Multatuli Max Havelaar of De Koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy Aan de diep vereerde nagedachtenis van =Everdine Huberie baronesse van Wynbergen= der trouwe gade der heldhaftige liefdevolle moeder der edele vrouw `J'ai souvent entendu plaindre les femmes de pote, et sans doute, pour tenir dignement dans la vie ce difficile emploi, aucune qualit n'est de trop. Le plus rare ensemble de mrites n'est que le strict ncessaire, et ne suffit mme pas toujours au commun bonheur. Voir sans cesse la muse en tiers dans vos plus familiers entretiens, -- recueiller dans ses bras et soigner ce pote qui est votre mari, quand il vous revient meurtri par les dceptions de sa tche; -- ou bien le voir s'envoler la poursuite de sa chimere... voil l'ordinaire de l'existen- ce pour une femme de pote. Oui, mais aussi il y a le chaptre des compensations, l'heure des lauriers qu'il a gagns la sueur de son gnie, et qu'il dpose pieusement aux pieds de la femme lgitime- ment aime, aux genoux de l'Antigone qui sert de guide en ce monde cet `aveugle errant'; -- `~Car, ne vous-y-trompez pas: presque tous les pitit-fils d'Homre sont plus ou moins aveugles leur faon; -- ils voient ce que nous ne voyons pas; leurs regards pntrent plus haut et plus au fond que les ntres; mais ils ne savent pas voir droit devant eux leur petit bon- homme de chemin, et ils seraient capables de trbucher et de se casser le nez sur le moindre caillou, s'il leur fallait cheminer sans soutien, dans ces valles de prose ou demeure la vie.' (=Henry de Pne=) =Gerechtsdienaar=. Mynheer de rechter, daar is de man die _Bar- bertje_ vermoord heeft. =Rechter=. Die man moet hangen. Hoe heeft hy dat aangelegd? =Gerechtsdienaar=. Hy heeft haar in kleine stukjes gesneden, en ingezouten. =Rechter=. Daaraan heeft hy zeer verkeerd gedaan. Hy moet hangen. =Lothario=. Rechter, ik heb _Barbertje_ niet vermoord! Ik heb haar gevoed en gekleed en verzorgd. Er zyn getuigen die verklaren zullen dat ik 'n goed mens ben, en geen moordenaar. =Rechter=. Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan. Het past niet aan iemand die... van iets beschuldigd is zich voor 'n goed mens te houden. =Lothario=. Maar, rechter, er zyn getuigen die het zullen bevestigen En daar ik nu beschuldigd ben van moord... =Rechter=. Ge moet hangen! Ge hebt _Barbertje_ stukgesneden, inge- zouten, en zyt ingenomen met uzelf... drie kapitale delikten! Wie zyt ge, vrouwtje? =Vrouwtje=. Ik ben _Barbertje._ =Lothario=. Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb. =Rechter=. Hm... ja... zo! Maar het inzouten? =Barbertje=. Neen, rechter, hy heeft me niet ingezouten. Hy heeft my integendeel veel goeds gedaan. Hy is 'n edel mens! =Lothario=. Ge hoort het, rechter, ze zegt dat ik 'n goed mens ben. =Rechter=. Hm... het _derde_ punt blyft dus bestaan. Gerechtsdienaar voer die man weg, hy moet hangen. Hy is schuldig aan eigenwaan. Griffier, citeer in de praemissen de jurisprudentie van _Lessing's_ patriarch. _(Onuitgegeven Toneelspel)_ Eerste hoofdstuk (1)^"*"^ | | ^"*"^ _De cyfers tussen haakjes verwyzen naar Noten achter het werk._ | Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht n"o" 37. Het is myn gewoonte niet, romans te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra te bestellen, en het werk aan te vangen, dat gy, lieve lezer, zo-even in de hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffi zyt, of als ge wat anders zyt. Niet alleen dat ik nooit iets schreef wat naar een roman geleek, maar ik houd er zelfs niet van, iets dergelyks te lezen, omdat ik een man van zaken ben. Sedert jaren vraag ik my af, waartoe zulke dingen dienen, en ik sta verbaasd over de onbeschaamdheid waarmede een dichter of romanverteller u iets op de mouw durft spelden, dat nooit gebeurd is, en meestal niet gebeuren kan. Als ik in _myn_ vak -- ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht n"o" 37 -- aan een principaal -- een principaal is iemand die koffi verkoopt -- een opgave deed, waarin maar een klein gedeelte der onwaarheden voorkwam, die in gedichten en romans de hoofdzaak uitmaken, zou hy terstond Busselinck & Waterman ne- men. Dat zyn ook makelaars in koffi, doch hun adres behoeft ge niet te weten. Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valse opgaven doe. Ik heb dan ook altyd opgemerkt dat mensen die zich met zo-iets inlaten, gewoonlyk slecht wegkomen. Ik ben drie en veertig jaren oud, bezoek sedert twintig jaren de beurs, en kan dus voor den dag treden, als men iemand roept die ondervinding heeft. Ik heb al wat huizen zien vallen! En gewoonlyk, wanneer ik de oorzaken naging, kwam het me voor, dat die moesten gezocht worden in de verkeerde richting die aan de meesten gegeven was in hun Jeugd. Ik zeg: _waarheid_ en _gezond verstand,_ en hier blyf ik by. Voor de _Schrift_ maak ik natuurlyk een uitzondering. De fout begint al van Van Alphen af, en wel terstond by de eerste regel over die _`lieve wichtjes'._ Wat drommel kon die oude heer bewegen, zich uit te geven voor een aanbidder van myn zusje Truitje die zere ogen had, of van myn bror Gerrit die altyd met zyn neus speelde? En toch, hy zegt: `dat hy die versjes zong, door _liefde_ gedrongen'. Ik dacht dikwyls als kind: `man, ik wilde u graag eens ontmoeten, en als ge de marmer- knikkers weigerde, die ik vragen zou, of myn naam voluit in banket -- ik heet _Batavus_ -- dan houd ik u voor een leugenaar.' Maar ik heb Van Alphen nooit gezien. Hy was al dood, geloof ik, toen hy ons vertelde dat myn vader myn beste vrind was -- ik hield meer van Pauweltje Winser, die naast ons woonde in de Batavierstraat -- en dat myn kleine hond zo dankbaar was. We hielden geen honden, omdat ze zo onzindelyk zyn. Alles leugens! Zo gaat dan de opvoeding voort. Het nieuwe zusje is van de groenvrouw gekomen in een grote kool. Alle Hollanders zyn dapper en edelmoedig. De Romeinen waren bly dat de Batavieren hen lieten leven. De Bey van Tunis kreeg een kolyk als hy het wapperen hoorde van de nederlandse vlag. De hertog van Alva was een ondier. De eb, in 1672 geloof ik, duurde wat langer dan gewoonlyk, expres om Nederland te beschermen. Leugens! Nederland is _Nederland_ gebleven omdat onze oude lu goed op hun zaken pasten, en omdat ze het ware geloof hadden. Dt is de zaak! En dan komen later weer andere leugens. Een meisje is een engel. Wie dit het eerst ontdekte, heeft nooit zusters gehad. Liefde is een zaligheid. Men vlucht met het een of ander voorwerp naar het einde der aarde. De aarde heeft geen einden, en die Liefde is ook gekheid. Niemand kan zeggen dat ik niet goed leef met myn vrouw -- zy is een dochter van Last & C"o", makelaars in koffi -- niemand kan iets op ons huwelyk aanmerken. Ik ben lid van _Artis,_ zy heeft een sjaallong van twee-en-negentig gulden, en van zulk een malle liefde die volstrekt aan het einde der aarde wil wonen, is toch tussen ons nooit spraak geweest. Toen we getrouwd zyn, hebben wy een toertje naar Den Haag gemaakt -- ze heeft daar flanel gekocht, waarvan ik nog borst- rokken draag -- en verder heeft ons de liefde nooit de wereld inge- jaagd. Dus: alles gekheid en leugens! En zou _myn_ huwelyk nu minder gelukkig wezen, dan van de mensen die zich uit liefde de tering op de hals haalden, of de haren uit het hoofd? Of denkt ge dat myn huishouden iets minder wel geregeld is, dan het wezen zou als ik voor zeventien jaar myn meisje in _verzen_ gezegd had dat ik haar trouwen wilde? Gekheid! Ik had dit toch even goed kunnen doen als ieder ander, want verzenmaken is een am- bacht, zeker minder moeielyk dan ivoordraaien. Hoe zouden anders de ulevellen met deviezen zo goedkoop wezen? -- Frits zegt: _`Uhle- feldjes'_ ik weet niet, waarom? -- En vraag eens naar de prys van een stel biljardballen! Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in 't gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. _`De lucht is guur, en 't is vier uur.'_ Dit laat ik gelden, als het werkelyk _guur_ en _vier uur_ is. Maar als 't kwartier voor drien is, kan ik, die myn woorden niet in 't gelid zet, zeggen: _`de lucht is guur, en 't is kwartier voor drien.'_ De verzenmaker is door de _guurheid_ van de eerste regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist _een, twee_ uur, enz.~ wezen, of de lucht mag niet guur zyn. _Zeven_ en _negen_ is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan 't knoeien! Of het wer moet veranderd, f de tyd. En van beide is dan gelogen. En niet alleen die verzen lokken de jeugd tot onwaarheid. Ga eens in de schouwburg, en luister dr wat er voor leugens aan de man worden gebracht. De held van 't stuk wordt uit het water gehaald door iemand die op 't punt staat bankroet te maken. Dan geeft hy hem zyn halve vermogen. Dat kan niet waar zyn. Toen onlangs op de Prinsen- gracht myn hoed te-water woei -- Frits zegt: _waaide_ -- heb ik de man die hem my terugbracht, een dubbeltje gegeven, en hy was tevreden. Ik weet wel dat ik iets meer had moeten geven als hy myzelf er uit gehaald had, maar zeker myn halve vermogen niet. 't Is immers duidelyk dat men op die wys maar tweemaal in 't water hoeft te vallen om doodarm te wezen. Wat het ergste is by zulke vertoningen op het toneel, het publiek gewent zich z aan al die onwaarheden, dat het ze mooi vindt en toejuicht. Ik had wel eens lust zo'n heel parterre in 't water te gooien, om te zien wie dat toejuichen gemeend had. Ik, die van waarheid houd, waarschuw ieder dat ik voor 't opvissen van myn persoon geen zo hoog bergloon betalen wil. Wie met minder niet tevreden is, mag me laten liggen. Alleen zondags zou ik iets meer geven, omdat ik dan myn kantilje ketting draag, en een andere rok. Ja, dat toneel bederft velen, meer nog dan de romans. Het is zo aanschouwelyk! Met wat klatergoud en wat kant van uitgeslagen papier, ziet er dat alles zo aanlokkelyk uit. Voor kinderen, meen ik, en voor mensen die niet in zaken zyn. Zelfs als die toneelmensen armoe- de willen voorstellen, is hun voorstelling altyd leugenachtig. Een meisje wier vader bankroet maakte, werkt om de familie te onder- houden. Heel goed. Daar zit ze dan te naaien, te breien of te borduren. Maar tel nu eens de steken die ze doet gedurende het hele bedryf. Ze praat, ze zucht, ze loopt naar 't venster, maar werken doet ze niet. De familie die van deze arbeid leven kan, heeft weinig nodig. Zo'n meisje is natuurlyk de heldin. Ze heeft enige verleiders de trappen afgewor- pen, ze roept gedurig: `o, myn moeder, o, myn moeder!' en stelt dus de deugd voor. Wat is dat voor een deugd, die een vol jaar nodig heeft voor een paar wollen kousen? Geeft dit alles niet valse denkbeelden van deugd, en _`werken voor de kost'?_ Alles gekheid en leugens! Dan komt haar eerste minnaar -- die vroeger klerk was aan 't kopieboek, maar nu schatryk -- op-eens terug, en trouwt haar. Ook weer leugens. Wie geld heeft, trouwt geen meisje uit een gefailleerd huis. En als ge meent, dat dit op het toneel er dr kan als uitzonde- ring, blyft toch myn aanmerking bestaan, dat men de zin voor waar- heid bederft by het volk, dat de uitzondering als regel aanneemt, en dat men de publieke zedelykheid ondermynt, door het te gewennen iets toe te juichen op het _toneel,_ wat door elk fatsoenlyk makelaar of koopman voor een bespottelyke krankzinnigheid wordt gehouden in de _wereld._ Toen _ik_ trouwde, waren wy op 't kantoor van myn schoon- vader -- Last & C"o" -- met ons dertienen, en er ging wat om! En nog meer leugens op het toneel. Als de held met zyn styve komediestap weggaat om 't verdrukte vaderland te redden, waarom gaat dan de dubbele achterdeur altyd vanzelf open? En verder, hoe kan de persoon die in verzen spreekt, voorzien wat de ander te ant- woorden heeft, om hem 't rym gemakkelyk te maken? Als de veld- heer tot de prinses zegt: _`mevrouw, het is te laat, de poorten zyn gesloten'_ hoe kan hy dan vooruit weten, dat zy zeggen wil: _`welaan dan, onversaagd, men doe het zwaard ontbloten'?_ Want als zy nu eens, horende dat de poort toe was, antwoordde dat ze dan wat wach- ten zou tot er geopend werd, of dat zy een andermaal eens terug zou komen, waar bleef dan maat en rym? Is het dus niet een pure leugen, als de veldheer de prinses vragend aanziet, om te weten wat ze doen wil na 't poortsluiten? Nog eens: als 't mens nu eens lust had gehad te gaan slapen, in plaats van iets te ontbloten? Alles leugens! En dan die beloonde deugd! O, o, o! Ik ben sedert zeventien jaren makelaar in koffi -- Lauriergracht, n"o" 37 -- en heb dus al zo-iets byge- woond, maar het stuit my altyd vreselyk, als ik de goede lieve waar- heid z zie verdraaien. Beloonde deugd? Is 't niet om van de deugd een handelsartikel te maken? Het _is_ zo niet in de wereld, en 't is _goed_ dat het niet zo is. Want waar bleef de verdienste, als de deugd beloond werd? Waartoe dus die infame leugens altyd voorgewend? Daar is by-voorbeeld Lukas, onze pakhuisknecht, die reeds by de vader van Last & C"o" heeft gewerkt -- de firma was toen Last & Meyer, maar de Meyers zyn er lang uit -- dt was dan toch wel een deugdzaam man. Geen boon kwam er ooit te kort, hy ging stipt naar de kerk, en drinken deed hy niet. Als myn schoonvader te Driebergen was, be- waarde hy het huis, en de kas, en alles. Eens heeft hy aan de Bank zeventien gulden te veel ontvangen, en, hy bracht ze terug. Hy is nu oud en jichtig, en kan ons niet meer dienen. Nu heeft hy niets, want er gaat veel by ons om, en we hebben jong volk nodig. Welnu, ik houd die Lukas voor zeer deugdzaam, maar wordt hy nu beloond? Komt er een prins die hem diamanten geeft, of een fee die hem boterhammen smeert? Waarachtig niet! Hy is arm, en blyft arm, en dit moet ook zo wezen. _Ik_ kan hem niet helpen -- want we hebben jong volk nodig, omdat er zoveel by ons omgaat -- maar al _kon_ ik, waar bleef zyn verdienste, als hy nu op zyn oude dag een gemakkelyk leven leiden kon? Dan zouden alle pakhuisknechts wel deugdzaam worden, en iedereen, hetgeen Gods bedoeling niet wezen kan, omdat er dan geen byzondere beloning voor de braven overbleef hier-namaals. Maar op een toneel verdraaien ze dat... alles leugens! _Ik_ ben ook deugdzaam, maar vraag ik hiervoor beloning? Als myn zaken goed gaan -- en dit doen ze -- als myn vrouw en kinderen gezond zyn, zodat ik geen gemaal heb met dokter en apteker... als ik jaar-in jaar-uit een sommetje kan ter-zy leggen voor de oude dag... als Frits knap opgroeit, om later in myn plaats te komen als ik naar Driebergen ga... zie, dan ben ik heel tevreden. Maar dit alles is een natuurlyk gevolg van de omstandigheden, en omdat ik op de zaken pas. Voor myn deugd eis ik niets. En dat ik toch deugdzaam bn, blykt uit myn liefde voor de waar- held. Deze is, na myn gehechtheid aan het geloof, myn hoofdneiging En ik wenste dat ge hiervan overtuigd waart, lezer, omdat het de verontschuldiging is voor 't schryven van dit boek. Een tweede neiging, die my even sterk als waarheidsliefde be- heerst, is de hartstocht voor myn vak. Ik ben namelyk makelaar in koffi, Lauriergracht n"o" 37. Welnu, lezer, aan myn onkreukbare liefde voor de waarheid, en aan myn yver voor de zaken, hebt gy te danken dat deze bladen geschreven zyn. Ik zal u vertellen hoe dit is toege- gaan. Daar ik nu voor 't ogenblik afscheid van u neem -- ik moet naar de beurs -- nodig ik u straks op een tweede hoofdstuk. Tot weerziens dus! Eilieve, steek het by u... 't is een kleine moeite... het kan te-pas komen... ei zie, daar is het: een adreskaartje! Die C"o" ben ik, sedert de _Meyers_ er uit zyn... de oude Last is myn schoonvader. LAST & C"o" =makelaars in koffi= Lauriergracht, n"o" 37 Tweede hoofdstuk Het was slap op de beurs, maar de voorjaarsveiling zal 't wel goed maken. Denk niet dat er niets by ons omgaat. By Busselinck & Wa- terman is 't nog slapper. Een vreemde wereld! Men woont zo iets by, als men zo'n twintig jaren de beurs bezoekt. Verbeeld u dat ze daar getracht hebben -- Busselinck & Waterman, meen ik -- my Ludwig Stern af te nemen. Daar ik niet weet of gy aan de beurs bekend zyt, wil ik u even zeggen dat Stern een eerst huis is in koffi te Hamburg, dat altyd door Last & C"o" is bediend geworden. Heel toevallig kwam ik daar achter... ik meen achter de knoeiery van Busselinck & Water- man. Zy zouden een kwart procent van de courtage laten vallen -- onderkruipers zyn het, anders niet! -- en zie nu eens wat ik gedaan heb om die slag af te weren. Een ander in myn plaats had misschien aan Ludwig Stern geschreven dat hy ook wat zou laten vallen, dat hy hoopte op konsideratie om de langdurige diensten van Last & C"o"... Ik heb uitgerekend dat de firma, sedert ruim vyftig jaren, vier ton aan Stern verdiend heeft. Die konnexie dateert van 't kontinentaal stel- sel, toen wy de koloniale waren insmokkelden van Helgoland. Ja, wie weet wat 'n ander al zo zou geschreven hebben. Maar neen, onder- kruipen doe ik niet. Ik ben naar _Polen_ gegaan (2) liet me pen en papier geven, en schreef: _Dat de grote uitbreiding die onze zaken de laatste tyd genomen hadden, vooral door de vele geerde orders uit Noord-Duitsland..._ 't Is de zuivere waarheid! _... dat die uitbreiding enige vermeerdering van ons personeel noodzakelyk maakte._ 't Is de waarheid! Gister-avend nog was de boekhouder na elven op 't kantoor, om zyn bril te zoeken. _Dat vooral zich de behoefte deed gevoelen aan fatsoenlyke, welop- gevoede jongelieden, voor de korrespondentie in het duits. Dat wel- is-waar veel duitse jongelingen, in Amsterdam aanwezig, hiertoe de vereiste bekwaamheden bezaten, maar dat een huis dat zich respek- teert..._ 't Is de zuivere waarheid! _... by de toenemende ligtzinnigheid en onzedelykheid onder de jeugd, by het dagelyks aangroeien van het getal fortuinzoekers, en met het oog op de noodzakelykheid om soliditeit van gedrag, hand- aan-hand te doen gaan met soliditeit in de uitvoering van de gegeven orders..._ 't Is, waarachtig, alles de zuivere waarheid! _... dat zulk een huis_ -- ik bedoel Last & C"o", makelaars in koffi Lauriergracht n"o" 37 -- _niet omzichtig genoeg wezen kon met het engageren van sujetten._ Dit alles is de zuivere waarheid, lezer! Weet ge wel, dat de jonge Duitser, die op de beurs by pilaar 17 stond, weggelopen is met de dochter van Busselinck & Waterman? Onze Marie wordt ook al dertien in september. _... dat ik de eer had gehad van de heer Saffeler te vernemen_ -- Saffeler reist voor Stern -- _dat de geachte chef der firma, de heer Ludwig Stern, een zoon had, de heer Ernest Stern, die ter volmaking zyner kommercile kennis, enige tyd in een hollands huis wenste gemploieerd te zyn. Dat ik met het oog op..._ Hier herhaalde ik weer al die onzedelykheid, en vertelde de ge- schiedenis der dochter van Busselinck & Waterman. Niet om iemand zwart te maken... neen, bekladden ligt nu juist helemaal niet in myn manier! Maar... het kan nooit kwaad dat ze 't weten, dunkt me. _... dat ik met het oog drop, niets liever wenste dan de heer Ernest Stern belast te zien met de duitse korrespondentie van ons huis._ Uit kiesheid vermeed ik alle toespeling op honorarium of salaris. Maar ik voegde er by: _Dat, indien de heer Ernest Stern het verblyf ten onzen huize_ -- Lauriergracht n"o" 37 -- _wilde voor lief nemen, myn vrouw zich bereid verklaarde als een moeder voor hem te zorgen, en dat zyn linnen- goed in huis zou versteld worden._ Dit is de zuivere waarheid, want Marie stopt en maast heel lief. En ten-slotte: _Dat by ons de Heer gediend werd._ (3) Die kan hy in zyn zak steken, want de Sterns zyn Luthers. En ik verzond myn brief. Ge begrypt dat de oude Stern niet goedschiks by Busselinck & Waterman kan overgaan, als de jonge by ons aan 't kantoor is. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord. Om nu terug te komen op myn boek. Voor enige tyd kom ik 's avends door de Kalverstraat, en bleef staan kyken naar de winkel van een kruienier, die zich bezighield met het sorteren van een party- tje _Java, ordinair, mooi-geel, Cheribonaard, iets gebroken, met veegsel,_ dat me zeer interesseerde, want ik let altyd op alles. Daar viel my op-eenmaal een heer in 't oog, die daarnaast voor een boekwinkel stond en me bekend voorkwam. Hy scheen ook my te herkennen want onze blikken ontmoetten elkander gedurig. Ik moet betuigen dat ik te verdiept was in 't veegsel, om terstond op te merken, wat ik namelyk later zag, dat hy vry kaal in de kleren stak. Anders had ik de zaak daarby gelaten. Maar op-eens schoot my de gedachte in, dat hy misschien reiziger was van een duits huis, die een soliede makelaar zocht. Hy had dan ook wel iets van een Duitser, en van een reiziger ook. Hy was zeer blond, had blauwe ogen, en in houding en kleding iets dat de vreemdeling verraadde. In-plaats van een behoorlyke winterjas, hing hem een soort van sjaal over de schouder -- Frits zegt _`shawl'_ maar dit doe ik niet -- alsof hy zo van de reis kwam. Ik meende een klant te zien, en gaf hem een adreskaartje: _Last & C"o", makelaars in koffi, Lauriergracht n"o" 37._ Hy hield het by de gasvlam, en zeide: `ik dank u, maar ik heb me vergist. Ik dacht het genoegen te hebben een oude schoolkameraad voor me te zien, maar... _Last?_ Dit is de naam niet.' `Pardon,' zei ik -- want ik ben altyd beleefd -- `ik ben m'nheer Droogstoppel, Batavus Droogstoppel. _Last en C"o"_ is de firma, make- laars in koffi, Lauriergr...' `Wel, Droogstoppel, kent ge my niet meer? Zie my eens goed aan.' Hoe meer ik hem aanzag, hoe meer ik my herinnerde hem meer gezien te hebben. Maar, zonderling, zyn gelaat deed my de uitwer- king alsof ik vreemde parfumerien rook. Lach hier niet om, lezer, straks zult ge zien hoe dit kwam. Ik ben verzekerd dat hy geen drup reukwerk by zich droeg, en toch rook ik iets aangenaams, iets sterks, iets wat me herinnerde aan... daar had ik het! `Zyt _gy_ het,' riep ik, `die my van de Griek hebt verlost?' `Wel zeker,' zeide hy, `dat was _ik._ En hoe gaat het _U?'_ Ik vertelde dat we met ons dertienen op 't kantoor waren, en dat er zoveel by ons omging. En toen vroeg ik hoe het hm ging, wat me later speet, want hy scheen niet in goede omstandigheden te verke- ren, en ik houd niet van arme mensen, omdat er gewoonlyk eigen schuld onder loopt, daar de Heer niet iemand verlaten zou, die hem trouw gediend had. Had ik eenvoudig gezegd, `we zyn met ons dertie- nen, en... goeie avend verder!' dan was ik van hem af geweest. Maar door dat vragen en antwoorden werd het hoe langer hoe moeielyker -- Frits zegt: _hoe langs_ zo moeielyker maar dit doe ik niet -- _hoe_ moeie- lyker dus, om van hem verlost te worden. Aan de andere kant moet ik ook weer erkennen dat ge dan dit boek niet hadt te lezen gekregen, want het is een gevolg van die ontmoeting. Ik houd er van, het goede op te merken, en wie dit niet doen, zyn ontevreden mensen, die ik niet lyden kan. Ja, ja, hy was het, die my uit de handen van de Griek had verlost! Denk nu niet dat ik ooit door zeerovers ben genomen geweest, of dat ik twist heb gehad in de Levant. Ik heb u reeds gezegd dat ik na myn trouwen, met myn vrouw naar Den Haag ben gegaan. Daar hebben wy het Mauritshuis gezien, en flanel gekocht in de Veenestraat. Dit is het enige uitstapje dat de zaken my ooit hebben veroorloofd, omdat er zoveel by ons omgaat. Neen, in Amsterdam zelf had hy om- mynentwil een Griek de neus aan 't bloeden geslagen. Want hy bemoeide zich altyd met dingen die hem niet aangingen. Het was in drie of vier en dertig, geloof ik, en in september, want er was kermis te Amsterdam. Daar myn oude lu van voornemen waren een predikant van my te maken, leerde ik latyn. Later heb ik myzelf dikwyls afgevraagd, waarom men latyn moet verstaan, om in 't hollands te zeggen: `God is goed'? Genoeg, ik was op de latynse school -- nu zeggen ze _gymnasium_ -- en daar was kermis... in Amster- dam, meen ik. Op de Westermarkt stonden kramen, en als ge een Amsterdammer zyt, lezer, en nagenoeg van myn leeftyd, zult ge u herinneren hoe daaronder n was, die uitmuntte door de zwarte ogen en de lange vlechten van een meisje, dat als een Griekin gekleed was. Ook haar vader was een Griek, of althans hy zag er uit als een Griek. Ze verkochten allerlei reukgoed. Ik was juist oud genoeg om het meisje mooi te vinden, zonder evenwel de moed te hebben haar aan te spreken. Dit zou my ook weinig gebaat hebben, want meisjes van achttien jaren beschouwen een jongen van zestien, als een kind. En hierin hebben ze groot gelyk. Toch kwamen wy, jongens van _quarta,_ altyd 's avends op de Wester- markt om dat meisje te zien. Nu was hy die daar voor me stond met zyn sjaal, eens daarby, schoon hy een paar jaren jonger was dan de anderen, en dus nog te kinderachtig om naar de Griekin te kyken. Maar hy was de _primus_ van onze klasse -- want knap was hy, dit moet ik erkennen -- en hy hield veel van spelen, stoeien en vechten. Drom was hy by ons. Terwyl we dus -- we waren wel met ons tienen -- vry ver van de kraam af, naar die Griekin stonden te kyken, en beraadslaagden hoe wy 't moesten aanleggen om kennis met haar te maken, werd er besloten geld by-een te leggen om iets in die kraam te kopen. Maar toen was de goede raad duur, om te weten wie de stoute schoenen zou aantrekken om het meisje aan te spreken. Ieder wilde, maar niemand durfde. Er werd geloot, en het lot viel op my. Nu erken ik, dat ik niet gaarne gevaren trotseer. Ik ben man en vader, en houd ieder die het gevaar zoekt, voor een gek, wat ook in de Schrift staat. Het is my inderdaad aangenaam op te merken hoe ik my in myn denkbeelden over gevaar en zulke dingen, gelyk ben gebleven, daar ik thans over zo-iets nog juist dezelfde mening koester, als die avend toen ik daar by de kraam van de Griek stond, met de twaalf stuivers die we saamgelegd hadden in de hand. Maar zie, uit valse schaamte durfde ik niet zeggen dat ik niet durfde, en bovendien, ik moest wel vooruit, want myn makkers drongen me, en weldra stond ik voor de kraam. Het meisje zag ik niet: ik zag niets! Alles werd me groen en geel voor de ogen. Ik stamelde een _aoristus primus_ van ik weet niet welk werkwoord... _`Plat-il?'_ zeide zy. Ik herstelde my enigszins, en ging voort: _`Meenin aeide thea,'_ en ... dat Egypte een geschenk van de Nyl was. Ik ben overtuigd dat ik in de kennismaking zou geslaagd zyn, indien niet op dat ogenblik een myner makkers uit kinderachtige baldadigheid my een zo harde stoot in de rug had gegeven, dat ik heel onzacht tegen de uitstalkast aanvloog, die op halve manshoogte de voorzy van de kraam afsloot. Ik voelde een greep in myn nek... een tweede greep veel lager... ik zweefde een ogenblik... en voor ik recht begreep hoe de zaken stonden, was ik in de kraam van de Griek, die in verstaanbaar frans zei dat ik een _gamin_ was, en dat hy de policie roepen zou. Nu was ik wel dicht by het meisje, maar genoegen deed het me niet. Ik schreide, en bad om genade, want ik zat vreselyk in angst. Maar het baatte niet. De Griek hield me by de arm, en schopte my. Ik zocht naar myn makkers -- we hadden juist die morgen veel over Scaevola te doen gehad, die zyn hand in 't vuur stak, en in hun latynse opstellen hadden ze dit zo heel mooi gevonden -- jawel! Nie- mand was daar gebleven om voor _my_ een hand in 't vuur te steken... Zo meende ik. Maar zie, daar vloog op-eens myn Sjaalman door de achterdeur de kraam in. Hy was niet groot of sterk, en pas een jaar of dertien oud, maar hy was een vlug en dapper mannetje. Nog zie 'k zyn ogen flikkeren -- anders zagen ze flauw -- hy gaf de Griek een vuistslag, en ik was gered. Later heb ik gehoord dat de Griek hem duchtig geslagen heeft, maar omdat ik een vast principe heb, me nooit te bemoeien met dingen die me niet aangaan, ben ik terstond wegge- lopen. Ik heb het dus niet gezien. Ziedaar de reden waarom zyn trekken me zo aan reukwerk herin- neren, en hoe men in Amsterdam twist kan krygen met een Griek. Als op latere kermissen die man weer met zyn kraam op de Wester- markt stond, ging ik my altyd elders vermaken. Daar ik veel van wysgerige opmerkingen houd, moet ik u toch even zeggen, lezer, hoe wonderbaar de zaken dezer wereld aan elkander hangen. Als de ogen van dat meisje minder zwart waren geweest, als ze korter vlechten had gehad, of als men my niet tegen die winkelkast had aangeworpen, zoudt ge nu dit boek niet lezen. Wees dus dank- baar dat dit zo gebeurd is. Geloof me, alles in de wereld is goed, z als het is, en ontevreden mensen die altyd klagen, zyn myn vrienden niet. Daar hebt ge Busselinck & Waterman... maar ik moet voort- gaan, want myn boek moet af voor de voorjaarsveiling. Ronduit gezegd -- want ik houd van de waarheid -- was my het weerzien van die persoon niet aangenaam. Ik bemerkte terstond dat het geen soliede konnexie was. Hy zag zeer bleek, en toen ik hem vroeg hoe laat het was, wist hy 't niet. Dit zyn dingen, waar een mens op let, die zo'n twintig jaar de beurs bezocht heeft, en zoveel heeft bygewoond. Ik heb al wat huizen zien vallen! Ik meende dat hy rechts zou gaan, en zei dat ik links moest. Doch zie, hy ging ook links, en ik kon dus niet vermyden in gesprek te treden. Maar ik bedacht gedurig dat hy niet wist hoe laat het was, en bespeurde bovendien dat zyn jasje tot aan de kin was dichtgeknoopt -- dat een zeer slecht merk is -- zodat ik de toon van ons onderhoud wat flauw blyven liet. Hy verhaalde my dat hy in Indi was geweest, dat hy getrouwd was, dat hy kinderen had. Ik had daar niets tegen, maar vond er niets belangryks in. By de Kapelsteeg -- ik ga anders nooit door die steeg, omdat het voor een fatsoenlyk man niet staat, vind ik -- maar ditmaal wilde ik by de Kapelsteeg rechts-af-slaan. Ik wachtte tot wy dat straatje byna voorby waren, om goed te doen blyken dat zyn weg rechtuit leidde, en toen zei ik zeer beleefd... want beleefd ben ik altyd, men kan nooit weten hoe men later iemand nodig heeft: `Het was me byzonder aangnaam u weer te zien, m'n-heer_...r...r!_ En... n... n... ik rekommandeer me! Ik moet hierin.' Toen keek hy me heel gek aan, en zuchtte, en vatte opeens een knoop van myn jas... `Beste Droogstoppel,' zeide hy, `ik heb u iets te vragen.' Er ging my een rilling door de leden. Hy wist niet hoe laat het was, en wilde my iets vragen! Natuurlyk antwoordde ik dat ik geen tyd had, en naar de beurs moest, schoon het avend was. Maar als men zo'n twintig jaren de beurs heeft bezocht... en iemand wil u iets vragen, zonder te weten hoe laat het is... Ik maakte myn knoop los, groette heel beleefd -- want beleefd ben ik altyd -- en ging de Kapelsteeg in, wat ik anders nooit doe, omdat het niet fatsoenlyk is, en fatsoen gaat my boven alles. Ik hoop dat nie- mand het gezien heeft. Derde hoofdstuk Toen ik een dag daarna van de beurs kwam, zei Frits dat er iemand geweest was om my te spreken. Naar de beschryving was het de Sjaalman. Hoe hy me gevonden had... nu ja, 't adreskaartje! Ik dacht er over, myn kinderen van school te nemen, want het is lastig, nog twintig, dertig jaren later te worden nagezeten door een schoolkame- raad die een sjaal draagt in plaats van een jas, en die niet weet hoe laat het is. Ook heb ik Frits verboden naar de Westermarkt te gaan, als er kramen staan. De volgende dag ontving ik een brief met een groot pak. Ik zal u de brief laten lezen: _Waarde Droogstoppel!_ Ik vind dat hy wel had kunnen zeggen: _Weledele Heer Droogstop- pel,_ omdat ik makelaar ben. _Ik ben gisteren ten-uwent geweest met het doel u een verzoek te doen. Ik geloof dat gy in goede omstandigheden verkeert..._ Dit is waar: we zyn met ons dertienen op 't kantoor. _... en ik wenste gebruik te maken van uw krediet, om een zaak tot- stand te brengen, die voor my van groot gewicht is._ Zou men niet denken dat het om een order op de voorjaarsveiling te doen was? _Door velerlei omstandigheden ben ik op 't ogenblik enigszins om geld verlegen._ Enigszins! Hy had geen hemd aan. Dat noemt hy _enigszins! Ik kan myn lieve vrouw niet alles geven wat tot veraangenaming des levens nodig is, en ook de opvoeding myner kinderen is, uit een geldelyk oogpunt, niet zoals ik wensen zou._ Veraangenaming des levens? Opvoeding van de kinderen? Meent ge dat hy voor zyn vrouw een loge in de Opera huren wilde, en zyn kinderen op een instituut doen te Genve? 't Was najaar, en vry koud... welnu, hy woonde op een vliering, zonder vuur. Toen ik die brief ontving, wist ik dit niet, maar later ben ik by hem geweest, en thans nog ben ik verstoord over de zotte toon van zyn geschryf. Wat drommel, wie arm is, kan zeggen dat hy arm is! Armen moeten er zyn, dit is nodig in de maatschappy, en 't is Gods wil. Als hy maar geen aalmoes vraagt, en niemand lastig valt, heb ik er volstrekt niet tegen dat hy arm is, maar die opsiering van de zaak komt niet te-pas. Luister verder: _Daar op my de verplichting rust, in de behoeften der mynen te voorzien, heb ik besloten een talent aan te wenden, dat, naar ik geloof, my gegeven is. Ik ben dichter._ Poeh! Ge weet, lezer, hoe ik en alle verstandige mensen daarover denken. _... en schryver. Sedert myn kindsheid drukte ik myn aandoenin- gen in verzen uit, en ook later schreef ik dagelyks neder wat er omging in myn ziel. Ik geloof dat er onder dat alles enige opstellen zyn, die waarde hebben, en ik zoek daarvoor een uitgever. Maar dit is juist het moeielyke. Het publiek kent my niet, en de uitgevers beoor- delen de werken meer naar de gevestigde naam van de schryver, dan naar de inhoud._ Juist zoals wy de koffi naar de renommee van de merken. Wel zeker! Hoe anders? _Als ik dus mag aannemen dat myn werk niet geheel zonder ver- dienste is, zou dat toch eerst na de uitgave blyken, en de boekhande- laars vragen de betaling van drukloon, enz.~ vooruit..._ Daar hebben ze groot gelyk in. _... wat my op dit ogenblik niet gelegen komt. Daar ik evenwel overtuigd ben dat myn arbeid de kosten dekken zou, en gerust daar- op myn woord durf verpanden, ben ik, aangemoedigd door onze ontmoeting van voorgisteren..._ Dat noemt hy aanmoedigen! _... tot het besluit gekomen u te vragen of ge voor my by een boekhandelaar zoudt willen borg-staan voor de kosten ener eerste uitgave, al ware het slechts van een klein boekdeeltje. Ik laat de keus van die eerste proeve geheel aan u over. In het pak dat hiernevens gaat, zult ge vele handschriften vinden, en daaruit zien dat ik veel gedacht, gewerkt en bygewoond heb..._ Ik heb nooit gehoord dat hy zaken deed. _... en als de gaaf van wl zeggen me niet geheel-en-al ontbreekt, is het gewis niet door gebrek aan_ indrukken, _dat ik niet slagen zou. In afwachting van een vriendelyk antwoord, noem ik my uw oude schoolmakker..._ En zyn naam stond er onder. Maar die verzwyg ik, omdat ik er niet van houd, iemand in opspraak te brengen. Waarde lezer, ge begrypt hoe gek ik stond te kyken, toen men my daar zo op-eens wilde verheffen tot makelaar in verzen. Ik ben zeker dat die Sjaalman -- zo zal ik hem maar blyven noemen -- als de man me by-dag had gezien, zich met zulk een verzoek niet tot my zou gewend hebben. Want deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen. Maar 't was avend, en ik trek het me dus niet aan. Het spreekt vanzelf dat ik van die gekheid niets weten wilde. Ik zou het pak door Frits hebben laten terugbrengen, maar ik wist zyn adres niet, en hy liet niets van zich horen. Ik dacht tat hy ziek was, of dood, of zo-iets. De vorige week was er krans by de Rosemeyers, die in suiker doen. Frits was voor het eerst meegegaan. Hy is zestien jaar, en ik vind het goed dat een jong mens in de wereld komt. Anders loopt hy naar de Westermarkt of zulke dingen. De meisjes hadden piano gespeeld en gezongen, en by 't dessert plaagden ze elkaar met iets dat in de voorkamer scheen gebeurd te zyn, terwyl wy achter aan 't _gents whisten_ waren, iets waarin Frits betrokken scheen. `Ja, ja, Louise,' riep Betsy Rosemeyer, `geschreid heb je! Papa, Frits heeft Louise aan 't schreien gemaakt.' Myn vrouw zei hierop dat Frits dan voortaan niet meer mee zou naar de krans. Ze dacht dat hy Louise geknepen had, of zo-iets wat niet te-pas komt, en ook ik maakte my gereed er een hartig woordje by te voegen, toen Louise riep: `Neen, neen, Frits is heel lief geweest! Ik wou dat hy 't nog-eens deed!' Wt dn? Hy had haar niet geknepen, hy had gereciteerd, daar hebt ge 't. Natuurlyk ziet de vrouw van 't huis gaarne dat er aan het dessert een aardigheidje plaats heeft. Dat vult. Mevrouw Rosemeyer -- de Rosemeyers laten zich _mevrouw_ noemen, omdat ze in suiker doen, en aandeel in een schip hebben -- mevrouw Rosemeyer begreep dat wat Louise aan 't schreien had gemaakt, ook ns vermaken zou, en vroeg een dacapo aan Frits, die zo rood zag als een kalkoen. Ik begreep om de wereld niet, wt hy dan toch opgesneden had, want ik kende zyn repertoire op een haar. Dat was: _de godenbruiloft, de boeken van het Oude-Testament op rym,_ en een epizode uit de _bruiloft van Kamacho,_ dat de jongens altyd zo aardig vinden, omdat er iets van een `brillekiek' in komt. Wat er onder dit alles wezen kon dat tranen uitlokte, was my een raadsel. 't Is waar, zo'n meisje schreit gauw. `Toe, Frits! Och ja, Frits! Kom, Frits!' Zo ging het, en Frits begon. Daar ik niet houd van dat bestudeerd spannen van des lezers nieuws- gierigheid, zal ik maar terstond zeggen dat ze te-huis het pak van Sjaalman hadden opengemaakt, en daaruit hadden Frits en Marie een neuswysheid en een sentimentaliteit geput, die me later veel last in huis gehaald hebben. Toch moet ik erkennen, lezer, dat dit boek ook uit dat pak komt, en ik zal me naderhand hierop behoorlyk verant- woorden, want ik hecht er aan, dat men my beschouwe als iemand die de waarheid lief heeft, en die goed voor zyn zaken is. Onze firma is _Last & C"o", Makelaars in Koffi, Lauriergracht, n"o" 37._ Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aan-n hing. Neen 't hing niet aan-een. Een jong mens schreef aan zyn moeder, dat hy verliefd was geweest, en dat zyn meisje met een ander getrouwd was -- waarin ze groot gelyk had, vind ik -- dat hy echter, in weerwil hiervan, altyd veel van zyn moeder hield. Zyn deze laatste drie regels duidelyk of niet? Vindt ge dat er veel omslag nodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling. Maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was. Toen vertelde Frits die, geloof ik, meende dat hy een groot stuk had uitgevoerd, dat hy 't ding in dat pak had gevonden van de man die een sjaal droeg, en ik legde aan de heren uit, hoe dat in myn huis kwam. Maar van de Griekin sprak ik niet, omdat Frits er by was, en ook zeide ik niets van de Kapelsteeg. Ieder vond dat ik heel goed had gehandeld, me van die man af te helpen. Straks zult ge zien dat er ook andere dingen in dat pak waren van meer soliede aard, en daarvan komt een-en-ander in dit boek, omdat de _Koffiveilingen van de Handelmaatschappy_ er mee in verband staan. Want ik leef voor myn vak. Later vroeg my de uitgever of ik hier niet byvoegen wilde, wat Frits gereciteerd had. Ik wil 't wel doen, mits men wete dat ik me niet ophoud met zulke dingen. (4) Alles leugens en gekheid! Ik houd myn aanmerkingen terug, anders wordt myn boek te dik. Ik wil hier alleen byzeggen, dat die vertelling zo omstreeks 1843 in de buurt van Pa- dang geschreven is, en dat dit een inferieur merk is. De koffi, meen ik. Moeder, 'k ben wel ver van 't land Waar me 't leven werd geschonken, Waar myn eerste tranen blonken, Waar ik opwies aan uw hand... Waar uw moedertrouw der ziel Van de knaap haar zorgen wydde, En hem liefdryk stond ter-zyde, En hem ophief als hy viel... Schynbaar scheurde 't lot de banden Die ons bonden, wreed van-een... 'k Sta hier wel aan vreemde stranden Met myzelf en God, alleen... Maar toch, moeder, wat me griefde, Wat me vreugd gaf of verdriet, Moeder, twyfel aan de liefde Aan het hart uws zoons toch niet! 't Is nog nauwlyks twee paar jaren Toen ik 't laatst op gindse grond Zwygend aan de oever stond Om de toekomst in te staren... Toen ik 't schone tot my riep Dat ik van de toekomst wachtte, En het heden stout verachtte, En my paradyzen schiep... Toen, door alle stoornis heen Die zich opdeed voor myn schren, 't Hart zich koen een uitweg baande, En zich dromend zalig waande... Maar die tyd, sints 't laatst vaarwel Hoe gezwind ook ons onttogen, Onbevatbaar bliksemsnel, Als een schim voorbygevlogen... O, hy liet in 't voorwaarts gaan, Diepe, diepe sporen staan! 'k Proefde vreugde en smart met-n, 't Heb gedacht en 'k heb gestreden, 'k Heb gejuicht en 'k heb gebeden: 't Is me als vlogen eeuwen heen! 'k Heb naar levensheil gestreefd, 'k Heb gevonden en verloren, En, een kind nog kort te-voren, Jaren in n uur doorleefd! Maar toch, moeder! wil 't geloven, By de Hemel die my ziet, Moeder! wil het toch geloven, Neen, uw kind vergat u niet! 'k Minde een meisje. Heel myn leven Scheen my door die liefde schoon. 'k Zag in haar een erekroon, Als een eindloon van myn streven, My door God ten doel gegeven. Zalig door de reine schat Die Zyn zorg my toegewogen, Die Zyn gunst geschonken had, Dankte ik met een traan in de ogen. Liefde was met godsdienst n... En 't gemoed dat opgetogen, Dankend opsteeg tot de Hogen, Dankte en bad voor haar alleen! Zorgen baarde my die liefde Onrust kwelde my het hart En ondraaglyk was de smart Die my 't week gemoed doorgriefde. 'k Heb slechts angst en leed gegaard, Waar ik 't hoogst genot verwachtte, En voor 't heil waarnaar ik trachtte Was me gif en wee bewaard... 'k Vond genot in 't lydend zwygen! 'k Stond standvastig hopend daar Onspoed deed de prys my stygen: 'k Droeg en leed zo graag voor haar! 'k Telde ramp noch onspoedsslagen Vreugde schiep ik in verdriet Alles, alles wilde ik dragen... Roofde 't lot my haar slechts niet! En dt beeld, _my_ 't schoonste op aarde, Dat ik omdroeg in 't gemoed Als een onwaardeerbaar goed, En zo trouw in 't hart bewaarde... _Vreemd_ was 't eenmaal aan myn zinnen! En al houdt die liefde stand Tot de laatste snik van 't leven Me in een beter vaderland Eind'lyk haar zal wedergeven... 'k Had _begonnen_ haar te minnen! Wat is min die eens _begon_ By de liefde _mt_ het leven 't Kind door God in 't hart gedreven Toen het nog niet staam'len kon? Toen het aan de moederborst Nauw de moederschoot onttogen 't Eerste vocht vond voor de dorst, 't Eerste licht in moederogen? Neen, geen band die vaster bindt, Vaster harten houdt omsloten, Dan de band, door God gesloten Tussen 't moederhart en 't kind! En een hart, dat z zich hechtte Aan het schoon dat even blonk, Dat me niets dan doornen schonk, En geen enkel bloempje vlechtte... Zou datzelfde hart de trouw Van het moederhart vergeten? En de liefde van de vrouw Die myn eerste kinderkreten Opving in 't bezorgd gemoed? Die my, als ik weende, suste, Traantjes van de wangen kuste, Die my voedde met haar bloed? Moeder! wil het niet geloven, By de hemel die my ziet, Moeder! wil het niet geloven, Neen, uw kind vergat u niet! 'k Ben hier vr van wat het leven Ginds ons zoets en schoons kan geven, En 't genot van de eerste jeugd, Vaak geroemd en hoog geprezen, Kan wel hier myn deel niet wezen: 't Eenzaam harte kent geen vreugd. Steil en doornig zyn myn paden, Onspoed drukt me diep ter-neer, En de last my opgeladen Knelt me, en doet het hart me zeer... Laat het slechts myn tranen tuigen, Als zo menig moed'loos uur Me in de boezem der Natuur, 't Hoofd zo treurig neer doet buigen... Vaak, als my de moed ontzonk, Is de zucht me schier ontvloden: `Vader! schenk me by de doden, Wat het leven my niet schonk! Vader! geef me aan gene zyde Als de mond des doods my kust, Vader! geef me aan gene zyde Wat ik hier niet smaakte... _Rust!'_ Maar, bestervend op myn lippen, Steeg de be niet tot de Heer... 'k Boog met bei myn knien neer 'k Voelde wel een zucht me ontglippen, Maar het was: _`nog niet, o Heer! Geef my eerst myn moeder weer!'_ Vierde hoofdstuk Voor ik verder ga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het is een aardig ventje. Hy schynt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat hy _schwrmt._ Marie is dertien jaar. Zyn uitzet is heel netjes. Ik heb hem aan 't kopyboek gezet, om zich te oefenen in de hollandse styl. Ik ben benieuwd of er spoedig orders van Ludwig Stern zullen komen. Marie zal een paar pantoffels voor hem borduren... voor de jonge Stern, meen ik. Busselinck & Waterman hebben achter 't net gevist. Een fatsoenlyk makelaar onderkruipt niet, dat zeg _ik!_ De dag na dat kransje by de Rosemeyers, die in suiker doen, riep ik Frits, en gelastte hem my dat pak van Sjaalman te brengen. Ge moet weten, lezer, dat ik in myn gezin zeer stipt ben op godsdienst en zedelykheid. Welnu, de vorige avend, juist toen ik myn eerste peer had geschild, las ik op het gelaat van een der meisjes, dat er iets in dat vers voorkwam, dat niet pluis was. Ikzelf had niet naar 't ding geluis- terd, maar ik had bemerkt dat Betsy haar broodje verkruimelde, en dit was my genoeg. Ge zult inzien, lezer, met iemand te doen te hebben, die weet wat er in de wereld omgaat. Ik liet me dus door Frits dat fraaie stuk van de laatste avend voorleggen, en ik vond heel spoedig de regel die Betsy's broodje verkruimeld had. Er wordt daar gesproken van een kind dat aan de borst van de moeder ligt -- dit kan er dr -- maar: `dat ter-nauwer-nood aan de moederlyke schoot ontto- gen is' zie, dit vond ik niet goed -- om daar over te _spreken,_ meen ik -- en myn vrouw ook niet. Marie is dertien jaar. Van _kool_ of _ooievaars_ wordt by ons aan huis niet gesproken, ook niet van de _Volewyk,_ maar zo de zaken by de naam te noemen, vind ik onbehoorlyk, omdat ik zo op zedelykheid gesteld ben. Ik deed Frits, die dat ding nu eenmaal `uitwendig wist', zoals Stern dit noemt, beloven dat hy 't nooit weer opzeggen zou -- althans niet voor hy lid van _Doctrina_ wezen zal, omdat daar geen jonge meisjes komen -- en toen borg ik het in myn lessenaar, het vers meen ik. Maar ik moest weten of er niet meer in dat pak was, dat aanstoot geven kon. Daar ging ik aan 't zoeken en bladeren. Alles lezen kon ik niet, want ik vond er talen in, die ik met verstond, maar zie, daar viel myn oog op een bundel: _`Verslag over de Koffikultuur in de Residentie Menado'._ Myn hart sprong op, omdat ik makelaar in koffi ben -- _Laurier- gracht, n"o" 37_ -- en _Menado_ is een goed merk. Dus die Sjaalman, die zulke onzedelyke verzen maakte, had ook in koffi gewerkt. Ik zag nu 't pak met een heel ander oog aan, en vond er stukken in, die ik wel niet alle begreep, maar die werkelyk kennis van zaken aantoonden. Er waren staten, opgaven, berekeningen met cyfers, waaraan geen rym te bekennen was, en alles was met zulk een zorg en nauwkeurig- held bewerkt, dat ik, ronduit gezegd -- want ik houd van de waarheid -- op het denkbeeld kwam dat die Sjaalman, als de derde klerk eens uitviel -- wat gebeuren kan, daar hy oud en stuntelig wordt -- heel goed diens plaats zou kunnen innemen. Het spreekt vanzelf dat ik eerst informatie nemen zou naar eerlykheid, geloof en fatsoen, want ik neem niemand op 't kantoor, voor ik drvan zeker ben. Dit is een vast principe van me. Gy hebt het gezien uit myn brief aan Ludwig Stern. Ik wilde voor Frits niet weten dat ik enig belang begon te stellen in de inhoud van dat pak, en stuurde hem daarom weg. 't Werd my inderdaad duizelig, toen ik zo de ene bundel vr, de andere na, opnam, en de opschriften las. Het is waar, er waren veel verzen onder maar ik vond veel nuttigs ook, en ik stond verbaasd over de verschei- denheid der behandelde onderwerpen. Ik erken -- want ik houd van de waarheid -- dat ik, die altyd in koffi gedaan heb, niet in staat ben de waarde van alles te beoordelen, maar, ook zonder deze beoordeling de lyst der opschriften alleen was reeds kurieus. Daar ik u de geschie- denis van de Griek verteld heb, weet ge reeds dat ik in myn jeugd enigszins ben gelatinizeerd geworden, en hoezeer ik my in korres- pondentie onthoud van alle citaten -- wat op een makelaarskantoor ook niet te-pas komen zou -- dacht ik echter by het zien van dat alles _multa, non multum._ Of: _de omnibus aliquid, de toto nihil._ Maar dit was eigenlyk meer uit een soort van wrevel, en uit zekere aandrang om de geleerdheid die voor my lag, in 't latyn aan te spre- ken, dan wel omdat ik het precies meende. Want, waar ik 't een of ander stuk wat langer inzag, moest ik erkennen dat de schryver me toescheen wel op de hoogte van zyn taak te staan, en zelfs dat hy een grote soliditeit in zyn redeneringen aan de dag legde. Ik vond daar verhandelingen en opstellen: _Over het_ Sanskrit, _als moeder van de germaanse taaltakken. Over de strafbepalingen op kindermoord. Over de oorsprong van de adel. Over het verschil tussen de begrippen:_ Oneindige tyd _en:_ Eeu- wigheid. _Over de kansrekening. Over het boek van_ Job. (Ik vond nog iets over Job, maar dat waren verzen.) _Over protene in de atmosferische lucht. Over de staatkunde van Rusland. Over de klinkletters. Over cellulaire gevangenissen. Over de oude stellingen omtrent het:_ horror vacui. _Over de wenselykheid der afschaffing van strafbepalingen op laster. Over de oorzaken van de opstand der Nederlanders tegen Spanje, niet liggende in de begeerte naar godsdienstige of staatkundige vry- heid. Over het_ perpetuum mobile, _de cirkelkwadratuur en de wortel van wortelloze getallen. Over de zwaarte van het licht. Over de achteruitgang der beschaving sedert het ontstaan des Christendoms._ (H?) _Over de yslandse Mythologie. Over de_ Emile _van_ Rousseau. _Over de Civiele Rechtsvordering in zaken van koophandel. Over_ Sirius _als middelpunt van een zonnestelsel. Over Inkomende-Rechten als ondoeltreffend, onkies, onrecht- vaardig en onzedelyk._ (Daarvan had ik nooit iets gehoord.) _Over verzen als oudste taal._ (Dat geloof ik niet.) _Over witte mieren. Over het tegennatuurlyke van School-Inrichtingen. Over de prostitutie in het huwelyk._ (Dat is een schandelyk stuk.) _Over hydraulische onderwerpen in verband met de rystcultuur. Over het schynbaar overwicht der westerse beschaving. Over kadaster, registratie en zegel. Over kinderboekjes, fabels en sprookjes._ (Dit wil ik wel eens lezen, omdat hy op waarheid aandringt.) _Over bemiddeling in de handel._ (Dit bevalt me volstrekt niet. Ik geloof dat hy de makelaars wil afschaffen. Maar ik heb het toch ter- zyde gelegd, omdat er een-en-ander in voorkomt, dat ik gebruiken kan voor myn boek.) _Over successierecht, een der beste belastingen. Over de uitvinding der kuisheid._ (Dit begryp ik niet.) _Over vermenigvuldiging._ (Deze titel klinkt heel eenvoudig, maar er staat veel in dit stuk, waaraan ik vroeger niet gedacht had.) _Over zeker soort van geest der Fransen, een gevolg der armoede van hun taal._ (Dit laat ik gelden. Geestigheid en armoede... hy kan het weten.) _Over het verband tussen de romans van_ August Lafontaine _en de tering._ (Dit wil ik eens lezen, omdat er van die _Lafontaine_ boeken op zolder liggen. Maar hy zegt, dat de invloed zich eerst openbaart in het tweede geslacht. Myn grootvader las niet.) _Over de macht der Engelsen buiten Europa. Over het Godsgericht in de middeleeuwen, en thans. Over de rekenkunde by de Romeinen. Over armoede aan pozie by toonzetters. Over pitistery, biologie en tafeldans. Over besmettelyke ziekten. Over de moorse bouwtrant. Over de kracht der vooroordelen, blykbaar uit ziekten die door tocht veroorzaakt heten te zyn._ (Heb ik het niet gezegd, dat de lyst kurieus was?) _Over de duitse eenheid. Over de lengte op zee._ (Ik denk dat op zee alles wel even lang zal wezen als op 't land.) _Over de plichten van de Regering omtrent publieke vermakelyk- heden. Over de overeenstemming tussen de schotse en friese talen. Over prozodie. Over de schoonheid der vrouwen te Nmes en te Arles, met een onderzoek naar het stelsel van kolonizatie der Phoenicirs. Over landbouwkontrakten op Java. Over het zuigvermogen van een nieuw-model pomp. Over legitimiteit van dynastien. Over de volksletterkunde in javaanse rapsoden. Over de nieuwe wyze van reven. Over de perkussie, toegepast op handgranaten._ (Dit stuk dateert van 1847, dus van vr _Orsini.) Over het begrip van eer. Over de apokriefe boeken. Over de wetten van_ Solon, Lykurgus, Zoroaster _en_ Confucius. _Over de ouderlyke macht. Over_ Shakespeare _als geschiedschryver. Over de slaverny in Europa._ (Wat hy hiermee bedoelt, begryp ik niet. Nu, zo is er meer!) _Over schroefwatermolens. Over het soeverein recht van gratie. Over de chemische bestanddelen der ceylonse kaneel. Over de tucht op koopvaardyschepen. Over de opiumpacht op Java. Over de bepalingen omtrent het verkopen van gif. Over het doorgraven der landengte van Suez, en de gevolgen daarvan. Over de betaling van landrenten in natura. Over de koffikultuur te Menado._ (Dit heb ik al genoemd.) _Over de scheuring van het romeinse ryk. Over de_ gemthlichkeit _der Duitsers. Over de skandinavische_ Edda. _Over de plicht van Frankryk, om in de indische Archipel zich een tegenwicht tegen Engeland te verschaffen._ (Dit was in 't frans, ik weet niet waarom?) _Over het azyn maken. Over de verering van_ Schiller _en_ Gthe _in de duitse middelstand. Over de aanspraken van de mens op geluk. Over het recht van opstand by onderdrukking._ (Dit was in 't _ja- vaans._ Ik ben die titel eerst later te weten gekomen.) _Over ministerile verantwoordelykheid. Over enige punten in de kriminele rechtsvordering. Over het recht van een volk, te eisen dat de opgebrachte belasting ten-zynen-behoeve worde aangewend._ (Dat was weer in 't _javaans.) Over de dubbele =a= en de griekse =eta=. Over het bestaan van een onpersoonlyke God in de harten der mensen._ (Een infame leugen!) _Over de styl. Over een konstitutie voor het Ryk =Insulinde=._ (Ik heb nooit van dat Ryk gehoord.) _Over het gebrek aan efelkustiek in onze taalregels. Over pedanterie._ (Ik geloof dat dit stuk met veel kennis van zaken geschreven is.) _Over de verplichting van Europa aan de Portugezen. Over bosgeluiden. Over brandbaarheid van water._ (Ik denk dat hy _sterk water_ be- doelt.) _Over de melkzee._ (Ik heb daarvan nooit gehoord. Het schynt iets in de nabyheid van _Banda_ te zyn.) _Over zieners en profeten. Over elektriciteit als beweegkracht, zonder week yzer. Over ebbe en vloed der beschaving. Over epidemisch bederf in staathuishoudingen. Over bevoorrechte Handelmaatschappyen._ (Hierin komt een-en- ander voor, dat ik nodig heb voor myn boek.) _Over etymologie als hulpbron by etnologische studin. Over de vogelnestklippen aan de javase Zuidkust. Over de plaats waar de dag aanvangt._ (Dit begryp ik niet.) _Over persoonlyke begrippen als maatstaf der verantwoordelyk- heid in de zedelyke wereld._ (Bespottelyk! Hy zegt dat ieder zyn eigen rechter moet wezen. Waar zou dat heen?) _Over galanterie. Over de versbouw der Hebreen. Over de_ century of inventions _van de Markies van Worcester. Over de niet-etende bevolking van het eiland Rotti by Timor._ (Het moet daar goedkoop leven zyn.) _Over het mensen-eten der Battah's, en het koppensnellen der Alfoeren. Over het wantrouwen op de publieke zedelykheid._ (Hy wil, geloof ik, de slotenmakers afschaffen. Ik ben er tegen.) _Over_ `het recht', _en_ `de rechten'. _Over_ Branger _als wysgeer._ (Dit begryp ik weer niet.) _Over de afkeer der Maleiers van de Javaan. Over de onwaarde van het onderwys op de zogenaamde hoge- scholen. Over de liefdeloze geest onzer voorouders, blykbaar uit hun be- grippen omtrent God._ (Alweer een goddeloos stuk!) _Over de samenhang der zintuigen._ ('t Is waar, toen ik hem zag, rook ik rozenolie.) _Over de puntwortel van de koffiboom._ (Dit heb ik ter-zy gelegd voor myn boek.) _Over gevoel, gevoeligheid,_ sensiblerie, empfindelei, _enz. Over het verwarren van Mythologie en Godsdienst. Over de saguweer in de Molukken. Over de toekomst van de nederlandse handel._ (Dit is eigenlyk 't stuk dat me bewogen heeft, myn boek te schryven. Hy zegt dat er niet altyd zulke grote koffiveilingen zullen gehouden worden, en ik leef voor myn vak.) _Over Genesis._ (Een infaam stuk!) _Over de geheime genootschappen der Chinezen. Over het tekenen als natuurlyk schrift._ (Hy zegt dat een pasgebo- ren kind tekenen kan!) _Over waarheid in pozie._ (Wel zeker!) _Over de impopulariteit der rystpelmolens op Java. Over het verband tussen pozie en mathematische weten- schappen. Over de Wajangs der Chinezen. Over de prys van de Java-koffi._ (Dit heb ik ter-zy gelegd.) _Over een europees muntstelsel. Over besproeiing van gemene velden. Over de invloed van de vermenging van rassen op de geest. Over evenwicht in de handel._ (Hy spreekt daarin van wissel-agio. Ik heb het ter-zy gelegd voor myn boek.) _Over het standhouden van aziatische gewoonten._ (Hy beweert dat _Jezus_ een tulband droeg.) _Over denkbeelden van_ Malthus _omtrent het cyfer der bevolking in verband met de onderhoudsmiddelen. Over de oorspronkelyke bevolking van Amerika. Over de havenhoofden te Batavia, Semarang en Soerabaia. Over bouwkunde, als uitdrukking van denkbeelden. Over de verhouding der europese ambtenaren tot de Regenten op Java._ (Hiervan komt een-en-ander in myn boek.) _Over het wonen in kelders, te Amsterdam. Over de kracht der dwaling. Over de werkeloosheid van een Opperwezen, by volmaakte na- tuurwetten. Over het zoutmonopolie op Java. Over de wormen in de sagopalm._ (Die worden, zegt hy, gegeten... bah!) _Over de Spreuken, de Predlker, het Hooglied, en de_ pantoens _der Javanen. Over het_ jus primi occupantis. _Over de armoede der schilderkunst. Over de onzedelykheid van het hengelen._ (Wie heeft ooit daarvan gehoord?) _Over de misdaden der Europeers buiten Europa. Over de wapenen der zwakkere diersoorten. Over het_ jus talionis. (Alweer een infaam stuk! Daarin kwam een gedicht voor, dat ik zeker allerschandelykst zou gevonden hebben, als ik 't uitgelezen had.) (5) En dit was nog niet alles! Ik vond, om van de verzen niet te spreken -- er waren er in velerlei talen -- een aantal bundeltjes waaraan het opschrift ontbrak, romancen in het maleis (6), krygszangen in het javaans, en wat niet al! Ook vond ik brieven, waarvan vele in talen die ik niet verstond. Sommige waren aan hem geschreven, of liever het waren slechts afschriften, doch hy scheen daarmee zeker plan te hebben, want alles was door andere personen getekend voor: _gelyk- luidend met het oorspronkelyke._ (7) Dan vond ik nog uittreksels uit dagboeken, aantekeningen en losse gedachten... sommige werkelyk heel los. Ik had, zoals ik reeds zeide, enige stukken ter-zy gelegd, omdat ze my toeschenen in myn vak te-pas te komen, en voor myn vak leef ik. Maar ik moet erkennen dat ik met de rest verlegen was. Hem het pak terugzenden, kon ik niet, want ik wist niet waar hy woonde. Het was nu eenmaal open. Ik kon niet loochenen dat ik 't had ingezien, en dit zou ik ook niet gedaan hebben, omdat ik zo van de waarheid houd. Ook gelukte 't me niet het weer zo te sluiten dat er van 't openen niets blyken kon. Bovendien mag ik niet ontveinzen dat enige stukken die over koffi handelden, my belang inboezemden, en dat ik gaarne daarvan gebruik maken zou. Ik las dagelyks hier-en-daar enige blad- zyden, en ik kwam hoe langer hoe meer -- Frits zegt: _`hoe langs zo meer'_ maar dit doe ik niet -- _hoe_ meer, zeg ik, tot de overtuiging dat men makelaar in koffi moet wezen, om z juist te weten te komen wat er in de wereld omgaat. Ik ben overtuigd dat de Rosemeyers, die in suiker doen, nooit zo-iets onder de ogen hebben gehad. Nu vreesde ik dat die Sjaalman op-eens weer voor me zou staan, en dat hy me weer iets te zeggen hebben zou. Het begon me nu te spyten dat ik die avend de Kapelsteeg was ingegaan, en ik zag in, dat men nooit de fatsoenlyke weg verlaten moet. Natuurlyk had hy my om geld gevraagd, en van zyn pak gesproken. Ik had hem misschien iets gegeven, en als hy my dan de volgende dag die massa schryvery had toegezonden, ware het myn wettig eigendom geweest (8). Ik zou dan de tarwe hebben kunnen scheiden van het kaf, ik had er de nummers uitgehouden, die ik nodig had voor myn boek, en de rest verbrand, of in de papiermand geworpen, hetgeen ik nu niet doen kon. Want als hy terugkwam, zou ik het moeten leveren, en hy, ziende dat ik belang stelde in een paar stukken van zyn hand, zou zeker te veel daarvoor vorderen. Niets geeft de verkoper meer overwicht, dan de ontdek- king dat de koper om zyn waar verlegen is. Zulk een pozitie wordt dan ook door een koopman die zyn vak verstaat, zoveel mogelyk ver- meden. Een ander denkbeeld -- ik sprak er reeds van -- dat bewyzen moge hoe ontvankelyk het bezoeken van de beurs iemand laten kan voor menslievende indrukken, was dit. Bastiaans -- dit is de derde bediende die zo oud en stuntelig wordt -- was de laatste tyd, van de dertig dagen zeker geen vyf-en-twintig binnen geweest, en ls hy aan 't kantoor komt, doet hy nog dikwyls zyn werk slecht. Als eerlyk man ben ik tegenover de firma -- _Last & C"o",_ sedert de Meyers er uit zyn -- ver- plicht te zorgen dat ieder zyn werk doet, en ik mag niet uit verkeerd begrepen medelyden of overgevoeligheid, het geld van de firma weg- werpen. Z is myn principe. Ik geef liever die Bastiaans uit myn eigen zak een driegulden, dan dat ik voortga hem de zevenhonderd gulden 's jaars uit te betalen die hy niet meer verdient. Ik heb uitgerekend dat die man sedert vier-en-dertig jaren, aan inkomen -- zo van _Last & C"o"_ als vroeger van _Last & Meyer,_ maar de Meyers zyn er uit -- de som van byna vyftien duizend gulden genoten heeft, en dit is voor een burgerman een aardig sommetje. Er zyn er weinig in die stand, die zoveel bezitten. Recht tot klagen heeft hy niet. Ik ben op deze bereke- ning gekomen door dat stuk van Sjaalman over de multiplikatie. Die Sjaalman schryft een goede hand, dacht ik. Bovendien, hy zag er armoedig uit, en wist niet hoe laat het was... hoe zou 't wezen, dacht ik, als ik hem de plaats van Bastiaans gaf? Ik zou hem in dat geval zeggen dat hy my `m'nheer' moest noemen, maar dit zou hyzelf wel begrypen, want een bediende kan toch zyn patroon niet by de naam aanspreken, en hy ware misschien voor zyn leven geholpen. Hy zou kunnen beginnen met vier -- of vyfhonderd gulden -- onze Bastiaans heeft ook lang gewerkt voor hy tot zevenhonderd opklom -- en ik had een goede daad gedaan. Ja, met driehonderd gulden zou hy wel kunnen beginnen, want daar hy nooit in zaken geweest is, zou hy de eerste jaren als leertyd kunnen beschouwen, wat dan ook billyk is, want hy kan zich niet gelyk-stellen met mensen die veel gewerkt hebben. Ik ben zeker dat hy met tweehonderd gulden tevreden zou zyn. Maar ik was niet gerust over zyn gedrag... hy had een sjaal om. En bovendien, ik wist niet waar hy woonde. Een paar dagen daarna, waren de jonge Stern en Frits te zamen op een boekverkoping geweest in _het Wapen van Bern_ (9). Ik had Frits verboden iets te kopen, maar Stern, die ruim zakgeld heeft, kwam met enige prullen t'huis. Dit is zyn zaak. Doch zie, daar vertelde Frits dat hy Sjaalman gezien had, die by de verkoping gemploieerd scheen. Hy had de boeken uit de kasten genomen, en die op de lange tafel voortgeschoven naar de afslager. Frits zei dat hy zeer bleek zag, en dat een heer die daar het opzicht scheen te hebben, hem bekeven had, omdat hy een paar jaargangen van de _Aglaia_ had laten vallen, wat ik dan ook zeer onhandig vind, want dit is een allerliefste verza- meling van dames-handwerken. Marie heeft het samen met de Rose- meyers, die in suiker doen. Ze knoopt er iets uit... uit de _Aglaia_ meen ik. Maar onder dat kyven had Frits gehoord dat hy vyftien stuivers daags verdiende. `Denkje dat ik van plan ben vyftien stuivers daags aan jou weg te gooien?' had die heer gezegd. Ik rekende uit, dat vyftien stuivers daags -- ik denk dat de zon -- en feestdagen niet meetel- len, anders had hy een maand -- of jaargeld genoemd -- tweehonderd vyf-en-twintig gulden 's jaars uitmaken. Ik ben snel in myn beslui- ten -- als men zo lang in zaken is, weet men altyd terstond wat men te doen heeft -- en de volgende morgen vroeg was ik by Gaafzuiger. Zo heet de boekhandelaar die de verkoping gehouden had. Ik vroeg naar de man die de _Aglaia_ had laten vallen. -- `Die heeft zyn cong,' zei Gaafzuiger. `Hy was lui, pedant en ziekelyk.' Ik kocht een doosje ouwels, en besloot terstond het met onze Bastiaans nog wat aan te zien. Ik kon er niet toe besluiten, een oud man zo op-straat te zetten. Streng, maar, waar het wezen kan, zacht- moedig, is altyd myn principe geweest. Ik verzuim echter nooit, iets te vernemen wat te-pas kan komen in de zaken, en daarom vroeg ik aan Gaafzuiger waar die Sjaalman woonde? Hy gaf my 't adres, en ik schreef het op. Ik peinsde gedurig over myn boek, maar daar ik van waarheid houd, moet ik ronduit zeggen dat ik niet wist, hoe ik 't daarmee zou aanleggen. En ding staat vast: de bouwstoffen die ik in Sjaalman's pak gevonden had, waren belangryk voor de makelaars in koffi. De vraag was maar, hoe ik handelen moest om die bouwstoffen behoor- lyk te schiften en by-een te brengen. Ieder makelaar weet van hoeveel gewicht een goede sortering der kavelingen is. Maar... schryven -- buiten de korrespondentie met de principalen -- ligt zo niet in myn kring, en toch voelde ik dat ik schryven moest omdat misschien de toekomst van 't vak er van afhangt. De inlichtin- gen die ik in de bundels van Sjaalman vond, zyn niet van die aard, dat _Last & C"o"_ het nut daarvan voor zich alleen kunnen houden. Als dit zo ware, begrypt ieder dat ik niet de moeite zou nemen een boek te laten drukken dat Busselinck & Waterman ook te lezen krygen, want wie een konkurrent op de weg helpt, is een gek. Dit is een vast principe van me. Neen, ik zag in dat er een gevaar dreigt, dat de hele koffi- markt bederven zou, een gevaar dat alleen door de vereende krachten van alle makelaars kan worden afgeweerd, en zelfs is 't mogelyk dat deze krachten daartoe niet eens voldoende zyn, en dat ook de suiker- raffinadeurs -- Frits zegt: _raffineurs,_ maar ik schryf _nadeurs._ Dit doen de Rosemeyers ook, en die doen in suiker. Ik weet wel dat men zegt: _geraffineerde_ schelm, en niet: _geraffinadeerde_ schelm, maar dit is omdat ieder die met schelmen te doen heeft, zich zo kort moge- lyk van de zaak afhelpt -- dat ook de raffinadeurs dan, en de handela- ren in indigo er by nodig zullen wezen. Als ik zo al schryvende nadenk, komt het me voor, dat zelfs de scheepsrederyen er enigszins in betrokken zyn, en de koopvaardy- vloot... zeker, dit is waar! En de zeilmakers ook, en de minister van finantin, en de armbesturen, en de andere ministers, en de pastei- bakkers, en de galanteriekramers, en de vrouwen, en de scheeps- bouwmeesters, en de groothandelaars, en die in 't klein verkopen, en de huisbewaarders, en de tuinlui. En -- zonderling toch, hoe de gedachten onder 't schryven in ie- mand opkomen -- myn boek gaat ook de molenaars aan, en de domi- nees, en hen die Hollowaypillen verkopen, en de likeurstokers, en de pannenbakkers, en de mensen die van staatsschuld leven, en de pom- penmakers, en de touwslagers, en de wevers, en de slachters, en de klerken op een makelaarskantoor, en de aandeelhouders van de Ne- derlandsche Handelmaatschappy, en eigenlyk, wel beschouwd, alle anderen ook. En de koning ook... ja, de Koning vooral! Myn boek _moet_ de wereld in. Hiertegen is niets te doen! Laat dan Busselinck & Waterman het ook te lezen krygen... afgunst is myn zaak niet. Maar knoeiers en onderkruipers zyn ze, dit zeg _ik!