Tonke Dragt *De tijd zal het leren* _I_ `De Tijd is een wonderlijk Iets,' zei de klokkenmaker. `Je kunt hem aan laten wijzen door grote en kleine wijzers -- uren, minuten en seconden. Maar de Tijd zlf vang je niet. Die gaat voorbij. Toekomst wordt Heden, Heden wordt Verleden...' De student knikte. Ook hij dacht, net als de klokkenmaker, wel eens na over de Tijd; speciaal over de Tijd die vervlogen was, het verleden. Hij studeerde geschiedenis aan de universiteit. In het huis van de klokken- maker had hij een kamer gehuurd, en hij kwam vaak bij hem in de werk- plaats. Daar babbelden ze samen, omringd door klokken van allerlei soort. Staartklokken, stoeltjesklokken en koekoeksklokken keken op hen neer van de muren. Pendules en westminsterklokken tikten hen toe vanaf de tafels, en horloges gluurden naar hen uit de vitrines. Alleen de vreemde, hypermoderne klok in een hoek van de werkplaats liet niets van zich merken. Deze had geen wijzerplaat en maakte geen enkel geluid. De student had eerst gedacht dat het geen klok was, maar een soort ijskast. De klokkenmaker had hem echter verteld dat het wel degelijk een klok was -- een klok die hij zelf had ontworpen, niet meer en niet minder dan het Einde van alle klokken. `Elke dag ben ik ermee bezig,' zei hij. `Misschien komt-ie nooit klaar; ik knutsel hem voor m'n plezier, als tijdverdrijf... Gekke uitdrukking,' vervolgde hij. `Tijdverdrijf! De Tijd hoeft niet verdreven te worden; die gaat vanzelf wel voorbij, of we het willen of niet. Maar goed, laat ik dan zeggen dat ik die klok maak om de tijd aangenaam te passeren -- mijn vrije tijd bedoel ik. Ik moet natuurlijk ook tijd besteden met het verdienen van mijn brood. Tijd is geld, zeggen de zakenlieden.' `De tijd vliedt snel, gebruik hem wel,' murmelde de student. `Alles op zijn tijd,' zei de klokkenmaker. Hij liet de wekker aflopen die hij aan het repareren was. Toen sprak hij: `Dit is in orde; mijn dagtaak is gedaan. Ik ga mijn gereedschappen opbergen.' `En ik moet weer aan het werk,' zei de student met een zucht. `Me ver- diepen in het wel en wee van de middeleeuwse stad. Over twee weken moet ik examen doen.' `Je drinkt toch wel even een kopje koffie met me?' zei de klokkenmaker. `Wat kijk je somber! Is dat examen zo moeilijk?' `Afschuwelijk is het!' zei de student. `Ik wou dat er geen examens waren uitgevonden. Ja, een kopje koffie lust ik graag.' `Waarom studeert men eigenlijk geschiedenis?' vroeg de klokkenmaker, toen hij de koffie had ingeschonken. `Van wat gebeurd is in het verleden, kan men leren in het heden...' begon de student. `En de Toekomst?' zei de klokkenmaker. `Van wat gebeuren zal in de toekomst kan men ok iets leren in het heden. Of niet?' De student lachte. `De Toekomst,' zei hij, `is een gesloten boek.' `Wie zegt dat?' vroeg de klokkenmaker, en hij wierp een blik op de witte kast in een hoek van de werkplaats -- de kast zonder wijzerplaat die toch een klok was. `U gelooft toch niet in waarzeggers die de toekomst voorspellen?' `Ik geloof dat het nuttiger is de toekomst te bestuderen dan het verleden,' sprak de klokkenmaker. `Ik wil niets op jouw vak aanmerken, maar alles wat in de geschiedenisboeken staat is al lang voorbij en bij ieder bekend.' `Lang niet bekend!' wierp de student tegen. `Wie geschiedenis stu- deert, probeert te weten te komen wat er verborgen ligt achter de sluiers van de tijd.' De klokkenmaker stond op. `Juist!' zei hij, en zijn ogen begonnen te schitteren. `De sluiers van de Tijd! Die verbergen verleden en toekomst. Dt is wat mij interesseert! Ik wil de sluiers van de Tijd oplichten en er- achter kijken... Wat dat betreft zijn verleden en toekomst hetzelfde.' Hij keek