Romane en Trinit Bram de Does Romane en Trinit Historisch origineel en systematisch slordig | | [1] | De Buitenkant Amsterdam Spectatorpers Aartswoud 1991 Inleiding Sinds ik me bewust met letters bezighoud vraag ik me het volgende af. Gaat het me bij tekstletters alleen om leesbaarheid of juist om andere kwaliteiten zoals origi- naliteit, fraaiheid, rust? Om alles tegelijk? Belemmert originaliteit de leesbaarheid en de rust? Kunnen die laatste twee ook een vorm van originaliteit zijn? Heb ik ook onbewuste motieven die mijn voorkeur voor n of andere tekstletter bepalen? Deze vragen houden me bijna veertig jaar bezig. Ik denk er nu een paar te kunnen beantwoorden. Dat ik daar zo lang over deed, komt misschien omdat ik geen kunstacademie volgde, maar een grafische bedrijfslei- dingscursus. Op het gebied van ontwerpen en letter- vormen ben ik grotendeels autodidact. Dat heeft als nadeel een neiging tot eenzijdigheid. Een voordeel is, dat ik daardoor de eigenschappen van mijn voorkeur langdurig en intensief kon onderzoeken. Ik heb de kwaliteiten die tekstletters kunnen hebben in verschillende periodes van mijn leven leren kennen. Bij romeinen lette ik de eerste jaren vooral op de bij- zonderheid of op de zwierige eenvoud van individuele letters als a e f ff fi A K M R W Qu & en de uithangende cijfers, nauwelijks nog op de andere letters en tekens. Op de kwaliteiten van het geheel, de leesbaarheid, de 5 harmonie, de originaliteit, lette ik nog niet zo bewust. Daarna lette ik jaren lang alln op de leesbaarheid --dat dacht ik tenminste--en wees elke `originaliteit' af. In de lange derde periode lette ik voornamelijk op het passen van de letters bij elkaar en de balans tussen horizontaal en vertikaal. Vanaf die tijd noemde ik dat harmonie en vond ik dat iets anders dan `originaliteit'. Lang heb ik toen gedacht dat harmonie ook de enige basis voor leesbaarheid was. Pas toen ik zelf een op- dracht voor het ontwerpen van een tekstletter aannam werd ik geconfronteerd met originaliteit van het ge- heel. Juist door het ontwerpen van die letterserie en het werk dat er daarna mee gemaakt is, heb ik leren inzien dat ook harmonie en leesbaarheid gescheiden gebie- den zijn die elkaar in de weg kunnen staan. Het merkwaardige is, dat mijn ontwikkeling zich bij de beoordeling van _cursieven_ in omgekeerde volgorde voltrok. Daar was ik juist het eerst geboeid door ori- ginaliteit van het geheel. _Een strakke, smalle en weinig hellende cursief met Romein Kapitalen_ boeide me zeker ook omdat je dat toen nog vrijwel nergens zag. Het duurde lang voor ik inzag dat een cursief die ook als tekstletter moet die- nen, op een _andere_ manier origineel zou moeten zijn en ook rustiger, beter leesbaar. Aan de hand van een aantal gebeurtenissen uit mijn ontwikkeling zal ik het proberen te verduidelijken. 6 Loden Romane en Bembo Aan het begin van de vijftiger jaren, tijdens mijn gra- fische opleiding, kreeg ik een uitgesproken voorkeur voor de letters Romane en Bembo, gedrukt in hoog- druk--fotografisch zetten bestond nog niet--op licht- getint en een beetje ruwig tekstpapier. Het was liefde op het eerste gezicht die gebleven is (afb.~ 1, 2). De Romane romein is in 1928 ontworpen door Jan van Krimpen naar drukjes van de Kleine Text Romein No.~ 2, mogelijk van Christoffel van Dijck (1601-1672). Van Krimpen wilde hem gebruiken bij de Kleine Text Curcyf No.~ 2, die zeker van Van Dijck is en waarvan de stempels en matrijzen zich bevinden in de Ensched collectie. De Kleine Text Romein No.~ 2 lijkt mr een Garamont revival dan in Van Dijcks tijd gebruikelijk was en de Romane romein is dat ng meer. Later vond Van Krimpen de combinatie van zijn romein met de 17de eeuwse cursief niet zo geslaagd en hij maakte een nieuwe, minder hellende, waarbij de romein kapitalen worden gebruikt. De Romane cursief is ontworpen in 1949. Het is Van Krimpens laatst geproduceerde letter- ontwerp en evenals de romein alleen uitgebracht door Lettergieterij Ensched als loden handletter in 16, 14, 12 en 10 punt. Er zijn ook kleinkapitalen, sierkapitalen en 28 punts initialen (afb.~ 3, 4, 5). 