_ Ik heb 't vandaag nog aan de jonge Stern gezegd, toen ik hem in _Artis_ introdu- ceerde. Hy mag 't gerust schryven aan zyn vader. Zo zat ik dan voor een paar dagen nog vreselyk in de brand met myn boek, en zie, Frits heeft my op de weg gholpen. Ik heb dit hemzelf niet gezegd, omdat ik niet goedvind, iemand te laten merken dat men verplichting aan hem heeft -- dit is een principe van me -- maar wr is het. Hy zei dat Stern zo'n knappe jongen was, dat hy zulke snelle vorderingen in de taal maakte, en dat hy duitse verzen van Sjaalman in 't hollands vertaald had. Ge ziet, de verkeerde wereld was in myn huis: de _Hollander_ had in 't duits geschreven, en de _Duitser_ vertaalde in 't hollands. Als ieder zich by zyn eigen taal had gehouden, zou er moeite gespaard zyn. Maar, dacht ik, als ik myn boek door die Stern schryven liet? Als ik er wat by te voegen heb, schryf ikzelf van-tyd-tot-tyd een hoofdstuk. Frits kan ook helpen. Hy heeft een lystje van woorden die met twee _e_'s geschreven wor- den, en Marie kan alles in 't net schryven. Dit is met-n voor de lezer een waarborg tegen alle onzedelykheid. Want dit begrypt ge toch, dat een fatsoenlyk makelaar aan zyn dochter niets in handen geven zal, wat niet strookt met zeden en fatsoen. Ik heb toen de beide jongens over myn plan gesproken, en ze vonden het goed. Alleen scheen Stern, die een tint van letterkunde over zich heeft -- zoals veel Duitsers -- stem te willen hebben in de wyze van uitvoering. Dit beviel me nu wel niet zeer, maar omdat de voorjaarsveiling op-hand is, en ik van Ludwig Stern nog geen orders heb, wilde ik hem niet te sterk kontrariren. Hy zei dat: `als de borst hem gloeide van gevoel voor het ware en schone, geen macht ter- wereld hem beletten kon de tonen aan te slaan, die met zulk een gevoel overeenstemmen, en dat hy veel liever zweeg, dan zyn woor- den omklemd te zien door de onterende kluisters der alledaagsheid.' -- Frits zegt: _schheid,_ maar dit doe ik niet. 't Woord is lang genoeg zo. -- Ik vond dit nu wel heel gek van Stern, maar myn vak gaat me vr alles, en de Oude is een goed huis. We stelden dus vast: 1"o" Dat hy alle weken een paar hoofdstukken zou leveren voor myn boek. 2"o" Dat ik in zyn geschryf niets zou veranderen. 3"o" Dat Frits de taalfouten verbeteren zou. 4"o" Dat ik nu-en-dan een hoofdstuk schryven zou, om aan 't boek een soliede voorkomen te geven. 5"o" Dat de titel zou wezen: _de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy._ 6"o" Dat Marie het net afschrift zou maken voor de druk, maar dat men geduld met haar hebben zou, als de was kwam. 7"o" Dat de afgewerkte hoofdstukken elke week op de krans zouden worden voorgelezen. 8"o" Dat alle onzedelykheid zou worden vermeden. 9"o" Dat myn naam niet op de titel zou staan, omdat ik makelaar ben. 10"o" Dat Stern een _duitse,_ een _franse,_ en een _engelse_ vertaling van myn boek zou mogen uitgeven, omdat -- zo beweerde hy -- zulke werken beter in 't buitenland worden begrepen dan by ons. 11"o" _(Hierop drong Stern zeer sterk aan)_ Dat ik Sjaalman een riem papier, een gros pennen, en een kruikje inkt zenden zou. Ik nam met alles genoegen, want er was grote haast by myn boek. Stern had de volgende dag zyn eerste hoofdstuk gereed, en ziedaar lezer, de vraag beantwoord, hoe 't komt dat een makelaar in koffi -- _Last & C"o", Lauriergracht n"o" 37_ -- een boek schryft, dat op een roman gelykt. Nauwelyks echter was Stern aan zyn werk begonnen, of hy stuitte op moeielykheden. Buiten de zwarigheid om uit zoveel bouwstoffen het nodige uit te zoeken en te rangschikken, kwamen er gedurig in de handschriften woorden en uitdrukkingen voor, die hy niet begreep, en die ook my vreemd waren. Het was meestal javaans of maleis. Ook waren hier-en-daar verkortingen aangebracht, die moeielyk te ont- cyferen waren. Ik zag in, dat we Sjaalman nodig hadden, en daar ik het voor een jong mens niet goed vind, dat hy verkeerde konnexin aanknoopt, wilde ik noch Stern noch Frits daarheen zenden. Ik nam suikergoed mee, dat overgebleven was van de laatste krans-avend -- want ik denk altyd aan alles -- en ik zocht hem op. Schitterend was zyn verblyf niet, maar de gelykheid voor alle mensen, dus ook wat hun woningen aangaat, is een hersenschim. Hyzelf had dit gezegd in zyn verhandeling over de aanspraken op geluk. Bovendien, ik houd niet van mensen die altyd ontevreden zyn. Het was in de Lange-leidse-dwarsstraat, op een achterkamer. In 't onderhuis woonde een uitdrager die allerlei dingen verkocht, kopjes schotels, meubels, oude boeken, glaswerk, portretten van Van Speyk, en zo al meer. Ik was zeer bang iets te breken, want in zo'n geval vorderen de mensen altyd meer geld voor de zaken, dan ze waard zyn. Een klein meisje zat op de stoep, en kleedde haar pop aan. Ik vroeg of m'nheer Sjaalman daar woonde? Ze liep weg, en de moeder kwam. `Ja, die woont hier, meneer. Gaat uwee maar de trap op, na 'et eerste pertaal, en dan de trap na 'et tweede pertaal, en dan nog 'en trap, en dan is uwee-d-er, want uwee komt er vanzelf. Myntje, ga 'es efe segge datter 'en heer is. Wie kanse segge, dat er is, meneer?' Ik zei dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in koffi, van de Lauriergracht, maar dat ik mezelf wel zou aandienen. Ik klom zo hoog als gezegd was, en hoorde in het derde portaal een kinderstem zingen: _strakjes komt vader, die zoete papa._ Ik klopte, en de deur werd geopend door een vrouw of dame -- ik weet zelf niet recht wat ik van haar maken moest. Ze zag zeer bleek. Haar trekken droegen sporen van vermoeidheid, en deden me denken aan myn vrouw als de was beredderd is. Ze was gekleed in een wit lang hemd, of jak zonder schoot, dat haar tot de knien hing, en aan de voorzyde met een zwart speldje was vastgemaakt. In-plaats van een behoorlyke japon of rok, droeg ze daaronder een stuk donker gebloemd lynwaad, dat enige malen om het lyf gewikkeld scheen, en haar heupen en knien vry nauw omsloot. Er was geen spoor van plooien, wydte of omvang, zoals dit by een vrouw toch behoort. Ik was bly dat ik Frits niet gezonden had, want haar kleding kwam me zeer onkies voor, en het vreemde daarvan werd nog verhoogd door de losheid waarmee ze zich bewoog, als vond ze zich heel goed zo. Het mens scheen volstrekt niet te weten dat ze er niet uitzag als andere vrouwen. Ook kwam het me voor, dat ze volstrekt niet verlegen was over myn komst. Ze verborg niets onder de tafel, verschoof de stoelen niet, en deed niets van wat toch het gebruik is, als er een vreemdeling komt van een deftig voorkomen. Ze had, als een Chinese, de haren achter over gekamd, en die achter het hoofd in een soort van strik of knoop saamgebonden. Later heb ik vernomen dat haar kleding een soort van _indische dracht_ is, die ze daar-te-lande _sarong_ en _kabaai_ noemen, maar ik vond het heel lelyk. `Is u juffrouw Sjaalman?' vroeg ik. `Wie heb ik de eer te spreken?' zeide zy, en wel op een toon waarin iets lag, alsof ook ik wat _eer_ had moeten brengen in myn vraag. Nu, van komplimenten houd ik niet. Met een principaal is dit wat anders, en ik ben te lang by de zaken, om myn wereld niet te kennen. Maar om daar veel omslag te verkopen op een derde verdieping, vond ik niet nodig. Ik zei dus kort-af, dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in koffi. _Lauriergracht, n"o" 37,_ en dat ik haar man spreken wilde. Wel ja, waarom zou ik omslag maken? Ze wees my een matten stoeltje aan, en nam een klein meisje op de schoot, dat op de grond zat te spelen. De kleine jongen die ik had horen zingen, zag me strak aan, en bekeek me van 't hoofd tot de voeten. Die scheen ook volstrekt niet verlegen! Het was een knaapje van een jaar of zes, ook al vreemd gekleed. Zyn wyd broekje reikte ternauwernood tot de helft van de dy, en de beentjes waren bloot van daar tot aan de enkel. Heel indecent, vind ik. `Kom je om papa te spreken?' vroeg hy op-eens, en ik begreep terstond dat de opvoeding van dat knaapje veel te wensen overliet, anders had hy: `komt u' gezegd. Maar omdat ik met myn houding verlegen was, en wel wat praten wilde, antwoordde ik: `Ja, kereltje, ik kom om je papa te spreken. Zou hy spoedig komen, denk je?' `Dat weet ik niet. Hy is uit, en zoekt geld om een verfdoos voor me te kopen.' (Frits zegt: _verwdoos,_ maar dit doe ik niet. _Verf_ is _verf,_ en geen _verw.)_ `Stil, myn jongen,' zei de vrouw. `Speel wat met je prenten, of met de chinese speeldoos.' `Je weet immers dat die m'nheer gister alles heeft meegenomen.' Ook zyn moeder noemde hy: _je,_ en er scheen een `heer' geweest te zyn, die alles `meegenomen had'... een vrolyk bezoek! De vrouw scheen ook niet opgeruimd, want ter-sluik wiste zy haar oog af terwyl zy 't kleine meisje by haar broertje bracht. `Dr,' zeide zy, `speel wat met Nonni.' Een rare naam. En dit deed hy. `Wel juffrouw,' vroeg ik, `verwacht u spoedig uw man?' `Ik kan 't niet bepalen,' antwoordde zy. Daar liet op-eens de kleine jongen, die met zyn zusje _schuitjevaren_ gespeeld had, deze in de steek, en vroeg my:--- `M'nheer, waarom zeg je tegen mama: _juffrouw?'_ `Hoe dan, kereltje,' zei ik, `wat moet ik dan zeggen?' `Wel... zoals andere mensen! De _juffrouw_ is beneden. Ze verkoopt schotels en priktollen.' Nu ben _ik_ makelaar in koffi -- _Last & Co, Lauriergracht, n"o" 37_ -- we zyn met ons dertienen op 't kantoor, en als ik Stern meereken, die geen salaris ontvangt, zyn er veertien. Welnu, _myn_ vrouw is: _juf- frouw,_ en moest ik nu tegen dt mens: _mevrouw_ zeggen? Dit ging toch niet! leder moet in zyn stand blyven, en wat meer is, gister hadden de deurwaarders de boel weggehaald. Ik vond myn: _juffrouw_ dus wl, en bleef er by. Ik vroeg waarom Sjaalman zich niet by my had aangemeld om zyn pak terug te halen? Ze scheen er van te weten, en zei, dat zy op-reis waren geweest, en wel naar Brussel. Dat hy daar voor de _Indpendan- ce_ gewerkt had, maar dat hy er niet had kunnen blyven, omdat zyn artikels oorzaak waren dat het blad aan de franse grenzen zo dikwyls werd afgewezen. Dat ze sedert enige dagen in Amsterdam terugge- keerd waren, omdat Sjaalman hier een betrekking zou krygen... `Zeker by Gaafzuiger?' vroeg ik. Ja, dat was het! Maar dit was tegengelopen, zeide zy. Nu, hiervan wist ik meer dan zyzelf. Hy had de _Aglaia_ laten vallen, en was lui, pedant en ziekelyk... precies, drom was hy weggejaagd. `En,' ging ze voort, `dat hy zeker dezer dagen by my komen zou, en misschien wel juist naar my toe was, om antwoord te vragen op 't verzoek dat hy my gedaan had.' Ik zei dat Sjaalman maar eens komen zou, maar dat hy niet moest schellen, want dit is zo lastig voor de meid. Als hy wat wachtte, zei ik, zou de deur wel eens opengaan, als er iemand uit moest. En toen ging ik heen, en nam myn bruidsuikers weer mee, want, ronduit gezegd, het beviel me daar niet. Ik voelde me niet op myn gemak. Een make- laar is toch geen kruier, dunkt me, en ik beweer dat ik er fatsoenlyk uitzie. Ik had myn jas met bont aan, en toch zat ze daar zo eenvoudig, en praatte zo kalm met haar kinderen, alsof ze alleen was. Bovendien ze scheen geschreid te hebben, en ontevreden mensen kan ik niet verdragen. Ook was 't er koud en ongezellig -- zeker omdat de boel weggehaald was -- en ik houd veel van gezelligheid in een kamer. Onder het naar-huis gaan besloot ik het met Bastiaans nog eens aan te zien, omdat ik niet gaarne iemand op-straat zet. Nu volgt de eerste week van Stern. Het spreekt vanzelf dat er veel in voorkomt, dat my niet bevalt. Maar ik moet me houden aan artikel _twee,_ en de Rosemeyers hebben 't goed gevonden. Ik geloof, dat ze Stern in de hoogte steken, omdat hy een oom heeft te Hamburg, die in suiker doet. Sjaalman was er inderdaad geweest. Hy had Stern gesproken, en aan deze enige woorden en zaken uitgelegd, die hy niet begreep. Die Stern niet begreep, meen ik. Ik verzoek nu de lezer de volgende hoofdstukken door te byten, dan beloof ik naderhand weer iets van meer soliede aard, van _my,_ Batavus Droogstoppel, makelaar in koffi: _Last & C"o", Lauriergracht, n"o" 37._ Vyfde hoofdstuk Er was des morgens te tien ure een ongewone beweging op de grote weg die de afdeling _Pandeglang_ verbindt met _Lebak._ (10) `Grote weg' is misschien wat veel gezegd voor 't breed voetpad dat men, uit beleefdheid en by-gebrek aan beter, de `weg' noemde. Maar als men met een vierspannig rytuig vertrok van _Serang,_ de hoofdplaats der residentie _Bantam,_ met het voornemen zich te begeven naar _Rangkas-Betoeng,_ de nieuwe hoofdplaats van 't _Lebakse,_ kon men nagenoeg zeker zyn, te-eniger-tyd daar aan te komen. 't Was dus een weg. Wel bleef men gedurig steken in de modder, die in de _Bantamse_ laaglanden zwaar, kleierig en klevend is, wel was men telkens ge- noodzaakt de hulp in te roepen van de bewoners der naastby gelegen dorpen -- ook al waren ze niet zr naby, want de dorpen zyn niet menigvuldig in die streken -- maar als men er dan eindelyk in geslaagd was, een twintigtal landbouwers uit de omtrek by-een te krygen, duurde het gewoonlyk niet zeer lang, voor men paarden en wagen weder op vaste grond had gebracht. De koetsier klapte met de zweep, de lopers -- in Europa zou men, geloof ik, zeggen `palfreniers' of liever, er bestaat in Europa niets wat met deze lopers overeenkomt -- die onvergelykbare lopers dan, met hun korte dikke zweepjes, hup- pelden weer aan de zyde van het vierspan, kresen onbeschryfelyke geluiden, en sloegen de paarden ter-aanmoediging onder de buik. Z hoste men dan enige tyd voort, tot het verdrietig ogenblik weer daar was, dat men tot over de assen wegzonk in de modder. Dan begon het geroep om hulp op-nieuw. Men wachtte geduldig tot die hulp kwam, en... sukkelde verder. Dikwyls, als ik die weg langs ging, was 't my als zou ik hier of daar een wagen vinden met reizigers uit de vorige eeuw, die in de modder gezakt, en vergeten waren. Maar dit is me nooit voorgekomen. Ik veronderstel dus dat allen die ooit deze weg langs kwamen, eindelyk zyn aangeland waar ze wezen wilden. Men zou zich zeer vergissen, wanneer men zich van de gehele grote weg op Java, een denkbeeld vormde naar de maatstaf van die weg in 't _Lebakse._ De eigenlyke heirbaan met zyn vele zytakken, die de maarschalk Daendels met grote opoffering van volk deed aanleg- gen, (11) is inderdaad een prachtig stuk werks, en men staat verbaasd over de gestkracht van de man die, ondanks alle bezwaren welke zyn benyders en tegenstanders in 't moederland hem in de weg legden, de onwil der bevolking en de ontevredenheid der hoofden durfde trot- sen, om iets tot-stand te brengen, dat thans nog de bewondering van iedere bezoeker opwekt en verdient. Geen paardenpostery dan ook in Europa -- zelfs niet in Engeland Rusland of Hongarye -- kan met die op Java worden gelyk gesteld. Over hoge bergruggen, langs diepten die u doen yzen, vliegt de zwaar bepakte reiswagen in n galop voort. De koetsier zit als op de bok genageld, uren, ja, ganse dagen achtereen, en zwaait de zware zweep met yzeren arm. Hy weet juist te berekenen waar en hoeveel hy de hollende paarden moet inhouden, om na vliegend dalen van een berghelling, ginds aan die hoek... `Myn God, de weg is... weg! We gaan in een afgrond,' gilt de onervaren reiziger, `daar is geen weg... daar is de diepte!' Ja, zo schynt het. De weg kromt zich, en juist, als n galopsprong verder, vaste grond zou doen verliezen aan 't voorspan, wenden zich de paarden, en slingeren het voertuig de hoek om. Ze vliegen de berghoogte op, die ge een ogenblik vroeger niet zaagt, en... de af- grond ligt achter u. Er zyn, by zulke gelegenheid, ogenblikken dat de wagen alleen rust op de raderen aan de buitenzyde van de boog die ge beschryft: de middelpuntvliedende kracht heeft de binnenwielen van de grond geheven. Er behoort koelbloedigheid toe, de ogen niet te sluiten, en wie voor 't eerst op Java reist, schryft aan zyn familie in Europa, dat hy in levensgevaar verkeerd heeft. Maar wie er te-huis behoort, lacht om die angst. Het is myn doel niet, vooral niet in het begin van myn vertelling, de lezer lang bezig te houden met het beschryven van plaatsen, landschappen of gebouwen. Ik vrees te zeer hem af te schrikken door wat zwemen zou naar langdradigheid, en eerst later, als ik gevoel dat hy voor my gewonnen is, als ik uit blik en houding bemerk dat het lot van de heldin die ergens van 't balkon ener vierde verdieping springt, hem belang inboezemt, dan laat ik, met stoute verachting van alle wetten der zwaartekacht, haar zweven tussen hemel en aarde, tot ik myn hart heb lucht gegeven in de nauwkeurige schets der schoonhe- den van het landschap, of van 't gebouw dat daar ergens schynt geplaatst te zyn om een voorwendsel aan de hand te doen tot een veelbladzydig vertoog over middeleeuwse architektuur. Al die kaste- len gelyken op elkaar. Overanderlyk zyn ze van heterogene bouwor- de. Het _corps de logis_ dagtekent altyd van enige regeringen vroeger dan de aanhechtsels die onder deze of gene latere koning daarby zyn gevoegd. De torens zyn in vervallen staat... Waarde lezer, er zyn geen torens. Een toren is een denkbeeld, een droom, een ideaal, een verzinsel, onverdragelyke grootspraak! Er zyn halve torens, en... torentjes. De geestdryvery die torens meende te moeten zetten op de gebou- wen die opgericht werden ter-ere van deze of gene heilige, duurde niet lang genoeg om ze te voleinden, en de spits die de gelovigen naar de hemel moet wyzen, rust, gewoonlyk een paar omgangen te laag, op de massieve bazis, 'tgeen denken doet aan de man zonder dyen op de kermis. Alleen _torentjes, kleine naaldjes_ op dorpskerken, zyn afgewerkt. Het is waarlyk niet vleiend voor de westerse beschaving, dat zelden het denkbeeld om een groot werk tot-stand te brengen, zich lang genoeg heeft kunnen staande houden om dat werk voleind te zien. Ik spreek nu niet van ondernemingen welker afwerking nodig was om de kosten te dekken. Wie juist weten wil wat ik bedoel, ga de Dom te Keulen zien. Hy geve zich rekenschap van de grootse opvatting van dat gebouw, in de ziel des bouwmeesters Gerhard von Riehl... van 't geloof in de harten des volks, dat hem in-staat stelde dat werk aan te vangen en voort te zetten... van de invloed der denkbeelden die zulk een kolos nodig hadden om als zichtbare voorstelling te dienen van het ongezien godsdienstig gevoel... en hy vergelyke deze overspan- ning met de richting, die enige eeuwen later het ogenblik deed gebo- ren worden, waarop men 't werk staakte... Er ligt een diepe kloof tussen Erwin van Steinbach en onze bouw- meesters! Ik weet dat men sedert jaren bezig is deze kloof te dempen. Ook te Keulen bouwt men weder aan de Dom. Maar zal men de afgebroken draad weer kunnen aanhechten? Zal men terugvinden in _onze_ dagen, wat _toen_ de kracht uitmaakte van kerkvoogd en bouw- heer? Ik geloof het niet. Geld zal wel te bekomen zyn, en hiervoor is steen en kalk te-koop. Men kan de kunstenaar betalen, die een plan ontwerpt, en de metselaar die de stenen legt. Maar niet voor geld te- koop is 't verdwaald en toch eerbiedwaardig gevoel dat in een bouwontwerp een dichtstuk zag, een dichtstuk van graniet, dat luid sprak tot het volk, een dichtstuk in marmer, dat dr stond als een onbewegelyk voortdurend eeuwig gebed. Op de grens tussen _Lebak_ en _Pandeglang_ dan, was op zekere morgen een ongewone beweging. Honderden gezadelde paarden be- dekten de weg, en duizend mensen voor 't minst -- wat veel was voor die plek -- liepen in bedryvig wachten heen-en-weer. Hier zag men de hoofden der dorpen, en de distriktshoofden uit het _Lebakse,_ allen met hun gevolg, en te oordelen naar de schone bastert-arabier die in zyn ryk tuig op de zilveren watertrens knabbelde, was ook een hoofd van hogere rang op deze plaats aanwezig. Dit was dan ook het geval. De Regent van _Lebak, Radhen Adhipatti Karta Natta Negara_ (12) had met groot gevolg _Rangkas-Betoeng_ verlaten, en ondanks zyn hoge ouderdom de twaalf of veertien palen afgelegd, die zyn woonplaats scheiden van de grenzen der naburige afdeling _Pandeglang._ Er werd een nieuwe adsistent-resident verwacht en het gebruik, dat in Indi meer dan ergens kracht van wet heeft, wil dat de beambte die met het bestuur ener afdeling belast is, feestelyk worde ingehaald by zyn aankomst. Ook de kontroleur, een man van middelbare leef- tyd, die sedert enige maanden na de dood van de vorige adsistent- resident, als eerstopvolgende in rang het bestuur had waargenomen, was daar tegenwoordig. Zodra het tydstip der komst van de nieuwe adsistent-resident bekend was, had men in-aller-yl een _pendoppo_ doen oprichten, een tafel en enige stoelen daarheen gebracht, en enige verversingen ge- reed gezet. In deze _pendoppo_ wachtte de Regent met de kontroleur de aankomst van de nieuwe chef af. Na een hoed met brede rand, een regenscherm, of een holle bom, is een _pendoppo_ zeker de eenvoudigste uitdrukking van het denkbeeld: _dak._ Verbeeld u vier of zes bamboezen palen in de grond geslagen, die aan de boveneinden met elkander verbonden zyn door andere bam- boes, waarop een deksel is vastgehecht van de lange bladen van de waterpalm die in deze streken _atap_ heet, en ge zult u dusdanige _pendoppo_ kunnen voorstellen. Het is, zoals ge ziet, zo eenvoudig mogelyk, en het moest hier dan ook slechts dienen als _pied terre_ voor de europese en inlandse beambten die daar hun nieuw opper- hoofd kwamen verwelkomen aan de grenzen. Ik heb me niet volkomen juist uitgedrukt, toen ik de adsistent- resident het opperhoofd, ook van de Regent, noemde. Een uitweiding over 't mechanismus van het bestuur in deze landstreken is hier, tot juist begrip van hetgeen volgen zal, noodzakelyk. (13) Het dusgenaamd _Nederlands Indi_ -- 't adjektief _nederlands_ komt me enigszins onnauwkeurig voor, doch 't werd officieel aangeno- men (14) -- is, wat de verhouding van het moederland tot de bevolking aangaat, te splitsen in twee zeer verschillende hoofddelen. Een ge- deelte bestaat uit stammen welker vorsten en vorstjes de opperheer- schappy van Nederland als _suzerein_ erkend hebben, doch waarby nog altyd het rechtstreeks bestuur, in meer of minder mate gebleven is in handen van de ingeboren Hoofden zelf. Een ander gedeelte, waartoe -- met een zeer kleine, wellicht maar schynbare, uitzonde- ring -- geheel _Java_ behoort, is rechtstreeks onderworpen aan _Neder- land._ Van cyns of schatting of bondgenootschap is hier geen spraak. De _Javaan_ is _nederlands onderdaan._ De Koning van Nederland is _zyn_ koning. De afstammelingen zyner vorige vorsten en heren zyn _nederlandse_ beambten. Ze worden aangesteld, verplaatst, bevor- derd, door de Gouverneur-generaal die in-naam van de _Koning_ re- geert. De misdadiger wordt veroordeeld en gevonnist naar een wet die van _'s Gravenhage_ is uitgegaan. De belasting die de Javaan op- brengt, vloeit in de schatkist van _Nederland._ Van dit gedeelte slechts der nederlandse bezittingen, dat alzo in- derdaad deel uitmaakt van het _Koningryk der Nederlanden,_ zal in deze bladen hoofdzakelyk sprake zyn. De Gouverneur-generaal staat een Raad ter-zyde, die echter op zyn besluiten geen _beslissende_ invloed heeft. Te Batavia zyn de onderscheidene bestuurstakken verdeeld in `departementen' aan welker hoofd Direkteuren geplaatst zyn, die de schakel uitmaken tussen het opperbestuur van de Gouverneur-generaal en de Residen- ten in de provincin. By behandeling evenwel der zaken van _politieke aard,_ wenden zich deze beambten rechtstreeks tot de Gouverneur- generaal. De benaming _Resident_ is herkomstig uit de tyd toen _Nederland_ nog slechts _middellyk_ als _leenheer_ de bevolking beheerste, en zich aan de hoven der nog regerende Vorsten door _Residenten_ liet verte- genwoordigen. Die Vorsten bestaan niet meer, en de residenten zyn, als gewestelyke Gouverneurs of _Praefecten,_ bestuurders van land- schappen geworden. Hun werkkring is veranderd, doch de naam is gebleven. Het zyn deze residenten, die eigenlyk het nederlands gezag tegen- over de javaanse bevolking vertegenwoordigen. Het volk kent noch de Gouverneur-generaal, noch de Raden van Indi, noch de Direk- teuren te Batavia. Het kent slechts de _Resident,_ en de beambten die onder hem het besturen. Een dusdanige residentie -- er zyn er, die byna een miljoen zielen bevatten -- is verdeeld in drie, vier of vyf afdelingen of regentschap- pen, aan welker hoofd _Adsistent-Residenten_ geplaatst zyn. Onder dezen weder wordt het bestuur uitgeoefend door kontroleurs, opzie- ners en een tal van andere beambten die nodig zyn voor de inning der belastingen, voor het toezicht over de landbouw, voor het oprichten van gebouwen, voor de waterstaatswerken, voor de policie en voor het rechtswezen. In elke afdeling staat een inlands hoofd van hoge rang met de titel van _Regent,_ de adsistent-resident ter-zyde. Zodanig Regent, hoewel zyn verhouding tot het bestuur en zyn werkkring geheel die is van een _bezoldigd beambte,_ behoort altyd tot de hoge adel des lands, en dikwyls tot de familie der vorsten die vroeger in dat landschap of in de nabuurschap onafhankelyk geregeerd hebben. Zeer staatkundig wordt alzo gebruik gemaakt van hun aloude feodale invloed -- die in Azi over 't geheel van groot gewicht is, en by de meeste stammen als punt van godsdienst wordt aangemerkt -- dewyl door het benoemen dezer hoofden tot beambten, een hirarchie wordt geschapen, aan welker spits het nederlands gezag staat, dat door de Gouverneur- generaal wordt uitgeoefend. Er is niets nieuws onder de zon. Werden niet de _Ryks-, Mark-, Gau-,_ en _burggraven_ van het duitse Ryk evenzo door de Keizer aangesteld, en meestal gekozen uit de Baronnen? Zonder uitweiding over de oorsprong des adels, die geheel in de natuur ligt, wens ik toch plaats te geven aan de opmerking hoe in ons werelddeel en ginds in 't verre Indi, dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hadden. Een land moet op verre afstand geregeerd worden, en hiertoe zyn beambten nodig, die 't centraal gezag vertegenwoordigen. Onder het stelsel van militaire willekeur, kozen de Romeinen hiertoe de _Praefecten,_ in de aanvang gewoonlyk de bevelhebbers der legioenen die 't bedoelde land hadden ten-onder gebracht. Zulke landstreken bleven dan ook: _povincin,_ dat is: _win_gewesten. Maar toen later het centraal gezag des duitsen Ryks behoefte voelde, enig ver gelegen volk aan zich te binden op andere wyze dan door stoffelyk overwicht alleen, zodra een verwyderde streek werd beschouwd als door gelykheid in af- komst, taal en gewoonten tot het Ryk te behoren, deed zich de nood- zakelykheid gevoelen, iemand met de leiding der zaken te belasten, die in dat land te-huis behoorde niet alleen, maar door zyn stand boven zyn medeburgers in die streken verheven was, opdat de ge- hoorzaamheid aan de bevelen des Keizers, gemakkelyk werde door de samengaande neiging tot onderwerping aan hem die met de uitvoe- ring dezer bevelen belast was. Hierdoor werden dan tevens geheel of gedeeltelyk de uitgaven vermeden, voor een staand leger ten-laste der algemene staatskas, of, zoals meestal geschiedde, ten-laste van de gewesten zelf, die door zodanig leger moesten bewaakt worden. Zo werden de eerste Graven gekozen uit de Baronnen des lands, en strikt genomen is dus 't woord _graaf_ geen adellyke titel, doch slechts de benaming van een met zeker _ambt_ belaste persoon. Ik geloof dan ook dat in de middeleeuwen de mening gold, dat de duitse Keizer wel 't recht had, graven, d.i.~ _landschapsbestuurders,_ en hertogen, d.i.~ _heiraanvoerders,_ te benoemen, doch dat de Baronnen beweerden, wat hun geboorte aangaat, aan de Keizer gelyk te zyn en alleen van God af te hangen, behoudens de verplichting de Keizer te dienen, voor-zo-ver deze met hun toestemming, en uit hun midden gekozen was. Een graaf bekleedde een _ambt_ waartoe hem de Keizer had geroe- pen. Een baron beschouwde zich als baron _`door de genade Gods'._ De graven vertegenwoordigden de Keizer, en voerden als zodanig _diens_ banier, d.i.~ de Standaard van het Ryk. Een baron bracht volk op de been onder zyn eigen vaan, als _baanderheer._ De omstandigheid nu, dat graven en hertogen gewoonlyk uit de baronnen werden gekozen, bracht te-weeg dat zy het gewicht hunner betrekking in de schaal legden by de invloed die zy aan hun geboorte ontleenden, en hieruit schynt later, vooral toen men aan de erfelyk- heid dezer betrekkingen was gewoon geraakt, de voorrang ontstaan te zyn, die deze titels hadden boven die van baron. Nog heden-ten- dage zou menige vryheerlyke familie -- zonder keizerlyk of ko- ninklyk patent, dat is een zodanige familie, die haar adel afleidt van het ontstaan des lands, die _altyd_ van adel was _omdat_ ze van adel was -- _autochtoon_ -- een verheffing tot de gravenstand, als derogerend af- wyzen. Er zyn voorbeelden van. De personen die met het bestuur van zodanig graafschap belast waren, trachtten natuurlyk van de Keizer te verkrygen dat hun zoons, of, by-gebreke daarvan, andere bloedverwanten, hen in hun betrekking zouden opvolgen. Dit geschiedde dan ook gewoonlyk, schoon ik niet geloof dat ooit het recht op deze opvolging _organisch_ is erkend geworden, althans wat deze beambten in de _Nederlanden_ aangaat, byvoorbeeld, de graven van Holland, Zeeland, Henegou- wen of Vlaanderen, de hertogen van Brabant, Gelderland, enz. Het was in den beginne een gunst, weldra een gewoonte, en ten-slotte een noodzakelykheid, maar nooit werd deze erfelykheid wet. Nagenoeg op gelyke wyze -- wat de keus der personen aangaat, daar hier geen spraak is van gelykheid in werkkring, hoewel ook in dit opzicht zekere overeenstemming in 't oog valt -- staat aan het hoofd ener afdeling op Java, een inlandse beambte die de hem door het gouvernement gegeven rang met zyn _autochtone_ invloed verbindt, om aan de europese ambtenaar die 't _nederlands_ gezag vertegen- woordigt, het bestuur gemakkelyk te maken. Ook hier is de erfelyk- heid, zonder door een wet vastgesteld te zyn, tot een gewoonte ge- worden. Reeds by het leven van de Regent is deze zaak meestal geregeld, en 't geldt als een beloning voor dienstyver en trouw, indien men hem de toezegging geeft dat hy in zyn betrekking door zyn zoon zal worden opgevolgd. Er moeten al zeer gewichtige rede- nen bestaan, voor er van deze regel wordt afgeweken, en waar dit het geval wezen mocht, kiest men toch gewoonlyk de opvolger uit de leden van dezelfde familie. De verhouding tussen europese ambtenaren, en dusdanige hoog- geplaatste javaanse groten, is van zeer kiese aard. De adsistent-resi- dent ener afdeling is de verantwoordelyke persoon. Hy heeft zyn instruktin, en wordt verondersteld het hoofd der afdeling te zyn. Dit belet echter niet dat de Regent, door plaatselyke kennis, door geboor- te, door invloed op de bevolking, door geldelyke inkomsten en hier- mede overeenstemmende levenswyze, ver boven hem verheven is. Bovendien is de Regent, als vertegenwoordiger van 't _javaans ele- ment_ ener landstreek, en verondersteld wordende te spreken uit naam der honderd -- of meer duizend zielen, die zyn regentschap bevolken, ook in de ogen van 't Gouvernement een veel belangryker persoon, dan de eenvoudige _europese_ beambte, wiens ontevreden- heid niet behoeft gevreesd te worden, daar men voor hem vele ande- ren in de plaats bekomen kan, terwyl de minder goede stemming van een Regent wellicht de kiem zou kunnen worden van beroering of opstand. Uit dit alles vloeit dus de vreemde omstandigheid voort, dat eigen- lyk de _mindere_ de _meerdere_ beveelt. De adsistent-resident gelast de Regent, hem opgaven te doen. Hy gelast hem, volk te zenden tot het arbeiden aan bruggen en wegen. Hy gelast hem, belastingen te doen innen. Hy roept hem op, zitting te nemen in de landraad, waarin hy adsistent-resident voorzit. Hy berispt hem, waar hy schuldig is aan plichtverzuim. Deze zeer eigenaardige verhouding wordt alleen mo- gelyk gemaakt door uiterst beleefde vormen, die evenwel noch harte- lykheid, noch, waar 't nodig blyken mocht, strengheid behoeven uit te sluiten, en ik geloof dat de toon die in deze verhouding heersen moet, vry wel wordt aangegeven in 't officieel voorschrift dienaan- gaande: de _europese_ ambtenaar hebbe de _inlandse_ beambte die hem ter-zyde staat, te behandelen als zyn _jonger broeder._ Maar hy vergete niet dat deze _jonger broeder_ by de ouders zeer bemind -- of gevreesd -- is, en dat, by voorkomend geschil, zyn meer- dere jaren zouden worden in rekening gebracht als beweegreden om hem euvel te nemen dat hy zyn _jonger broeder_ niet met meer in- schikkelykheid of takt behandelde. De aangeboren hoffelykheid van de javaanse grote -- zelfs de gerin- ge Javaan is veel beleefder dan zyn europese standgenoot -- maakt evenwel deze schynbaar moeielyke verhouding dragelyker dan ze anders wezen zou. De Europeaan zy wel-opgevoed en kies, hy gedrage zich met vrien- delyke waardigheid, en kan dan zeker zyn dat de Regent van zyn kant hem 't bestuur gemakkelyk maken zal. Het stuitend bevelen, in verzoekende vorm geuit, wordt met stiptheid nagekomen. Het ver- schil in stand, geboorte, rykdom, wordt uitgewist door de Regent zelf, die de Europeaan, als vertegenwoordiger des Konings van Ne- derland, tot zich opheft, en ten-slotte is een verhouding die, opper- vlakkig beschouwd, botsing moest te weeg brengen, zeer dikwyls de bron van een aangenaam verkeer. Ik zeide dat dusdanige Regenten ook door rykdom de voorrang hadden boven de europese ambtenaar, en dit is natuurlyk. De Euro- peaan, als hy geroepen wordt tot het besturen ener provincie die in oppervlakte met vele duitse hertogdommen gelyk staat, is gewoon- lyk iemand van middelbare of meer dan middelbare leeftyd, gehuwd en vader. Hy bekleedt een ambt _om den brode._ Zyn inkomsten zyn juist voldoende, en zelfs vaak _niet_ voldoende, om aan de zynen het nodige te verschaffen. De Regent is: _Tommongong, Adhipatti,_ ja- zelfs _Pangerang,_ d.i.~ _Javaanse prins._ De vraag is voor hem niet dat hy _leve,_ hy moet z leven als 't volk gewoon is dit te zien van zyn aristokratie. Waar de _Europeaan_ een huis bewoont, is dikwyls zyn verblyf een _Kratoon,_ met vele huizen en dorpen daarin. Waar de _Europeaan_ n vrouw heeft met drie, vier, kinderen, onderhoudt _hy_ een tal van vrouwen met wat daarby behoort. Waar de _Europeaan_ uitrydt, gevolgd door enige beambten, niet meer dan er by zyn in- spektiereis nodig zyn tot het geven van inlichtingen onder-weg, wordt de Regent vergezeld door de honderden die tot het gevolg behoren, dat in de ogen des volks onafscheidelyk is van zyn hoge rang. De _Europeaan_ leeft burgerlyk, de Regent leeft -- of wordt verondersteld te leven -- als een vorst. Doch dit alles moet _betaald_ worden. Het nederlands bestuur dat zich op de invloed van die Regenten gegrondvest heeft, weet dit, en niets is dus natuurlyker dan dat het hun inkomsten heeft opgevoerd tot een hoogte die de _niet_-Indir overdreven zou voorkomen, maar inderdaad zelden voldoende is ter bestryding van de uitgaven welke aan de levenswyze van zodanig inlands Hoofd verbonden zyn. Het is niet ongewoon, Regenten die twee -- ja driemaal honderd duizend gulden 's jaar inkomen hebben, in geldverlegenheid te zien verkeren. Hiertoe draagt veel by de, als 't ware vorstelyke, onverschilligheid waarmee zy hun inkomsten verspillen, hun nalatigheid in 't bewaken hunner ondergeschikten, hun koopziekte, en _vooral_ het misbruik dat dikwyls van deze hoedanigheden gemaakt wordt door Europe- anen. De inkomsten der javaanse Hoofden zou men in vier delen kunnen splitsen. Vooreerst, het bepaald maandgeld. Vervolgens, een vaste som als schadeloosstelling voor afgekochte rechten die overgegaan zyn op 't nederlands bestuur. Ten-derde, een beloning in evenredig- heid met de hoeveelheid der in hun regentschap voortgebrachte pro- dukten, als koffi, suiker, indigo, kaneel, enz. En eindelyk, de wille- keurige beschikking over de arbeid en de eigendommen hunner on- derhorigen. De beide laatste bronnen van inkomsten vorderen enige ophelde- ring. De Javaan is uit de aard der zaak landbouwer. De grond waarop hy geboren werd, die veel belooft voor weinig arbeids, lokt hem hiertoe uit, en vooral is hy met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zyner rystvelden, waarin hy dan ook zeer bedreven is. Hy groeit op te-midden zyner _sawah's_ en _gagah's_ en _tipar's,_ (15) verge- zelt reeds op zeer jeugdige leeftyd zyn vader naar 't veld, waar hy hem behulpzaam is in de arbeid met ploeg en spade, aan dammen en aan waterleidingen tot het bevochtigen zyner akkers. Hy telt zyn jaren by oogsten, hy rekent de tyd naar de kleur zyner te veld staande halmen, hy voelt zich te-huis onder de makkers die met hem _padie_ sneden, (16) hy zoekt zyn vrouw onder de meisjes der _dessah_ (17) die 's avends onder vrolyk gezang de ryst stampen om ze te ontdoen van de bolster... het bezit van een paar buffels die zyn ploeg zullen trek- ken, is 't ideaal dat hem aanlacht... kortom, de rystbouw is voor de Javaan, wat in de Rynstreken en in het zuiden van Frankryk, de wynoogst is. Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten van het land. Ze wensten voordeel te doen met de vrucht- baarheid van de bodem, en gelastten de bewoner een gedeelte van zyn arbeid en van zyn tyd toe te wyden aan het voortbrengen van andere zaken, die meer winst zouden afwerpen op de markten van _Europa._ Om de geringe man hiertoe te bewegen, was niet meer dan een zeer eenvoudige staatkunde nodig. Hy gehoorzaamt zyn hoofden, men had dus slechts deze hoofden te winnen door hun een gedeelte van de winst toe te zeggen, en... het gelukte volkomen. Als men let op de ontzettende massa javase produkten die in Ne- derland worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het doeltreffende dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want, mocht iemand vragen of de landbouwer zelf een met deze uitkomst evenredige beloning geniet, dan moet ik hierop een ontkennend antwoord geven. De Regering verplicht hem op zyn grond aan te kweken wat _haar_ behaagt, ze straft hem wanneer hy het aldus voort- gebrachte verkoopt aan wie het ook zy buiten hr, en _zyzelf_ bepaalt de prys die ze hem daarvoor uitbetaalt. De kosten op de overvoer naar Europa, door bemiddeling van een bevoorrecht handelslichaam, zyn hoog. De aan de Hoofden toegelegde aanmoedigingsgelden bezwa- ren daarentegen de inkoopprys, en... daar toch ten-slotte de gehele zaak winst afwerpen _moet,_ kan deze winst niet anders worden ge- vonden dan door juist zoveel aan de Javaan uit te betalen, dat hy niet sterve van honger, hetgeen de voortbrengende kracht der natie ver- minderen zou. Ook aan de europese beambten wordt een beloning uitbetaald in evenredigheid met de opbrengst. (18) Wel wordt dus de arme Javaan voortgezweept door dubbel gezag, wel wordt hy dikwyls afgetrokken van zyn rystvelden, wel is hon- gersnood vaak 't gevolg van deze maatregelen, doch... vrolyk wappe- ren te Batavia, te Samarang, te Soerabaja, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen, die beladen worden met de oogsten die Nederland ryk maken. _Hongersnood?_ Op het ryke vruchtbare gezegende Java, _hongers- nood?_ Ja, lezer. Voor weinige jaren zyn gehele distrikten uitgestor- ven van honger. (19) Moeders boden hun kinderen te-koop voor spyze. Moeders hebben hun kinderen gegeten... Maar toen heeft zich 't moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de toenmalige Landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding der dusgenaamde _europese-marktprodukten_ voortaan niet weder zou voortzetten tot hongersnood toe... Ik ben daar bitter geworden. Wat zoudt ge denken van iemand die zulke zaken kon neerschryven _zonder_ bitterheid? My blyft over te spreken van de laatste en voornaamste soort der inkomsten van inlandse hoofden: het willekeurig beschikken over personen en eigendommen hunner onderhorigen. Volgens het algemeen begrip in byna geheel Azi, behoort de onderdaan met al wat hy bezit, aan de vorst. Dit is ook op Java het geval, en de afstammelingen of verwanten der vroegere vorsten ma- ken gaarne gebruik van de onkunde der bevolking, die niet recht begrypt dat haar _Tommongong_ of _Adhipatti_ of _Pangerang_ thans een _bezoldigd ambtenaar_ is, die zyn eigen en haar rechten voor een bepaald inkomen verkocht heeft, en dat dus de schraal beloonde arbeid in koffituin of suikerveld, in de plaats getreden is van de belastingen die vroeger door de heren des lands van de opgezetenen gevorderd werden. Niets is dus gewoner dan dat honderde huisgezin- nen van verre afstand worden opgeroepen om _zonder betaling_ vel- den te bewerken, die de Regent toebehoren. Niets is gewoner dan het onbetaald verstrekken van levensmiddelen ten-behoeve der hofhou- ding van de Regent. En wanneer die Regent een gevallig oog mocht slaan op het paard, de buffel, de dochter, de vrouw, van de geringe man, zou men 't ongehoord vinden, als deze de onvoorwaardelyke afstand van het begeerd voorwerp weigerde. Er zyn Regenten, die van zodanige willekeurige beschikkingen een matig gebruik maken, en niet meer van de geringe man vorderen, dan tot het ophouden van hun rang volstrekt nodig is. Anderen gaan iets verder, en geheel-en-al ontbreekt deze onwettigheid nergens. Het is dan ook moeielyk, ja onmogelyk, zodanig misbruik _geheel_ uit te roeien, daar het diep geworteld is in de aard der bevolking zelf die er onder lydt. De Javaan is gul, vooral waar het te doen is om een bewys te geven van gehechtheid aan zyn Hoofd, aan de afstammeling van hen wie zyn vaderen gehoorzaamden. Ja, hy zou menen te-kort te doen aan de eerbied die hy aan zyn erfelyke heer verschuldigd is, wanneer hy zonder geschenken diens _kratoon_ betrad. Zulke ge- schenken zyn dan ook dikwyls van zo weinig waarde, dat het afwyzen iets vernederends zou in zich sluiten, en vaak is alzo deze gewoonte eerder te vergelyken met de hulde van een kind dat zyn liefde tot de vader te tracht te uiten door 't aanbieden van een klein geschenk, dan op te vatten als schatting aan dwingelandse willekeur. Maar... aldus wordt door een _lief gebruik,_ de afschaffing van _mis- bruik_ belemmerd. Indien de _aloen-aloen_ (20) voor de woning van de Regent in ver- wilderde staat lag, zou de nabywonende bevolking hierover be- schaamd wezen, en er ware veel gezags nodig om haar te _beletten_ dat plein van onkruid te reinigen, en het te brengen in een staat die met de rang des Regents overeenstemt. Hiervoor enige betaling te geven, zou algemeen als een belediging worden aangemerkt. Maar naast die _aloen-aloen,_ of elders, liggen _Sawah's_ die op de ploeg wachten, of op een leiding die het water daarheen moet voeren, dikwyls van mylen ver... deze _Sawah's_ behoren de Regent. Hy roept, om _zyn_ velden te bewerken of te besproeien, de bevolking van ganse dorpen op, wier eigen _Sawah's_ evenzeer behoefte hebben aan bearbeiding... ziedaar het _misbruik._ Dit is aan de Regering bekend, en wie de staatsbladen leest, waarin de wetten, instruktin en handieidingen voor de ambtenaren bevat zyn, juicht de menslievendheid toe, die by het ontwerpen daarvan schynt te hebben voorgezeten. Alom wordt de Europeaan, met gezag in de binnenlanden bekleed, als een zyner duurste verplichtingen op 't hart gedrukt, de bevolking te beschermen tegen haar eigen onder- worpenheid en de hebzucht der Hoofden. En, als ware het niet ge- noeg, deze verplichting voor te schryven _in 't algemeen,_ er wordt nog van de _adsistent-residenten,_ by de aanvaarding van 't bestuur ener afdeling, een _afzonderlyke eed_ gevorderd, dat zy deze vaderlyke zorg voor de bevolking zullen beschouwen als een eerste plicht. Dit is voorzeker een schone roeping. Rechtvaardigheid voor te staan, de geringe te beschermen tegen de machtige, de zwakke te beschutten tegen de overmacht van de sterke, het ooilam van de arme terug te vorderen uit de stallen des vorstelyken rovers... zie, 't is om 't hart te doen gloeien van genot, by 't denkbeeld dat men geroepen is tot iets z schoons! En wie in de javase binnenlanden soms ontevre- den moge zyn met standplaats of beloning, hy sla het oog op de verheven plicht die op hem rust, op 't heerlyk genoegen dat de ver- vulling van _zulk_ een plicht met zich brengt, en hy zal geen andere beloning begeren. Maar... gemakkelyk is deze plicht niet. Vooreerst hebbe men juist te beoordelen, waar het _gebruik_ heeft opgehouden om voor _misbruik_ plaats te maken? En... waar het misbruik _bestaat,_ waar inderdaad roof of willekeur gepleegd _is,_ zyn veelal de slachtoffers zelf hieraan medeplichtig, hetzy uit te ver gedreven onderwerping, hetzy uit vrees, hetzy uit wantrouwen op de wil of de macht der persoon die hen beschermen moet. Ieder weet dat de _europese_ beambte elk ogen- blik kan geroepen worden tot een andere betrekking, en dat de _Re- gent, de machtige Regent,_ dr blyft. Voorts zyn er zo vl manieren om zich het eigendom van een arm onnozel mens toe te eigenen! Als een _mantrie_ (21) hem zegt dat de Regent zyn paard begeert, met dit gevolg dat het begeerde dier weldra plaats heeft gekregen in de stallen van de Regent, bewyst zulks nog volstrekt niet dat deze niet van voornemen was -- o, zeker! -- daarvoor een hoge prys te betalen... te- eniger-tyd. Als honderden arbeiden op de velden van een Hoofd zonder daarvoor betaling te ontvangen, volgt hieruit geenszins dat hy dit liet geschieden ten _zynen_ behoeve. Had niet zyn bedoeling kunnen zyn, hun de oogst over te laten uit de menslievende bereke- ning dat zyn grond beter gelegen was, vruchtbaarder dan de hunne, en dus hun arbeid milder belonen zou? Bovendien, vanwaar haalt de europese beambte de getuigen die de moed hebben een verklaring te doen tegen hun heer, de gevreesde Regent? En, waagde hy een beschuldiging, _zonder die te kunnen bewyzen,_ waar blyft dan de verhouding van _ouder broeder,_ die in zulk geval zyn _jongere broeder_ zonder grond zou hebben gekrenkt in zyn eer? Waar blyft de gunst van de Regering, die hem brood geeft voor dienst, maar hem dat brood opzegt, hem ontslaan zou als onbe- kwaam, wanneer hy een zo hooggeplaatst persoon als een _Tommon- gong, Adhipatti_ of _Pangerang_ had verdacht of aangeklaagd met ligtvaardigheid? Neen, neen, gemakkelyk is die plicht niet! Dit blykt reeds hieruit, dat de neiging der inlandse Hoofden om de grens van 't geoorloofd beschikken over arbeid en eigendom hunner onderhorigen te over- schryden, overal volmondig erkend wordt... dat alle adsistent-resi- denten de eed doen die misdadige hebbelykheid te-keer te gaan, en... dat toch slechts _zeer_ zelden een Regent wordt aangeklaagd wegens willekeur of misbruik van gezag. Er schynt dus wel een byna onoverkomelyke moeielykheid te bestaan, om gevolg te geven aan de eed: _`de inlandse bevolking te beschermen tegen uitzuiging en knevelary'._ Zesde hoofdstuk De kontroleur Verbrugge was een goed mens. Als men hem daar zag zitten in zyn blauw-lakense frak, met geborduurde eiken -- en oranje- takken op kraag en mouw-opslagen, was 't moeielyk in hem de type te miskennen die voorheerst onder de Hollanders in Indi... een mensensoort, in 't voorbygaan gezegd, die zeer onderscheiden is van de Hollanders in Holland. Traag zolang er niets te doen viel, en ver van de beredderingszucht die in Europa voor yver geldt, maar yverig waar bezigheid nodig was... eenvoudig maar hartelyk voor wie tot zyn omgeving behoorden... mededeelzaam, hulpvaardig en gast- vry... welgemanierd zonder styfheid... vatbaar voor goede indruk- ken... eerlyk en oprecht, zonder evenwel lust te voelen de martelaar van deze hoedanigheden te worden... in 't kort, hy was een man die, zoals men 't noemt, overal op zyn plaats zou wezen, zonder dat men echter op 't denkbeeld komen zou de eeuw naar hem te noemen, wat hy dan ook niet begeerde. Hy zat in 't midden van de _pendoppo_ by de tafel die met een wit kleed bedekt, en met spyzen beladen was. Wel enigszins ongeduldig vroeg hy van-tyd tot-tyd, met de woorden der vrouw van Blauw- baard, aan de _mandoor_-oppasser, dat is het hoofd van de policie -- en bureaudienaren der adsistent-residentie, of er niets in aantocht was? Dan stond hy eens op, beproefde vergeefs zyn sporen te doen klette- ren op de gestampte kleivloer van de _pendoppo,_ stak voor de twintig- ste maal zyn sigaar aan, en ging, als te-leurgesteld, weer zitten. Hy sprak weinig. En toch had hy knnen spreken, want hy was niet alleen. Ik bedoel hiermee nu juist niet dat hy vergezeld was van de twintig of dertig Javanen, bedienden, _mantries_ en oppassers die op de grond gehurkt in en buiten de _pendoppo_ zaten, noch van de velen die aanhoudend uit -- en inliepen, noch van 't groot aantal inlanders van verschillende rang, dat daar buiten de paarden vasthield, of te-paard rondreed... neen, de Regent zelf van Lebak, _Radhen Adhipatti Karta Natta Na- gara,_ zat tegenover hem. Wachten is altyd vervelend. Een kwartier duurt een uur, een uur een halve dag, en zo voort. Verbrugge had wel wat spraakzamer mogen zyn. De Regent van _Lebak_ was een beschaafd oud man, die over veel wist te spreken met verstand en oordeel. Men had hem slechts aan te zien om overtuigd te wezen dat het merendeel der Europeanen die met hem in aanraking kwamen, meer van hem, dan hy van hen te leren had. Zyn levendige donkere ogen weerspraken door hun vuur de vermoeidheid der trekken van zyn gelaat en de grysheid zyner haren. Wat hy zeide, was gewoonlyk lang overdacht -- een eigenaardigheid trouwens die by de beschaafde Oosterling algemeen is -- en wanneer men met hem in gesprek was, gevoelde men dat men zyn woorden te beschouwen had als brieven, waarvan hy de minuut in zyn archief had, om zonodig daarop te verwyzen. Dit nu moge onaangenaam schynen voor wie niet gewoon is aan de omgang met javaanse groten, 't is niet moeielyk alle onderwerpen van gesprek die aanstoot geven kunnen, te vermyden, vooral daar zy van hn kant nooit op bruske wyze aan de loop van 't onderhoud een andere richting geven zullen, omdat dit naar oosterse begrippen in- stryd wezen zou met de goede toon. Wie dus oorzaak heeft het aanroeren van een bepaald punt te vermyden, behoeft slechts over onbeduidende zaken te spreken, en hy kan verzekerd zyn dat een javaans hoofd hem niet, door een onbegeerde wending in 't gesprek, zal voeren op een terrein dat hy liever niet betrad. Over de beste wyze van omgang met die hoofden, bestaan overi- gens verschillende meningen. Het komt my voor dat eenvoudige oprechtheid, zonder streven naar diplomatische voorzichtigheid, de voorkeur verdient. (22) Hoe dit zy, Verbrugge begon met een banale opmerking over 't wer en de regen. `Ja, mynheer de kontroleur, het is westmoesson.' Dit nu wist Verbrugge wel: men was in januari. (23) Maar wat _hy_ over de regen gezegd had, wist de Regent ook. Hierop volgde weder enig zwygen. De Regent wenkte met een nauw zichtbare beweging van 't hoofd, een der bedienden die neergehurkt zaten aan de ingang der _pendoppo._ Een kleine jongen, allerliefst gevat in een blauw- fluwelen buis, witte pantalon, met gouden lyfband die zyn kostbare _sarong_ vasthield om de lenden, en op 't hoofd de behagelyke _kain kapala,_ waaronder zyn zwarte ogen zo ondeugend te voorschyn kwamen, kroop hurkende tot aan de voeten des Regents, zette de gouden doos neder, die de tabak, de kalk, de _sirie,_ de _pinang,_ en de _gambier_ bevatte, maakte de _slamat,_ door beide handen saamgevoegd op te heffen tot aan het diep neergebogen voorhoofd, en bood daarop zyn heer de kostbare doos aan. (24) `De weg zal moeielyk zyn na zoveel regen,' zei de Regent, als om 't lang wachten verklaarbaar te maken, terwyl hy een betelblad met kalk bestreek. `In 't _Pandeglangse_ is de weg zo slecht niet,' antwoordde Verbrug- ge die, als hy ten-minste niets stuitends wilde aanroeren, dit ant- woord wel wat ondoordacht gaf. Want hy had moeten bedenken dat een Regent aan _Lebak_ niet gaarne de wegen van _Pandeglang_ hoort roemen, al zyn die dan ook werkelyk beter dan in 't _Lebakse._ De _Adhipatti_ beging de fout van een te snel antwoord niet. De kleine _maas_ (25) was reeds al hurkend achterwaarts teruggekropen tot aan de ingang der _pendoppo,_ waar hy onder zyn makkers plaats nam... de Regent had reeds zyn lippen en weinige tanden bruinrood geverwd met het speeksel zyner sirie, voor hy zeide: `Ja, er is veel volk in _Pandeglang.'_ Voor wie de Regent en de kontroleur kende, voor wie de toestand van _Lebak_ geen geheim was, had het duidelyk kunnen blyken dat het gesprek reeds een stryd was geworden. Een toespeling namelyk op de betere staat der wegen in een naburige afdeling, scheen het vervolg te wezen op vergeefse pogingen om ook in _Lebak_ dusdanige betere wegen te doen aanleggen, of de bestaande beter te onderhouden. Doch hierin had de Regent gelyk, dat _Pandeglang_ dichter bevolkt was, vooral in verhouding tot de veel kleinere oppervlakte, en dat dus dr de arbeid aan de grote wegen door vereende krachten ligter viel dan in 't _Lebakse,_ een afdeling die op honderde palen oppervlakte, slechts zeventigduizend inwoners telde. `Dat is waar,' zei Verbrugge, `we hebben weinig volk hier, maar...' De _Adhipatti_ zag hem aan, als wachtte hy een aanval af. Hy wist dat er na dat `maar', iets volgen kon, dat onaangenaam zou te horen zyn voor hem, die sedert dertig jaren Regent van _Lebak_ geweest was. Het scheen dat Verbrugge op dit ogenblik geen lust had de stryd voort te zetten. Althans hy brak 't gesprek af, en vroeg weder aan de _mandoor_-oppasser of hy niets komen zag? `Ik zie nog niets van de kant van _Pandeglang,_ mynheer de kontro- leur, maar daar-ginds aan de andere zyde rydt iemand te-paard... het is de _toewan kommendaan.'_ `Welzeker, _Dongso,'_ zei Verbrugge naar buiten starende, `dat is de kommandant! Hy jaagt in deze buurt, en is vanmorgen vroeg reeds uitgegaan. H, Duclari... Duclari!' `Hy hoort u al, mynheer, hy komt hierheen. Zyn jongen rydt achter hem, met een _kidang_ (26) achter zich over 't paard.' _`Pegang koedahnja toewan kommendaan,'_ (27) gebood Verbrug- ge aan een der bedienden die buiten zaten. `Bonjour, Duclari! Ben je nat? Wat heb je geschoten? Kom binnen!' Een krachtig man van dertigjarige leeftyd en flinke militaire hou- ding, hoewel van uniform geen spoor was, trad de _pendoppo_ in. Het was de eerste-luitenant Duclari, kommandant van 't kleine garni- zoen te _Rangkas-Betoeng._ Verbrugge en hy waren bevriend, en hun gemeenzaamheid was te groter, daar Duclari sedert enige tyd de woning van Verbrugge betrokken had in afwachting der voltooiing van een nieuw fort. Hy drukte deze de hand, groette de Regent beleefd, en ging zitten onder de vraag: `wel, wat heb je al zo hier?' `Wil je thee, Duclari?' `Wel neen, ik ben warm genoeg! Heb je geen klapperwater? (28) Dat is frisser.' `Dat laat ik je niet geven. Als men warm is, houd ik klapperwater voor heel nadelig. Je wordt er styf en jichtig van. Zie eens de koelies die zware vrachten over de bergen dragen: zy houden zich vlug en lenig door heet water te drinken, of _koppi dahoen._ Maar _gemberthee_ (29) is nog beter...' `Wat? _Koppi dahoen,_ thee van koffibladen? Dat heb ik nog nooit gezien.' `Omdat je niet op Sumatra gediend hebt. Daar is 't de gewoonte.' `Laat me dan maar thee geven... maar niet van koffibladen, en ook niet van gember. Ja, je bent op Sumatra geweest... en de nieuwe adsistent-resident ook, niet waar?' Dit gesprek werd in 't hollands gevoerd, een taal die de Regent niet verstond. Hetzy Duclari gevoelde dat er iets onbeleefds in lag, hem hierdoor van 't onderhoud uit te sluiten, hetzyd-i hiermee een andere bedoeling had, op-eenmaal ging hy, zich tot de Regent wendende, in 't maleis voort: `Weet mynheer de _Adhipatti,_ dat m'nheer de kontro- leur de nieuwe adsistent-resident kent?' `Wel neen, dt heb ik niet gezegd, ik heb hem nooit gezien. Hy diende enige jaren vr my op Sumatra. Ik heb je maar gezegd dat ik daar veel over hem heb horen spreken, anders niet!' `Nu, dit komt op 'tzelfde neer. Men behoeft iemand juist niet te zien om hem te kennen. Hoe denkt m'nheer de _Adhipatti_ hierover?' De _Adhipatti_ had juist nodig een bediende te roepen. Er verliep dus wat tyd voor hy zeggen kon: `dat hy met de heer kommandant instemde, maar dat het toch dikwyls nodig was iemand te zien voor men hem beoordelen kon'. `Over 't geheel genomen is dit misschien waar,' ging nu Duclari in 't hollands voort hetzy omdat deze taal hem gemeenzamer was en hy meende genoeg gedaan te hebben voor de beleefdheid, hetzy omdat hy alleen door Verbrugge verstaan wilde worden -- `dit moge in 't algemeen waar zyn, maar omtrent Havelaar heeft men waarachtig geen persoonlyke kennismaking nodig... hy is een gek!' `Dat heb ik niet gezegd, Duclari!' `Neen, jy hebt dat niet gezegd, maar ik zeg het na al wat je my van hem verteld hebt. Ik noem iemand die in 't water springt om een hond te redden van de haaien, een gek.' `Nu ja, verstandig is 't zeker niet. Maar...' `En, hoor eens, dat versje tegen de generaal Vandamme... 't kwam niet te-pas!' `'t Was geestig...' `Tot je dienst! Maar een jong mens mag niet geestig zyn tegen een generaal.' `Je moet in 't oog houden dat hy nog zeer jong was... het is veertien jaar geleden. Hy was toen maar twee-en-twintig jaar oud.' `En dan de kalkoen die hy stal!' `Dat deed hy om de generaal te plagen.' `Juist! Een jong mens mag geen generaal plagen, die bovendien, als civiel gouverneur, zyn chef was. Dat andere versje vind ik aardig, maar... dat eeuwige duelleren!' `Hy deed het gewoonlyk voor een ander. Hy trok altyd party voor de zwakste.' `Wel laat ieder voor zichzelf duelleren, als men het dan volstrekt doen wil! Ik voor my geloof dat een duel zelden nodig is. Waar 't onvermydelyk was, zou ook ik een uitdaging aannemen, en in zekere gevallen zelf uitdagen, maar om daarvan dagelyks werk te maken... dank je! Het is te hopen dat hy veranderd is op dit punt.' `Wel zeker, daar is geen twyfel aan! Hy is nu zoveel ouder, daarby sedert lange tyd getrouwd, en adsistent-resident. Bovendien, ik heb altyd gehoord dat zyn hart goed was, en dat hy een warm gevoel had voor recht.' `Nu, dat zal hem te-pas komen in _Lebak!_ Daar is me juist iets voorgekomen, dat... zou de Regent ons verstaan?' `Ik geloof 't niet. Maar toon my iets uit je weitas, dan denkt hy dat we drover spreken.' Duclari nam zyn weitas, haalde daaruit een paar bosduiven, en die vogels betastende als sprak hy over de jacht, deelde hy Verbrugge mede dat hy zo-even in 't veld was nagelopen door een Javaan, die hem gevraagd had of hy niet iets doen kon tot verligting van de druk waaronder de bevolking zuchtte? (30) `En,' ging hy voort, `dit is zeer sterk, Verbrugge! Niet dat ik me verwonder over de zaak zelf. Ik ben lang genoeg in 't Bantamse om te weten wat hier voorvalt, maar dat de geringe Javaan, gewoonlyk zo omzichtig en terughoudend waar 't zyn hoofden geldt, zo-iets vraagt aan iemand die er niets mee te maken heeft, dit bevreemdt my!' `En wat heb je geantwoord, Duclari?' `Wl, dat het me niet aanging! Dat hy tot u moest gaan, of tot de nieuwe adsistent-resident, als die zou aangekomen zyn te _Rangkas- Betoeng,_ en dr zyn klachten uiten.' _`Ienie apa toewan-toewan datang!'