om zich heen. `Misschien komt het door al die klokken,' ging hij voort, `dat ik mijn tijd het liefst doorbreng met het bestuderen van de Tijd. Op wetenschappelijke, wiskundige wijze. Begrijp je wat ik be- doel?' `Ik was altijd erg dom in wiskunde,' mompelde de student. `Op een gewone klok kun je alleen zien hoe laat het is,' zei de klokken- maker. `De enige ware klok, het Einde van alle klokken, is de klok die de Tijd zlf gevangen houdt. Met zo'n klok zou je elk tijdstip kunnen be- reiken wat je wenst -- of het nu verleden is of toekomst.' De student staarde hem aan. `U zgt?' vroeg hij. `Ik bedoel een klok waarmee je door de Tijd kunt reizen,' zei de klok- kenmaker. `Vind je dat zo vreemd? Ze maken vandaag de dag raketten die ze naar de maan afschieten, en er zijn vliegtuigen die sneller gaan dan het geluid. Waarom zou je dan niet iets kunnen maken waarmee je door de Tijd reist?' `Een Tijd-machine!' riep de student. `Ik heb daar wel eens over ge- lezen. Maar dat is _science-fiction_ -- een fantastisch toekomstverhaal.' `Helemaal niet,' zei de klokkenmaker. `Ik ben er al aan bezig, en mijn werkstuk staat daar.' Hij wees naar het witte voorwerp in de hoek van de werkplaats. `'t Is toch niet waar!' riep de student, terwijl hij opsprong. `Is dat een Tijd-machine? En werkt hij echt?' `Ik noem het een _klok,'_ zei de klokkenmaker. `En of hij werkt... de Tijd zal het leren.' De student liep naar de klok toe en bekeek die met een twijfelachtig ge- zicht. `'t Is gewoon een grote kast,' zei hij. `Je mag hem wel beter bekijken,' zei de klokkenmaker. Hij deed de deur van de kast open, en toen stond de student verbaasd. Van binnen was de kast niet wit en kaal. De wanden waren helemaal vol met glimmende wijzerplaten, met zilverglanzende uren-, minuten- en secondenwijzers, met zwarte, witte, rode en groene knopjes, met tand- wielen en radertjes, met dunne koperen draden en kleine lampjes. Aan de binnenkant van de deur was een groot toetsenbord met cijfers en letters, en op de bodem van de kast stond een laag zitbankje. `Nu, wat zeg je ervan?' sprak de klokkenmaker trots. `Het ziet er indrukwekkend uit,' zei de student. `Ik zal niet proberen je uit te leggen hoe het allemaal werkt,' zei de klokkenmaker. `Dat is allemaal hogere wiskunde en je zou het toch niet begrijpen. De bedoeling is, dat je op dit bankje gaat zitten, de deur dichtdoet en op het toetsenbord het tijdstip bepaalt waar je wilt komen...' `Bijvoorbeeld 20 juni twaalfhonderd-vierentachtig?' zei de student. `Ja. Of 21 juni van het jaar 2000. Als de klok eenmaal werkt hoef je alleen maar te wachten tot de deur vanzelf weer opengaat... en dan stap je naar buiten in een andere tijd.' `Doet hij... doet de klok dat heus?' vroeg de student opgewonden. `Ik bedoel, als hij klaar is?' `Ja zeker,' antwoordde de klokkenmaker. `De machinerien werken al. Maar ik heb ze nog niet genoeg getest.' Hij morrelde wat aan een paar draadjes en draaide een knop om. Het inwendige van de klok begon te zoemen, de wielen en raderen gingen bewegen, en daarna klonk er getik dat steeds luider werd. Het leek wel alsof er een heleboel klokken tegelijk aan het lopen waren. De lampjes flitsten aan en sommige wijzers draaiden langzaam rond. `Nee maar!' fluisterde de student. `Dit is fantastisch!' _II_ `Wanneer gaat u de klok probren?' vroeg de student een week later. Hij was iedere dag in de werkplaats op bezoek geweest en hij had nu veel meer van de Tijd-klok gehoord. Hij was de enige die ervan wist; de klok- kenmaker wilde zijn uitvinding voorlopig nog geheim houden. `Jou durfde ik er wel van te vertellen,' had hij gezegd. `Jij hebt ook be- langstelling voor de opeenvolging van