7 | | [2] | | Afb.~ 1. Monotype Bembo 12/14. Roman en Italic 270-12 en | Condensed Italic 294-12 | De Bembo romein is een Monotype revival uit 1929 naar een letter die gesneden is door Francesco Griffo. Aldus Manutius gebruikte hem in 1495 voor Kardinaal Bembo's traktaat _De Aetna_. De Monotype Bembo cursief is gemaakt naar een drukletter die gebruikt werd in de de tekst van Giovantonio Tagliente's schrijfcursus uit 1524. Er is ook een alternatieve, minder hellende cursief bij de Bembo ontworpen door Alfred Fairbank in 1928. Daar zijn maar een paar corpsen van gemaakt, wat waar- schijnlijk de oorzaak is dat hij in de praktijk veel min- der is gebruikt dan de andere. Vanaf 1958 paste ik de Romane en de Bembo zo veel mogelijk toe als typografisch ontwerper bij Ensched en in 1960 schafte ik de 12 punts Romane aan voor mijn pers, de Spectatorpers. Door ermee te werken leerde ik de kwaliteiten van sommige details benoemen. Zelfs begon ik al wat kritiek te krijgen op kracht- en stellings- verschillen, maar nauwelijks op de vorm van die letters. Aan zelf letters ontwerpen dacht ik toen nog niet. Ik was tevreden met wat er was en zou niet genoeg oor- spronkelijks te bieden hebben gehad. Welke lettergie- terij dacht er nog aan nieuwe letterseries in produktie te nemen? Het verbeteren van kracht- en stellingsver- schillen, zonder een duidelijk nieuwe stijl, zouden zij al helemaal niet als uitgangspunt hebben genomen. 9 | | [3] | | Afb.~ 2. Jan van Krimpen's Romane romein (1928), 16, 14, 12, 10 p. , | gesneden door P. H. Rdisch, ca.~ 1929-33 | | | [4] | | Afb.~ 3. Jan van Krimpen's Romane cursief (1949), 16, 14, 12, 10 p. , | gesneden door P. H. Rdisch met hulp van H. M. Drost, ca.~ 1950-55 | | | [5] | | Afb.~ 4. Jan van Krimpen's `oude' Romane sierkapitalen 16 p. , | gesneden door P. H. Rdisch, ca.~ 1930-33. | Van Krimpen vond ze later onpraktisch en te veel versierd. | Na ca.~ 1955 zijn ze niet meer gegoten. | | | [6] | | Afb.~ 5. Jan van Krimpen's `nieuwe' Romane sierkapitalen 16 p. | (bestaan ook in 14, 12 en 10 p. ), grotendeels gesneden door | H. M. Drost in samenwerking met P. H. Rdisch, ca.~ 1950-55 | Fotografische Bembo Na 1967 leerde ik meer kwaliteiten van de loden Mono- type Bembo benoemen toen die verloren bleken bij de eerste fotografische zetmachines. Aanvankelijk voelde ik het nog niet eens als een verlies dat alle corpsen bij Ensched van n negatief geprojecteerd werden, dat ondervond ik pas later. Het was vooral het verlies in de `leescorpsen' 8 tot en met 12 punt, dat me stoorde: de teveel ingekorte stokken en staarten, de vermagering, de contrastverhoging, de vormverbreding, de slechte stelling, de afronding en de verkloddering. Ook met de loden Bembo was het al moeilijk om in hoogdruk op ruw papier juist zo `tegen zwart aan' te drukken dat er harmonie in het paginabeeld ontstond. Met de beste taaie inkt en niet te snelle druk op nauwe- lijks gelijmd papier was het tenminste _mogelijk_ juist die verzwaring van de letters te krijgen die het evenwich- tige beeld gaf waarop het ontwerp was gebaseerd. Ook maar heel weinig vetter drukken gaf al een onregelma- tig, klodderig paginabeeld. Harmonie is blijkbaar een erg labiel evenwicht tussen meerdere factoren. Behalve inkt en papier zijn er bij offsetdruk veel meer fases in de tekstaanmaak waar het mis kan gaan. Wat we ook experimenteerden met belichten en ontwikkelen, druk en papier, bij die eerste fotografische Bembo's was 13 de harmonie van de hoogdrukversie niet te evenaren. Ik vermoedde toen dat de oorzaak lag in de tekenin- gen, die niet voldoende voor de nieuwe techniek aan- gepast waren. Die techniek zelf was goed genog en gaf zelfs meer mogelijkheden dan lood. Het _moest_ mogelijk zijn om in ieder geval in n corps precies de verwor- venheden van het zo gewaardeerde loodcorps te even- aren, misschien zelfs te verbeteren. Door de techniek van de werkwijze stap voor stap terug te volgen van de offsetdruk met een bepaald soort inkt op een bepaald papier, het copiren op de plaat, de filmcorrectie, het ontwikkelen, het belichten in de zetmachine, moest er door meting achter te komen zijn hoe je de tekeningen zou moeten veranderen om het gewenste resultaat in dat ene corps te krijgen. Ik bestudeerde dat intensief. Gnter Gerhard Lange's Garamond (uit 1972, maar ik zag hem pas in 1976) was de eerste letter die indruk op me maakte door de manier waarop hij voor fotografisch zetten was bewerkt en toch een zeer goede Garamont was gebleven. In 1978 schakelde Ensched over op tweede generatie fotografische zetapparaten, de Autologic APS 153. Juist de Bembo had daar ng meer kwaliteiten verloren. 