooit iets uit groeien, want al word je maar een haak, dan moet je toch leren om krom te buigen.' De vader zuchtte eens en antwoordde: `Griezelen zal je wel leren, maar daar kun je je brood niet mee verdienen.' Kort daarop kwam de koster eens op bezoek. De vader klaagde hem zijn nood en vertelde hoe zijn jongste zoon in alles slecht beslagen ten ijs kwam; hij wist niets en hij leerde niets. `Denk eens, dat, toen ik hem vroeg waarmee hij nu zijn brood zou verdienen, hij antwoordde, dat hij zo graag zou leren griezelen.' `Als het anders niet is,' zei de koster, `dat kan hij bij mij wel leren; stuur hem mij maar, ik zal dat varkentje wel wassen.' De vader was er blij mee, hij dacht: `Iets kan de jongen althans leren.' De koster nam hem dus in huis en hij moest de klok luiden. Een paar dagen later wekte hij hem te middernacht; hij moest opstaan, in den toren klimmen en de klok luiden. `Je zult nog wel leren wat griezelen is,' dacht hij en ging hem heimelijk voor. En toen de jongen boven was aangeland en zich omdraaide om het klokketouw te grijpen, toen zag hij boven aan de trap tegenover 't galmgat een witte gedaante staan. `Wie daar?' riep hij, maar de gestalte gaf geen antwoord, roerde zich niet en stond stok- stijf. `Geef antwoord!' riep de jongen, `of maak dat je wegkomt; je hebt hier in den nacht niets te maken!' De koster echter bleef roerloos staan, want de jongen moest denken dat het een spook was. De jongen riep voor de tweede maal: `Wat doe je hier? Als je een eerlijke kerel bent, zeg 't dan, anders gooi ik je de trappen af.' De koster dacht `Dat zal zo een vaart niet lopen'; hij hield zich stil en stond als een stenen beeld. Toen riep de jongen ten derdenmale en toen dat ook vergeefs was, nam hij een aanloop en stootte het spook de trap af, dat hij tien treden viel en in een hoek bleef liggen. Toen ging hij de klok luiden, ging zonder iets te zeggen weer naar bed en sliep verder. De kostersvrouw wachtte lang op haar man, maar hij kwam niet terug. Toen werd ze tenslotte bang, ze maakte den jongen wakker en vroeg: `Weet je niet waar mijn man gebleven is? Hij is vr jou de toren ingeklom- men.' `Nee,' antwoordde de jongen, `maar in een van de galmgaten over de trap stond wel een kerel, maar toen hij me geen antwoord wou geven en ook niet wilde weggaan, toen dacht ik dat 't een boef was en ik heb hem de trap af gegooid. Ga maar eens kijken, dan kunt u zien of hij het geweest is, dat zou me spijten.' De vrouw ijlde weg en ze vond haar man in een hoek van de torentrap, jammerend en met een gebroken been. Ze droeg hem naar beneden en vloog toen gillend naar den vader van den jongen. `Die jongen van jou,' zei ze, `heeft een groot ongeluk op z'n geweten; mijn man heeft hij de trappen afgegooid, zodat hij z'n been gebroken heeft. Haal dien deugniet maar uit ons huis.' De vader schrok ervan, kwam dadelijk aangelopen en schold den jongen uit. `Wat zijn dat voor goddeloze streken, die moet de Boze je hebben ingeblazen.' `Vader,' antwoordde hij, `hoor nu eens. Ik ben helemaal onschuldig; hij stond daar in den nacht als iemand die kwaad in 't zin heeft. Ik wist niet wie het was, driemaal heb ik hem gemaand om wat te zeggen en anders weg te gaan.' `Och,' zei de vader, `met jou beleef ik alleen maar ongeluk; ga uit mijn ogen, ik wil je niet meer zien.' `Graag vader, maar wacht eerst tot het dag is, dan ga ik de wijde wereld in om griezelen te leren, dan ken ik tenminste iets om mijn brood te verdienen.' `Leer wat je wil,' zei de vader, `mij is 't hetzelfde. Daar heb je vijftig daalders, ga daarmee de wijde wereld