uren, maanden en jaren -- al is het dan in het verleden en niet in de toekomst!' Nu antwoordde hij op de vraag van de student: `Eerst moet ik zeker weten dat mijn klok goed werkt. Tijdreizen zijn niet zonder gevaar!' De student stond voor de open deur van de kast en keek peinzend naar de wijzers, knoppen en raderen. Hij was bijna net zo opgewonden over de uitvinding als de klokkenmaker zelf. Hij had haast niets aan zijn studie gedaan omdat hij er steeds aan moest denken. Nu en dan kreeg hij even pijn in zijn maag, als hij dacht aan het naderende examen. Hij was bang voor examens, al was hij heus niet dom. Maar de klok was belangrijker -- de klok kon zelfs hl belangrijk zijn voor hem... en voor zijn studie. `Als ik eens naar de middeleeuwen kon reizen,' zei hij. `In n dag zou ik dan meer van de middeleeuwse steden te weten komen dan al mijn professoren bij elkaar! U moet er beslist voor zorgen dat uw klok ook op het verleden wordt ingesteld. Dat is van enorm veel belang voor de wetenschap.' De klokkenmaker fronste zijn wenkbrauwen en schudde zijn hoofd. `Stel je voor, je zou de ontdekking van Amerika mee kunnen maken,' ging de student voort. `Aan boord bij Columbus zelf! Denk eens in, je zou...' `Denk eens n!' viel de klokkenmaker hem in de rede. `Stel je eens voor dat je op Columbus'~ schip meereisde, en overboord viel omdat je niet gewend bent aan die schommelende zeilschepen. Stel je voor dat Columbus zelf je nasprong en dat hij daarbij verdronk. Zijn schepen zouden dan hun kapitein kwijt zijn, en zo zou Amerika niet worden ontdekt...' `Wat een belachelijke veronderstellingen...' begon de student. `Ja, maar tch zou zo iets kunnen gebeuren,' zei de klokkenmaker. `Door een klein, belachelijk voorval zou je op een uitstapje naar het verleden de hele geschiedenis kunnen veranderen. Lieve help, wat een gevolgen zou dat kunnen hebben! Kun jij je voorstellen dat Amerika niet zou zijn ontdekt?' `Het zou altijd ontdekt zijn,' sprak de student. `Als Columbus het niet had gedaan in 1492, zou een ander het wel gedaan hebben in 1493 of 1494.' `Maar dan zou de geschiedenis een heel ander verloop krijgen!' riep de klokkenmaker. `Jij zou het toch niet op je geweten willen hebben dat alle geschiedenisboeken moeten worden veranderd? Hemeltje lief, nog veel ergere dingen zouden kunnen gebeuren! Iemand zou op een reisje in het verleden wel een bananeschil kunnen laten vallen. Over die schil zou dan je grootvader kunnen struikelen en zijn nek breken. Dan zou hij nooit met je grootmoeder trouwen, en dan zou je vader nooit geboren worden. En jij zelf zou er ook niet zijn!' `Nee maar!' zei de student en hij ging erbij zitten. `Wat u zegt is krankzinnig, maar er zit iets in.' `Begrijp je nu waarom ik liever van het verleden afblijf?' zei de klokken- maker. `Dat is me veel te gevaarlijk. Ik houd me bij de toekomst.' `Ja maar,' zei de student, `als je naar de toekomst reist en weer terug- komt -- wat gebeurt er dan? Kun je dan waarzeggen en voorspellen?' `Ik denk van wel,' sprak de klokkenmaker. `Stel je voor dat je in de toekomst een ramp meemaakt,' ging de student voort. `Zou je die dan, als je teruggaat naar je eigen tijd, kunnen voor- komen en afwenden? Anders heb je er niet veel aan!' `Dat is nu juist wat ik te weten wil komen,' zei de klokkenmaker. `Als je in het verleden iets kunt veranderen, moet je dat met de toekomst ook kunnen doen,' zei de student. `Maar wat in de toekomst is, is nog niet eens gebeurd. Hoe kun je er dan hn reizen?' Hij stond op en liep heen en weer. `Hoe meer ik erover denk hoe ingewikkelder het wordt,' sprak hij met een zucht. `Komt Tijd, komt raad,' zei de klokkenmaker. _III_ `Morgen,' dacht de