14 Fotografische Romane? Korte tijd later vroeg de directie van Ensched mij wat ik van het plan van Autologic vond de Romane in hun programma op te nemen. Inplaats dat ik daar nu eens blij om was, raadde ik het af met veel argumenten: _`De Romane is niet n lettertype; kleine en grote corpsen zijn verschil- lend van kracht en snit, door de stempelsnijder aangepast aan de grootte. Een fotografische versie waarbij alle corpsen van n negatief gemaakt worden op een 36 units systeem, zal nooit in alle groottes te vergelijken zijn met de hoogdrukletter. Ook is in hoogdruk de kracht op tekstpapier veel zwaarder dan op gestreken papier, maar met minder dik-dun verschil dan de stempels. Bij fotografisch zetwerk gedrukt in offset kan de kracht op ruw en glad papier echter vrijwel gelijk aan het ontwerp zijn; dunne delen worden zelfs iets dunner, waardoor het contrast juist groter wordt (het Bodoni effect). In 10 punt is de fotografische versie meestal akelig schraal en contrastrijk. Wat is de Romane? Welk corps en welk soort druk is het juiste uitgangspunt? Zou het niet beter, zelfs eenvoudiger zijn een nieuwe letter, echt voor fotografisch zetten te laten maken? '_ Bij zorgvuldiger meten bleken de kracht- en contrast- verschillen bij de vier Romane corpsen geringer dan in een serie gebruikelijk was. Mijn belangrijkste, toen niet uitgesproken argument was echter het vermoeden dat die fraaie Romane er meer door onzorgvuldigheid 15 net zo verkreukeld uit zou komen als de Bembo. Een week later vroeg de directie van Ensched mij of k een andere letter zou kunnen ontwerpen, speciaal voor die nieuwe techniek. Dat was zeker niet de bedoeling van mijn advies geweest. Ik had nog nooit letters ontwor- pen of getekend, wel eens een paar ingevuld voor de heer Hartz, maar nam toch de opdracht aan. Alle meetbare verhoudingen die in de fotografische zettechniek mogelijk tot optimale leesbaarhied, prak- tisch gebruik en vooral harmonie zouden kunnen lei- den, had ik in gedachten wel al jaren verzameld. Ik had daarbij al aan meerdere stok- en staartlengtes gedacht, maar niet aan originaliteit in de vorm van de letters. Zo ontwierp ik van '79-82 voor Ensched de Trinit, speciaal voor hun Autologic APS 153 apparaten en leerde daardoor ng beter de kwaliteiten van de Romane en de Bembo kennen, zelfs toen nog niet lle. Na een jaar worstelen met mijn harmonieprincipes kwam het uit- gangspunt nog tamelijk dicht bij die twee, hoe kon het ook anders. De Trinit is echter `functioneel swingen- der'. Je zou het ook _systematisch slordig_ kunnen noemen. 16 Fotografische Trinit Toen ik aan de Trinit begon, lagen mijn uitgangspun- ten op vier gebieden, die misschien wel voor elke men- selijke produktie gelden: _doelmatigheid_ voor de gebruiker (bij letters is dat leesbaarheid), _harmonie_, _praktische economi- sche toepasbaarheid_ voor de producent (zetmachinefabriek en zetterij) en als vierde _originaliteit_. Ik zal alle uitgangs- punten in het kort in die vier gebieden indelen. Enkele details lijken wel erg vanzelfsprekend; bij tekstletters liggen veel uitgangspunten nu eenmaal voor de hand. Ik noem ze toch maar om volledig te zijn. In de eerste letterproef (ASA Types 2, June '82), in mijn ATypI lezing in Stanford '83 en in een aantal interviews heb ik toege- licht _hoe_ en _waarom_ de details hun werking in het geheel hebben en aan welke letters uit de historie sommige ontleend zijn. Ik hoop dat ooit vollediger te kunnen doen in een volgend boekje. Hier beperk ik me tot het _noemen_ van de uitgangspunten. Bedenk daarbij, dat deze tekst hier gezet is uit de Romane, waarin een aantal van deze kenmerken niet, of minder geprononceerd aanwezig is dan bij de Trinit (afb.