in, maar zeg aan niemand waar je vandaan komt en wie je vader is, want ik schaam me over je.' `Ja vader, zoals u wilt; vader, als 't anders niet is, dit kan ik licht doen.' Toen de ochtend grauwde, stak de jongen zijn vijftig daalders in zijn zak, ging naar buiten naar den groten weg en sprak maar aldoor voor zich heen: `Kon ik maar griezelen! Kon ik maar griezelen!' Daar kwam een man aan, hij hoorde het gesprek, dat de jongen met zichzelven voerde en toen ze een eind samen gelopen hadden tot de galg in 't zicht kwam, zei de man tot hem: `Kijk eens, daar staat de boom waaraan zeven man met de dochter van den touwslager getrouwd zijn; ze leren nu vliegen; ga daar maar eens onder zitten en wacht dan tot 't helemaal donker is, dan zal je wel leren griezelen.' `Als het anders niet is,' zei de jongen, `dat is makkelijk genoeg; als ik 't griezelen zo gauw kan leren, dan krijg jij mijn vijftig daalders, kom morgen vroeg maar bij me.' Toen ging de jongen naar de galg toe en ging aan den voet zitten wachten tot de avond zou vallen. En omdat hij 't koud kreeg, ging hij een vuurtje stoken. Maar tegen middernacht werd de wind zo koud, dat hij ondanks 't vuur niet warm kon worden. En als de wind de opgehangenen tegen elkaar aan stiet, zodat ze heen en weer gingen bengelen, dacht hij weer: `Hier beneden bij 't vuur ben je zelf al koud, wat zullen die stakkerds hierboven wel kou lijden en bibberen.' En daar hij een goed hart had, zette hij de ladder tegen den paal, klom er op, knoopte den een na den ander los en haalde ze alle zeven op den grond. Daarop stookte hij 't vuur hard op, blies het aan en zette ze allen in een kring er omheen, dat ze zich konden warmen. Maar ze zaten maar en verroerden zich niet en hun kleren vatten vlam. Nu sprak hij: `Oppassen, anders hang ik jullie allemaal weer op.' Maar de doden hoorden het niet, zwegen en hun lompen brandden verder. Toen werd hij boos en sprak: `Als jullie zelf niet oppast, kan ik jullie niet helpen, maar ik heb, geen zin om mee te verbranden,' en hij hing ze volgens de rij weer op. Dan ging hij bij 't vuur zitten en sliep in, en den volgenden morgen, daar kwam de man bij hem, wilde de vijftig daalders hebben en vroeg: `Nu, weet je nu wat griezelen is?' `Neen,' zei hij, `hoe zou ik dat weten? Die daar boven hebben geen mond opengedaan en ze waren zo dom, dat ze die oude lompen, die hun als kleren dienen, nog lieten verbranden.' Toen zag de man, dat hij met de vijftig daalders vandaag niet zou gaan strijken, hij ging zijns weegs en dacht: `Zo een heb ik van mijn leven nog niet ontmoet.' De jongen ging ook zijns weegs en begon weer voor zich heen te redeneren: `Kon ik maar griezelen! Kon ik maar griezelen!' Dat hoorde een voerman, die achter hem aanliep en vroeg: `Wie ben je?' `Weet ik niet.' `Wie is je vader?' `Mag ik niet zeggen.' `Wat brom je aldoor?' `Ach,' zei de jongen, `ik wou zo graag griezelen leren, maar niemand kan het mij leren.' `Hou op met die domme praat,' zei de voerman, `kom, ga mee, ik zal zien dat ik je ergens onder dak breng.' De jongen ging met den voerman mee en 's avonds kwamen ze aan een herberg; daar wilden ze over- nachten. Toen zei hij bij 't binnenkomen weer hardop: `Kon ik maar griezelen, kon ik maar griezelen.' De waard die het hoorde, zei lachend: `Als je hart daarnaar trekt, er is hier wel gelegenheid voor.' `Zwijg toch stil,' zei de waardin, `zo menig wijsneus heeft hier z'n leven al moeten laten -- het zou zonde en jammer zijn van die mooie ogen, als die het daglicht niet weer zouden zien.' Maar de jongen zei: `Al is het nog zo moeilijk, leren