student, `morgen is het examen, en ik weet niets, niets!' Hij zat in zijn kamer met stapels boeken om zich heen. Zenuwachtig bladerde hij nu eens in het ene, dan weer in het andere. `Had ik maar harder gewerkt!' dacht hij. `Maar gedane zaken nemen geen keer... Hoewel, de klokkenmaker beweert dat je het verleden wl kunt ver- anderen... De klokkenmaker en zijn Tijd-klok. Die zijn er de schuld van als ik zak... Nee, het is mijn eigen schuld. Ik had moeten studeren in- plaats van steeds in de werkplaats naar die uitvinding te kijken... O, had ik maar meer tijd! Tijd...' Hij sloeg zijn boeken dicht, stond op en ging zijn kamer uit. Toen hij de trap af liep, hoorde hij de voordeur dichtslaan. De jas van de klokken- maker hing niet aan de kapstok; blijkbaar was deze uitgegaan voor zijn avondwandelingetje. Meestal bleef hij niet lang weg. De student ging de werkplaats binnen. De klokkenmaker had alle lampen laten branden en de Tijd-klok stond open. De andere klokken tikten; ze wezen kwart voor negen. De student vroeg zich af of hij zou wachten tot de klokkenmaker terugkwam. Natuurlijk kon hij beter weer naar zijn kamer gaan om nog zo veel mogelijk in zijn hoofd te stampen. `Maar dat lukt me toch niet,' dacht hij somber. `Ik zak zeker! Nog een nacht en een ochtend, en dan is het zover...' Hij liep naar de klok in de hoek van de werkplaats. `Morgen' zei hij tot zichzelf. `Morgen om vijf uur is het gebeurd. Dan ben ik geslaagd of gezakt.' Deze klok zou het hem nu al kunnen vertellen; in de klok zat de Tijd gevangen -- ook het tijdstip van het examen... `De klok is zo goed als klaar,' dacht de student. `Als ik deze knoppen omdraai begint hij te lopen. Tot honderd jaar in de toekomst is hij al af- gesteld; dat heeft de klokkenmaker me gisteren laten zien.' Maar de klokkenmaker had gezegd dat hij de klok nog niet durfde te proberen. Toch zou hij dat ns moeten wagen. Hoe kon hij anders te weten komen of zijn uitvinding deugdelijk was? `Ik zou het kunnen proberen,' dacht de student. `Ik zou er binnen kunnen gaan en een reisje maken naar vijf uur morgenmiddag. Dan zou ik weten of ik gezakt ben of geslaagd...' De klokkenmaker zou dat vast niet goed vinden, maar hij was er niet. `Als ik het doe,' zei de student tot zichzelf, `kan ik meteen bewijzen dat zijn uitvinding werkt. Ik kan het beschouwen als een proefneming in het belang van de wetenschap.' Hij keek naar de andere klokken; tien voor negen wezen die nu. `Vijf minuutjes maar,' dacht hij. `Vijf minuten kijken in de Toekomst; van vijf uur tot vijf over vijf morgenmiddag. Alleen om te weten hoe het examen is afgelopen... nee, om te weten of de klok echt werkt.' Hij draaide een paar knoppen om -- de lampjes gingen aan en het getik en gezoem begon. Hij stapte de Tijd-klok in en ging zitten op het bankje. Hij wist precies wat hij moest doen; de klokkenmaker had het hem ge- wezen. Deze toetsen om heen te gaan, en die knop om terug te keren naar zijn eigen tijd... `Als ik het doen wil, moet ik het nu meteen doen,' dacht hij. `Vr de klokkenmaker thuiskomt. En voor ik het griezelig begin te vinden en niet meer durf.' Hij strekte een arm uit en sloot de deur. Hij haalde diep adem, keek naar het toetsenbord en sprak hardop: `Een groot historisch ogenblik is aan- gebroken. De eerste tijdreiziger begint een ontdekkingsreis naar de toe- komst.' Toen tikte hij langzaam en secuur op de toetsen -- het jaar, de maand, de dag en het uur. Morgenmiddag vijf uur! Hij trok een gewicht naar be- neden; dat was het gewicht van de Tijd. Meteen begon de klok te trillen. Het getik werd luider, de wielen en ra- deren draaiden sneller. De wijzers begonnen rond te lopen alsof ze krank- zinnig waren