_ riep op-eenmaal de oppasser Dongso. `Ik zie een _mantrie_ die met zyn _toedoeng_ wuift.' (31) Allen stonden op. Duclari, die niet door zyn tegenwoordigheid in de _pendoppo_ de schyn wilde aannemen als ware ook hy aan de gren- zen ter verwelkoming van de adsistent-resident, die wel zyn meerde- re doch niet zyn chef, en bovendien een gek was, steeg te-paard, en reed door zyn bediende gevolgd, heen. De _Adhipatti_ en Verbrugge stelden zich aan de ingang van de _pendoppo,_ en zagen een door vier paarden getrokken reiswagen na- teren, die weldra vry bemodderd by 't bamboezen gebouwtje stil- hield. Het zou moeielyk geweest zyn te raden wat er zich al zo in die wagen bevond, voor _Dongso,_ geholpen door de lopers en een tal van bedienden die tot het gevolg van de Regent behoorden, al de riemen en knoopsels hadden losgemaakt, die het voertuig hielden ingesloten met een zwart lederen foedraal dat aan de diskretie herinnerde, waar- mee in vroeger jaren leeuwen en tygers de stad inkwamen, toen de zologische tuinen nog reizende dierenspellen waren. Leeuwen of tygers nu waren er in de wagen niet. Men had alles maar zo zorgvul- dig gesloten omdat het westmoesson was, en men dus op regen moest bedacht zyn. Nu is 't uitstappen uit een reiswagen waarin men lang over de weg gehotst heeft, niet zo gemakkelyk als iemand die nooit of weinig gereisd heeft, zich verbeelden zou. Nagenoeg als te arme _Saurirs_ uit de voorwereld, die door lang wachten ten-laatste een integrerend deel uitmaken van de klei, waarin ze aanvankelyk niet gekomen waren met het plan om er te blyven, heeft er ook by reizi- gers die wat nauw op-n gedrukt en in gedwongen houding, te lang in een reiswagen gezeten hebben, iets plaats, wat ik u voorstel _assimi- latie_ te noemen. Men weet eindelyk niet juist meer waar 't lederen kussen van de wagen ophoudt, en waar de ikheid aanvangt, ja, het denkbeeld is me niet vreemd dat men in zulk een wagen kiespyn of kramp hebben kan, die men voor mot in 't laken aanziet, of omge- keerd. Er zyn weinig omstandigheden in de stoffelyke wereld, die de denkende mens geen aanleiding geven tot het maken van opmerkin- gen op verstandelyk gebied, en zo heb ik myzelf dikwyls afgevraagd of niet veel dwalingen die onder ons kracht van wet hebben, veel `scheefheden' die wy voor `recht' houden, hieruit voortvloeien, dat men te lang met hetzelfde gezelschap in dezelfde reiswagen heeft gezeten? Het been dat ge daar links uitsteken moest, tussen de hoede- doos en 't mandje met kersen... de knie die ge tegen 't portier gedrukt hield, om de dame tegenover u niet te doen denken dat ge een aanval in de zin hadt op krinoline of deugd... de gelikdoornde voet die zo bang was voor de hakken van de _commis-voyageur_ naast u... de hals die ge zo lang links moest wenden, omdat het drupt aan de rechterzy- de... zie, dat worden zo alle ten-laatste halzen, en knien, en voeten, die iets verdraaids bekomen. Ik houd het voor goed, van tyd tot-tyd eens te wisselen van wagens, zitplaats en medereizigers. Men kan dan zyn hals eens anders wenden, men beweegt nu-en-dan zyn knie, en misschien zit er eens een juffrouw naast ons met dansschoenen, of een jongetje wiens beentjes de grond niet raken. Men heeft dan meer kans om _recht_ te zien en _recht_ te lopen, zodra men weer vaste grond onder de voeten krygt. Of er ook in de wagen, die nu voor de _pendoppo_ stilhield, zich iets verzette tegen de `oplossing der continuteit' weet ik niet, maar zeker is 't dat het lang duurde voor er iets te voorschyn kwam. Er scheen een stryd van hoffelykheid gevoerd te worden. Men vernam de woorden: `als 't u belieft, mevrouw!' en `resident!' Hoe dit zy, eindelyk stapte er een heer uit, die in houding en voorkomen wel iets vertoonde dat denken deed aan de Saurirs waarvan ik zo-even gesproken heb. Daar wy hem later zullen weerzien, wil ik u maar terstond zeggen dat zyn onbewegelykheid niet uitsluitend moest geweten worden aan de assimilatie met de reiswagen, want dat hy, ook als er op mylen afstands geen voertuig in de buurt was, een kalmte, een langzaam- heid en een voorzichtigheid aan de dag le, die menige Saurir jaloers maken zou, en die in de ogen van velen de kenmerken zyn van deftigheid, bezadigdheid en wysheid. Hy was, zoals de meeste Euro- peanen in Indi, zeer bleek, hetgeen-echter in die streken geenszins voor een blyk van minder goede gezondheid wordt gehouden, en hy had fyne trekken die wel getuigden van verstandelyke ontwikkeling. Alleen was er iets kouds in zyn blik, iets wat u denken deed aan een logaritmentafel, en hoewel zyn voorkomen over 't geheel niet onbe- hagelyk of terugstotend was, kon men zich toch niet onthouden van de verdenking dat zyn vry grote magere neus zich op dat gelaat verveelde, omdat er zo weinig op voorviel. Met beleefdheid bood hy zyn hand aan een dame, om haar by het uitstygen behulpzaam te zyn, en nadat deze van een heer die nog in de wagen zat, een kind had aangenomen, een klein blond jongetje van een jaar of drie, traden zy de _pendoppo_ in. Daarop volgde die heer zelf, en wie op Java bekend was, zou het als een byzonderheid in 't oog gevallen zyn, dat hy by 't portier wachtte om 't uitstygen gemakke- lyk te maken aan een oude Javaanse _baboe._ (32) Een drietal bedienden hadden zichzelf verlost uit het wasleren kastje, dat achter de wagen was vastgeplakt als een jonge oester op de rug van zyn mama. De heer die het eerst was uitgestegen, had de Regent en de kontro- leur Verbrugge de hand geboden, die zy met eerbied aannamen, en in hun gehele houding was te bespeuren dat zy gevoelden zich in de tegenwoordigheid te bevinden van een gewichtig persoon. Het was de resident van _Bantam,_ de grote landstreek waarvan _Lebak_ een afdeling, een regentschap, of, zoals men officieel zegt, een _adsistent- residentie_ is. By 't lezen van verdichte verhalen, heb ik my meermalen gergerd over de weinige eerbied der schryvers voor de smaak van 't publiek, en vooral was dit het geval, waar zy blyk gaven iets te willen voort- brengen dat koddig of burlesk heten moest, om nu niet van _humor_ te spreken, een eigenaardigheid die byna doorgaande allerjammerlykst wordt verward met het _komieke._ Men voert een persoon sprekende in, die de taal niet verstaat of slecht uitspreekt, men laat een fransman zeggen: `ka kauw na de krote krak' of `krietje kooit keen kare kroente kraak wek'. By-gebrek aan een fransman, neemt men iemand die stamelt, of men `schept' een persoon die zyn stokpaardje maakt van een paar telkens wederkerende woorden. Ik heb een allerzotste vau- deville zien `russeren' omdat daarin iemand voorkwam, die gedurig zeide: _`myn naam is Meyer.'_ My komen zulke geestigheden wat goedkoop voor, en, om de waarheid te zeggen, ik ben boos op u als ge zo-iets grappig vindt. Maar nu heb ik zelf u iets dergelyks voor te stellen. Ik moet van-tyd tot-tyd iemand ten-tonele voeren -- ik zal 't zo weinig mogelyk doen -- die inderdaad een manier van spreken had, welke my doet vrezen verdacht te worden van een mislukte poging om u te doen lachen, en hierom moet ik u uitdrukkelyk verzekeren dat het niet _myn_ schuld is, als de hoogstdeftige resident van Bantam, van wie hier de rede is, iets z eigenaardigs vertoonde in zyn wyze van spreken, dat het me moeielyk valt dat weer te geven, zonder de schyn op me te laden dat ik effekt van geestigheid zoek in een _tic._ Hy sprak namelyk op een toon, alsof achter elk woord een punt stond, of zelfs een lang rustteken, en ik kan de ruimte tussen zyn woorden niet beter vergelyken dan by de stilte die er volgt op het `amen' na een lang gebed in de kerk, hetwelk zoals ieder weet, een sein is dat men de tyd heeft tot verzitten, hoesten of neussnuiten. Wat hy zeide, was gewoonlyk goed over- dacht, en wanneer hy zich die ontydige rustpunten had kunnen afwennen, zouden zyn zinsneden, uit een redekunstig oogpunt al- thans, meestal een gezond aanzien gehad hebben. Maar al dat afbrok- kelen, dat stoterige en hobbelige, maakte het aanhoren lastig. Men viel er dan ook dikwyls over. Want gewoonlyk, als men begonnen was te antwoorden in de goedige mening dat de zin uit was, en dat hy de aanvulling van 't ontbrekende aan de scherpzinnigheid van zyn toehoorder overliet, kwamen de nog ontbrekende woorden als _trai- nards_ van een geslagen leger achteraan, en deden u gevoelen dat ge hem in de rede waart gevallen, wat altyd onaangenaam is. Het pu- bliek der hoofdplaats _Serang,_ voor-zo-ver men niet in dienst stond van 't gouvernement -- een verhouding die de meesten iets omzich- tigs geeft -- noemde zyn gesprekken `slymerig'. Ik vind dit woord niet zeer smaakvol, doch moet erkennen dat het de hoofdeigenschap van des residents welsprekendheid vry juist uitdrukte. Ik heb van Max Havelaar en zyn vrouw -- want dit waren de beide personen die na de resident met hun kind en de _baboe_ uit de wagen gekomen waren -- nog niets gezegd, en misschien ware het voldoen- de, de kenschetsing van hun voorkomen en karakter aan de loop der gebeurtenissen en des lezers eigen verbeelding over te laten. Daar ik evenwel nu eenmaal aan 't beschryven ben, wil ik u zeggen dat mevrouw Havelaar niet schoon was, dat zy echter in blik en spraak iets zeer lieftalligs bezat, en door de gemakkelyke ongedwongenheid van haar manieren het onmiskenbaar teken gaf, dat zy in de wereld was geweest, en in de hogere klassen der maatschappy te-huis be- hoorde. Zy had niet dat styve en onbehagelyke van 't burgerlyk fatsoen dat, om voor `gedistingeerd' door te gaan, zich en anderen meent te moeten plagen met _gne,_ en ze hechtte dan ook niet aan veel uiterlyks wat voor sommige andere vrouwen waarde schynt te heb- ben. Ook in haar kleding was zy een voorbeeld van eenvoudigheid. Een wit _baadjoe_ van moesselien, met blauwe _cordelire_ -- ik geloof dat men in Europa zulk een kledingstuk _peignoir_ noemen zou -- was haar reiskleed. Om de hals had zy een dun zyden koordje, waaraan twee kleine medaljons, die ge echter niet te zien kreegt, daar ze verscholen waren in de plooien voor haar borst. Overigens, de haren _ la chinoise,_ en een kransje _melati_ in de _kondeh..._ ziedaar al haar toilet. (33) Ik zeide dat ze niet schoon was, en toch wilde ik niet gaarne dat ge haar voor het tegendeel hieldt. Ik hoop dat ge haar schoon vinden zult, zodra ik gelegenheid zal hebben haar voor te stellen, gloeiend van verontwaardiging over wat zy de `miskenning van 't genie' noemde, als haar aangebeden Max in 't spel was, of wanneer haar een denkbeeld bezielde, dat in-verband stond met het welzyn van haar kind. Te dikwyls reeds is er gezegd dat het gelaat de spiegel der ziel is, om nog prys te stellen op de portretwaarde van een onbewegelyk gezicht, dat niets heeft af te spiegelen omdat er geen ziel in weer- schynt. Welnu, _zy_ had een schone ziel, en wel moest men blind zyn, om niet ook haar gelaat voor schoon te houden als die ziel daarop te lezen stond. Havelaar was een man van vyf-en-dertig jaren. Hy was slank, en vlug in zyn bewegingen. Buiten zyn korte en bewegelyke bovenlip, en zyn grote flauw-blauwe ogen die, als hy in kalme stemming was, iets dromerigs hadden, maar vuur schoten als een groot denkbeeld hem beheerste, viel er in zyn voorkomen niets byzonders op te mer- ken. Zyn blonde haren hingen sluik langs de slapen, en ik begryp zeer goed dat weinigen, hem voor 't eerst ziende, op het denkbeeld komen zouden iemand voor zich te hebben, die wat hoofd en hart beide aangaat tot de zeldzaamheden behoorde. Hy was een `vat vol tegen- strydigheids'. Scherp als een vlym, en zacht als een meisje, voelde hyzelf altyd het eerst de wonde die zyn bittere woorden geslagen hadden, en hy leed daaronder meer dan de gekwetste. Hy was vlug van begrip, vatte terstond het hoogste, en het ingewikkeldste, speel- de gaarne met de oplossing van moeielyke vragen, had daarvoor alle moeite, alle studie, alle inspanning veil... en dikwyls toch begreep hy de eenvoudigste zaak niet, die een kind hem had kunnen uitleggen. Vol liefde voor waarheid en recht, verwaarloosde hy menigmaal zyn eenvoudigste naastbyliggende verplichtingen, om een onrecht te herstellen dat hoger of verder of dieper lag, en dat door de vermoede- lyk grotere inspanning van de stryd hem meer aanlokte. Hy was ridderlyk en moedig, maar verspilde, als die andere Don Quichot, zyn dapperheid dikwyls op een windmolen. Hy gloeide van onverza- delyke eerzucht die hem alle gewone onderscheiding in 't maatschap- pelyk leven, als nietig deed voorkomen, en toch stelde hy zyn grootst geluk in een kalm huiselyk vergeten leven. Dichter in de hoogste zin van 't woord, droomde hy zich zonnestelsels by een vonk, bevolkte die met schepsels van zyn maaksel, voelde zich heer van een wereld die hyzelf had in 't leven geroepen... en kon toch zeer goed terstond daarop zonder de minste dromery een gesprek voeren over de prys van de ryst, de regels der taal, of de oekonomische voordelen ener egyptische hoenderbroeiery. Geen wetenschap was hem geheel vreemd. Hem _ahnde_ wat hy niet wist -- en hy bezat in hoge mate de gaaf om 't weinige dat hy wist -- ieder weet weinig, en hy, misschien meer wetende dan sommige anderen, maakte op deze regel geen uitzondering -- om dat weinige aan te wenden op een wys die de maat zyner kennis vermenigvuldigde. Hy was stipt en ordelyk, en daarby buitengewoon geduldig, doch juist omdat stiptheid, orde en geduld hem moeielyk vielen, daar zyn geest iets wilds had. Hy was langzaam en omzichtig in 't beoordelen van zaken, hoewel dit niet zo scheen aan wie hem zo haastig zyn slotsommen hoorden uiten. Zyn indrukken waren te levendig, dan dat men ze voor duurzaam houden durfde, en toch bewees hy dikwyls dat ze duurzaam waren. Al wat groot en verheven was, lokte hem aan, en tegelyker-tyd was hy onnozel en naf als een kind. Hy was eerlyk, vooral waar eerlykheid in 't groot- moedige overging, en zou honderden die hy schuldig was, onbetaald laten omdat hy duizenden had weggeschonken. Hy was geestig en onderhoudend wanneer hy gevoelde dat zyn geest begrepen werd, maar anders stug en teruggetrokken. Hartelyk voor zyn vrienden, maakte hy -- wat te snel soms -- zyn vriend van al wat leed. Hy was gevoelig voor liefde en aanhankelykheid... trouw aan zyn gegeven woord... zwak in kleinigheden, maar standvastig tot hoofdigheid toe, waar 't hem de moeite waard scheen karakter te tonen... nederig en welwillend voor wie zyn geestelyk overwicht erkenden, doch lastig wanneer men poogde zich daartegen te verzetten... rondborstig uit trots, en by vlagen achterhoudend, waar hy vreesde dat men zyn oprechtheid zou aanzien voor onverstand... evenzeer vatbaar voor zinnelyk als voor geestelyk genot... beschroomd en slecht bespraakt waar hy meende niet begrepen te worden, maar welsprekend als hy gevoelde dat zyn woorden op willige bodem vielen... traag als hy niet werd aangespoord door enige prikkel die voortkwam uit zyn eigen ziel, maar yverig, vurig, en doortastend waar dit wel het geval was... voorts, vriendelyk, beschaafd in zyn manieren, en onberispelyk van gedrag: ziedaar nagenoeg Havelaar! Ik zeg: nagenoeg. Want indien reeds alle bepalingen moeielyk zyn, geldt dit vooral van de beschryving van een persoon die zeer ver van de dagelykse grondvorm afwykt. Het zal dan ook wel hierom wezen, dat romandichters hun helden gewoonlyk tot duivels of enge- len maken. Zwart of wit laat zich gemakkelyk schilderen, maar moei- elyker is 't juist weergeven van schakeringen die daartussen liggen, wanneer men aan waarheid gebonden is en dus noch te donker noch te licht mag kleuren. Ik gevoel dat de schets die ik van Havelaar trachtte te geven, hoogst onvolkomen is. De bouwstoffen die voor me liggen, zyn van zo uiteenlopende aard, dat ze my door overmaat van rykdom is myn oordeel belemmeren, en ik zal dus wellicht daarop, onder het ontwikkelen der gebeurtenissen die ik wens mee te delen, ter-aanvulling terugkomen. Dit is zeker, hy was een ongewoon mens, en wel de moeite van 't bestuderen waardig. Ik bemerk nu reeds dat ik verzuimd heb als een zyner hoofdtrekken op te geven, dat hy de belachelyke en de ernstige zyde der dingen met dezelfde snel- heid en te-gelykertyd opvatte, aan welke eigenschap zyn wyze van spreken, zonder dat hyzelf dit wist, een soort van _humor_ ontleende, die zyn toehoorders gedurig in twyfel bracht, of ze getroffen waren door 't diep gevoel dat in zyn woorden heerste, of dat ze te lachen hadden over de koddigheid die op-eenmaal de ernst daarvan afbrak. Opmerkelyk was 't dat zyn voorkomen, en zelfs zyn aandoenin- gen, zo weinig sporen droegen van zyn doorgebracht leven. Het roemen op ondervinding is een belachelyke gemeenplaats geworden. Er zyn lieden die vyftig of zestig jaren lang meedreven met het stroompje, waarin ze beweren te zwemmen, en die van al die tyd weinig anders zouden kunnen verhalen dan dat ze verhuisd zyn van de =a=-gracht naar de =b=-straat. Niets is gewoner dan op ervaring te horen bogen, juist door hen die hun gryze haren zo gemakkelyk verkregen. Anderen weer menen hun aanspraken op ondervinding te mogen gronden op werkelyk ondergane lotwisseling, zonder dat echter uit iets blykt dat ze door die veranderingen werden aangegre- pen in hun zieleleven. Ik kan me voorstellen dat het bywonen, of ondergaan zelfs, van gewichtige gebeurtenissen weinig of geen in- vloed heeft op zeker soort van gemoederen, die niet zyn toegerust met de vatbaarheid om indrukken op te vangen en te verwerken. Wie hieraan twyfelt, vrage zich af of men ondervinding zou mogen toe- kennen aan al de bewoners van Frankryk, die veertig of vyftig jaren oud waren in 1815? En zy allen waren toch personen die 't belangryk drama dat in 1789 aanving, hadden zien opvoeren niet alleen, maar die zelfs in meer of min gewichtige rol, dat drama hadden meege- speeld. En, omgekeerd, hoe velen ondergaan een reeks van aandoeningen, zonder dat de uiterlyke omstandigheden hiertoe schenen aanleiding te geven. Men denke aan de Cruso-romans, aan Silvio Pellico's gevangenschap, aan 't allerliefste _Picciola_ van Saintine, aan de stryd in de borst ener `oude vryster' die haar geheel leven door, n liefde koesterde, zonder ooit door een enkel woord te verraden wat er omging in haar hart, aan de aandoeningen van de mensenvriend die, zonder uiterlyk in de loop der gebeurtenissen betrokken te zyn, vurig belang stelt in 't welzyn van medeburger of medemens. Men stelle zich voor, hoe hy beurtelings hoopt en vreest, hoe hy elke verande- ring gadeslaat, zich opwindt voor een schoon denkbeeld, en gloeit van verontwaardiging, als hy het ziet wegdringen en vertrappen door de velen die, voor een ogenblik althans, sterker waren dan schone denk- beelden. Men denke aan de wysgeer die van uit zyn cel aan 't volk tracht te leren wat waarheid is, als hy bemerken moet dat zyn stem overschreeuwd wordt door pitistische huichelary of gewinzoekende kwakzalvers. Men stelle zich Sokrates voor -- niet als hy de gifbeker ledigt, want ik bedoel hier de ondervinding van 't gemoed, en niet die welke rechtstreeks door uiterlyke omstandigheden veroorzaakt wordt -- hoe bitter bedroefd zyn ziel moet geweest zyn, toen hy die 't goede en ware zocht, zich hoorde noemen `een bederver der jeugd en een verachter der goden'. Of beter nog: men denke aan Jezus, waar hy zo treurig staart op Jeruzalem, en zich beklaagt `dat het niet gewild heeft'. Zulk een kreet van smart -- vr gifbeker of kruishout -- vloeit niet uit een ongedeerd hart. Dr moet geleden zyn, veel geleden, daar is _ondervonden!_ Deze tirade is me ontsnapt... ze staat er nu eenmaal, en blyve. Havelaar had veel ondervonden. Wilt ge iets dat opweegt tegen de verhuizing van de =a=-gracht! Hy had schipbreuk geleden, meer dan eens. Hy had brand, oproer, sluikmoord, oorlog, duellen, weelde, armoede, honger, cholera, liefde en `liefden' in zyn dagboek staan. Hy had vele landen bezocht, en omgang gehad met lieden van allerlei ras en stand, zeden, vooroordelen, godsdienst en gelaatskleur. Wat dus de levensomstandigheden aangaat, _kon_ hy veel onder- vonden hebben. En dat hy werkelyk veel ondervonden hd, dat hy 't leven niet was doorgegaan zonder de indrukken _op te vangen_ die 't hem zo ruimschoots aanbood, daarvoor moge ons de vlugheid van zyn geest borg wezen, en de ontvankelykheid van zyn gemoed. Dit nu wekte verwondering van allen die wisten of gissen konden hoeveel hy had bygewoond en geleden, dat hiervan zo weinig op zyn gelaat te lezen was. Wel sprak er uit zyn trekken iets als vermoeienis, doch dit deed eer denken aan vroegrype jeugd dan aan naderende ouderdom. En naderende ouderdom had het toch moeten zyn, want in Indi is de man van vyfendertig jaar niet jong meer. Ook zyn aandoeningen, zeide ik, waren jong gebleven. Hy kon spelen met een kind, en als een kind, en meermalen klaagde hy dat `kleine Max' nog te jong was om vliegers op te laten, omdat hy `de grote Max' daarvan zoveel hield. Met jongens sprong hy `haasje- over' en hy tekende heel gaarne een patroon voor 't borduurwerk van de meisjes. Zelfs nam hy dezen meermalen de naald uit de hand, en vermaakte zich met dat werk, of schoon hy dikwyls zei dat ze wel wat beters konden doen dan dat `machinale steken tellen'. By jongelieden van achttien jaren was hy een jong student, die gaarne zyn _Patriam canimus_ meezong, of _Gaudeamus igitur..._ ja, ik ben niet geheel zeker, dat hy niet nog zeer kort geleden, toen hy met verlof te Am- sterdam was, een uithangbord heeft afgebroken, dat hem niet be- haagde omdat er een neger op geschilderd was, geboeid aan de voeten van een Europeaan met een lange pyp in de mond, en waaronder natuurlyk te lezen stond: _de rokende jonge koopman._ De _baboe_ die hy uit de wagen had geholpen, geleek op alle baboes in Indi, als ze oud zyn. Wanneer ge deze soort van bedienden kent, behoef ik u niet te zeggen hoe zy er uitzag. En als gy ze niet kent, kan ik het u niet zeggen. Dit alleen onderscheidde haar van andere kin- dermeiden in Indi, dat ze zeer weinig te doen had. Want mevrouw Havelaar was een voorbeeld van zorg voor haar kind, en wat er voor of met de kleine Max te doen viel, deed zyzelf, tot grote verwondering van veel andere dames, die niet goedkeurden dat men zich maakte tot `slavin van zyn kinderen'. Zevende hoofdstuk De resident van _Bantam_ stelde de Regent en de kontroleur aan de nieuwe adsistent-resident voor. Havelaar begroette beide ambtena- ren hoffelyk. De kontroleur -- er is altyd iets pynlyks in de ontmoe- ting van een nieuwe chef -- zette hy door enige vriendelyke woorden op zyn gemak, als wilde hy terstond reeds een soort van gemeen- zaamheid invoeren, die 't verkeer zou gemakkelyk maken. Met de Regent was zyn ontmoeting zoals dit behoorde met een persoon die de gouden _pajong_ voert (34) maar die te-gelyker-tyd zyn `jonger broeder' wezen zou. Met deftige minzaamheid berispte hy hem over zyn te vurige dienstyver, die in zlk een weder hem tot aan de grenzen zyner afdeling gevoerd had, 'tgeen dan ook de Regent, strikt genomen volgens de regelen der etikette, niet had behoeven te doen. `Waarlyk, mynheer de _Adhipatti,_ ik ben boos op u dat ge u zoveel moeite gegeven hebt om-mynentwil! Ik dacht u eerst te _Rangkas- Betoeng_ aan te treffen.' `Ik wenste de heer adsistent-resident zo spoedig mogelyk te zien om vriendschap te sluiten,' zei de _Adhipatti._ `Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet gaarne iemand van uw rang en uw jaren zich al te veel inspannen. En te- paard nogal!' `Ja, mynheer de adsistent-resident! Waar de dienst me roept, ben ik nog altyd vlug en sterk.' `Dit is te veel van uzelf gevergd! Niet waar, resident?' `De heer _Adhipatti._ Is. Zeer.' `Goed, maar er is een grens.' `Yverig,' sleepte de resident achterna. `Goed, maar er is een grens,' moest Havelaar nogeens zeggen, als om 't vorige terug te slikken. `Als u 't goed vindt, resident, zullen we plaats in de wagen maken. De _baboe_ kan hier blyven, we zullen haar een _tandoe_ (35) zenden van _Rangkas-Betoeng._ Myn vrouw neemt Max op de schoot... niet waar, Tine? En dan is er plaats genoeg.' `Het. Is. My.' `Verbrugge, we zullen ook u passage geven, ik zie niet in...' `Wl!' zei de resident. `Ik zie niet in waarom ge zonder noodzaak te-paard door de modder zoudt klepperen... er is plaats genoeg voor ons allen. We kunnen dan met-een terstond kennis maken. Niet waar, Tine, we zullen ons wel schikken? Hier, Max... kyk eens, Verbrugge, is dat niet een aardig kereltje? Dat is myn kleine jongen... dat is Max!' De resident had met de _Adhipatti_ in de _pendoppo_ plaats genomen. Havelaar riep Verbrugge om hem te vragen wie die schimmel be- hoorde met rode schabrak? En toen Verbrugge naar de ingang van de _pendoppo_ trad, om te zien welk paard hy bedoelde, legde hy deze de hand op de schouder, en vroeg: `Is de Regent altyd zo dienstyverig?' `'t Is een kras man voor zyn jaren, m'nheer Havelaar, en u begrypt dat hy gaarne een goede indruk op u maken zou.' `Ja, dat begryp ik. Ik heb veel goeds van hem gehoord... hy is beschaafd, niet waar?' `O ja...' `En hy heeft een grote familie?' Verbrugge zag Havelaar aan, als begreep hy deze overgang niet. Dit was dan ook, voor wie hem niet kende, dikwyls moeielyk. De vlugheid van zyn geest deed hem in gesprekken meermalen enige schakels der redenering overslaan, en hoe geleidelyk ook deze over- gang plaats vond in _zyn_ gedachten, was het toch iemand die minder vlug was, of niet gewoon aan zyn vlugheid, niet euvel te duiden wanneer men by zulk een gelegenheid hem aanstaarde met de onuit- gesproken vraag op de lippen: ben je gek... of hoe is het? Zo-iets lag er dan ook in de trekken van Verbrugge, en Havelaar moest de vraag herhalen, voor hy antwoordde: `Ja, hy heeft een zeer uitgebreide familie.' `En zyn er _Medjiets_ in aanbouw in de afdeling?' ging Havelaar voort, alweer op een toon die, geheel in tegenspraak met de woorden zelf, scheen aan te duiden dat er verband bestond tussen die _mos- keen_ en de `grote familie' van de Regent. Verbrugge antwoordde dat er werkelyk veel aan moskeen gear- beid werd. `Ja, ja, dat wist ik wel!' riep Havelaar. `En zeg me nu eens, of er veel achterstand is in de betaling van de landrenten?' `Ja, dat kon wel beter zyn...' `Juist, en vooral in het distrikt _Parang-Koedjang,'_ zei Havelaar, als vond hy 't makkelyker zelf te antwoorden. `Hoe hoog is de aanslag van dit jaar?' ging hy voort, en bemerkende dat Verbrugge enigszins weifelde, als om zich op 't antwoord te bezinnen, voorkwam hem Havelaar, die in n adem aldus vervolgde: `Goed, goed, ik weet het al... zes-en-tachtig duizend en enige hon- derden... vyftien duizend meer dan 't vorige jaar... doch maar zesdui- zend boven '45. We zyn sedert '53 maar achtduizend vooruit ge- gaan... en ook de bevolking is zeer schraal... nu ja, Malthus! In twaalf jaar zyn we maar elf procent gestegen, en dit is nog de vraag, want de tellingen waren vroeger zeer onnauwkeurig... en nog! Van '50 op '51 is er zelfs een teruggang. Ook de veestapel gaat niet vooruit... dat is een slecht teken, Verbrugge! (36) Wat drommel, zie dat paard eens springen, ik geloof dat het koldert... kom eens kyken, Max!' Verbrugge bemerkte dat hy de nieuwe adsistent-resident weinig zou te leren hebben, en dat er geen kwestie was van overwicht door lokale `ancinneteit', wat de goede jongen dan ook niet begeerd had. `Maar 't is natuurlyk,' ging Havelaar voort, terwyl hy Max op de arm nam. `In het _Tjikandische_ en _Bolangse_ zyn ze er heel bly om... en de opstandelingen in de _Lampongs_ ook. (37) Ik beveel me zeer aan voor uw medewerking, m'nheer Verbrugge! De Regent is een man van jaren, en dus moeten we... zeg eens, is zyn schoonzoon nog altyd distriktshoofd? Alles saamgenomen houd ik hem voor een persoon die inschikkelykheid verdient... de Regent, meen ik. Ik ben zeer bly dat hier alles zo achterlyk en armoedig is, en... hoop hier lang te blyven.' Hierop reikte hy aan Verbrugge de hand, en deze, met hem terug- kerende naar de tafel waar de resident, de _Adhipatti_ en mevrouw Havelaar gezeten waren, voelde reeds iets beter dan vyf minuten vroeger, dat `die Havelaar zo gek niet was' als de kommandant meen- de. Verbrugge was volstrekt niet misdeeld van verstand, en hy die de afdeling _Lebak_ kende, nagenoeg zo goed als een zo grote landstreek, waar niets gedrukt wordt, door n persoon gekend worden kn, begon in te zien dat er toch verband was tussen de schynbaar niet samenhangende vragen van Havelaar, en tevens dat de nieuwe adsis- tent-resident, hoezeer hy nooit de afdeling betreden had, iets wist van wat er omging. Wel begreep hy nog altyd die vreugde niet over de armoede in _Lebak,_ maar hy drong zich op, die uitdrukking verkeerd verstaan te hebben. Later evenwel, toen Havelaar hem meermalen hetzelfde zeide, zag hy in hoeveel groots en edels er was in die vreugde. Havelaar en Verbrugge namen de plaats by de tafel, en onder 't gebruiken van thee over onbeduidende dingen sprekende, wachtte men tot Dongso de resident kwam berichten dat de verse paarden waren voorgespannen. Men pakte zich zo goed mogelyk in de wagen, en reed heen. Door 't hotsen en stoten viel 't spreken moeielyk. Kleine Max werd rustig gehouden met _pisang_ (38) en zyn moeder die hem op de schoot had, wilde volstrekt niet bekennen dat ze vermoeid was, als Havelaar aanbood haar van de zware jongen te ontlasten. In een ogenblik van gedwongen rust in een moddergat, vroeg Verbrug- ge de resident, of hy met de nieuwe adsistent-resident reeds gespro- ken had over mevrouw Slotering? `M'nheer, Havelaar. Heeft. Gezegd.' `Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan by ons blyven. Ik zou niet gaarne...' `Dat. Het. Goed. Was.' sleepte de resident er met veel moeite by. `Ik zou niet gaarne myn huis ontzeggen aan een dame in hr omstandigheden! Zo-iets spreekt vanzelf... niet waar, Tine?' Ook Tine meende dat het vanzelf sprak. `U heeft twee huizen te _Rangkas-Betoeng,'_ zei Verbrugge. `Er is ruimte in overvloed voor twee familin.' `Maar, al was dit zo niet...' `Ik. Durfde. Het. Haar.' `Wel, resident,' riep mevrouw Havelaar, `er is geen twyfel aan!' `Niet. Toezeggen. Want. Het. Is.' `Al waren ze met hun tienen, als ze 't maar voor lief nemen by ons.' `Een. Grote. Last. Zy. Is.' `Maar het reizen in haar positie is onmogelyk, resident!' Een hevige schok van de wagen die ontmodderd werd, zette een uitroepingsteken achter Tine's verklaring dat het reizen onmogelyk was voor mevrouw Slotering. Ieder had het gebruikelyke _h!_ geroe- pen, dat op zulk een stoot volgt, Max had in de schoot zyner moeder de _pisang_ weergevonden, die hy door de schok verloor, en reeds was men een heel eind nader aan de modderdiepte die straks komen zou, voor de resident besluiten kon zyn zinsnede te voleinden, door er by te voegen: `Een. Inlandse. Vrouw.' `O, dit is volkomen hetzelfde,' trachtte mevrouw Havelaar ver- staanbaar te maken. De resident knikte, als vond hy het goed dat die zaak dus geregeld was, en daar het spreken zo moeielyk viel, brak men 't gesprek af. Die mevrouw Slotering was de weduw van Havelaars voorganger die twee maanden geleden gestorven was. Verbrugge, daarop voorlo- pig belast met het ambt van adsistent-resident, zou 't recht gehad hebben, gedurende die tyd de ruime woning te betrekken, die te _Rangkas-Betoeng,_ zoals in elke afdeling, van-landswege voor 't hoofd van het gewestelykbestuur is opgericht. Hy had dit echter niet gedaan, gedeeltelyk misschien uit vrees dat hy te spoedig op-nieuw zou moeten verhuizen, gedeeltelyk om 't gebruik daarvan aan die dame met haar kinderen over te laten. Er ware anders ruimte genoeg geweest, want behalve de vry grote adsistent-residentswoning zelf, stond daarneven op 'tzelfde `erf' nog een ander huis dat vroeger daartoe gediend had, en in-weerwil van de enigszins bouwvallige staat, nog altyd zeer geschikt was ter bewoning. Mevrouw Slotering had de resident verzocht haar voorspraak te zyn by de opvolger van haar echtgenoot; om de vergunning dat oude huis te bewonen tot na haar verlossing, die zy over enige maanden te- gemoet zag. Het was dit verzoek dat door Havelaar en zyn vrouw zo geredelyk was toegestaan, iets dat geheel in hun aard lag, want gast- vry en hulpvaardig waren zy in de hoogste mate. We hoorden de resident zeggen dat mevrouw Slotering een `in- landse vrouw' was. Dit vereist voor niet-indische lezers enige ophel- dering, daar men al licht tot de onjuiste mening geraken zou hier met een eigenlyk-Javaanse te doen te hebben. De europese maatschappy in Nederlands Indi is vry scherp in twee delen gesplitst: de eigenlyke Europeanen, en dezulken die -- hoezeer wettelyk in geheel dezelfde rechtstoestanden verkerende -- niet in Europa geboren zyn, en min of meer inlands bloed in de aderen hebben. Ter-ere der begrippen van menselykheid in Indi, haast ik me hier by te voegen dat, hoe scherp ook de lyn zy, die in 't maat- schappelyk verkeer wordt getrokken tussen de twee soorten van individuen, welke tegenover de inlander gelykelyk de naam van _Hollander_ (39) dragen, deze afscheiding evenwel geenszins 't bar- baars karakter vertoont, dat in Amerika by de standsplitsing wordt waargenomen. Ik ontken niet dat er nog altyd veel onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding blyft bestaan, en dat het woord _liplap_ my meermalen in de oren klonk als een bewys hoe ver de niet- liplap, de blanke, dikwerf van ware beschaving verwyderd is. Het is waar dat de liplap niet dan by-uitzondering in gezelschappen wordt toegelaten, en dat hy gewoonlyk, als ik me hier van een zeer gemeen- zame uitdrukking bedienen mag: `niet voor vol wordt aangezien' maar zelden zal men zulke uitsluiting of geringschatting horen voor- stellen en verdedigen als een _grondbeginsel._ Het staat natuurlyk ieder vry, zyn eigen omgeving en gezelschap te kiezen, en men mag het de eigenlyke Europeaan niet euvel duiden, wanneer hy de om- gang met lieden van zyn landaard voortrekt boven 't verkeer met personen die -- hun meer of minder zedelyke en verstandelyke waar- de in 't midden gelaten -- zyn indrukken en denkbeelden niet delen, of -- en dit is misschien by vermeend verschil van _beschaving,_ zeer dikwyls de hoofdzaak -- wier _vooroordelen een andere richting heb- ben genomen_ dan de zyne. (40) Een _liplap_ -- om de term te bezigen die voor beleefder wordt gehou- den, zou ik moeten zeggen een _`dusgenaamd inlands kind'_ maar ik vraag vergunning my te houden aan 't spraakgebruik dat uit allittera- tie geboren schynt, zonder dat ik met die uitdrukking iets beledi- gends bedoel, en wat betekent het woord dan ook? -- een liplap heeft veel goeds. Ook de Europeaan heeft veel goeds. Beiden hebben veel verkeerds, en ook hierin alzo gelyken zy op elkaar. Maar 't goede en 't verkeerde dat aan beiden eigen is loopt te veel uit elkander, dan dat hun verkering over 't algemeen tot wederzyds genoegen kan strek- ken. Bovendien -- en hieraan heeft de Regering veel schuld -- is de liplap dikwyls slecht onderwezen. De vraag is nu niet hoe de Europe- aan wezen zou, als hy zo van der jeugd af ware belemmerd geworden in zyn ontwikkeling, maar zeker is het dat de geringe wetenschappe- lyke ontwikkeling van de liplap _in 't algemeen_ zyn gelykstelling met de Europeaan in de weg staat, ook dr waar hy _als individu_ in beschaving, wetenschap of kunst, misschien de voorrang boven een bepaalde europese persoon verdienen zou. Ook hieraan is weder niets nieuws. Het lag ook, byv.~ in de staat- kunde van Willem de Veroveraar, om de minst-beduidende Nor- mandir te verheffen boven de beschaafdste Sakser, en elke Norman- dir beriep zich gaarne op 't overwicht der Normandirs _in het alge- meen,_ om zyn persoon ook dr te doen gelden, waar hy de minste zou geweest zyn _zonder_ de invloed zyner stamgenoten als bovenlig- gende party. Uit zo-iets wordt natuurlyk in 't verkeer zekere gedwongenheid geboren, die niet zou weg te nemen zyn dan door wysgerige onbe- krompen inzichten en maatregelen van het bestuur. (41) Dat de Europeaan, die in zulke verhouding aan de winnende kant is, zich in dit kunstmatig overwicht zeer gemakkelyk schikt, spreekt vanzelf. Maar dikwyls is 't koddig, iemand die zyn beschaving en taal grotendeels opdeed in de rotterdamse _Zandstraat,_ de liplap te horen uitlachen omdat deze een _glas water_ en 't _gouvernement,_ mannelyk of _zon_ en _maan_ onzydig maakt. Een liplap moge beschaafd, goed onderwezen zyn, of geleerd -- er zyn er zo -- zodra de Europeaan, die zich ziek hield om achter te blyven van 't schip waarop hy borden waste, en die zyn aanspraken op beleefdheid bazeert op `uwee' en `verexkuseer' aan het hoofd staat van de handelsonderneming die zo `enorm' gewonnen heeft op de indigo in 1800 zoveel... neen, lang vr hy de _`toko'_ bezat, waarin hy hammen en jachtgeweren verkoopt -- wanneer zo'n Europeaan op- merkt dat de beschaafdste liplap moeite heeft de _h_ en de _g_ uit elkaar te houden, lacht hy over de domheid van de man die niet weet dat er onderscheid is tussen een _gouden hek_ en een _houten gek._ Maar om hierover niet te lachen, had hy moeten weten dat in het arabisch en maleis de _cha_ en de _hha_ door n karakter worden uitge- drukt, dat _Hieronymus_ via _Geronimo_ in _Jerme_ overgaat, dat we van _huano, guano_ maken, dat een _want_ een _handschoen_ is, dat _kous_ van _hose_ afstamt, en dat we voor _Guild Heaume_ in 't hollands _Huil- lem_ of _Willem_ zeggen. Zoveel eruditie is te veel gevergd van iemand die zyn fortuin maakte `in' de indigo, en z'n beschaving haalde uit het welgelukken van dobbelary... of erger! En zulk een Europeaan kan toch niet omgaan met zulk een liplap! Ik begryp hoe _Willem_ van _Guillaume_ komt, en moet erkennen dat ik, vooral in de Molukken, zeer dikwyls `liplappen' heb leren kennen, die me deden verbaasd staan over de omvang hunner kennis, en die my op 't denkbeeld brachten dat wy Europeanen, hoeveel hulpmid- delen ons ook ten-dienste stonden, dikwyls -- en niet vergelykender- wyze alleen -- verre ten-achteren staan by de arme pariah's die van de wieg af hadden te stryden met kunstmatig-onbillyke terugzetting en 't zot vooroordeel tegen hun kleur. Maar mevrouw Slotering was eens-voor-al gevrywaard voor fou- ten in 't hollands, omdat ze nooit anders dan maleis sprak. We zullen haar later te zien krygen, als we met Havelaar, Tine en kleine Max thee-drinken in de voorgalery der adsistent-residentswoning te _Rangkas-Betoeng,_ waar ons reisgezelschap, na lang hotsen en sto- ten, eindelyk behouden aankwam. De resident, die slechts was meegekomen om de nieuwe adsistent- resident in zyn ambt te bevestigen, gaf de wens te kennen nog die zelfde dag naar _Serang_ terug te keren: `Omdat. Hy.' Havelaar betuigde insgelyks bereid te zyn tot alle spoed... `Het. Zo. Druk. Had.' ... en de afspraak werd gemaakt, dat men daartoe over een half uur in de grote voorgalery der woning van de Regent zou by-eenkomen. Verbrugge, hierop voorbereid, had reeds voor vele dagen aan de Distriktshoofden, de _Patteh,_ de _Kliwon,_ de _Djaksa,_ (42) de belas- ting-kollekteur, enige mantries, en voorts aan alle inlandse beamb- ten die deze plechtigheid moesten bywonen, last gegeven zich op de hoofdplaats te verzamelen. De _Adhipatti_ nam afscheid, en reed naar zyn huis. Mevrouw Havelaar bezag haar nieuwe woning, en was er zeer mee ingenomen, vooral omdat de tuin groot was, 'tgeen haar zo goed voorkwam voor kleine Max die veel in de lucht moest. De resident en Havelaar waren naar hun kamers gegaan om zich te verkleden, want by de plechtig- heid die er plaats zou hebben, scheen het officieel voorgeschreven kostuum een vereiste te wezen. Rondom het huis stonden honderden mensen, die of te-paard de wagen van de resident hadden begeleid, of tot het gevolg der saamgeroepen Hoofden behoorden. De policie -- en bureau-oppassers liepen bedryvig heen-en-weer. Kortom, alles toonde aan dat de eentonigheid op dat vergeten plekje gronds in de javase Westhoek, voor een ogenblik werd afgebroken door wat leven. Weldra reed de fraaie wagen van de _Adhipatti_ 't voorplein op. De resident en Havelaar, schitterend van goud en zilver, maar ietwat struikelend over hun degens, stapten er in, en begaven zich naar de woning van de Regent, waar ze met muziek van _gongs_ en _gamlangs_ ontvangen werden. (43) Ook Verbrugge, die zich van zyn bemodderd kostuum had ontdaan, was reeds daar aangekomen. De mindere Hoofden zaten in een grote kring, naar oosterse wyze op matten op de grond, en aan 't eind van de lange galery stond een tafel, waaraan de resident, de _Adhipatti,_ de adsistent-resident, de kontroleur en een zestal Hoofden plaats namen. Men diende thee met gebak rond, en de eenvoudige plechtigheid begon. De resident stond op, en las het besluit van de Gouverneur-gene- raal voor, waarby Max Havelaar was aangesteld tot adsistent-resi- dent van de afdeling _Bantan-Kidoel_ of Zuid-Bantam, zoals _Lebak_ door de inlanders genoemd wordt. Hy nam daarna 't staatsblad waar- in de eed stond die tot de aanvaarding van bedieningen in 't algemeen voorgeschreven is, en houdende: _`dat men om tot het ambt van "*""*""*""*""*" te worden benoemd of bevorderd, niemand iets beloofd of gegeven heeft, beloven of geven zal: dat men gehouw en getrouw zal zyn aan zyne Majesteit de Koning der Nederlanden: gehoorzaam aan zyner Majesteits vertegenwoordiger in de Indische gewesten; dat men stiptelyk zal opvolgen en doen opvolgen de wetten en bepa- lingen, die gegeven zyn of gegeven zullen worden, en dat men zich in alles zal gedragen gelyk een goed..._ (hier: adsistent-resident) _be- taamt.'_ Hierop volgde natuurlyk het sakramentele: _`zo waarlyk helpe my God Almachtig.'_ Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Als in deze eed begre- pen, had eigenlyk moeten worden beschouwd de belofte: _de inlandse bevolking te zullen beschermen tegen uitzuiging en onderdrukking._ Want, zwerende dat men de bestaande wetten en bepalingen zou handhaven, behoefde men slechts het oog te slaan op de talryke voorschriften dienaangaande, om in te zien dat eigenlyk een byzon- dere eed hieromtrent niet te-pas kwam. Maar de wetgever schynt gemeend te hebben dat overvloed van goed niet schaden kan, althans men vordert van de adsistent-residenten een afzonderlyke eed, waarby die verplichting omtrent de geringe man nogeens uitdrukke- lyk vermeld wordt. Havelaar moest dus andermaal `God Almachtig' tot getuige nemen by de belofte: dat hy de _`inlandse bevolking be- schermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en knevelary.'_ Voor een fyne opmerker zou 't de moeite waard zyn geweest, het onderscheid gade te slaan tussen houding en toon van de resident en van Havelaar by deze gelegenheid. Beiden hadden zy dusdanige plechtigheid meermalen bygewoond. Het onderscheid dat ik bedoel lag dus niet in 't meer of min getroffen zyn door het nieuwe en ongewone, doch werd alleen veroorzaakt door 't uiteenlopende der karakters en begrippen van deze beide personen. De resident sprak wel iets sneller dan gewoonlyk, daar hy 't besluit en de eden slechts behoefde vr te lezen, 'tgeen hem de moeite bespaarde naar zyn slotwoorden te zoeken, maar toch geschiedde van zyn kant alles met een deftigheid en een ernst, die de oppervlakkige beschouwer een zeer hoog denkbeeld moest inboezemen van 't gewicht dat hy aan de zaak hechtte. Havelaar integendeel, toen hy met opgeheven vinger de eden nasprak, had iets in gelaat, stem en houding, alsof hy zeggen wilde: `dat spreekt vanzelf, ook _zonder God Almachtig_ zou ik dat doen' en wie menskunde bezat, zou meer vertrouwd hebben op zyn ongedwongenheid en schynbare onverschilligheid, dan op de ambte- lyke deftigheid van de resident. Is 't niet inderdaad bespottelyk, te menen dat de man die geroepen is recht te spreken, de man aan wie het wel en wee van duizenden is in handen gegeven, zich zou gebonden achten door een paar uitgespro- ken klanken, wanneer hy niet, ook zonder die klanken, zich daartoe gedrongen voelt door zyn eigen hart? Wy geloven van Havelaar, dat hy de armen en onderdrukten, waar hy die mocht aantreffen, zou beschermd hebben, al had hy by `God Almachtig' het tegendeel beloofd. Daarop volgde een toespraak van de resident tot de Hoofden, waar- op hy hun de adsistent-resident als opperhoofd der Afdeling voor- stelde, hen uitnodigde hem te gehoorzamen, hun verplichtingen stipt na te komen, en dergelyke gemeenplaatsen meer. De hoofden werden daarop n-voor-n by name aan Havelaar voorgesteld. Hy reikte ieder de hand en de `installatie' was afgelopen. Men gebruikte ten-huize van de _Adhipatti_ 't middagmaal, waar- toe ook de kommandant Duclari genodigd was. Terstond na afloop daarvan, stapte de Resident, die gaarne nog die avend te _Serang_ wilde terug zyn: `Omdat. Hy. Het. Zo. Byzonder. Druk. Had.' ... weder in zyn reiswagen, en zo keerde _Rangkas-Betoeng_ weldra terug tot een stilte, als te verwachten is van een javase binnenpost die door slechts weinig Europeanen bewoond werd en daarenboven niet aan de grote weg gelegen was. De kennismaking tussen Duclari en Havelaar was spoedig op een gemakkelyke voet gebracht. De _Adhipatti_ gaf blyken van ingeno- menheid met zyn nieuwe `ouder broeder' en Verbrugge verhaalde later dat ook de resident, die hy op zyn terugreis naar Serang een eind wegs uitgeleide had gedaan, zich zeer gunstig over de familie Have- laar, die op haar doortocht naar Lebak enige dagen ten-zynen-huize vertoefde, had uitgelaten. Ook zeide hy dat Havelaar, by de Regering goed aangetekend staande, hoogstwaarschynlyk spoedig tot een ho- ger ambt bevorderd, of althans naar een meer `voordelige' afdeling verplaatst worden zou. Max en `zyn Tine' waren eerst onlangs van een reis naar Europa teruggekeerd, en gevoelden zich vermoeid van wat ik eens zeer eigenaardig een koffertjes-leven heb horen noemen. Zy achtten zich dus gelukkig, na veel omzwervens eindelyk weder eens een plek te bewonen waar zy zouden te-huis behoren. Vr hun reis naar Euro- pa, was Havelaar adsistent-resident van Amboina geweest, waar hy met veel moeielykheden had te stryden gehad, omdat de bevolking van dat eiland in een gistende en oproerige toestand verkeerde ten- gevolge van de vele verkeerde maatregelen die in de laatste tyd geno- men waren. Niet zonder veerkracht had hy deze geest van verzet weten te onderdrukken, doch uit verdriet over de weinige hulp die men hem hierin van-hoger-hand verleende, en uit ergenis over 't ellendig bestuur dat sedert eeuwen de heerlyke streken der Moluk- ken ontvolkt en bederft... De belangstellende lezer trachte te lezen te krygen wat over dit onderwerp reeds in 1825 door de baron Van der Capellen geschreven werd, en kan de Publikatin van deze mensenvriend vinden in het Indische Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sedert die tyd niet beter op geworden! Hoe dit zy, Havelaar deed te Amboina wat hy mocht en kon, maar uit ergenis over gebrek aan medewerking van hen die in de eerste plaats geroepen waren zyn pogingen te steunen, was hy ziek gewor- den, en dit had hem bewogen naar Europa te vertrekken. (44) Strikt genomen had hy by wederplaatsing aanspraak gehad op beter keuze dan de arme geenszins welvarende afdeling _Lebak,_ daar zyn werk- kring te Amboina van groter gewicht was, en hy dr, zonder resi- dent boven zich, geheel op zichzelf gestaan had. Bovendien was er, reeds voor hy naar Amboina vertrok, spraak van geweest hem tot resident te verheffen, en het bevreemdde dus sommigen dat hem thans het bestuur ener Afdeling werd opgedragen, die aan kultuur- emolumenten zo weinig opbracht, dewyl velen het belang ener be- diening naar de daaraan verbonden inkomsten afmeten. Hyzelf ech- ter beklaagde zich hierover volstrekt niet, want zyn eerzucht was geenszins van dien aard dat hy bedelen zou om hogere rang of meer gewin. (45) En dit laatste ware hem toch goed te-stade gekomen! Want op zyn reizen in Europa had hy het weinige uitgegeven, dat hy in vorige jaren had overgespaard. Zelfs had hy daar schulden achtergelaten, en hy was dus, in n woord, arm. Doch nooit had hy zyn ambt be- schouwd als een geldwinning, en by zyn benoeming naar _Lebak_ nam hy zich met tevredenheid voor, het achterstallige door zuinigheid in te halen, in welk voornemen zyn vrouw die zo eenvoudig was in smaak en behoeften, hem met genoegen ondersteunen zou. Maar zuinigheid viel Havelaar moeielyk. Hy voor zichzelf kon zich tot het strikt-nodige bepalen. Ja, zonder de minste inspanning kon hy binnen de grens daarvan blyven, doch waar anderen hulp behoefden, was hem 't helpen, het geven, een ware hartstocht. Hy- zelf zag dit zwak in, beredeneerde met al 't gezond verstand dat hem gegeven was, hoe _onrecht_ hy deed, iemand te ondersteunen, waar hyzelf meer aanspraak zou gehad hebben op zyn eigen hulp... gevoel- de dit onrecht nog levendiger, wanneer ook `zyn Tine' en Max, die hy beiden zo lief had, te lyden hadden onder de gevolgen zyner vryge- vigheid... hy verweet zich zyn goedhartigheid als zwakte, als ydel- heid, als zucht om voor een verklede prins door te gaan... hy beloofde zich beterschap, en toch... telkens als deze of gene zich aan hem wist voor te doen als 't slachtoffer van tegenspoed, vergat hy alles om te helpen. En dit in-weerwil der bittere ondervinding van de gevolgen dezer door overdryving tot fout geworden deugd. Acht dagen voor de geboorte van zyn kleine Max, bezat hy 't nodige niet om 't yzeren wiegje te kopen waarin zyn lieveling rusten zou, en weinig tyds te- voren nog had hy de weinige versierselen zyner vrouw opgeofferd, om iemand by te staan die gewis in beter omstandigheden verkeerde dan hyzelf. Maar dit alles lag al weer ver achter hen toen zy waren aangeko- men te _Lebak!_ Met vrolyke kalmte hadden zy bezit genomen van het huis: `waar ze nu toch enige tyd hoopten te blyven.' Met een eigen- aardig genot hadden zy te Batavia de meubelen besteld, die alles zo _comfortable_ en gezellig maken zouden. Zy toonden elkaar de plek- ken waar ze zouden ontbyten, waar kleine Max spelen zou, waar de bibliotheek zou staan, waar hy 's avends haar zou voorlezen wat hy die dag geschreven had, want hy was altyd bezig met het ontwikkelen zyner denkbeelden op 't papier... en: `eens zou dat gedrukt worden,' meende Tine, `en dan zou men zien wie haar Max was!' Maar nooit had hy iets ter-perse laten leggen van wat er in zyn hoofd omging, omdat zekere schroom hem bezielde, die wel iets zweemde naar eerbaarheid. Hyzelf althans wist deze tegenzin niet beter te beschry- ven, dan door aan wie hem aanspoorde tot publiciteit, te vragen: `zoudt _gy_ uw dochter op-straat laten lopen zonder hemd?' Dit was dan weer een van de vele _boutades,_ die zyn omgeving deden zeggen dat `die Havelaar toch een zonderling mens was', en ik beweer het tegendeel niet. Maar als men de moeite nam zyn ongewo- ne wyze van spreken te vertalen, zou men in die vreemde vraag over het toilet van een meisje wellicht de tekst gevonden hebben voor een verhandeling over de kuisheid van de geest, die schuw is voor de blikken van de lompe voorbyganger, en zich terugtrekt in een hulsel van maagdelyke schroomvalligheid. (46) Ja, ze zouden gelukkig zyn te _Rangkas-Betoeng,_ Havelaar en zyn Tine! De enige zorg die hen drukte, waren de schulden die zy in Europa hadden achtergelaten, verhoogd met de nog onbetaalde kos- ten der terugreis naar Indi en met de uitgaven voor 't meubelen hunner woning. Maar nood was er niet. Ze zouden immers leven van de helft, van een derde zyner inkomsten? Misschien ook, ja waar- schynlyk, zou hy spoedig resident worden, en dan werd alles makke- lyk geregeld in weinig tyds... `Hoewel 't my erg spyten zou, Tine, _Lebak_ te verlaten, want er is hier veel te doen. Je moet heel zuinig wezen, beste, dan kunnen wy misschien alles afdoen, ook zonder bevordering... en dan hoop ik lang hier te blyven, heel lang!' Een aansporing tot zuinigheid nu, behoefte hy tot haar niet te richten. Zy had er waarlyk geen schuld aan, dat spaarzaamheid nodig was geworden, doch ze had zich zo vereenzelvigd met haar Max, dat ze die aansporing geenszins opvatte als een verwyt, wat het dan ook niet was. Want Havelaar wist zeer goed dat _hy_ alleen gefaald had door zyn te ver gedreven vrygevigheid, en dat _haar_ fout -- ls er dan een fout bestond aan haar zyde -- alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor Max altyd alles had goedgekeurd wat hy deed. Ja, _zy_ had het goed gevonden, toen hy die beide arme vrouwen uit de _Nieuwstraat,_ die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren `uitgeweest' rondleidde op de Haarlemmer kermis, onder 't koddig voorwendsel dat de Koning hem belast had met: `het amuze- ren van oude vrouwtjes die zich zo goed gedragen hadden'. _Zy_ vond het goed dat hy de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam op koek en amandelmelk onthaalde, en ze overlaadde met speelgoed. _Zy_ begreep volkomen dat hy de logementsrekening van de familie arme zangers betaalde, die terug wilden naar hun land, maar niet gaarne de have achterlieten, waartoe de harp behoorde, en de viool, en de bas, die zy zo nodig hadden voor hun schamel bedryf. _Zy_ kon het niet afkeuren dat hy 't meisje tot haar bracht, dat 's avends op de straat hem had aangesproken... dat hy haar te eten gaf en herbergde, en 't l te goedkoop `ga heen, en zondig niet meer!' niet uitsprak, voor hy haar dat `niet zondigen' had mogelyk gemaakt. _Zy_ vond het zeer schoon in haar Max, dat hy 't klavier liet terugbrengen in de voorka- mer van de huisvader, die hy had horen zeggen hoe leed het hem deed, dat de meisjes verstoken waren van muziek `na dat bankroet'. _Zy_ begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie vrykocht te Menado, die zo bitter bedroefd was te moeten stygen op de tafel des afslagers. _Zy_ vond het natuurlyk dat Max paarden weergaf aan de Alfoeren in de _Minahassa,_ wier paarden waren doodgereden door de officieren van de _Bayonnaise. Zy_ had er niet tegen dat hy te Menado en te Amboina de schipbreukelingen der amerikaanse _whalers_ by zich riep en verzorgde, en zich te _grand seigneur_ achtte om een herbergiersrekening voor te leggen aan 't amerikaans Gouverne- ment. (47) _Zy_ begreep volkomen waarom de officieren van byna elk aangekomen oorlogschip grotendeels by Max logeerden, en dat zyn huis hun geliefd _pied--terre_ was. Was hy niet hr Max? Was het niet te klein, te nietig, was 't niet ongerymd, hem die zo vorstelyk dacht te willen binden aan de regels van spaarzaamheid en huishoudelykheid die voor anderen gelden? En bovendien, al mocht er dan soms voor 't ogenblik iets onevenre- digs wezen tussen inkomsten en uitgaven, was Max, hr Max, niet bestemd voor een schitterende loopbaan? Moest hy niet weldra in omstandigheden verkeren, die hem zouden in-staat stellen zonder overschryding zyner inkomsten de vrye loop te laten aan zyn groot- hartige neigingen? Moest hr Max niet Gouverneur-generaal wor- den van dat lieve Indi, of... een koning? Was 't niet vreemd zelfs, dat hy niet reeds koning ws? Als er een fout by haar kon gevonden worden, dan was haar inge- nomenheid met Havelaar schuld daaraan, en zo ooit, dan zou 't hier gelden: dat men veel vergeven moet aan wie veel heeft lief gehad. Doch men had haar niets te vergeven. Zonder nu te delen in de overdreven begrippen die zy van haar Max koesterde, mag men toch aannemen dat hy een goede loopbaan voor zich had, en wanneer dit gegrond uitzicht zich had verwezenlykt, zouden inderdaad de onaan- gename gevolgen zyner vrygevigheid weldra uit de weg te ruimen geweest zyn. Maar nog een reden van geheel andere aard veront- schuldigde haar en zyn schynbare zorgeloosheid. Ze had zeer jong haar beide ouders verloren, en was by haar familie opgevoed. Toen ze huwde, deelde men haar mede dat zy een klein vermogen bezat, 'tgeen dan ook werd uitbetaald, doch Havelaar ont- dekte uit enkele brieven van vroeger tyd, en uit enige losse aanteke- ningen die zy in een van haar moeder afkomstige kassette bewaarde, dat haar familie zo van vaders- als van moeders-zyde zeer ryk was geweest, zonder dat hem evenwel duidelyk worden kon, wr, waar- door of wanneer die rykdom was verloren gegaan. Zyzelf, die nooit belang gesteld had in zaken van geldelyke aard, wist weinig of niets te antwoorden, toen Havelaar by haar aandrong op enige inlichtingen aangaande de vorige bezittingen van haar verwanten. Haar grootva- der, de baron Van W., was met Willem de vyfde naar Engeland uitgeweken en ritmeester geweest by 't leger des hertogs van York. Hy scheen met de uitgeweken leden der stadhouderlyke familie een vrolyk leven geleid te hebben, wat dan ook door velen werd opgege- ven als oorzaak van de ondergang zyner fortuin. Later, by Waterloo, sneuvelde hy in een charge onder de huzaren van Boreel. Aandoen- lyk was het, de brieven te lezen van haar vader -- toen een jongeling van achttien jaren, die als luitenant by dat korps in dezelfde charge een sabelhouw op 't hoofd bekwam, aan welks gvolgen hy acht jaren later krankzinnig sterven zou -- brieven aan zyn moeder, waarin hy zich beklaagde hoe hy vruchteloos op het slagveld naar 't lyk zyns vaders had gezocht. (48) Wat haar afkomst van moederszyde aangaat, herinnerde zy zich dat haar grootvader op zeer aanzienlyke voet geleefd had, en uit sommige papieren bleek dat deze in bezit was geweest van de postery- en in Zwitserland, op de wyze zoals thans nog in een groot gedeelte van Duitsland en Itali, die tak van inkomsten de _apanage_ uitmaakt der vorsten van _Turn en Taxis._ (49) Dit deed een groot vermogen veronderstellen, maar ook hiervan was door geheel onbekende oor- zaken niets, of zeer weinig althans, overgegaan op het tweede ge- slacht. Havelaar vernam 't weinige dat daarvan te vernemen was, eerst na zyn huwelyk, en by zyn nasporingen wekte het zyn verwondering dat de kassette waarvan ik zo-even sprak -- en die zy met de inhoud uit een gevoel van _piteit_ bewaarde, zonder te gissen dat daarin mis- schien stukken waren, die belang hadden uit een geldelyk oogpunt -- op onbegrypelyke wyze was verloren gegaan. Hoe onbaatzuchtig ook, hy bouwde op deze en vele andere omstandigheden de mening dat hierachter een _roman intime_ verscholen lag, en men mag 't hem niet euvel duiden dat hy, die voor zyn dure inborst veel behoefde, met vreugde die roman een bly einde had zien nemen. Hoe 't nu wezen moog met het bestaan van die roman, en of er al dan niet _spoliatie_ had plaats gehad, zeker is 't dat er in Havelaars verbeelding iets geboren werd, wat men een _rve aux millions_ zou kunnen noemen. (50) Doch alweer was 't eigenaardig dat hy die zo nauwkeurig en scherp het recht van een ander -- hoe diep ook begraven onder stoffige akten en dikwebbige _chicanes_ -- zou hebben nagespoord en verdedigd, dat hy hier waar zyn eigen belang in 't spel was, met slordigheid het ogenblik verwaarloosde, waarin misschien de zaak had moeten wor- den aangevat. Hy scheen iets als schaamte te gevoelen omdat het hier zyn eigen voordeel gold, en ik geloof zeker wanneer `zyn Tine' ge- huwd ware geweest met een ander, met iemand die zich tot hem had gewend met het verzoek de spinrag te verbreken, waarin haar voor- ouderlyk fortuin was blyven hangen, dat hy geslaagd zou zyn `de interessante wees' in 't bezit te stellen van het vermogen dat haar behoorde. Maar nu was die interessante wees _zyn_ vrouw, hr ver- mogen was het _zyne,_ hy vond er dus iets koopmansachtigs in, iets derogerends, in haar naam te vragen: `zyt ge my niet nog iets schuldig?' En toch kon hy die miljoenendroom niet van zich schudden, al ware het dan ook slechts om een verontschuldiging by de hand te hebben, by het dikwyls voorkomend zelfverwyt dat hy te veel geld uitgaf. Eerst kort voor het terugkeren naar Java, toen hy reeds veel gele- den had onder de druk van geldgebrek, toen hy zyn fier hoofd had moeten buigen onder de _furca caudina_ van menige schuldeiser, had hy zyn traagheid of zyn schroom kunnen overwinnen om werk te maken van de miljoenen die hy meende nog te-goed te hebben. En men antwoordde hem met een oude rekening-courant... een argu- ment, zoals men weet, waartegen niets valt in te brengen. Maar ze zouden zo spaarzaam wezen te _Lebak!_ En waarom ook niet? Er dwalen in zo'n onbeschaafd land, op de late avend geen meisjes over straat, die een weinig eer te verkopen hebben voor een weinig voedsel. (51) Er zwerven daar zo geen mensen rond, die van problematische beroepen leven. Daar valt het niet voor, dat een gezin op-eens te-gronde gaat door wisseling van fortuin... en van zodanige aard toch waren gewoonlyk de klippen waarop de goede voornemens van Havelaar strandden. Het getal Europeanen in die Afdeling was zo gering dat het niet in aanmerking komen kon, en de Javaan te _Lebak_ te arm, om -- by welke lotwisseling ook -- belangwekkend te worden door nog groter armoede. Dit alles overdacht Tine zo niet -- hiertoe toch had zy zich, juister dan zy uit liefde voor Max doen wilde, rekenschap moeten geven van de oorzaken hunner min gunstige omstandigheden -- maar er lag in hun nieuwe omgeving iets dat kalmte ademde, en afwezen van alle aanleidingen -- met meer of min vals-romaneske tint dan -- die vroeger Havelaar zo dikwyls hadden doen zeggen: `Niet waar, Tine, dt is nu toch een geval waaraan ik me niet onttrekken kan?' En waarop zy altyd geantwoord had: `Wel neen, Max, draan kanje je niet onttrekken!' We zullen zien hoe 't eenvoudige schynbaar onbewogen _Lebak_ Havelaar meer kostte dan alle vorige uitspattingen van zyn hart te- zamen genomen. Maar dit wisten zy niet! Zy zagen de toekomst met vertrouwen te-gemoet, en voelden zich zo gelukkig in hun liefde en in 't bezit van hun kind... `Wat al rozen in de tuin,' riep Tine, `en ziedaar ook _rampeh_ en _tjempaka,_ en zoveel _melati,_ en zie eens die schone lelin...' En, kinderen als ze waren, vermaakten zy zich met hun nieuwe huis. En toen 's avends Duclari en Verbrugge, na een bezoek by Havelaar, terugkeerden naar hun gemeenschappelyke woning, spra- ken zy veel over de kinderlyke vrolykheid van de nieuw aangekomen familie. Havelaar begaf zich naar zyn kantoor, en bleef daar de nacht door, tot de volgende morgen. Achtste hoofdstuk Havelaar had de kontroleur verzocht, de hoofden die te _Rangkas- Betoeng_ aanwezig waren, uit te nodigen, daar tot de volgende dag te vertoeven om de _Sebah_ (52) by te wonen, die hy beleggen wilde. Zulk een vergadering had gewoonlyk eens in de maand plaats, doch het- zyd-i aan sommige Hoofden die wat ver van de hoofdplaats woonden -- want de Afdeling _Lebak_ is zeer uitgestrekt -- het onnodig heen- en weerreizen wilde besparen, hetzyd-i wenste, terstond en zonder de vastgestelde dag af te wachten, hen op plechtige wyze toe te spreken, hy had de eerste _Sebah_-dag op de volgende morgen bepaald. Links voor zyn woning, doch op 'tzelfde `erf' en tegenover 't huis dat mevrouw Slotering bewoonde, stond een gebouw dat gedeeltelyk de bureaux der adsistent-residentie bevatte, waartoe tevens de lands- kas behoorde, en gedeeltelyk bestond in een vry ruime open galery die een zeer goede gelegenheid tot zulk een vergadering aanbood. Daar waren dan ook de volgende morgen de Hoofden vroegtydig verenigd. Havelaar trad binnen, groette, en nam plaats. Hy ontving de geschreven maandelykse berichten over landbouw, veestapel, po- litie, en justitie, en legde die tot nader onderzoek ter-zyde. Ieder verwachtte hierop een toespraak als die welke de resident op de vorige dag had gehouden, en het is niet geheel-en-al zeker dat Havelaar zelf van voornemen was iets anders te zeggen, doch men moest hem by zulke gelegenheden gehoord en gezien hebben om zich voor te stellen hoe hy, by toespraken als deze, zich opwond en door zyn eigenaardige wyze van spreken aan de bekendste zaken een nieuwe kleur meedeelde, hoe zich dan zyn houding oprichtte, hoe zyn blik vuur schoot, hoe zyn stem van 't vleiend zachte in 't vlymend scherpe overging, hoe de beelden van zyn lippen vloeiden als strooide hy iets kostbaars om zich heen dat toch hm niets kostte, en hoe, als hy ophield, ieder hem aanstaarde met open mond als om te vragen: `myn God, wie zyt ge?' Het is waar dat hyzelf, die by zulke gelegenheid sprak als een apostel, als een ziener, later niet juist wist hoe hy gesproken had, en zyn welsprekendheid had dan ook meer de eigenschap van te verba- zen en te treffen, dan door bondigheid van redenering te overtuigen. Hy zou de krygslust der Atheners, zodra tot de oorlog tegen Philip- pus besloten was, tot dolzinnigheid hebben kunnen aanvuren, maar minder goed waarschynlyk zou hy geslaagd zyn, als zyn taak geweest ware hen door redenering tot die oorlog te bewegen. Zyn aanspraak tot de _Lebakse_ hoofden was natuurlyk in 't maleis, en ontleende hieraan een eigenaardigheid te meer, daar de eenvoudigheid der oosterse talen aan veel uitdrukkingen een kracht verleent, die in onze idiomen door litterarische gekunsteldheid is verloren gegaan, terwyl aan de andere kant het zoetvloeiende van 't maleis moeielyk in enige andere taal is weer te geven. Men bedenke bovendien dat het meren- deel zyner hoorders uit eenvoudige, doch geenszins domme mensen bestond, en tevens dat het Oosterlingen waren, wier indrukken zeer verschillen van de onze. Havelaar moet nagenoeg aldus gesproken hebben: `Mynheer de _Radhen Adhipatti,_ Regent van _Bantan-Kidoel,_ en gy, _Radhens Dhemang_ die Hoofden zyt der distrikten in deze Afde- ling, en gy, _Radhen Djaksa_ die de justitie tot uw ambt hebt, en ook gy, _Radhen Kliwon_ die gezag voert op de hoofdplaats, en gy _Radhens, Mantries,_ en allen die Hoofden zyt in de afdeling _Bantan- Kidoel,_ ik groet u! (53) `~En ik zeg u dat ik vreugde voel in myn hart, nu ik hier u allen vergaderd zie, luisterende naar de woorden van myn mond. `~Ik weet dat er onder ulieden zyn, die uitsteken in kennis en in braafheid van hart: ik hoop myn kennis door de uwe te vermeerde- ren, want zy is niet zo groot als ik wenste. En ik heb wel de braafheid lief, maar dikwyls bespeur ik dat er in myn gemoed fouten zyn, die de braafheid overschaduwen en daaraan de groei benemen... gy allen weet hoe de grote boom de kleine verdringt en doodt. Daarom zal ik letten op degenen onder u, die uitstekend zyn in deugd, om te trach- ten beter te worden dan ik ben. `~Ik groet u allen zeer. `~Toen de Gouverneur-generaal my gelastte tot u te gaan om adsis- tent-resident te zyn in deze afdeling, was myn hart verheugd. Het kan u bekend zyn dat ik nooit _Bantan-Kidoel_ had betreden. Ik liet my dus geschriften geven, die over uw afdeling handelen, en heb gezien dat er veel goeds is in _Bantan-Kidoel._ Uw volk bezit rystvelden in de dalen, en er zyn rystvelden op de bergen. En ge wenst in vrede te leven, en ge begeert niet te wonen in de landstreken die bewoond worden door anderen. Ja, ik weet dat er veel goeds is in _Bantan- Kidoel!