~ 8-37). Ter bevordering van de _leesbaarheid_ stelde ik me voor het volgende te kunnen doen: 1 Weinig contrast en flinke kracht van de normale fonts; 17 kracht vergelijkbaar met Romane en Bembo 12 punt, die in hoogdruk gedrukt zijn op ruwig tekstpapier. 2 Stelling iets ruimer dan bij Romane en Bembo 12 p. 3 Condenseds die maar 8% smaller zijn dan de Wides. 4 Mediums maar weinig zwaarder dan de normale fonts, zodat het vooral in het klein nog echte tekstletters zijn. 5 Cursief weinig hellend, ophalen hoog uit de stokken, ronder dan Romane en Bembo cursief, maar wel smal om met de romeinen te contrasteren. 6 Een flink vette Bold die ook met Medium contrasteert. 7 Alle rondingen met gelijkmatig calligrafisch contrast- verloop, zonder platte kantjes of plotselinge zwelling. Terwille van de _harmonie_ leek me het volgende mogelijk: 1 Insnijdingen en uitstulpingen voor scherptebehoud, die zoveel mogelijk deel van de vorm lijken. 2 Tekenen op het 36 units systeem van de APS 153. 3 Functionele swing. Rechte delen heel licht gewelfd. 4 Bij de romeinen de inhoud van de binnenvormen zo- veel mogelijk gelijk laten lijken aan de letterafstanden. 5 Bij de cursieven en bij de vette de afstanden tussen de letters echter iets groter maken dan de binnenvormen. 6 Bij de a en e niet het oog als binnenvorm beschouwen, maar het open gedeelte. Het oog dus klein maken. 7 Schuinstand van 1 graad herstelt de neiging tot achterover- vallen van letters met een topschreef: b h i k l m n. De 18 a d t u zelfs nog iets schuiner, maar j p r minder schuin. 8 Topschreven van de u meer horizontaal dan bij i n m en de rechter topschreef langer dan de linker. 9 Stevige, enigszins calligrafische voetschreven die naar rechts langer zijn dan naar links. 10 Gering contrast. De contrast-as op de dunste plaatsen een hoek van ca.~ 15 graden met de vertikaal in bijna alle letters doorvoeren, ook in b d o p q en B C D G O P R Q. 11 Sommige stokken en rondingen anders van kracht ma- ken om in de leescorpsen even zwaar te lijken als de rest. 12 Samenkomende lijnen binnen de x-hoogte, bij a e k x, extra dun maken om verkloddering te voorkomen. 13 Romein kapitalen klein en licht, kleiner dan de korte stokken. Cursieve kapitalen zelfs ng kleiner. Voor _praktisch gebruik_ dacht ik aan de volgende details: 1 Maak voor zuinige, normale en royale toepassingen een aantal dicht bij elkaar liggende variaties in breedte, ge- wicht, stok- en staartlengte. Dat kan een alternatief zijn voor een goede loden drukletterserie waarbij de corp- sen van klein naar groot in andere maatverhoudingen waren gebracht (afb.~ 33). 2 De unitswaarden van alle tekens identiek maken bij de drie stok- en staartlengtes en ook bij de normale en de medium fonts, zodat ze tot het laatst uitwisselbaar zijn. 3 Bij instelling op hetzelfde corps moet de x-hoogte bij 19 de drie stok- en staartlengtes identiek zijn. Korte stok- ken en staarten vullen bij de APS 153 het corps. De mid- denversie valt daar een beetje buiten, de lange meer. 4 Gering contrast is behalve voor harmonie en leesbaar- heid ook goed voor reproduceerbaarheid in het klein. 5 Kapitalen en kleinkapitalen zoveel mogelijk zelfspati- rend maken of in ieder geval z dat toevoeging van een gelijke spatie al een redelijk evenwichtig beeld geeft. 6 Zelfvormende `ligaturen' fi fj fl fb fh fk _fi fj fl fb fh fk_. 7 Uithangende cijfers in de onderkastfonts plaatsen. 8 Unitswaarden gelijk bij uithangende n tabelcijfers. Als _origineel_ beschouwde ik een groot deel van de details die ik wilde toepassen voor de leesbaarheid en de har- monie. De meeste bestonden al in de renaissance, som- mige vonden hun oorsprong in een latere periode. Op het moment dat ik ze aanbracht waren ze echter in mijn omgeving en op de zetapparatuur die mij bij Ensched ter beschikking stond, niet voldoende meer aanwezig. Het opnieuw toepassen op het moment dat ze voor mij verloren waren is, denk ik, ook een vorm van originali- teit. Je zou het _historische originaliteit_ kunnen noemen. cht nieuw zijn een paar praktische mogelijkheden: de drie stok- en staartlengtes, de geringe materile va- riaties, de zelfspatirende kapitalen, de zelfvormende `ligaturen' en de twee sierstukjes in elk font (afb.