geworden. De lampjes flitsten aan en uit, aan en uit... De student greep zich vast aan de zitting van het bankje om niet te vallen. Het kwam hem voor dat de klok omhoog schoot en toen met een peilloze vaart begon te vliegen door een oneindig Niets... Hij voelde zich misselijk. Je kon zeeziek worden, en van ruimteziekte had hij ook gehoord. Zou er ook Tijd-ziekte bestaan? Hij keek rond. Al die draaiende dingen maakten hem duizelig. Hij zette zijn tanden op elkaar en vestigde zijn blik op het toetsenbord. Het zou niet lang duren. `Reizen door de Tijd kost haast geen tijd,' had de klokkenmaker gezegd. De klok dd het in ieder geval. Maar wat als hij niet ged werkte? Wat als hij op een verkeerd moment in de toekomst aankwam? En wr zou hij aankomen? Precies op dezelfde plek natuurlijk vanwaar hij vertrokken was: De klok zou vijf minuten lang uit de werkplaats verdwijnen, van tien voor negen tot vijf voor negen -- dat waren de vijf minuten die hij in de toekomst door zou brengen. Als de klok goed werkte... `Stel je voor dat hij het niet goed doet,' dacht de student. `Hoe lang zit ik hier al? Ik heb geen idee meer van de tijd... Maar onder deze reis gaat geen tijd voorbij... Ja, wl, de hele nacht en de halve dag van morgen vliegen voorbij in... hoe lang? _Hoe lang?'_ Om hem heen draaide en tikte het... De wijzerplaten verblindden hem bijna. Blauwe vonken spatten van de koperen draden. `Ik houd het niet meer uit,' dacht de student, en hij kneep zijn ogen dicht. `Ik word ziek, ik val flauw...' Het getik werd langzamer, zachter... En plotseling klonk er een klap, die de klok deed schudden. De student deed zijn ogen open. Hij rook een vreemde branderige lucht. De lampjes waren gedoofd. Wat was er ge- beurd? De klok stond stil. In paniek stond hij op, stootte zich tegen het toetsenbord... en meteen vloog de deur open. _IV_ De student deed wankelend een stap naar buiten. Hij streek zich over het voorhoofd en wreef in zijn ogen. Maar dat hielp niets; het bleef donker. Hij was uit de klok gekomen in een pikzwarte duisternis. Toch moest dit de werkplaats zijn... hij hoorde de klokken tikken. Zonder twijfel was hij in een andere tijd aangekomen -- zonet, om tien voor negen, was er licht geweest. Maar vijf uur in de middag was het beslist niet! Het was nacht. `Waar ben ik?' vroeg hij zich af. `Welke nacht is het? Welk uur? Welk jaar?' Het zweet brak hem uit. Er was vast iets verkeerd gegaan. Had hij al examen gedaan? Als hij geslaagd was zou hij blij zijn, als hij gezakt was zou hij bedroefd zijn. Maar hij voelde niets... alleen angst. Misschien was er veel langere tijd voorbij gegaan. Misschien was was hij z ver in de toekomst, dat het hele examen al lang vergeten was... Dat examen leek nu zo onbelangrijk. De student tastte rond in de duisternis. Hij voelde de deur van de klok achter zich. Maar hij vertrouwde de klok niet meer. Stel je voor dat hij niet meer terug kon naar zijn eigen tijd! `Wat dan?' dacht hij. `Dan moet ik voor altijd in een andere tijd blijven leven dan de mensen die ik ken. Al is het maar n dag later -- dan heb ik een dag van mijn leven verloren. En wie weet wat er in die dag had kunnen gebeuren... kwade, maar ook goede dingen. Ik had het liefste meisje van de wereld kunnen ontmoeten... Maar dat zal ik nu nooit weten. _Nu..._ Wat is Nu? Dit ogenblik is _Nu_ voor mij, maar voor anderen is het toekomst.' Hij stond roerloos in het donker en hoorde de klokken tikken in de werkplaats. `Ik moet licht maken,' dacht hij. `Dan zal ik tenminste weten hoe laat het is.' Wat akelig klonk dat getik in zijn oren! Maar zijn ogen begonnen nu wat aan de duisternis te wennen. Vaag zag hij de omtrek van een vitrine, een