_ `~Maar niet hierom alleen was myn hart verheugd. Want ook in andere streken zou ik veel goeds gevonden hebben. `~Doch ik ontwaarde dat uw bevolking arm is, en hierover was ik blyde in het binnenste myner ziel. `~Want ik weet dat Allah de arme liefheeft, en dat Hy rykdom geeft aan wie hy beproeven wil. Maar tot de armen zendt Hy wie zyn woord spreekt, opdat zy zich oprichten in hun ellende. `~Geeft Hy niet regen waar de halm verdort, en een dauwdrup in de bloemkelk die dorst heeft? `~En is het niet schoon, te worden uitgezonden om de vermoeiden te zoeken, die achterbleven na de arbeid en neerzonken langs de weg, daar hun knien niet sterk meer waren om op te gaan naar de plaats van het loon? Zou ik niet verheugd wezen de hand te mogen reiken aan wie in de groeve viel, en een staf te geven aan wie de bergen beklimt? Zou niet myn hart opspringen als het ziet gekozen te zyn onder velen, om van klagen een gebed te maken en dankzegging van geween? `~Ja, ik ben zeer blyde geroepen te zyn in _Bantan-Kidoel!_ `~Ik heb gezegd tot de vrouw die myn zorgen deelt en myn geluk groter maakt `verheug u, want ik zie dat Allah zegen geeft op het hoofd van ons kind! Hy heeft my gezonden naar een oord waar niet alle arbeid is afgelopen, en Hy keurde my waardig daar te zyn vr de tyd van de oogst. Want niet in het snyden der _padie_ is de vreugde: de vreugde is in het snyden der _padie_ die men geplant heeft. En de ziel des mensen groeit niet van het loon, maar van de arbeid die het loon verdient.' En ik zeide tot haar: `Allah heeft ons een kind gegeven, dat eenmaal zeggen zal: `weet ge dat ik zyn zoon ben?' En dan zullen er wezen in het land, die hem groeten met liefde, en die de hand zullen leggen op zyn hoofd, en zeggen zullen: `zet u neder aan ons maal, en bewoon ons huis, en neem uw deel aan wat wy hebben, want ik heb uw vader gekend.'' `~Hoofden van _Lebak,_ er is veel te arbeiden in uw landstreek! `~Zegt my, is niet de landman arm? Rypt niet uw _padie_ dikwerf ter voeding van wie niet geplant hebben? Zyn er niet vele verkeerdheden in uw land? Is niet het aantal uwer kinderen gering? `~Is er niet schaamte in uw zielen, als de bewoner van _Bandoeng_ (54) dat daar ten-oosten ligt, uw streken bezoekt, en vraagt: `waar zyn de dorpen, en waar de landbouwers? En waarom hoor ik de _gamlang_ niet, die blydschap spreekt met koperen mond, noch het gestamp der _padie_ uwer dochters?' `~Is het u niet bitter, te reizen van hier tot de Zuidkust, en de bergen te zien die geen water dragen op hun zyden, of de vlakten waar nooit een buffel de ploeg trok? `~Ja, ja, ik zeg u dat uw en myn ziel daarover bedroefd is! En daarom juist zyn wy Allah dankbaar dat hy ons macht heeft gegeven om hier te arbeiden. `~Want wy hebben in dit land akkers voor velen, schoon de bewoners weinig zyn. En het is niet de regen die ontbreekt, want de toppen der bergen zuigen de wolken des hemels ter aarde. En niet overal zyn rotsen die plaats weigeren aan de wortel, want op veel plaatsen is de grond week en vruchtbaar, en roept om de graankorrel die hy ons wil weergeven in gebogen halm. En er is geen oorlog in het land die de _padie_ vertreedt als ze nog groen is, noch ziekte die de _patjol_ nutteloos maakt. (55) Noch zyn er zonnestralen, heter dan nodig is om het graan te doen rypen dat u en uw kinderen voeden moet, noch _banjirs_ die u doen jammeren: `wys my de plaats waar ik gezaaid heb!' (56) `~Waar Allah waterstromen uitgiet, die de akkers wegnemen... waar Hy de grond hard maakt als dorre steen... waar Hy Zyn zon doet gloeien ter verschroeiing... waar Hy oorlog zendt, die de velden omkeert... waar Hy slaat met ziekten die de handen slap maken, of met droogte die de aren doodt... daar, Hoofden van _Lebak,_ buigen wy deemoedig het hoofd, en zeggen: `Hy wil het zo!' `~Maar niet aldus in _Bantan-Kidoel!_ `~Ik ben hier gezonden om uw vriend te zyn, uw ouder broeder. Zoudt gy uw jongere broeder niet waarschuwen als ge een tyger zaagt op zyn weg? `~Hoofden van Lebak, we hebben dikwyls misslagen begaan, en ons land is arm omdat we zoveel misslagen begingen. `~Want in _Tjikandi_ en _Bolang,_ en in het _Krawangse,_ en in de omme- landen van _Batavia,_ zyn velen die geboren zyn in ons land, en die ons land verlaten hebben. (57) `~Waarom zoeken zy arbeid, ver van de plaats waar ze hun ouders begroeven? Waarom vlieden zy de _dessah_ (58) waar zy de besnydenis ontvingen? Waarom verkiezen zy de koelte van de boom die dr groeit, boven de schaduw onzer bossen? `~En ginds in 't noordwesten over de zee, zyn velen die onze kinderen moesten zyn, maar die _Lebak_ hebben verlaten om rond te dolen in vreemde streken met _kris_ en _klewang_ en schietgeweer. En ze komen ellendig om, want er is macht van de Regering daar, die de opstande- lingen verslaat. (59) `~Ik vraag u, Hoofden van _Bantan-Kidoel,_ waarom zyn er zovelen die weggingen, om niet begraven te worden waar ze geboren zyn? Waarom vraagt de boom, waar de man is die hy als kind zag spelen aan zyn voet?' Havelaar hield hier een ogenblik op. Om enigszins de indruk te begrypen die zyn taal maakte, had men hem moeten horen en zien. Toen hy sprak van zyn kind, was er in zyn stem iets zachts, iets onbeschryfelyk roerends, dat uitlokte tot de vraag: `waar is de klei- ne? Reeds nu wil ik 't kind kussen, dat zyn vader zo spreken doet!' Maar toen hy kort daarna, schynbaar met weinig geleidelykheid, overging tot de vragen waarom _Lebak_ arm was, en waarom er zoveel bewoners van die streken verhuisden naar elders, klonk er in zyn toon iets dat denken deed aan 't geluid dat een boor maakt, als ze met kracht wordt geschroefd in hard hout. Toch sprak hy niet luid, noch drukte hy byzonder op enkele woorden, en zelfs was er iets eentonigs in zyn stem, maar hetzy studie of natuur, juist deze eentonigheid maakte de indruk zyner woorden sterker op gemoederen die zo by- zonder ontvankelyk waren voor zulke taal. Zyn beelden, die altyd genomen waren uit het leven dat hem omringde, waren voor hem werkelyk hulpmiddelen tot begrypelyk maken van wat hy bedoelde, en niet, zoals vaak geschiedt, lastige aanhangsels die de zinsneden der redernaars bezwaren, zonder enige duidelykheid toe te voegen aan 't begrip der zaak die men voorgeeft toe te lichten. We zyn thans gewoon aan de ongerymdheid van de uitdrukking: `sterk als een leeuw' maar wie in Europa dit beeld het eerst gebruikte, toonde dat hy zyn vergelyking niet had geput uit de ziele-pozie die beelden geeft voor redenering en niet anders spreken _kan,_ doch zyn aanvullende gemeenplaats eenvoudig had afgeschre- ven uit een of ander boek -- uit de bybel misschien -- waarin een _leeuw_ voorkwam. Want niemand zyner hoorders had ooit de sterkte des leeuws ondervonden, en 't ware dus veeleer nodig geweest hun die sterkte te doen beseffen door vergelyking van de leeuw met iets waarvan de kracht hun by ervaring bekend was, dan omgekeerd. Men erkenne dat Havelaar werkelyk dichter was. Ieder gevoelt dat hy, sprekende van de rystvelden die er waren op de bergen, de ogen daarheen richtte door de open zyde der zaal, en dat hy die velden inderdaad zag. Men beseft, als hy de boom liet vragen waar de man was die als kind aan zyn voet gespeeld had, dat die boom daar stond en voor de verbeelding van Havelaars toehoorders in werkelykheid vra- gend rondstaarde naar de heengegane bewoners van _Lebak._ Ook verzon hy niets: hy hoorde de boom spreken, en meende slechts na te zeggen wat hy in zyn dichterlyke opvatting zo duidelyk verstaan had. Wanneer misschien iemand de opmerking maken mocht, dat het oorspronkelyke in Havelaars wyze van spreken niet zo onbetwist- baar is, daar zyn taal denken doet aan de styl der profeten van 't Oude- Testament, moet ik herinneren reeds gezegd te hebben dat hy in ogenblikken van vervoering werkelyk iets had van een ziener. Ge- voed door de indrukken die 't leven in wouden en op bergen hem had meegedeeld, omgeven door de pozie-ademende atmosfeer van het oosten, en alzo scheppende uit gelyksoortige bron als de Vermaners der Oudheid waarmee men soms zich genoopt voelde hem te verge- lyken, gissen wy dat hy niet nders zou gesproken hebben, ook wanneer hy nooit de heerlyke dichtstukken van het Oude-Testa- ment gelezen had. Vinden we niet reeds in de verzen die van zyn jeugd dagtekenen, regels als deze, die geschreven waren op de _Salak_ -- een der reuzen, maar niet de grootste, onder de bergen van de _Prean- ger Regentschappen_ -- waarin alweder de aanhef de zachtheid zyner aandoeningen tekent, om op-eens over te gaan in 't naspreken van de donder die hy onder zich hoort: 't Is zoeter hier zyn Maker luid te loven... 't Gebed klinkt schoon langs berg -- en heuvelry... Veel meer dan ginds ryst hier het hart naar boven: Men is zyn God op bergen meer naby! Hier schiep Hyzelf altaar en tempelkoren, Nog door geen tred van 's mensen voet ontwyd, Hier doet Hy zich in 't raat'lend onweer horen... En rollend roept Zyn donder: Majesteit!^"*"^ | | ^"*"^ _Frits zegt:_ yd _en_ eit _rymt niet, althans niet in Friesland en Zeeland. | Die Sjaalman schynt dan niet eens verzen te maken, die deugen. 't Is | waar, 't was in zyn jeugd. | B.~ Droogstoppel._ (60) | . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ... en gevoelt men niet, dat hy de laatste regels niet z had kunnen schryven, als hy niet werkelyk had menen te horen en te verstaan hoe Gods donder hem die regels in klaterende trilling tegen de wanden van 't gebergte toeriep? Maar hy hield niet van verzen. `Het was een lelyk ryglyf' zeide hy, en als hy er toe gebracht werd iets te lezen van wat hy `begaan' had, zoals hy zich uitdrukte, schiep hy er vermaak in, zyn eigen werk te bederven, f door 't voor te dragen op een toon die 't belachelyk maken moest, f door op-eenmaal, vooral by een hoogst-ernstige passus, af te breken, en er een kwinkslag tussen te werpen, die de toehoorders pynlyk aandeed, maar die by hem niets anders was dan een bloedige satire op de onevenredigheid tussen dat keurslyf en zyn ziel die zich daarin zo benauwd voelde. Er waren onder de Hoofden slechts weinigen die van de rondge- diende verversingen iets gebruikten. Havelaar had namelyk met een wenk gelast, de by zodanige gelegenheid onvermydelyke thee met _maniessan_ (61) rond te dienen. Het scheen dat hy met voordacht na de laatste zinsnede zyner toespraak een rustpunt wilde laten. En hier was reden toe. Hoe, moesten de Hoofden denken, hy weet reeds dat er zovelen onze Afdeling verlieten, met bitterheid in 't hart? Reeds is hem bekend hoeveel huisgezinnen naar naburige landstreken ver- huisden, om de armoede te ontwyken die hier heerst? En zelfs weet hy dat er zoveel _Bantammers_ zyn onder de benden die in de _Lampongs_ de vaan des opstands hebben ontrold tegen 't nederlands gezag? Wat wil hy? Wat bedoelt hy? Wie gelden zyn vragen? En er waren er die _Radhen Wiera Koesoema,_ het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ aanzagen. (62) Maar de meesten sloegen de ogen ter-aarde. `Kom eens hier, Max!' riep Havelaar, die zyn kind gewaar werd, spelende op het erf, en de Regent nam de kleine op de schoot. Maar deze was te wild om daar lang te blyven. Hy sprong weg, en liep de grote kring rond, en vermaakte de Hoofden door zyn gekeuvel, en speelde met de gevesten van hun krissen. Toen hy by de _Djaksa_ kwam, die de aandacht van 't kind trok omdat hy sierlyker dan de andere gekleed was, (63) scheen deze iets op 't hoofd van kleine Max te wyzen aan de _Kliwon_ die naast hem zat en een gefluisterde opmer- king daarover scheen te beamen. `Ga nu heen, Max,' zei Havelaar, `papa heeft iets aan die heren te zeggen.' De kleine liep weg nadat hy met kushandjes gegroet had. Hierop ging Havelaar aldus voort: `Hoofden van _Lebak!_ Wy allen staan in dienst des Konings van Nederland. Maar Hy, die rechtvaardig is, en wil dat wy onze plicht doen, is vr van hier. Dertig-maal duizend-maal duizend zielen, ja, meer dan zoveel, zyn gehouden zyn bevelen te gehoorzamen, maar hy kan niet wezen naby allen die afhangen van zyn wil. `~De Grote-Heer te Buitenzorg is rechtvaardig, en wil dat ieder zyn plicht doe. Maar ook deze, machtig als hy is, en gebiedende over al wat gezag heeft in de steden en over allen die in de dorpen de oudsten zyn, en beschikkende over de macht des legers en over de schepen die op zee varen, (64) ook hy kan niet zien waar onrecht gepleegd is, want het onrecht blyft verre van hem. `~En de resident te _Serang,_ die heer is over de landstreek _Bantam,_ waar vyf-maal-honderd-duizend mensen wonen, wil dat er recht geschiede in zyn gebied, en dat er rechtvaardigheid heerse in de landschappen die hem gehoorzamen. Doch waar onrecht is, woont hy verre. En wie boosheid doet, verschuilt zich voor zyn aangezicht omdat hy straffe vreest. `~En de heer _Adhipatti,_ die Regent is van _Zuid-Bantam,_ wil dat ieder leve die het goede betracht, en dat er geen schande zy over de land- streek die zyn regentschap is. `~En ik, die gisteren de Almachtige God tot getuige nam dat ik rechtvaardig zou zyn en goedertieren, dat ik recht zou doen zonder vrees en zonder haat, dat ik zal zyn: `een goed adsistent-resident'... ook ik wens te doen wat myn plicht is. `~Hoofden van Lebak! Dit wensen wy allen! `~Maar als er soms onder ons mochten zyn, die hun plicht verwaar- lozen voor gewin, die het recht verkopen voor geld, of die de buffel van de arme nemen, en de vruchten die behoren aan wie honger hebben... wie zal ze straffen? `~Als een van u het wist, hy zou 't beletten. En de Regent zou niet dulden dat zo-iets geschiedde in zyn regentschap. En ook ik zal het tegengaan waar ik kan. Maar als noch gy, noch de _Adhipatti,_ noch ik wisten... `~Hoofden van _Lebak!_ Wie toch zal dan recht doen in _Bantan-Ki- doel?_ `~Hoort naar my als ik u zeggen zal hoe er dan recht zal gedaan worden. `~Er komt een tyd dat onze vrouwen en kinderen schreien zullen by het gereedmaken-van ons doodkleed, en de voorbyganger zal zeggen: `Daar is een mens gestorven.' Dan zal wie aankomt in de dorpen, tyding brengen van de dood desgenen die gestorven is, en wie hem herbergt, zal vragen: `wie _was_ de man die gestorven is?' En men zal zeggen: `Hy was goed en rechtvaardig. Hy sprak recht en verstootte de klager niet van zyn deur. Hy hoorde geduldig aan, wie tot hem kwam, en gaf weder wat ontnomen was. En wie de ploeg niet dryven kon door de grond omdat de buffel uit de stal was gehaald, hielp hy zoeken naar de buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder, zocht hy de dief en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid had onthield hy het loon niet, en hy ontnam de vruchten niet aan wie de boom geplant hadden. Hy kleedde zich niet met het kleed dat anderen dekken moest, noch voedde zich met voedsel dat de arme behoorde.' `~Dan zal men zeggen in de dorpen: `Allah is groot, Allah heeft hem tot zich genomen. Zyn wil geschiedde... er is een goed mens ge- storven.' `~Doch andermaal zal de voorbyganger stilstaan voor een huis, en vragen, `wat is dit, dat de _gamlang_ zwygt, en het gezang der meis- jes?' En wederom zal men zeggen: `er is een man gestorven.' `~En wie rondreist in de dorpen, zal 's avends zitten by zyn gastheer, en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van wie het dorp bewonen, en hy zal zeggen: `Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zyn, en hy verkocht het recht aan wie hem geld gaf. Hy mestte zyn akker met het zweet van de arbeider die hy had afgeroepen van de akker des arbeiders. Hy onthield de werkman zyn loon, en voedde zich met het voedsel van de arme. Hy is ryk geworden van de armoede der anderen. Hy had veel gouds en zilvers en edele stenen in menigte, doch de landbouwer die in de nabuur- schap woont, wist de honger niet te stillen van zyn kind. Hy glim- lachte als een gelukkig mens, maar men hoorde gekners tussen de tanden van de klager die recht zocht. Er was tevredenheid op zyn gelaat, maar geen zog in de borsten der moeders die zoogden.' `~Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: `Allah is groot... wy vloeken niemand!' `~Hoofden van _Lebak,_ eens sterven wy allen! `~Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wy gezag hadden? En wt door de voorbygangers die de begrafenis aanschouwen? `~En wat zullen wy antwoorden, als er na onze dood een stem spreekt tot onze ziel, en vraagt: `waarom is er geween in de velden, en waarom verbergen zich de jongelingen? Wie nam de oogst uit de schuren, en uit de stallen de buffel die het veld ploegen zou? Wat hebt gy gedaan met de broeder die ik u gaf te bewaken? Waarom is de arme treurig en vloekt de vruchtbaarheid zyner vrouw?'' Hier hield Havelaar weder op, en na enig zwygen ging hy op de eenvoudigste toon van de wereld, en als had er volstrekt niets plaats gehad dat indruk maken moest, voort: `Ik wenste gaarne in goede verstandhouding met u te leven, en daarom verzoek ik u my te beschouwen als een vriend. Wie gedwaald mocht hebben, kan op een zacht oordeel van myn kant staat-maken want daar ikzelf zo menig keer dwaal, zal ik niet streng zyn... niet althans in de gewone dienstvergrypen of nalatigheden. Alleen waar nalatigheid zou worden tot gewoonte, zal ik die tegengaan. Over misslagen van grovere aard... over knevelary en onderdrukking, spreek ik niet. Zo-iets zal niet voorkomen, niet waar, m'nheer de _Adhipatti?'_ `O neen, mynheer de adsistent-resident, zo-iets zal niet voorko- men in _Lebak.'_ `Welnu dan, myne heren Hoofden van _Bantan-Kidoel,_ laat ons verheugd zyn dat onze Afdeling verachterd en zo arm is. Wy hebben iets schoons te doen. Als Allah ons in 't leven spaart, zullen wy zorg dragen dat er welvaart kome. De grond is vruchtbaar genoeg, en de bevolking gewillig. Als ieder in het genot wordt gelaten van de vruchten zyner inspanning, lydt het geen twyfel dat binnen weinig tyds de bevolking zal toenemen, zo in zielental als in bezittingen en beschaving, want dit gaat veelal hand-aan-hand. Ik verzoek u nog- maals my te beschouwen als een vriend die u helpen zal waar hy kan, vooral waar onrecht moet worden te-keer gegaan. En hiermede be- veel ik my zeer aan in uw medewerking. `~Ik zal u de ontvangen berichten over Landbouw, Veeteelt, Politie en Justitie met myn beschikkingen doen teruggeworden. `~Hoofden van _Bantan-Kidoel!_ Ik heb gezegd. Ge kunt terugkeren, ieder naar zyn woning. Ik groet u allen zeer!' (65) Hy boog, bood de oude Regent de arm, en geleidde hem over het erf naar 't woonhuis, waar Tine hem stond te wachten in de voorgalery. `Kom, Verbrugge, ga nog niet naar huis! Kom... een glas madera? En... ja, dit moet ik weten, _Radhen Djaksa,_ hoor eens!' Havelaar riep dit, toen alle Hoofden na veel buigingen zich gereed maakten naar hun woningen terug te keren. Ook Verbrugge stond op 't punt het erf te verlaten, doch keerde met de _Djaksa_ terug. `Tine, ik wil madera drinken, Verbrugge ook. _Djaksa,_ laat horen, wat hebt ge toch aan de _Kliwon_ over myn kleine jongen gezegd?' _`Mintah ampong,_ (66) mynheer de adsistent-resident, ik bezag zyn hoofd, omdat mynheer gesproken had.' `Wat drommel heeft zyn hoofd daarmee te maken? Ik weet zelf al niet meer wat ik gezegd heb.' `Mynheer, ik zeide tot de _Kliwon...'_ Tine schoof by; er werd over kleine Max gesproken. `Mynheer, ik zeide tot de _Kliwon_ dat de _Sienjo_ (67) een konings- kind was.' Dt deed Tine goed: zy vond het ook! De _Adhipatti_ bezag 't hoofd van de kleine, en inderdaad, ook hy zag op de kruin de dubbele haarwervel die, naar 't bygeloof op Java, bestemd is een kroon te dragen. Daar de etikette niet toeliet de _Djaksa_ een plaats aan te bieden in tegenwoordigheid van de Regent, nam hy afscheid, en men was enige tyd by-een zonder iets aan te roeren dat betrekking had op de `dienst'. Maar op-eenmaal -- en dus in stryd met de zo uitermate hoffelyke volksaard -- vroeg de Regent of zekere gelden die de belasting-kollek- teur te-goed had, niet konden worden uitbetaald? `Wel neen,' riep Verbrugge, `mynheer de _Adhipatti_ weet dat dit niet geschieden mag voor zyn verantwoording afgelopen is.' Havelaar speelde met Max. Maar er bleek dat dit hem niet belette op 't gelaat van de Regent te lezen dat Verbrugge's antwoord hem niet aanstond. `Kom, Verbrugge, laat ons niet lastig wezen,' zeide hy. En hy liet een klerk van 't kantoor roepen. `We zullen dat maar uitbetalen... die verantwoording zal wel goedgekeurd worden.' Nadat de _Adhipatti_ vertrokken was, zei Verbrugge, die veel hield van de staatsbladen: `Maar, m'nheer Havelaar, dat mag niet! De verantwoording van de kollekteur is nog altyd te _Serang_ in onder- zoek... als nu eens daaraan iets ontbreekt?' `Dan leg ik 't er by,' zei Havelaar. Verbrugge begreep maar niet waaruit deze grote inschikkelykheid voor de belasting-kollekteur geboren werd. De klerk kwam weldra met enig geschryf terug. Havelaar tekende, en zei dat men spoed moest maken met die uitbetaling. `Verbrugge, ik zal je zeggen waarom ik dit doe! Die Regent heeft geen duit in huis: zyn schryver heeft het my gezegd, en bovendien... dat brusque vragen! De zaak is duidelyk. _Hyzelf_ heeft dat geld nodig, en de kollekteur wil 't hem voorschieten. Ik overtreed liever op eigen verantwoordelykheid een vorm, dan dat ik een man van zyn rang en jaren in verlegenheid laten zou. Bovendien, Verbrugge, er wordt in _Lebak_ gruwelyk misbruik gemaakt van gezag. Dit moet je weten. Weet je 't?' Verbrugge zweeg. Hy wist het. (68) `Ik weet het,' ging Havelaar voort, _`ik weet het!_ Is niet m'nheer Slotering gestorven in november? Welnu, _de dag na zyn dood_ heeft de regent volk opgeroepen om _zyn Sawahs_ te bewerken... zonder betaling! Ge hadt dit moeten weten, Verbrugge. _Wist_ je 't?' Dit wist Verbrugge niet. `Als kontroleur hadt je 't _moeten_ weten! _Ik_ weet het,' ging Have- laar voort. `Dr liggen de maandstaten van de distrikten' -- en hy toonde 't pak geschryf dat hy ontvangen had in de vergadering -- `zie, ik heb niets geopend. Daarin zyn, onder andere zaken, de opgaven van op de hoofdplaats geleverde arbeiders tot heredienst. Welnu, zyn die opgaven juist?' `Ik heb ze nog niet gezien...' `Ik ook niet! Maar toch vraag ik je of ze juist zyn? Waren de opgaven van de vorige maand juist?' Verbrugge zweeg. `Ik zal 't je zeggen: ze waren _vals!_ Want er was driemaal meer volk opgeroepen om voor de Regent te werken dan de bepalingen op de herediensten toelaten, en dit durfde men natuurlyk in de staten niet opgeven. Is 't waar, wat ik zeg?' Verbrugge zweeg. `Ook de staten die ik vandaag ontving, zyn vals,' ging Havelaar voort. `De Regent is arm. De Regenten van _Bandoeng_ en _Tjiandjoer_ (69) zyn leden van 't geslacht waarvan hy 't hoofd is. Die laatste heeft slechts rang van _Tommongong,_ onze Regent is _Adhipatti,_ en toch laten zyn inkomsten, omdat _Lebak_ niet geschikt is voor koffi en hem dus geen emolumenten opbrengt, niet toe in praal en luister te wedy- veren met een eenvoudige _Dhemang_ in de _Preanger,_ die de stygbeu- gel houden zou als zyn neven te-paard stygen. Is dit waar?' `Ja, dit is zo.' `Hy heeft niets dan zyn traktement, en hierop is een korting ter afbetaling van een voorschot dat de Regering hem gegeven heeft, toen hy... _weet_ je 't?' `Ja, ik weet het.' `Toen hy een nieuwe _medsjid_ wilde laten bouwen, waartoe veel geld nodig was. Bovendien, veel leden zyner familie... _weet_ je 't?' `Ja, dat weet ik.' `Veel leden van zyn familie -- die eigenlyk niet in 't _Lebakse_ te-huis behoort, en daarom ook by 't volk niet gezien is -- scharen zich als een plunderbende om hem heen, en persen hem geld af. Is dit waar?' `'t Is de waarheid,' zei Verbrugge. `En als zyn kas ledig is, wat dikwyls gebeurt, nemen zy _in zyn naam_ de bevolking af, wat hun aanstaat. Is dit zo?' `Ja, het is zo.' `Ik ben dus goed onderricht, doch daarover nader. De Regent, die in jaren klimmende de dood vreest, wordt beheerst door de zucht zich verdienstelyk te maken door giften aan geestelyken. Hy geeft veel geld uit voor reiskosten van pelgrims naar Mekka, die hem allerlei vodden van relieken, talismans en _djimats_ (70) terugbrengen. Is 't niet zo?' `Ja, dat is waar.' `Welnu, door dit alles is hy zo arm. De _Dhemang_ van _Parang- Koedjang_ is zyn schoonzoon. Waar de Regent zelf uit schaamte voor zyn rang niet durft nemen, is het die _Dhemang_ -- maar hy is 't niet alln -- die aan de _Adhipatti_ zyn hof maakt door 't afpersen van geld en goed aan de arme bevolking, en door de lieden weg te halen van hun eigen rystvelden om ze heen te dryven naar de _sawahs_ van de Regent. En deze... zie, ik wil geloven dat hy gaarne anders wilde, maar de nood dwingt hem gebruik te maken van zulke middelen. Is dit alles niet waar, Verbrugge?' `Ja, 't is waar,' zei Verbrugge, die hoe langer hoe meer begon in te zien dat Havelaars blik scherp was. `Ik wist,' vervolgde deze, `dat hy geen geld in huis had, toen hy zo- even over de afrekening met de onderkollekteur begon te spreken. Ge hebt heden morgen gehoord dat het myn voornemen is, myn plicht te doen. Onrecht duld ik niet, by God, dat duld ik niet!' En hy sprong op, en er was in zyn toon geheel iets anders dan de vorige dag by zyn _officile_ eed. `Maar,' ging hy voort, `ik wil myn plicht doen met zachtheid. Ik wil niet te nauwkeurig weten wat geschied _is._ Doch wat _van heden af_ geschiedt, is ter _myner_ verantwoording, daarvoor zal _ik_ zorg dra- gen! Ik hoop lang hier te blyven. Weet je wel, Verbrugge dat onze roeping heerlyk schoon is? Maar weet je ook wel dat ik alles wat ik je zo-even zei, eigenlyk van _u_ had moeten horen? Ik ken u even goed als ik weet wie er _garem glap_ maken aan de zuidkust. (71) Je bent een braaf mens... ook dit weet ik. Maar waarom heb je my niet gezegd dat hier zoveel verkeerds was? Gedurende twee maanden ben je waarne- mend adsistent-resident geweest, en bovendien reeds lang hier als kontroleur... je moest het dus weten, niet waar?' `M'nheer Havelaar, ik heb nooit gediend onder iemand als u. Ge hebt iets zeer byzonders, neem het me niet kwalyk.' `Volstrekt niet! Ik weet wel dat ik niet ben als alle mensen, maar wat doet dit tot de zaak?' `Dat doet er dit toe, dat u iemand begrippen en denkbeelden mee- deelt, die vroeger niet bestonden.' `Neen! Die ingesluimerd waren door de vervloekte officile _slen- der_ die zyn styl zoekt in _`ik heb de eer'_ en de rust van zyn geweten in _`de hoge tevredenheid van de Regering'._ Neen, Verbrugge! laster jezelf niet! Je behoeft van my niets te leren. Heb ik je by-voorbeeld heden morgen in de _Sebah_ iets nieuws verteld?' `Neen, nieuws niet, maar u sprak anders dan anderen.' `Ja, dat komt... omdat myn opvoeding wat verwaarloosd is: ik spreek te-hooi en te-gras. Maar je zoudt me zeggen waarom je tot- nog-toe zo berust hebt in alles wat er verkeerds was in _Lebak.'_ `Ik heb nooit zo de indruk gehad van een _initiatief._ Bovendien, dat alles is altyd zo geweest in deze streken.' `Ja, ja, dat weet ik wel! Ieder kan geen profeet of apostel wezen... hm, 't hout zou duur worden van 't kruisigen! Maar je wilt me toch wel helpen alles te-recht te brengen? Je wilt toch wel je _plicht_ doen?' `Zeker! Vooral by u. Maar niet ieder zou dit zo streng vorderen of zelfs goed opvatten, en dan komt men zo ligt in de pozitie van iemand die windmolens bestrydt.' `Neen! Dan zeggen zy die 't onrecht liefhebben omdat ze daarvan leven, dat er geen onrecht _was,_ om 't vermaak te hebben u en my uit te maken voor Don Quichotten, en te-gelyker-tyd _hun_ windmolens draaiende te houden. Doch, Verbrugge, je hadt niet op _my_ hoeven te wachten om je plicht te doen! M'nheer Slotering was een bekwaam en eerlyk man: hy wist wat er omging, hy keurde het af en verzette zich er tegen... ziehier!' Havelaar nam uit een portefeuille twee vellen papier, en deze aan Verbrugge tonende, vroeg hy: `Wiens hand is dit?' `Dat is de hand van m'nheer Slotering.' `Juist! Welnu, dit zyn kladnotaas, bevattende blykbaar onderwer- pen waarover hy met de resident spreken wilde. Daar lees ik... zie: 1"o" _Over de rystbouw._ 2"o" _Over de woningen der dorpshoofden._ 3"o" _Over het innen der landrenten, enz._ Daar achter staan twee uitroepingste- kens. Wat bedoelde m'nheer Slotering daarmee?' `Hoe kan _ik_ dat weten?' riep Verbrugge. `Ik wel! Dit beduidt dat er veel meer landrenten worden opge- bracht, dan er in 's lands kas vloeien. Doch ik zal je dan iets tonen dat wy beiden weten, omdat het in letters en niet in tekens geschreven is. Ziehier: `~`12"o" _Over het misbruik dat door de regenten en mindere hoofden van de bevolking wordt gemaakt. (Over het houden van verschillen- de woningen ten-koste der bevolking, enz.)'_ `~Is dit duidelyk? Ge ziet dat de heer Slotering wl iemand was, die een _initiatief_ wist te nemen. Je had je dus by hem kunnen aansluiten. Luister verder: `~`15"o" _Dat vele personen van de familin en bedienden der inlandse hoofden op de uitbetalingstaten voorkomen, die inderdaad geen deel nemen in de kultuur, zodat de voordelen hiervan hun ten-deel val- len, ten prjudice van de werkelyke deelhebbers. Ook worden zy gesteld in het onrechtmatig bezit van sawah-velden, terwyl die al- leen toekomen aan degenen, die aandeel hebben in de kultuur.'_ `~Hier heb ik een andere nota, en wel in potlood. Zie eens, ook drop staat iets zeer duidelyks: _`~`De verloop van volk te Parang-Koedjang is alleen toe te schryven aan het =verregaand= misbruik, dat van de bevolking wordt ge- maakt.'_ `~Wat zeg je drvan? Ziet ge wel dat ik niet zo excentriek ben als 't schynt, wanneer ik werk maak van recht? Zie je nu dat ook anderen dit deden?' (72) `Het is waar,' zei Verbrugge, `de heer Slotering heeft de resident dikwyls over dat alles gesproken.' `En wat volgde daarop?' `Dan werd de Regent geroepen: er werd _geaboucheerd...'_ `Juist! En verder?' `De Regent ontkende gewoonlyk alles. Dan moesten er getuigen komen... niemand durfde tegen de Regent getuigen... och, m'nheer Havelaar, die zaken zyn zo moeielyk!' De lezer zal, vr hy myn boek heeft uitgelezen, even goed als Verbrugge weten waarom die zaken zo byzonder moeielyk waren. `Mynheer Slotering had er veel ergernis over,' vervolgde de kon- troleur, `hy schreef scherpe brieven aan de Hoofden...' `Ik heb ze gelezen... heden nacht,' zei Havelaar. (73) `En ik heb hem dikwyls horen zeggen dat hy, als er geen verande- ring kwam, en als de resident niet _doortastte,_ zich rechtstreeks zou wenden tot de Gouverneur-generaal. Dit heeft hy ook aan de Hoof- den zelf gezegd op de laatste _Sebah_ die hy heeft voorgezeten.' `Daaraan zou hy zeer verkeerd hebben gedaan. De resident was zyn chef die hy in geen geval mocht voorbygaan. En waarom zou hy dat ook? Het is toch niet te veronderstellen dat de resident van _Ban- tam_ onrecht en willekeur zou goedkeuren?' `Goedkeuren... neen! Maar men klaagt niet gaarne by de Regering een Hoofd aan.' `Ik klaag niet gaarne iemand aan, wie ook, maar als 't _moet,_ een Hoofd zo goed als een ander. Doch van aanklagen is nu hier, goddank, nog geen spraak! Morgen ga ik de Regent bezoeken. Ik zal hem 't verkeerde van onwettige gezagsoefening onder 't oog brengen, voor- al waar 't om de bezitting van arme mensen te doen is. Maar in afwachting dat alles te-recht komt, zal ik hem in zyn netelige om- standigheden helpen zoveel ik kan. Je begrypt nu immers waarom ik dat geld aan de kollekteur dadelyk heb laten uitbetalen, niet waar? Ook ben ik van voornemen aan de Regering te verzoeken, de Regent zyn voorschot kwyt te schelden. (74) En u, Verbrugge, stel ik voor, gezamenlyk stipt onze plicht te doen. Zolang 't kn, met zachtheid, maar als 't _moet,_ zonder vrees! Je bent een eerlyk man, dit weet ik, maar je bent beschroomd. Zeg voortaan flink uit waar 't op staat, _advienne que pourra!_ Werp die halfheid van je, beste kerel... en nu, blyf by ons eten: we hebben hollandse bloemkool in blik... maar alles is zeer eenvoudig, want ik moet heel zuinig zyn... ik ben erg ten- achter in geldzaken: de reis naar Europa, weet je? Kom, Max... sak- kerloot, jongen, wat word je zwaar!' En, met Max te-paard op zyn schouder, trad hy, gevolgd door Verbrugge, de binnengalery in, waar Tine hen wachtte aan de gedek- te dis die, zoals Havelaar gezegd had, wel _zeer_ eenvoudig was! Ducla- ri, die aan Verbrugge kwam vragen of hy al dan niet dacht thuis te zyn voor 't middagmaal, werd meegenodigd aan-tafel, en wanneer de lezer gesteld is op wat afwisseling in myn vertelling, wordt hy naar 't volgende hoofdstuk verwezen, waarin ik meedeel wat er zo-al ge- sproken werd by dat maal. Negende hoofdstuk Ik gaf er veel voor, met juistheid te weten, lezer, hoe lang ik nu een heldin in de lucht zou kunnen laten zweven, voor ge, by de beschry- ving van een kasteel, myn boek moedeloos uit de hand zoudt leggen, zonder te wachten tot het mens op de grond kwam? Als ik in myn verhaal zulk een luchtsprong nodig had, zou ik voorzichtigheidshal- ve nog altyd een eerste verdieping kiezen als uitgangspunt van haar sprong, en een kasteel waarvan weinig te zeggen viel. Wees echter voorlopig gerust: Havelaars huis had geen verdieping, en de heldin van myn boek -- goede hemel, de lieve trouwe _anspruchslose_ Tine, een heldin! -- is nooit uit een venster gesprongen. Toen ik 't vorig hoofdstuk sloot met een aanwyzing op wat afwis- seling in het volgende, was dit eigenlyk meer een oratorische kunst- greep, en om een slot te maken dat goed `knipte' dan wel omdat ik inderdaad meende dat het volgend hoofdstuk alleen `ter afwisseling' waarde hebben zou. Een schryver is ydel als... een man. Spreek kwaad van zyn moeder of van de kleur zyner haren, zeg dat hy een amsterdams accent heeft -- wat nooit een Amsterdammer toestemt -- wellicht vergeeft hy u die dingen. Maar... roer nooit aan de buitenzy van 't kleinste onderdeel ener byzaak van iets dat er lag naast zyn geschryf... want dt vergeeft hy u niet! Als ge dus myn boek niet schoon vindt, en ge mocht my ontmoeten, houd u dan alsof wy elkander niet kenden. Neen, zelfs zulk een hoofdstuk `ter afwisseling' komt me door het vergrootglas myner schryvers-ydelheid, hoogst belangryk en zelfs onmisbaar voor, en als ge het oversloegt, en daarna niet naar behoren waart ingenomen met myn boek, zou ik niet aarzelen u dat overslaan te verwyten als oorzaak dat ge myn boek niet kondet beoordelen, want dat ge juist het _essentile_ niet gelezen hadt. Z zou ik -- want ik ben man en schryver -- elk hoofdstuk voor _essentieel_ houden, dat gy hadt overgeslagen met onvergeeflyke lezerslichtzinnigheid. Ik verbeeld me dat uw vrouw vraagt: `er is nogal wat _aan_ dat boek!' En ge zegt by-voorbeeld -- _horribile auditu_ voor my -- met de woor- denrykheid die eigen is aan gehuwde mannen: `Hm... z... ik weet nog niet.' Welnu, barbaar, lees verder! Het belangryke staat juist voor de deur. En met een bevende lip staar ik u aan, en meet de dikte van de omgeslagen bladen, en ik zoek op uw gelaat naar de weerschyn van 't hoofdstuk `dat zo mooi is'... Neen, zeg ik, hy is er nog niet. Straks zal hy opspringen, in vervoe- nng iets omhelzen, zyn vrouw misschien... Maar ge leest verder. Het `mooie hoofdstuk' moet voorby wezen, dunkt me. Ge zyt in 't minst niet opgesprongen, hebt niets omhelsd... En al dunner wordt de bundel bladen onder uw rechterduim, en al schraler wordt myn hoop op die omhelzing... ja, waarachtig, ik had zelfs staat-gemaakt op een traan! En ge hebt de roman uitgelezen tot `waar ze elkaar krygen' toe, en ge zegt -- een andere vorm van welsprekendheid in de echtestaat -- geeuwend: `Z... z! 't Is een boek dat... hm! Och, ze schryven zo vl tegenwoordig!' Maar weet ge dan niet, ondier, tyger, _Europeaan,_ lezer, weet ge dan niet dat ge daar een uur hebt doorgebracht met byten op _myn_ geest als op een tandenstoker? Met knagen en kauwen op vlees en been van uw geslacht? Menseneter, daarin stak myn ziel, _myn_ ziel die ge hebt vermaald als eens gegeten gras! 't Was _myn_ hart dat ge daar hebt opgeslikt als een versnapering! Want in dat boek had ik dat hart en die ziel neergelegd, en er vielen zoveel tranen op dat hand- schrift, en myn bloed week weg uit de aren naarmate ik voortschreef, en ik gaf u dat alles, en dat kocht ge voor weinige stuivers... en ge zegt: _hm!_ De lezer begrypt dat ik hier niet spreek van _myn_ boek. Zodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken... `Wie is dat, Abraham Blankaart?' vroeg Louise Rosemeyer, en Frits vertelde het haar, wat me groot genoegen deed, want dit gaf my de gelegenheid eens op te staan en, voor die avend althans, een eind te maken aan de voorlezing. Ge weet dat ik makelaar in koffi ben -- _Lauriergracht n"o" 37_ -- en dat ik alles over heb voor myn vak. Ieder zal dus kunnen nagaan, hoe weinig ik tevreden was met het werk van Stern. Ik had op koffi gehoopt, en hy gaf ons... ja, de hemel weet, wt! Met zyn opstel heeft hy ons al drie kransavenden bezig gehouden, en, wat het ergste is, de Rosemeyers vinden het mooi. Zo zeggen ze, ten-minste. Als ik een aanmerking maak, beroept hy zich op Louise. Hr goedkeuring, zegt hy, weegt hem zwaarder dan alle koffi van de wereld, en bovendien: `als 't hart me gloeit'... enz. -- Zie deze tirade op bladzyde zoveel, of liever, zie ze niet. -- Daar sta ik dan, en weet niet wat te doen! Dat pak van Sjaalman is een waar Trojaans paard. Ook Frits wordt er door bedorven. Hy heeft, naar ik bemerk, Stern gehol- pen, want die Abraham Blankaart is veel te hollands voor een Duit- ser. (75) Beiden zyn zo pedant, dat ik waarlyk met de zaak verlegen word. Het ergste is, dat ik met Gaafzuiger een overeenkomst heb aangegaan voor het uitgeven van een boek dat over de _koffiveilingen_ moet handelen -- heel Nederland wacht er op -- en daar gaat me nu die Stern een heel andere weg uit! Gister zeide hy: `wees gerust, alle wegen leiden naar Rome. Wacht nu eerst het slot van de inleiding af' -- is dat alles nog maar _inleiding?_ -- `ik beloof u' -- hy zeide eigenlyk: `ik verspreek u' -- `dat ten-slotte de zaak zal neerkomen op koffi, koffi, op niets dan koffi! Denk aan Horatius,' ging hy voort, `heeft niet hy reeds gezegd: _omne tulit punctum, qui miscuit..._ koffi met wat an- ders? Handelt gyzelf niet even zo, als ge suiker en melk in uw kopje doet?' En dan moet ik zwygen. Niet omdat hy gelyk heeft, maar omdat ik aan de firma _Last & C"o"_ verplicht ben zorg te dragen dat de oude Stern niet vervalle in Busselinck & Waterman, die hem slecht zouden bedienen omdat het knoeiers zyn. By u, lezer, stort ik myn hart uit, en opdat ge na het lezen van Stern's geschryf -- heb ge 't werkelyk gelezen? -- uw toorn niet zoudt uitstorten over een onschuldig hoofd -- want ik vraag u, wie zal een makelaar nemen, die hem voor menseneter uitscheldt? -- hecht ik er aan, dat ge overtuigd zyt van myn onschuld. Ik kan toch die Stern niet uit de firma van myn boek dringen, nu de zaken eenmaal zver zyn dat Louise Rosemeyer, als ze uit de kerk komt -- de jongens schynen haar op te wachten -- vraagt of hy wat vroeg komen zal die avond, om toch recht veel van Max en Tine voor te lezen? Maar omdat ge het boek hebt gekocht of gehuurd in 't vertrouwen op de deftige titel die wat degelyks belooft, erken ik uw aanspraken op wat goeds voor uw geld, en daarom schryf ikzelf nu eens weer een paar hoofdstukken. Ge zyt niet in de krans van de Rosemeyers, lezer, en dus gelukkiger dan ik die alles moet aanhoren. U staat het vry, de hoofdstukken over te slaan, die naar duitse opgewondenheid rieken, en u alleen bezig te houden met wat geschreven is door my, die een deftig man ben, en makelaar in koffi. Met bevreemding heb ik uit Stern's geschryf vernomen -- en uit Sjaalman's pak heeft hy me aangetoond dat het waar was -- dat er in de afdeling Lebak geen koffi wordt geplant. Dit is zeer verkeerd, en ik zal myn moeite ruim beloond achten, als de Regering door myn boek op die fout wordt opmerkzaam gemaakt. Uit de papieren van Sjaal- man zou blyken, dat de grond in die streken voor de koffikultuur niet geschikt is. Maar hierin ligt volstrekt geen verschoning, en ik beweer dat men zich schuldig maakt aan onvergeeflyk plichtverzuim om- trent Nederland in 't algemeen en de koffimakelaars in 't byzonder, ja omtrent de Javanen zelf, door niet, f die grond te veranderen -- de Javaan heeft toch niets anders te doen -- f, als men meent dit niet te kunnen, de mensen die dr wonen, te zenden naar andere streken waar de grond wl goed is voor koffi. Ik zeg nooit iets wat ik niet goed overwogen heb, en durf te bewe- ren dat ik hier met kennis van zaken spreek, daar ik over dit stuk rypelyk heb nagedacht, vooral sedert het horen der preek van domi- nee Wawelaar in de bidstond voor 't bekeren der heidenen. Dat was woensdag avend. Ge moet weten, lezer, dat ik myn plich- ten als vader stipt vervul, en dat de zedelyke opleiding myner kinde- ren me zeer na aan het hart ligt. Daar nu Frits sedert enige tyd in toon en manieren iets heeft aangenomen, dat me niet bevalt -- 't komt alles uit dat verwenste pak! -- heb ik hem eens goed onder-handen geno- men, en gezegd: `Frits, ik ben niet over je tevreden! Ik heb je altyd het goede voorgehouden, en toch wyk je van de rechte weg af. Je bent pedant en lastig, en maakt verzen, en je hebt Betsy Rosemeyer een zoen gegeven. De vreze des Heren is 't beginsel van alle wysheid, je moet dus de Rosemeyers niet zoenen, en niet zo pedant wezen. Zedeloosheid brengt ten verderve, jongen. Lees in de Schrift, en let eens op die Sjaalman. Hy heeft de wegen van de Heer verlaten: nu is hy arm, en woont op een klein kamertje... ziedaar de gevolgen van onzedelykheid en slecht gedrag! Hy heeft verkeerde artikels in de _Indpendance_ geschreven en de Aglaia laten vallen. Zo gaat het, als men wys is in zyn eigen ogen. Hy weet nu niet eens hoe laat het is, en zyn jongetje heeft maar een half broekje aan. Bedenk dat je lichaam een tempel Gods is, en dat je vader altyd hard heeft moeten werken voor de kost -- 't is de waarheid! -- sla dus 't oog naar boven, en tracht op te groeien tot een fatsoenlyk makelaar, als ik naar Driebergen ga. En let toch op al de mensen die niet horen willen naar goede raad, die godsdienst en zedelykheid met voeten trappen, en spiegel je aan die mensen. En stel je niet gelyk met Stern, wiens vader zo ryk is, en die altyd geld genoeg zal hebben, al wil hy geen makelaar worden, en al doet hy nu-en-dan eens wat verkeerds. Bedenk toch dat al het kwade gestraft wordt: zie maar weer die Sjaalman die geen winterjas heeft, en er uitziet als een komediespeler. Luister toch goed in de kerk, en zit daar niet zo heen-en-weer te draaien op je bank, alsof 't je verveelde, jongen, want... wat moet God daarvan denken? De kerk is Zyn hei- ligdom, zieje? En wacht geen jonge meisjes op als 't uit is, want dit neemt de stichting weg. Maak ook Marie niet aan 't lachen, als ik by 't ontbyt uit de Schrift lees. Dat komt in een fatsoenlyk huishouden niet te-pas. Ook heb je poppetjes getekend op 't legblad van Bastiaans, toen de man weer niet binnen was -- omdat hy telkens de jicht heeft -- dat houdt de mensen op 't kantoor van hun werk, en er staat in Gods Woord dat zulke dwaasheden ten-verderve leiden. Die Sjaalman deed ook verkeerde dingen toen hy jong was: hy heeft als kind op de Westermarkt een Griek geslagen... nu is hy lui, pedant en ziekelyk, ziedaar! Maak dus niet zo altyd grappen met Stern, jongen: _zyn_ vader is ryk, moet je denken. Houd je alsof je 't niet zag, als hy gezichten trekt tegen de boekhouder. En als hy buiten 't kantoor met verzen bezig is, zeg hem dan zo-eens, dat hy 't hier by ons zo goed heeft, en dat Marie pantoffels voor hem heeft geborduurd met echte floszy. Vraag hem -- zo-eens uit jezelf, weetje? -- of hy gelooft dat zyn vader by Busselinck & Waterman gaan zal, en zeg hem dat het knoei- ers zyn. Zieje, dat is men zyn naaste schuldig -- zo breng je hem op de goede weg, meen ik -- en... al dat verzenmaken is gekheid. Wees toch braaf en gehoorzaam, Frits, en trek de meid niet aan de rokken, als ze thee brengt op 't kantoor, en maak me niet te-schande, want dan stort ze, en Paulus zegt dat nooit een zoon verdriet moet doen aan zyn vader. Ik bezoek twintig jaar de beurs, en durf te zeggen dat ik geacht ben by myn pilaar. Hoor dus naar myn vermaningen, Frits, en wees braaf, en haal je hoed, en trek je jas aan, en ga mee naar de bidstond, dat zal je goed doen!' Z heb ik gesproken, en ik ben overtuigd dat ik indruk op hem gemaakt heb, vooral daar dominee Wawelaar tot onderwerp van zyn rede had gekozen: _de liefde Gods, blykbaar uit Zyn toorn tegen ongelovigen,_ naar aanleiding van Samuels berisping aan Saul: _Sam.~ =xv=: 33b._ By 't aanhoren van die predikatie, dacht ik gedurig hoe hemels- breed toch het verschil is tussen menselyke en goddelyke wysheid. Ik zeide reeds dat er in het pak van Sjaalman, onder veel vodden, toch ook een en-ander was, dat in 't oog viel door degelykheid van redene- ring. Maar, och, hoe weinig heeft toch zo-iets te beduiden, als men 't vergelykt by een taal als van dominee Wawelaar! En niet uit eigen kracht -- want ik ken Wawelaar, en houd hem voor iemand die waar- lyk niet hoog vliegt -- neen, door de kracht die van boven komt. Dit onderscheid bleek te duidelyker, omdat hy sommige punten aan- roerde, die ook door Sjaalman behandeld waren, want ge hebt gezien dat er in zyn pak veel over Javanen en andere heidenen voorkwam. Frits zegt dat de Javanen geen heidenen zyn, maar ik noem ieder die een verkeerd geloof heeft, een heiden. Want ik houd me aan Jezus Christus, en die gekruist, en dit zal elk fatsoenlyk lezer ook wel doen. Zowel omdat ik uit Wawelaars redevoering myn mening heb ge- put omtrent het ongeoorloofde der intrekking van de koffikultuur te _Lebak,_ waarop ik straks zal terugkomen, als omdat ik als eerlyk man niet wil, dat de lezer volstrekt niets ontvange voor zyn geld, zal ik hier enige brokstukken uit de preek meedelen, die al byzonder treffend waren. Hy had kortelyk Gods liefde uit de aangehaalde tekstwoorden bewezen, en was al zeer spoedig overgegaan tot het punt, waarop 't hier eigenlyk aankwam, de bekering namelyk van Javanen, Maleiers, en hoe al dat volk heten moge. Zie hier wat hy daarvan zeide: `Z, myn geliefden, was de heerlyke roeping van Isral' -- hy bedoelde het uitroeien der bewoners van Kanan -- `en z is de roeping van Nederland! Neen, er zal niet gezegd worden, dat het licht dat ons bestraalt, wordt weggezet onder de korenmaat, en niet ook dat wy gierig zyn in het meedelen van het brood des eeuwigen levens! Slaat het oog op de eilanden des Indischen Oceaans, bewoond door miljoe- nen en miljoenen kinderen des verstoten zoons -- en des te-recht verstoten zoons -- van de edele Godgevallige Noach! Dr kruipen zy rond in de walgelyke slangenholen van heidense onkunde, daar bui- gen zy het zwarte kroesharige hoofd onder het juk van eigenbelang- zuchtige priesters! Daar aanbidden zy God onder aanroeping van een valse profeet, die een gruwel is voor de ogen des Heren! En, geliefden, zelfs zyn er die, als ware het niet genoeg een valse profeet te gehoor- zamen, zelfs zyn er die een andere God, wat zeg ik, die _goden_ aanbid- den, goden van hout of steen, die zyzelf gemaakt hebben naar hun beeld, zwart, afschuwelyk, met platte neuzen en duivelachtig! Ja, geliefden, byna beletten my de tranen hier voort te gaan, nog dieper is de verdorvenheid van Cham's geslachte! Er zyn er onder hen, die geen God kennen, onder welke naam ook! Die menen dat het vol- doende is, de wetten te ghoorzamen der burgerlyke maatschappy! Die een oogstlied, waarin ze hun vreugde uitdrukken over het welsla- gen van hun arbeid, beschouwen als voldoende dank aan het Opper- wezen dat die oogst rypen liet! Er leven daar verdoolden, myne geliefden -- wanneer zulk een gruwelyk bestaan de naam van _leven_ dragen mag! -- daar vindt men wezens die beweren dat het voldoende is, vrouw en kind lief te hebben en van hun naaste niet te nemen wat hun niet behoort, om 's avends gerust het hoofd te kunnen nederleg- gen ter-slape! Yst ge niet by dit tafereel? Krimpt uw hart niet in-een by het bedenken wat het lot wezen zal van al die dwazen, zodra de bazuine schallen zal, die de doden oproept ter scheiding van recht- vaardigen en onrechtvaardigen? Hoort ge niet -- ja, gy hoort het, want uit de voorgelezen tekstwoorden hebt gy gezien dat uw God is een machtig God, en een God der gerechte wrake -- ja, gy hoort het gekraak der beenderen en het geknetter der vlammen in het eeuwig Gehenna waar weninge is, en tandengeknars! Dr, dr branden zy, en vergaan niet, want eeuwig is de straffe! Dr lekt de vlam met nooit voldane tong aan de gillende slachtoffers van het ongeloof! Dr sterft de worm niet, die hun harten dr en dr knaagt, zonder ooit die te vernietigen, opdat er steeds een hart te knagen overblyve in de borst van de Godverzaker! Ziet, hoe men het zwarte vel afstroopt van het ongedoopte kind dat, nauwelyks geboren, werd weggeslin- gerd van de borst van de moeder, in de poel der eeuwige verdoe- menis...' Toen viel er een juffrouw flauw. `Maar, geliefden,' ging dominee Wawelaar voort, `God is een God van liefde! Hy wil niet dat de zondaar verloren ga, maar dat hy zalig worde _met_ de genade, _in_ Christus, _door_ het geloof! En daarom is Nederland uitverkoren om van die rampzaligen te redden wat er van te redden is! Drtoe heeft Hy in Zyn onnaspeurlyke Wysheid aan een land, klein van omvang, maar groot en sterk door de kennisse Gods, macht gegeven over de bewoners dier gewesten, opdat zy door het heilig nooit volprezen Evangelium worden gered van de straffen der helle! De schepen van Nederland bevaren de grote wateren, en brengen beschaving, godsdienst, Christendom, aan de verdoolde Ja- vaan! Neen, ons gelukkig Nederland begeert niet voor zich alleen de zaligheid: wy willen die ook mededelen aan de ongelukkige schepse- len op verre stranden, die daar gebonden liggen in de kluisters van ongeloof, bygeloof en zedeloosheid! Het beschouwen van de plichten die ten-dezen op ons rusten, zal het zevende deel myner rede uit- maken.' Want, wat voorafging was het _zesde._ Onder de plichten die wy ten-aanzien van die arme heidenen te vervullen hebben werden ge- noemd: _1"o" Het geven van ruime bydragen in geld aan de zendelingsvere- niging. 2"o" Het ondersteunen der bybelgenootschappen, ten-einde deze in-staat te stellen, bybels op Java uit te delen. 3"o" Het bevorderen van_ `Oefeningen' _te Harderwyk, tendienste van het koloniaal werfdept. 4"o" Het schryven van preken en godsdienstige gezangen, ge- schikt om door soldaten en matrozen aan de Javanen te worden voorgelezen en voorgezongen. 5"o" Het oprichten ener vereniging van invloedryke mannen, wier taak zoude zyn, onze geerbiedigde Koning te smeken: a. Slechts zulke gouverneurs, officieren en beambten te benoe- men, die geacht kunnen worden vast te staan in het ware geloof. b. De Javaan te doen vergunnen de kazernes, alsmede de op de reden liggende oorlogs- en koopvaardyschepen te bezoeken, om door 't verkeer met nederlandse soldaten en matrozen te worden opgeleid tot het Godsryk. c. Te verbieden, bybels of godsdienstige traktaatjes in drankhui- zen te doen aannemen in betaling. d. Te doen opnemen in de voorwaarden der amfioenpacht op Java, de bepaling: dat er in elke amfioenkit een voorraad bybels moet aanwezig zyn, in verhouding met het vermoedelyk getal bezoekers van zodanig gesticht, en dat de pachter zich verbinde geen opium te verkopen, zonder dat de koper een godsdienstig traktaatje daarby neme. e. Te gelasten dat de Javaan door arbeid tot God worde gebracht. 6"o" Het geven van ruime bydragen aan de zendelingsgenoot- schappen._ Ik weet wel dat ik dit laatste punt reeds onder nummer n heb opgegeven, maar hy herhaalde het, en deze overtolligheid komt my, in het vuur der rede, zeer verklaarbaar voor. (76) Doch, lezer, hebt gy op nummer _5,e_ gelet? Welnu, juist die voor- slag herinnerde my zo aan de koffiveilingen, en aan de voorgewende onvruchtbaarheid van de grond te _Lebak,_ dat het u nu niet meer zo vreemd zal voorkomen, als ik verzeker dat dit punt sedert woensdag avend geen ogenblik uit myn gedachten geweest is. Dominee Wawe- laar heeft de berichten der zendelingen voorgelezen, niemand kan hem dus een grondige kennis der zaken betwisten. Welnu, als hy, met die rapporten voor zich, en met het oog op God, beweert dat veel arbeids gunstig werken zal op de verovering der javaanse zielen voor het Godsryk, dan mag ik toch wel vaststellen niet zo geheel bezyden alle waarheid te spreken, als ik zeg dat er te _Lebak_ zeer goed koffi kan geplant worden. En, sterker nog, dat misschien het Opperwezen juist hierom alleen die grond voor koffikultuur ongeschikt heeft gemaakt, om door de arbeid die er nodig wezen zal om een andere grond daarheen te verleggen, de bevolking van die streek vatbaar te maken voor de zaligheid. Ik hoop toch dat myn boek onder de ogen van de Koning komt, en dat er weldra door grotere veilingen blyken moge hoe nauw de ken- nisse Gods in-verband staat met het welbegrepen belang van de gehele burgery! Zie eens hoe de eenvoudige en nederige Wawelaar, zonder wysheid naar de mens -- de man heeft nooit een voet op de beurs gezet -- maar voorgelicht door het Evangelie dat een lamp op zyn pad is, my, makelaar in koffi, daar op-eenmaal een wenk geeft, die voor heel Nederland belangryk is niet alleen, maar die my in-staat zal stellen, als Frits goed oppast -- hy heeft redelyk stil gezeten in de kerk -- wellicht vyf jaren vroeger naar Driebergen te gaan. Ja, arbeid, arbeid, dat is myn wachtwoord! Arbeid voor de Javaan, dat is myn principe! En myn principes zyn me heilig. Is niet het Evangelie 't hoogste goed? Gaat er iets boven de zalig- heid? Is het dus niet onze plicht, die mensen zalig te maken? En wanneer, als hulpmiddel hiertoe, arbeid nodig is -- ikzelf heb twintig jaar de beurs bezocht -- mogen we dan de Javaan arbeid weigeren, waar zyn ziel daaraan zo dringend behoefte heeft om later niet te branden? Zelfzucht zou het wezen, schandelyke zelfzucht, als we niet alle pogingen aanwendden om die arme verdoolde mensen te behouden voor de verschrikkelyke toekomst die dominee Wawelaar zo welsprekend geschetst heeft. Er is een juffrouw flauw gevallen toen hy van dat zwarte kind sprak... misschien had ze een jongetje dat er wat donker uitzag. Vrouwen zyn zo! En zou ik niet aandringen op arbeid, _ik_ die zelf van de morgen tot de avend aan de zaken denk? Is niet reeds dit boek -- dat Stern me zo zuur maakt -- een bewys hoe goed ik het meen met de welvaart van ons vaderland, en hoe ik daarvoor alles veil heb? En als ik zo zwaar moet arbeiden, _ik_ die gedoopt ben -- in de Amstelkerk -- zou men dan van de Javaan niet mogen vorderen dat hy die zyn zaligheid nog verdienen moet, de handen uitsteekt? Als die vereniging -- van nummer _5,e_ meen ik -- tot-stand komt sluit ik me daarby aan. En ik zal ook de Rosemeyers hiertoe trachten over te halen, omdat de suikerraffinadeurs er ook belang by hebben, schoon ik niet geloof dat ze zeer zuiver zyn in hun begrippen -- de Rosemeyers meen ik -- want ze houden een roomse meid. Hoe het zy, _ik_ zal myn plicht doen. Dit heb ik mezelf beloofd, toen ik met Frits van de bidstond naar-huis ging. In myn huis zal de Here gediend worden, daarvoor zal _ik_ zorgen. En dit met te meer yver, omdat ik hoe langer hoe meer inzie hoe wys alles geregeld is, hoe liefderyk de wegen zyn waarlangs wy worden geleid aan Gods hand, en hoe Hy ons behouden wil voor het eeuwige en voor het tydelyke leven, want die grond te _Lebak_ kan zeer goed geschikt worden ge- maakt voor de koffikultuur. Tiende hoofdstuk Hoewel ik, waar 't principes geldt, niemand ontzie, heb ik toch begre- pen dat ik met Stern een andere weg moet inslaan dan met Frits, en daar het te voorzien is dat myn naam -- de firma is _Last & C"o",_ maar ik heet _Droogstoppel: Batavus Droogstoppel_ -- in aanraking komen zal met een boek waarin zaken voorkomen, die niet stroken met de eerbied die elk fatsoenlyk man en makelaar zichzelf verschuldigd is, acht ik het myn plicht u mee te delen, hoe ik getracht heb ook die Stern terug te brengen op de ware weg. Ik heb hem niet van de Heer gesproken -- omdat hy Luthers is -- maar ik heb gewerkt op zyn gemoed en zyn eer. Ziehier hoe ik dit heb aangelegd, en merk daarby op, hoever men het brengt met menskun- de. Ik had hem horen zeggen: _auf Ehrenwort,_ en vroeg wat hy daarmee bedoelde? `Wl,' zeide hy, `dat ik myn eer verpand voor de waarheid van wat ik zeg.' `Dat is zeer veel,' hernam ik. `Ben je zo overtuigd, altyd de waar- heid te zeggen?' `Ja,' verklaarde hy, `de waarheid zeg ik altyd. Als de borst me gloeit...' De lezer weet de rest. `Dat is waarlyk zeer schoon,' zei ik, en ik hield me heel onnozel alsof ik het geloofde. Maar hierin lag juist de fynheid van de strik, die ik hem spande met het doel om, zonder gevaar te lopen de oude Stern in handen van Busselinck & Waterman te zien vallen, toch dat jonge kereltje eens goed op zyn plaats te zetten, en hem te doen gevoelen hoe groot de afstand is tussen iemand die pas begint -- al doet dan ook zyn vader grote zaken -- en een makelaar die twintig jaar de beurs bezocht heeft. Het was me namelyk bekend dat hy allerlei tuig van verzen uit het hoofd wist -- hy zegt: `uitwendig' -- en daar verzen altyd leugens bevatten, was ik zeker dat ik hem zeer spoedig zou betrappen op onwaarheid. Dit duurde dan ook niet lang. Ik zat in de zykamer, en hy was in de _suite..._ want we hebben een _suite._ Marie was aan 't breien, en hy zou haar wat vertellen. Ik luisterde aandachtig toe, en toen 't uit was, vroeg ik hem of hy 't boek bezat, waarin het ding stond, dat hy daar zo-even had opgedeund. Hy zei ja, en bracht het my. Het was een deeltje der werken van zekere Heine. De volgende morgen gaf ik hem -- aan Stern, meen ik -- de onderstaande: _Beschouwingen omtrent de waarheidsliefde van iemand die het vol- gend prul van Heine vrzegt aan een jong meisje dat in de_ suite _zit te breien._ Auf Flgeln des Gesanges, Herzliebchen, trag ich dich fort, _Herzliebchen?_ Marie, jouw _Herzliebchen?_ Weten je ouwelu daar- van, en Louise Rosemeyer? Is het braaf, dit te zeggen aan een kind, dat door zo-iets al zeer ligt ongehoorzaam zou worden aan haar moeder, door zich in het hoofd te halen dat ze mondig is, omdat men haar: _Herzliebchen_ noemt? Wat beduidt dat: _voortdragen op je vleugels?_ Je hebt geen vleugels, en je gezang ook niet. Probeer 't eens over de Lauriergracht, die niet eens heel breed is. Maar al had je vleugels, mag je dan zulke dingen voorstellen aan een meisje dat haar belydenis nog niet gedaan heeft? En al ws 't kind aangenomen, wat beduidt dat aanbod van wegvliegen samen? Foei! Fort nach den Fluren des Ganges, Da weiss ich den schnsten Ort; Ga er dan alleen heen, en huur er een optrek, maar neem niet een meisje mee, dat haar moeder moet helpen in 't huishouden! Maar je meent het ook niet! Vooreerst heb je nooit de Ganges gezien, en kunt dus niet weten of 't daar goed leven is. Wil _ik_ je eens zeggen hoe de zaken staan? Het zyn alles leugens, die je alleen drom vertelt, omdat je in al dat gevrs je tot slaaf maakt van maat en rym. Als de eerste regel geindigd was op _koek, wyn, kina,_ zou je aan Marie gevraagd hebben of ze meeging naar _Broek, Berlyn, China,_ en zo voort. Je ziet dus dat je voorgestelde reisroute niet oprecht gemeend was, en dat alles neerkomt op een laf geklinkklank van woorden zonder slot of zin. Hoe zou 't wezen, als Marie nu eens werkelyk lust kreeg om die malle reis te doen? Ik spreek nu nog niet eens van de ongemakkelyke manier die je voorstelt! Maar zy is, de Hemel zy dank, te verstandig om naar een land te verlangen, waarvan je zegt: Da liegt ein rothblhender Garten Im stillen mondesschein; Die Lotosblumen erwarten Ihr trautes Schwesterlein; Die Veilchen kichern und kosen Und schau'n nach den Sternen empor; Heimlich erzhlen die Rosen Sich dftende Mrchen in 's Ohr. Wat wou je in die tuin by maneschyn met Marie uitvoeren, Stern? Is dat zedelyk, is dat braaf, is dat fatsoenlyk? Wil je dat ik beschaamd moet staan, evenals Busselinck & Waterman, met wie geen fatsoen- lyk handelshuis iets te doen wil hebben, omdat hun dochter weggelo- pen is, en omdat het knoeiers zyn? Wat zou ik moeten antwoorden, als men my op de beurs vroeg, waarom myn dochter zo lang in die rooie tuin is gebleven? Want dit begryp je toch, dat niemand me geloven zou, als ik zei dat zy daar wezen moest om een bezoek te brengen aan de lotusbloemen die, zoals je zegt, haar al lang gewacht hebben. Even zo zou ieder verstandig mens my uitlachen, als ik gek genoeg was om te zeggen: Marie is daar in die rooie tuin -- waarom _rood,_ en niet _geel_ of _paars?_ -- om te luisteren naar 't snappen en giechelen van de viooltjes, of naar de sprookjes die de rozen elkaar heimelyk in 't oor blazen. Al _kon_ zo iets waar zyn, wat zou Marie er aan hebben, als het toch zo heimelyk geschiedt, dat zy er niets van verstaat? Maar leugens zyn het, flauwe leugens! En lelyk zyn ze ook, want neem eens een potlood, en teken een roos met een oor, en zie eens hoe dat er uitziet? En wat beduidt het, dat die _Mrchen_ zo _dftend_ zyn? Wil _ik_ je dat eens zeggen in goed rond hollands? Dat wil zeggen dat er een luchtje is aan die malle sprookjes... z is het! Da hpfen herbei, und lauschen Die frommen, klugen Gazellen; Und in der Ferne rauschen Des heiligen Stromes Wellen... Da wollen wir niedersinken Unter den Palmenbaum, Und Ruhe und Liebe trinken, Und trumen seligen Traum. Kan je niet naar _Artis_ gaan -- je hebt immers aan je vader geschreven dat ik lid ben? -- zeg, kan je niet in _Artis_ terecht, als je dan volstrekt vreemde dieren zien wilt? Moeten het juist die gazellen aan de Gan- ges wezen, die toch in 't wild nooit zo goed zyn waar te nemen, als in een nette omheining van gekoolteerd yzer? Waarom noem je die dieren vroom en verstandig? Het laatste laat ik gelden -- ze maken althans zulke zotte verzen niet -- maar: _vroom?_ Wat betekent dat! Is 't niet misbruik maken van een heilige uitdrukking die alleen mag gebruikt worden voor mensen van 't ware geloof? En dan die heilige stroom? Mag je aan Marie dingen vertellen, die haar tot een heidin zouden maken? Mag je haar doen wankelen in de overtuiging dat er geen ander heilig water is, dan dat van de doop, en geen andere heilige rivier dan de Jordaan? Is dit niet ondermynen van zedelykheid, deugd, godsdienst, christendom en fatsoen? Denk over dit alles eens na, Stern! Je vader is een achtenswaardig huis, en ik ben zeker dat hy 't goedvindt dat ik zo op je gemoed werk, en dat hy gaarne zaken doet met iemand die deugd en godsdienst voorstaat. Ja, principes zyn me heilig, en ik heb geen schroom om ronduit te zeggen wat ik meen. Maak dus geen geheim van wat ik je zeg, schryf 't gerust aan je vader dat je hier in een soliede familie bent, en dat ik je zo op 't goede wys. En vraag jezelf eens af, wat er van je zou geworden zyn, als je by Busselinck & Waterman waart gekomen? Dr zou je ook zulke verzen opgezegd hebben, en dr had men niet op je gemoed gewerkt, omdat het knoeiers zyn. Schryf dit gerust aan je vader, want als er principes in 't spel zyn, ontzie ik niemand. Dr zouden de meisjes met je meegegaan zyn naar de Ganges, en dan lag je daar nu misschien onder die boom in 't natte gras, terwyl je nu, omdat _ik_ je zo vaderlyk waarschuwde, hier by ons kunt blyven in een fatsoenlyk huis. Schryf dat alles aan je vader, en zeg hem dat je zo dankbaar bent dat je by ons zyt gekomen, en dat ik zo goed voor je zorg, en dat de dochter van Busselinck & Waterman is weggelopen, en groet hem zeer van my, en schryf dat ik nog 1/16 procent courtage zal laten vallen beneden hun bod, omdat ik geen onderkruipers lyden kan, die een konkurrent het brood uit de mond stelen door gunstiger voorwaarden. En doe me toch 't genoegen, in je voorlezingen uit Sjaalman's pak, wat meer degelyks te brengen. Ik heb er opgaven gezien van de koffi- produktie der laatste twintig jaren, uit alle residentin op Java: lees zo-iets eens voor! Zieje, dan kunnen de Rosemeyers, die in suiker doen, eens te horen krygen wat er eigenlyk omgaat in de wereld. En je moet ook de meisjes en ons allen niet zo uitmaken voor kannibalen die wat van je hebben opgeslikt... dit is niet fatsoenlyk, myn beste jongen. Geloof toch iemand die weet wat er in de wereld te koop is! Ik heb je vader reeds bediend voor zyn geboorte -- zyn firma, meen ik, neen... nze firma, meen ik: _Last & C"o"_ -- vroeger was het _Last & Meyer,_ maar de _Meyers_ zyn er lang uit -- je begrypt dus dat ik 't goed met je meen. En spoor Frits aan, dat hy wat beter oppast, en leer hem geen verzen maken, en houd je alsof je het niet zag, als hy gezichten trekt tegen de boekhouder, en al zulke dingen meer. Geef hem een goed voorbeeld, omdat je zoveel ouder bent, en tracht hem bedaard- heid en deftigheid in te prenten, want hy moet makelaar worden. Ik ben je vaderlyke vriend Batavus Droogstoppel. (firma: _Last & C"o", makelaars in koffi, Lauriergracht, n"o" 37.)