~ 34). 20 Reactie Een half jaar na het uitkomen van de Trinit was ik z geschrokken van mijn daad, dat ik van de verdiensten, voor het te laat was, een flinke hoeveelheid Romane in alle corpsen aanschafte voor mijn eigen pers. In 1983 hield ik een lezing voor de ATypI in Stanford. Het slot was een samenvatting van de strekking ervan: _`De laatste tijd vragen vakgenoten vaak wanneer mijn volgende letter- serie uit zal komen. Ik denk echter dat het vrijwel zeker is dat het bij de Trinit zal blijven. Tijdens de ontwikkeling van de Trinit heb ik ervaren dat sommige renaissance letters niet alleen mooier zijn dan andere stijlen (wat ik twintig jaar geleden ook al vond), maar dat bijna elk detail ook een functie heeft voor de leesbaarheid en harmonie van het geheel. Ik zou drom niet makkelijk in een andere stijl kunnen werken. Wl zie ik in de Trinit al details die beter moeten. Het zou voor mij wel zin hebben dat in een andere letter te verwerken, maar bijna iedereen zou vinden dat het dezelfde letter is gebleven. Veel ontwerpers vinden dat ook van de romei- nen van Jan van Krimpen. Bij zijn cursieven zijn de stijlverschillen veel groter. Bij zijn romeinen zijn in elk nieuw letterontwerp twee soorten ver- anderingen van een materiler gehalte gerealiseerd. Hij heeft verbeterin- gen aangebracht in individuele letters en tevens het hele ontwerp in een andere maatverhouding gesteld. Het laatste is steeds de grootste veran- dering (afb.~ 6, 7). De Trinit hft al zo veel geringe materile variaties. Dat kan dus geen reden meer zijn om een volgende letterserie te maken. 21 | | [7] | | Afb.~ 6. Belangrijkste romeinen van Jan van Krimpen, 12/14: Lutetia | (1923-24), Romane (1928), Romulus (1931-37), Spectrum (1941-43) | | | [8] | | Afb.~ 7. De cursieven: Lutetia (1924-25), Romane (1949), Romulus | (1931-37), Spectrum (1941-43) | `~Kortgeleden heb ik Autologic toestemming gegeven de Trinit te digita- liseren in hun bitmap range 2 (12-24 p. ) en range 3 (24-48 p. ) Bij range 1 (6-12 p. ) zou een 10 punt maar ca.~ 350 lijnen per cm hebben. Dat bleek te grof voor de geringe helling van de romeinen. Nodig zijn 1000 lijnen.'_ In '82 en in '83 heb ik Gnter Gerhard Lange ontmoet. De eerste keer op de stand van Berthold op de Drupa, de tweede keer op een ATypI bijeenkomst in Berlijn. Onze gesprekken waren kort en staan in mijn geheu- gen gegrift. Beide keren kwam ons verschil in benade- ring tot uitdrukking en dat sluit aan bij het citaat uit mijn lezing. Lange is een pluriforme ontwerper die in veel stijlen werkt, terwijl ik voornamelijk geboeid ben door renaissance harmonie. Op de Drupa voelde Lange er veel voor de Trinit in het Berthold programma op te nemen, het was wel zeker dat het zou gebeuren. In Berlijn was zijn enthousiasme geluwd. `Maak eens iets anders, speciaal voor Berthold. De Trinit is je eerste- ling en je tweede zal beter zijn. ' Mijn reactie was: `Is er voor fotografisch zetten iets voldoende nders te ma- ken tussen jouw fraaie Garamond en mijn Trinit in? ' Hij leek het daar niet mee eens te zijn en voelde er nu meer voor de `eersteling' van Jan van Krimpen, de Lu- tetia te nemen, wat nooit van de grond is gekomen. 24 Nieuwe uitgangspunten? Door het ontwerpen van verschillende soorten druk- werk in de Trinit en door het werk dat anderen ermee maakten, is het me duidelijk geworden dat de vier ge- bieden--_leesbaarheid, harmonie, originaliteit_ en _praktisch werken_ (kortweg _goed, mooi, bijzonder_ en _goedkoop_)--een ingewikkel- de strijd met elkaar voeren. Ik denk dat ieder mens ge- neigd is zijn aandacht op n of twee van die gebieden te fixeren, waardoor de andere meer op de achtergrond raken. Wat je zelf mist, probeer je misschien wel in je werk te bereiken. Het meest geslaagd voor een ruim gebruik is, denk ik een ontwerp dat een evenwicht tus- sen de vier weet te scheppen. Daartoe moet elk gebied