zal ik het, daarvoor ben ik de wijde wereld inge- gaan.' Hij liet den waard dan ook geen rust voor hij het hem verteld had: niet ver daarvandaan stond dan een betoverd kasteel en daar kon je wel leren wat griezelen was; als hij daar maar eens drie nachten wou waken. De koning had dengeen die dat wagen wilde zijn eigen dochter tot vrouw beloofd, -- en dat was het mooiste meisje dat ooit door de zon beschenen was. En in 't kasteel waren grote schatten verborgen, bewaakt door boze geesten; die zouden dan vrij worden en zouden een armen drom- mel nog rijk genoeg kunnen maken. Velen waren er al ingegaan, er uitgekomen was er nooit een. Toen ging de jongen den volgenden dag naar den koning en sprak: `Koning, ik vraag u verlof, om drie nachten in dat betoverd kasteel te mogen waken.' De koning keek hem eens aan en omdat hij hem aardig vond, zei hij: `Dan mag je nog drie vragen doen, maar het moeten vragen zijn om levenloze voorwerpen; en je moogt ze meenemen naar het kasteel.' Toen antwoordde hij: `Dan wou ik wel een vuur, een draaibank en een snijbank met een bijbehorend mes.' De koning liet hem alles nog dienzelfden dag in 't kasteel brengen. Toen de schemer viel, ging de jongen naar boven, stapte een kamer binnen, maakte daar een fel vuur, zette de snijbank met het mes ernaast en ging op de draaibank zitten. `Kon ik nu maar griezelen,' sprak hij, `maar hier zal ik 't ook wel niet leren.' Tegen midder- nacht wilde hij nog eens flink opstoken, maar toen hij er in blies, klonk er opeens een geschreeuw uit een hoek: `Au! miauw! wat een kou!' `Wat een dwazen!' riep hij, `wie het koud heeft, komt maar, ga om het vuur zitten en warm jullie.' En toen hij dat gezegd had, kwamen er twee grote zwarte katten in een geweldigen sprong naderbij, zetten zich elk aan zijn zijde en keken hem met vurige ogen zeer wild aan. Na een poosje toen ze zich gewarmd hadden, zeiden zij: `Kameraad, zullen we eens gaan kaarten?' `Waarom niet?' antwoordde hij, `maar laat jullie je poten eens zien.' Toen strekten ze hun klauwen uit. `Wel,' zei hij, `wat hebben jullie een lange nagels! Wacht, die zal ik eerst eens afknippen.' Daarmee pakte hij hen bij 't nekvel, tilde hen op de snijbank en schroefde hun poten vast. `Jullie heb ik in de vingers gezien,' zei hij, `nu is me de lust in 't kaarten ver- gaan.' Hij sloeg hen dood en gooide hen uit 't venster in de gracht. Maar toen hij die twee onschadelijk had gemaakt en weer bij het vuur wilde gaan zitten, toen kwamen uit alle hoeken en gaten zwarte honden en zwarte katten aan gloeiende kettingen, steeds meer en aldoor meer, dat hij zich niet te bergen wist. Ze schreeuwden er- barmelijk, trapten in zijn vuur, haalden het uiteen en wilden het doven. Een poosje bleef hij het rustig aanzien, toen werd het hem evenwel te bar, hij pakte zijn mes en riep: `Weg met jullie, boevenpak!' en hij hakte op hen in. Sommigen sprongen weg, anderen sloeg hij dood en wierp ze 't raam uit in de gracht. Toen dat voorbij was, blies hij uit de vonken het vuur weer aan en warmde zich. En toen hij daar zo zat, kon hij zijn ogen niet meer open houden en hij kreeg zo'n slaap. Daar zag hij in den hoek een groot bed. `Daar verlang ik juist naar' zei hij en ging er in. Maar toen hij zijn ogen wilden sluiten, toen ging het bed vanzelf bewegen en reed het hele kasteel door. `Goed zo,' zei hij, `hoe langer hoe mooier.' Het bed rolde voort, als waren er zes paarden voorgespannen, de drempels over, de trappen af, de trappen weer op, maar ineens, hoep! kantelde 't om, onderste boven, zodat het op hem lag als een berg. Maar hij gooide kussens en dekens de hoogte in, kroop er uit en zei: `Wie lust heeft, kan uit rijden gaan.' Hij ging weer naar zijn vuur en sliep tot het dag was. 