_ Elfde hoofdstuk Zodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken, dat ik dit hoofdstuk als `essentieel' beschouw, omdat het, naar ik meen, Havelaar beter doet kennen, en hy schynt nu toch eenmaal de held van de historie te zyn. `Tine, wat is dat voor _ketimon?_ (77) Lieve meid, doe nooit planten- zuur by vruchten! Komkommers met zout, ananas met zout, pom- pelmoes met zout, al wat uit de grond komt, met zout. Azyn by vis en by vlees... er staat iets van in Liebig...' `Beste Max,' vroeg Tine lachend, `hoe lang meen je wel dat we hier zyn? Die _ketimon_ is van mevrouw Slotering.' En Havelaar had moeite zich te herinneren dat hy pas gister was aangekomen, en dat Tine met de beste wil nog niets had kunnen regelen in keuken of huishouding. Hyzelf was reeds lang te _Rangkas- Betoeng!_ Had hy niet de ganse nacht doorgebracht met lezen in 't archief, en was er niet reeds te veel door zyn ziel gegaan, dat in- verband stond met _Lebak,_ dan dat hy zo terstond weten kon dat hy eerst sedert gisteren dr was? Tine begreep dit wel: zy begreep hem altyd! `Ach ja, dat is waar,' zeide hy. `Maar toch moet je eens wat van Liebig lezen. Verbrugge, heb _jy_ veel gelezen van Liebig?' `Wie is dat?' vroeg Verbrugge. `Dat is iemand die veel geschreven heeft over 't inleggen van augurken. Ook heeft hy ontdekt hoe men gras in wol verandert... je begrypt wel?' `Neen,' zeiden Verbrugge en Duclari tegelyk. `Wl, de zaak zelf was toch altyd bekend: stuur een schaap 't land in... en je zult zien! Maar hy heeft de manier nagespoord, waarp het geschiedt. Andere wyzen zeggen weer dat hy er weinig van weet. Nu is men bezig met zoeken naar middelen om 't hele schaap in de bewerking over te slaan... o, die geleerden! (78) Molire wist het wel... ik houd veel van Molire. (79) Als je wilt, zullen we samen een leerkursus houden, 's avends, een paar maal in de week. Tine doet ook mee, als Max naar bed is.' Duclari en Verbrugge wilden dit gaarne. Havelaar zei dat hy niet veel boeken had, maar daaronder waren toch Schiller, Gthe, Heine, Vondel, Lamartine, Thiers, Say, Malthus, Scialoja, Smith, Shake- speare, Byron... Verbrugge zei dat hy geen engels las. `Wat drommel, je bent toch over de dertig! Wat heb je dan al die tyd gedaan? Maar dat moet nogal lastig voor je geweest zyn op Padang, waar zoveel engels gesproken wordt. Heb je miss _Mata-api_ (80) gekend?' `Neen, ik ken die naam niet.' `'t Was ook haar naam niet. We noemden haar zo, in 1843, omdat haar ogen zo schitterden. Ze zal wel getrouwd zyn... 't is al zo lang geleden! Nooit heb ik zo-iets gezien... ja toch, te Arles... dr moet je eens heen gaan! Dat is 't schoonste wat ik gevonden heb op al myn reizen. Er bestaat niets, dunkt me, wat je zo klaar de schoonheid in 't afgetrokkene voorstelt, als zichtbaar beeld van het _ware,_ van 't _on- stoffelyk-reine,_ als een schone vrouw. Gelooft me, gaat eens naar Arles en Nmes...' Duclari, Verbrugge en -- ik moet het erkennen! -- ook Tine, konden een luide lach niet onderdrukken by de gedachte zo op-eens uit de westhoek van Java over te stappen naar Arles of Nmes in 't zuiden van Frankryk. Havelaar, waarschynlyk in zyn verbeelding op de toren staande, die door de Saracenen gebouwd is op de omgang van de _arena_ te Arles, had zich enigszins in te spannen, voor hy de oorzaak van die lach begreep, en toen ging hy voort: `Nu ja, ik meen... als je daar in de buurt komt. Z-iets heb ik nooit ergens meer ontmoet. Ik was gewoon aan teleurstellingen by 't zien van alles wat zo hoog wordt opgehemeld. Ziet eens, by-voorbeeld, de watervallen waarvan men zoveel spreekt en schryft. Wat my betreft, ik heb weinig of niets gevoeld te Tondano, te Maros, te Schafhausen, by de Niagara. Men moet zyn boekje inzien om daarby de vereiste maat zyner bewonde- ring by de hand te hebben, over `z-veel voeten vals' en `zveel kubiek-voeten waters in de minuut' en als die cyfers dan hoog zyn, moet men _h_ zeggen. Ik wil nooit weer watervallen zien, althans niet als ik er een omweg voor moet maken. Die dingen zeggen me niets! Gebouwen spreken me wat luider toe, vooral wanneer 't bladzyden uit de geschiedenis zyn. Maar hierby spreekt een gevoel van heel andere aard! Men roept de vergangenheid op, en laat de schimmen van 't verledene de revue passeren. Hieronder zyn zeer afschuwely- ke, en dus, hoe belangryk dit soms wezen moog, men vindt in zyn gewaarwordingen niet altyd voldoening voor schoonheidsgevoel... onvermengd althans nooit! En _zonder_ de geschiedenis er by te roe- pen, is er wel veel schoons in sommige gebouwen, maar 't wordt gewoonlyk bedorven door gidsen -- van papier, van vlees en been... 't komt overeen uit! -- gidsen, die je de indruk wegstelen door hun eentonig: `deze kapel is opgericht door de bisschop van Munster in 1423... de zuilen zyn 63 voeten hoog, en rusten op...' ik weet niet wat, en het kan me niet schelen ook. Dat gebabbel is vervelend, want men voelt dat men dan juist drie-en-zestig voet bewondering moet gereed hebben, om niet in de ogen van sommigen door te gaan voor een Vandaal of _geschfts_-reiziger... dt is een ras!' `De Vandalen?' `Neen, die anderen. Nu zou men zeggen, houd dan je gids in de zak, als hy gedrukt is, en laat hem buiten staan of zwygen in 't andere geval, maar behalve dat men werkelyk tot enigszins juist oordelen, dikwyls inlichting nodig heeft, zoude men, ook al kon men die inlich- ting altyd missen, toch te-vergeefs in enig gebouw iets zoeken, dat langer dan een zeer kort ogenblik beantwoordt aan ons verlangen naar het schone, omdat het niet _beweegt._ Dit geldt, geloof ik, ook voor beeldhouwwerk en schilderstukken. Natuur is beweging. Groei, honger, denken, gevoelen, is beweging... stilstand is de dood! Zonder beweging, geen smart, geen genot, geen aandoening! Be- proef eens daar te zitten zonder u te verroeren, ge zult zien hoe spoedig je een spookachtige indruk maakt op ieder ander, en zelfs op je eigen verbeelding. By 't mooiste _tableau vivant_ verlangt men al gauw naar een volgend nummer, hoe heerlyk ook de indruk was in 't begin. Daar nu onze schoonheidszucht niet voldaan is met n blik op iets schoons, maar behoefte heeft aan een reeks van opvolgende blikken, op de _beweging van het schone,_ lyden wy aan iets onvol- daans by 't aanschouwen van _die_ soort van kunstwerken, en daarom beweer ik dat een schone vrouw -- mits geen portretschoonheid die stilstaat -- het naast komt aan het ideaal van 't goddelyke. Hoe groot de behoefte is aan de beweging die ik bedoel, kan men enigszins opmaken uit de walging die een danseres veroorzaakt, al ware zy Elssler of Taglioni, wanneer ze na een dans op haar linkerbeen staat en 't publiek toegrynst.' `Dit geldt hier niet,' zei Verbrugge, `want dat is _absoluut_ lelyk.' `Dat vind ik ook. Maar _zy_ geeft het toch als schoon, en als _climax_ op al 't vorige, waarin werkelyk veel schoons kan geweest zyn. Ze geeft het als de _pointe_ van 't epigram, als 't _aux armes!_ van de _marseillaise_ die zy zong met haar voeten, als 't ruisen van de wilgen op het graf der zo-even besprongene liefde. O, misselyk! En dat ook de toeschouwers, die gewoonlyk -- zoals wy allen, meer of min -- hun smaak gronden op gewoonte en navolging, dt ogenblik beschouwen als het treffendste, blykt hieruit dat men juist dn uitberst in toejui- ching, alsof men wilde te kennen geven: `al het vorige was ook wel heel mooi, maar nu kan ik 't waarachtig niet langer uithouden van bewondering!' Je zei dat die slot-_pose volstrekt_ lelyk was -- ik ook! doch vanwaar komt dit? Het is omdat de _beweging_ ophield, en daar- mee de _geschiedenis_ die de danseres verhaalde. Geloof me, stilstand is de dood!' `Maar,' bracht Duclari in 't midden, `ge hebt ook de watervallen verworpen als uitdrukking van het schone. Watervallen bewegen toch!' `Ja, maar... zonder _geschiedenis!_ Ze bewegen, maar komen niet van de plaats. Ze bewegen zich als een hobbelpaard, minus nog het _va et vient._ Ze geven geluid, maar spreken niet. Ze roepen: _hrroe... hrroe... hrroe..._ en nooit iets anders! Roep jy eens zesduizend jaar, of langer: _hrroe, hrroe..._ en zie eens hoe weinigen je voor een onder- houdend mens zullen aanzien.' `Ik zal de proef niet nemen,' zei Duclari. `Maar ik ben het toch nog niet met u eens, dat de door u gevorderde beweging zo volstrekt noodzakelyk wezen zou. Ik schenk u nu de watervallen, maar een goed _schilderstuk_ kan toch, dunkt me, veel uitdrukken.' `Wel zeker, maar slechts voor n ogenblik. Ik zal trachten myn mening te verklaren door een voorbeeld. Het is van daag 19 fe- bruari...' `Wel neen,' zei Verbrugge, `we hebben nog januari...' `Neen, neen, het is heden de 19de februari 1587, en je bent opgeslo- ten in 't kasteel Fotheringhay...' (81) _`Ik?'_ vroeg Duclari, die meende niet goed verstaan te hebben. `Ja, gy. Ge verveelt u, en zoekt afleiding. Dr in die muur is een opening, maar zy is te hoog om er door te zien, en dit wil je toch. Ge zet uw tafel er voor, en daarop een stoel met drie poten, waarvan n wat zwak. Je zag eens op de kermis een akrobaat die zeven stoelen op elkaar zette, en zich zelf daarop met het hoofd naar beneden. Eigen- liefde en verveling dringen u iets dergelyks te doen. Ge beklimt waggelend die stoel... bereikt uw oogmerk... slaat een blik door de opening, en roept: o, god! En je valt! Weet je me nu te zeggen waarom je: o god! riep, en gevallen bent?' `Ik denk dat de derde poot van de stoel brak,' zei Verbrugge senten- tieus. `Nu ja, die poot brak misschien, maar niet drom ben je gevallen. Die poot is gebroken omdat je gevallen bent. Voor elke andere ope- ning had je 't een jaar lang op die stoel uitgehouden, en nu _moest_ je vallen, al waren er dertien poten onder die stoel geweest, ja, al had je op de grond gestaan.' `Ik neem er genoegen mee,' zei Duclari. `Ik zie dat ge u in 't hoofd hebt gezet, my _cote que cote_ te laten vallen. Ik lig daar nu zo lang ik ben... maar ik weet waarachtig niet waarom?' `Wel, dat is toch zeer eenvoudig! Ge zaagt daar een vrouw, gekleed in 't zwart, die geknield lag voor een blok. En ze boog het hoofd, en blank als zilver was de hals die afstak by 't zwart fluweel. En daar stond een man met een groot zwaard, en hy hield het hoog, en zyn blik staarde op die blanke hals, en hy zocht de boog die zyn zwaard beschryven zou, om dr... dr, tussen die wervels heen, te worden doorgedreven met juistheid en kracht... en toen viel je, Duclari. Je viel omdat je dat alles zag, en drom riep je: o god! Volstrekt niet omdat er maar drie poten aan je stoel waren. En lang nadat je uit Fotheringhay werd verlost -- op voorspraak van je neef, denk ik, of omdat het de mensen verveelde je daar langer onverplicht de kost te geven, als een kanarievogeltje -- lang daarna, ja, tot heden toe, droom je wakend van die vrouw, en in je slaap zelfs schrik je op, en valt met zware schok neer op je legerstede, omdat je de arm wilt grypen van de beul. Is dit niet waar?' `Ik wil 't wel geloven, maar bepaald zeker kan ik 't waarlyk niet zeggen, omdat ik nooit te Fotheringhay door een gat in de muur heb gezien.' `Goed, goed! Ik ook niet. Maar nu neem ik een schildery die 't onthoofden van Maria Stuart voorstelt. Laat ons aannemen dat de voorstelling volmaakt is. Daar hangt ze, in vergulde lyst, aan een rood koord als je verkiest... ik weet wat je zeggen wilt, goed! Neen, neen, ge ziet die lyst niet, ge vergeet zelfs dat ge uw rotting hebt afgegeven aan de ingang van de schilderzaal... ge vergeet uw naam, uw kind, het nieuw-model politiemuts, en dus _alles,_ om niet te zien een _schildery,_ maar om werkelyk daarop Maria Stuart te aanschou- wen: _geheel juist_ als te Fotheringhay. De beul staat er volkomen zo als hy werkelyk moet gestaan hebben, ja, ik wil zover gaan dat je de arm uitstrekt om de slag af te weren! Z ver dat je roept: `laat die vrouw leven, misschien betert zy zich!' Je ziet, ik geef je _beau jeu_ wat de _uitvoering_ van 't schilderstuk aangaat...' `Ja, maar wat dan verder? Is dan de indruk niet even treffend, als toen ik 'tzelfde in werkelykheid zag te Fotheringhay?' `Neen, volstrekt niet, en wel omdat je niet waart geklommen op een stoel met drie poten. Je neemt een stoel -- met vier poten ditmaal, en liefst een fauteuil -- je gaat voor de schildery zitten, om goed en lang te genieten -- we _genieten_ nu eenmaal by 't aanschouwen van iets akeligs -- en welke indruk meent ge dat zy op je maakt?' `Wl, schrik, angst, medelyden, ontroering... evenals toen ik door de opening van de muur zag. We hebben gesteld dat de schildery _volmaakt_ is, ik moet dus daarvan geheel dezelfde indruk hebben als van de werkelykheid.' `Neen! Binnen twee minuten voel je pyn in je rechterarm, uit sympathie met de beul die zo lang dat zwaar stuk staal onbewegelyk omhoog moet houden.' _`Sympathie_ met de _beul?'_ `Ja! _evenlydendheid, gelykvoeligheid,_ weetje? En tevens met de vrouw die daar zo lang in ongemakkelyke houding, en waarschynlyk in onaangename stemming, voor dat blok ligt. Je hebt nog altyd medelyden met haar, maar ditmaal niet omdat ze onthoofd moet worden, maar omdat men haar zo lang laat wachten vr ze onthoofd wordt, en als je nog iets zeggen of roepen zoudt, in 't eind -- gesteld dat je aandrift voelt je met de zaak te bemoeien -- zou 't niets anders wezen dan: `sla toch in-godsnaam toe, man, 't mens wacht er op!' En wanneer je later die schildery weerziet, en _meermalen_ weerziet, is zelfs reeds je _eerste_ indruk: `is die historie nog niet afgelopen? Staat hy, en ligt zy daar ng?'' `Maar wat is dan voor beweging in de schoonheid der vrouwen te Arles?' vroeg Verbrugge. `O, dt is iets anders! Zy spelen een geschiedenis _uit_ in haar trek- ken. Karthago bloeit en bouwt schepen op haar voorhoofd... hoor de Hannibals-eed tegen Rome... daar vlechten zy koorden voor de bo- gen... daar brandt de stad...' `Max, Max, ik geloof waarlyk dat je te Arles je hart verloren hebt,' plaagde Tine. `Ja, voor een ogenblik... maar ik vond het terug: dat zult ge horen. Verbeeldt u... ik zeg niet, daar heb ik een vrouw gezien, die z of z schoon was, neen: allen waren zy schoon, en 't was dus een onmoge- lykheid daar _pour tout de bon_ verliefd te worden, omdat elke volgen- de weer de vorige uit je bewondering verdrong, en ik dacht daarby waarlyk aan Caligula of Tiberius -- van wie vertellen ze 't fabeltje? -- die 't hele menselyk geslacht maar n hoofd toewenste. Z namelyk kwam onwillekeurig de wens in my op, dat de vrouwen te Arles...' `Maar n hoofd hadden samen?' `Ja...' `Om 't af te slaan?' `Wel neen! Om... het te kussen op 't voorhoofd, wilde ik zeggen, maar dat is het niet! Neen, om er op te staren, en er van te dromen, en om... _goed te zyn!'_ Duclari en Verbrugge vonden waarschynlyk dit slot weer byzon- der vreemd. Maar Max bemerkte hun verrassing niet, en ging voort: `Want z edel waren de trekken, dat men iets als schaamte voelde, slechts een mens te wezen, en niet een vonk... een straal -- neen, dat waar stof! -- een gedachte! Maar... dan zat daar op-eens een broer of een vader naast die vrouwen, en... godbewaarme, ik heb er een gezien die haar neus snoot!' `Ik wist wel dat je er weer een zwarte streep over halen zou,' zei Tine verdrietig. `Kan _ik_ 't helpen? _Ik_ had ze liever dood zien vallen! Mag zulk een meisje zich profaneren?' `Maar, mynheer Havelaar,' vroeg Verbrugge, `als ze nu eens ver- kouwen is?' `Wl, ze _moest_ niet verkouwen zyn met zulk een neus!' `Ja, maar...' Alsof 't boze spel sprak, op-eens moest Tine niezen, en... voor ze er aan dacht, had ze haar neus gesnoten! `Beste Max, wil je er niet boos om worden?' vroeg ze met terugge- houden lach. Hy antwoordde niet. En, hoe gek het schynt of is... ja, hy _was_ er boos om! En, wat k vreemd klinkt, Tine was bly dat hy boos was, en van _haar_ vergde meer te zyn dan de Phocese vrouwen te Arles (82) al was 't dan ook niet omdat ze reden had groots op haar neus te wezen. Als Duclari nog meende dat Havelaar `gek' was, had men 't hem niet ten-kwade kunnen duiden wanneer hy zich in deze mening versterkt voelde, by 't bemerken der korte verstoordheid die er, na en om dat neussnuiten, op Havelaars gelaat te lezen was. Maar deze was teruggekeerd van Karthago, en hy las -- met de snelheid waarmee hy lezen _kon,_ als hy niet te ver van-huis was met zyn geest -- op de gezichten van zyn gasten, dat zy de twee volgende stellingen op- wierpen: 1"o" _Wie niet wil dat zyn vrouw haar neus snuit, is een gek._ 2"o" _Wie gelooft dat een in schone lynen getekende neus niet mag gesnoten worden, doet verkeerd dit geloof toe te passen op mevrouw Havelaar, wier neus een beetje en_ pomme de terre _is._ De eerste stelling liet Havelaar rusten, maar... de tweede! `O,' riep hy, alsof hy te antwoorden had, schoon zyn gasten te beleefd waren geweest hun stellingen uit te spreken, `dt zal ik u verklaren. Tine is...' `Beste Max!' zeide zy smekend. Dit betekende: `vertel toch niet aan die heren waarom ik in uw schatting verheven moest zyn boven verkoudheid!' Havelaar scheen te verstaan wat Tine meende, want hy antwoord- de: `Goed, kind! Maar weet je wel, heren, dat men zich dikwyls bedriegt in 't beoordelen der aanspraken van sommige mensen op stoffelyke onvolkomenheid?' Ik ben zeker dat de gasten nooit van die aanspraken gehoord hadden. `Ik heb op Sumatra een meisje gekend,' ging hy voort, `de dochter van een _datoe,_ (83) welnu, ik houd het er voor dat _zy_ op die onvolko- menheid geen recht had. En toch heb ik haar in 't water zien vallen by een schipbreuk... evenals een ander. Ik, een mens, heb haar moeten helpen om aan land te komen.' `Maar... had ze dan moeten vliegen als een meeuw?' `Wel zeker, of... neen, ze had geen lichaam moeten hebben. Wilt ge dat ik u vertel hoe ik kennis met haar maakte? 't Was in '42. Ik was kontroleur van Natal... ben je daar geweest, Verbrugge?' `Ja.' `Welnu, dan weet je dat er peperkultuur in 't Natalse is. De peper- tuinen liggen te _Taloh-Baleh,_ benoorden Natal, aan de kust. Ik moest ze inspekteren, en daar ik geen verstand van peper had, nam ik in de _prahoe_ (84) een _datoe_ mee, die er meer van wist. Zyn dochtertje, toen een kind van dertien jaren, ging mee. We zeilden langs de kust, en verveelden ons...' `En toen hebt ge schipbreuk geleden?' `Wel neen, 't was mooi weer, al te mooi. De schipbreuk waarop je doelt, viel veel later voor. Anders zou ik me niet verveeld hebben. Zo zeilden we langs de kust; en 't was stikheet. Zo'n prauw biedt weinig gelegenheid tot afleiding, en daarby was ik juist in een verdrietige stemming, waartoe veel oorzaken het hare bydroegen. Ik had, _primo,_ een ongelukkige liefde, ten-tweede, een... ongelukkige liefde, ten- derde... nu ja, ng iets van dien aard, enz. Och, dat hoort er zo by. Maar bovendien bevond ik my in een statie tussen twee aanvallen van eerzucht. Ik had me koning gemaakt, en was weer onttroond. Ik was op een toren geklommen, en weer op de grond gevallen... ik zal nu maar overslaan hoe dat kwam! Genoeg, ik zat daar in die prauw met een zuur gezicht en slecht humeur, en was, wat de Duitsers noemen: _ungeniessbar._ Ik vond onder andere dat het niet te-pas kwam my perpertuinen te laten inspekteren, en dat ik lang had moeten aange- steld zyn tot gouverneur van een zonnestelsel. Hierby kwam het me voor als zedelyke moord, een geest als de myne in n prauw te zetten met die domme _datoe_ en zyn kind. `~Ik moet je zeggen, dat ik anders de maleise Hoofden wl lyden mocht, en goed met hen overweg kon. Zelfs bezitten zy veel dat my hen doet voortrekken boven de javaanse Groten. Ja, ik weet wel, Verbrugge, dat je dit niet met my eens bent, er zyn slechts weinigen die 't me toestemmen... maar dit laat ik nu dr. (85) `~Als ik dat reisje op een andere dag gedaan had -- met wat minder muizenesten in 't hoofd, meen ik -- zou ik waarschynlyk terstond met die _datoe_ in gesprek zyn gekomen, en misschien had ik gevonden dat hy myn omgang wel waard was. Wellicht had ik dan ook het meisje aan 't spreken gebracht, en dit had my misschien onderhouden en vermaakt, want een kind heeft meestal iets oorspronkelyks... schoon ik erkennen moet dat ikzelf toen nog te veel kind was, om belang te stellen in oorspronkelykheid. Thans is dit anders. Nu zie ik in elk meisje van dertien jaren een manuskript waarin nog weinig of niets is doorgestreken. Men verrast de auteur _en nglig,_ en dit is dikwyls aardig. `~Het kind reeg kralen aan een snoer, en scheen al haar aandacht daarby nodig te hebben. Drie rode, n zwarte... drie rode, n zwar- te: 't was mooi! `~Ze heette _Si Oepi Keteh._ Dit beduidt op Sumatra zoveel als: _kleine freule..._ ja, Verbrugge, jy weet het wel, maar Duclari heeft altyd op Java gediend. (86) Ze heette _Si Oepi Keteh,_ maar in myn gedachten noemde ik haar `stumpert' of zo-iets, omdat ik naar myn schatting zo hemelhoog boven haar verheven was. `~'t Werd middag... avend byna, en de kralen werden opgeborgen. Het land schoof langzaam naast ons weg, en kleiner en kleiner werd de _Ophir_ rechts achter ons. (87) Links in 't westen boven de wyde, wyde zee, die geen grens heeft tot waar Madagaskar ligt, en Afrika daar achter, zakte de zon, en liet haar stralen in gedurig stomper buiging kiskassen (88) over de golven, en zy zocht verkoeling in de zee. Hoe drommel was ook weer dat ding?' `Wat voor ding... de zon?' `Ach, neen... ik maakte verzen in die dagen! O, verrukkelyk! Hoor eens: `~Ge vraagt waarom toch de Oceaan Die Natals ree bespoelt, Schoon elders minzaam en gedwee, Ontstuimig slechts op Natals ree, Gedurig kookt en woelt? `~Ge vraagt, en de arme vissersknaap Heeft nauw uw vraag verstaan, Of wenkend met het donker oog, Wyst hy u aan d'onmeetbre boog Het verre Westen aan. `~Hy wendt de blik van 't donker oog En staart naar 't Westen heen, En toont u, daar ge rondsom ziet, Slechts water, water, in 't verschiet En zee, en zee alleen! `~En drom schuurt hier de Oceaan Zo fel het oeverzand: 't Is zee slechts, waar ge rondsom ziet; En water, water, anders niet, Tot Madagaskars strand! `~En menig offer werd gebracht Ten zoen voor d'Oceaan! En menig kreet, in 't nat gesmoord, Door vrouw, noch kind, noch maag gehoord, Werd slechts door God verstaan! `~En menig hand voor 't laatst gestrekt Rees opwaarts uit het meer, En voelde en greep en plaste in 't rond, En zocht of ze ergens steunsel vond, En zonk voor eeuwig neer! `~En... `~En... en... _ik weet de rest niet meer.'_ `Die is weer te vinden door er om te schryven aan Krygsman, uw klerk te Natal. Hy heeft het,' zei Verbrugge. `Hoe komt _hy_ daaraan?' vroeg Max. `Misschien uit uw papiermand. Maar zeker is 't, dt hy het heeft! Volgt er niet de legende van de eerste zonde, die 't eiland zinken deed waardoor vroeger de rede van Natal werd beschermd? De geschiede- nis van _Djiwa_ met de twee broeders?' `Ja, dt is waar. Die legende... was geen legende. Het was een parabel die ik maakte, en die misschien over een paar eeuwen legende worden zal als Krygsman dat ding wat veel opdeunt. Z begonnen alle mythologien. _Djiwa_ is: _ziel,_ zoals je weet, _ziel, geest_ of zo-iets. Ik maakte er een vrouw van, de onmisbare, ondeugende Eva...' `Wel, Max, waar blyft onze kleine freule met haar kraaltjes?' vroeg Tine. `De kralen waren opgeborgen. Het was zes uur, en daar onder de evennachtslyn -- _Natal_ ligt op weinige minuten noord: als ik over- land naar _Ayer-Bangie_ ging, stapte ik te-paard over de linie heen, of nagenoeg... 't was om er over te struikelen, waarachtig! -- dr was zes uur 't sein tot avendgedachten. Nu vind ik dat een mens 's avends altyd iets beter is, of minder ondeugend liever, dan 's morgens, en dit is natuurlyk. 's Morgens houdt men zich te-zamen -- ik weet wel dat dit een _germanismus_ is, maar hoe moet ik het zeggen in 't _hollands?_ -- men is... deurwaarder of kontroleur, of... neen, dit is genoeg! Een deurwaarder _halt sich zusammen_ om die dag eens terdeeg zyn plicht te doen... god, welk een plicht! Hoe moet dat _zusammen gehalten_ hart er uitzien! Een kontroleur -- ik zeg dit niet voor u, Verbrugge! -- een kontroleur wryft zich de ogen uit, en ziet er tegen op de nieuwe adsistent-resident te ontmoeten, die een bespottelyk overwicht wil aannemen op een paar jaren diensttyd meer, en van wie hy zoveel zonderlings gehoord heeft... op Sumatra. Of hy moet die dag velden opmeten, en staat in dubio tussen zyn eerlykheid -- jy weet dit zo niet, Duclari, omdat je militair bent, maar er zyn werkelyk eerlyke kon- troleurs! -- dan staat hy te waggelen tussen die eerlykheid en de vrees dat _Radhen Dhemang_ z of z hem de schimmel zal terugvragen, die zo goed _telt._ Of wel, hy moet die dag kordaat _ja_ of _neen_ zeggen in antwoord op missive nummer zoveel. Kortom, 's morgens by 't ont- waken valt je de wereld op 't hart, en dat is zwaar voor een hart, al is het sterk. Maar 's avends heeft men een pauze. Er liggen tien volle uren tussen nu en 't ogenblik dat men zyn rok weerziet. Tien uren: zes-en-dertig-duizend sekonden om mens te zyn! Dit lacht ieder toe. Dit is 't ogenblik waarop ik hoop te sterven, om ginder aan te komen met een inofficieel gezicht. Dit is 't ogenblik waarop je vrouw iets weervindt in je gelaat, van wat haar ving toen ze je die zakdoek behouden liet met een gekroonde =e= op de punt...' `En toen ze nog 't recht niet had, verkouwen te wezen,' zei Tine. `Ach, plaag me niet! Ik wil maar zeggen dat men 's avends _gemth- licher_ is. `~Toen alzo de zon langzamerhand verdween,' ging Havelaar voort, `werd ik een beter mens. En als eerste blyk van die beterschap moge gelden, dat ik tot de kleine freule zei: `Het zal nu gauw wat koeler worden.' `~`Ja, _toewan!'_ antwoordde zy. `~Maar ik boog myn hoogheid nog dieper tot die `stumpert' neer, en ving een gesprek met haar aan. Myn verdienste was te groter omdat zy heel weinig antwoordde. Ik had gelyk in al wat ik zei... dat ook al vervelend wordt, al is men ng zo verwaand. `~`Zou je graag een volgend keer weer mee gaan naar _Taloh-Baleh?'_ vroeg ik. `~`Zo als _toewan kommandeur_ (89) beveelt.' `~`Neen, ik vraag _u_ of _gy_ zo'n reisje aangenaam vindt?' `~`Als myn vader het verkiest,' antwoordde zy. `~Zegt eens, heren, was 't niet om dol te worden? Welnu, ik werd niet dol. De zon was onder, en ik voelde my _gemthlich_ genoeg om ng niet afgeschrikt te worden door zveel domheid. Of liever, ik geloof dat ik begon vermaak te scheppen in 't horen van myn stem -- er zyn weinigen onder ons, die niet gaarne luisteren naar zichzelf -- maar na myn _mutisme_ van de hele dag, meende ik, nu ik eindelyk aan 't spreken geraakt was, iets beters te verdienen dan de al te onnozele antwoorden van _Si Oepi Keteh._ `~Ik zal haar een sprookje vertellen, dacht ik, dan hoor ikzelf het met- een, en ik heb niet nodig dat ze my antwoordt. Nu weet ge dat, even als by het lossen van een schip de laatst ingeladen _krandjang_ suiker (90) 't eerst weer voor den dag komt, ook wy gewoonlyk die gedachte of die vertelling 't eerst lossen, die 't laatst is ingeladen. In het _Tyd- schrift van Nederlands Indi_ had ik kort tevoren een verhaal gelezen van Jeronimus: _de Japanse Steenhouwer..._ `~Hoort eens, die Jeronimus heeft lieve dingen geschreven! Hebt ge zyn _Vendutie in een sterfhuis_ gelezen? En zyn: _Graven?_ En, vooral: de _Pedatti?_ (91) Ik zal 't u geven. `~Ik dan had pas de _Japanse Steenhouwer_ gelezen. Ach, nu herinner ik my op-eenmaal hoe ik zo-even verdwaald ben geraakt in dat liedje, waarin ik 't `donker oog' van die vissersknaap tot scheelwordens toe `rond-om laat dwalen' in n richting... heel gek! Dat was een aan- eenschakeling van denkbeelden. Myn verstoordheid van die dag stond in verband met het gevaarlyke der Natalse ree... je weet, Ver- brugge, dat geen oorlogschip die rede mag aandoen, vooral niet in juli... ja, Duclari, de westmousson is daar in juli 't sterkst, juist andersom dan hier. (92) Welnu, 't gevaarlyke van die rede schakelde zich vast aan myn gekrenkte eerzucht, en die eerzucht hangt weer samen met dat liedje over _Djiwa._ Ik had de resident herhaaldelyk voorgesteld te _Natal_ een zeewering te maken, of althans een kunst- haven in de monding van de rivier, met het doel om handel te brengen in de Afdeling _Natal,_ die de zo belangryke Battahlanden met de zee verbindt. Anderhalf miljoen mensen in 't binnenland wisten geen weg met hun produkt, omdat de Natalse ree -- en terecht! -- in zulk een slecht blaadje stond. Welnu, die voorstellen waren door de resident niet goedgekeurd, of althans hy beweerde dat de Regering ze niet zou goedkeuren, en je weet dat behoorlyke residenten nooit iets voorstel- len, dan wat ze vooruit kunnen berekenen dat aan 't Gouvernement bevallen zal. Het maken van een haven te _Natal_ streed in principe tegen 't stelsel van afsluiting, en wel verre van schepen daarheen te lokken, was 't zelfs verboden -- tenzy in geval van _force majeure_ -- raschepen op de rede _toe te laten._ Als er nu toch een schip kwam -- 't waren meestal Amerikaanse walvisvangers, of Fransen die peper hadden geladen in de onafhankelyke rykjes op de noordhoek (93) -- liet ik my altyd door de kapitein een brief schryven, waarin hy verlof vroeg om drinkwater in te nemen. De verstoordheid over 't misluk- ken myner pogingen om iets ten-voordele van _Natal_ te bewerken, of liever de gekrenkte ydelheid... was 't niet hard voor me, nog zo weinig te betekenen dat ik niet eens een haven kon laten maken waar ik wilde? Nu, dit alles, in verband met myn kandidatuur voor 't regelen van een zonnestelsel, had me die dag zo onbeminnelyk ge- maakt. Toen ik door 't ondergaan der zon enigszins genas -- want ontevredenheid is een ziekte -- bracht juist die ziekte my de _Japanse Steenhouwer_ voor de geest, en misschien dacht ik alleen drom die geschiedenis overluid, om, mezelf wysmakende dat ik het deed uit welwillendheid voor dat kind, ter-sluik de laatste druppel in te nemen van het drankje dat ik voelde nodig te hebben. Maar zy, dat kind, genas me -- voor een dag of wat althans -- beter dan myn vertelling, die ongeveer aldus moet geluid hebben: _`~`Oepi,_ er was een man die stenen hieuw uit de rots. Zyn arbeid was zeer zwaar, en hy arbeidde veel, doch zyn loon was gering, en tevre- den was hy niet. `~`~Hy zuchtte omdat zyn arbeid zwaar was. En hy riep: och, dat ik ryk ware, om te rusten op een _baleh-baleh_ met _klamboe_ van rode zyde. (94) `~`~En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. `~`~En hy ws ryk. En hy rustte op een _baleh-baleh,_ en de _klamboe_ was van rode zyde. `~`~En de koning des lands toog voorby, met ruiters voor zyn wagen. En ook achter de wagen waren ruiters, en men hield de gouden _pajong_ (95) boven het hoofd van de koning. `~`~En toen de ryke man dit zag, verdroot het hem dat er geen gouden _pajong_ werd gehouden boven zyn hoofd. En tevreden was hy niet. `~`~Hy zuchtte, en riep: ik wenste koning te zyn. `~`~En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. `~`~En hy ws koning. En voor zyn wagen reden vele ruiters, en ook waren er ruiters achter zyn wagen, en boven zyn hoofd hield men de gouden _pajong._ `~`~En de zon scheen met hete stralen, en verbrandde het aardryk, zodat de grasscheut dor werd. `~`~En de koning klaagde dat de zon hem schroeide in het gelaat, en macht had boven hem. En tevreden was hy niet. `~`~Hy zuchtte, en riep: ik wenste de zon te zyn. `~`~En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. `~`~En hy ws de zon. En hy zond zyn stralen naar boven, en naar beneden, naar de rechterzyde en naar de linkerzyde, en alom. `~`~En hy verschroeide de grasscheut op het aardryk, en het gelaat der vorsten die op de aarde waren. `~`~En een wolk stelde zich tussen de aarde en hem, en de stralen van de zon stuitten daarop terug. `~`~En hy werd toornig dat zyner macht weerstaan werd, en hy klaag- de dat die wolk machtig was boven hem. En tevreden was hy niet. `~`~Hy wilde de wolk zyn, die zo machtig was. `~`~En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. `~`~En hy werd een wolk, en plaatste zich tussen de zon en de aarde, en ving de stralen op, zodat het gras groen werd. `~`~En de wolk regende in grote druppen op het aardryk, en deed de rivieren zwellen, en _banjirs_ voerden de kudden weg. `~`~En hy verwoestte door veel waters het veld. `~`~En hy viel neer op een rots, die niet week. En hy klaterde in grote stromen, maar de rots week niet. `~`~En hy werd toornig omdat de rots niet wyken wilde, en omdat de sterkte van zyn stromen ydel was. En tevreden was hy niet. `~`~Hy riep: aan die rots is macht gegeven boven my. Ik wenste die rots te zyn. `~`~En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. `~`~En hy wrd rots, en bewoog niet als de zon scheen, en niet als het regende. `~`~En daar kwam een man met houweel, en met puntige bytel, en met zware hamer, die stenen hieuw uit de rots. `~`~En de rots zeide: wat is dit, dat die man macht heeft boven my, en stenen houwt uit myn schoot? En tevreden was hy niet. `~`~Hy riep: ik ben zwakker dan deze... ik wenste die man te zyn. `~`~En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. `~`~En hy was een steenhouwer. En hy hieuw stenen uit de rots, met zware arbeid, en hy arbeidde zeer zwaar voor weinig loons, en hy was tevreden.'' `Heel aardig,' riep Duclari, `maar nu zyt ge ons nog 't bewys schuldig dat die kleine _Oepi_ imponderabel had moeten wezen.' `Neen, ik heb u dat bewys niet beloofd! Ik heb alleen willen vertel- len hoe ik kennis met haar maakte. Toen myn verhaaltje uit was, vroeg ik: `En jy, _Oepi,_ wat zou jy kiezen, als een engel uit de hemel je kwam vragen wat je begeerde?' `~`Voorzeker, mynheer, ik zou hem bidden my mee te nemen naar de hemel.'' `Is dat niet beeldig?' vroeg Tine aan haar gasten, die 't misschien heel gek vonden... Havelaar stond op, en vaagde iets weg van het voorhoofd. Twaalfde hoofdstuk `Beste Max,' zei Tine, `ons dessert is zo schraal. Zou je niet... je weet wel... Madame Geoffrin?' (96) `Nog wat vertellen, in plaats van gebak? Wat drommel, ik ben hees. De beurt is aan Verbrugge.' `Ja, m'nheer Verbrugge! Lost u Max wat af,' verzocht mevrouw Havelaar. Verbrugge bedacht zich even, en begon: `Er was een man, die een kalkoen stal...' `O, deugniet,' riep Havelaar, `dat heb je van _Padang!_ En hoe is 't verder?' `'t Is uit. Wie kent het slot van die historie?' `Wl, _ik!_ Ik heb hem opgegeten, samen met... iemand. Weet je waarom ik te _Padang_ gesuspendeerd was?' `Men zei dat er een deficit was in uw kas te _Natal,'_ hernam Ver- brugge. `Dit was niet geheel onwaar, doch _waar_ was 't ook niet. Ik was te _Natal_ door allerlei oorzaken heel slordig geweest in myn geldelyke verantwoording, waarop inderdaad veel aanmerkingen te maken wa- ren. Maar dit viel in die dagen zo dikwyls voor! De omstandigheden in de Noord van Sumatra waren kort na 't innemen van _Baroes, Tapoes_ en _Singkel_ z verward, alles was z onrustig, dat men het een jong mens, die liever te-paard zat dan dat hy geld telde of kasboeken byhield, niet kwalyk nemen kon dat alles niet zo ordelyk en geregeld ging als men zou kunnen vorderen van een amsterdamse boekhouder die niet anders te doen heeft. De Battahlanden waren in roering, en je weet, Verbrugge, hoe altyd alles wat in de Battahs gebeurt, terug- werkt op 't Natalse. Ik sliep 's nachts geheel gekleed om spoedig by- de-hand te zyn, wat dan ook dikwyls nodig was. Daarby heeft het gevaar -- enige tyd voor myn komst was er een komplot ontdekt, om myn voorganger te vermoorden en opstand te maken -- het gevaar heeft iets aantrekkelyks, vooral wanneer men slechts twee-en-twin- tig jaren oud is. Dit aantrekkelyke maakt dan iemand wel eens onge- schikt voor bureauwerk of voor de styve nauwkeurigheid die nodig is tot goed beheer van geldzaken. Bovendien, ik had allerlei gekheden in 't hoofd...' _`Traoessa?'_ (97) riep mevrouw Havelaar een bediende toe. `Wt hoeft niet?' `Ik had gezegd nog iets gereed te maken in de keuken... een omelet of zo-iets.' `Ah! En dat hoeft niet meer nu ik van myn gekheden begin? Je bent ondeugend, Tine! 't Is my wel, maar die heren hebben ook een stem. Verbrugge, wat kies je, je aandeel in de omelet of de historie?' `Dat is een moeielyke pozitie voor een beleefd mens,' zei Ver- brugge. `En ook ik zou liever niet kiezen,' voegde Duclari er by, `want het is hier te doen om een uitspraak tussen m'nheer en mevrouw, en: _entre l'corce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt.'_ `Ik zal u helpen, heren, de omelet is...' `Mevrouw,' zei de zeer beleefde Duclari, `de omelet zal toch wel zoveel waard zyn als...' `Als de historie? Zeker _als_ ze wat waard was! Doch er is een bezwaar...' `Ik wed dat er nog geen suiker in huis is,' riep Verbrugge. `Och, laat toch by my halen, wat ge nodig hebt!' `Suiker is er... van mevrouw Slotering. Neen, daaraan hapert het niet. Als de omelet overigens goed was, zou dat geen bezwaar zyn, maar...' `Hoe dan, mevrouw, is ze in 't vuur gevallen?' `Ik wou dat het waar was! Neen, ze kan niet in 't vuur vallen. Ze is...' `Maar, Tine,' riep Havelaar, `wat is ze dan toch?' `Ze is imponderabel, Max, als je vrouwen te Arles... wezen moes- ten! Ik heb geen omelet... ik heb niets meer!' `Dan in 's hemelsnaam de historie!' zuchtte Duclari met koddige wanhoop. `Maar koffi hebben we,' riep Tine. `Goed! Koffidrinken in de voorgalery, en laat ons mevrouw Slote- ring met de meisjes daarby roepen,' zei Havelaar, waarop 't kleine gezelschap naar buiten toog. `Ik gis dat ze bedanken zal, Max! Je weet dat ze ook liever niet met ons eet, en ik kan haar geen ongelyk geven.' `Ze zal gehoord hebben dat ik histories vertel,' zei Havelaar, `en dat heeft haar afgeschrikt.' `Wel neen, Max, dat zou haar niet deren: ze verstaat geen hol- lands. Neen, ze heeft my gezegd dat ze haar eigen huishouding wil blyven voeren, en dit begryp ik heel goed. Weet je nog hoe je myn naam vertaald hebt?' _`E.~ H.~ V.~ W: eigen haard veel waard.'_ `Daarom! Ze heeft groot gelyk. Bovendien, ze komt me wat men- senschuw voor. Verbeeld je dat zy alle vreemden die 't erf betreden, laat wegjagen door de oppassers...' `Ik verzoek om de historie of de omelet,' zei Duclari. `Ik ook!' riep Verbrugge. `Uitvluchten worden niet aangenomen. We hebben aanspraak op een volledig maal, en daarom eis ik de geschiedenis van de kalkoen.' `Die heb ik je reeds gegeven,' zei Havelaar. `Ik had het beest gesto- len van de generaal Vandamme, en heb 't opgegeten... met iemand.' `Voor die `iemand' ten-hemel voer,' riep Tine schalks. `Neen, dat is tricheren,' riep Duclari. `We moeten weten waarom ge die kalkoen... weggenomen hebt.' `Wl, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van de generaal Vandamme die me gesuspendeerd had.' `Als ik er niet meer van te weten kryg, breng ik een volgende keer zelf een omelet mee,' klaagde Verbrugge. `Geloof me, er stak niets meer achter dan dt. Hy had zeer vl kalkoenen, en ik had niets. Men dreef die dieren voorby myn deur... ik nam er een, en zei tot de man die zich verbeeldde er op te passen: `zeg de generaal dat ik, Max Havelaar, deze kalkoen neem omdat ik eten wil.'' `En dan dat epigram?' `Heeft Verbrugge je daarvan gesproken?' `Ja.' `Dat had niets met de kalkoen uit te staan. Ik maakte dat ding omdat hy zoveel ambtenaren suspendeerde. Er waren er op _Padang_ zeker zeven of acht die hy met meer of min rechtvaardigheid in hun ambten geschorst had, en velen onder hen verdienden 't veel minder dan ik. De adsistent-resident van _Padang_ zelf was gesuspendeerd, en wel om een reden, die, naar ik geloof, een geheel andere was dan de in het besluit opgegevene. Ik wil u dat wel vertellen, schoon ik niet verzeke- ren kan dat ik alles juist weet, en alleen verzeg wat men in de _chinese kerk_ (98) te _Padang_ voor waar hield, en wat dan ook -- vooral met het oog op de bekende eigenschappen van de generaal -- waar _kan_ geweest zyn. `~Hy had, moet ge weten, zyn vrouw getrouwd om een wedding- schap te winnen, en daarmee een anker wyn. Hy ging dus dikwyls 's avends uit, om... overal rond te lopen. De surnumerair Valkenaar moet eens in een straatje naby 't meisjesweeshuis zyn inkognito zo stipt geerbiedigd hebben, dat hy hem een pak slaag heeft gegeven als een _gewone_ straatschender. Niet ver van daar woonde _Miss X._ Er liep een gerucht dat die _Miss_ 't leven zou gegeven hebben aan een kindje, dat... verdwenen was. De adsistent-resident was als hoofd der politie verplicht, en ook inderdaad van plan, zich met die zaak te bemoeien, en schynt van dit voornemen iets gezegd te hebben op een whistparty by de generaal. Doch zie, de volgende dag ontvangt hy de last zich naar zekere Afdeling te begeven, welker gezagvoerende kontroleur wegens ware of veronderstelde oneerlykheid geschorst was in zyn beheer, om _in loco_ zekere zaken te onderzoeken en daarvan `te dienen van bericht'. Wl was de adsistent-resident verwonderd dat hem iets werd opgedragen dat zyn Afdeling in 't geheel niet aanging, doch daar hy strikt genomen deze opdracht kon beschouwen als een vererende onderscheiding, en dewyl hy met de generaal op zeer vriendschappelyke voet stond zodat hy geen oorzaak had aan een valstrik te denken, berustte hy in deze zending, en begaf zich naar... ik wil vergeten hebben waarheen, om te doen wat hem bevolen was. Na enige tyd keert hy terug, en biedt een verslag aan dat niet ongun- stig luidde voor die kontroleur. Doch ziet, er was gedurende die tyd op _Padang_ door 't publiek -- dat is: door niemand en iedereen -- ontdekt dat die ambtenaar slechts gesuspendeerd was om een gele- genheid te scheppen de adsistent-resident van de plaats te verwyde- ren, ten-einde zyn voorgenomen onderzoek naar de verdwyning van dat kind te voorkomen, of althans te verschuiven tot een tydstip dat die zaak moeielyker zou op te helderen zyn. Ik herhaal nu dat ik niet weet of dit waar was, doch naar de kennis die ikzelf later van de generaal Verdamme opdeed, komt deze lezing van 't geval my ge- loofbaar voor. Op _Padang_ was er niemand die hem niet -- wat het peil aangaat, waartoe zyn zedelykheid was afgedaald -- tot zo-iets in-staat keurde. De meesten kenden hem slechts n goede hoedanigheid toe, die van onverschrokkenheid in 't gevaar, en indien ik, die hem in gevaar gezien heb, van mening ware dat hy _aprs tout_ een dapper man was, zou dit alleen my bewegen u deze geschiedenis niet te vertellen. 't Is waar, hy had op Sumatra veel laten `sabreren' doch wie sommige gebeurtenissen van naby gezien had (99) voelde nei- ging om wat af te dingen op zyn dapperheid, en, hoe vreemd het schyne, ik geloof dat hy zyn krygsmansroem grotendeels te danken had aan de zucht tot tegenstelling, die ons allen min of meer bezielt. Men zegt gaarne: 't is waar dat Peter of Paul _dit, dit_ of _dit_ is, maar... _dt_ is hy, _dt_ moet men hem laten! En nooit kan men zo zeker zyn geprezen te worden, dan wanneer men een zeer in 't oog vallend gebrek heeft. Jy, Verbrugge, bent alle dagen dronken...' `Ik?' vroeg Verbrugge die een voorbeeld was van matigheid. `Ja, _ik_ maak je nu dronken, alle dagen! Je vergeet je zover, dat Duclari 's avends in de galery over je struikelt. Dit zal hy onaange- naam vinden, maar terstond zal hy zich herinneren iets goeds in je gezien te hebben dat hem toch vroeger niet in 't oog viel. En als ik dan kom, en ik vind je zo erg... _horizontaal,_ dan zal hy my de hand op de arm leggen, en uitroepen: `och, geloof toch dat hy overigens zo'n beste brave knappe jongen is!'' `Dat zeg ik tch van Verbrugge,' riep Duclari, `al is hy _vertikaal.'_ `Niet met dat vuur en die overtuiging! Herinner je eens hoe dik- wyls men hoort zeggen: `o, als _die_ man op zyn zaken wilde passen, dt zou iemand wezen! Maar...' en dan volgt het betoog hoe hy _niet_ op zyn zaken past en dus _niemand_ is. Ik geloof hiervan de reden te weten. Ook van de doden verneemt men altyd goede hoedanigheden waarvan we vroeger niets bemerkten. De oorzaak zal wel zyn dat ze niemand _in de weg staan._ Alle mensen zyn min of meer mededin- gers. We zouden gaarne lk ander _geheel_ en _in alles_ onder ons plaatsen. Dit echter te uiten, verbiedt de goede toon en zelfs het eigenbelang, want zeer spoedig zou niemand ons geloven ook al beweerden wy iets waars. Er moet dus een omweg gezocht worden, en ziet hier hoe we dit doen. Als gy, Duclari, zegt: `de luitenant Slobkous is een goed soldaat, waarachtig hy is een goed soldaat, ik kan je niet genoeg zeggen welk een goed soldaat die luitenant Slobkous is... maar een _theoretikus_ is hy niet...' `~Heb je niet zo gezegd, Duclari?' `Ik heb nooit een luitenant Slobkous gekend of gezien?' `Goed, schep er dan een, en zeg dat van hem.' `Wel, ik schep hem, en zeg het.' `Weet je wat ge nu gezegd hebt? Je hebt gezegd dat jy, Duclari, _ cheval_ bent op de _theorie._ Ik ben geen haar beter. Geloof me, we doen onrecht zo boos te worden op iemand die heel slecht is, want de goeden onder ons zyn 't slechte zo na! Laat eens de volmaaktheid nul heten, en honderd graden voor slecht gelden, hoe verkeerd doen we dan -- wy, die dobberen tusschen acht- en negen-en-negentig! -- _haro_ te roepen over iemand die op honderd-en-n-staat! En nog geloof ik dat velen die honderdste graad slechts niet bereiken uit gemis aan goede eigenschappen, aan moed byvoorbeeld om geheel te zyn wat men is.' `Op hoeveel graden sta ik, Max?' `Ik heb een loep nodig voor de onderdelen, Tine.' `Ik reklameer,' riep Verbrugge -- `neen, mevrouw, niet tegen uw nabyheid aan de nul! -- neen, maar er zyn ambtenaren gesuspen- deerd, er is een kind zoek, een generaal in staat van beschuldiging... ik vraag: _la pice!'_ `Tine, zorg toch dat er een volgende keer wat in huis is! Neen Verbrugge, je krygt _la pice_ niet, voor ik nog een beetje heb rondge- reden op myn stokpaardje over de tegenstellingen. Ik zei dat elk mens in zyn medemens een soort van konkurrent ziet. Men mag niet altyd laken -- wat in 't oog vallen zou! -- daarom verheffen wy gaarne een goede eigenschap bovenmate, om de kwade hoedanigheid aan welker openbaring ons eigenlyk alleen gelegen is, te doen in het oog vallen, zonder de schyn op ons te laden van partydigheid. Als iemand zich by my beklaagt omdat ik gezegd heb: `zyn dochter is zeer schoon, maar hy is een dief' dan antwoord ik: `hoe kan je drover zo boos wezen! Ik heb immers gezegd dat je dochter een lief meisje is!' Zieje, dat wint dubbel! Wy beiden zyn kruideniers, ik neem hem zyn klanten af, die geen rozynen willen kopen by een dief, en te-gelyker-tyd zegt men van my dat ik een goed mens ben, omdat ik de dochter prys van een konkurrent.' `Neen, z erg is 't niet,' zei Duclari, `dt is wat sterk!' `Dit komt u nu zo voor, omdat ik de vergelyking wat kort en bruusk gemaakt heb. We moeten ons dat: `hy is een dief' enigszins om- zwachteld voorstellen. De strekking der gelykenis blyft waar. Wan- neer we genoodzaakt zyn iemand zekere eigenschappen toe te ken- nen die aanspraak geven op achting, eerbied of ontzag, dan doet het ons genoegen naast die eigenschappen iets te ontdekken, dat ons van de verschuldigde cyns voor een gedeelte of geheel ontslaat. `Voor _zulk_ een dichter zou men 't hoofd buigen, maar... hy slaat zyn vrouw!' (100) Ziet ge, dan gebruiken wy gaarne de blauwe plekken van die vrouw als voorwendsel om ons hoofd overeind te houden, en in 't eind doet het ons zelfs plezier dat hy 't mens slaat, wat toch anders heel lelyk is. Zodra wy erkennen moeten dat iemand hoeda- nigheden bezit die hem de eer van een voetstuk waardig maken, zodra we zyn aanspraken daarop niet langer knnen loochenen zonder door te gaan voor onkundig, gevoelloos, of nayverig... dan zeggen we ten-laatste: `goed, zet hem er op!' Maar reeds onder dat opzetten, en als hyzelf nog meent dat we verrukt staan over zyn uitstekendheid, hebben we reeds de strik gelegd in de _lazzo_ die dienen moet om hem by de eerste gunstige gelegenheid naar-beneden te halen. Hoe meer _mutatie_ onder de _inhabers_ der voetstukken, hoe groter de kans voor anderen om k eens aan de beurt te komen, en dit is z waar dat wy uit gewoonte en tot oefening -- even als een jager die op kraaien schiet, welke hy toch liggen laat -- ook _die_ standbeelden gaarne neerhalen, welker piedestal nooit door ons kan bestegen worden. Kappelman die zich voedt met zuurkool en scharrebier, zoekt verheffing in de klacht: `Alexander ws niet groot... hy was onmatig' zonder dat er voor Kappelman de minste kans bestaat ooit met Alexander te kon- kurreren in wereldverovering. `~Hoe dit zy, ik ben zeker dat velen nooit op 't denkbeeld zouden gekomen zyn, de generaal Vandamme voor zo dapper te houden, als zyn dapperheid niet had kunnen dienen tot voertuig van 't altyd daarby gevoegde: `maar... zyn zedelykheid!' En tevens, dat deze onzedelykheid niet zo hoog zou opgenomen zyn door de velen die zelf niet zo onaantastbaar waren op dit stuk, wanneer men ze niet had nodig gehad tot het opwegen tegen zyn roem van dapperheid, die sommigen belette te slapen. `~n eigenschap bezat hy werkelyk in hoge mate: wilskracht. Wat hy zich voornam, moest geschieden, en geschiedde ook gewoonlyk. Doch -- zie je wel dat ik weer terstond de tegenstelling by-de-hand heb? -- doch in de keuze der middelen was hy dan ook wat... vry, en zoals Van der Palm -- naar ik geloof, ten-onrechte -- van Napoleon zeide: `hinderpalen der zedelykheid stonden hem nooit in de weg!' Nu, dan is 't zeker gemakkelyker zyn doel te bereiken, dan wanneer men zich door zo-iets wl gebonden acht. `~De adsistent-resident van _Padang_ dan had een bericht uitge- bracht, dat gunstig luidde voor die gesuspendeerde kontroleur, wiens suspensie hierdoor een tint van onrechtvaardigheid bekwam. De Padangse praatjes duurden voort: men sprak nog altyd over 't ver- dwenen kind. De adsistent-resident voelde zich op-nieuw geroepen die zaak op te vatten, maar voor hy iets tot helderheid had kunnen brengen, ontving hy een besluit waarby hy door de Gouverneur van Sumatra's Westkust werd gesuspendeerd `wegens oneerlykheid in ambtsbetrekking'. Het heette dat hy uit vriendschap of medelyden de zaak van die kontroleur, tegen beter weten aan, in een vals daglicht had gesteld. `~Ik heb de stukken die deze zaak betreffen, niet gelezen maar ik weet dat de adsistent-resident niet in de minste betrekking met die kontro- leur stond, hetgeen reeds hieruit blykt dat men juist _hem_ had geko- zen om die zaak te onderzoeken. Ik weet voorts dat hy een achtens- waardig persoon was, en dat ook de Regering hem hiervoor hield, hetgeen blykt uit het vernietigen der suspensie, nadat de zaak elders dan op Sumatra's Westkust onderzocht was. Ook die kontroleur is later geheel in zyn eer hersteld geworden. Het was hun suspensie die my 't puntdicht ingaf, dat ik op de ontbyttafel van de generaal liet neerleggen door iemand die toen by hem, en vroeger by my in dienst was. `~Het wandlend schorsbesluit dat schorsend ons regeert, Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen, Had zyn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd... Als 't niet lange tyd finaal reeds ware ontslagen.' `Neem me niet kwalyk, m'nheer Havelaar, ik vind dat zo-iets niet te pas kwam,' zei Duclari. `Ik ook... maar ik moest toch _iets_ doen! Verbeeld je dat ik geen geld had, niets ontving, en van-dag tot-dag vreesde te sterven van honger, wat dan ook naby genoeg geweest is. Ik had weinig of geen betrekkin- gen op _Padang,_ en bovendien, ik had de generaal geschreven dat _hy_ verantwoordelyk was indien ik omkwam van ellende, en dat ik van niemand hulp zou aannemen. In de binnenlanden waren er die, ver- nemende hoe 't met my gesteld was, my uitnodigden ten-hunnent te komen, maar de generaal verbood dat men my daarheen een pas zou geven. Naar Java vertrekken mocht ik ook niet. Overal elders had ik me kunnen redden, en misschien ook dr als men niet zo bevreesd ware geweest voor de machtige generaal. Het scheen zyn plan te zyn my te laten verhongeren. Dat heeft negen maanden geduurd!' `En hoe hebt ge u zolang in 't leven gehouden? Of had de generaal vl kalkoenen!' `O ja! Maar dit hielp me niet... zo-iets doet men maar ns, niet waar? Wat ik gedurende die tyd uitrichtte? Och... ik maakte verzen, schreef komedies... en zo al voort.' `En was daarvoor op _Padang_ ryst te koop?' `Neen, maar die heb ik er ook niet voor gevraagd. Ik zeg liever niet hoe ik geleefd heb.' (101) Tine drukte hem de hand, _zy_ wist het. `Ik heb een paar regels gelezen, die ge in die dagen zoudt geschre- ven hebben achter op een kwitantie,' zei Verbrugge. `Ik weet wat je bedoelt. Die regels schetsen myn pozitie. Er bestond in die dagen een tydschrift, _de Kopiist,_ waarop ik intekenaar was. Het stond onder de bescherming van de Regering -- de redakteur was ambtenaar by de algemene Sekretarie (102) -- en hierom werden de intekeningsgelden in 's lands kas gestort. Men bood my een kwitan- tie van twintig gulden aan. Daar nu dit geld op de bureaux van de Gouverneur moest worden verhandeld, en dus de kwitantie, als zy onbetaald bleef, die bureaux te passeren had om te worden terugge- zonden naar Batavia, maakte ik van die gelegenheid gebruik om achter op dat stuk te protesteren tegen myn armoede: `~Vingt florins... quel trsor! Adieu, littrature, Adieu, Copiste, adieu! Trop malheureux destin: Je meurs de faim, de froid, d'ennui et de chagrin, Vingt florins font pour moi deux mois de nourriture! Si j'avais vingt florins je serais mieux chauss, Mieux nourri, mieux log, j'en ferais bonne chre... Il faut vivre avant tout, soit vie de misre: Le crime fait la honte, et non la pauvret! `~Maar toen ik later te Batavia by de redaktie van de _Kopiist_ myn twintig gulden kwam brengen, was ik niets schuldig. Het schynt dat de generaal zelf dat geld voor my betaald heeft, om niet gedwongen te zyn die gellustreerde kwitantie terug te zenden naar Batavia.' `Maar wat deed hy na 't... na 't... wegnemen van die kalkoen? 't Was toch... een diefstal! En na dat epigram?' `Hy strafte me vreselyk! Wanneer hy my voor die zaken had laten terechtstaan als schuldig aan oneerbiedigheid jegens de Gouverneur van Sumatra's Westkust, hetgeen in die dagen met een beetje goede wil had kunnen worden uitgelegd als _`poging tot ondermyning van 't nederlands gezag, en aanhitsing tot opstand'_ of aan _`diefstal op de publieke weg'_ zou hy getoond hebben een goedhartig mens te zyn. Maar neen, hy strafte me beter... akelig. Aan de man die op de kalkoenen passen moest, liet hy gelasten voortaan een andere weg te kiezen. En myn puntdicht... ach, dt is nog erger! Hy zeide _niets,_ en deed _niets!_ Ziet ge, dit was wreed! Hy gunde me niet het minste martelaars-air, ik werd niet belangwekkend door vervolging, en mocht niet ongelukkig wezen door verregaande geestigheid! O, Du- clari... o, Verbrugge... 't was om eens-voor-al te walgen van punt- dichten en kalkoenen! Z weinig aanmoediging dooft de vlam van 't genie uit tot op de laatste vonk... inkluzief: ik heb 't nooit weer gedaan!' Dertiende hoofdstuk `En mag men nu weten waarom ge eigenlyk gesuspendeerd waart?' vroeg Duclari. `O ja, gaarne! Want daar ik alles wat ik u hiervan te zeggen heb, voor wr geven en zelfs nog gedeeltelyk bewyzen kan, zult ge daar- uit zien dat ik niet lichtvaardig handelde toen ik myn verhaal over dat vermiste kind, de praatjes van _Padang_ niet verwierp als volstrekt ongerymd. Men zal ze zeer geloofbaar vinden, zodra men onze dap- pere generaal leert kennen in de zaken die _my_ betreffen. `~Er waren dan in myn kasrekening te _Natal_ onnauwkeurigheden en verzuimen. Ge weet hoe elke onnauwkeurigheid op nadeel uit- loopt: nooit heeft men door slordigheid geld over. De chef van de komptabiliteit te _Padang_ -- die nu juist myn byzondere vriend niet was -- beweerde dat er duizenden te-kort kwamen. Maar let wel dat men my, zolang ik te _Natal_ was, daarop niet had opmerkzaam ge- maakt. Geheel onverwachts ontving ik een overplaatsing naar de Padangse bovenlanden. Je weet, Verbrugge, dat op Sumatra een plaatsing in de bovenlanden van _Padang_ als voordeliger en aangena- mer wordt beschouwd dan in de noordelyke residentie. Daar ik nog slechts weinig maanden vroeger de Gouverneur by my had gezien -- straks zult ge horen waarom, en hoe? -- en omdat er gedurende zyn verblyf te _Natal,_ en zelfs in myn huis, zaken waren voorgevallen waarin ik meende my al zeer flink gedragen te hebben, nam ik die overplaatsing als een gunstige onderscheiding op, en vertrok van _Natal_ naar _Padang._ Ik deed de reis met een frans schip, de _Baobab_ van Marseille, dat te Atjeh peper had ingeladen, en... natuurlyk te _Natal_ `gebrek had aan drinkwater'. Zodra ik te _Padang_ aankwam, met het doel vandaar terstond naar de binnenlanden te vertrekken, wilde ik volgens gebruik en plicht de Gouverneur bezoeken, maar hy liet me zeggen dat hy me niet ontvangen kon, en tevens dat ik myn vertrek naar myn nieuwe standplaats moest uitstellen tot nader be- vel. Ge begrypt dat ik hierover zeer verwonderd was, te-meer daar hy te _Natal_ my verlaten had in een stemming die me deed menen nogal goed by hem aangeschreven te staan. Ik had slechts weinig kennissen te _Padang,_ maar van deze weinigen vernam ik -- of liever ik bemerkte het aan hen -- dat de generaal zeer verstoord op me was. Ik zeg dat ik 't _bemerkte_ omdat op een buitenpost als _Padang_ toen was, de welwil- lendheid van velen dienen kon als graadmeter der genade die men gevonden had in de ogen des Gouverneurs. Ik gevoelde dat er een storm in aantocht was, zonder te weten uit welke hoek de wind komen zou. Daar ik geld nodig had, verzocht ik deze en gene me daarmee te-hulp te komen, en ik stond werkelyk verbaasd dat men my overal een weigerend antwoord gaf. Op _Padang,_ niet minder dan elders in Indi, waar over 't geheel het krediet een zelfs _te_ grote rol speelt, was de stemming op dat stuk anders vry ruim. Men zou in elk ander geval met genoegen enige honderden guldens hebben voorge- schoten aan een kontroleur die op reis was en tegen verwachting ergens werd opgehouden. Doch my weigerde men alle hulp. Ik drong by sommigen op 't noemen der oorzaken van dit wantrouwen aan, en _de fil en aiguille_ kwam ik eindelyk te weten dat men in myn geldelyk beheer te _Natal_ fouten en verzuimen had ontdekt, die me verdacht maakten van ontrouwe administratie. Dat er fouten in myn admini- stratie waren, bevreemdde me volstrekt niet. Juist het tegendeel zou me verwonderd hebben, maar wel vond ik 't zonderling dat de Gou- verneur, die persoonlyk getuige was geweest hoe ik gedurig ver van myn bureau had te kampen gehad met de ontevredenheid der bevol- king en aanhoudende pogingen tot opstand... dat hy die zelf my geprezen had over wat hy `kordaatheid' noemde, aan de ontdekte fouten de naam geven kon van ontrouw of oneerlykheid. Niemand beter toch dan hy kon weten dat er in deze zaken nooit spraak kon zyn van iets anders dan van _force majeure._ `~En, al loochende men deze _force majeure,_ al wilde men my verant- woordelyk stellen voor fouten die begaan waren op ogenblikken dat ik -- in levensgevaar dikwyls! -- ver van de kas en wat er naar geleek, het beheer daarvan moest toevertrouwen aan anderen, al zou men eisen dat ik, het ene doende, het andere niet had mogen nalaten, dan ng zou ik alleen schuldig geweest zyn aan een slordigheid die niets gemeens had met `ontrouw'. Er bestonden bovendien, in die dagen vooral, talryke voorbeelden dat de Regering deze moeielykheid der pozitie van de ambtenaren op Sumatra inzag, en 't scheen dan ook in grondbeginsel aangenomen by zulke gelegenheden iets door de vin- gers te zien. Men vergenoegde zich met van de betrokken ambtena- ren de terugbetaling van 't ontbrekende te vorderen, en er moesten al zeer duidelyke bewyzen zyn voor men 't woord `ontrouw' uitsprak of zelfs daaraan dacht. Dit was dan ook z als regel aangenomen, dat ik te _Natal_ de Gouverneur zelf gezegd had bevreesd te zyn dat ik, na 't onderzoeken van myn verantwoording op de bureaux te _Padang,_ veel zou te betalen hebben, waarop hy schouder-ophalend antwoord- de: `och... die geldzaken!' als gevoelde hyzelf dat het mindere voor 't meerdere wyken moest. `~Nu erken ik dat geldzaken gewichtig zyn. Maar hoe gewichtig ook, ze waren in dit geval onderschikt aan andere takken van zorg en bezigheid. Als er door slordigheid of verzuim enige duizenden te- kort waren in myn beheer, noem ik dit _op-zichzelf_ geen kleinigheid. Maar als deze duizenden ontbraken ten-gevolge van myn gelukte pogingen om de opstand te voorkomen, die de landstreek van _Mand- hling_ dreigde in vuur en vlam te zetten, en de Atjinezen te doen terugkeren in de oorden waaruit wy hen pas met veel opoffering van geld en volk hadden verjaagd, dan vervalt het gewicht van zodanig te- kort, en 't werd zelfs reeds enigszins onbillyk de terugbetaling daar- van op te leggen aan iemand die oneindig groter belangen gered had. `~En toch had ik vrede met zodanige terugbetaling. Want door die niet te vorderen, zou men een te wyde deur openstellen voor oneer- lykheid. `~Na dagen toevens -- ge begrypt in welke stemming! -- ontving ik van de sekretarie des Gouverneurs een brief, waarin men my te kennen gaf dat ik van ontrouw werd verdacht gehouden, met last my te verantwoorden op een tal van aanmerkingen die er gevallen waren op myn beheer. Enkele daarvan kon ik terstond ophelderen. Voor andere evenwel had ik inzage van zekere stukken nodig, en vooral was 't voor my van belang die zaken na te sporen te _Natal_ zelf, om by myn gemployeerden naar de oorzaken der gevonden verschillen onderzoek te doen, en waarschynlyk zou ik dr geslaagd wezen in myn pogingen om alles tot klaarheid te breng-en. Het verzuim ener afschryving by-voorbeeld van naar _Mandhling_ gezonden gelden -- je weet, Verbrugge, dat de troepen in 't binnenland uit de Natalse kas worden betaald -- of iets dergelyks, dat me hoogstwaarschynlyk ter- stond zou gebleken zyn als ik onderzoek had kunnen doen op de plaats zelf, had misschien tot die verdrietige fouten aanleiding gege- ven. Maar de generaal wilde my niet naar _Natal_ laten vertrekken. Deze weigering deed my te meer letten op 't vreemde der wyze waarop die beschuldiging van ontrouw tegen my was ingebracht. Waarom toch was ik van _Natal_ onverwachts overgeplaatst, en wel onder verdenking van ontrouw? Waarom deelde men my dit ont- erend vermoeden eerst mede, toen ik ver van de plaats was waar ik gelegenheid zou gehad hebben my te verantwoorden? En bovenal, waarom tegen my die zaken zo terstond in het ongunstigst daglicht gesteld, in tegenspraak met de aangenomen gewoonte en de billyk- heid? `~Voor ik nog al die aanmerkingen, zo goed me zonder archief of mondelinge inlichtingen mogelyk was, beantwoord had, vernam ik zydelings dat de Generaal zo verstoord op me was: _`omdat ik hem te Natal zo gekontrarieerd had, waaraan ik dan ook,'_ voegde men er by, _`zeer verkeerd had gedaan.'_ `~Toen ging er een licht voor my op. Ja, ik had hem gekontrarieerd, maar in 't naf denkbeeld dat hy me daarom achten zou! Ik hd hem gekontrarieerd, maar by zyn vertrek had niets me doen gissen dat hy daarover verstoord was! Dom genoeg had ik de gunstige overplaat- sing naar _Padang_ aangenomen als een bewys, dat hy myn `kontra- riren' schoon gevonden had. Ge zult zien, hoe weinig ik hem toen kende. `~Maar zodra ik vernam dat dit de oorzaak was van de scherpte waarmee men myn geldelyke administratie beoordeeld had, was ik in vrede met myzelf. Ik beantwoordde punt voor punt zo goed ik kon, en eindigde myn brief -- ik bezit daarvan nog de minuut -- met de woorden: _`~`Ik heb de op myn administratie gevallen aanmerkingen, zo goed het my zonder archief of lokale nasporing mogelyk was, beant- woord. Ik verzoek Uhoogedelgestrenge my van alle welwillende konsideratin te verschonen. Ik ben jong, en onbeduidend in-verge- lyking met de macht der heersende begrippen waartegen myn prin- cipes me noodzaken op te staan, maar blyf niettemin trots op myn zedelyke onafhankelykheid, trots op myn eer.'