iets inleveren ten gunste van de andere. Bij de Trinit heb ik nog te veel gestreefd naar het optimale op alle gebieden tegelijk. Ik wist toen nog niet dat zoiets on- bereikbaar is. Juist omdt hij op twee gebieden dicht bij het optimale ligt, is hij daar op de twee andere gebie- den te ver van verwijderd. Praktische toepassingsmoge- lijkheden en harmonie in het woord- en paginabeeld zijn de sterkste kanten van het ontwerp. Dat een tekst- letter niet erg origineel moet zijn had ik al lang geleden ingezien en daar sta ik ook nu nog achter, maar dat hij ook niet al te harmonisch moet zijn, weet ik nog niet zo lang en kan ik ook moeilijk aanvaarden. Vooral bij 25 de Roman Wide 1 en 2 boven corps 9 is de harmonie te groot bij weinig interlinie. Dan wordt hij monotoon en vormt niet voldoende woorden. Ter bevordering van de leesbaarheid zou hier wat van de harmonie opge- offerd moeten worden. Bij het ontwerpen van de serie heb ik oorspronkelijk het meest gedacht aan 10 11 p. N vind ik dat de Roman Wide 1 en 2 eigenlijk meer 8 9 punts ontwerpen blijken te zijn. Voor 10 punt zou het voor de leesbaarheid wat contrastrijker moeten en nauwer gesteld bij letters met rechte delen. Minder geslaagd vind ik nu ook de `originaliteit' van de sierstukjes, een aantal cursieve kapitalen, sommige al te beweeglijke leestekens en financile tekens en een paar uithangende cijfers. De cursief onderkast lijkt iets te klein bij menging met de romeinen. 26 Digitale Trinit De geplande bitmap Autologic Trinit is in 1983 niet doorgegaan. Zij wilden het alleen als range 1 ook gepro- duceerd mocht worden en dat heb ik geweigerd omdat ik het te grof vond. Bijna alle professionele zetappara- ten kunnen nu wl 1000 of meer lijnen per cm vervaar- digen. Dat hoeft dus geen reden meer te zijn om toe- stemming te weigeren. Ensched schakelde in '87 over op Linotronic maar hield voor de Trinit de APS 153 aan. Peter Matthias Noordzij kreeg begin '90 de opdracht van Ensched de hele Trinit serie van ca.~ 1600 tekens met Ikarus M te digitaliseren. Linotype zal als eerste licentie nemen. Ook andere zetmachinefabrieken heb- ben belangstelling getoond. Bij de omschakeling van de fotografische naar de 1000 lijns digitale Trinit blijven mijn uitgangspunten van tien jaar geleden in grote trekken bestaan. Beide tech- nieken hebben nauwelijks beperkingen om elk detail te kunnen weergeven. De positieven die beide appara- ten leveren volgen nog meestal dezelfde reproductie- weg en moeten dan ook aan dezelfde eisen voldoen. Een aantal storende details ga ik verbeteren bij de om- zetting, maar niet alle, anders zou het geen Trinit meer zijn. Zo worden de onderkast cursieven nu 2% groter. Een paar cursieve kapitalen en een paar cijfers krijgen 27 een iets andere vorm. Een aantal kloddertjes veroorza- kende details wordt ng dunner gemaakt. Insnijdingen worden meer een deel van de vorm, zodat ze minder opvallen in de zeer grote corpsen die nu mogelijk zijn. Uitstulpende puntjes die voor behoud van scherpte op fotografische zetapparaten nodig waren worden geli- mineerd. Sommige letters worden iets versmald of ver- breed om de stelling in het 54 eenheden systeem. Dacht ik in '83 nog dat ik met de Trinit alles had ge- maakt dat binnen mijn mogelijkheden lag, nu blijkt er een aanleiding te zijn om voor een speciaal doel een andere letter te ontwerpen, waarbij het digitaliseren en de resolutie wl enige invloed op de vormen hebben. Matthias Noordzij maakt ook daarvan de digitalisatie. We brengen de letter samen uit onder de naam _Lexicon_. 