's Morgens kwam de koning en toen die hem zo op den grond zag liggen, dacht hij: de spoken zullen hem hebben vermoord en hij moet wel dood zijn. Toen zei hij: `'t Is toch jammer van dien knappen kerel.' Daar werd de jongen wakker van, hij ging zitten en zei: `Zo ver is het nog niet!' De koning verwonderde zich en was blij. Toen vroeg hij hoe het gegaan was. `Heel goed,' antwoordde hij, `de ene nacht is voorbij, de twee andere zullen ook nog wel voorbij- gaan.' Toen hij bij den waard kwam, zette die grote ogen op. `Neen,' zei hij, `ik dacht niet dat ik je weer in levenden lijve voor me zou zien staan; heb je nu soms geleerd wat griezelen is?' `Neen,' zei hij, `dat is allemaal te vergeefs. Als ik dat nu eens leren kon!' Den tweeden nacht ging hij nog eens naar het oude kasteel, hij zette zich bij een heerlijk vuur en begon weer het oude deuntje: `Kon ik maar leren griezelen.' Toen 't middernacht werd, kwam er een lawaai en een gestommel -- eerst zacht, dan luider, toen was het even helemaal stil. Eindelijk kwam met een hevigen gil een half mens door den schoorsteen omlaag rollen en viel vlak voor hem. `Hei,' riep de jongen, `daar hoort nog een helft bij, dit is te weinig.' Toen begon het lawaai overnieuw, geloei en geraas, en de andere helft kwam ook naar beneden vallen. `Wacht eens,' zei hij, `nu zullen we eerst het vuur nog eens goed opstoken.' Toen hij flink gepookt had en weer omkeek, waren de twee helften aan elkaar gekomen en zat er een gruwelijk manspersoon op zijn plaats. `Dat was de afspraak niet,' zei de jongen, `die bank is mijn plaats.' De man wilde hem opzij dringen, maar de jongen liet zich door hem niet gezeggen, hij schoof hem met geweld weg en zette zich weer op zijn plaats. Toen vielen er nog meer mannen naar beneden, de een na den ander, en ze hadden negen doods- beenderen en twee doodshoofden bij zich, zetten die op en gingen kegelen. De jongen kreeg er ook zin in en vroeg: `Hoor eens, kan ik meedoen?' `Zeker, als je geld hebt!' `Geld genoeg,' zei hij, `maar die ballen zijn niet rond genoeg.' Toen nam hij de doodshoofden, plaatste ze in de draaibank en draaide ze mooi rond. `Zo, nu zullen ze beter rollen,' zei hij, `vooruit nu maar!' Hij speelde mee en verloor wat geld, maar toen het twaalf uur sloeg, was alles voor zijn ogen opeens verdwenen. Hij legde zich te slapen en ging rustig onder zeil. Den anderen morgen kwam de koning eens horen. `Hoe heb je 't ditmaal gehad?' vroeg hij. `Ik heb gekegeld,' zei hij, `en een paar stuiver verloren.' `En heb je geen griezel geleerd?' `Ach,' zei hij, `ik heb plezier gehad. Wanneer ik maar wist wat griezelen was!' In den derden nacht ging hij weer op zijn bank bij het vuur zitten en zei heel verdrietig: `Kon ik maar griezelen leren!' Toen het laat werd, kwamen er zes mannen met een doodkist. Toen zei hij: `Ha, dat is vast mijn neefje dat een paar dagen geleden ge- storven is!' wenkte met zijn hand en riep: `Kom, neefje, kom!' Zij zetten de baar neer, maar hij ging er heen en nam de deksel van de kist -- maar er lag een dode in. Hij voelde aan het gelaat, maar dat was ijskoud. `Wacht,' zei hij, `ik moet je eerst wat warmen.' Hij ging naar 't vuur, warmde zijn hand en legde hem die op 't gelaat, maar de dode bleef koud. Nu nam hij hem op, zette hem bij het vuur, legde hem toen op zijn schoot en wreef zijn armen, dat het bloed weer in beweging zou komen. Toen dat alles niets baatte, viel hem in: `-- Als