_ `~De volgende dag was ik gesuspendeerd wegens `ontrouwe admini- stratie'. De Officier van Justitie -- we zeiden nog _fiskaal_ in die tyd -- werd gelast omtrent my `ambt en plicht' te betrachten. `~En zo stond ik dus daar te _Padang,_ nauw drie-en-twintig jaren oud, en staarde de toekomst aan, die my eerloosheid brengen zou! Men raadde my aan, me te beroepen op myn jonge jaren -- ik was nog onmondig toen de voorgegeven vergrypen hadden plaats gehad -- maar dit wilde ik niet. Ik had immers reeds te veel gedacht en geleden en... ik durf zeggen: te veel reeds gewerkt, dan dat ik me verschuilen zou achter myn jeugd. Ge ziet uit het zo-even aangehaald slot van die brief, dat ik niet wilde behandeld zyn als een kind, ik die te _Natal_ tegenover de generaal myn plicht had gedaan als een man. En tevens kunt ge uit die brief zien hoe ongegrond de beschuldiging was, die men tegen my inbracht. Waarlyk, wie schuldig is aan lage vergrypen, schryft anders! `~Men nam me niet gevangen, en dit had toch moeten geschieden als het ernst ware geweest met die kriminele verdenking. Misschien echter was dit schynbaar verzuim niet zonder grond. De gevangene immers is men onderhoud en voedsel schuldig. Daar ik _Padang_ niet verlaten kon, was ik in werkelykheid tch een gevangene, maar een gevangene zonder dak en zonder brood. Ik had herhaaldelyk, doch telkens zonder baat, aan de Generaal geschreven dat hy myn vertrek van _Padang_ niet beletten mcht, want dat, al ware ik schuldig aan 't allerergste, geen misdaad mocht gestraft worden met _hongerlyden._ `~Nadat de rechtsraad, die blykbaar met de zaak verlegen was, de uitweg had gevonden zich onbevoegd te verklaren, omdat vervolgin- gen wegens misdryf in dienstbetrekking, niet mogen plaats hebben dan op machtiging van de Regering te _Batavia,_ hield my de generaal, zoals ik zeide, negen maanden te _Padang._ Hy ontving eindelyk van- hoger-hand de last me naar _Batavia_ te laten vertrekken. `~Toen ik een paar jaren daarna wat geld had -- beste Tine, _jy_ hadt het me gegeven! -- betaalde ik enige duizenden guldens om de Natalse kasrekeningen van 1842 en 1843 effen te maken, en toen zeide my iemand (103) die geacht kon worden de Regering van Nederlands- Indi voor te stellen: `dat had ik in uw plaats niet gedaan... ik zou een wissel op de eeuwigheid gegeven hebben.' _Ainsi va le monde!'_ Juist wilde Havelaar een aanvang maken met het verhaal dat zyn gasten van hem wachtten, en dat ophelderen zou waarin en waarom hy de Generaal Vandamme te _Natal_ zo `gekontrarieerd' had, toen mevrouw Slotering zich in de voorgalery van haar woning vertoon- de, en de politie-oppasser wenkte, die naast Havelaars huis op een bank zat. Deze begaf zich tot haar, en riep daarop iets tot een man die zo-even het erf betreden had, waarschynlyk met het doel om zich naar de keuken te begeven die achter 't huis gelegen was. Ons gezel- schap zou hierop waarschynlyk niet gelet hebben, wanneer niet Tine die middag aan tafel gezegd had dat mevrouw Slotering zo schuw was, en een soort van toezicht scheen uit te oefenen over ieder die 't erf betrad. Men zag de man die door de oppasser geroepen was, tot haar gaan, en 't scheen wel dat ze hem in een verhoor nam dat niet in zyn voordeel afliep. Althans hy wendde zyn schreden en liep naar- buiten terug. `'t Spyt me wel,' zei Tine. `Dat was misschien iemand die kippen te- koop had, of groente. Ik heb nog niets in huis.' `Wel, laat dan daartoe maar iemand uitzenden,' antwoordde Ha- velaar. `Je weet dat inlandse dames gaarne gezag oefenen. Haar man was vroeger de eerste persoon hier, en hoe weinig een adsistent- resident eigenlyk beduidt, in zyn afdeling is hy een kleine koning: zy is nog niet gewoon aan de onttroning. Laat ons die arme vrouw dit klein genoegen niet ontnemen. Houd je maar alsof je 't niet be- merkte.' Dit nu viel Tine niet zwaar: _zy_ hield niet van gezag. Een uitweiding is hier nodig, en zelfs wil ik eens uitweiden over uitweidingen. Het valt een schryver soms niet gemakkelyk, juist door te zeilen tussen de twee klippen van het te-veel of te-weinig, en deze moeielykheid wordt te groter als men toestanden beschryft, die de lezer verplaatsen moeten op onbekende bodem. Er is een te nauw verband tussen plaatsen en gebeurtenissen, dan dat men de beschry- ving van die plaatsen geheel zou kunnen ontberen, en 't vermyden der beide klippen waarop ik doelde, wordt dubbel moeielyk voor iemand die Indi tot toneel zyner vertelling gekozen heeft. Want waar een schryver die europese toestanden behandelt, veel zaken als bekend kan veronderstellen, moet hy die zyn stuk in Indi spelen laat, zich gedurig vragen of de niet-Indische lezer deze of gene om- standigheid juist opvatten zal? Wanneer de europese lezer zich me- vrouw Slotering voorstelt als `logerende' by de Havelaars, zoals dit zou plaats-vinden in Europa, moet het hem onbegrypelyk voorko- men dat ze niet tegenwoordig was by 't gezelschap dat de koffi ge- bruikte in de voorgalery. Wel heb ik reeds gezegd dat zy een afzon- derlyk huis bewoonde, doch tot juist begrip hiervan en tevens van latere gebeurtenissen, is 't inderdaad nodig dat ik hem Havelaars huis en erf enigszins doe kennen. De beschuldiging die zo vaak wordt ingebracht tegen de grote meester die de _Waverley_ schreef, dat hy dikwyls van 't geduld zyner lezers misbruik maakt door te veel bladzyden aan plaatsbeschryving te wyden, komt me ongegrond voor, en ik geloof dat men zich tot het beoordelen van de juistheid ener zodanige aanmerking, eenvoudig de vraag hebbe voor te leggen: was deze beschryving nodig tot juist opvatten van de indruk die de schryver u wilde meedelen? Zo ja, men duide dan hm niet ten-kwade dat hy van u de moeite verwacht te _lezen_ wat hy zich de moeite gaf te _schryven._ Zo neen, dan werpe men 't boek weg. Want de schryver die ledig genoeg van hoofd is, om _zonder noodzaak_ topografie te geven voor denkbeelden, zal zelden de moeite van 't lezen waard zyn, ook daar waar ten-laatste zyn plaatsbeschryving een eind neemt. Maar men vergete niet dat het oordeel van de lezer over 't al of niet noodzakelyke ener afwyking, dikwyls vals is, omdat hy vr de katastrofe niet weten kan wat al of niet vereist wordt tot geleidelyke ontwikkeling der toestanden. En wanneer hy n de katastroof 't boek weder opneemt -- van boeken die men slechts nmaal leest, spreek ik niet -- en zelfs dan nog meent dat deze of gene afwyking wel had kunnen gemist worden zonder schade voor de indruk van 't geheel, blyft het altyd de vraag of hy van 't geheel dezelfde indruk zou verkregen hebben, wanneer niet de schryver op meer of min kunstige wyze hem daartoe gebracht had, juist door de afwykingen die de oppervlakkig oordelende lezer over- tollig voorkomen. Meent ge dat Amy Robsart's dood u zo treffen zou, als ge vreemde- ling waart geweest in de hallen van Kenilworth? En gelooft ge dat er geen verband is -- verband door tegenstelling -- tussen de ryke kleding waarin de onwaardige Leicester zich aan haar vertoonde, en de zwart- heid zyner ziel? Gevoelt ge niet dat Lester -- ieder weet dit, die de man kent uit andere bronnen dan uit de roman alleen -- dat hy oneindig lager stond dan hy geschetst wordt in de _Kenilworth?_ Maar de grote romanschryver die liever boeide door kunstige rangschikking van kleuren dan door grofheid van kleur, achtte het beneden zich zyn penseel te dopen in al het slyk en in al het bloed dat er kleefde aan de onwaardige gunsteling van Elizabeth. Hy wilde slechts n stip aan- wyzen in de poel van vuil, maar verstond het, zulke stippen te doen in 't oog vallen door de tinten die hy in zyn onsterfelyke geschriften daarnst legde. Wie nu al dat daarnaast gelegde als overtollig meent te kunnen verwerpen, verliest geheel uit het oog dat men dan, om effekt te-weeg te brengen, zou moeten overgaan tot de school die sedert 1830 zolang in Frankryk gebloeid heeft, schoon ik ter-ere van dat land zeggen moet dat de schryvers die in dit opzicht het meest zondigden tegen de goede smaak, juist in 't buitenland, en niet in Frankryk zelf, de grootste opgang maakten. Die school -- ik hoop en geloof dat ze uitgebloeid heeft -- vond het gemakkelyk met volle hand te grypen in plassen van bloed, en daarmee grote kladden te werpen op de schildery, dat men die zien zou in de verte! Ze zyn dan ook met minder inspanning te schilderen, die ruwe strepen van rood en zwart, dan de fyne trekken te penselen die er staan in de kelk ener lelie. Drom dan ook koos die school meestal koningen tot helden van haar verhalen, liefst uit de tyd toen de volkeren nog onmondig wa- ren. Zie, de droefheid des konings vertaalt men op 't papier in volks- gehuil... _zyn_ toorn biedt de schryver gelegenheid tot het doden van duizenden op 't slagveld... _zyn_ fouten geven ruimte tot het schilde- ren van hongersnood en pest... dat alles geeft werk aan grove pense- len! Als ge niet getroffen zyt door de stomme akeligheid van een lyk dat daar ligt, er is plaats in myn verhaal voor een slachtoffer dat nog stuiptrekt en gilt! Hebt ge niet geweend by die moeder, vruchteloos zoekend naar haar kind... wl, ik toon u een andere moeder die haar kind ziet vierendelen! Bleeft ge ongevoelig by de marteldood van die man... ik vermenigvuldig uw gevoel honderdmalen door negen-en- negentig andere mannen te laten martelen naast hem! Zyt ge ver- stokt genoeg om niet te yzen by 't zien van de soldaat die in een belegerde vesting uit honger zyn linkerarm verslindt... Epikurist! Ik stel u voor, te kommanderen: `rechts en links, for- meert de kring! Ieder ete de linkerarm op van zyn rechterneven- man... mars!' Ja, z gaat de kunst-akeligheid over in zotterny... wat ik in 't voorbygaan bewyzen wilde. (104) En drin toch zou men vervallen door te spoedig een schryver te veroordelen, die u geleidelyk wilde voorbereiden op zyn katastroof zonder zyn toevlucht te nemen tot die schreeuwende kleuren. Het gevaar evenwel aan de andere kant is ng groter. Ge veracht de pogingen der grove letterkunde die met zo ruwe wapenen op uw gevoel meent te moeten instormen, maar... als de schryver in 't ander uiterste vervalt, als hy zondigt door _te veel_ afwyking van de hoofd- zaak, door _te veel_ penseel-gemanierdheid, dan is uw toorn nog ster- ker, en terecht. Want dan heeft hy u verveeld, en dit is onvergeeflyk. Wanneer wy tezamen wandelen, en ge wykt telkens af van de weg, en roept my in 't kreupelhout, alleen met het doel om de wandeling te rekken, vind ik dit onaangenaam, en neem me voor, in 't vervolg alleen te gaan. Maar als ge me daar een plant weet aan te wyzen die ik niet kende, of waaraan voor my iets te zien valt dat vroeger myn aandacht ontsnapte... als ge my van-tyd tot-tyd een bloem toont, die ik gaarne pluk en meedraag in 't knoopsgat, dan vergeef ik u dat afwyken van de weg, ja, ik ben er dankbaar voor. En, zelfs zonder bloem of plant, zodra ge my ter-zyde roept om me door 't geboomte heen het pad te wyzen, dat we straks zullen betre- den, doch dat nu nog verre voor ons ligt in de diepte, en als een nauw merkbaar streepje zich slingert door 't veld daar-beneden... ook dan neem ik u de afwyking niet euvel. Want als wy eindelyk z ver zullen gekomen zyn, zal ik weten hoe zich onze weg heeft gekronkeld door 't gebergte, wat de oorzaak is dat wy de zon die zo-even dr stond, nu links van ons hebben, waarom die heuvel nu achter ons ligt, welks top we vroeger vr ons zagen... zie, dan hebt ge my door die afwyking 't _begrypen_ myner wandeling gemakkelyk gemaakt, en begrypen is genot. Ik, lezer, heb u in myn verhaal dikwyls op de grote weg gelaten, schoon 't my moeite kostte u niet mee te voeren in 't kreupelhout. Ik vreesde dat de wandeling u verdrieten zou, daar ik niet wist of ge vermaak zoudt scheppen in de bloemen of planten die ik u wyzen wilde. Maar omdat ik geloof dat het u later genoegen zal doen, het pad gezien te hebben dat we straks zullen betreden, voel ik me nu genoopt u iets te zeggen van Havelaars huis. Men zou verkeerd doen, zich van een huis in Indi een voorstelling te maken naar europese begrippen, en zich daarby een steenmassa te denken van op-elkander gestapelde kamers en kamertjes, met de straat er voor, rechts en links buren wier huisgoden tegen de onze aanleunen, en een tuintje met drie bessenboompjes er achter. Op weinig uitzonderingen na, hebben de huizen in Indi geen verdie- ping. Dit komt de europese lezer vreemd voor, want het is een eigen- aardigheid van beschaving -- of van wat hiervoor doorgaat -- alles vreemd te vinden wat natuurlyk is. De indische huizen zyn geheel anders dan de onze, doch niet _zy_ zyn vreemd, _onze_ huizen zyn vreemd. Wie 't eerst zich de weelde kon veroorloven niet in n kamer te slapen met zyn koeien, heeft de tweede kamer van zyn huis niet _op,_ maar _naast_ de eerste gezet, want het bouwen gelykvloers is eenvoudiger en biedt ook meer gemak aan in 't bewonen. Onze hoge huizen zyn geboren uit gebrek aan ruimte: we zoeken in de lucht wat er op de grond ontbreekt, en zo is eigenlyk elk dienstmeisje dat 's avends het venster sluit van 't dakkamertje waar ze slaapt, een levend protest tegen de overbevolking... al denkt zyzelf aan iets anders, wat ik wel geloven wil. In landen dus, waar beschaving en overbevolking nog niet door samenpersing beneden, 't mensdom naar-boven hebben opgekne- pen, zyn de huizen zonder verdieping, en dat van Havelaar behoorde niet tot de weinige uitzonderingen op deze regel. By 't binnentre- den... doch neen, ik wil een bewys geven dat ik afstand doe van alle aanspraken op schilderachtigheid. _Is gegeven:_ een langwerpig vier- kant dat ge wel wilt verdelen in een-en-twintig vakken, drie breed, zeven diep. We nummeren die vakken, beginnende van de linker- boven-hoek rechts-uit, zodat _vier_ onder _n_ kome, _vyf_ onder _twee,_ en zo vervolgens. De eerste drie nummers tezamen vormen de voorgalery die aan drie kanten open is, en welker dak aan de vrzyde op zuilen rust. Van daar treedt men door twee dubbeldeuren in de binnengalery die door de drie volgende vakken wordt voorgesteld. De vakken 7, 9, 10, 12, 13, 15, 16 en 18 zyn kamers, waarvan de meeste door deuren met de daarnaast liggende in verbinding staan. De drie hoogste nummers vormen de open achtergalery, en wat ik oversloeg is een soort van ongesloten binnengalery, gang of doorloop. Ik ben recht groots op deze beschryving. Het is moeielyk te zeggen welke uitdrukking in Nederland het denkbeeld teruggeeft, dat men in Indi aan 't woord `erf' hecht. Er is dr noch tuin, noch park, noch veld, noch bos, maar f iets daarvan, f alles tezamen, f niets van dat alles. Het is de grond die tot het huis behoort, voor-zo-ver die niet door dat huis bedekt is, zodat in Indi de uitdrukking: `tuin _en_ erve' zou doorgaan voor een pleonasmus. Er zyn daar geen of weinige huizen zonder zodanig erf. Sommige erven bevatten bos en tuin en weiland, en doen aan een park denken. Ande- re zyn bloemtuinen. Elders weer is 't gehele erf n groot grasveld. En eindelyk zyn er die, al zeer eenvoudig, geheel-en-al zyn gemaakt tot een gemacadamiseerd plein, dat misschien minder aangenaam is voor 't oog, doch de zindelykheid in de huizen bevordert, omdat veel insekten-soorten door gras en bomen worden aangetrokken. Havelaars erf nu was zeer groot, ja, hoe vreemd het klinke, aan een der zyden kon men 't oneindig noemen, daar het aan een ravyn grensde die zich uitstrekte tot aan de oevers van de _Tjioedjoeng,_ de rivier die _Rangkas-Betoeng_ in een zyner vele bochten omsluit. (105) Het viel moeielyk te bepalen waar 't erf van de adsistent-residents- woning ophield, en waar de gemeentegrond aanving, daar 't groot verval van water in de _Tjioedjoeng_ die dan eens zyn oevers een gezichtsverheid terugtrok, en dan weer de ravyn vulde tot zeer naby Havelaars huis, gedurig de grenzen veranderde. Deze ravyn was dan ook altyd een doorn geweest in de ogen van mevrouw Slotering, wat zeer begrypelyk is. De plantengroei, reeds overal elders in Indi zo snel, was op die plaats door de telkens achter- gelaten slib byzonder welig, z zelfs dat, al had het op- of aflopen des waters plaats gehad met een kracht die 't kreupelhout ontwortelde en meevoerde, er maar zeer weinig tyds nodig was om de grond weer te bedekken met al de ruigte die 't reinhouden van het erf, ook in de onmiddellyke nabyheid van 't huis, zo moeielyk maakte. En dit ver- oorzaakte geen gering verdriet, zelf aan wie geen huismoeder was. Want zonder te spreken van allerlei insekten, die gewoonlyk des avends om de lamp vlogen in zo grote menigte dat lezen en schryven onmogelyk werd -- iets wat op vl plaatsen in Indi lastig is -- hielden zich in dat kreupelhout een tal van slangen en ander gedierte op, dat zich niet bepaalde by de ravyn, maar telkens ook in de tuin naast en achter 't huis werd gevonden, of in het grasperk op 't voorplein. Dit plein had men recht vr zich als men in de buitengalery met de rug naar 't huis gekeerd stond. Links daarvan lag het gebouw met de bureaux, de kas en de vergaderzaal waar Havelaar die morgen de Hoofden had toegesproken, en daar-achter breidde zich de ravyn uit, die men overzag tot aan de _Tjioedjoeng_ toe. Juist tegenover de bu- reaux stond de oude adsistent-residents-woning die nu tydelyk door mevrouw Slotering bewoond werd, en dewyl de toegang van de grote weg tot het erf plaats had door twee wegen die langs beide zyden van 't grasveld liepen, volgt hieruit vanzelf dat ieder die het erf betrad om zich naar de achter het hoofdgebouw gelegen keuken of stallen te begeven, f de bureaux f de woning van mevrouw Slotering moest voorbygaan. Terzyde van 't hoofdgebouw en daarachter, lag de vry grote tuin die de vreugde van Tine had opgewekt door de vele bloe- men die ze daar vond, en vooral omdat kleine Max daar zo dikwyls spelen zou. Havelaar had zich by mevrouw Slotering laten verontschuldigen dat hy haar nog geen bezoek had gebracht. Hy nam zich voor, de volgende dag daarheen te gaan, maar Tine was er geweest en had kennis gemaakt. We vernamen reeds dat die dame een zogenaamd `inlands kind' was, die geen andere dan de maleise taal sprak. Ze had haar verlangen te kennen gegeven haar eigen huishouding te blyven voeren, waarin Tine gaarne berustte. En niet uit ongastvryheid kwam deze berusting voort, doch voornamelyk uit de vrees dat zy, pas te _Lebak_ aangekomen, en dus nog niet `op orde' mevrouw Slote- ring niet zo goed zou kunnen ontvangen als wenselyk gemaakt werd door de byzondere omstandigheden waarin deze dame verkeerde. Wel zou ze -- geen hollands verstaande -- niet `gedeerd' worden door de vertellingen van Max, zoals Tine 't genoemd had, maar zy begreep dat er meer nodig was dan de familie Slotering niet te _deren,_ en de schrale keuken in-verband met de voorgenomen zuinigheid deden haar werkelyk 't voornemen van mevrouw Slotering zeer verstandig vinden. Of nu overigens, wanneer de omstandigheden anders waren geweest, de omgang met iemand die slechts n taal sprak, waarin niets gedrukt is dat de geest beschaaft, geleid zou hebben tot weder- zyds genoegen, blyft twyfelachtig. Tine zou haar zo goed mogelyk gezelschap gehouden, en veel met haar gesproken hebben over keu- kenzaken, over _sambal-sambal,_ (106) over 't inmaken van _ketimon_ -- zonder Liebig, o goden! -- maar zo-iets blyft toch altyd een opoffe- ring, en men vond het dus zeer goed dat de zaken door mevrouw Sloterings vrywillige afzondering geschikt waren op een wyze die aan beide partyen volkomen vryheid liet. Zonderling echter was het, dat die dame niet alleen geweigerd had deel te nemen aan de gemeen- schappelyke maaltyden, maar dat zy zelfs geen gebruik maakte van 't aanbod om haar spyzen te doen gereed maken in de keuken van Havelaars huis. `Deze bescheidenheid,' zei Tine, `was wat ver gedre- ven, want de keuken was ruim genoeg.' Veertiende hoofdstuk `Ge weet,' begon Havelaar, `hoe de nederlandse bezittingen ter Westkust van Sumatra aan de onafhankelyke ryken in de noordhoek grenzen, waarvan _Atjeh_ het aanzienlykste is. Men zegt dat een ge- heim artikel in het traktaat van 1824, ons jegens de Engelsen de verplichting oplegt, de rivier van _Singkel_ niet te overschryden. De generaal Vandamme, die met een _faux-air Napolon_ gaarne zyn gouvernement zo vr mogelyk uitbreidde, stuitte dus in die richting op een onoverkomelyke hinderpaal. Ik moet aan 't bestaan van dat geheim artikel wel geloven, omdat het me anders bevreemden zou dat de Radjahs van _Troemon_ en _Analaboe,_ wier provincin niet zonder gewicht zyn door de peperhandel die daar gedreven wordt, niet sedert lang onder nederlandse souvereineteit zyn gebracht. Ge weet hoe gemakkelyk men een voorwendsel vindt om zulke landjes de oorlog aan te doen, en zich daarvan meester te maken. Het stelen van een landschap zal altyd makkelyker blyven dan van een molen. Ik geloof van de generaal Vandamme, dat hy zelfs een molen zou weg- genomen hebben als hy daarin lust gevoeld had, en begryp dus niet dat hy die landschappen in de Noord zou hebben verschoond, wan- neer niet daarvoor steviger gronden hadden bestaan dan recht en billykheid. (107) `~Hoe dit zy, hy richtte zyn veroveraarsblikken niet noord- maar oostwaarts. De landstreken _Mandhling_ en _Ankola_ -- dit was de naam der adsistent-residentie die gevormd was uit de pas tot rust gebrachte Battahlanden -- waren wel nog niet gezuiverd van atjinese invloed -- want waar dweepzucht eens wortel schiet, is 't uitroeien moeielyk -- maar de Atjinezen zelf waren er toch niet meer. Dit was evenwel de Gouverneur niet genoeg. Hy breidde zyn gezag tot aan de oostkust uit, en er werden nederlandse beambten en nederlandse garnizoenen gezonden naar _Bila_ en _Pertibie,_ welke posten echter -- zoals je weet, Verbrugge -- later weer ontruimd zyn. `~Toen er op Sumatra een Regeringskommissaris (108) aankwam, die deze uitbreiding doelloos vond en ze hierom afkeurde, vooral ook wyl ze in stryd was met de wanhopige spaarzaamheid waarop door 't moederland zozeer was aangedrongen, beweerde de generaal Van- damme dat die uitbreiding geen bezwarende invloed behoefde te hebben op de begroting, want dat de nieuwe garnizoenen gevormd waren uit troepen waarvoor toch reeds gelden waren toegestaan, zodat hy een zeer grote landstreek onder nederlands bestuur had gebracht, zonder dat hieruit geldelyke uitgaven waren voortge- vloeid. En wat voorts het gedeeltelyk ontbloten van andere plaatsen aanging, voornamelyk in 't Mandhlingse, meende hy genoeg te kunnen rekenen op de trouw en de aanhankelykheid van _Jang di Pertoean,_ 't voornaamste hoofd in de Battahlanden, om hierin geen bezwaar te zien. (109) `~Met weerzin gaf de Regeringskommissaris toe, en wel op de her- haalde betuigingen van de generaal dat hy _persoonlyk_ zich tot borg stelde voor _Jang di Pertoean's_ trouw. `~Nu was de kontroleur die vr my de afdeling _Natal_ bestuurde, de schoonzoon van de adsistent-resident in de Battahlanden, welke ambtenaar met _Jang di Pertoean_ in onmin leefde. Later heb ik veel horen spreken van klachten die tegen die adsistent-resident waren ingebracht, doch men moest voorzichtig wezen met geloof-slaan aan deze beschuldigingen, omdat ze grotendeels uit de mond kwamen van _Jang di Pertoean,_ en wel op een ogenhlik toen deze zelf van veel zwaarder vergrypen was aangeklaagd, hetgeen hem misschien noop- te zyn verdediging te zoeken in de fouten van zyn beschuldiger... wat meer gebeurt. Hoe dit zy, de gezaghebber van _Natal_ omhelsde de party van zyn schoonvader tegen _Jang di Pertoean,_ en dit te vuriger misschien omdat die kontroleur zeer bevriend was met zekere _Soetan Salim,_ een natals Hoofd dat ook zeer op de battakse chef gebeten was. Sedert lang heerste er een vete tussen de familin dezer beide hoof- den. Er waren huwelyksvoorstellen afgeslagen, er bestond yver- zucht over invloed, trots aan de kant van _Jang di Pertoean_ die van beter geboorte was, en meer andere oorzaken nog liepen samen om _Natal_ en _Mandhling_ tegen elkander opgezet te houden. `~Op-eenmaal verspreidde zich 't gerucht dat er in _Mandhling_ een komplot was ontdekt, waarin _Jang di Pertoean_ zou betrokken wezen, en dat ten-doel had de heilige vaan des opstands uit te steken en alle Europeanen te vermoorden. De eerste ontdekking hiervan had te _Natal_ plaats gehad, wat natuurlyk is, daar men in nabyliggende provincin altyd beter van de stand der zaken onderricht wordt dan op de plaats zelf, dewyl velen die te-huis door vrees voor een betrok- ken Hoofd zich laten weerhouden van de openbaring ener hun be- kende omstandigheid, die vrees enigermate overwinnen zodra ze zich op een grondgebied bevinden waar dat Hoofd geen invloed heeft. `~Dit is dan ook de reden, Verbrugge, waarom ik geen vreemdeling ben in de zaken van _Lebak,_ en dat ik redelyk veel wist van wat hier omgaat, voor ik dacht hier ooit te zullen geplaatst worden. Ik was in 1846 in 't _Krawangse,_ en heb veel rondgedwaald in de _Preanger_ waar ik reeds in 1840 _Lebakse_ uitgewekenen ontmoette. Ook ben ik be- kend met sommige eigenaren van partikuliere landen in 't Buiten- zorgse en in de Bataviase ommelanden, en ik weet hoe van-oudsher die landheren verheugd zyn over de slechte toestand dezer Afdeling, omdat dit hun landeryen bevolkt. (110) `~Z ook zou dan te _Natal_ de samenzwering ontdekt wezen, die -- als ze bestaan heeft, wat ik niet weet -- _Jang di Pertoean_ deed kennen als verrader. Volgens door de kontroleur van _Natal_ afgenomen verkla- ringen van getuigen, zou hy gezamenlyk met zyn broeder _Soetan Adam_ de battakse Hoofden hebben doen verzamelen in een heilig bos, waarin zy zouden gezworen hebben niet te rusten voor 't gezag der `christenhonden' in _Mandhling_ vernietigd was. Het spreekt vanzelf, dat hy hiertoe een ingeving van de hemel had ontvangen. Ge weet, dat dit by zulke gelegenheden nooit uitblyft. (111) `~Of nu inderdaad dit voornemen by _Jang di Pertoean_ bestaan heeft, kan ik niet verzekeren. Ik heb de verklaringen der getuigen gelezen, doch ge zult terstond inzien waarom daaraan niet onvoorwaardelyk geloof mag worden geslagen. Zker is 't dat de man, wat zyn islamse dweepzucht aangaat, wel tot zo-iets kan in-staat geweest zyn. Hy was, met de gehele battakse bevolking, eerst kort te voren door de _Padries_ overgehaald tot het ware geloof, en nieuwbekeerden zyn gewoonlyk fanatiek. (112) `~Het gevolg van die ware of vermeende ontdekking was dat _Jang di Pertoean_ door de adsistent-resident van _Mandhling_ werd gevan- gen genomen en naar _Natal_ gezonden. Hier sloot de kontroleur hem voorlopig in 't fort op, en liet hy hem met de eerste geschikte scheeps- gelegenheid gevankelyk naar _Padang_ vervoeren. Het spreekt van- zelf dat men de Gouverneur al de stukken aanbood, waarin de zo bezwarende getuigenissen waren opgenomen, en die de strengheid van de genomen maatregelen moesten wettigen. Onze _Jang di Per- toean_ was dus van _Mandhling_ vertrokken als een _gevangene._ Te _Natal_ was hy _gevangen._ Aan-boord van 't oorlogsvaartuig dat hem overvoerde, was hy ook natuurlyk een _gevangene._ Hy verwachtte dus -- schuldig of niet, dit doet niets tot de zaak, daar hy in wettige vorm en door bevoegde autoriteit was beschuldigd van hoogverraad -- ook te _Padang_ als een gevangene te zullen aankomen. Wl moet hy dus zeer verwonderd hebben gestaan, by de ontscheping te vernemen dat hy _vry_ was niet alleen, maar dat de generaal, wiens rytuig hem by 't aan wal stappen opwachtte, het zich tot een eer rekenen zou hem by zich aan huis te ontvangen en te herbergen. Zeker is nooit een van hoogverraad beschuldigde aangenamer verrast geworden. Kort hier- op werd de adsistent-resident van _Mandhling_ in zyn betrekking geschorst wegens allerlei vergrypen die ik hier niet beoordeel. _Jang di Pertoean_ echter, na op _Padang_ enige tyd ten-huize van de generaal te hebben vertoefd, en na door deze met de meeste onderscheiding te zyn behandeld, keerde over _Natal_ naar _Mandhling_ terug, niet met het zelfgevoel van de onschuldig-verklaarde, maar met de trots van iemand die z hoog staat dat hy geen verklaring van onschuld nodig heeft. Immers, _onderzocht_ was de zaak niet! Aannemende dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging voor vals hield, dan had reeds dit vermoeden een onderzoek vereist, ten-einde de valse getui- gen te straffen, en vooral hen die blyken zouden zodanige valsheid te hebben uitgelokt. Het schynt dat de generaal zyn redenen had om dit onderzoek niet te doen plaats hebben. De tegen _Jang di Pertoean_ ingebrachte aanklacht werd beschouwd als _non avenu,_ en ik houd voor zeker dat de daarop doelende stukken nooit onder de ogen der Regering te _Batavia_ gebracht zyn. `~Kort na _Jang di Pertoeans_ terugkeer kwam ik te _Natal_ aan om 't bestuur van die afdeling over te nemen. Myn voorganger verhaalde me natuurlyk wat er kort geleden in 't Mandhlingse was voorgeval- len, en gaf my de nodige inlichting over de staatkundige verhouding tussen die landstreek en myn Afdeling. Het was hem niet euvel te duiden dat hy zich zeer beklaagde over de zyns inziens onrechtvaar- dige behandeling die zyn schoonvader ten-deel viel, en over de onbe- grypelyke bescherming die _Jang di Pertoean_ van de generaal bleek te genieten. Noch hy noch ik wisten op dt ogenblik dat de opzending van _Jang di Pertoean_ naar _Batavia,_ een vuistslag in 't gelaat van die generaal zou geweest zyn, en dat deze -- persoonlyk voor de trouw van dat hoofd hebbende ingestaan -- gegronde redenen had, wat het ook kosten mocht, hem te vrywaren tegen een beschuldiging van hoogverraad. Dit was voor de generaal des te belangryker, omdat inmiddels de zo-even bedoelde Regeringskommissaris zelf Gouver- neur-generaal was geworden, en hem dus hoogstwaarschynlyk uit zyn gouvernement zou hebben teruggeroepen, uit verstoordheid over 't ongegrond vertrouwen op _Jang di Pertoean,_ en over de hierop steunende hoofdigheid waarmee de generaal zich tegen 't ontruimen van de Oostkust verzet had. `~`Doch,' zei myn voorganger, `wat ook de generaal moge bewegen al de beschuldigingen tegen myn schoonvader voetstoots aan te ne- men, en de veel zwaarder grieven tegen _Jang di Pertoean_ niet eens een onderzoek waardig te keuren, de zaak is niet uit! En als men te _Padang,_ zoals ik gis, de afgelegde getuigenissen vernietigd heeft, ziehier iets anders dat niet vernietigd worden _kan.'_ `~En hy toonde my een vonnis van de _Rappat_-raad te Natal (113) waarvan hy voorzitter was, houdende: _veroordeling van zekere_ Si Pamaga _tot de straf van geseling en brandmerk, en_ -- ik meen -- _twintig-jarige dwangarbeid, wegens poging tot moord op de Toean- koe van Natal._ `~`Lees eens het proces-verbaal van de terechtzitting,' zei myn voorganger, `en beoordeel dan of myn schoonvader niet zal geloofd worden te Batavia, als hy dr _Jang di Pertoean_ aanklaagt van hoog- verraad!' `~Ik las de stukken. Volgens verklaringen van getuigen en _`de be- kentenis van de beklaagde'_ was _Si Pamaga_ omgekocht om te _Natal_ de _Toeankoe,_ diens pleegvader _Soetan Salim_ en de gezaghebbende kontroleur te vermoorden. Hy had zich, om dit opzet uit te voeren, naar de woning van de _Toeankoe_ begeven, en daar met de bedienden die op de trap der buitengalery zaten, een gesprek aangeknoopt over een _Sewah_ (114) met het doel zyn tegenwoordigheid te rekken tot hy de _Toeankoe_ zou gewaar worden, die zich dan ook weldra, omgeven van enige verwanten en bedienden, vertoonde. _Pamaga_ was met zyn _Sewah_ op de _Toeankoe_ losgegaan, doch had uit onbekende oorzaken zyn moorddadig opzet niet kunnen volvoeren. De _Toeankoe_ was verschrikt uit het venster gesprongen, en _Pamaga_ nam de vlucht. Hy verschool zich in 't bos, en werd enige dagen later door de natalse policie opgevat. `~`Aan de beschuldigde gevraagd: _wat hem tot deze aanslag en de voorgenomen moord op_ Soetan Salim _en de kontroleur van Natal had bewogen?'_ antwoordt hy: _`daartoe te zyn omgekocht door Soetan Adam, uit naam van diens broeder Jang di Pertoean van Mandhling.'_ `~`Is dit duidelyk of niet?' vroeg myn voorganger. `Het vonnis is na _fiat exekutie_ van de resident, ten-uitvoer gelegd wat de geseling en 't brandmerk aangaat, en _Si Pamaga_ is op weg naar _Padang,_ om van- daar als kettingganger naar Java te worden gezonden. Gelyk met hem komen de processtukken van de zaak te _Batavia,_ en dan kan men dr zien wie de man is, op wiens aanklacht myn schoonvader gesuspen- deerd werd! Dat vonnis kan de generaal niet vernietigen, al wilde hy.' `~Ik nam het bestuur der natalse afdeling over, en myn voorganger vertrok. Na enige tyd ontving ik bericht dat de generaal met een oorlogsstoomboot in de Noord komen, en ook _Natal_ bezoeken zou. Hy stapte met veel gevolg ten-mynen huize af, en verlangde ogen- blikkelyk de oorspronkelyke processtukken te zien van: `de arme man die men zo vreselyk mishandeld had'. `~`Zyzelf hadden een geseling en een brandmerk verdiend!' voegde hy er by. `~Ik begreep er niets van. Want de oorzaken van de stryd over _Jang di Pertoean_ waren my toen nog onbekend, en 't kon dus niet in myn gedachten opkomen, evenmin dat myn voorganger willens en we- tens een onschuldige zou veroordeeld hebben tot z zware straf, als dat de generaal een misdadiger zou in bescherming nemen tegen een rechtvaardig vonnis. Ik ontving de last, _Soetan Salim_ en de _Toean- koe_ te doen gevangen nemen. Daar de jonge _Toeankoe_ by de bevol- king zeer bemind was, en we slechts weinig garnizoen in 't fort hadden, verzocht ik de generaal hem op vrye voeten te mogen laten, hetgeen me werd toegestaan. Doch voor _Soetan Salim,_ de byzondere vyand van _Jang di Pertoean,_ was geen genade. De bevolking was in grote spanning. De Natallers vermoedden dat de generaal zich ver- laagde tot een werktuig van mandhlingse haat, en 't was in _die_ omstandigheden dat ik van-tyd tot-tyd iets doen kon, wat hy `kor- daat' vond, vooral daar hy de weinige macht die er uit het fort kon gemist worden, en het detachement mariniers dat hy van boord had meegebracht, niet aan _my_ afstond ter bedekking als ik naar de plek- ken reed waar men samenschoolde. Ik heb by die gelegenheid opge- merkt dat de generaal Vandamme zeer goed zorgde voor zyn eigen veiligheid, en 't is drom dat ik zyn roem van dapperheid niet onder- schryven mag voor ik er meer van gezien heb, of iets anders. `~Hy vormde in grote overhaasting een Raad, die ik _ad hoc_ zou kunnen noemen. Daarin waren leden: een paar adjudanten, andere officieren, de officier van Justitie of fiskaal, die hy van Padang had meegenomen, en ik. Deze Raad zou een onderzoek instellen naar de wyze waarop onder myn voorganger 't proces tegen _Si Pamaga_ was gevoerd geworden. Ik moest een tal van getuigen laten oproepen, wier verklaringen daartoe nodig waren. De generaal, die natuurlyk vrzat, ondervroeg en de proces-verbalen werden geschreven door de fiskaal. Daar evenwel deze beambte weinig maleis verstond -- en volstrekt niet het maleis dat in de Noord van Sumatra wordt gespro- ken -- was 't dikwyls nodig hem de antwoorden der getuigen te vertol- ken, hetgeen meestal de generaal zelf deed. Uit de zittingen van die Raad zyn stukken voortgekomen, die ten-duidelykste schynen te bewyzen: dat _Si Pamaga_ nooit het voornemen gekoesterd had ie- mand, wie het ook zy, te vermoorden. Dat hy noch _Soetan Adam,_ noch _Jang di Pertoean_ ooit had gezien of gekend. Dat hy _niet_ op de _Toeankoe_ van _Natal_ was toegesprongen. Dat deze _niet_ uit het ven- ster gevlucht was... en zo voort! Verder: dat het vonnis tegen de ongelukkige _Si Pamaga_ was geslagen onder de pressie van de voor- zitter -- myn voorganger -- en van 't Raadslid _Soetan Salim,_ welke personen de voorgewende misdaad van _Si Pamaga_ hadden verzon- nen om aan de gesuspendeerde adsistent-resident van _Mandhling_ een wapen ter zyner verdediging in de hand te stellen, en om lucht te geven aan hun haat jegens _Jang di Pertoean._ `~De wyze nu waarop de generaal by die gelegenheid ondervroeg, deed denken aan de whistparty van zekere keizer van Marokko die zyn partner toevoegde: `speel harten, of ik sny je de hals af.' Ook de vertalingen, zoals hy die de fiskaal in de pen gaf, lieten veel te wensen over. `~Of nu _Soetan Salim_ en myn voorganger pressie hebben uitgeoe- fend op de natalse Rechtsraad om _Si Pamaga schuldig_ te verklaren, is my onbekend. Maar wel weet ik dat de generaal Vandamme pressie heeft uitgeoefend op de verklaringen die 's mans _onschuld_ moesten bewyzen. Zonder op dat ogenblik nog de strekking daarvan te begry- pen, heb ik me tegen die... onnauwkeurigheid verzet, hetgeen z ver gegaan is dat ik heb moeten weigeren enige verbalen mede te onder- tekenen, en ziedaar nu de zaak waarin ik de generaal zo `gekontrari- eerd' had. Ge begrypt nu ook waarop de woorden doelen, waarmee ik de beantwoording sloot van de aanmerkingen die er op myn geldelyk beheer gemaakt waren, de woorden waarin ik verzocht van alle wel- willende konsideratin verschoond te blyven.' `Het was inderdaad zeer sterk voor iemand van uw jaren,' zei Duclari. (115) `Ik vond het natuurlyk. Doch zeker is 't, dat de generaal Vandam- me niet aan zo-iets gewoon was. Ik heb dan ook onder de gevolgen van die zaak veel geleden. O neen, Verbrugge, ik zie wat je zeggen wilt, _berouwd_ heeft het me nooit. Zelfs moet ik hierby voegen dat ik me niet zou bepaald hebben tot eenvoudig protesteren tegen de wys waarop de generaal de getuigen ondervroeg, noch tot het weigeren myner handtekening op enkele verbalen, indien ik toen had kunnen gissen wat ik eerst later te weten kwam, dat alles voortsproot uit een vooraf vastgestelde toeleg om myn voorganger te bezwaren. Ik meende dat de generaal, overtuigd van _Si Pamaga's_ onschuld, zich liet meeslepen door de achtenswaardige zucht om een onschuldig slachtoffer te redden van de gevolgen ener rechtsdwaling, voor-zo- ver dit na de geseling en 't brandmerk nog mogelyk was. Deze me- ning deed my wel in verzet komen tegen valsheid, maar ik was daarover niet z verontwaardigd als ik zou geweest zyn indien ik geweten had dat het hier geenszins te doen was om een onschuldige te redden, maar dat deze valsheid de strekking had om ten-koste van de eer en 't welzyn myns voorgangers, de bewyzen te vernietigen die de politiek van de generaal in de weg stonden.' `En hoe ging 't verder met uw voorganger?' vroeg Verbrugge. `Gelukkig voor hem was hy reeds naar Java vertrokken voor de generaal te _Padang_ terugkeerde. Hy schynt zich by de Regering te Batavia te hebben kunnen verantwoorden, althans hy is in dienst gebleven. De resident van _Ayer-Bangie_ die op 't vonnis _fiat exekutie_ verleend had, werd...' `Gesuspendeerd?' `Natuurlyk! Ge zie dat ik niet zo heel onrecht had, in myn punt- dicht te zeggen dat de Gouverneur ons schorsend regeerde.' `En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren?' `O, er waren er nog veel meer! Allen, de een voor, de ander na, zyn in hun betrekkingen hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer aanzienlyke ambten bekleed.' (116) `En _Soetan Salim?'_ `De generaal voerde hem gevankelyk mede naar _Padang,_ en van- daar werd hy als balling naar Java gezonden. Hy is thans nog te _Tjanjor_ in de Preanger regentschappen. Toen ik in 1846 daar was, heb ik hem een bezoek gebracht. Weet je nog wat ik te _Tjanjor_ kwam doen, Tine?' `Neen, Max, dat is me glad ontgaan.' `Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heren!' `Maar,' vroeg Duclari, `daar ge nu toch aan 't vertellen zyt, mag ik vragen of 't waar is dat ge te _Padang_ zo dikwyls geduelleerd hebt?' `Ja, zeer dikwyls, en daartoe was aanleiding. Ik heb u reeds gezegd dat de gunst van de Gouverneur op zodanige buitenpost de maatstaf is, waarnaar velen hun welwillendheid afmeten. De meesten waren dus voor my zeer _on_welwillend, en vaak ging dit over in grofheid. Ik van myn kant was prikkelbaar. Een niet beantwoorde groet, een schimpscheut op de `zotterny van iemand die 't wil opnemen tegen de generaal', een toespeling op myn armoede, op myn hongerlyden, op 't `slechte voedsel dat er scheen te liggen in zedelyke onafhanke- lykheid'... dit alles, begrypt ge, maakte my bitter. Velen, vooral onder de officieren, wisten dat de generaal niet ongaarne zag dat er geduelleerd werd, en vooral met iemand die zo in ongenade was als ik. Misschien wekte men dus myn gevoeligheid met voordacht op. Ook duelleerde ik wel eens voor een ander die ik voor verongelykt hield. Hoe dit zy, het duel was daar in die tyd aan de orde van de dag, en meer dan eens is 't gebeurd dat ik twee samenkomsten had op een ochtend. O, er is iets zeer aantrekkelyks in het duel, vooral met de sabel, of `op' de sabel, zoals ze 't noemen... ik weet niet waarom. Ge begrypt echter dat ik nu zo-iets niet meer doen zou, ook al ware daartoe zoveel aanleiding als in die dagen... kom eens hier, Max -- neen, vang dat beestje niet -- kom hier? Hoor eens, je moet nooit kapellen vangen. Dat arme dier heeft eerst lange tyd als rups op een boom rondgekro- pen, dat was geen vrolyk leven! Nu heeft het pas vleugeltjes gekre- gen, en wil wat rondvliegen in de lucht, en zich vermaken, en 't zoekt voedsel in de bloemen, en doet niemand leed... kyk, is 't niet veel aardiger het daar zo te zien rondfladderen?' Zo kwam 't gesprek van de duellen op de vlinders, op de ontferming des rechtvaardigen over zyn vee, op het dierenplagen, op de _loi Grammont,_ op de Nationale Vergadering waarin die wet werd aan- genomen, op de republiek, en op wat niet al! Eindelyk stond Havelaar op. Hy verontschuldigde zich by zyn gasten, wyl hy bezigheden had. Toen de kontroleur hem de volgende morgen op zyn kantoor bezocht, wist hy niet dat de nieuwe adsistent- resident de vorige dag na de gesprekken in de voorgalery, was uitge- reden naar _Parang-Koedjang_ -- het distrikt der _`verregaande_ mis- bruiken' -- en eerst die ochtend vroeg van daar was teruggekeerd. Ik verzoek de lezer te geloven dat Havelaar te wellevend was om aan zyn eigen tafel zoveel te spreken als ik in de laatste hoofdstukken heb opgegeven, en waardoor ik op hem de schyn laad alsof hy zich mees- ter zou hebben gemaakt van 't gesprek, met verwaarlozing der plich- ten van een gastheer, die voorschryven aan zyn gasten de gelegen- heid te laten of te verschaffen `zich te doen uitkomen'. Ik heb uit de vele bouwstoffen die voor me liggen, een paar grepen gedaan, en zou nog lang de tafelgesprekken hebben kunnen voortzetten, met min- der moeite dan 't afbreken daarvan me gekost heeft. Ik hoop echter dat het meegedeelde voldoende wezen zal om enigermate de beschry- ving te rechtvaardigen, die ik van Havelaars inborst en hoedanighe- den gegeven heb, en dat de lezer niet geheel zonder belangstelling de lotgevallen zal gadeslaan, die hem en de zynen wachtten te _Rangkas- Betoeng._ De kleine familie leefde stil voort. Havelaar was dikwyls over-dag uit, en bracht halve nachten op zyn bureau door. De verhouding tussen hem en de kommandant van 't kleine garnizoen was alleraan- genaamst, en ook in de huiselyke omgang met de kontroleur was geen spoor te ontdekken van 't rangverschil dat anders in Indi zo vaak het verkeer styf en vervelend maakt, terwyl bovendien Have- laars zucht om hulp te verlenen waar hy maar enigszins kon, dikwyls de Regent te-stade kwam, die dan ook zeer met zyn `oudere broeder' was ingenomen. En ten-slotte bracht de lieftalligheid van mevrouw Havelaar veel toe tot het aangenaam verkeer met de weinige op de plaats aanwezige Europeanen en de Inlandse Hoofden. De dienstkor- respondentie met de resident te _Serang_ droeg blyken van wederzyd- se welwillendheid, terwyl de bevelen van de resident met heusheid gegeven, stipt werden opgevolgd. Tine's huishouding was spoedig geregeld. Na lang wachten waren de meubels van _Batavia_ aangekomen, en waren _ketimon's_ in zout gelegd, en als Max aan-tafel iets verhaalde, geschiedde dit in 't ver- volg niet meer uit gebrek aan eieren voor de omelet, hoewel toch altyd de levenswys van 't klein gezin duidelyke blyken droeg dat de voorgenomen spaarzaamheid zeer werd in acht genomen. Mevrouw Slotering verliet zelden haar huis, en gebruikte slechts enige malen de thee by de familie Havelaar in de voorgalery. Ze sprak weinig, en bleef altyd een wakend oog houden op ieder die haar of Havelaars woning naderde. Men was echter gewoon geraakt aan wat men haar _monomanie_ begon te noemen, en lette daarop weldra niet meer. Alles scheen kalmte te ademen, want voor Max en Tine was 't vergelykenderwyze een kleinigheid zich te schikken in ontberingen die op een niet aan de grote weg gelegen binnenpost onvermydelyk zyn. Daar er op de plaats geen brood werd gebakken, at men geen brood. Men had het van _Serang_ kunnen laten komen, maar de kosten op dat vervoer waren te hoog. Max wist zo goed als ieder ander dat er veel middelen te vinden waren om znder betaling brood naar _Rangkas-Betoeng_ te laten brengen, maar _onbetaalde arbeid,_ die Indische kanker, was hem een gruwel. Zo was er veel te _Lebak,_ dat wel door gezag te verkrygen was om-niet maar niet te-koop voor billyke prys, en onder zulke gegevens schikten zich Havelaar en zyn Tme gaarne in 't gemis. Ze hadden wel andere ontberingen beleefd! Had niet die arme vrouw maanden doorgebracht aan-boord van een Ara- bisch vaartuig, zonder andere legerstede dan 't scheepsdek, zonder andere beschutting tegen zonnehitte en westmoessonsbuien, dan een tafeltje tussen welks poten ze zich moest vastklemmen? Had ze niet op dat schip zich moeten vergenoegen met een klein rantsoen droge ryst en vuil water? En was ze niet in die en vele andere omstan- digheden altyd tevreden geweest, als ze maar mocht samen wezen met haar Max? En omstandigheid echter was er te _Lebak,_ die haar verdriet berok- kende: kleine Max kon niet in de tuin spelen omdat daar zoveel slangen waren. Toen ze dit bemerkte en hierover zich by Havelaar beklaagde, loofde deze aan de bedienden een prys uit voor elke slang die ze vangen zouden, doch reeds de eerste dagen betaalde hy zveel aan premin dat hy zyn belofte moest intrekken voor 't vervolg, want ook in gewone omstandigheden en dus zonder de voor hem zo nood- zakelyke zuinigheid, zou die betaling spoedig zyn middelen zyn te- boven gegaan. Er werd alzo vastgesteld dat kleine Max voortaan 't huis niet meer zou verlaten, en dat hy zich, om frisse lucht te schep- pen, vergenoegen moest met spelen in de voorgalery. In weerwil van deze voorzorg was Tine toch altyd angstig, en vooral 's avends, daar men weet hoe slangen dikwyls in de huizen kruipen en zich, om warmte te zoeken, in de slaapkamers verbergen. Slangen en dergelyk ongedierte vindt men wel-is-waar in Indi overal, maar op de grotere hoofdplaatsen waar de bevolking dichter op elkander woont, komen zy natuurlyk zeldzamer voor dan in meer wilde streken, zoals te _Rangkas-Betoeng._ Indien echter Havelaar had kunnen besluiten zyn erf van onkruid te doen reinigen tot aan de rand van de ravyn toe, zouden toch wel de slangen zich van-tyd tot-tyd in de tuin vertoond hebben, maar niet in z groten getale als dit nu 't geval was. De natuur dezer dieren doet hun duisternis en schuiling voortrekken boven 't licht van open plaatsen, zodat, als Havelaars erf zindelyk ware gehouden, de slangen niet dan als 't ware haars on- danks en verdwaald, de ruigte in de ravyn zouden verlaten hebben. Maar 't erf van Havelaar was niet zindelyk, en ik wens de reden hiervan te ontwikkelen, daar ze een blik te meer doet slaan op de misbruiken die byna alom in de nederlands-indische bezittingen heersen. De woningen der gezagvoerders in de binnenlanden staan op gron- den die aan de gemeenten toebehoren, voor-zover men van gemeen- te-eigendom spreken kan in een land waar de Regering zich alles toeigent. Genoeg, dat die erven niet toebehoren aan de ambtelyke bewoner zelf. Deze toch zou, als dit het geval ware, zich wachten een grond te kopen of te huren, waarvan 't onderhoud boven zyn krach- ten ging. Wanneer nu het erf van de hem aangewezen woning te groot is om behoorlyk te worden onderhouden, zou dit, by de welige tropische plantengroei, binnen weinig tyds in een wildernis ontaar- den. En toch ziet men zelden of nooit zodanig erf in slechte staat. Ja dikwyls zelfs staat de reiziger verbaasd over 't schone park dat een residentswoning omringt. Geen beambte in de binnenlanden heeft inkomen genoeg om de hiertoe nodige arbeid te doen verrichten tegen behoorlyke betaling, en daar nu toch een deftig aanzien van de woning des gezaghebbers een vereiste is, opdat niet de bevolking die zoveel hecht aan uiterlykheden, in slordigheid grond vinde voor minachting, doet zich de vraag op, hoe dan dit doel bereikt wordt? Op de meeste plaatsen hebben de gezaghebbers te beschikken over enige kettinggangers, dat zyn: elders veroordeelde misdadigers, een soort van werklieden echter dat in _Bantam_ om meer of min geldige rede- nen van politieke aard niet aanwezig was. Doch ook op plaatsen waar zich wel zodanige veroordeelden bevinden, is hun aantal, vooral met het oog op de behoefte aan andere arbeid, zelden in evenredigheid met het werk dat zou vereist worden tot het goed onderhouden van een groot erf. Er moeten dus andere middelen gevonden worden, en de oproeping van arbeiders tot het verrichten van _heredienst_ ligt voor-de-hand. De Regent of de _Dhemang_ die zodanige oproeping ontvangt, haast zich daaraan te voldoen, want hy weet zeer goed dat het de gezaghebbende ambtenaar die van dat gezag misbruik maakt, later moeielyk vallen zou een inlands Hoofd te bestraffen over een gelyke fout. En alzo strekt het vergryp van de een tot vrybrief voor de ander. Het komt my echter voor, dat dusdanige fout van een gezaghebber _in sommige gevallen_ niet al te streng, en vooral niet naar europese begrippen, moet worden beoordeeld. De bevolking zelf toch zou 't -- misschien uit ongewoonte -- zeer vreemd vinden als hy _altyd_ en _in alle gevallen_ zich stipt hield aan de bepalingen die 't getal der voor zyn erf bestemde heredienstplichtigen voorschryven, daar er om- standigheden kunnen voorkomen die by deze bepalingen niet waren voorzien. Maar zodra eenmaal de grens van 't strikt wettige is over- schreden, wordt het moeielyk een punt vast te stellen, waarop zoda- nige overschryding zou overgaan in misdadige willekeur, en vooral wordt grote omzichtigheid nodig zodra men weet dat de Hoofden alleen wachten op een slecht voorbeeld, om dat met verregaande uitbreiding na te volgen. De vertelling over zekere koning die niet wilde dat men de betaling verzuimde van n korrel zout die hy by zyn eenvoudig maal gebruikt had, toen hy aan 't hoofd zyns legers het land doortrok -- omdat, naar hy zeide, dit het begin was van een onrecht dat ten-laatste zyn geheel ryk zou vernietigen -- hy moge dan _Timoerleng, Noereddien_ of _Djengis-Khan_ geheten hebben, zeker is f die fabel, f als 't geen fabel is, het voorval zelf, van aziatische oorsprong. En even als 't aanschouwen van zeedyken aan de moge- lykheid van hoog water doet geloven, mag men aannemen dat er neiging bestaat tot _zulke_ misbruiken in een land waar _zulke_ lessen worden gegeven. Het gering getal lieden nu waarover Havelaar wettig beschikken mocht, konden niet dan slechts een zeer klein gedeelte van zyn erf, in de onmiddellyke nabyheid der woning, van onkruid en kreupelhout vryhouden. Het overige was binnen weinig weken een volslagen wildernis. Havelaar schreef aan de resident over de middelen om hierin te voorzien, hetzy door een geldelyke toelage, hetzy door aan de Regering voor te stellen even als elders kettinggangers in de resi- dentie _Bantam_ te doen arbeiden. Hy ontving hierop een weigerend antwoord, met de opmerking dat hy immers 't recht had de personen die door hem by policievonnis waren veroordeeld tot `arbeid aan de publieke weg' op zyn erf te-werk te stellen. Dit wist Havelaar wel, of althans 't was hem meer dan voldoende bekend dat zodanige beschik- king over gekondemneerden overal de gewoonste zaak van de wereld was, maar nooit had hy, noch te _Rangkas-Betoeng_ noch te _Amboina,_ noch te _Menado,_ noch te _Natal,_ van dat vermeend recht willen ge- bruik maken. Het stuitte hem, zyn tuin te laten onderhouden als boete voor kleine vergrypen, en meermalen had hy zich afgevraagd hoe de Regering bepalingen kon laten bestaan, die de ambtenaar in verzoeking kunnen brengen kleine verschoonbare fouten te straffen, niet in evenredigheid met het vergryp, maar met de toestand of de uitgestrektheid van zyn erf? Het denkbeeld alleen dat de gestrafte ook zelfs hy die rechtvaardig gestraft was, vermenen zou dat er eigenbelang schuilde onder het geslagen vonnis, deed hem, waar hy straffen moest, altyd de voorkeur geven aan de anders zeer afkeu- renswaardige opsluiting. (117) En vandaar kwam het dat kleine Max niet spelen mocht in de tuin, en dat ook Tine van de bloemen niet zoveel genoegen smaakte als ze zich had voorgesteld op de dag van haar aankomst te _Rangkas-Be- toeng._ Het spreekt vanzelf dat deze en dergelyke kleine verdrietelykhe- ten geen invloed uitoefenden op de stemming van een gezin dat zoveel bouwstoffen bezat om zich een gelukkig huiselyk leven te verschaffen, en 't was dan ook niet toe te schryven aan zulke kleinig- heden, wanneer Havelaar soms met een bewolkt voorhoofd binnen- trad, by het terugkeren van een uitstap, of na 't aanhoren van deze en gene die verzocht hadden hem te spreken. We hebben uit zyn toe- spraak aan de Hoofden gehoord dat hy zyn plicht wilde doen, dat hy onrecht wilde te-keer gaan, en tevens hoop ik dat de lezer uit de gesprekken die ik meedeelde, hem heeft leren kennen als iemand die wel in-staat was iets uit te vinden en tot klaarheid te brengen, dat voor sommige anderen verborgen was of in 't duister lag. Er was dus te veronderstellen dat niet veel van wat er in _Lebak_ omging zyn aan- dacht ontgaan zou. Ook zagen we dat hy vele jaren vroeger op die afdeling gelet had, zodat hy reeds de eerste dag, toen Verbrugge hem ontmoette in de _pendoppo_ waar myn verhaal aanvangt, toonde in zyn nieuwe werkkring geen vreemdeling te zyn. Hy had door naspo- ring op de plaatsen zelf, veel bevestigd gevonden van wat hy vroeger vermoedde, en vooral uit het archief was hem gebleken dat de land- streek waarvan het bestuur aan zyn zorg was toevertrouwd, werke- lyk in een hoogsttreurige toestand verkeerde. Uit brieven en aantekeningen van zyn voorganger bemerkte hy dat deze dezelfde opmerkingen gemaakt had. De korrespondentie met de Hoofden bevatte verwyt op verwyt, bedreiging op bedreiging, en deed zeer goed begrypen hoe die ambtenaar ten laatste zou gezegd hebben, zich rechtstreeks tot de Regering te zullen wenden indien niet aan die stand van zaken een einde werd gemaakt. Toen Verbrugge dit aan Havelaar meedeelde, had deze geant- woord dat zyn voorganger daaraan verkeerd zou gedaan hebben, daar de adsistent-resident van _Lebak_ in geen geval de resident van _Ban- tam_ mocht voorbygaan, en hy had daarby gevoegd dat dit ook door volstrekt niets zoude gewettigd zyn, daar het toch niet te denken was dat die hoge beambte party zou trekken voor afpersing en knevelary. Zodanig partytrekken was dan ook waarlyk niet te veronderstellen in de zin zoals Havelaar 't bedoelde, niet namelyk alsof de resident enig voordeel of gewin zou ten-deel vallen van die vergrypen. Doch wl bestond er een oorzaak die hem bewoog niet dan zeer ongaarne op de klachten van Havclaars voorganger recht te doen. We hebben gezien hoe die voorganger meermalen met de resident over de heer- sende misbruiken had gesproken -- _geaboucheerd,_ zei Verbrugge -- en hoe weinig hem dit gebaat had. Het is dus niet van belang ontbloot, te onderzoeken waarom een zo hooggeplaatst ambtenaar, die als hoofd van de gehele residentie evenzeer als de adsistent-resident, ja meer nog dan deze, gehouden was te zorgen dat er recht gschiedde, byna altyd reden meende te hebben om de loop van dat recht te stuiten. (118) Reeds te _Serang,_ toen Havelaar daar ten-huize van de resident vertoefde, had hy deze over de Lebakse misbruiken gesproken, en hierop ten-antwoord bekomen: `dat dit alles in meer of mindere mate overal 't geval was'. Dit nu kon Havelaar niet ontkennen. Wie toch zou beweren een land te hebben gezien waar niets verkeerds ge- schiedt? Maar hy meende dat dit geen beweegreden was om misbrui- ken, waar men die vond, te laten bestaan, vooral niet wanneer men uitdrukkelyk tot het tegengaan daarvan geroepen was, en tevens dat, na al wat hy van _Lebak_ wist, hier geen spraak was van _meer of mindere,_ doch van _zeer grote_ maat, waarop de resident hem onder andere antwoordde: `dat het in de afdeling _Tjiringien_ -- ook tot _Ban- tam_ behorende -- nog erger gesteld was'. Wanneer men nu aanneemt, zoals men aannemen kan, dat een resident geen rechtstreeks voordeel heeft van afpersing en van wille- keurig beschikken over de bevolking, doet zich de vraag op, wat dan zovelen beweegt in tegenspraak met eed en plicht zulke misbruiken te laten bestaan, zonder daarvan aan de Regering kennis te geven? En wie hierover nadenkt, moet het al zeer vreemd vinden dat men zo koelbloedig 't bestaan van die misbruiken erkent, als ware er spraak van iets dat buiten bereik of bevoegdheid lag. Ik zal trachten de oorzaken hiervan te ontwikkelen. In 't algemeen reeds is het overbrengen van slechte tydingen iets onaangenaams, en 't schynt wel of er van de ongunstige indruk die ze veroorzaken, iets blyft kleven op wie de verdrietige taak te-beurt viel zulke tydingen mee te delen. Wanneer nu dit alleen reeds voor som- migen een reden zou wezen om tegen beter weten aan, het bestaan van iets ongunstigs te ontkennen, hoeveel te meer dan wordt dit het geval wanneer men gevaar loopt, niet alleen zich de ongenade op de hals te halen die nu eenmaal 't lot schynt des overbrengers van slechte berichten, doch tevens als de _oorzaak_ te worden aangezien van de ongunstige toestand die men plichtshalve openbaart. De Regering van Nederlands Indi schryft by-voorkeur aan haar meesters in 't moederland dat alles naar wens gaat. De residenten melden dit gaarne aan de Regering. De adsistent-residenten, die zelf van hun kontroleurs byna niet dan gunstige berichten ontvangen, zenden ook op hun beurt liefst geen onaangename tydingen aan de residenten. Hieruit wordt in de officile en schriftelyke behandeling der zaken een gekunsteld optimismus geboren, in tegenspraak niet alleen met de waarheid, maar ook met de eigen mening van die optimisten zelf, zodra zy dezelfde zaken mondeling behandelen, en -- nog vreemder! -- dikwyls zelfs in tegenspraak met hun eigen geschre- ven berichten. Ik zou veel voorbeelden kunnen aanhalen van rappor- ten die de gunstige toestand van een residentie ten-hoogste verhef- fen, doch te-gelyker-tyd, vooral waar de _cyfers_ spreken, zichzelf logenstraffen. Deze voorbeelden zouden, als niet de zaak om de ein- delyke gevolgen te ernstig ware, aanleiding geven tot lach en spot, en men staat verbaasd over de naveteit waarmee vaak in zodanig geval de grofste onwaarheden worden staande gehouden en aangenomen, al biedt dan ook de schryver zelf weinig zinsneden verder de wapens aan waarmee die onwaarheden te bestryden zyn. Ik zal me tot een enkel voorbeeld bepalen, dat ik met zeer velen zou kunnen vermeer- deren. Onder de stukken die voor me liggen, vind ik het jaarverslag van een residentie. De resident roemt de handel die daar bloeit, en beweert dat in de gehele landstreek de grootste welvaart en bedryvig- heid worden waargenomen. Een weinig verder evenwel, sprekende over de geringe middelen die hem ten-dienste staan om sluikery te weren, wil hy terstond de onaangename indruk wegnemen, die op de Regering zou worden te-weeg gebracht door de mening dat er dus in die residentie veel Inkomend-Recht wordt ontdoken. `Neen,' zegt hy, `drvoor behoeft men niet bezorgd te zyn! Er wordt in myn residentie weinig of niets ingevoerd ter-sluik, want... er gaat in deze streken z weinig om, dat niemand hier zyn kapitaal in de handel wagen zou.' Ik heb een dergelyk verslag gelezen dat aanving met de woorden: `in 't afgelopen jaar is de rust rustig gebleven.' Zulke zinsneden getuigen wel van een zeer rustige gerustheid op de inschikkelykheid van de Regering voor ieder die haar onaangename tydingen spaart, of die, zoals de term luidt: `haar niet bemoeielykt' met verdrietige berichten! Waar de bevolking niet toeneemt, is dit toe te schryven aan on- juistheid der tellingen van vorige jaren. Waar de belastingen niet stygen, maakt men zich daarvan een verdienste: de bedoeling is, door lage aanslag de landbouw aan te moedigen, die zich juist _nu_ gaat ontwikkelen, en weldra -- liefst als de berichtgever zal afgetreden zyn -- onbegrypelyke vruchten moet afwerpen. Waar onordelykheid heeft plaats gehad die niet verborgen blyven _kon,_ was dit het werk van enige weinige kwalykgezinden die voor 't vervolg niet meer te vrezen zyn daar er een _algemene_ tevredenheid heerst. Waar gebrek of hongersnood de bevolking heeft gedund, was dit een gevolg van misgewas, van droogte, regen of zo-iets, nooit van wanbestuur. De nota van Havelaars voorganger, waarin deze `het verloop van volk uit het distrikt _Parang-Koedjang_ toeschreef aan _verregaand_ misbruik' ligt voor my. (119) Deze nota was _in_officieel, en bevatte punten waarover die ambtenaar met de resident van _Bantam_ te _spreken_ had. Maar vergeefs zocht Havelaar in 't archief naar een blyk dat zyn voorganger diezelfde zaak ruiterlyk by de ware naam had genoemd in een _openbare dienstmissive._ Kortom, de officile berichten van de beambten aan het Gouverne- ment, en dus ook de daarop gegronde rapporten aan de Regering in 't moederland, zyn voor het grootste en belangrykste gedeelte: _on- waar._ Ik weet dat deze beschuldiging gewichtig is, doch houd die staande, en voel me volkomen in-staat haar met bewyzen te staven. Wie verstoord mocht zyn over dit onbewimpeld uiten myner mening, bedenke hoeveel miljoenen schats en hoeveel mensenlevens er zou- den gespaard zyn aan Engeland, indien men dr tydig de ogen der natie voor de ware toedracht der zaken in Brits-Indi geopend had, en hoe grote dankbaarheid men zou schuldig geweest zyn aan de man die de moed had getoond de Jobsbode te wezen, voor het te laat ware geweest om 't verkeerde te herstellen op minder bloedige wyze dan nu wel noodzakelyk geworden was. Ik zeide, myn beschuldiging te kunnen staven. Waar 't nodig is, zal ik aantonen dat er vaak hongersnood heerste in streken die geroemd werden als toonbeelden van welvaart, en dat meermalen een bevol- king die als rustig en tevreden wordt opgegeven, op 't punt stond uit te bersten in woede. Het is myn voornemen niet deze bewyzen te leveren in _dit_ boek, schoon ik vertrouw dat men 't niet uit de hand leggen zal zonder te geloven dat ze bestaan. Voor 't ogenblik bepaal ik me tot nog een enkel voorbeeld van het belachelyk optimisme waarvan ik gesproken heb, een voorbeeld dat door ieder, hy zy dan al of niet bekend met de zaken van Indi, gemakkelyk zal kunnen begrepen worden. Ieder resident dient maandelyks een opgaaf in van de ryst die in zyn landschap is ingevoerd, of daaruit naar elders verzonden. By deze opgave wordt dat vervoer in twee delen gesplitst, naarmate het zich bepaalt tot Java zelf of zich verder uitstrekt. Wanneer men nu let op de hoeveelheid ryst welke volgens die opgaven is overgevoerd _uit_ residentin op Java _naar_ residentin op Java, zal men bevinden dat deze hoeveelheid vele duizende pikols _meer_ bedraagt dan de ryst die volgens dezelfde opgaven, _in_ residentin op Java _uit_ residentin op Java is ingevoerd. Ik ga nu met stilzwygen voorby, wat men te denken hebbe van het doorzicht der Regering die zulke opgaven aanneemt en publiceert, en wil de lezer alleen opmerkzaam maken op de _strekking_ van deze valsheid. De procentsgewyze beloning aan europese en inlandse beambten voor produkten die in Europa moeten verkocht worden, had de ryst- bouw zodanig op de achtergrond gesteld, dat er in sommige streken een hongersnood geheerst heeft, die niet voor de ogen der natie weggegoocheld worden kn. Ik heb reeds gezegd dat er toen voor- schriften zyn gegeven, de zaken niet weder te laten komen tot z ver. Tot de vele uitvloeisels van deze voorschriften behoorden ook de door my genoemde opgaven van uit- en ingevoerde ryst, opdat de Rege- ring voortdurend het oog houden kon op de ebbe en de vloed van dat levensmiddel. _Uitvoer_ uit een residentie stelt welvaart voor, _Invoer:_ betrekkelyk gebrek. Wanneer men nu die opgaven onderzoekt en vergelykt, blykt daaruit dat de ryst overal z overvloedig