28 Samenvatting De Romane romein en de Monotype Bembo romein trokken me aanvankelijk alleen door de _bijzondere eenvoud_ van enkele letters en cijfers. Later ging het me alleen om de _leesbaarheid van het geheel_. Daarna kwam een periode waarbij het me voornamelijk ging om de _harmonie van het geheel_. De laatste tijd denk ik dat het bij de Romane en de Bembo onbewust vanaf het begin ook al de _historische originaliteit_ was die indruk maakte. Pas heel kort zie ik dat mijn voorkeur ook werd bepaald door een minder in- houdelijke eigenschap, die ik tot nu toe niet noemde: _exclusiviteit_. Waarschijnlijk was in het begin alles tegelijk al onbewust aanwezig: een liefde op het eerste gezicht, die ik heel langzaam in onderdelen probeerde te ont- rafelen. Dat is zo merkwaardig, dat je facetten die je be- wust worden, al veel langer gevoelsmatig beoordeelt. Bij de Romane was het aanvankelijk de smalle, weinig hellende strakke cursief die ik exclusief vond, later juist de evenwichtige romein en het feit dat hij niet op een zetmachine bestond. Zou exclusiviteit voor een aantal grafisch ontwerpers die de Trinit gebruiken k on- bewust een belangrijke reden zijn? Dat is geen prettig vooruitzicht voor een letterserie die ik graag veel en om andere kwaliteiten gebruikt zie worden. Hoe kan je verworvenheden die je als kwaliteit beschouwt com- 29 bineren met originaliteit en met exclusiviteit. Dat zijn grote tegenstellingen waar we in de toekomst hoe lan- ger hoe meer mee te maken krijgen, denk ik, niet alleen bij letters. De relatie tussen leesbaarheid en harmonie is door het werken met de Trinit duidelijk geworden. Een zekere harmonie kan de leesbaarheid vergroten. Teveel har- monie tussen horizontaal en vertikaal is echter ook mo- gelijk en dat kan de leesbaarheid schaden. Het vertikale element moet het horizontale domineren om duidelijk woorden te vormen. `Functionele swing' (systematische slordigheid) kan de harmonie bevorderen. Met origi- naliteit moet ik ng voorzichtiger zijn. Technisch is het nu heel goed mogelijk om een goede Bembo, zelfs om een goede Romane in het 1000 lijnen per cm digitale systeem te produceren met per corps aangepaste tekeningen. Het is nog maar de vraag of de gebruikers er de kosten voor willen dragen. ls het nog eens gebeurt, lijkt het me ook drbij handig om elke corpstekening tevens in andere groottes te kunnen ge- bruiken. Dat kan van pas komen bij grote leesafstand, diapositief, weinig contrast met de achtergrond, en bij aanvretende reproductie methoden. Voor de Bembo zou ik zo'n serie toejuichen. Bij de Romane ligt het gevoeliger. Ik zie hem liever niet in Playboy of in mijn belastingbiljet. Ik kies de Romane bij voorkeur voor 30 exclusief drukwerk, maar ik denk dat Jan van Krimpen juist graag zag dat hij veel gebruikt werd en niet uit- sluitend om de licentie inkomsten. Ik ben me er van bewust dat alle begrippen die ik in dit stuk noemde, _praktische toepasbaarheid, harmonie, leesbaar- heid, originaliteit, exclusiviteit,_ subjectieve, nauwelijks meet- bare eigenschappen zijn. Eigenlijk had ik overal `mijn gevoel voor' bij moeten zetten, maar dat werd zo lang. Ik denk dat de meetbaarheid afneemt met de volgorde waarin ik ze noemde. Bij praktische toepasbaarheid is de prijs een maatstaf. Voor het meten van harmonie zou misschien een instrument te bedenken zijn. Voor het meten van leesbaarheid kan een onderzoek bij ver- schillende `doelgroepen' enig resultaat geven. Het zou regelmatig herhaald moeten worden. Maar hoe zou je originaliteit en exclusiviteit van letters kunnen meten? Als ik zeker zou weten dat een onderzoek zou kunnen weergeven wat veel mensen een aantal jaren willen, zou ik daar misschien wel rekening mee houden. Voorlopig baseer ik mijn oordeel nog maar op mijn eigen waar- nemingen en de kritiek van een paar vrienden. 31 Colofon Bram de Does zette zijn tekst uit de Romane 12/14 en drukte op Zerkall op zijn Victoria degel te Aartswoud. De letters voor het Bembo voorbeeld leende hij van Hans Rombouts te Driehuis en voor het smalle Bembo cursief voorbeeld van Huib van Krimpen te Amster- dam. De letters voor de voorbeelden Lutetia, Romulus, Cancelleresca Bastarda en Spectrum leende hij van de historische drukkerij van Joh. Ensched en Zonen te Haarlem. Het bandpapier, een vijftig jaar oud register marbr, bedrukte hij met zijn Kaba ornamenten. Jan de Jong drukte de Trinit voorbeelden in offset op Zerkall, naar positieven die Joh. Ensched en Zonen in 1982 zetten op hun Autologic APS 153. Peter Matthias Noordzij zette afb.~ 36 en 37 en de bij- schriften vanaf afb.