glanzende wijzerplaat. Toen verstijfde hij. Ergens ging een deur open; een voetstap weerklonk, gevolgd door een gedempte uitroep. Daarna kwam iemand de werk- plaats binnen, die op mopperige toon zei: `Wat is dat nou! Het licht is kapot.' De student herkende de stem van de klokkenmaker. Wlke klokken- maker? Was deze een dag, een maand of jaren ouder dan de klokken- maker die hij kende? `Mijnheer...' zei hij. De klokkenmaker scheen te schrikken. `Jij hier?' riep hij. `Wat is er aan de hand?' `Ik...' begon de student. Hij deed een pas naar voren en liep tegen een stoel aan. `Alstublieft!' zei hij. `Zeg me hoe laat het is.' `Hoe...' zei de klokkenmaker. `Even een andere zekering indraaien,' viel hij zich- zelf in de rede. De student omklemde de leuning van de stoel met beide handen. `Ik geloof dat ik nog steeds tijdziek ben,' dacht hij verward. Toen gingen alle lampen aan. Hij zag in een flits de werkplaats, die er net zo uitzag als altijd. Daarna werd het weer donker. Maar een ogenblik later was het weer licht. Hij zat nu op de stoel en de klokkenmaker boog zich over hem heen. `Je gaat toch niet flauwvallen,' sprak die bezorgd. `Hier, drink wat water.' De student dronk; zijn tanden klapperden tegen het glas. `Blijf maar even rustig zitten,' zei de klokkenmaker, en hij liep naar de hoek van de werkplaats. De student keek naar de wijzerplaten, die hem aanstaarden. Alle klokken wezen n minuut voor negen. En minuut voor negen! Hij wilde vragen welke datum het was, maar zijn blik viel op de kalender en toen wist hij het al. Het was dezelfde dag... Nog geen tien minuten geleden was hij in de Tijd-klok gestapt! `De k.klok... w.werkt niet!' stamelde hij. `Nou en of hij werkt!' klonk de stem van de klokkenmaker. `Maar de Tijd schijnt hem zwaar te vallen, want alle zekeringen zijn doorgeslagen. Wat heb je uitgevoerd?' De student stond op. Hij kreeg een kleur van schaamte toen hij de klok- kenmaker aankeek. `Je hoeft het me niet meer te vertellen,' zei deze. `Je hebt hem gepro- beerd!' `Het... het s.spijt me,' stotterde de student. `Wel, het is je aan te zien dat het je inderdaad spijt,' sprak de klokken- maker. `Ik denk dat je zo iets niet nog eens uit zult halen! En je zei dat hij niet werkt?' `Dat is zo,' antwoordde de student. `Het is pas tien minuten geleden dat ik de deur dichtdeed. Maar het lijkt ren geleden...' Hij huiverde. `Ja, de Tijd is een wonderlijk Iets,' zei de klokkenmaker. `Soms valt hij je lang, soms lijkt hij kort.' Hij zweeg even omdat zijn klokken negen begonnen te slaan. Daarna vervolgde hij: `Mijn klok werkt tch wel een beetje, geloof ik. Om tien voor negen begon je aan je reis naar de toekomst. En zie, nu is het tien minuten later.' `Ja, maar dt is gewoon,' begon de student en hij zweeg. Het was waar, de Tijd ws een wonderlijk Iets. De klokkenmaker bekeek zijn uitvinding met een ernstig gezicht en frommelde aan de draden. `Jouw waaghalzige onderneming heeft me tenminste iets geleerd,' mompelde hij. `Er moeten meer zekeringen in.' `Is hij... is hij niet kapot?' vroeg de student. `Jawel,' zei de klokkenmaker, `maar hij is best te repareren.' `Gaat u ermee verder?' vroeg de student. Hij wist niet of hij opgelucht was of niet. `Natuurlijk jongen!' zei de klokkenmaker. `Ik zou het niet kunnen laten. Misschien zal het nog lang duren voordat hij werkelijk goed werkt. Wie de Tijd wil vangen, moet niet op tijd kijken.' `Wat mij betreft hoeft het niet,' dacht de student. `Ik breng mijn tijd liever gewoon door, al zijn er nu en dan examens.' En hij vroeg: `Denkt u dat het u zal lukken? En als het u lukt, wat dan? Wat doet u dan met die uitvinding?' `De Tijd zal het leren,' zei de klokkenmaker.