is, _dat alle residentin teza- men meer ryst uitvoeren dan er in alle residentin tezamen wordt ingevoerd._ Ik herhaal dat hier geen spraak is van uitvoer over zee waarvan de opgaaf afzonderlyk plaats heeft. De slotsom hiervan is dus de ongerymde stelling: _dat er op Java meer ryst is dan er ryst is._ Dt is toch welvaart! Ik zeide reeds dat de zucht om nooit andere dan goede berichten aan de Regering mee te delen, zou overgaan in 't belachelyke, als niet de gevolgen van dit alles zo treurig waren. Welke verbetering immers is er te hopen van veel verkeerds, als er een vooraf bepaald voornemen bestaat, in de berichten aan 't bestuur alles om te buigen en te ver- draaien? Wat is er by-voorbeeld te verwachten van een bevolking die, uit de aard zacht en gedwee, sedert jaren, jaren klaagt over onder- drukking, als zy de ene resident vr, de andere n ziet aftreden met verlof of met pensioen, of wegroepen tot een ander ambt, zonder dat er _iets_ geschied is tot herstel der grieven waaronder ze gebukt gaat! Moet niet de gebogen veer eindelyk terugspringen? Moet niet de zolang onderdrukte ontevredenheid -- onderdrukt, opdat men zou kunnen voortgaan ze te loochenen! -- eindelyk overslaan in woede, in wanhoop, in razerny? Ligt er niet een _Jacquerie_ op 't eind van deze weg? En waar zullen dan de beambten zyn, die sedert jaren elkander opvolgden, zonder ooit op 't denkbeeld te zyn gekomen dat er iets hogers bestaat dan de `gunst der Regering'? Iets hogers dan de `tevre- denheid van de Gouverneur-generaal'? Waar zullen zy dan wezen, de flauwe-berichten-schryvers die de ogen van 't Bestuur door hun onwaarheden verblindden? Zullen dan zy die vroeger de moed mis- ten om een kordaat woord op 't papier te stellen, te-wapen vliegen en de nederlandse bezittingen behouden voor Nederland? Zullen zy aan Nederland de schatten weergeven die er zullen nodig wezen tot dem- ping van oproer, tot het voorkomen van omwenteling? Zullen zy 't leven weergeven aan de duizenden die er vielen door hn schuld? En die ambtenaren, die kontroleurs en residenten, zyn niet de _meest_ schuldigen. Het is de Regering zelf die, als geslagen met onbe- grypelyke blindheid, het indienen van gunstige berichten aanmoe- digt, uitlokt en beloont. (120) Vooral is dit het geval, waar spraak is van onderdrukking der bevolking door inlandse Hoofden. Door velen wordt dit beschermen van de Hoofden toegeschreven aan de onedele berekening dat zy, pracht en praal moetende ten-toon spreiden om op de bevolking de invloed uit te oefenen die de Regering nodig heeft om hr gezag staande te houden, daartoe een veel hoger bezoldiging zouden moeten genieten dan thans 't geval is, wanneer men hun niet de vryheid liet het ontbrekende aan te vullen door onwettige beschikking over de bezittingen en de arbeid van 't volk. Hoe dit zy, de Regering gaat niet dan node over tot het toepassen der bepalingen die de Javaan tegen afpersing en roof heten te bescher- men. Meestal weet men in onbeoordeelbare en vaak uit de lucht gegrepen redenen van staatkunde, een oorzaak te vinden om _die_ Regent of _dat_ Hoofd te sparen, en 't is dan ook in Indi een tot spreekwoord geykte mening dat het Gouvernement liever tien resi- denten zou ontslaan dan n Regent. Ook die voorgewende politieke redenen -- als ze op _iets_ gevestigd zyn -- steunen gewoonlyk op valse opgaven, daar ieder resident belang heeft by 't verheffen van de invloed zyner Regenten op de bevolking, om daarachter zich te ver- schuilen als er later eenmaal aanmerking mocht vallen op te grote inschikkelykheid omtrent die hoofden. (121) Ik ga nu de afschuwelyke huichelary voorby van de mens-lievend- luidende bepalingen -- en van de eden! -- die de Javaan tegen willekeur beschermen... op 't papier, en verzoek de lezer zich te herinneren hoe Havelaar by 't naspreken van die eden iets te kennen gaf dat denken deed aan minachting. Voor 't ogenblik wil ik alleen wyzen op het moeielyke van de toestand des mans die, geheel nders dan uit kracht ener uitgesproken formule, zich gebonden achtte aan zyn plicht. En voor hem was deze moeielykheid groter nog dan ze voor som- mige anderen zou geweest zyn, omdat zyn gemoed zacht was, geheel in tegenspraak met zyn doorzicht dat de lezer nu wel als vry scherp zal hebben leren kennen. Hy had dus niet alleen te stryden met vrees voor mensen of met de zorg voor loopbaan en bevordering, noch ook alleen met de plichten die hy als echtgenoot en huisvader te vervullen had: hy moest een vyand overwinnen in zyn eigen hart. Hy kon niet zonder lyden leed zien, en 't zou my te ver leiden als ik de voorbeelden wilde aanvoeren hoe hy immer, ook waar hy gekrenkt en beledigd was, de party van een tegenstander beschermde tegen zichzelf. Hy verhaalde aan Duclari en Verbrugge hoe hy in zyn jeugd iets aantrek- kelyks had gevonden in het duel met de sabel, 't geen de waarheid was... doch hy zeide er niet by hoe hy na 't wonden van zyn tegenpar- ty gewoonlyk schreide, en zyn gewezen vyand als een liefdezuster verpleegde tot de genezing toe. Ik zou kunnen verhalen hoe hy te _Natal_ de kettingganger die op hem geschoten had (122) by zich nam, de man vriendelyk toesprak, hem voeden liet en vryheid gaf boven alle anderen, omdat hy meende te ontdekken dat de verbittering van die veroordeelde 't gevolg was van een, elders geslagen, te streng vonnis. Gewoonlyk werd de zachtheid van zyn gemoed f ontkend, f belachelyk gevonden. Ontkend door wie zyn hart verwarde met zyn geest. Belachelyk gevonden door wie niet begrypen kon hoe een verstandig mens zich moeite gaf om een vlieg te redden, die vastge- raakt was in het web ener spin. Ontkend weder door ieder -- buiten Tine -- die hem daarna hoorde schimpen op die `domme dieren' en op de `domme natuur' die zulke dieren schiep. Maar nog een andere wyze bestond er om hem neer te halen van 't voetstuk waarop zyn omgeving -- men mocht hem beminnen of niet -- wel gedwongen was hem te plaatsen. `Ja, hy _is_ geestig, maar... er is vluchtigheid in zyn geest.' Of: `hy _is_ verstandig, maar... hy gebruikt zyn verstand niet goed.' Of: `ja, hy _is_ goedhartig, maar... hy koket- teert er mee!' Voor zyn geest, voor zyn verstand, trek ik geen party. Maar zyn hart? Arme spartelende vliegjes die hy redde als hy geheel alleen was, wilt gy dat hart verdedigen tegen de beschuldiging van koketterie? Maar ge zyt weggevlogen, en hebt u niet bekommerd om Have- laar, gy die niet weten konde dat hy eenmaal behoefte hebben zou aan uw getuigenis! Was 't koketterie van Havelaar, toen hy te _Natal_ een hond -- _Sappho_ heette het dier -- nasprong in de riviermonding, omdat hy vreesde dat het nog jonge dier niet goed genoeg zwemmen kon om de haaien te ontwyken die daar zo menigvuldig zyn? Ik vind zulk koket- teren met goedhartigheid moeielyker te geloven dan de goedhartig- heid zelf. Ik roep u op, u, de velen die Havelaar gekend hebt -- wanneer ge niet verstyfd zyt door winterkou en dood... als de geredde vliegen, of verdroogd door de hitte daarginds onder de linie! -- ik roep u op om getuigenis te geven van zyn hart, gy allen die hem hebt gekend! Thans vooral roep ik u op met vertrouwen, omdat ge niet meer nodig hebt te zoeken waar de koord moet worden ingehaakt om hem neer te halen van welke luttele hoogte ook. (123) Intussen, hoe bont het schyne, zal ik hier plaats geven aan enige regels van zyn hand, die zulke getuigenissen misschien overbodig maken. Max was eens verre, verre weg van vrouw en kind. Hy had haar in Indi moeten achterlaten, en bevond zich in Duitsland. Met de vlugheid die ik hem toeken, doch die ik niet in bescherming neem als men ze mocht willen aantasten, maakte hy zich meester van de taal des lands waar hy enige maanden verkeerd had. Ziehier die regels, die te-gelyker-tyd de innigheid schetsen van de band die hem aan de zynen hechtte. `Mein Kind, da schlgt die neunte Stunde, hr! Der Nachtwind suselt, und die Luft wird khl, Zu khl fr dich vielleicht: dein Stirnchen glht! Du hast den ganzen Tag so wild gespielt, Und bist wohl mde, komm, dein _Tikar_ harret.' (124) `Ach, Mutter, lass mich noch 'nen Augenblick! Es is so sanft zu ruhen hier... und dort, Da drin auf meiner Matte, schlaf ich gleich, Und weiss nicht einmal was ich trume! Hier Kann ich doch gleich dir sagen was ich trume, Und fragen was mein Traum bedeutet... hr, Was war das?' `'s War ein _Klapper_ der da fiel.' (28) `Tut das dem Klapper weh?' `Ich glaube nicht, Man sagt, die Frucht, der Stein, hat kein Gefhl.' `Doch eine Blume, fhlt die auch nicht?' `Nein, Man sagt, sie fhle nicht.' `Warum denn, Mutter, Als gestern ich die _Pukul ampat_ brach (125) Hast du gesagt: es tut der Blume weh?' `Mein Kind, die _Pukul ampat_ war so schn Du zogst die zarten Blttchen roh entzwei, Das tat mir fr die arme Blume leid. Wenn gleich die Blume selbst es nicht gefhlt, _Ich_ fhlt'~ es fur die Blume, weil sie schn war.' `Doch, Mutter, bist du auch schn?' `Nein, mein Kind, Ich glaube nicht.' `Allein _du_ hast Gefhl?' `Ja, Menschen haben's... doch nicht allen gleich.' `Und kann _dir_ etwas weh tun? Tut dir's weh, Wenn dir im Schoss so schwer mein Kpfchen ruht?' `Nein, _das_ tut mir nicht weh!' `Und, Mutter, ich... Hab'~ _ich_ Gefhl?' `Gewiss! Erinn'redich Wie du, gestrauchelt einst, an einem Stein Dein Hndchen hast verwundet, und geweint. Auch weintest du, als _Saudien_ dir erzhlte (126) Dass auf den Hgeln dort, ein Schflein tief In eine Schlucht hinunter fiel, und starb. Da hast du lang geweint... das war Gefhl.' `Doch, Mutter, ist Gefhl denn Schmerz?' `Ja, oft! Doch... immer nicht, bisweilen nicht! Du weisst, Wenn's Schwesterlein dir in die Haare greift, Und krhend dir 's Gesichtchen nahe drckt, Dann lachst du freudig, das ist auch Gefhl.' `Und dann mein Schwesterlein... es weint so oft, Ist das vor Schmerz? Hat sie denn auch Gefhl?' `Vielleicht, mein Kind, wir wissen's aber nicht, Weil sie, so klein, es noch nicht sagen kann.' `Doch, Mutter... hre, was war das?' `Ein Hirsch Der sich versptet im Gebsch, und jetzt Mit Eile heimwrts kehrt, und Ruhe sucht Bei andren Hirschen die ihm lieb sind.' `Mutter, Hat solch ein Hirsch ein Schwesterlein wie ich? Und eine Mutter auch?' `Ich weiss nicht, Kind.' `Das wrde traurig sein, wenn's nicht so wre! Doch, Mutter, seh'~... was schimmert dort im Strauch? Seh'~ wie es hpft und tanzt... ist das ein Funk?' `'s Ist eine Feuerfliege.' `Darf ich 's fangen?' `Du darfst es, doch das Flieglein ist so zart, Du wirst gewiss es weh tun, und sobald Du 's mit den Fingern all zu roh berhrst, Ist 's Tierchen krank, und stirbt, und glnzt nicht mehr.' `Das wre Schade! Nein, ich fang'~ es nicht! Seh'~, da verschwand es... nein, es kommt hierher... Ich fang'~ es doch nicht! Wieder fliegt es fort, Und freut sich dass ich's nicht gefangen habe! Da fliegt es... hoch! Hoch, oben... was ist _das,_ Sind das auch Feuerflieglein dort?' `Das sind Die Sterne.' `Ein, und zehn, und tausend! Wieviel sind denn wohl da?' `Ich weiss es nicht, Der Sterne Zahl hat Niemand noch gezahlt.' `Sag'~, Mutter, zhlt auch _Er_ die Sterne nicht?' `Nein, liebes Kind, auch _Er_ nicht.' `Ist das weit, Dort oben wo die Sterne sind?' `Sehr weit!' `Doch haben diese Sterne auch Gefhl? Und wrden sie, wenn ich sie mit der Hand Berhrte, gleich erkranken, und den Glanz Verlieren, wie das Flieglein? -- Seh'~, noch schwebt es! -- Sag'~, wrd'~ es auch den Sternen weh tun?' `Nein, Weh tut's den Sternen nicht! Doch 's ist zu weit Fr deine kleine Hand: du reichst so hoch nicht.' `Kann _Er_ die Sterne fangen mit der Hand?' `Auch _Er_ nicht: das kann Niemand!' `Das ist Schade! Ich gb so gern dir einen! Wenn ich gross bin, Dan will _ich so dich lieben dass ich 's kann.'_ Das Kind schlief ein. Ihm trumte von Gefhl, Von Sternen die es fasste mit der Hand... Die Mutter schlief nog lange nicht! Doch trumte Auch sie, und dacht'~ an den der fern war... Ja, op 't gevaar af van bont te schynen, heb ik aan die regels hier plaats gegeven. Ik wens geen gelegenheid te verzuimen om de man te doen kennen die de hoofdrol vervult in myn verhaal, opdat hy de lezer enig belang inboezeme wanneer later donkere wolken zich samentrekken over zyn hoofd. Vyftiende hoofdstuk Havelaars voorganger, die wel het goede wilde doch tevens de hoge ongenade van de Regering enigszins scheen gevreesd te hebben -- de man had veel kinderen, en geen vermogen -- had alzo liever met de resident _gesproken_ over wat hyzelf _verregaande_ misbruiken noem- de, dan die ronduit te noemen in een officieel bericht. Hy wist dat een resident niet gaarne een schriftelyk rapport ontvangt, dat in zyn archief blyft liggen en later kan gelden als bewys dat hy tydig was opmerkzaam gemaakt op deze of gene verkeerdheid, terwyl een mondelinge mededeling hem zonder gevaar de keus laat tussen 't al of niet gevolg geven aan een klacht. Zulke mondelinge mededelingen hadden gewoonlyk een onderhoud ten-gevolge met de Regent, die natuurlyk alles ontkende en op bewyzen aandrong. Dan werden de lieden opgeroepen die de stoutheid hadden gehad zich te beklagen, en kruipende voor de voeten van de _Adhipatti,_ baden zy om verscho- ning. `Neen, die buffel was hun niet afgenomen om-niet, ze geloof- den wel dat daarvoor een dubbele prys zou betaald worden.' `Neen, ze waren niet afgeroepen van hun velden om zonder betaling te arbei- den in de _Sawahs_ van de Regent, ze wisten zeer goed dat de _Adhipatti_ hen later ruim zou beloond hebben.' `Ze hadden hun aanklacht inge- bracht in een ogenblik van ongegronde wrevel... ze waren waanzin- nig geweest, en smeekten dat men hen straffen mocht voor zulke verregaande oneerbiedigheid!' Dan wist de resident wel wat hy over die intrekking der aanklacht te denken had, maar dat intrekken gaf hem niettemin een schone gelegenheid om de Regent te handhaven in ambt en eer, en hemzelf was de onaangename taak bespaard de Regering te `bemoeilyken' met een ongunstig bericht. De roekeloze aanklagers werden met rottingslagen gestraft, de Regent had gezegepraald, en de resident keerde naar de hoofdplaats terug, met het aangenaam bewustzyn die zaak alweer zo goed `geschipperd' te hebben. Maar wat moest nu de adsistent-resident doen, als de volgende dag weer andere klagers zich by hem aanmeldden? Of -- en dit geschiedde dikwyls -- als dezelfde klagers terugkeerden en hun intrekking in- trokken? Moest hy _weder_ die zaak op zyn nota schryven, om _weder_ daarover te spreken met de resident, om _weder_ dezelfde komedie te zien spelen, alles op 't gevaar af van in het eind door te gaan voor iemand die -- dom en boosaardig dan -- telkens beschuldigingen voort- bracht welke gedurig moesten worden afgewezen als ongegrond? Wat moest er worden van de zo nodige vriendschappelyke verhou- ding tussen 't voornaamst Inlands Hoofd en de eerste europese amb- tenaar, als deze gedurig scheen gehoor te geven aan valse aanklachten tegen dat Hoofd? En vooral, wat werd er van die arme klagers nadat ze waren weergekeerd in hun dorp, onder de macht van het distrikts- of dorpshoofd dat ze hadden aangeklaagd als uitvoerder van des Re- gents willekeur? Wat er van die klagers werd? Wie vluchten kon, vluchtte. Drom zwierven er zoveel Bantammers in de naburige provincin! Drom waren er zoveel bewoners van _Lebak_ onder de opstandelingen in de _Lampongse_ distrikten! Drom had Havelaar in zyn toespraak aan de Hoofden gevraagd: `wat is dit, dat er zoveel huizen ledig staan in de dorpen, en waarom verkiezen velen de schaduw der bossen elders boven de koelte der Wouden van _Bantan Kidoel?'_ Doch niet ieder _kon_ vluchten. De man wiens lyk 's morgens de rivier afdreef, nadat hy de vorige avond, in 't geheim schoorvoetend, angstig, verzocht had om gehoor by de adsistent-resident... hy had geen behoefte meer aan vlucht. (127) Misschien ware het als mens- lievendheid te achten, hem door ogenblikkelyke dood te onttrekken aan nog enige tyd levens. Hem bleef de mishandeling gespaard die hem wachtte by terugkeer in zyn dorp, en de rottingslagen die de straffe zyn voor al wie een ogenblik menen kon geen beest te wezen, geen onbezield stuk hout of steen. De straffe van wie in een aanval van dwaasheid geloofd had dat er _Recht_ in 't land was, en dat de adsistent-resident de wil had, en de macht, om dat Recht te hand- haven... Was 't niet inderdaad beter de man te beletten de volgende dag by de adsistent-resident terug te keren -- zoals deze hem 's avends zeg- gen liet -- en zyn klachte te smoren in 't gele water van de _Tjioedjoeng,_ dat hem zachtkens zou afvoeren naar haar monding, gewoon als ze was overbrengster te wezen van die broederlyke groetgeschenken der haaien in 't binnenland aan de haaien in zee? En Havelaar wist dit alles! Gevoelt de lezer wat er in zyn gemoed omging by 't bedenken dat hy tot recht-doen geroepen, en daarvoor verantwoordelyk was aan een hogere macht dan de macht van een Regering die wel dat recht voorschreef in haar wetten, maar niet altyd even gaarne daarvan de toepassing zag? Gevoelt men hoe hy werd geslingerd door twyfel, niet aan wt hem te doen stond, maar aan de _wyze waarop_ hy te handelen had? (128) Hy had aangevangen met zachtheid. Hy had tot de _Adhipatti_ gesproken als: `ouder broeder' en wie menen mocht dat ik, ingeno- men met de held myner geschiedenis, de wyze waarop hy sprak, tracht te verheffen boven maat, hore hoe eens na zodanig onderhoud, de Regent zyn _Patteh_ tot hem zond om voor de welwillendheid zyner woorden dank te zeggen, en hoe nog lang daarna die _Patteh,_ spreken- de met de kontroleur Verbrugge -- nadat Havelaar had opgehouden adsistent-resident van _Lebak_ te zyn, nadat er dus van hem niets meer te hopen of te vrezen was -- hoe die _Patteh_ by de herinnering aan zyn woorden getroffen uitriep: `nog nooit heeft enig heer gesproken als hy!' (129) Ja, hy wilde helpen, terechtbrengen, redden, niet verderven! Hy had medelyden met de Regent. Hy, die wist hoe geldgebrek kan drukken, vooral waar het leidt tot vernedering en smaad, zocht naar gronden van verschoning. De Regent was oud, en 't Hoofd van een geslacht dat op grote voet leefde in naburige provincin, waar veel koffi geoogst en dus veel emolument genoten werd. Was 't niet grievend voor hem, in levenswys zo ver te moeten achterstaan by zyn jongere verwanten? Bovendien meende de man, door dweepzucht beheerst, by 't klimmen zyner jaren het heil van zyn ziel voor bezol- digde bedevaarten naar Mekka en voor almoezen aan gebedzingende leeglopers te kunnen inkopen. De ambtenaren die Havelaar in _Lebak_ waren voorafgegaan, hadden niet altyd goede voorbeelden gegeven. En eindelyk maakte de uitgebreidheid der _Lebakse_ familie van de Regent, die geheel ten-zynen laste leefde, hem het terugkeren tot de goede weg moeielyk. Z zocht Havelaar naar gronden om alle strengheid uit te stellen, en nog-eens en ng-eens te beproeven wat er kon bereikt worden met zachtheid. En hy ging verder nog dan zachtheid. Met een edelmoedigheid die aan de fouten herinnerde waardoor hy zo arm gemaakt was, schoot hy de Regent gedurig op eigen verantwoordelykheid geld voor, opdat niet behoefte al te sterk zou dringen tot vergryp, en hy vergat als gewoonlyk zichzelf zo ver dat hy aanbood zich en de zynen tot het strikt nodige te bekrimpen, om de Regent ter-hulp te komen met het weinige dat hy nog van zyn inkomsten zou kunnen uitsparen. Indien 't nog nodig schynen mocht, de zachtmoedigheid te bewy- zen waarmee Havelaar zyn moeielyke plicht vervulde, zou dit bewys kunnen gevonden worden in een mondelinge boodschap die hy de kontroleur opdroeg, toen deze eens naar _Serang_ zou vertrekken: `zeg de resident, dat hy, horende van de misbruiken die hier plaats vinden, niet gelove dat ik daaromtrent onverschillig ben. Ik maak daarvan niet terstond officile melding omdat ik de Regent, met wie ik medelyden heb, wens te bewaren voor te grote strengheid, daar ik eerst beproeven wil hem door zachtheid tot zyn plicht te brengen.' (130) Havelaar bleef dikwyls dagen achtereen uit. Als hy te-huis was, vond men hem meestal in de kamer die wy op onze platte grond vinden voorgesteld door 't zevende vak. Daar zat hy gewoonlyk te schryven, en ontving de personen die om gehoor lieten vragen. Hy had die plek gekozen omdat hy daar in de nabyheid was van zyn Tine die zich gewoonlyk in de kamer daarnaast ophield. Want zo innig waren zy verbonden dat Max, ook als hy bezig was met enige arbeid die aandacht en inspanning vorderde, gedurig behoefte voelde haar te zien of te horen. Het was dikwyls koddig hoe hy op-eenmaal tot haar een woord richtte dat in zyn gedachten over de onderwerpen die hem bezig-hielden opkwam, en hoe snel zy, zonder te weten wat hy be- handelde, de zin van zyn mening wist te vatten, die hy haar dan ook gewoonlyk niet toelichtte, als sprak het vanzelf dat zy wel weten zou wat hy bedoelde. Dikwyls ook, als hy ontevreden was over eigen arbeid of pas ontvangen verdrietig bericht, sprong hy op en zeide iets onvriendelyks tot haar... die toch geen schuld had aan zyn ontevre- denheid! Maar dit hoorde zy gaarne omdat het een bewys te meer was hoe Max haar verwarde met zichzelf. En nooit ook was er spraak van berouw over zodanige schynbare hardheid, of van vergiffenis aan de andere zyde. Dit zou hun geweest zyn, als hadde iemand vergeving gevraagd aan zichzelf, omdat hy in wrevel zich had geslagen voor zyn eigen hoofd. Zy kende hem dan ook z goed, dat ze juist wist wanneer ze dr moest zyn om hem een ogenblik verpozing te verschaffen... juist, wanneer hy behoefte had aan haar raad, en niet minder juist, wan- neer ze hem alleen moest laten. In die kamer zat Havelaar op zekere morgen toen de kontroleur by hem binnentrad, met een zo-even ontvangen brief in de hand. `Dat is een moeielyke zaak, m'nheer Havelaar,' zeide hy onder 't binnentreden. `Zeer moeielyk!' Wanneer ik nu zeg dat die brief eenvoudig Havelaars last inhield, om op te helderen waarom er een verandering was gekomen in de pryzen van houtwerken en arbeidsloon, zal de lezer vinden dat de kontroleur Verbrugge al zeer spoedig iets moeielyk vond. Ik haast me dus hierby te voegen dat veel anderen evenzeer moeielykheid zouden gevonden hebben in 't beantwoorden van die eenvoudige vraag. Voor enige jaren was er te _Rangkas-Betoeng_ een gevangenis ge- bouwd. Nu is 't van algemene bekendheid dat de beambten in de binnenlanden van Java de kunst verstaan gebouwen op te richten die duizenden waard zyn, zonder meer dan even zoveel honderden daar- voor uit te geven. Men verkrygt daardoor de roep van bekwaamheid en yver voor 's lands dienst. Het verschil tussen de uitgegeven gelden en de waarde van het daarvoor verkregene, wordt aangevuld door onbetaalde levering of onbetaalde arbeid. Sedert enige jaren bestaan er voorschriften die dit verbieden. Of ze worden nagekomen, is hier de vraag niet. Evenmin of de Regering zelf _wil_ dat ze nagekomen worden met een stiptheid die bezwarend werken zou op de begroting van 't bouwdepartement? Het zal hiermede wel gaan zoals met veel andere voorschriften die er zo menslievend uitzien op 't papier. Nu moesten er te _Rangkas-Betoeng_ nog veel andere gebouwen worden ingericht, en de ingenieurs die met het ontwerpen van de plannen daartoe belast waren, hadden opgaven gevraagd van de plaatselyke pryzen der arbeidslonen en materialen. Havelaar had de kontroleur belast met een nauwkeurig onderzoek hieromtrent, en hem aanbevolen de pryzen op te geven naar waarheid, zonder terug- zicht op wat vroeger geschiedde. Toen Verbrugge aan deze last had voldaan, bleek er dat die pryzen niet overeen kwamen met de opga- ven van enige jaren vroeger. Van dit verschil nu werd de reden gevraagd, en dit vond Verbrugge zo moeielyk. Havelaar, die zeer goed wist wat er achter deze schynbaar eenvoudige zaak schuilde, antwoordde dat hy zyn denkbeelden over die moeielykheid schrifte- lyk zou meedelen, en ik vind onder de voor my liggende stukken een afschrift van de brief die 't gevolg schynt van deze toezegging. Wanneer de lezer klagen mocht dat ik hem ophoud met een korres- pondentie over de pryzen van houtwerken, waarmee hy schynbaar niet te maken heeft, moet ik hem verzoeken niet onopgemerkt te laten dat hier eigenlyk spraak is van geheel iets anders, _van de toe- stand namelyk der ambtelyke Indische huishouding,_ en dat de brief die ik meedeel niet alleen een straal van licht te meer werpt op 't kunstmatig optimismus waarvan ik gesproken heb, maar tevens de moeielykheden schetst, waarmee iemand te kampen had die zoals Havelaar rechtuit en zonder omzien zyn weg wilde gaan. `N"o" 114 _Rangkas-Betoeng,_ 15 maart 1856. `~_Aan de Kontroleur van Lebak._ `~Toen ik de brief van de Directeur der Openbare-Werken, van de 16de februari l.l.~ n"o" 271/354 aan u renvoieerde, heb ik u verzocht het daarby gevraagde, na overleg met de Regent, te beantwoorden met in-achtneming van wat ik schreef in myn missive van 5 dezer n"o" 97. `~Die missive bevatte enige algemene wenken ontrent hetgeen als billyk en rechtvaardig te beschouwen is by 't bepalen der pryzen van materialen, door de bevolking te leveren aan, en op last van, het Bestuur. `~By uw missive van 8 dezer, n"o" 6, hebt ge daaraan -- en naar ik geloof, volgens uw beste weten -- voldaan, zodat ik, vertrouwende op uw lokale kennis en die des Regents, die opgaven, zoals ze door u waren gesteld, de resident heb aangeboden. `~Daarop volgde een missive van die hoofdambtenaar, van 11 dezer, n"o" 326, waarby inlichting wordt verzocht omtrent de oorzaak van het verschil tussen de door my opgegeven pryzen, en die welke in 1853 en 1854 by het opbouwen ener gevangenis besteed werden? `~Ik stelde natuurlyk die brief in uw handen, en gelastte u monde- ling, alsnu uw opgave te justificeren, hetgeen u te minder moeielyk moest vallen, daar ge u kondet beroepen op de voorschriften u in myn schryven van de se dezer gegeven, en die we mondeling meermalen uitvoerig bespraken. `~Tot hiertoe is alles eenvoudig en geleidelyk. `~Maar gisteren kwaamt ge ten-mynen-kantore, met de gerenvoi- eerde brief des residents in de hand, en begon te spreken over de moeielykheid der afdoening van het daarin voorkomende. Ik ont- waarde by u wederom zekere schroom om sommige zaken by de ware naam te noemen, iets waarop ik u reeds meermalen opmerkzaam maakte, onder andere onlangs in tegenwoordigheid van de resident, iets wat ik ter bekorting _halfheid_ noem, en waartegen ik u reeds dikwyls vriendschappelyk waarschuwde. `~Halfheid leidt tot niets. _Half_-goed is _niet_ goed. _Half_-waar is _on_- waar. `~Voor vol traktement, voor volle rang, na een duidelyke _volledige_ eed, doe men zyn _volle_ plicht. `~Is er soms moed nodig die te volvoeren, men bezitte die. `~Ik voor my zou de moed niet hebben die moed te missen. Want, afgescheiden van de ontevredenheid met zichzelf die een gevolg is van plichtverzuim of lauwheid, baart het zoeken naar gemakkelyker omwegen, de zucht om altyd en overal botsing te ontgaan, de begeer- te om te `schipperen' meer zorg, en inderdaad meer gevaar, dan men op de rechte weg ontmoeten zal. `~Gedurende de loop ener zeer belangryke zaak, die thans by 't Gouvernement in overweging is, en waarin gy eigenlyk ambtshalve behoorde betrokken te zyn, heb ik u stilzwygend als het ware neu- traal gelaten, en slechts lachend van-tyd tot-tyd daarop gezinspeeld. `~Toen, by-voorbeeld, onlangs uw rapport over de oorzaken van gebrek en hongersnood onder de bevolking by my was ingekomen, en ik daarop schreef: _`dit alles moge de waarheid zyn, het is niet al de waarheid, noch de_ voornaamste _waarheid. De hoofdoorzaak zit die- per'_ stemde gy dit volmondig toe, en ik maakte geen gebruik van myn _recht,_ te eisen dat ge dan ook die hoofdwaarheid _noemen_ zoudt. `~Ik had tot myn inschikkelykheid vele redenen, en onder andere deze, dat ik 't onbillyk vond op-eenmaal iets van _U_ te vorderen, wat vele anderen in uw plaats evenmin zouden presteren, _U_ te dwingen zo op-eenmaal de routine van achterhoudendheid en mensenvrees vaarwel te zeggen, die niet zozeer _uw_ schuld is als wel die der leiding welke u te beurt viel. Ik wilde eindelyk eerst u een voorbeeld geven hoeveel eenvoudiger en gemakkelyker het is, zyn plicht _geheel_ te doen dan _half._ `~Thans echter, nu ik de eer heb u weder zoveel dagen langer onder myn bevelen te zien, en nadat ik u herhaaldelyk in de gelegenheid stelde, principes te leren kennen die -- tenzy ik dwaal -- ten-laatste zullen zegevieren (131) wenste ik dat ge die aannaamt, dat gy u de niet ontbrekende, maar in onbruik geraakte kracht eigen maakte die er nodig schynt om altyd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er te zeggen valt, en dat ge dus geheel-en-al varen liet die onmanne- lyke schroom om flink voor een zaak uit te komen. `~Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar _volledige_ opgave van wat u voorkomt de oorzaak te wezen van 't prysverschil tussen _nu_ en 1853 of 1854. `~Ik hoop ernstig dat gy geen enkele zinsnede van deze brief zult opnemen, als geschreven met de bedoeling om u te krenken. Ik ver- trouw dat ge my genoeg hebt leren kennen om te weten dat ik niet meer of minder zeg dan ik meen, en bovendien geef ik u nog ten- overvloede de verzekering dat myn opmerkingen eigenlyk minder _U_ betreffen, dan de school waarin ge tot Indisch ambtenaar gevormd zyt. `~Deze _circonstance attnuante_ zou echter vervallen wanneer ge, langer met my omgaande en 't Gouvernement onder myn leiding dienende, voortgingt de slender te volgen waartegen ik my verzet. `~Ge hebt opgemerkt dat ik my van het _`Uwedelgestrenge'_ heb ontslagen: 't verveelde my. Doe het ook, en laat onze `weledelheid' en waar 't nodig is onze `gestrengheid' elders en vooral nders blyken, dan uit die vervelende zinstorende titulatuur. `~_De Adsistent-resident van Lebak_ `~=Max Havelaar=.' Het antwoord op deze brief bezwaarde sommigen van Havelaars voorgangers, en bewees dat hy niet zo onrecht had, toen hy de _`slech- te voorbeelden van vroegere tyd'_ mede opnam onder de redenen die pleiten konden ter verschoning van de Regent. Ik ben in 't meedelen van deze brief de tyd vooruitgelopen, om reeds nu te doen in 't oog vallen, hoe weinig hulp Havelaar van de kontroleur te verwachten had, zodra geheel andere, meer belang- ryke, zaken zouden moeten genoemd worden by de rechte naam, wanneer reeds deze ambtenaar die zonder twyfel een braaf mens was, z moest worden toegesproken om de waarheid te zeggen waar het slechts de opgaven der pryzen van hout, steen, kalk en arbeidsloon gold. Men beseft alzo dat hy niet alleen te stryden had met de macht der personen die voordeel genoten van misdryf, maar tevens met de beschroomdheid dergenen die -- hoezeer dat misdryf evenzeer afkeu- rende als hy -- zich niet geroepen of geschikt achtten daartegen met de vereiste moed op te treden. Misschien ook zal men na 't lezen van die brief, enigszins terugko- men van de minachting voor de slaafse onderworpenheid van de Javaan die in tegenwoordigheid van zyn Hoofd de ingebrachte be- schuldiging, hoe gegrond ook, lafhartig terugtrekt. Want, als men bedenkt dat er zoveel oorzaak was tot vreze, zelfs voor de europese beambte, die dan toch geacht kon worden iets minder bloot te staan aan wraak, wat wachtte dan de arme landbewoner, die in een dorp ver van de hoofdplaats geheel-en-al in de macht zyner aangeklaagde onderdrukkers verviel? Is 't wonder dat die arme mensen, verschrikt over de gevolgen van hun stoutheid, die gevolgen zochten te ontwy- ken of te verzachten door deemoedige onderwerping? En 't was niet alleen de kontroleur Verbrugge, die zyn plicht deed met een schuwheid als voegen zou aan plichtverzuim. Ook de _Djak- sa,_ 't Inlands Hoofd dat by de Landraad het ambt van publieke aan- klager vervult, trad liefst 's avends, ongezien en zonder gevolg, in Havelaars woning. Hy, die diefstal moest tegengaan, die 't was opge- dragen de sluipende dief te betrappen, hy sloop, als ware hyzelf de dief die betrapping vreesde, met zachte tred het huis aan de achterzy- de in, na zich eerst te hebben overtuigd dat geen gezelschap daar was, dat later hem zou kunnen verraden als schuldig aan plichtsbetrach- ting. Was 't wonder dat Havelaars ziel bedroefd was, en dat Tine meer dan ooit nodig had zyn kamer binnen te treden om hem op te beuren, als ze zag hoe hy daar zat met de hand onder 't hoofd? En toch was voor hem 't grootst bezwaar niet gelegen in de schroomvalligheid van wie hem ter-zyde stonden, noch in de mede- plichtige lafhartigheid van wie zyn hulp hadden ingeroepen. Neen, geheel alleen des-noods zou hy recht doen, met of zonder hulp van anderen dan, ja, _tegen_ allen, al ware 't ook tegen henzelf die behoefte hadden aan dat recht! Want hy wist hoe hy invloed had op het Volk, en hoe -- als eenmaal de arme onderdrukten, opgeroepen om luide en voor 't gerecht te herhalen wat ze hem 's avends en 's nachts hadden toegefluisterd in eenzaamheid -- hy wist hoe hy de macht had op hun gemoederen te werken, en hoe de kracht zyner woorden sterker zyn zou dan de angst voor wraak van Distriktshoofd of Regent. De vrees dat zyn beschermelingen zouden afvallen van hun eigen zaak weer- hield hem dus niet. Maar 't kostte hem zoveel die oude _Adhipatti_ aan te klagen: dt was de reden van zyn tweestryd! Want ook aan de andere kant mocht hy niet toegeven in deze weerzin, daar de gehele bevolking, afgescheiden nog haar goed recht, evenzeer aanspraak had op medelyden. Vrees voor eigen leed had geen deel in zyn twyfel. Want al wist hy hoe ongaarne in 't algemeen de Regering een Regent ziet aanklagen, en hoeveel gemakkelyker 't sommigen valt de europese beambte brodeloos te maken dan een Inlands Hoofd te straffen, hy had een byzondere reden om te geloven dat er juist op dit ogenblik by de beoordeling van zulke zaak andere grondstellingen dan de gewone zouden voorheersen. Het is waar dat hy, ook zonder deze mening, evenzeer zyn plicht zou gedaan hebben, te liever zelfs als hy 't gevaar voor zich en de zynen groter had geacht dan ooit. We zeiden reeds dat moeielykheid hem aantrok, en hoe hy dorstte naar opoffering. Doch hy meende dat de aanlokkelykheid van een zelfoffer hier niet be- stond, en vreesde -- als hy in 't eind zou moeten overgaan tot ernstige stryd tegen 't onrecht -- zich te moeten spenen van 't ridderlyk genoe- gen die stryd te hebben aangevangen als de zwakste. Ja, dit _vreesde_ hy. Hy meende dat er aan 't hoofd van de Regering een Gouverneur-generaal stond die zyn bondgenoot wezen zou, en 't was een eigenaardigheid te meer in zyn karakter, dat deze mening hem van strenge maatregelen terughield, langer juist dan iets anders hem zou weerhouden hebben, omdat het hem stuitte het Onrecht aan te grypen op een ogenblik dat hy 't Recht voor sterker hield dan gewoonlyk. Ik zeide immers reeds in de proeve der beschryving van zyn inborst, dat hy naf was by al zyn scherpte? Laat ons trachten op te helderen hoe Havelaar tot die mening gekomen was. Zeer weinig europese lezers kunnen zich een juist denkbeeld vormen van de hoogte waarop een Gouverneur-generaal staan moet als mens, om niet beneden de hoogte zyner bediening te blyven, en 't gelde dan ook niet als een te streng oordeel, wanneer ik de mening aankleef dat zeer weinigen, genen misschien, aan zo zware eis hebben kunnen beantwoorden. Om nu niet al de hoedanigheden van hoofd en hart te noemen die daartoe nodig zyn, vestige men slechts 't oog op de duizelingwekkende hoogte waarop zo eensklaps de man wordt geplaatst, die -- gisteren nog eenvoudig burger -- heden macht heeft over miljoenen onderdanen. Hy die voor weinig tyds nog verscholen was onder zyn omgeving, zonder daarboven uit te steken in rang of gezag, voelt zich op-eenmaal, onverwachts meestal, opgeheven bo- ven een menigte, oneindig groter dan de kleine kring die hem vroeger toch geheel voor 't oog verborg, en ik geloof dat ik niet ten-onrechte de hoogte duizelingwekkend noemde, die inderdaad herinnert aan de duizeling van iemand die onverwachts een afgrond voor zich ziet, of aan de blindheid die ons treft wanneer we met snelheid worden overgebracht van diepe duisternis in scherp licht. Tegen zulke over- gangen zyn de zenuwen van gezicht of hersenen niet bestand, ook al waren zy overigens van buitengewone sterkte. Indien alzo reeds in zichzelf de benoeming tot Gouverneur-gene- raal veelal de oorzaken van bederf meedraagt, ook van dezulke die uitstekend was in verstand en gemoed, wat is er dan te verwachten van personen die reeds vr die benoeming leden aan veel gebreken? En al stellen we voor een ogenblik dat de Koning altyd goed is voorge- licht, als hy zyn hoge naam tekent onder de akte waarin hy zegt overtuigd te wezen van de _`goede trouw, de yver en de bekwaamhe- den'_ des benoemde Stedehouders, al nemen wy aan dat de nieuwe Onderkoning yverig, trouw en bekwaam _is,_ dan nog blyft het de vraag of die yver, en vooral of die _bekwaamheid,_ by hem bestaat in een _maat,_ hoog genoeg verheven boven _middelmatigheid,_ om aan de eisen van zyn roeping te voldoen. Want de vraag kan niet zyn of de man die te 's Gravenhage voor 't eerst als Gouverneur-generaal het kabinet des Konings verlaat, op dt ogenblik de bekwaamheid bezit die nodig zal wezen voor zyn nieuw ambt... dit is _onmogelyk!_ Met de betuiging van vertrouwen op zyn bekwaamheid kan slechts de mening bedoeld zyn dat hy in een geheel nieuwe werkkring, op een gegeven ogenblik, by ingeving als 't ware, weten zal wat hy te 's Gravenhage niet kan geleerd hebben. Met andere woorden: dat hy een genie is, een genie dat op eenmaal ken- nen moet en kunnen, wat het kende noch kon. Zulke genien zyn zeldzaam, zelfs onder personen die in gunste staan by ko- ningen. (132) Daar ik van genien spreek, gevoelt men dat ik wil overslaan wat er zou te zeggen vallen van zo menige Landvoogd. Ook zou 't me stuiten in myn boek bladzyden in te voegen die 't ernstig doel van dit werk zouden blootstellen aan de verdenking van jacht op schandaal. Ik ga dus nu de byzonderheden die bepaalde personen zouden raken voor- by, maar als _algemene_ ziektegeschiedenis van de Gouverneurs-ge- neraal, meen ik te mogen opgeven: _eerste stadium._ Duizeling. Wie- rook-dronkenschap. Eigenwaan. Onmatig zelfvertrouwen. Minach- ting van anderen, vooral van `oudgasten'. _Tweede stadium._ Afmat- ting. Vrees. Moedeloosheid. Neiging tot slaap en rust. Bovenmatig vertrouwen op de Raad van Indi. Afhankelykheid van de Algemene Sekretarie. Heimwee naar een hollandse buitenplaats. Tussen deze beide stadin in, en als overgang -- misschien zelfs als oorzaak van die overgang -- liggen dysenterische buikaandoeningen. Ik vertrouw dat velen in Indi me dankbaar zullen wezen voor deze diagnose. Ze is nuttig toe te passen, want men kan voor zeker houden dat de zieke, die door overspanning in de eerste periode stikken zou aan een mug, later -- na de buikziekte! -- zonder bezwaar kemels zal verdragen. Of, om duidelyker te spreken, dat een beambte die `ge- schenken aanneemt, _niet met het doel zich te verryken'_ -- by-voor- beeld een bos _pisang_ ter-waarde van enige duiten -- met smaad en schande zal worden weggejaagd in de _eerste_ periode der ziekte, maar dat iemand die 't geduld heeft het _laatste_ tydperk af te wachten, zeer gerust en zonder enige vrees voor straf, zal zich kunnen meester maken van de tuin waar de _pisang_ groeide, met de tuinen die daar- naast liggen er by... van de huizen die in de omtrek staan... van wat er in die huizen is... en van nog een-en-ander meer, _ad libitum._ (133) Ieder doe met deze pathologisch-wysgerige opmerking zyn voor- deel, en houde myn raad geheim, ter voorkoming van te grote mede- dinging... Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zo vaak zich moeten kleden in 't lappenpak van de satire! Vervloekt, dat een traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is 't de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder myn styl te zoeken by _Figaro_ of _Polichinel?_ Styl... ja! Daar liggen stukken voor my, waarin styl is. Styl die aantoonde dat er een mens in de buurt was, een _mens_ wie het de moeite waard geweest ware, de hand te reiken! En wat heeft die styl de arme Havelaar gebaat? _Hy_ vertaalde zyn tranen niet in gegryns, _hy_ spotte niet, _hy_ zocht niet te treffen door bontheid van kleur of door grappen van de uitroeper voor de kermistent... wat heeft het hem gebaat? Kon ik schryven zoals hy, ik zou nders schryven dan hy. Styl? Hebt ge gehoord hoe hy sprak tot de Hoofden? Wat heeft het hem gebaat? Kon ik spreken zoals hy, ik zou nders spreken dan hy. Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Hora- tius'~ _justum ac tenacem!_ Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valse snaren, en hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, onder bedekking van zoveel getrommel en zoveel gefluit? Styl? _Hy_ had styl! Hy had te veel ziel om zyn gedachten te ver- drinken in de `ik heb de eers' en de `edelgestrengheden' en de `eerbie- dig-in-overweging-gevingen' die de wellust uitmaken van de kleine wereld waarin hy zich bewoog. Als hy schreef, doordrong u iets by 't lezen, dat u begrypen deed hoe er wolken dreven by dat onweder, en dat ge niet het gerammel hoorde van een blikken toneeldonder. Als hy vuur sloeg uit zyn denkbeelden, voelde men de hitte van dat vuur, tenzy men geboren kommies was, of Gouverneur-generaal, of schryver van 't walgelykst verslag over `rustige rust'. En wat heeft het hem gebaat? Als ik dus wil worden gehoord -- en verstaan vooral! -- moet ik nders schryven dan hy. Maar _hoe_ dan? Zie, lezer, ik zoek naar 't antwoord op dat _hoe?_ en daarom heeft myn boek een zo bont aanzien. Het is een staalkaart: bepaal uw keuze. Later zal ik u geel of blauw of rood geven naar uw wens. Havelaar had de Gouverneurs-ziekte reeds zo dikwyls waargeno- men by zo vl lyders -- en vaak _in anim vili,_ want er zyn analogische residents-, kontroleurs- en surnumerairs-ziekten, die tot de eerste in verhouding staan als mazelen tot pokken, en eindelyk: hyzelf had aan die ziekte geleden! -- reeds z dikwyls had hy dat alles waargeno- men, dat hy de verschynselen daarvan vry-wel kende. Hy had de tegenwoordige Gouverneur-generaal in 't begin van de ongesteld- heid minder duizelig gevonden dan de meeste anderen, en hy besloot hieruit dat ook de verdere loop der ziekte een andere richting nemen zou. Het was om deze reden dat hy vreesde de sterkste te zullen zyn, wanneer hy in 't eind zou moeten optreden als verdediger van het goed recht der inwoners van _Lebak._ Zestiende hoofdstuk Havelaar ontving een brief van de Regent van _Tjanjor,_ waarin deze hem meedeelde dat hy een bezoek wenste te brengen aan zyn oom, de _Adhipatti_ van _Lebak._ Deze tyding was hem zeer onaangenaam. Hy wist hoe de Hoofden in de _Preanger Regentschappen_ gewoon waren een grote weelde ten-toon te spreiden, en hoe de _Tjanjorse Tommon- gong_ zulk een reis niet zou doen zonder een gevolg van vele honder- den die allen met hun paarden moesten geherbergd en gevoed wor- den. Gaarne alzo had hy dit bezoek verhinderd, doch hy peinsde vruchteloos op middelen die 't konden voorkomen zonder de Regent van _Rangkas-Betoeng_ te kwetsen, daar deze zeer trots was en zich diep beledigd zou gevoeld hebben wanneer men zyn betrekkelyke armoede had opgegeven als beweegreden om hem niet te bezoeken. En wanneer dit bezoek _niet_ te ontwyken was, zou 't onmisbaar aan- leiding geven tot verzwaring van de druk waaronder de bevolking gebukt ging. Het is te betwyfelen of Havelaars toespraak een blyvende indruk op de Hoofden gemaakt had. By velen was dit zeker niet het geval, waarop hyzelf dan ook niet gerekend had. Doch even zeker is 't, dat er een roep was opgegaan in de dorpen, dat de _toewan_ die gezag had te _Rangkas-Betoeng,_ recht wilde doen, en al hadden dus zyn woorden de kracht gemist om terug te houden van misdaad, ze hadden toch aan de slachtoffers daarvan de moed gegeven zich te beklagen, al ge- schiedde dit dan ook slechts schoorvoetend en in 't geheim. Ze kropen 's avends door de ravyn, en als Tine in haar kamer zat, werd ze meermalen opgeschrikt door onverwacht geruis, en ze zag door 't open venster donkere gedaanten die voorby slopen met schu- we tred. Weldra schrikte ze niet meer, want ze wist wat het beduidde als die gestalten zo spookachtig om 't huis waarden en bescherming zochten by haar Max! Dan wenkte zy deze, en hy stond op om de klagers tot zich te roepen. De meesten kwamen uit het distrikt _Pa- rang-Koedjang,_ waar des Regents schoonzoon Hoofd was, en hoewel dat Hoofd gewis niet verzuimde zyn aandeel van 't afgeperste te nemen, was het toch voor niemand een geheim dat hy meestal roofde uit naam en ten-behoeve van de Regent. Het was aandoenlyk hoe die arme lieden op Havelaars ridderlykheid vertrouwden en overtuigd waren dat hy hen niet roepen zou om de volgende dag in 't openbaar te herhalen wat ze des nachts of de vorige avend in zyn kamer gezegd hadden. Dit toch ware mishandeling geweest voor allen, en voor velen de dood! Havelaar tekende aan wat ze zeiden, en daarna gelastte hy de klagers naar hun dorp terug te keren. Hy beloofde dat er recht zou geschieden, mits zy zich niet verzetten, en niet uitweken zoals 't voornemen was van de meesten. Meestal was hy kort daarna op de plaats waar 't onrecht geschiedde, ja, vaak was hy reeds daar geweest en had -- gewoonlyk des-nachts -- de zaak onderzocht, voor nog de klager zelf in zyn woonstede was teruggekeerd. Zo bezocht hy in die uitgestrekte afdeling, dorpen die twintig uren verwyderd waren van _Rangkas-Betoeng,_ zonder dat noch de Regent noch zelfs de kontro- leur Verbrugge wisten dat hy afwezig was van de hoofdplaats. Zyn bedoeling hiermede was, 't gevaar der wraak van de klagers af te wenden en tevens de Regent de schaamte te besparen van een open- lyk onderzoek dat gewis onder hm niet als vroeger met een intrek- king van de klacht zou afgelopen zyn. Zo hoopte hy nog altyd dat de Hoofden zouden terugkeren van de gevaarlyke weg die zy reeds zolang betraden, en hy zou in dat geval zich vergenoegd hebben met het vorderen van schadeloosstelling aan de beroofden... voor-zo-ver 't vergoeden der geleden schade mogelyk wezen zou. Maar telkens nadat hy op-nieuw met de Regent had gesproken, deed hy de overtuiging op dat de beloften van beterschap ydel waren, en hy was bitter bedroefd over 't mislukken van zyn pogingen. We zullen hem nu enige tyd aan die droefheid en zyn moeielyke arbeid overlaten, om de lezer de geschiedenis te verhalen van de Javaan _Sadjah_ in de dessah _Badoer._ Ik kies de namen van dat dorp en die Javaan uit de aantekeningen van Havelaar. (134) Er zal daarin spraak zyn van afpersing en roof, en wanneer men -- wat de hoofd- strekking aangaat -- bewyskracht mocht willen ontzeggen aan een verdichtsel, geef ik de verzekering dat ik in-staat ben de namen op te geven van _twee-en-dertig personen_ in het distrikt _Parang-Koedjang_ alleen, aan welke in n maand tyds _zes-en-dertig buffels_ zyn afge- nomen ten-behoeve van de Regent. Of, juister nog, dat ik de namen kan noemen van de twee-en-dertig personen uit dat distrikt, die zich in n maand _hebben durven beklagen,_ en wier klacht door Havelaar _onderzocht en gegrond bevonden is._ Er zyn _vyf_ zodanige distrikten in de afdeling _Lebak..._ Wanneer men nu verkiest aan te nemen dat het getal geroofde buffels minder hoog was in de streken die niet de eer hadden bestuurd te worden door een schoonzoon van de _Adhipatti,_ wil ik dit wel toegeven, hoezeer het de vraag blyft of niet de onbeschaamdheid van andere Hoofden op even vaste gronden rustte als hoge verwant- schap? Het distriktshoofd, by-voorbeeld, van _Tjilang-kahan_ aan de Zuidkust kon, by-gebreke van een gevreesde schoonvader, steunen op de moeielykheid van 't inbrengen-ener klacht, voor arme lieden die _veertig_ tot _zestig_ palen hadden af te leggen voor zy 's avends zich konden verbergen in de ravyn naast Havelaars huis. En als men hierby acht geeft op de velen die op weg gingen om nooit dat huis te bereiken... op de velen die niet eenmaal vertrokken uit hun dorp, afgeschrikt als ze waren door eigen ondervinding of door 't aanschou- wen van het lot dat andere klagers te-beurt viel, dan geloof ik dat men onrecht hebben zou in de mening dat de vermenigvuldiging met _vyf_ van 't getal gestolen buffels uit n distrikt, een te hoge maatstaf opleverde voor wie naar de statistiek vraagt van 't getal runderen dat elke maand geroofd werd in _vyf_ distrikten, om te voorzien in de behoeften der hofhouding des Regents van _Lebak._ En 't waren niet buffels alleen die gestolen werden, noch zelfs was buffelroof 't voornaamste. Er is -- in Indi vooral, waar nog altyd _heredienst_ wettelyk bestaat -- een geringer maat van onbeschaamd- heid nodig om de bevolking onwettig op te roepen tot onbetaald werk, dan er vereist wordt tot het wegnemen van eigendom. Het is gemak- kelyker de bevolking diets te maken dat de Regering behoefte heeft aan haar arbeid zonder die te willen betalen, dan dat ze haar buffels eisen zou om-niet. En al _durfde_ de vreesachtige Javaan nasporen of de zogenaamde _heredienst_ die men van hem vordert, overeenstemt met de bepalingen daaromtrent, dan nog zou hem dit onmogelyk wezen daar de een niet weet van de ander, en hy dus niet berekenen kan of 't vastgesteld getal personen tien -- ja vyftigvoud overschreden is? Waar dus 't meer gevaarlyke, het lichter te ontdekken feit wordt uitgevoerd met zulke stoutheid, wat is er dan te denken van de misbruiken die gemakkelyker zyn aan te wenden en minder gevaar lopen van ont- dekking? (135) Ik zeide, te zullen overgaan tot de geschiedenis van de Javaan _Sadjah._ Vooraf echter ben ik genoodzaakt tot een der afwykingen die zo moeielyk kunnen vermeden worden by 't beschryven van toestanden welke de lezer geheel vreemd zyn. Ik zal tevens daaruit aanleiding nemen tot het wyzen op een der beletselen die 't juist beoordelen van indische zaken aan niet-indische personen zo byzon- der moeielyk maken. Herhaaldelyk heb ik van Javanen gesproken, en hoe natuurlyk dit de europese lezer moge toeschynen, toch zal deze benaming als een fout hebben geklonken in de oren van wie op Java bekend is. De westelyke residentin _Bantam, Batavia, Preanger, Krawang_ en een gedeelte van _Cheribon_ -- tezamen genomen: _Soendahlanden_ ge- naamd -- worden geacht niet tot eigenlyk Java te behoren, en om nu niet van de over zee gekomen vreemdelingen in die gewesten te spreken, de oorspronkelyke bevolking is inderdaad een geheel andere dan op midden-Java en in de zogenaamde Oosthoek. Kleding, volks- aard en taal zyn zo geheel anders dan meer oostwaarts, dat de _Soen- danees_ of _Orang Goenoeng_ (136) van de eigenlyk gezegde Javaan meer verschilt dan een Engelsman van de Hollander. Dusdanige verschillen geven dikwyls aanleiding tot onenigheid in 't oordeel over indische zaken. Immers wanneer men nagaat dat Java alleen reeds zo scherp is afgedeeld in twee ongelyksoortige delen, zonder nog te letten op de vele onderdelen van die splitsing, kan men bereke- nen hoe groot het onderscheid moet wezen tussen volkstammen die verder van elkander wonen en zelfs door de zee gescheiden zyn. Wie Nederlands Indi alleen kent van Java, kan zich evenmin een juist denkbeeld vormen van de _Maleier,_ de _Amboinees,_ de _Battah,_ de _Alfoer,_ de _Timorees,_ de _Dajak,_ de _Boegie,_ of de _Makassaar,_ alsof hy nooit Europa verlaten had, en 't is voor iemand die in de gelegenheid was 't onderscheid tussen deze volkeren waar te nemen, dikwyls vermakelyk om de gesprekken aan te horen -- grappig en bedroevend tevens, de redevoeringen te lezen! -- van personen die hun kennis der indische zaken opdeden te _Batavia_ of te _Buitenzorg._ Meermalen heb ik me verwonderd over de moed waarmee, by-voorbeeld een gewe- zen Gouverneur-generaal, in de Kamer der Volksvertegenwoordi- ging, gewicht tracht by te zetten aan zyn woorden door voorgewende aanspraak op plaatselyke kennis en ondervinding. Ik stel hoge prys op wetenschap die door ernstige studie in 't boekvertrek verkregen is, en vaak stond ik verbaasd over de uitgebreidheid der kennis van indische zaken, die sommigen tonen te bezitten zonder ooit indische grond betreden te hebben. Zodra nu een gewezen Gouverneur-gene- raal blyken geeft zich zulke kennis te hebben eigen gemaakt op die wyze, behoort men voor hem de eerbied te gevoelen die 't rechtmatig loon is van veeljarige nauwgezette vruchtbare arbeid. Groter nog zy die eerbied voor hem dan voor de geleerde die minder moeielykheden te overwinnen had omdat hy, op verre afstand _zonder_ aanschou- wing, minder gevaar liep te vervallen in de dwalingen die 't gevolg zyn ener _gebrekkige_ aanschouwing zoals onmisbaar ten-deel viel aan de gewezen Gouverneur-generaal. Ik zeide dat ik verwonderd was over de moed die sommigen by de behandeling van indische zaken ten-toon spreiden. Zy weten immers dat hun woorden ook door anderen worden gehoord, dan wie menen mochten dat het genoeg is een paar jaren te _Buitenzorg_ te hebben doorgebracht om Indi te kennen. Het moet hun toch bekend zyn dat die woorden ook gelezen worden door de personen die in Indi zelf getuigen waren van hun onbedrevenheid, en die evenzeer als ik verbaasd staan over de stoutheid waarmee iemand die nog zo kort geleden vergeefs trachtte zyn onbekwaamheid weg te steken onder de hoge rang die hem de Koning gaf, nu zo op-eenmaal spreekt alsof hy werkelyk kennis droeg van de zaken die hy behandelt. Telkens hoort men dan ook klachten over onbevoegde inmenging. Telkens wordt deze of gene richting in de koloniale staatkunde be- streden door 't loochenen der bevoegdheid van hem die zulke richting vertegenwoordigt, en misschien ware het niet onbelangryk een gezet onderzoek in te stellen naar de eigenschappen die iemand bevoegd maken om... bevoegdheid te beoordelen. Meestal wordt een belang- ryke vraag getoetst, niet aan de zaak waarover ze handelt, maar aan de waarde welke men toekent aan de mening van de man die daarover 't woord voert, en daar dit meestal de persoon is die doorgaat voor een _Specialiteit,_ by-voorkeur iemand `die in Indi een zo gewichtige betrekking heeft bekleed' volgt hieruit dat de slotsom ener stemming meestal de kleur draagt van de dwalingen die nu eenmaal schynen te kleven aan `die gewichtige betrekkingen'. Indien dit reeds geldt waar te invloed van zodanige specialiteit slechts wordt uitgeoefend door een lid der Volksvertegenwoordiging, hoe groot wordt dan niet de voorbeschikking tot verkeerd oordelen, als zulke invloed gepaard gaat met het vertrouwen des Konings die zich dwingen liet zulk een specialiteit aan 't hoofd van zyn Ministerie van Kolonin te plaatsen. Het is een eigenaardig verschynsel -- wellicht voortspruitende uit een soort van traagheid die de moeite van 't zelf oordelen schuwt -- hoe licht men vertrouwen schenkt aan personen die zich de schyn weten te geven van meerder kennis, zodra slechts die kennis kan geput wezen uit bronnen die niet voor ieder toegankelyk zyn. De oorzaak ligt misschien hierin, dat de eigenliefde minder gekwetst wordt door 't erkennen van zodanig overwicht, dan 't geval wezen zou wanneer men van dezelfde hulpmiddelen had kunnen gebruik maken, waardoor iets als wedyver ontstaan zou. Het valt de Volks- vertegenwoordiger gemakkelyk zyn gevoelen op te geven, zodra 't bestreden wordt door iemand die geacht kan worden een juister oordeel te vellen dan het zyne, wanneer slechts zulke veronderstelde meerdere juistheid niet behoeft te worden toegeschreven aan per- soonlyke meerderheid -- waarvan de erkenning moeielyker vallen zou -- doch alleen aan de byzondere omstandigheden waarin zodanige tegenstander verkeerd heeft. En zonder te spreken van hen `die zulke _hoge betrekkingen_ in Indi vervulden', het is inderdaad vreemd hoe men meermalen waarde toekent aan de mening van personen die volstrekt niets bezitten wat die toekenning rechtvaardigt dan de `herinnering aan een zveeljarig verblyf in die gewesten'. Dit is te meer zonderling omdat zy die gewicht hechten aan dusdanige bewysgrond, toch niet geredelyk alles zouden aannemen wat hun by-voorbeeld zou gezegd worden over de huishouding des nederlandsen staats, door ieder die aantoon- de dat hy veertig of vyftig jaren in Nederland gewoond had. Er zyn personen die byna even zoveel tyd in Nederlands-Indi doorbrach- ten, zonder ooit in aanraking gekomen te zyn, noch met de bevol- king, noch met inlandse Hoofden, en 't is bedroevend, dat de Raad van Indi zeer dikwyls geheel of grotendeels uit zodanige personen is samengesteld, ja dat men zelfs middel heeft gevonden, de Koning benoemingen te laten tekenen tot Gouverneur-generaal, van iemand die tot _deze_ soort van specialiteiten behoorde. (137) Toen ik zeide dat de veronderstelde bekwaamheid van een nieuw- benoemde Gouverneur-generaal moest geacht worden de mening in te sluiten dat men hem voor een genie hield, was myn bedoeling geenszins het benoemen van genien aan te pryzen. Buiten het be- zwaar toch dat er liggen zou in 't gedurig onvervuld laten van een zo gewichtige betrekking, pleit nog een andere reden hiertegen. Een genie zou niet kunnen werken onder het Ministerie van Kolonin, en dus als Gouverneur-generaal onbruikbaar wezen... zoals genien wel meer zyn. Het ware misschien te wensen dat de door my in de vorm ener ziektegeschiedenis opgegeven hoofdfeilen de aandacht trokken der- genen die tot de keuze van een nieuwe Landvoogd geroepen zyn. Op de voorgrond stellende dat al de personen die daarvoor worden in aanmerking gebracht, rechtschapen zyn, en in 't bezit van een bevat- tingsvermogen dat hen enigermate zal in-staat stellen te leren wat ze zullen moeten weten, houd ik 't voor hoofdzaak dat men met enig gegrond vertrouwen van hen de vermyding kunne verwachten van die aanmatigende betwetery in 't begin, en vooral van die apathische slaperigheid in de laatste jaren van hun bestuur. Ik heb er reeds op gewezen dat Havelaar in zyn moeielyke plicht meende te kunnen steunen op de hulp van de Gouverneur-generaal, en ik voegde er by `dat deze mening naef was'. Die Gouverneur-generaal wachtte zyn opvolger: de rust in Nederland was naby! We zullen zien wat deze neiging tot slaap berokkend heeft aan de _Lebakse_ Afdeling, aan Havelaar, en aan de Javaan Sadjah, tot wiens eentonige geschiedenis -- n onder zeer velen! -- ik thans overga. Ja, eentonig zal ze wezen! Eentonig als 't verhaal van de werk- zaamheid der mier die haar bydrage tot de wintervoorraad moet opslepen tegen de aardkluit -- voor haar een berg -- die er ligt op de weg naar de voorraadschuur. Telkens valt ze terug met haar vracht, om telkens weer te beproeven of ze eindelyk vaste voet zou kunnen zetten op dat steentje daar-boven... op de rots die de berg kroont. Maar tussen haar en die top is een afgrond die moet worden omge- trokken... een diepte die duizend mieren niet vullen zouden. Daartoe moet zy, die nauwlyks kracht heeft haar last voort te slepen op gelyke grond -- een last vele malen zwaarder dan eigen lyf -- die omhoog heffen, en zich overeind houden op een bewegelyke plek. Ze moet het evenwicht bewaren als ze zich opricht met haar vracht tussen de voorpoten. Ze moet die omslingeren in schuinse richting naar-bo- ven, om ze te doen neerkomen op de punt die uitsteekt aan de rots- wand. Ze wankelt, waggelt, schrikt, bezwykt... tracht zich te houden aan de half ontwortelde boomstam die met zyn kruin naar de diepte wyst -- een grasspriet! -- ze mist het steunpunt dat ze zoekt: de boom slingert terug -- de grasspriet wykt onder haar tred -- ach, de tobster valt in de diepte met haar vracht. Dan is zy een ogenblik stil, wel een sekonde... dat lang is in het leven van een mier. Zou ze verdoofd wezen van pyn door haar val? Of geeft ze toe in wat droefheid dat zoveel inspanning ydel was? Maar ze verliest de moed niet. Weder grypt ze haar last, en weder sleept zy die naar-boven, om straks ngeens, en ngeens, neer te vallen in de diepte. Z eentonig is myn verhaal. Maar ik zal niet spreken van mieren, welker vreugde of leed door de grofheid onzer zintuigen aan onze waarneming ontsnapt. Ik zal verhalen van mensen, van wezens die gelyke beweging hebben als wy. 't Is waar, wie aandoening schuwt en vermoeiend mede-lyden ontgaan wil, zal zeggen dat die mensen geel zyn, of bruin -- velen noemen ze zwart -- en voor dezulken is 't verschil van kleur beweegreden genoeg om hun oog af te keren van die ellen- de, of ten-minste ls zy er op neerzien, daarop neer te zien zonder aandoening. Myn vertelling is dus alleen gericht aan hen die in-staat zyn tot het moeielyk geloof dat er harten kloppen onder die donkere opperhuid, en dat, wie gezegend is met blankheid en de daarmee samengaande beschaving, edelmoedigheid, handels- en Godskennis, deugd... zyn blanke hoedanigheden zou kunnen aanwenden op ndere wyze dan tot nog toe ondervonden werd door wie minder gezegend zyn in huidskleur en zielevoortreffelykheid. Myn vertrouwen op medegevoel met de Javanen gaat echter niet z ver, dat ik by de beschryving hoe men de laatste buffel rooft uit de _kendang_ (138) by-dag, zonder schroom, onder bescherming van 't nederlands gezag... als ik 't weggevoerd rund laat volgen door de eigenaar en zyn schreiende kinderen... als ik hem laat neerzitten op de trap van 't huis des rovers, sprakeloos en wezenloos en verzonken in smart... als ik hem van daar laat wegjagen met hoon en smaad, met bedreiging van rottingslag en blokgevangenis... zie, ik eis niet -- noch verwacht, o Nederlanders! -- dat ge daardoor zult aangegrepen zyn in gelyke maat als wanneer ik u het lot schetste van een boer wie men zyn koe ontnam. Ik vraag geen traan by de tranen die er vloeien op zo donkere gezichten, noch edele toorn als ik zal spreken van de vertwy- feling der beroofden. Evenmin verwacht ik dat ge zult opstaan, en met myn boek in de hand tot de Koning gaan, en zeggen: zie, o Koning, dat geschiedt in _uw_ Ryk, in uw schoon ryk van Insulinde! Neen, neen, neen, dat alles verwacht ik niet! Te veel leeds in de nabyheid maakt zich meester van uw gevoel, om u z veel gevoels over te laten voor wat zo ver is! Worden niet al uw zenuwen in spanning gehouden door de akeligheid der keus van een nieuw Ka- merlid? Dobbert niet uw verscheurde ziel tussen de wereldberoemde verdiensten van Nietigheid A en Onbeduidendheid B? En hebt ge niet uw dure tranen nodig voor ernstiger zaken dan... maar wat hoef ik mr te zeggen! Was er niet gister slapte op de beurs, en dreigde niet ietwat overvoer de koffimarkt met daling? `Schryf toch zulke zinneloze dingen niet aan je papa, Stern!' heb ik gezegd, en misschien zei ik 't wat driftig, want ik kan geen onwaar- heid lyden, dit is altyd een vast principe van me geweest. Ik heb die avend terstond aan de oude Stern geschreven dat hy haast moest maken met zyn orders, en vooral zich in-acht nemen tegen valse berichten, want de koffi staat heel goed. De lezer gevoelt wat ik by 't aanhoren van die laatste hoofdstukken weer heb uitgestaan. Ik heb in de kinderkamer een solitairspelletje gevonden, en dt neem ik voortaan mee naar de krans. Had ik niet gelyk, toen ik zei dat die Sjaalman allen had gek gemaakt met zyn pak? Zou men in al dat geschryf van Stern -- en Frits doet ook mee, dit is zeker! -- jongelieden herkennen, die opgebracht worden in een deftig huis? Wat zyn dat voor malle uitvallen tegen een ziekte, die zich openbaart in 't verlangen naar een buitenplaats? Is dat op my gemunt? Mag ik niet naar Driebergen gaan, als Frits makelaar is? En wie spreekt van buikaandoeningen, in gezelschap van vrouwen en meisjes? Het is een vast principe van me, altyd bedaard te blyven -- want ik houd dit voor nuttig in de zaken -- maar ik moet erkennen, dat het me dikwyls veel moeite kostte, by 't aanhoren van al de gekheid die Stern voorleest. Wat wil hy toch? Wat moet het eind zyn? Wan- neer komt er nu eindelyk iets degelyks? Wat gaat het my aan, of die Havelaar zyn tuin schoon houdt, en of de mensen voor of achter by hem binnenkomen? By Busselinck en Waterman moet men door een nauw gangetje, naast een oliepakhuis, waar 't altyd heel vuil is. En dan dat gemaal over die buffels! Wat hoeven ze buffels te hebben, die zwarten? Ik heb nog nooit een buffel gehad, en toch ben ik tevreden. Er zyn mensen die altyd klagen. En wat dat schimpen op gedwongen arbeid aangaat, men ziet wel dat hy de preek van dominee Wawelaar niet gehoord heeft, anders zou hy weten hoe nuttig dat werken is voor de uitbreiding van 't Godsryk. 