~ 8 uit de Trinit zoals die door hem met Ikarus M is gedigitaliseed. Uit de Ikarus-data zijn Postscriptfonts gegenereerd die door Joh. Ensched en Zonen met een Linotype Postscript RIP 1 en een Lino- tronic 300 zetmachine met een resolutie van 1000 lijnen per cm zijn uitgedraaid. Deze versie wordt hier voor het eerst in druk getoond. Binderij van Waarden te Amsterdam bond 500 exem- plaren in het sterke register marbr en Erik Schots te Krommenie bond 30 luxe exemplaren. 32 De 27 Trinit fonts | | [9] | Trinit Roman Condensed | | [10] | | Afb.~ 8. Trinit Roman Condensed 1, 2, 3 (Autologic versie) | 16P/20D | | | [11] | | Afb.~ 9. Trinit Roman Condensed 1 (Autologic versie) | 10P/10D en 8P/8D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [12] | | Afb.~ 10. Trinit Roman Condensed 2 (Autologic versie) | 10P/12D en 8P/9D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [13] | | Afb.~ 11. Trinit Roman Condensed 3 (Autologic versie) | 10P/14D en 8P/10D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | Trinit Roman Wide | | [14] | | Afb.~ 12. Trinit Roman Wide 1, 2, 3 (Autologic versie) | 16P/20D | | | [15] | | Afb.~ 13. Trinit Roman Wide 1 (Autologic versie) | 10P/10D en 8P/8D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [16] | | Afb.~ 14. Trinit Roman Wide 2 (Autologic versie) | 10P/12D en 8P/9D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [17] | | Afb.~ 15. Trinit Roman Wide 3 (Autologic versie) | 10P/14D en 8P/10D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | Trinit Italic | | [18] | | Afb.~ 16. Trinit Italic 1, 2, 3, 4 (Autologic versie) | 16P/20D | | | [19] | | Afb.~ 17. Trinit Italic 1 (Autologic versie) | 10P/10D en 8P/8D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [20] | | Afb.~ 18. Trinit Italic 2 (Autologic versie) | 10P/12D en 8P/9D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [21] | | Afb.~ 19. Trinit Italic 3, 4 (Autologic versie) | 10P/14D en 8P/10D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | Trinit Medium Condensed | | [22] | | Afb.~ 20. Trinit Medium Condensed 1, 2, 3 (Autologic versie) | 16P/20D | | | [23] | | Afb.~ 21. Trinit Medium Condensed 1 (Autologic versie) | 10P/10D en 8P/8D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [24] | | Afb.~ 22. Trinit Medium Condensed 2 (Autologic versie) | 10P/12D en 8P/9D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [25] | | Afb.~ 23. Trinit Medium Condensed 3 (Autologic versie) | 10P/14D en 8P/10D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | Trinit Medium Wide | | [26] | | Afb.~ 24. Trinit Medium Wide 1, 2, 3 (Autologic versie) | 16P/20D | | | [27] | | Afb.~ 25. Trinit Medium Wide 1 (Autologic versie) | 10P/10D en 8P/8D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [28] | | Afb.~ 26. Trinit Medium Wide 2 (Autologic versie) | 10P/12D en 8P/9D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [29] | | Afb.~ 27. Trinit Medium Wide 3 (Autologic versie) | 10P/14D en 8P/10D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | Trinit Medium Italic | | [30] | | Afb.~ 28. Trinit Medium Italic 1, 2, 3, 4 (Autologic versie) | 16P/20D | | | [31] | | Afb.~ 29. Trinit Medium Italic 1 (Autologic versie) | 10P/10D en 8P/8D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [32] | | Afb.~ 30. Trinit Medium Italic 2 (Autologic versie) | 10P/12D en 8P/9D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | | | [33] | | Afb.~ 31. Trinit Medium Italic 3, 4 (Autologic versie) | 10P/14D en 8P/10D (de laatste gespatieerd met 1/9 P) | Trinit Bold | | [34] | | Afb.~ 32. Trinit Bold 1, 2, 3 (Autologic versie) | 8P/8D, 8P/9D, 8P/10D | | | [35] | | Afb.~ 33. De tekens die heltzelfde zijn bij Trinit 1, 2, 3 (en bij de | cursief ook 4) en de tekens die anders zijn in de verschillende | stok- en staartlengteversies (gezet in Autologic Trinit) | | | [36] | | Afb.~ 34. De kapitalen en onderkastletters waarbij | de sierhaaltjes aansluiten. | | | [37] | | Afb.~ 36. Trinit Roman Wide 2 (PostScript versie) | 11. 6/12D en 9. 3/9D (de laatste gespatieerd met ca.~ 1/10 P) | | | [38] | | Afb.~ 37. Trinit Italic 2 (PostScript versie) | 11. 6/12D en 9. 3/9D (de laatste gespatieerd met ca.~ 1/10 P) | Colofon, zie p.~ 32