er twee samen in een bed liggen, dan worden ze beiden warm' -- hij droeg hem naar het bed en ging er zelf naast liggen. Na korten tijd werd ook de dode wann en begon te bewegen. Toen sprak de jongen: `Wel, neefje, wat zeg je nu, als ik je niet gewarmd had!' De dode hief zich op en zei: `Nu zal ik je worgen.' `Wat,' zei hij, `is dat mijn dank? meteen weer in de kist!' Hij tilde hem op, gooide hem erin en deed de deksel erop. Daar kwamen de zes mannen weer en droegen hem weer weg. `Griezelen kan ik nog niet,' zei hij, `dat leer ik hier van m'n leven niet.' Toen trad er een man binnen, en die was groter dan ieder ander en zag er ver- schrikkelijk uit, maar hij was oud en had een langen witten baard. `Ach jou kleine onnozele,' riep hij, `nu zul je weldra leren wat griezelen is, want je moet sterven!' `Zo gauw niet,' zei de jongen, `als ik sterven moet, dien ik er toch zelf bij te zijn?' `Jou zal ik wel krijgen,' zei de onmens. `Zacht wat, zacht wat, maak je maar zo dik niet, zo sterk ben ik ook wel en misschien nog een beetje sterker.' `Dat zullen we eens zien,' zei de oude, `ben je sterker dan ik, dan laat ik je vrij; kom, laten we het proberen.' Toen bracht hij hem langs donkere gangen bij een smidsvuur, nam een bijl en sloeg het ene aambeeld met n slag in den grond. `Dat kan ik nog beter,' sprak de jongen en ging naar het tweede aambeeld. De ander ging naast hem staan en wou toekijken en zijn witte baard hing omlaag. Toen pakte de jongen de bijl, kliefde het aambeeld met ne houw en klemde de baard van den oude ertussen. `Daar heb ik je nu,' zei de jongen, `nu moet jij er aan.' Hij pakte een ijzeren stang en beukte op den ouden lelijkerd los, tot hij jammerde en smeekte dat hij op zou houden, dan zou hij hem grote schatten geven. De jongen trok de bijl er uit en liet hem los. De oude man bracht hem weer naar het kasteel terug en toonde hem in een kelder drie kisten vol goud. `Daarvan,' sprak hij, `is n deel voor de armen, n deel voor den koning en een derde voor jou.' Meteen sloeg het twaalf uur, de boze geest ver- dween opeens, zodat de jongen in 't donker bleef. `Ik zal mezelf toch wel kunnen uitredden,' sprak hij, voelde overal rond, vond den weg naar de kamer terug en ging daar bij zijn eigen vuur heerlijk slapen. Den volgenden morgen kwam de koning en sprak: `Nu zul je toch wel geleerd hebben om te griezelen?' `Neen,' zei hij, `er gebeurde niet veel. Een neef, die dood is, was hier en dan kwam er nog een man met een baard en die heeft me in de kelder een massa geld laten zien; maar over griezelen, neen, daar heeft hij niets over gezegd.' Toen zei de koning weer: `Je hebt 't kasteel uit zijn betovering verlost en nu mag je met mijn dochter trouwen.' `Ja, dat is heel best,' antwoordde de jongen, `maar daarmee weet ik nog niet wat griezelen is.' Toen is het goud haar boven gehaald en de bruiloft gevierd, maar de jonge koning -- hij vond zijn gemalih heel lief en hij was steeds in zijn schik --, hij zei toch altijd: `Kon ik maar leren griezelen, kon ik toch maar leren griezelen.' Dat verdroot haar tenslotte. Haar kamermeisje zeide: `Ik zal u wel helpen; griezelen zal hij wel leren.' Ze ging naar buiten, naar de beek; die liep door den tuin en daar haalde ze een helen emmer vol grondels. 's Nachts, als de jonge koning in slaap was, zou zijn gemalin het dek van hem weghalen. En ze goot een emmer vol koud water met de levende grondels erin over hem heen, dat de vissen over zijn huid spartelden. Daar werd hij wakker van en riep: `O wat griezelig, o wat griezelig -- lieve vrouw! ja, n weet ik wat griezelen is!'