't Is waar, hy is Luthers. O, zeker, als ik had kunnen gissen _hoe_ hy 't boek schryven zou, dat zo gewichtig worden moet voor alle makelaars in koffi -- en anderen -- had ik 't liever zelf gedaan. Maar hy heeft een steun in de Rosemey- ers, die in suiker doen, en dit maakt hem zo boud. Ik heb ronduit gezegd -- want ik ben oprecht in die dingen -- dat wy de geschiedenis van die _Sadjah_ wel kunnen missen, maar daar begon op-eens Louise Rosemeyer tegen my op te staan. Het schynt dat Stern haar gezegd heeft dat er van liefde zou inkomen, en daar zyn zulke meisjes dol op. Ik zou me echter hierdoor niet hebben laten afschrikken, als maar niet de Rosemeyers me gezegd hadden, gaarne kennis te willen aan- knopen met Sterns vader. Dit is natuurlyk om door de vader te komen tot de oom, die in suiker doet. Als ik nu te sterk party trek voor 't gezond verstand tegen de jonge Stern, laad ik de schyn op my, alsof ik hen van hem wil aftrekken, en dit is volstrekt het geval niet, want ze doen in suiker. Ik begryp volstrekt Sterns bedoeling niet met zyn geschryf. Er zyn altyd ontevreden mensen, en staat het hem nu fraai, hy die zoveel goeds geniet in Holland -- van de week nog heeft myn vrouw kamil- lenthee voor hem gezet -- om te schimpen op de Regering? Wil hy daarmee de algemene ontevredenheid aanvuren? Wil _hy_ Gouver- neur-generaal worden? Hy is er verwaand genoeg toe... om het te _willen,_ meen ik. Ik vroeg hem dit eergister, en zei er ronduit by, dat zyn hollands nog zo gebrekkig was. `O, dit is geen bezwaar,' ant- woordde hy. `Er schynt maar zelden een Gouverneur-generaal daar- heen gezonden te worden, die de taal van 't land verstaat.' Wat moet ik nu doen met zo'n wysneus? Hy heeft niet de minste eerbied voor myn ondervinding. Toen ik hem van de week zei dat ik reeds zeven- tien jaar makelaar was, en al twintig jaar de beurs bezocht, haalde hy Busselinck & Waterman aan, die al achttien jaar makelaars zyn, en, zeide hy `die hebben dus n jaar ondervinding meer'. Zo ving hy me, want ik moet erkennen, omdat ik van de waarheid houd, dat Busse- linck & Waterman weinig van de zaken weten, en dat het knoeiers zyn. Marie is ook in de war. Verbeeldt u, dat ze van de week -- het was haar beurt van voorlezen aan 't ontbyt, en we waren aan de geschie- denis van Loth -- op eens stilhield en niet verder lezen wilde. Myn vrouw, die evenzeer als ik op godsdienst gesteld is, trachtte haar met zachtheid tot gehoorzaamheid over te halen, omdat het toch voor een zedig meisje niet past, zo hoofdig te wezen. Alles vergeefs! Toen moest ik als vader met grote strengheid haar beknorren, omdat ze door haar hardnekkigheid de stichting van 't ontbyt bedierf, wat altyd slecht werkt op de hele dag. Maar er was niets aan te doen, en ze ging zver, dat ze zeide, liever doodgeslagen te willen worden dan voort te lezen. Ik heb haar gestraft met drie dagen kamerarrest op koffi en brood, en hoop dat het haar goed zal doen. Om tevens die straf te doen strekken tot zedelyke verbetering, heb ik haar gelast, het kapittel dat ze niet lezen wilde, tien maal af te schryven, en ik ben tot deze strengheid vooral overgegaan, omdat ik bemerkt heb dat ze in de laatste tyd -- of 't van Stern komt, weet ik niet -- begrippen heeft aangenomen, die me gevaarlyk voorkomen voor de zedelykheid, waarop myn vrouw en ik zo byzonder gesteld zyn. Ik heb haar onder andere een frans liedje horen zingen -- van _Branger,_ geloof ik -- waarin een arme oude bedelaarster beklaagd wordt, die in haar jeugd op een theater zong, en gister was zy aan 't ontbyt zonder korset -- Marie, meen ik -- dat toch niet fatsoenlyk is. Ook moet ik erkennen dat Frits weinig goeds heeft thuisgebracht van de bidstond. Ik was redelyk tevreden geweest over zyn stilzitten in de kerk. Hy verroerde zich niet, en wendde geen oog van de preekstoel, maar later vernam ik dat Betsy Rosemeyer in 't doophek had gezeten. Ik heb er niets van gezegd, want men moet voor jonge- lieden niet al te streng zyn, en de Rosemeyers zyn een fatsoenlyk huis. Ze hebben aan hun oudste dochter die met Bruggeman in dro- geryen getrouwd is, iets heel aardigs meegegeven, en daarom geloof ik dat zo-iets Frits van de Westermarkt afhoudt, wat me heel aange- naam is, omdat ik zo op zedelykheid gesteld ben. Maar dit belet niet, dat het me ergert, Frits zyn hart te zien verhar- den, even als Pharao, die minder schuldig was dan hy, omdat hy geen vader had die hem zo gedurig de rechte weg wees, want van de oude Pharao zegt de Schrift niets. Dominee Wawelaar klaagt over zyn verwaandheid -- van Frits, meen ik -- op de katechisatie, en de jongen schynt -- uit dat pak van Sjaalman alweer! -- een neuswyzigheid gehaald te hebben, dat de gemoedelyke Wawelaar dol maakt. Het is aandoenlyk hoe de waardige man, die dikwyls koffi by ons drinkt, by Frits op 't gevoel tracht te werken, en hoe de kwajongen telkens nieuwe vragen gereed heeft, die de weerbarstigheid van zyn gemoed aantonen... 't komt alles uit dat vervloekte pak van Sjaalman! Met tranen van gevoel op de wangen, tracht de yverige dienaar des Evan- geliums hem te bewegen, af te zien van de wysheid naar de mens, om te worden ingeleid in de geheimenissen der wysheid Gods. Met zachtheid en tederheid smeekt hy hem, toch niet te verwerpen het brood des eeuwigen levens, en dusdoende te vervallen in de klauwen van Satan, die met zyn engelen het vuur bewoont, dat hem bereid is tot in eeuwigheid. `O,' zeide hy gisteren -- Wawelaar meen ik -- `o, jonge vriend, open toch de ogen en de oren, en hoor en zie wat de Heer u geeft te zien en te horen door myn mond. Let op de getuigenissen der heiligen die gestorven zyn voor 't ware geloof! Zie Stefanus, als hy nederzinkt onder de keien die hem verpletteren! Zie, hoe nog zyn blik ten hemel is gericht, en hoe nog zyn tong psalmzingt...' `Ik had liever weerom gegooid!' zei Frits daarop. Lezer, wat moet ik met die jongen aanvangen? Een ogenblik later begon Wawelaar op-nieuw, want hy is een yverig dienstknecht, en laat niet af van de arbeid. `O,' zeide hy, `jonge vriend open toch...' de aanhef was als zo-even. `Maar,' ging hy voort, `kunt gy ongevoelig blyven by 't bedenken wat er van u worden zal, als gy eenmaal zult gerekend worden tot de bokken aan de linker- zyde...' Daar berstte de deugniet uit in gelach -- Frits meen ik -- en ook Marie begon te lachen. Zelfs meende ik iets wat naar lachen geleek, te bespeuren op 't gelaat van myn vrouw. Maar toen ben ik Wawelaar te-hulp gekomen, ik heb Frits gestraft met een boete uit zyn spaarpot, aan 't zendelinggenootschap. (139) Och, lezer dat alles treft me diep. En men zou, by zlk lyden, zich kunnen vermaken met het aanhoren van vertelsels over buffels en Javanen? Wat is een buffel in vergelyk met de zaligheid van Frits? Wat gaan my de zaken aan van die mensen in de verte, als ik vrezen moet dat Frits door zyn ongeloof myn eigen zaken zal bederven, en dat hy nooit een flink makelaar worden zal? Want Wawelaar zelf heeft gezegd, dat God alles z bestiert, dat rechtzinnigheid tot ryk- dom voert. `Zie maar,' zeide hy, `is er niet veel rykdom in Nederland? Dat komt door 't geloof. Is niet in Frankryk telkens moord en dood- slag? Dat is omdat ze daar katholiek zyn. Zyn niet de Javanen arm? 't Zyn heidenen. Hoe langer de Hollanders met de Javanen omgaan, hoe meer rykdom er zal komen hier, en hoe meer armoede daargin- der. Dat is Gods wil zo!' Ik sta verbaasd over Wawelaars doorzicht in zaken. Want het is de waarheid dat ik, die stipt op de godsdienst ben, myn zaken zie voor- uitgaan van-jaar tot-jaar, en Busselinck & Waterman, die om God noch gebod geven, zullen knoeiers blyven hun leven lang. Ook de Rosemeyers, die in suiker doen en een roomse meid houden, hebben onlangs weer 27"%" moeten aannemen uit de massa van een jood die fout was. Hoe meer ik nadenk, hoe verder ik kom in 't doorgronden van Gods onnaspeurlyke wegen. Onlangs is gebleken dat er weer dertig miljoen zuiver gewonnen is op de verkoop van produkten die door de heidenen geleverd zyn, en daarby is niet eens gerekend wat ik daarop verdiend heb, en de vele anderen die van deze zaken leven. Is dit nu niet alsof de Heer zeide: `ziedaar dertig miljoen ter beloning van uw geloof?' Is dit niet duidelyk de vinger Gods, die de boze laat arbeiden om de rechtvaardige te behouden? Is dit niet een wenk om voort te gaan op de goede weg? Om ginds veel te laten voortbrengen, en hier te volharden in 't ware geloof? Heet het niet daarom: `bidt en werkt' opdat _wy_ zouden bidden, en 't werk laten doen door 't zwarte goedje dat geen `Onze Vader' kent? O, hoe heeft Wawelaar gelyk, als hy Gods juk zacht noemt! Hoe licht wordt de last gemaakt aan ieder die gelooft! Ik ben pas in de veertig, en zou kunnen uitscheiden als ik wilde, en naar Driebergen gaan, en zie eens hoe 't met anderen afloopt, die de Heer verlieten? Gisteren heb ik Sjaalman gezien met zyn vrouw en hun jongetje: ze zagen er uit als spoken. Hy is bleek als de dood, zyn ogen puilen uit, en zyn wangen staan hol. Zyn houding is gebogen, schoon hy nog jonger is dan ik. Ook zy was zeer armoedig gekleed, en ze scheen weer geschreid te hebben. Nu, ik had terstond bemerkt dat zy ontevreden van natuur is, want ik behoef iemand maar eenmaal te zien om hem te beoordelen. Dat komt van de ondervinding. Ze had een manteltje van zwarte zyde om, en 't was toch vry koud. Van krinoline was geen spoor. Haar licht japonnetje hing slap om de knien, en aan de rand was franje. Hy had zelfs zyn sjaal niet meer om, en zag er uit alsof 't zomer was. Toch schynt hy nog een soort van trots te bezitten, want hy gaf iets aan een arme vrouw, die op de sluis zat -- Frits zegt: _brug,_ maar wat van steen is zonder een wip, noem ik _sluis_ (140) -- en wie zelf zo weinig heeft, doet zonde als hy nog weggeeft aan een ander. Bovendien, ik geef nooit op straat -- dit is een principe van me -- want ik zeg altyd, als ik zo arme mensen zie: wie weet of 't hun eigen schuld niet is, en ik mag hen niet styven in verkeerdheid. Zondags geef ik tweemaal: eens voor de armen, en eens voor de kerk. Z behoort het! Ik weet niet of Sjaalman me gezien heeft, maar ik ging snel voorby en keek naar boven, en dacht aan de rechtvaardigheid van God, die hem toch niet zo zou laten lopen zonder winterjas, als hy beter had opge- past en niet lui, pedant en ziekelyk was. Wat nu myn boek aangaat, moet ik waarlyk de lezer om verscho- ning vragen voor de onvergeeflyke wyze, waarop Stern misbruik maakt van ons kontrakt. Ik moet erkennen dat ik zeer opzie tegen de eerste kransavend en de liefdegeschiedenis van die _Sadjah._ De lezer weet reeds, welke gezonde begrippen ik over liefde heb... men denke slechts aan myn beoordeling van dat uitstapje naar de Ganges. Dat jonge meisjes zo-iets aardig vinden, kan ik wel begrypen, maar 't is my onverklaarbaar dat mannen van jaren zulke zotheden zonder walg aanhoren. Ik ben zeker, dat ik op de aanstaande krans de triolet vind van myn solitairspel. Ik zal beproeven niets van die _Sadjah_ te horen, en hoop dat de man gauw trouwt, als _hy_ ten-minste de held is van de liefdehistorie. 't Is nog al wl van Stern, dat hy vooraf gewaarschuwd heeft, dat het een eentonige geschiedenis wezen zal. Zodra hy dan later aan wat anders begint, zal ik weer toeluisteren. Maar dat afkeuren van 't Bestuur, verveelt me byna evenzeer als liefdegeschiedenissen. Men ziet uit alles, dat Stern jong is en weinig ondervinding heeft. Om de zaken goed te beoordelen, moet men alles van naby zien. Toen ik trouwde ben ik zelf in Den Haag geweest, en heb met myn vrouw 't Maurits- huis bezocht. Ik ben daar in aanraking gekomen met alle standen van de maatschappy, want ik heb de Minister van Financin zien voorby- ryden, en we hebben samen flanel gekocht in de Veenestraat -- ik en myn vrouw, meen ik -- en nergens heb ik 't minste blyk bespeurd van ontevredenheid met de Regering. Die juffrouw in de winkel zag er welvarend en tevreden uit, en toen dus in 1848 sommigen ons tracht- ten wys te maken dat in Den Haag niet alles was zo als 't behoorde, heb ik op de krans over die ontevredenheid het myne gezegd. Ik vond geloof, want ieder wist dat ik by ondervinding sprak. Ook op de terugreis met de diligence heeft de kondukteur `schep vreugd' gebla- zen, en dat zou de man toch niet gedaan hebben, als er zoveel ver- keerds was. Z heb ik op alles gelet, en wist dus terstond wat ik te denken had van al dat morren in 1848. Tegenover ons woont een juffrouw, wier neef een _toko_ doet in de Oost, zoals ze daar een winkel noemen. Wanneer dus alles zo slecht ging als Stern zegt, zou zy er ook wel wat van weten, en 't schynt toch dat het mens zeer tevreden is met de zaken, want ik hoor haar nooit klagen. Integendeel, ze zegt dat haar neef daar op een buiten woont, en dat hy lid is van de kerkeraad, en dat hy haar een pauweveren sigaarkoker heeft gezonden, die hy zelf gemaakt had van bamboe. Dit alles toont toch duidelyk, hoe ongegrond dat geklaag is over slecht bestuur. Ook ziet men daaruit, dat er voor iemand die wil oppassen, in dat land nog wel wat te verdienen valt, en dat dus die Sjaalman ook dr al lui, pedant en ziekelyk geweest is, anders zou hy niet zo arm zyn thuisgekomen, en hier rondlopen zonder winterjas. En de neef van die juffrouw tegenover ons, is de enige niet, die in de Oost fortuin heeft gemaakt. In `Polen' (2) zie ik velen die daar geweest zyn, en waarlyk heel knap in de kleren steken. Maar dit begrypt zich, op de zaken moet men passen, ginder zo goed als hier. Op Java zullen de gebraden duiven niemand in de mond vliegen: er moet gewerkt worden! En wie dt niet wil, is arm en blyft arm, dat spreekt vanzelf. Zeventiende hoofdstuk (141) _Sadjah's_ vader had een buffel, waarmede hy zyn veld bewerkte. Toen deze buffel hem was afgenomen door het distriktshoofd van _Parang-Koediang,_ was hy zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen lang. Want de tyd van ploegen was naby, en 't was te vrezen, als men de _sawah_ niet tydig bewerkte, dat ook de tyd van zaaien zou voorbygaan, en eindelyk dat er geen padie zou te snyden zyn, om die te bergen in de _lombong_ van het huis. Ik moet hierby voor lezers, die wel Java doch niet _Bantam_ kennen, de opmerking maken dat in deze residentie _persoonlyk grondeigen- dom_ bestaat, wat elders niet het geval is. (142) _Sadjah's_ vader nu was zeer bekommerd. Hy vreesde dat zyn vrouw behoefte zou hebben aan ryst, en ook _Sadjah_ die nog een kind was, en de broertjes en zusjes van _Sadjah._ Ook zou het distriktshoofd hem aanklagen by de adsistent-resi- dent, als hy achterlyk was in de betaling van zyn landrenten. Want daarop staat straf by de wet. Toen nam _Sadjah's_ vader een _kris_ die _poesaka_ was van _zyn_ vader. De kris was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de schede, en ook op de punt der schede was een plaatje zilver. Hy verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam te-huis met vier-en-twintig gulden, voor welk geld hy een andere buffel kocht. _Sadjah,_ die toen omstreeks zeven jaar oud was, had met de nieuwe buffel spoedig vriendschap gesloten. Ik zeg niet zonder doel: vriend- schap, want het is inderdaad treffend te zien hoe de javase _kerbo_ zich hecht aan de kleine jongen die hem bewaakt en verzorgt. Het sterke dier buigt gewillig de zware kop rechts of links of omlaag naar de vingerdruk van 't kind, dat hy kent, dat hy verstaat, waarmede hy is opgegroeid. Zulke vriendschap dan had ook de kleine _Sadjah_ spoedig weten in te boezemen aan de nieuwe gast, en _Sadjah's_ aanmoedigende kin- derstem scheen meer kracht nog te geven aan de krachtvolle schoften van 't sterke dier, als het de zware kleigrond opscheurde en zyn weg tekende in diepe scherpe voren. De buffel keerde gewillig om als hy aan 't eind was van de akker, en verloor geen duimbreed gronds by het terugploegen van de nieuwe voor, die altyd naast de oude lag als ware de _sawah_ een tuingrond geweest, geharkt door een reus. Daarnaast lagen de _sawahs_ van _Adinda's_ vader, de vader van 't kind dat met _Sadjah_ huwen zou. En als _Adinda's_ broertjes aankwa- men aan de tussenliggende grens, juist als ook _Sadjah_ daar was met zyn ploeg, dan riepen zy elkander vrolyk toe, en roemden om-stryd de kracht en de gehoorzaamheid hunner buffels. Maar ik geloof dat die van _Sadjah_ de beste was, misschien wel omdat deze hem beter dan de anderen wist toe te spreken. Want buffels zyn zeer gevoelig voor goede toespraak. _Sadjah_ was negen jaar oud geworden, en _Adinda_ reeds zes jaren, voor deze buffel aan _Sadjah's_ vader werd afgenomen door het dis- triktshoofd van _Parang-Koediang. Sadjah's_ vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee zilveren _klamboe_-haken, _poesaka_ van de ouders zyner vrouw, voor achttien gulden. En voor dat geld kocht hy een nieuwe buffel. Maar _Sadjah_ was bedroefd. Want hy wist van _Adinda's_ broertjes, dat de vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hy had zyn vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hy dr was om de _klamboe_-haken te verkopen? Op welke vraag _Sadjah's_ vader niet had willen antwoorden. Daarom vreesde hy dat zyn buffel ge- slacht was, zoals de andere buffels die het distriktshoofd afnam aan de bevolking. En _Sadjah_ schreide veel als hy dacht aan de arme buffel waarmede hy twee jaren zo innig had omgegaan. En hy kon niet eten, lange tyd, want zyn keel was te nauw als hy slikte. Men bedenke dat _Sadjah_ een kind was. De nieuwe buffel leerde _Sadjah_ kennen, en nam in de genegen- heid van 't kind zeer spoedig de plaats in van zyn voorganger... al te spoedig eigenlyk. Want, helaas, de wasindrukken van ons hart wor- den zo licht gladgestreken, om plaats te maken voor later schrift. Hoe dit zy, de nieuwe buffel was wel niet zo sterk als de vorige... wel was 't oude juk te ruim voor zyn schoft... maar 't arme dier was gewillig als zyn voorganger die geslacht was; en al kon dan _Sadjah_ niet meer roemen op de kracht van zyn buffel by 't ontmoeten van _Adinda's_ broertjes aan de grens, hy beweerde toch dat geen ander de zynen overtrof in goede wil. En wanneer de vore niet zo rechtlynig liep als voorheen, of als er aardklonten ondoorgesneden waren omgegaan, werkte hy dat gaarne by met zyn _patjol,_ zoveel hy kon. Bovendien, geen buffel had een _oeser-oeseran_ als de zyne. De _penghoeloe_ zelf had gezegd dat er _ontong_ was in de loop van die haarwervels op de achterschoften. Eens, in 't veld, riep _Sadjah_ te-vergeefs zyn buffel toe, wat spoed te maken. Het dier stond pal. _Sadjah,_ verstoord over zo grote en vooral zo ongewone weerspannigheid, kon zich niet weerhouden een belediging te uiten. Hy riep: _a.s._ Ieder die in Indi geweest is, zal my verstaan. En wie me niet verstaat, wint er by dat ik hem de uitlegging spaar van een grove uitdrukking. _Sadjah_ bedoelde evenwel niets kwaads daarmede. Hy zei 't maar omdat hy 't zo dikwyls had horen zeggen door anderen, als ze onte- vreden waren over hun buffels. Maar hy had het niet behoeven te zeggen, want het baatte niets: zyn buffel deed geen stap verder. Hy schudde de kop als om 't juk af te werpen... men zag de adem uit zyn neusgaten... hy blaasde, sidderde, rilde... er was angst in zyn blauw oog, en de bovenlip was opgetrokken zodat het tandvlees bloot lag... `Vlucht, vlucht,' riepen op-eenmaal _Adinda's_ broertjes, _`Sadjah,_ vlucht! Daar is een tyger!' En allen ontdeden hun buffels van de ploegjukken, en slingerden zich op de brede ruggen, en galoppeerden weg door _sawahs,_ over _galangans,_ door modder, door kreupelhout en bos en _allang-allang,_ langs velden en wegen. En toen ze hygend en zwetend binnenrenden in het dorp _Badoer,_ was _Sadjah_ niet by hen. Want toen deze zyn buffel, bevryd van het juk, had bestegen als de anderen om te vluchten als zy, had een onverwachte sprong van het dier hem 't evenwicht benomen en ter-aarde geworpen. De tyger was zeer na... _Sadjah's_ buffel, voortgedreven door eigen vaart, schoot enige sprongen voorby de plek waar zyn kleine meester de dood wachtte. Maar door eigen vaart alleen, en niet door eigen wil, was het dier verdergegaan dan _Sadjah._ Want nauw had het de stuwing overwon- nen die alle stof beheerst, ook na 't ophouden van de oorzaak die haar voortstuwde, of 't keerde terug, zette zyn lomp lyf op zyn lompe poten als een dak over het kind, en keerde zyn gehoornde kop naar de tyger. Deze sprong... maar hy sprong voor 't laatst. De buffel ving hem op zyn hoornen, en verloor slechts wat vlees dat de tyger hem uitsloeg aan de hals. De aanvaller lag daar met opgescheurde buik, en _Sadjah_ was gered. Wl was er _ontong_ geweest in de _oeser-oeseran_ van die buffel! (143) Toen deze buffel aan _Sadjah's_ vader was afgenomen, en ge- slacht... Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is. ... toen deze buffel geslacht was, telde _Sadjah_ twaalf jaar, en _Adin- da_ weefde _sarongs,_ en _batikte_ die met puntige _kapala._ Ze had reeds gedachten te brengen in de loop van haar verfschuitje, en ze tekende droefheid op haar weefsel, want ze had _Sadjah_ zeer treurig gezien. En ook _Sadjah's_ vader was bedroefd, doch zyn moeder het meest. Deze toch had de wonde genezen aan de hals van het trouwe dier dat haar kind ongedeerd had thuis-gebracht, nadat zy op de mare van _Adinda's_ broertjes gemeend had dat het was weggevoerd door de tyger. Ze had die wond zo dikwyls bezien met de gedachte hoe diep de klauw die z ver indrong in de ruwe vezelen van de buffel, zou voortgedreven zyn in 't weke lyf van haar kind, en telkens als ze verse geneeskruiden had gelegd op de wonde, streelde zy de buffel en sprak hem enige vriendelyke woorden toe, dat het goede trouwe dier toch weten zou hoe dankbaar een moeder is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch mocht verstaan hebben, want dan had hy ook haar schreien begrepen toen hy werd weggevoerd om geslacht te worden, en hy had geweten dat het niet _Sadjah's_ moeder was, die hem slachten liet. Enige tyd daarna vluchtte _Sadjah's_ vader uit het land. Want hy was zeer bevreesd voor de straf als hy zyn landrenten niet betalen zou, en hy had geen _poesaka_ meer om een nieuwe buffel te kopen, daar zyn ouders altyd in _Parang-Koedjang_ woonden, en hem dus weinig hadden nagelaten. Ook de ouders van zyn vrouw woonden altyd in hetzelfde distrikt. Na 't verlies van de laatste buffel hield hy zich nog enige jaren staande door te werken met gehuurde ploegdie- ren. Maar dit is een zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in 't bezit van eigen buffels geweest is. _Sadjah's_ moeder stierf van verdriet, en toen maakte zyn vader in een moede- loos ogenblik zich weg uit _Lebak_ en uit _Bantam,_ om werk te zoeken in 't _Buitenzorgse._ Hy werd met rottingslagen gestraft omdat hy _Lebak_ verlaten had zonder pas, en door de policie teruggebracht naar _Badoer._ Hier werd hy in de gevangenis geworpen omdat men hem voor krankzinnig hield, wat zo onverklaarbaar niet zou geweest zyn, en omdat men vreesde dat hy in een ogenblik van _matah-glap,_ mis- schien _amokh_ maken of andere verkeerdheden begaan zou. Maar hy was niet lang gevangen, wyl hy kort daarop stierf. Wat er geworden is van de broertjes en zusjes van _Sadjah,_ weet ik niet. Het huisje dat zy bewoonden te _Badoer,_ stond enige tyd ledig, en spoedig viel het in, daar 't slechts van bamboe gebouwd was, en gedekt met _atap._ Een weinig stof en vuil dekte de plek waar veel geleden werd. Er zyn veel zulke plekken in _Lebak. Sadjah_ was reeds vyftien jaar, toen zyn vader naar _Buitenzorg_ vertrok. Hy had deze niet daarheen vergezeld omdat hy groter plan- nen in zyn gemoed omdroeg. Men had hem gezegd dat er te _Batavia_ zoveel heren waren die in _bendies_ reden, en dat er dus misschien voor hem een dienst zou te vinden zyn als _bendie_-jongen, waartoe men gewoonlyk iemand kiest, die nog jong is en onvolwassen, om niet door te veel zwaarte achter op het tweewielig rytuig, 't evenwicht te breken. Er was, had men hem verzekerd, by goed gedrag veel te winnen in zodanige bediening. Misschien zelfs zou hy op deze wyze binnen drie jaren geld kunnen oversparen, genoeg om twee buffels te kopen. Dit vooruitzicht lachte hem toe. Met fiere tred, zoals iemand gaat die grote zaken in de zin heeft, trad hy na 't vertrek zyns vaders by _Adinda_ binnen, en deelde haar zyn plan mede. `Denk eens,' zeide hy, `als ik wederkom zullen wy oud genoeg zyn om te trouwen, en we zullen twee buffels hebben!' `Heel goed, _Sadjah!_ Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt. Ik zal spinnen, en _sarongs_ en _slendangs_ weven, en _batikken,_ en heel vlytig zyn al die tyd.' `O, ik geloof je, _Adinda!_ Maar... als ik je getrouwd vind?' _`Sadjah,_ je weet immers wel dat ik met niemand trouwen zal. Myn vader heeft me toegezegd aan uw vader.' `En jyzelf?' `Ik zal trouwen met u, wees daar zeker van!' `Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte...' `Wie zal dat horen, als we ryst stampen in 't dorp?' `Dat is waar. Maar _Adinda..._ o ja, dit is beter: wacht me by het _djati_-bos, onder de _ketapan_ waar je my de _melatti_ hebt gegeven.' `Maar, _Sadjah,_ hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te wachten by de _ketapan?' Sadjah_ bedacht zich een ogenblik, en zeide: `Tel de manen. Ik zal uitblyven driemaal twaalf manen... deze maan rekent niet mee. Zie, _Adinda,_ kerf een streep in je rystblok by elke nieuwe maan. Als je driemaal twaalf strepen hebt ingesneden, zal ik de dag die drop volgt, aankomen onder de _ketapan._ Beloof je, dr te zyn?' `Ja, _Sadjah!_ Ik zal onder de _ketapan_ by het djatibos wezen als je terugkomt.' Nu scheurde _Sadjah_ een strook van zyn blauwe hoofddoek, die zeer versleten was, en hy gaf dat stukje lynwaad aan _Adinda,_ dat ze 't bewaren zou als een pand. En toen verliet hy haar en _Badoer._ Hy liep vele dagen voort. Hy ging _Rangkas-Betoeng_ voorby, dat nog niet de hoofdplaats was van _Lebak,_ en _Waroeng-Goenoeng_ waar toen de adsistent-resident woonde, en de volgende dag zag hy _Pan- deglang_ dat daar ligt als in een tuin. Weder een dag later kwam hy te _Serang_ aan, en stond verbaasd over de pracht van zulke grote plaats met vele huizen, gebouwd van steen, en gedekt met rode pannen. _Sadjah_ had nooit zoiets gezien. Hy bleef daar een dag omdat hy vermoeid was, maar 's nachts in de koelte ging hy verder, en kwam tot _Tangerang,_ de volgende dag, voor nog de schaduw gedaald was tot zyn lippen, hoewel hy de grote _toedoeng_ droeg die zyn vader hem had achtergelaten. Te _Tangerang_ baadde hy zich in de rivier naby de overvaart, en hy rustte uit in 't huis van een bekende zyns vaders, die hem wees hoe men strohoeden vlecht, even als die van _Manilla_ komen. (144) Hy bleef daar een dag om dit te leren, omdat hy bedacht hiermee later iets te kunnen verdienen, in-geval hy niet slagen mocht te _Batavia._ De volgende dag tegen de avend toen 't koel werd, bedankte hy zyn gastheer zeer, en ging verder. Zodra 't geheel donker was, opdat niemand het zien zou, haalde hy het blad te-voorschyn, waarin hy de _melatti_ bewaarde, die _Adinda_ hem gegeven had onder de _ketapan_- boom. Want hy was bedroefd geworden omdat hy haar niet zien zou in z lange tyd. De eerste dag, en ook de tweede, had hy minder sterk gevoeld hoe alln hy was, omdat zyn ziel geheel was ingenomen door 't grote denkbeeld geld te verdienen tot het kopen van twee buffels, daar zyn vader zelf nooit meer bezeten had dan n, en zyn gedachten richtten zich te veel op 't weerzien van _Adinda,_ om plaats te bieden aan veel droefheids over 't afscheid. Hy had dat afscheid genomen in overspannen hoop, en in zyn gedachten het vastge- knoopt aan 't eindelyk terugzien onder de _ketapan._ Want z grote rol speelde het uitzicht op dat weerzien in zyn hart, dat hy, by 't verlaten van _Badoer_ die boom voorbygaande, iets vrolyks voelde, als waren ze reeds voorby, de zes-en-dertig manen die hem scheidden van dat ogenblik. Het was hem voorgekomen dat hy slechts om te keren had alsof hy reeds terugkwam van de reis, om _Adinda_ te zien, hem wachtende onder die boom. Maar hoe verder hy zich verwyderde van _Badoer,_ en hoe meer hy lette op de vreselyke duur van n dag, hoe meer hy de zes-en-dertig manen die voor hem lagen, begon lang te vinden. Er was iets in zyn ziel, dat hem minder snel deed voortstappen. Hy voelde droefheid in zyn knien, en al was 't geen moedeloosheid die hem overviel, het was toch weemoed die niet ver is van moedeloosheid. Hy dacht er aan, terug te keren, maar wat zou _Adinda_ zeggen van z weinig hart? Daarom liep hy door, al ging hy minder snel dan de eerste dag. Hy had de _melatti_ in de hand, en drukte die dikwyls tegen zyn borst. Hy was veel ouder geworden sedert drie dagen, en begreep niet meer hoe hy vroeger zo kalm geleefd had, daar toch _Adinda_ zo naby hem was en hy haar zien kon telkens en zo lang hy wilde. Want n zou hy niet kalm wezen als hy verwachten kon dat ze straks voor hem staan zou. En ook begreep hy niet dat hy na 't afscheid niet nogeens was terugge- keerd om haar nog nmaal aan te zien. Ook kwam hem voor de geest hoe hy nog kort geleden met haar getwist had over de koord die ze spon voor de _lalayang_ van haar broertjes, en die gebroken was omdat er, naar hy meende, een fout was in haar spinsel, waardoor een weddingschap was verloren gegaan tegen de kinderen uit _Tjipoeroet._ `Hoe was 't mogelyk,' dacht hy, `hierover boos te worden op _Adinda?_ Want al hd zy een fout gesponnen in de koord, en al ware de wed- dingschap van _Badoer_ tegen _Tjipoeroet_ verloren drdoor, en niet door de glasscherf -- zo ondeugend en handig dan geworpen door de kleine Djamien die zich verschool achter de _pagger_ -- had ik zelfs dn zo hard mogen wezen tegen haar, en haar noemen met onbehoorlyke namen? Wat zal 't zyn, als ik sterf te _Batavia_ zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor z grote ruwheid? Zal 't niet wezen alsof ik een slecht mens ben die scheldwoorden werpt op een meisje? En zal niet als men hoort dat ik gestorven ben in een vreemd land, ieder te _Badoer_ zeggen: het is goed dat _Sadjah_ stierf, want hy heeft een grote mond gehad tegen _Adinda?'_ Zo namen zyn gedachten een loop die veel verschilde van de vorige overspanning, en onwillekeurig uitten ze zich, eerst in halve woor- den binnen'smond, weldra in een alleenspraak, en eindelyk in de weemoedige zang waarvan ik hier de vertaling laat volgen. Eerst was myn voornemen wat maat en rym te brengen in die overzetting, doch evenals Havelaar vind ik beter dat keurslyf weg te laten. `Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb de grote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was met myn vader om zout te maken. Als ik sterf op de zee, en men werpt myn lichaam in het diepe water, zullen er haaien komen. Ze zullen rondzwemmen om myn lyk, en vragen: `wie van ons zal het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?' `~Ik zal 't niet horen. `~Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb het huis zien branden van _Pa-ansoe,_ dat hyzelf had aange- stoken omdat hy _mata-glap_ was. Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout neervallen op myn lyk. En buiten het huis zal een groot geroep zyn van mensen die water werpen om het vuur te doden. `~Ik zal 't niet horen. `~Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb de kleine _Si-oenah_ zien vallen uit de _klappa_-boom, toen hy een _klappa_ plukte voor zyn moeder. Als ik val uit een _klappa_-boom, zal ik dood nederliggen aan de voet, in de struiken, als _Si-oenah._ Dan zal myn moeder niet schreien, want zy is dood. Maar anderen zullen roepen: `zie, daar ligt _Sadjah!'_ met harde stem. `~Ik zal 't niet horen. `~Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb het lyk gezien van _Pa-lisoe,_ die gestorven was van hoge ouderdom, want zyn haren waren wit. Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrou- wen om myn lyk staan. En zy zullen misbaar maken als de klaagvrouwen by _Pa-lisoe's_ lyk. En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid. `~Ik zal 't niet horen. `~Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb velen gezien te _Badoer,_ die gestorven waren. Men kleedde hen in een wit kleed, en begroef hen in de grond. Als ik sterf te _Badoer,_ en men begraaft my buiten de _dessah,_ oostwaarts tegen de heuvel, waar 't gras hoog is, Dan zal _Adinda_ daar voorbygaan, en de rand van haar _sarong_ zal zachtkens voortschuiven langs het gras... `~Ik zal het horen.' _Sadjah_ kwam te _Batavia_ aan. Hy verzocht een heer hem in dienst te nemen, hetgeen die heer terstond deed omdat hy _Sadjah_ niet ver- stond. Want te _Batavia_ heeft men gaarne bedienden die nog geen maleis spreken en dus nog niet zo bedorven zyn als anderen die langer in aanraking waren met europese beschaving. _Sadjah_ leerde spoedig maleis, maar paste braaf op want hy dacht altyd aan de twee buffels die hy kopen wilde, en aan _Adinda._ Hy werd groot en sterk omdat hy alle dagen at, wat te _Badoer_ niet altyd wezen kon. Hy was bemind in de stal, en zou zeker niet afgewezen zyn als hy de dochter van de koetsier ten-huwelyk gevraagd had. Zyn heer zelf hield zoveel van _Sadjah,_ dat deze spoedig werd verheven tot huisbediende. Men verhoogde zyn loon, en gaf hem bovendien gedurig geschenken, omdat men zo byzonder tevreden was over zyn diensten. Mevrouw had de roman van _Sue_ gelezen die zoveel kort gerucht maakte, en dacht altyd aan prins _Djalma_ wanneer ze _Sadjah_ zag. Ook de jonge meisjes begrepen beter dan vroeger hoe de Javaanse schilder _Radhen Saleh_ zo grote opgang had gemaakt te Parys. Maar men vond _Sadjah_ ondankbaar toen hy, na byna drie jaren dienst, zyn ontslag vroeg en om een bewys verzocht dat hy zich goed gedragen had. Men kon hem dit echter niet weigeren, _Sadjah_ ging met een vrolyk hart op reis. Hy ging voorby _Pising,_ waar eens Havelaar woonde, lang geleden. Maar dit wist _Sadjah_ niet. En al had hy 't geweten, hy droeg heel iets anders in de ziel dat hem bezig hield. Hy telde de schatten die hy t'huisbracht. In een bamboezen rol had hy zyn pas en 't getuigschrift van goed gedrag. In een koker die aan een lederen riem bevestigd was, scheen iets zwaars gedurig te slingeren tegen zyn schouder, maar hy voelde dit gaarne... Ik geloof 't wl! Drin waren dertig _spaanse- matten,_ genoeg om drie buffels te kopen. Wat zou _Adinda_ zeggen! En dit was nog niet alles. Op zyn rug zag men de met zilver beslagen schede van een kris die hy in de gordel droeg. Het gevest was zeker van fyn uitgesneden _kamoening,_ want hy had het met veel zorg gewikkeld in een zyden omhulsel. En hy bezat nog meer schatten. In de wrong van de _kahin_ om zyn lendenen bewaarde hy een buikband van brede zilveren schakels, met gouden _ikat-pendieng._ Het is waar dat de band kort was: maar ze was zo slank... _Adinda!_ En aan een koordje om de hals, onder zyn voor-_baadjoe_ droeg hy een zyden zakje, waarin enige verdroogde _melatti._ Was 't wonder dat hy te _Tangerang_ zich niet langer ophield dan nodig was tot het bezoeken van de bekende zyns vaders, die zo fyne strohoeden vlocht? Was 't wonder dat hy weinig zeide tot de meisjes op zyn weg, die hem vroegen: `waarheen, vanwaar?' zoals de groet is in die streken? Was 't wonder dat hy _Serang_ niet meer zo voornaam vond, hy die _Batavia_ had leren kennen? Dat hy niet meer wegkroop in de _pagger,_ zoals hy deed voor drie jaren toen de resident kwam voorbyryden, hy die de veel grotere heer had gezien, die te _Buiten- zorg_ woont en de grootvader is van de _Soesoehoenan_ van _Solo?_ Was 't wonder dat hy weinig acht sloeg op de vertellingen van wie een eind wegs met hem gingen en spraken van al 't nieuws in _Bantan-Kidoel?_ Dat hy nauwelyks luisterde toen men hem verhaalde dat de koffikul- tuur na veel onbeloonde moeite geheel was ingetrokken? Dat het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ wegens roof op de publieke weg was veroordeeld tot veertien dagen arrest ten-huize van zyn schoonvader? Dat de hoofdplaats was verlegd naar _Rangkas-Be- toeng?_ Dat er een nieuwe adsistent-resident gekomen was, omdat de vorige was gestorven, enige maanden geleden? Hoe die nieuwe be- ambte gesproken had op de eerste _sebah_-vergadering? Hoe er sedert enige tyd niemand was gestraft wegens klachte, en hoe men onder de bevolking hoopte dat al 't gestolene zou worden weergegeven of vergoed? Neen, schoner beelden vertoonden zich voor 't oog zyner ziel. Hy zocht de _ketapan_-boom in de wolken, te vr nog als hy was om die te zoeken by _Badoer._ Hy greep naar de lucht die hem omgaf, als wilde hy de gestalte omvatten die hem wachten zou onder die boom. Hy tekende zich _Adinda's_ gelaat, haar hoofd, haar schouder... hy zag de _zware kondeh,_ zo glinsterend zwart, gevangen in eigen strik, afhan- gend in haar hals... hy zag haar groot oog, schitterend in donkere weerschyn... de neusvleugels die ze zo fier optrok als kind, wanneer hy -- hoe was 't mogelyk! -- haar plaagde, en de hoek van haar lippen waarin zy een glimlach bewaarde. Hy zag haar borst, die nu zwellen zou onder de _kabaai..._ hy zag hoe de _sarong,_ die zyzelf geweven had, haar heupen nauw omsloot, en, de dy volgend in gebogen lyn, langs de knie neerviel in heerlyke golving op de kleine voet... Neen, hy hoorde weinig van wat men hem zeide. Hy hoorde geheel andere tonen. Hy hoorde hoe _Adinda_ zeggen zou: `zy wl gekomen, _Sadjah!_ Ik heb aan u gedacht by spinnen en by weven, en by 't stampen van de ryst in het blok dat driemaal twaalf kerven draagt van myn hand. Hier ben ik onder de _ketapan,_ de eerste dag der nieuwe maan. Zy wel gekomen, _Sadjah:_ ik wil uw vrouw zyn!' Dt was de muziek die in zyn oren weerklonk, en hem belette te luisteren naar al 't nieuws dat men hem verhaalde op zyn weg. Eindelyk zag hy de _ketapan._ Of liever hy zag een donkere plek die veel sterren bedekte voor zyn oog. Dat moest het _Djati_-bos wezen, by de boom waar hy _Adinda_ zou weerzien, de volgende dag na 't opgaan van de zon. Hy zocht in het duister, en betastte vele stammen. Wel- dra vond hy een bekende oneffenheid aan de zuidzyde van een boom, en hy legde de vinger in een gleuf die _Si-Panteh_ daarin gehakt had met zyn _parang,_ om de _pontianak_ te bezweren die schuld had aan de tandpyn van _Panteh's_ moeder, kort voor de geboorte van zyn broer- tje. Dt was de _ketapan_ die hy zocht. Ja, wl was dit de plek waar hy voor 't eerst _Adinda_ anders had aangezien dan zyn overige speelnootjes, omdat ze daar voor 't eerst geweigerd had deel te nemen aan een spel dat ze toch had meege- speeld met alle kinderen, knapen en meisjes, nog kort te voren. Dr had ze hem de melatti gegeven. Hy zette zich neder aan de voet van de boom, en zag op naar de sterren. En als er een verschoot, nam hy dit aan als een groet by zyn wederkomst te _Badoer._ En hy dacht er aan, of _Adinda_ nu slapen zou? En of ze wel goed de manen had ingesneden in haar rystblok? Het zou hem zo smarten wanneer zy een maan had overgeslagen, alsof 't niet genoeg ware... zes-en-dertig! En of ze schone sarongs en slendangs zou _gebatikt_ hebben? En ook vroeg hy zich, wie er toch wel wonen zou in zyns vaders huis? En zyn jeugd kwam hem voor de geest, en zyn moeder, en hoe die buffel hem had gered van de tyger, en hy bepeinsde wat er toch zou geworde zyn van _Adinda_ als die buffel minder trouw ware geweest? Hy lette zeer op het dalen van de sterren in 't westen en by elke ster die aan de kim verdween, berekende hy hoe de zon weer iets nader was aan haar opgang in het oosten, en hoeveel nader hyzelf aan 't weerzien van _Adinda._ Want zeker zou ze komen by de eerste straal, ja, by 't schemeren reeds zou ze daar zyn... ach, waarom was ze niet reeds gekomen de vorige dag? Het bedroefde hem dat ze 't niet was vooruitgelopen, het schone ogenblik dat hem drie jaren lang de ziel had voorgelicht met onbe- schryfelyke glans. En, onbillyk als hy was in de zelfzucht zyner liefde, scheen 't hem toe dat _Adinda_ had moeten dr zyn, wachtende op hm, hy die zich nu beklaagde -- vr de tyd reeds! -- dat hy te wachten had op hr. Maar hy beklaagde zich ten-onrechte. Want nog was de zon niet opgegaan, nog had het oog van de dag geen blik geworpen op de vlakte. Wel verbleekten de sterren daar omhoog, beschaamd dat er spoedig een eind komen zou aan haar heerschappy... wel vloeiden er vreemde kleuren over de toppen der bergen, die donkerder schenen naarmate ze scherper afstaken op lichtere grond... wel vloog er hier- en-daar door de wolken in het oosten iets gloeiends -- pylen van goud en van vuur die heen-en-weer werden geschoten, evenwydig aan de kim -- maar ze verdwenen weer en schenen neer te vallen achter de ondoordringbare gordyn die nog altyd de dag bleef verbergen voor de ogen van _Sadjah._ Toch werd het allengs lichter en lichter om hem heen. Hy zag reeds het landschap, en reeds kon hy de kuif onderscheiden van het _klappa_- bosje waarin Badoer verscholen ligt... daar sliep _Adinda!_ Neen, ze sliep niet meer! Hoe zou ze kunnen slapen? Wist ze niet dat _Sadjah_ haar wachten zou? Gewis, ze had niet geslapen de ganse nacht! Zeker had de dorpswacht geklopt aan haar deur, om te vragen waarom de _pelitah_ voortbrandde in haar huisje, en met lieve lach had ze gezegd dat een gelofte haar wakker hield om de _slendang_ af te weven waaraan ze bezig was, en die gereed moest zyn voor de eerste dag der nieuwe maan... Of ze had de nacht doorgebracht in 't donker, zittend op haar rystblok, en tellende met begerige vinger dat er wel waarlyk daarin zes-en-dertig diepe strepen stonden gekorven naast elkander. En ze had zich vermaakt met kunstige schrik of ze zich misschien verreken- de, of er wellicht nog een ontbrak, om nogeens, en nogeens, en telkens weder te genieten van de heerlyke zekerheid dat er wel dege- lyk driemaal twaalf manen waren voorbygegaan sedert _Sadjah_ haar zag voor het laatst. Ook _zy_ zou thans, nu 't al zo licht werd, haar ogen inspannen met vruchteloze vermoeienis om de blikken te buigen ver de kim, opdat ze de zon zouden ontmoeten, de trage zon, die wegbleef... wegbleef... Daar kwam een streep van blauwig rood die zich vastklemde aan de wolken, en de randen werden licht en gloeiend, en 't begon te blikse- men, en weer schoten er pylen van vuur door het luchtruim, maar ze vielen niet neder ditmaal, ze hechtten zich vast op de donkere grond, en deelden hun gloed mede in groter en grotere kringen, en ontmoet- ten elkander, kruisend, slingerend, wendend, dwalend, en ze ver- enigden zich tot vuurbundels, en weerlichtten in gouden glans op een grond van paarlemoer, en er was rood, en blauw, en geel, en zilver, en purper, en azuur in dat alles... o God, dat was de dageraad: dat was het weerzien van _Adinda! Sadjah_ had niet geleerd te bidden, en 't ware ook jammer geweest hem dat te leren, want heiliger gebed en vuriger dank dan er lag in de sprakeloze opgetogenheid zyner ziel, was niet te vatten in menselyke taal. Hy wilde niet naar _Badoer_ gaan. Het weerzien zelf van _Adinda_ kwam hem minder schoon voor, dan de zekerheid haar straks te _zullen_ weerzien. Hy zette zich aan de voet van de _ketapan,_ en liet zyn ogen dwalen over de landstreek. De natuur lachte hem toe en scheen hem welkom te heten als een moeder haar teruggekeerd kind. En even als deze haar vreugde schildert door eigenwillige herinnering aan de voorbygegane smart, by 't vertonen van wat ze bewaarde als aandenken gedurende het afzyn, liet ook _Sadjah_ zich vermaken door 't weerzien van zovele plekken die getuigen waren van zyn kort leven. Maar hoe ook zyn ogen of zyn gedachten ronddwaalden, tel- kens viel zyn blik en zyn verlangen terug op het pad dat van Badoer leidt naar de _ketapan._ Alles wat zyn zinnen waarnamen, heette _Adinda._ Hy zag de afgrond links, waar de aarde zo geel is, waar eens een jonge buffel verzonk in de diepte: daar hadden de dorpelingen zich verzameld om het dier te redden -- want het is geen geringe zaak een jonge buffel te verliezen -- en ze hadden zich neergelaten aan sterke _rottan_-koorden. _Adinda's_ vader was de moedigste geweest... o, hoe zy in de handen klapte, _Adinda!_ En daarginds, aan de andere zyde, waar 't kokosbosje wuift over de hutten van het dorp, daar ergens was _Si-Oenah_ uit een boom geval- len, en gestorven. Hoe schreide zyn moeder: `omdat _Si-Oenah_ nog zo klein was' jammerde zy... alsof ze minder bedroefd zou geweest zyn als _Si-Oenah_ groter geweest ware. Maar klein was hy, dt is waar, want hy was kleiner en zwakker nog dan _Adinda..._ Niemand betrad het wegje dat van _Badoer_ leidde naar de boom. Straks zou ze komen: o, zeker... 't was nog zo vroeg! _Sadjah_ zag een _badjing_ die met dartele vlugheid heen-en-weer- sprong tegen de stam van een _klappa_-boom. Het diertje -- de ergernis van de eigenaar des booms, maar lief toch in gedaante en beweging -- klauterde onvermoeid op-en-neder. _Sadjah_ zag het, en dwong zich er naar te blyven zien, wyl dit aan zyn gedachten rust gaf van de zware arbeid die ze verrichtten sedert het opgaan der zon... rust na 't afmattend wachten. Welhaast uitten zich zyn indrukken in woorden, en hy zong wat er omging in zyn ziel. Het ware my liever u zyn lied te kunnen _voorlezen_ in 't maleis, dat italiaans van het Oosten (145), doch ziehier de vertaling: `Zie hoe de _badjing_ zyn levensonderhoud zoekt Op de _klappa_-boom. Hy stygt, daalt, dartelt links en rechts, Hy draait om de boom, springt, valt, klimt, en valt weder: Hy heeft geen vleugels, en is toch zo vlug als een vogel. `~Veel geluk, myn _badjing,_ ik wens u heil! Ge zult gewis vinden het levensonderhoud dat ge zoekt... Maar ik zit alleen by het _djati_-bos, Wachtende op levensonderhoud van myn hart. `~Reeds lang is het buikje van myn _badjing_ verzadigd... Reeds lang is hy teruggekeerd in zyn nestje... Maar nog altyd is myn ziel En myn hart bitter bedroefd... _Adinda!'_ Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar de _ke- tapan. Sadjah's_ oog viel op een kapel die zich scheen te verheugen omdat het begon warm te worden. `Zie hoe de vlinder daar rondfladdert. Zyn vlerkjes schitteren als een veelkleurige bloem. Zyn hartje is verliefd op de bloesem der _kenari:_ Zeker zoekt hy zyn welriekende geliefde. `~Veel geluk, myn vlinder, ik wens u heil! Ge zult gewis vinden wat gy zoekt... Maar ik zit alleen by het _djati_-bos, Wachtende op wat myn hart liefheeft. `~Reeds lang heeft de vlinder gekust De kenari-bloesem die hy zozeer bemint... Maar nog altyd is myn ziel En myn hart bitter bedroefd... _Adinda!'_ En er was niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar de boom. De zon begon reeds hoog te staan... er was al hitte in de lucht. `Zie, hoe de zon schittert daar omhoog, Hoog boven de _waringi_-heuvel! Ze voelt zich te warm, en wenst neer te dalen, Om te slapen in zee, als in de armen van een gade. `~Veel geluk, o zon, ik wens u heil! Wat gy zoekt, zult ge gewis vinden... Maar ik zit alleen by het _djati_-bos, Wachtende op rust voor myn hart. `~Reeds lang zal de zon ondergegaan wezen, En slapen in de zee, als alles duister is... En nog altyd zal myn ziel En myn hart bitter bedroefd zyn... _Adinda!'_ Nog was er niemand op de weg die er leidt van _Badoer_ naar de _ketapan._ `Als er niet langer vlinders zullen rondfladderen, Als de sterren niet meer zullen schitteren, Als de _melatti_ niet meer welriekend zal wezen, Als er niet langer bedroefde harten zyn, Noch wild gedierte in het woud... Als de zon verkeerd zal lopen, En de maan vergeten wat oost en west is... Als dn _Adinda_ nog niet gekomen is, Dan zal een engel met blinkende vleugelen Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef. Dan zal myn lyk hier liggen onder de _ketapan..._ Myn ziel is bitter bedroefd... _Adinda!'_ Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar de _ke- tapan._ `Dan zal myn lyk door de engel gezien worden. Hy zal het zyn broederen aanwyzen met de vinger: `~`Ziet, daar is een gestorven mens vergeten, Zyn verstyfde mond kust een _melatti_-bloem. Komt, dat wy hem opnemen en ten-hemel dragen, Hem, die op _Adinda_ gewacht heeft tot hy dood was. Gewis, _hy_ mag niet daar achterblyven, Wiens hart de kracht had z te beminnen!' `~Dan zal nog ns myn verstyfde mond zich openen Om _Adinda_ te roepen, die myn hart lief heeft... Nog nmaal zal ik de _melatti_ kussen Die zy me gaf... _Adinda... Adinda!'_ En nog altyd was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar de boom. O, ze was gewis tegen de morgenstond in slaap gevallen, vermoeid van 't waken gedurende de nacht, van 't waken vele lange nachten door! Zeker had ze niet geslapen sedert weken: z was het! Zou hy opstaan en naar _Badoer_ gaan? Neen! Mocht het schynen alsof er twyfel was aan haar komst? Als hy de man riep die daarginds zyn buffel naar 't veld dreef? Die man was te ver. En bovendien, _Sadjah_ wilde niet spreken _over Adinda,_ niet vragen _naar Adinda..._ hy wilde haar _weerzien,_ hr het eerst! O zeker, zker zou ze nu spoedig komen! Hy zou wachten, wachten... Maar als ze ziek was, of... dood? Als een aangeschoten hert vloog _Sadjah_ 't pad op, dat van de _ketapan_ leidt naar het dorp waar _Adinda_ woonde. Hy zag niets en hoorde niets, en toch had hy iets kunnen horen, want er stonden mensen op de weg by de ingang van het dorp, die riepen: _`Sadjah, Sadjah!'_ Maar... was 't zyn haast, zyn drift, die hem belette _Adinda's_ huis te vinden? Hy was reeds voortgevlogen tot aan 't einde van de weg waar het dorp ophoudt, en als dolzinnig keerde hy terug, en sloeg zich voor 't hoofd omdat hy hr huis had kunnen voorbygaan zonder het te zien. Maar weer was hy aan de ingang, en -- myn God, was 't een droom? -- weer had hy _Adinda's_ huis niet gevonden! Nogeens vloog hy terug, en op-eenmaal bleef hy staan, greep met beide handen zyn hoofd, als om daaruit de waanzin weg te persen die hem beving, en riep luide: `dronken, dronken, ik ben dronken!' En de vrouwen van _Badoer_ kwamen uit hun huizen, en zagen met deernis de arme _Sadjah_ daar staan, want zy herkenden hem, en begrepen dat hy _Adinda's_ huis zocht, en wisten dat er geen huis van _Adinda_ was in het dorp _Badoer._ Want, toen het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ de buffel van _Adinda's_ vader had weggenomen... Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is. ... toen was _Adinda's_ moeder gestorven van verdriet. En haar jong- ste zusje was gestorven omdat het geen moeder had die 't zoogde. En _Adinda's_ vader, die vreesde voor de straf als hy zyn landrenten niet betaalde... Ik weet het wel, ik weet het wl, dat myn verhaal eentonig is! _... Adinda's_ vader was heengegaan uit het land. Hy had _Adinda_ meegenomen, met haar broeders. Maar hy had vernomen hoe de vader van _Sadjah_ te _Buitenzorg_ was gestraft met rottingslagen omdat hy _Badoer_ verlaten had zonder pas. En daarom was _Adinda's_ vader niet gegaan naar _Buitenzorg_ noch naar _Krawang,_ noch naar de _Preanger,_ noch naar de _Bataviase Ommelanden..._ hy was gegaan naar _Tjilang-kahan,_ het distrikt van _Lebak,_ dat aan de zee grenst. Daar had hy zich verscholen in de bossen, en gewacht op de komst van _Pa-Ento, Pa-Lontah, Si-Oeniah, Pa-Ansioe, Abdoel-Isma_ en nog enige anderen die door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ be- roofd waren van hun buffels, en die allen vreesden voor straf als ze hun landrenten niet betaalden. Daar hadden ze zich by-nacht mees- ter gemaakt van een vissersprauw, en waren in zee gestoken. Ze hadden westelyk gestuurd, en hielden het land rechts van zich, tot aan _Java-punt._ Vanhier waren zy noordwaarts gestevend tot ze _Ta- nah-itam_ voor zich zagen, dat de europese zeelieden _Prinsen-eiland_ noemen. Zy waren dat eiland omgezeild aan de oostzyde, en hadden toen aangehouden op de _Keizersbaai,_ zich richtende op de hoge piek in de _Lampongs._ Z althans was de weg die men elkander fluisterend vrzei in 't _Lebakse,_ wanneer er gesproken werd over officile buf- felroof en onbetaalde landrenten. Maar de verbysterde _Sadjah_ verstond niet duidelyk wat men hem zeide. Zelfs begreep hy niet goed het bericht van de dood zyns vaders. Er was een gegons in zyn oren als had men op een _gong_ geslagen in zyn hoofd. Hy voelde hoe 't bloed met schokken werd gewrongen door de aderen aan zyn slapen, die dreigden te bezwyken onder de druk van zo zware uitzetting. Hy sprak niet, en staarde met verdoof- de blik rond zonder te zien wat om en by hem was, en berstte eindelyk uit in akelig gelach. Een oude vrouw nam hem mede naar haar huisje en verpleegde de arme dwaas. Weldra lachte hy niet meer zo akelig, maar toch sprak hy niet. Alleen 's nachts werden de hutgenoten opgeschrikt door zyn stem, als hy toonloos zong: _`ik weet niet waar ik sterven zal'_ en enige bewoners van _Badoer_ legden geld tezamen, om een offer te brengen aan de _boaja's_ van de _Tjioedjoeng_ voor de genezing van _Sadjah,_ die men voor zinneloos hield. Maar zinneloos was hy niet. Want eens by nacht, toen de maan helder lichtte, stond hy op van de _baleh-baleh,_ en verliet zachtkens het huis, en zocht naar de plek waar _Adinda_ gewoond had. Het was niet gemakkelyk die te vinden, omdat er zoveel huizen waren ingestort. Doch hy scheen de plaats te herkennen aan de wydte van de hoek die sommige lichtlynen door 't geboomte vormden by haar ontmoeting in zyn oog, zoals de zeeman peiling neemt op vuurtorens of uitstekende bergpunten. Ja, dr moest het zyn... dr had _Adinda_ gewoond! Struikelend over halfvergane bamboe en over stukken van 't neer- gevallen dak, baande hy zich een weg naar 't heiligdom dat hy zocht. En, waarlyk, hy vond nog iets terug van de opstaande _pagger_ waar- naast Adinda's _baleh-baleh_ gestaan had, en zelfs stak in die _pagger_ nog de bamboezen pin, waaraan ze haar kleed hing als ze zich te slapen legde... Maar de _baleh-baleh_ was ingestort als het huis, en byna vergaan tot stof. Hy nam een handvol daarvan, drukte het aan zyn geopende lippen, en ademde zeer diep... De volgende dag vroeg hy aan de oude vrouw die hem verpleegd had, waar 't rystblok was dat er gestaan had op het erf van _Adinda's_ huis? De vrouw was verheugd dat ze hem hoorde spreken, en liep het dorp rond om dat blok te zoeken. Toen zy de nieuwe eigenaar aan _Sadjah_ kon aanwyzen, volgde deze haar zwygend, en by 't rystblok gebracht, telde hy daarop twee en dertig ingekorven strepen... Toen gaf hy die vrouw zoveel _Spaanse-matten_ als nodig was tot het kopen van een buffel, en verliet _Badoer._ Te _Tjilang-Kahan_ kocht hy een vissersprauw, en kwam daarmede na enige dagen zeilens in de _Lampongs_ aan, waar de opstandelingen zich verzetten tegen het nederlands gezag. Hy sloot zich aan by een bende Bantammers, niet om te stryden zozeer als om _Adinda_ te zoeken. Want hy was zacht van aard, en meer ontvankelyk voor droefenis dan voor bitterheid. Op zekere dag dat de opstandelingen op-nieuw waren geslagen, doolde hy rond in een dorp dat pas veroverd was door het nederlandse leger, en dus in brand stond. (146) _Sadjah_ wist dat de bende die daar vernietigd was geworden, grotendeels uit Bantammers had bestaan. Als een spook waarde hy rond in de huizen die nog niet geheel verbrand waren, en vond het lyk van _Adinda's_ vader met een _kle- wang_-bajonetwonde in de borst. Naast hem zag _Sadjah_ de drie ver- moorde broeders van _Adinda,_ jongelingen, byna kinderen nog, en een weinig verder lag het lyk van _Adinda,_ naakt, afschuwelyk mis- handeld... Er was een smal strookje blauw lynwaad gedrongen in de gapende borstwond die een eind scheen gemaakt te hebben aan lange worste- ling... Toen liep _Sadjah_ enige soldaten te-gemoet, die met geveld ge- weer de laatstlevende opstandelingen in 't vuur dreven van de bran- dende huizen. Hy omvademde de brede zwaard-bajonetten, drukte zich voorwaarts met kracht, en drong nog de soldaten terug met een laatste inspanning toen de gevesten stuitten tegen zyn borst. En weinig tyds later was er te _Batavia_ groot gejubel over de nieuwe overwinning die weer zoveel lauweren had gevoegd by de lauweren van 't nederlands-indisch leger. En de Landvoogd schreef naar 't Moederland dat de rust in de _Lampongs_ hersteld was. En de Koning van Nederland, voorgelicht door zyn Staatsdienaren, beloonde wederom zoveel heldenmoed met vele ridderkruisen. En waarschynlyk stegen er in zondagskerk of bidstond uit de har- ten der vromen dankgebeden ten-hemel, by 't vernemen dat `de Heer der heirscharen' weer had meegestreden onder de banier van Neder- land... `Maar God, met zoveel wee begaan, Nam de offers van die dag niet aan!' (147) Ik heb 't slot der geschiedenis van _Sadjah_ korter gemaakt, dan ik had kunnen doen wanneer ik lust gevoeld had in 't schetsen van iets akeligs. De lezer zal opgemerkt hebben hoe ik verwylde by de be- schryving van het wachten onder de _ketapan,_ als schrikte ik terug voor de treurige ontknoping, en hoe ik over deze ben heengegleden met afkeer. En toch was dit myn voornemen niet, toen ik begon over _Sadjah_ te spreken. Want aanvankelyk vreesde ik, sterker kleuren nodig te hebben om de lezer te treffen by 't beschryven van zo vreemde toestanden. Gaande-weg echter gevoelde ik dat het een belediging voor myn publiek wezen zou, te geloven dat ik meer bloed had moeten brengen in myn schildery. (148) Toch had ik dit knnen doen want ik heb stukken voor my liggen... doch neen: liever een bekentenis. Ja, een bekentenis, lezer! Ik weet niet of _Sadjah Adinda_ liefhad. Niet of hy naar _Batavia_ ging. Niet of hy in de _Lampongs_ werd vermoord met nederlandse bajonetten. Ik weet niet of zyn vader bezweek ten-gevolge van de rottingslagen die hem werden gegeven omdat hy _Badoer_ had verlaten zonder pas. Ik weet niet of _Adinda_ de manen telde door kerven in haar rystblok... Dit alles weet ik _niet!_ Maar ik weet _meer_ dan dat alles. Ik weet en _kan bewyzen_ dat er _veel_ Adinda's waren en _veel_ Sadjah's, en dat, _wat verdichtsel is in 't byzonder, waarheid wordt in 't algemeen._ Ik zeide reeds dat ik de namen kan opgeven van personen die, zoals de ouders van _Sadjah_ en _Adinda,_ door onderdrukking werden verdreven uit hun land. Het is myn doel niet, in dit werk mededelingen te geven als voegen zouden voor een vierschaar die uitspraak te doen had over de wyze waarop 't nederlands gezag in Indi wordt uitgeoefend, mededelingen die slechts kracht van bewys zouden hebben voor wie het geduld had die met aandacht en belangstelling door te lezen, zoals niet verwacht kan worden van een publiek dat verstrooiing zoekt in zyn lektuur. Daar- om heb ik, in-plaats van dorre namen van personen en plaatsen, met de dagtekening er by, in-plaats van een afschrift _der lyst van diefstal- len en afpersingen, die voor me ligt_ (149) getracht een schets te geven van wat er kn omgaan in de harten der arme lieden die men berooft van wat dienen moet tot onderhoud van hun leven, of zelfs: ik heb dit slechts laten gissen, vrezende my te zeer te bedriegen in het tekenen der omtrekken van aandoeningen die ik nooit ondervond. Maar wat de _hoofdzaak_ aangaat? O, dat ik opgeroepen werde om te staven wat ik schreef! O, dat men zeide: `ge hebt die _Sadjah_ ver- dicht... hy zong nooit dat lied... er woonde geen _Adinda_ te _Badoer!'_ Maar dat het gezegd werd met de macht en de wil om recht te doen, zodra ik zou bewezen hebben geen lasteraar te zyn! Is er logen in de gelykenis van de barmhartige Samaritaan, omdat er misschien nooit een geplunderd reiziger is opgenomen in een samaritaans huis? Is er logen in de parabel van de zaaier, omdat geen landbouwer zyn zaad zal uitwerpen op een rots? Of -- om af te dalen tot meer gelykheid met myn boek -- mag men de waarheid ontkennen die de hoofzaak uitmaakt van de _Negerhut,_ omdat er misschien nooit een _Evangeline_ bestaan heeft? Zal men tot de schryfster van dat onsterfelyk pleidooi -- onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door _strekking_ en _indruk_ -- zal men tot haar zeggen: `ge hebt gelogen, de slaven worden niet mishandeld, want... er is onwaarheid in uw boek: het is een roman!' Moest niet ook zy, in-plaats ener optelling van dorre daadzaken, een verhaal geven dat die daadzaken inkleedde, om 't besef der behoefte aan verbetering te doen doordringen in de har- ten? Zou haar boek gelezen zyn, als ze daaraan de vorm had gegeven van een processtuk? Is 't haar schuld -- of de myne -- dat de waarheid, om toegang te vinden, zo vaak het kleed moet borgen van de leugen? En aan sommigen die misschien beweren dat ik _Sadjah_ en zyn liefde heb gedealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen? Slechts zeer weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neer te buigen tot waarneming der aandoeningen van de koffi- en suikerwerktuigen die men `inlanders' noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zlke bedenkingen aanvoert als bewys tegen de hoofdstrekking van myn boek, geeft my een grote zege- praal. Want ze luiden, vertaald, `het kwaad dat gy bestrydt, bestaat niet, of niet in zo hoge maat, _omdat_ de inlander niet is als uw _Sad- jah..._ er ligt in de mishandeling der Javanen geen zo groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uw _Sadjah_ juister getekend hadt. De Soendanees zingt zulke liederen niet, bemint zo niet, gevoelt zo niet, en dus...' Neen, Minister van Kolonin, neen, Gouveneurs-generaal in rus- te, niet dt hebt gy te bewyzen! Ge hebt te bewyzen dat de bevolking niet mishandeld wordt, onverschillig of er sentimentele Sadjahs onder die bevolking zyn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van lieden die _niet_ beminnen, die _geen_ droefgeestige liedjes zingen, die _niet_ sentimenteel zyn? (150) By een aanval op letterkundig gebied zou ik de juistheid der teke- ning van _Sadjah_ verdedigen, maar op staatkundige bodem geef ik terstond alle aanmerkingen op die juistheid gewonnen, om te belet- ten dat de grote vraag worde verplaatst op verkeerd terrein. Het is me geheel om 't even of men my houde voor een onbekwaam schilder, mits men my toegeve dat de mishandeling van de inlander is: =verre- gaand=! Z toch luidt het woord op de nota des voorgangers van Havelaar, die door deze getoond werd aan de kontroleur Verbrugge, _een nota die voor me ligt._ (149) Maar ik heb andere bewyzen! En dit is gelukkig, want ook Have- laar's voorganger kon zich vergist hebben. Helaas, als _hy_ zich vergiste, werd hy voor die vergissing zeer hard gestraft. Hy is vermoord. Achttiende hoofdstuk 't Was namiddag. Havelaar trad uit de kamer, en vond zyn Tine in de voorgalery, hem wachtende met de thee. Mevrouw Slotering trad haar huis uit en scheen zich naar de Havelaars te willen begeven, maar eensklaps wendde zy zich naar 't hek, en wees daar met vry hevige gebaren een man terug die even te-voren was binnengetre- den. Ze bleef staan tot zy zich verzekerd had dat hy naar-buiten was teruggegaan, en keerde daarop langs het grasveld naar Havelaars huis terug. `Ik wil toch eindelyk eens weten wat dit beduidt!' zei Havelaar, en toen de begroeting voorby was, vroeg hy op schertsende toon, om haar niet te doen menen dat hy haar een weinig gezag misgunde, op een erf dat vroeger 't hare was: `Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de mensen die 't erf betreden, zo terugzendt? Als die man van zo-even nu eens iemand was die kippen te-koop had, of iets anders wat nodig kon zyn voor de keuken?' Er vertoonde zich op 't gelaat van mevrouw Slotering een pynlyke trek die niet ontsnapte aan Havelaars blik. `Ach,' zeide zy, `er is zoveel slecht volk!' `Zeker, dat is er overal. Maar als men 't de mensen zo moeielyk maakt, zullen de goeden ook wegblyven. Komaan, mevrouw, vertel me toch eens ronduit waarom ge zo streng opzicht houdt over 't erf?' Havelaar zag haar aan, en trachtte vergeefs het antwoord te lezen in haar vochtig oog. Hy drong iets sterker op verklaring aan... de weduw berstte in tranen uit, en zei dat haar man ten-huize van het distriktshoofd te _Parang-Koedjang_ vergiftigd was. `Hy wilde rechtvaardig zyn, m'nheer Havelaar,' ging de arme vrouw voort, `hy wilde een eind maken aan de mishandeling waaron- der de bevolking zucht. Hy vermaande en dreigde de Hoofden, in vergaderingen en schriftelyk... ge moet zyn brieven gevonden heb- ben in 't archief?' Dit was zo. Havelaar had die brieven gelezen, _waarvan afschriften voor my liggen._ (149) `Hy sprak telkens met de resident,' vervolgde de weduw, `maar altyd vergeefs. Want daar 't van algemene bekendheid w